CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Lijst van ingekomen stukken 9-6 t/m 6-7

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen35.348 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Opvallend is dat de ecosystemen zich nagenoeg bin­ nen de provinciegrenzen bevinden13, waarbij in Fryslân, Groningen, Drenthe en Zeeland één ecosysteem zelfs de gehele provincie beslaat. In de overige pro­ vincies bevinden zich meerder clusters waaronder ‘streek-regio’s’ Twente, de Achterhoek en Zuid-Limburg. Het westen van Nederland kenmerkt zich door de stedelijke regio’s waaronder Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond. Ook zijn er regio’s die zich vormen rondom één of twee duidelijke centrumste­ den, zoals te zien in Noordoost Brabant, Midden- en West-Brabant en rondom Eindhoven.

11 12 13

Raad voor het Openbaar Bestuur, 2021(a). Vergelijk Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2021, p. 128 e.v. Het kaartje is overgenomen van p. 131. Niet allemaal natuurlijk, de regio Zwolle bijvoorbeeld strekt zich uit over 22 gemeenten en 4 provincies: Drenthe, Flevoland, Gelderland en Overijssel.

19

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Figuur 1

Bestuurlijk regionale ecosystemen

Het kaartje laat de clusters zien van gemeenten die voornamelijk met elkaar samenwerken, de zogenoemde Bestuurlijk regionale ecosystemen. Een lijn tussen twee gemeenten stelt een gezamenlijke deelname aan een samenwerkingsverband voor. Een lichte lijn geeft aan dat gemeenten relatief weinig deelnemen aan een samenwerkings­ verband (minimaal vijf), een donkere lijn relatief veel (maximaal vijftig).

De rol van de provincie verschilt per regionaal verband. De provincies Drenthe, Fryslân, Groningen en Zeeland werken relatief het vaakst samen met ‘hun’ gemeenten en vormen zo een ‘provincie-regio’. Voor Limburg en Noord-Hol­ land geldt dat zij met gemeenten in bepaalde regio’s relatief vaker samen­ werken en in andere regio’s juist minder. De overige provincies hebben relatief minder intensieve samenwerkingen met hun gemeenten.

20

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Vraagstuk niet nieuw Overigens is het vraagstuk van de regio niet uniek voor Nederland14 en geens­ zins nieuw. Samenwerking in regionaal verband is van alle tijden en er wordt al lang over gedebatteerd. De afgelopen zeventig jaar zijn talrijke rapporten en adviezen verschenen die niet hebben geleid tot een wezenlijke aanpassing van de structuur van de organisatie van het openbaar bestuur.15

Regionaal bestuur als vast onderdeel van het politiek-bestuurlijke repertoire Het Nederlandse openbaar bestuur kent een rijke traditie in het regionaal organiseren van de aanpak van maatschappelijke vraagstukken. Door de toegenomen overheidsbemoeienis en de schaalvergroting van het maatschappelijk leven heeft het regionaal bestuur vooral vanaf 1950 een hoge vlucht genomen.16 De schaal van gemeenten is vaak niet toereikend voor een effectieve aanpak van maatschappelijke vraagstukken. Zo zijn er – al dan niet opgelegd door de Rijksoverheid – op een toenemend aantal terreinen (zorg, wonen, energie, arbeidsmarkt, veiligheid) regio’s in het leven geroepen waarin gemeenten met elkaar en soms (ook) met andere overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en kennisinstellingen, beleid ontwikkelen en uitvoeren. Overheden – zeker gemeenten – zijn in toenemende mate samenwerkende overheden, afgedwongen door de complexiteit en de schaal van maatschappelijke vraagstukken. In een enkel geval, dat van de Euregio’s, gaat het daarbij om landsgrensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking. In 2017 participeerden de (toen nog 393) Nederlandse gemeenten gemiddeld in 27 (informele) samenwerkingsverbanden die zich in de regel beperken tot één beleidsterrein en waarbij vooral sprake is van de overdracht van collegebevoegdheden.

Dat aantal steeg in 2020 naar 33, een stijging van meer dan 20%.17 Formeel gezien staan gemeenteraadsleden dus vaak

14

Een land als Denemarken wordt vaak aangehaald in het debat over regionalisering. In 2007 werden de dertien provincies afgeschaft en werd het aantal gemeenten teruggebracht van 270 naar 98, onder gelijktijdige invoering van vijf regio’s. Elke regio wordt bestuurd door een door de bevolking gekozen regionale raad. De regio’s zijn onder meer verantwoordelijk voor gezondheidszorg, openbaar vervoer, ruimtelijke ordening, milieu en onderwijs. 15 In april 2010 bracht de Raad voor het Openbaar Bestuur zijn advies Het einde van het blauwdrukdenken. Naar een nieuwe inrichting van het openbaar bestuur uit. Bijlage III van het advies bevat een historisch overzicht van zestig jaar adviezen en rapporten. Nadien zijn belangrijke rapporten uitgebracht door de Studiegroep Openbaar Bestuur (Maak Verschil, maart 2016) en de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen (Als één overheid, september 2020). 16 Reussing, Boogers en Denters, in: Vollaard, Boogaard, Van den Berg en Cohen (red.), 2018, p. 257-278. Zie ook Boogers, 2013. 17 PROOF Adviseurs en Kwink Groep, 2020, p. 1-2.

21

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

op grote afstand van regionale besluitvormingsprocessen.18 Al met al blijkt de bestuurlijke inrichting van Nederland zeer veranderbestendig. De bestuurlijke hoofdstructuur – Rijk, provincies en gemeenten – bleef bestaan, inclusief de nodige hulpstructuren, die vervolgens steeds discussie bleven oproepen.

2.2

urgentie Waarom zou het volgende advies in 2021 anders zijn? De Raad ziet drie rede­ nen die de urgentie onderstrepen om nu aanpassingen door te voeren. De komende decennia ten eerste, staan ons grote maatschappelijke transities te wachten op – om maar wat te noemen – het gebied van klimaat, energie, wonen, mobiliteit, leefbaarheid, natuur en het gebruik van de schaarse ruimte. Een andere manier van samenwerken is nodig en is urgent om deze complexe transities verder te brengen.19 Het laatste regeerakkoord bevestigt de trend: regio’s zijn vaak het aangrijpingspunt voor de aanpak van de opgave. De toenemende verantwoordelijkheid van het decentrale bestuur voor beleidsrijke taken ten tweede, maakt het in veel gevallen voor met name gemeenten moeilijk om daar in hun eentje vorm én inhoud aan te geven; denk aan jeugd, werk en inkomen en arbeidsmarkt. Daarom zoeken zij hun toevlucht in regionale hulpstructuren. Al met al is er geleidelijk aan, vooral organisch, een lappendeken aan regio’s ontstaan. Daaruit volgt, ten slotte, dat het belang van regio’s is toegenomen.

De afge­ lopen tien tot vijftien jaar werd er steeds meer gevraagd van regio’s en er zijn veel nieuwe soorten bijgekomen als gevolg van nationaal beleid of natio­ nale keuzes: veiligheidsregio’s, jeugdzorgregio’s, Wmo-regio’s, regionale ener­ giestrategieën, regionale uitvoeringsdiensten, passend onderwijsregio’s, en zo meer.

18

Boogers en Reussing, in: Bestuurswetenschappen, nr. 2, 2019, p. 31, 32. Ook als er geen raad­ bevoegdheden worden overgedragen worden gemeenteraadsleden soms opgenomen in het algemeen bestuur van een regiobestuur. Ongeveer vijf procent van de gemeenschap­ pelijke regelingen kent een vertegenwoordiging van gemeenteraadsleden. Een wat grotere groep gemeenteraadsleden is actief in regionale raadsoverleggen, waarin zij worden geïnformeerd en/of geconsulteerd over regionale kwesties. Beide groepen gemeenteraads­ raadsleden zijn vaak wel ontevreden over de effectiviteit van hun inbreng. Dat kan te maken hebben met de weinige informele contacten tussen raadsleden uit verschillende gemeen­ ten, ook tussen partijgenoten. Zie ook Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, 2017. 19 Vergelijk ook het artikel met Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam, in Financieel Dagblad van 3 januari 2021 over het functioneren van de Metropoolregio Amsterdam en het artikel met Arno Brok, commissaris van de Koning van Fryslân, in VNG Magazine van 18 december 2020 over een nieuwe manier van samenwerken in zijn provincie.

22

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Kortom: regionalisering in Nederland voltrekt zich waar je bijstaat en de regio is een blijvertje.20 Waarom de regio aantrekkelijk is Dagelijkse stromen werknemers en forensen, scholieren en studenten, recre­ anten en consumenten, kopers en verkopers van de ene plek naar de andere. De samenhang tussen bevolkingsconcentraties, voorzieningen en economische en sociale activiteiten binnen een bepaald gebied noemen we een daily urban system. Deze systemen geven de structuur en begrenzing van economische en maatschappelijke ecosystemen weer, die zelden helemaal overeenkomen met bestuurlijke grenzen van een gemeente of provincie. Veel maatschappelijke opgaven ook niet: vraagstukken van wonen, werk, mobiliteit, onderwijs en recreatie overlappen en doorkruisen de grenzen van gemeenten en provin­ cies. In theorie is de verwachting dat hoe groter de gelijkvormigheid tussen de leefwereld van mensen (het economische en maatschappelijke ecosysteem) en de systeemwereld van het bestuurlijke ecosysteem is, hoe groter de effec­ tiviteit van het bestuur en de identificatie van inwoners met de bestuurlijke eenheden is. Of deze stelling ook empirisch overeind blijft, is het onderwerp van lopend wetenschappelijk onderzoek. Gelukkig is de bestuurlijke indeling van Nederland, het Huis van Thorbe­ cke, geen korset – het was Thorbecke zelf die de term ‘organische staatsleer’ muntte.

Want op de schaal tussen gemeenten en provincies vindt samenwer­ king plaats op tal van terreinen, uiteenlopend van louter de uitvoering van beleidsarme taken tot beleidsrijke regionale opgaven. Voorop staat de inhoud, het bestuur organiseert zich daar rondom heen. Belangrijke drijfveer voor (samen-)werken in regionaal verband is effectiviteit: de regio vormt voor het bestuur dikwijls de optimale schaal waar (financieel) voordeel is te behalen. Een zekere schaal heeft ook voordelen op het gebied van kennis, specialisme, kwaliteit en deskundigheid. (Samen-)werken in regio’s vergt dat het bestuur moet kunnen schakelen tussen schalen: tussen het lokale belang, het regio­ nale belang en het provinciale belang. Uit bestuurlijk oogpunt is het belang­ rijk het overzicht te houden op wat er allemaal speelt op de regionale schaal. In veel opzichten zijn regio’s dus een aantrekkelijke schaal, maar niet eentje zonder problemen. In de volgende paragraaf zullen we die analyseren.

20 Vergelijk NRC, 12 januari 2021.

23

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

2.3

probleemanalyse Ondanks de aantrekkelijkheid van regio’s ziet de Raad in de Nederlandse con­ text een aantal problemen voor het openbaar bestuur.

Vrijwillig of verplicht 21 Meestal bepalen gemeenten en/of provincies (en soms waterschappen) zelf of ze een samenwerkingsverband aangaan, al dan niet gedwongen door omstandigheden of druk van buitenaf. Het gros van de samenwerking tus­ sen bestuursorganen is vrijwillig, wat zoveel betekent dat er geen wettelijke verplichting toe bestaat. Ook al is een samenwerking vrijwillig, er kunnen wel zeker dwingende en dringende redenen bestaan waarom bestuursorganen gaan samenwerken. Denk aan het behalen van schaalvoordelen (zowel inhou­ delijk als bedrijfsmatig), vergroten van de bestuurskracht of het verbeteren van de afstemming. In toenemende mate zijn samenwerkingsverbanden wet­ telijk verplicht. Verplichte samenwerking houdt in dat op basis van de (sector) wet wordt bepaald dat bestuursorganen moeten samenwerken omtrent de inzet van bepaalde bevoegdheden. Hierbij kan een verplichte regio-indeling gelden of een verplichting om te samenwerken met een landsdekkende inde­ ling, maar met vrijheid voor gemeenten om te bepalen met wie ze samenwer­ ken. Tussen vrijwillig en verplicht zit overigens nog een hele ruimte waarin het Rijk prikkels uitgeeft tot regionale samenwerking of regiovorming. De regiodeals zijn daar een voorbeeld van. Soms ook schuurt de verplichting met samenwerking op vrijwillige basis.

Een voorbeeld is de verplichte indeling in arbeidsmarktregio’s, die vervolgens vaak niet aansluiten op de samenwerking die gemeenten zelf vrijwillig hebben ingericht ter versterking van de regionale economie. Verplichte, ‘van bovenaf’ opgelegde samenwerking wordt door­ gaans niet als ‘eigen’ beschouwd, met alle negatieve gevolgen en gevoelens van dien. Beleidsmonopolie leidt tot incongruentie: de lappendeken Als gevolg van het beleidsmonopolie van vakdepartementen is de inhoude­ lijke integraliteit van regiovorming steeds ver te zoeken: elke maatschap­ pelijke opgave kent zijn eigen vermeende ‘optimale’ bestuurlijke schaal. Dit vakdepartementaal monopolie leidt vervolgens tot telkens anders samenge­ stelde regionale verbanden (territoriale incongruentie) en de sectorale inde­ ling leidt tot verkokerd beleid. Opdeling in regio’s met ieder een eigen functie belemmert integrale bestuurlijke afwegingen op dat niveau over klimaat en energie, wonen, infra en mobiliteit, zorg en onderwijs, economie, werk en inkomen, natuur en het gebruik van de schaarse ruimte. Daarbij is niet alleen

21

Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2015, p. 28-29.

24

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

het beleidsmonopolie het probleem, maar ook het verkokerde werken van de departementen vormt een belemmerende factor wanneer regio’s eenmaal goed op dreef zijn.22 Het Huis van Thorbecke, met zijn drie verdiepingen, staat al decennia recht overeind, maar heeft in de vorm van regio’s (‘hulpstructuren’) allerlei aan­ bouwsels en tussenverdiepingen gekregen. Als gevolg van deze factoren is er een grote versnippering (of: verrommeling) van het binnenlands bestuur, dikwijls aangeduid als een ‘lappendeken’ of ‘bestuurlijke spaghetti’.

De mythe van optimale schaal23 ‘Schalen zijn lang beschouwd als een ordeningsprincipe, waarbij je de taken op een zo laag mogelijk niveau legde. Ging dat niet, dan legde je de taak op een hoger niveau neer. Het idee was namelijk dat je met taken kon aanduiden op welke laag dat het beste past. Dat hebben we vijftig jaar geprobeerd, maar niet altijd met succes. We hebben ontdekt dat we die optimale schaal niet kunnen vinden. We werken wel in schalen, maar het werkt niet.’

Toegenomen samenwerkingsverbanden drukken op bestuur Het totaal aantal in 2020 geïnventariseerde samenwerkingsverbanden is ten opzichte van 2017 toegenomen van 1095 naar 1284, een stijging van 17%. In 2020 werken provincies in gemiddeld 47 samenwerkingsverbanden samen (ten opzichte van 27 in 2017), gemeenten werken in gemiddeld 33 samen­ werkingsverbanden samen (ten opzichte van 27 in 2017) en waterschappen in gemiddeld 19 (ten opzichte van 14 in 2017).24 Over de hele linie is er dus een toename van samenwerkingsverbanden. Dit legt druk op het bestuurlijk ver­ mogen: bestuurders lopen de benen uit hun lijf van tafel naar tafel. Daarbij staat er bij gemeenten een permanente druk op de organisatie, zowel wat betreft de uitvoering van taken als financieel, doordat er in de regel weinig relatie is gelegd met de hoeveelheid taken die eerder werd overgedragen. De toename van samenwerkingsverbanden roept de vraag op of er ook legi­ tieme redenen zijn die kunnen leiden tot een afname van het aantal. Want waar besturen ooit goede redenen hadden om samen te werken, kan dat

22 Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2021(b). 23 Geert Teisman tijdens IBP-lunchbijeenkomst, 27 november 2018. Bron: Multi-level gover­ nance: 10 antwoorden op de vraag #hoedan? | Artikel | Overheid van nu (geraadpleegd 1 juni 2021). Teisman is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. 24 PROOF Adviseurs en Kwink Groep, 2020, p. 1-2.

25

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

na verloop van tijd anders zijn. Bijvoorbeeld omdat samenwerking negatief uitpakt voor het realiseren van de doelstellingen. Ook kunnen gebrek aan invloed, stroperig bestuur, geen efficiencywinst of verschuivende ambities de vraag oproepen of het niet beter is om te stoppen met samenwerken. Of te kiezen voor een ander bestuursmodel dat beter past. Politieke functie in het geding Verder is de politieke functie van de decentrale volksvertegenwoordiging in het geding: afwegingen over beleid worden steeds meer op een andere plek gemaakt dan binnen de gemeenteraad of provinciale staten. Zo komen poli­ tiek en beleidsvorming in twee afzonderlijke arena’s terecht: policy without politics in het regionale samenwerkingsverband, en politics without policy in de gemeenteraden en provinciale staten.25 De politieke invloed van de gemeenteraden en provinciale staten is voor deze onderwerpen beperkt terwijl ze wel volle verantwoordelijkheid dragen voor de financiële aanspra­ kelijkheid: in 2005 verliep nog 8% van de gemeentelijke uitgaven via samen­ werking, in 2018 meer dan 20%.26 Voor kleinere gemeenten onder de 50.000 inwoners gaat het vaak om een nog hoger percentage oplopend tot 40%.

Maarten Allers, hoogleraar economie van decentrale overheden, noemt het alarmerend dat een groot deel van de overheidsbegroting wordt onttrokken aan democratische controle ‘en niemand zich er druk om maakt.’ 27 Dit alles leidt ertoe dat de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden en provinciale staten onder druk staan: decentrale volksvertegenwoordigingen worstelen met de toegenomen maatschappelijke verantwoordelijkheid (en werkdruk28) op diverse beleidsterreinen en voelen zich op afstand van regio’s om hun sturende en controlerende rollen waar te maken. Democratisch tekort Tegelijkertijd wordt hier een fundamenteel en onderhand klassiek thema, een evergreen, van de vormgeving van ons binnenlands bestuur blootge­ legd: regio’s, zoals de veiligheidsregio’s, vormen geen bestuurslaag met een direct gekozen bestuur die het regionale bestuur kan controleren en voor dat bestuur kaders kan stellen.29 Er is sprake van verlengd lokaal bestuur: de demo­ cratische legitimatie is indirect, via de gemeenteraden. Sommigen spreken

25 Zie Van den Berg, 2011. 26 Allers in VNG Magazine 15, 5 oktober 2018. Overigens gaat er niet alleen meer geld om in regionale structuren, ook het aantal fte’s aan personeel dat bij gemeenschappelijke regelin­ gen werkt, neemt toe. 27 Allers in De Gelderlander, 2 april 2021. 28 Raad voor het Openbaar Bestuur, 2016. Een gemeenteraadslid besteedde in 2016 gemiddeld 15,9 uur per week aan het raadswerk. In 2019 is dat opgelopen tot gemiddeld 17,2 uur (bron: Nationaal Raadsledenonderzoek 2019). 29 Fraanje en Polman, 2020.

26

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

van verlegd lokaal bestuur.30 Weer anderen zien een beweging naar democra­ tisch steeds minder legitieme organisatievormen.31 Het ontbreken van directe legitimatie is op zich al een fundamenteel vraagstuk, maar krijgt nog meer betekenis wanneer bedacht wordt dat veel leden van gemeenteraden en pro­ vinciale staten naar eigen zeggen weinig zicht – en laat staan grip – hebben op het reilen en zeilen van de samenwerkingsverbanden waar hun gemeen­ ten of provincies in participeren.32 Regionalisatie leidt in de huidige vorm aldus tot een democratisch tekort.33

Democratische legitimiteit34 Democratische legitimiteit is een begrip dat vele aspecten kent. In de kern bestaat het beginsel democratische legitimiteit uit drie delen: 1. De eis van algemeen (actief en passief) kiesrecht: burgers moeten invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van vertegenwoordigende lichamen; 2. De eis van democratische sturing: vertegenwoordigende lichamen moeten richting kunnen geven aan het overheidsoptreden; en 3. De eis van democratische verantwoording: vertegenwoordigende lichamen moeten in staat zijn om het overheidsoptreden te controleren en betrokkenen te vragen hierover verantwoording af te leggen.35 Nederland is een indirecte, representatieve democratie. Het volk kiest zijn eigen vertegenwoordigers die namens hen beslissingen nemen en het bestuur controleren. Het concept van regionaal bestuur in de Nederlandse context beperkt de invulling van de democratische legitimiteit: sturing van het overheidsoptreden gebeurt op afstand (verlengd lokaal bestuur), verantwoording en controle is er wel maar functioneert mondjesmaat, en er vinden géén algemene rechtstreekse verkiezingen plaats.

30 Igno Pröpper heeft de term verlegd lokaal bestuur gemunt en gebruikt in verschillende rekenkameronderzoeken. 31 Vergelijk Yesilkagit, 2021. 32 Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2015. 33 De Raad van State spreekt in de context van de decentralisatieparadox zelfs over een ­‘dubbel democratisch tekort’: op rijksniveau kan het parlement de minister niet meer op alles aanspreken en op gemeentelijk niveau speelt hetzelfde: de gemeenschappelijke rege­ ling gaat erover, de gemeente maar deels. Zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 513, nr. 4, p. 8. 34 Bijlage II gaat dieper in op het concept democratische legitimiteit. 35 Overigens is er meer dan alleen formele legitimatie. In zijn advies Akkoord?! Besturen met akkoorden als evenwichtskunst (maart 2020) beschreef de Raad normen voor goed open­ baar bestuur: democratisch, behoorlijk en publiek waardevol.

27

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Goed bestuur hoort democratisch gelegitimeerd te zijn. Wanneer democratische legitimiteit van regionaal bestuur gebrekkig is, zullen in het ergste geval de burgers de output van het regionaal bestuur niet meer accepteren. Aanspreekbaar is echter alleen de gemeenteraad of provinciale staten, die op hun beurt beperkte sturingsmogelijkheden hebben.

Centrale visie op regiovorming ontbreekt Belangrijke oorzaak van de problematiek is het gebrek aan overkoepelende visie op regiovorming. Criteria en regels voor regiovorming bestaan niet. Ver­ antwoordelijkheden voor de regio zijn niet goed belegd en bestaande mecha­ nismen voor het afleggen van rekenschap over de regio werken niet goed, getuige de voortdurende discussie over de Wgr. Opgeteld vormt de regio, met name voor kleine gemeenten, een steeds groter wordende last.36 Daarvoor is bij het ontwerpdenken geen oog. Een centrale visie, over de ontwerpen van regio’s heen en tussen de inhoudelijk opgaven van regio’s, ontbreekt. Discus­ sies over structuuroplossingen worden angstvallig vermeden.

De analyse vatten we samen in de volgende vijf problemen: • Het probleem van de uitvoering – voor een effectieve en efficiënte uit­ voering van bepaalde taken is een zekere schaal nodig, maar taak en schaal van bestuurlijke eenheden lopen niet synchroon: de toename van (verplichte vormen van) samenwerking en vakdepartementaal beleids­ monopolie leiden tot een incongruente lappendeken; • Het probleem van het bestuur – de toename van samenwerkingsverban­ den en het toegenomen belang van regio’s legt druk op het bestuurlijk vermogen van (met name) gemeenten; • Het probleem van kaderstelling en controle – de politieke zeggenschap van de gemeente op wat er in regio’s gebeurt neemt af, maar de inhou­ delijke en financiële verantwoordelijkheid blijft; • Het probleem van democratische legitimiteit – de hulpstructuren ontbe­ ren een heldere democratische legitimatie; en • Het probleem van het ontwerp van de organisatie – centrale visie op regiovorming ontbreekt, het ontbreken van concepten en kaders leidt tot een mismatch tussen opgaven/taken, schaal en bevoegdheden.

36 Gemeenten, ook de kleinere, hebben natuurlijk ook baat bij regio’s, zonder kunnen ze niet (meer).

28

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

2.4

tussenconclusie Dit alles leidt volgens de Raad tot een steeds groter wordende spanning die zich voordoet bij het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opga­ ven op regionale schaal: opgave en uitvoering, bestuurlijk vermogen, verant­ woordelijkheden en financiën (kaderstelling en controle) en democratische legitimiteit zijn niet meer in balans. Het openbaar bestuur vormt zich rond regio’s, de schaal waarop maatschappelijke thema’s worden opgepakt, terwijl in het ontwerp van ons binnenlands bestuur geen formele organisatievorm bestaat op dat schaalniveau. Er wordt al heel lang gesproken over het vraagstuk en de discussie vertoont kenmerken van een pendule. De ene keer met een pleidooi voor flexibele arrangementen en organisch bestuur wat inherent onvolkomenheden in zich draagt. De andere keer met een pleidooi voor een structuuroplossing waar­ tegen allerlei bezwaren worden opgeworpen. De regio als droomland of nie­ mandsland? Volgens de Raad is het nodig om de spanning tussen droomland en niemandsland te verlichten.

29

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

3 Uitgangspunten voor het besturen van regio’s

Zes uitgangspunten Hoe kan de aanpak van het geheel aan regionale opgaven effectief en demo­ cratisch gelegitimeerd worden georganiseerd binnen ons bestuurlijke bestel? Hoe kan de spanning tussen droomland en niemandsland worden verlicht? Voor het beantwoorden van deze vragen moeten volgens de Raad de volgende zes uitgangspunten worden afgewogen. 1. De inhoud centraal Er is nood aan een integrale regionale agenda voor vraagstukken van klimaat en energie, wonen, infra en mobiliteit, zorg en onderwijs, economie, werk en inkomen, natuur en het gebruik van de schaarse ruimte. Alle reden om de inhoud centraal te stellen nu deze opgaven nauw met elkaar samenhangen. De regionale opgaven vragen daarom om een passende schaal waarop het bestuur is georganiseerd, zodanig dat het goed is toegerust om zijn taak ade­ quaat te kunnen vervullen. 2. Democratisch gelegitimeerd Het bestuur van regio’s moet democratisch zijn gelegitimeerd. Want als de overheid democratisch tekortschiet, verliest ze haar geloofwaardigheid. Bij de keuze en inrichting van regionaal bestuur moet de democratische legitimiteit als waarde worden afgewogen tegen de waarde van ‘bestuurderseffectiviteit’. Regionale opgaven met een beleidsrijk karakter vragen om regionale, politieke en integrale afwegingen.

Dit betekent dat taken in beginsel worden toebe­ deeld aan formele bestuurslagen met een democratisch gekozen volksverte­ genwoordiging die zoveel mogelijk integrale afwegingen kan maken. Waar toebedeling aan een formele bestuurslaag niet is aangewezen, is een meer organische vorm van democratische legitimiteit een optie: maak verant­ woording een gespreksthema in de regionale samenwerking, bepaal zelf in de regio wat een passende wijze is van democratische legitimiteit en bij welke volksvertegenwoordiging(en) deze ligt. Deze vorm van geborgde democrati­ sche verhoudingen heeft als belangrijk voordeel dat er tenminste één geko­ zen vertegenwoordigend lichaam de noodzakelijke legitimiteit biedt voor het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal.

30

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

3. Autonomie, tenzij Al heel lang bestaat het spanningsveld tussen de voordelen van centralisatie (bevordering van politieke eenheid, gelijkheid in wetgeving en bestuur) en die van decentralisatie (het decentrale bestuur is beter bekend met de plaat­ selijke situatie, de mensen zijn meer bij het bestuur betrokken). De strijd over de autonomie speelt ook op het regionale niveau: verplicht of vrijwillig? Wie heeft de autonomie om de beslissing te nemen over het regionale arrange­ ment? Uitgangspunt moet zijn dat de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionaal niveau een proces van regio’s zelf moet zijn en van onderop moet komen, tenzij er inhoudelijk zwaarwegende redenen zijn om gemotiveerd van dit uitgangspunt af te wijken. 4. In beginsel een congruente indeling Congruentie betekent dat overheden hun taken zoveel mogelijk met dezelfde partners uitvoeren, en/of dat de buitengrenzen van samenhangende samen­ werkingsgebieden zoveel mogelijk overeenkomen. De Studiegroep Interbe­ stuurlijke en Financiële Verhoudingen constateerde een groeiende onvrede over het grote aantal bestuurlijke regionale samenwerkingsverbanden en de wens om te komen tot een kleiner aantal.37 In navolging hiervan meent de Raad dat regionale opgaven in beginsel worden georganiseerd langs een consistente en congruente indeling, tenzij de inhoud zwaarwegende redenen geeft om daar van af te wijken.

Want hoewel de inhoud van de opgave bepa­ lend is voor regionalisering, is regiovorming niet onbegrensd: voor de bestuur­ lijke hanteerbaarheid is een heldere ordening nodig. Het tegengaan van de lappendeken en verrommeling is geen doel op zich en betekent ook niet dat er geen ruimte is voor verschil (zie hierna, onder 5.). Maar als opgaven op regi­ onaal niveau zijn opgedeeld in verschillende regionale sectoren, ontbreekt het aan integraal bestuurlijke afwegingen op dat niveau en bestaat het risico van verkokerde inzet van beleidsinstrumenten. Het uitgangspunt van congruentie borgt enige ordening in regiovorming en dwingt tot scherpe motivering als voor een andere inrichting wordt geko­ zen. Denkbaar is congruentie bijvoorbeeld op fysiek (ruimte, energie, klimaat, wonen, infra), sociaal (zorg, veiligheid) en economisch (economie, werk, inko­ men) terrein.38 5. Ruimte voor verschil Veel eerdere voorstellen voor regiovorming ontbeerden steun omdat ze geen recht deden aan de grote diversiteit in ons land. Een uniforme oplossing voor slechts enkele (vaak specifiek Randstedelijke) knelpunten riep elders in het land weerstand op omdat zij aldaar hun bestuurlijke inrichting niet wilden 37 Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, 2020, p. 58. 38 Idem, p. 59.

31

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

aanpassen aan een oplossing voor een probleem dat zich daar niet voordeed. Dit raakt het vraagstuk van differentiatie.39 Differentiatie komt neer op het antwoord op de vraag: hebben alle decentrale overheden – alle provincies c.q. alle gemeenten – dezelfde taken en bevoegdheden of kan hierin verschil wor­ den gemaakt?

Differentiatie: voor- en tegenstanders Voor de een is differentiatie de oplossing voor knellende inrichtingsprincipes van het Nederlandse openbaar bestuur. Voor de ander staat differentiatie gelijk aan verrommeling. Dit advies biedt geen antwoord op het vraagstuk van differentiatie, maar ziet differentiatie als een middel dat perspectief biedt om een doel te bereiken. Het is geen heilige graal, wel een mogelijke oplossing voor regionale verschillen in de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal.

Gegeven de regionale verscheidenheid in Nederland moet er voor de aan­ pak van regionale opgaven ruimte zijn voor verschil. Maar die ruimte is niet onbegrensd en vraagt daarom om een kader met uitgangspunten voor gedif­ ferentieerde taaktoedeling. Zo een kader houdt rekening met differentiatie ‘van bovenaf’ of ‘van onderop’ en met differentiatie van taken met een uit­ voerend karakter of beleidsrijke taken. Het kader houdt ook rekening met de bekostiging van de betreffende taken (zie ook hierna, onder 6.). Het maakt namelijk een groot verschil of het gaat om taken met een overwegend uit­ voerend karakter of dat het juist gaat om taken die een grote mate politieke en beleidsmatige vrijheid veronderstellen. Mits de bekostiging daarop is toe­ gesneden kan bij uitvoerende taken waarbij vooral schaal, doelmatigheid en effectiviteit voorop staan, taakdifferentiatie een optie zijn. Bij beleidsmatige taken die een integrale politiek-bestuurlijke afweging vergen, heeft taakdiffe­ rentiatie veel verdergaande gevolgen in de bekostigingstechniek. 40

39 Bijlage III gaat dieper in op het concept differentiatie. 40 Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2021(a).

32

Geen extra vierde formele bestuurslaag De inhoud centraal, democratisch gelegitimeerd, autonomie, ruimte voor verschil: het zijn uitganspunten die gemakkelijk optellen tot een vierde bestuurslaag. Die kant wil de Raad niet op. Ervaringen uit het verleden (stadsprovincie, Wgr-plusregio’s) zijn niet bestendig gebleken. Er is een begrijpelijke weerstand om naast Rijk, provincies en gemeenten nog een bestuurslaag toe te voegen met zijn eigen bestuurders, volksvertegenwoordigers, ambtelijke organisaties, taken en bevoegdheden. Het argument dat ons land – bijvoorbeeld in vergelijking tot Frankrijk en Duitsland – te klein is voor vier bestuurslagen snijdt hout.41 Want stel dat van de regio een bestuurslaag wordt gemaakt, is dan het probleem opgelost, of gaat de zoektocht naar hulpstructuren op een andere schaal dan door? Geen extra vierde bestuurslaag strekt ertoe geen nieuwe formele laag in te richten in het Huis van Thorbecke.

Differentiatie is in de eerste plaats een bestuurlijke keuze. De kracht van dif­ ferentiatie schuilt in het eigenaarschap: de bestuurslagen die het vermogen en vertrouwen hebben om een opgave of taak uit te voeren, krijgen die toe­ bedeeld en mogen het doen. 6. Passend financieel arrangement42 Zoals gezegd moeten de bestuurlijke vormgeving en de democratische bor­ ging in samenhang worden gezien met de benodigde financiën. Ook hier is weer het onderscheid te maken tussen beleidsarm en beleidsrijk. Zo is voor verplichte regionale samenwerking met veel landelijke kaders en weinig beleidsruimte, rechtstreekse bekostiging door het Rijk aangewezen. Gemeen­ telijke bijdragen zouden beperkt moeten blijven voor welomschreven eigen extra wensen van gemeenten of regio’s. Opgaven en transities op het gebied van bijvoorbeeld klimaat, verduurzaming, energie en woningbouw, evenals gebieden als jeugd, werk en inkomen en arbeidsmarkt, vergen een meer inte­ grale afweging. Deze opgaven zijn vaak regionaal van aard en vragen de inzet van vele (netwerk-)partners. Ze kennen een onzekere dynamiek en uitkomst en vanwege die onzekerheden is een goede afweging tussen kosten en baten niet eenvoudig: de baten zullen diffuus neerslaan en vaak vallen ze niet bij de investerende partijen. Verder is het moeilijk om verantwoording in een

41

België is kleiner dan Nederland en heeft meer dan vier bestuurslagen: de federale overheid, drie gewesten, drie gemeenschappen, provincies (onderverdeeld in bestuurlijke arrondisse­ menten) en gemeenten. Het land kent zes parlementen en zes regeringen (federaal, Vlaams, Waals, Brussels Hoofdstedelijk, van de Franse Gemeenschap en van de Duitse Gemeen­ schap). En elke Belgische gemeente heeft een gemeenteraad als wetgevende macht en een college van burgemeesters en schepenen als uitvoerende macht. (Bron: Wikipedia). 42 Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2021(a).

33

netwerksituatie te organiseren. 43 Deze transities zijn niet eenvoudig aan te pakken met het huidige ‘robuust’ financieel en bestuurlijk instrumentarium. Voor deze opgaven zijn andere sturings-, verantwoordings- en financieringsin­ strumenten nodig. De gewone marktmechanismen voor financiering schieten daartoe tekort. 44 Niet alles kan Het is niet mogelijk om een bestuurlijke indeling te vinden waarbij de schaal­ niveaus voor alle taken tegelijk in precies één democratisch gelegitimeerde bestuurslaag georganiseerd kunnen worden. Er zal altijd een spanningsveld zijn tussen de verschillende uitgangspunten om een taak te organiseren. Bij het vraagstuk van het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal kunnen niet alle beginselen evenredig worden toegepast. Waar het om gaat is dat de uitgangspunten gemotiveerd worden afgewogen.

43 Zie ook Rekenkamer Oost-Nederland, 2016. Bij programma’s die in samenwerking met andere overheden en derden tot stand komen (netwerksturing) past een traditionele sturingsfilosofie met focus op doelen en middelen niet goed: ondanks een overmaat aan verantwoordingsactiviteiten hebben volksvertegenwoordigers het gevoel dat ze weinig grip hebben op de materie. De lessen uit het rekenkameronderzoek hebben betrekking op een andere manier van sturing en controle en richten zich op (1) het maken van een expliciete keuze om een maatschappelijk vraagstuk al dan niet via netwerksturing aan te pakken en het accepteren van de consequenties voor de rol van het college en de volksvertegenwoor­ diging, (2) het bepalen van het ‘speelveld’ (wat zijn de eigen ambities) en (3) het bepalen van de ‘spelregels’ (wie doen er mee, wat zijn de go/no go-momenten in het proces, hoe worden deze bewaakt, hoe en wanneer vindt informatie plaats over de resultaten in relatie tot de geformuleerde ambities). 44 Bij transities passen instrumenten die experimenteerruimte en een (her)verdeling van risico’s en baten toelaten en langjarige zekerheden bieden. Dit type opgave is gebaat bij een financiële governance die vertrouwen tussen de vele partners bevordert.

Fondsvorming is een belangrijk instrument, met als kernelementen een gezamenlijke beschikkingsmacht over een gezamenlijk fonds, gevuld met eigen bijdragen naar rato (een bekend voorbeeld is het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)). Die bijdragen van elke partner moeten democratisch zijn gelegitimeerd. Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2021(a).

34

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

4 Stappen vooruit in het besturen van regio’s

In discussies over de inrichting van het openbaar bestuur, en dan met name over regio’s, zijn veel verschillen van mening. De Raad doet drie aanbevelin­ gen om stappen vooruit te zetten. Want er moet wat gebeuren, urgente grote maatschappelijke opgaven wachten niet. De aanbevelingen van de Raad zijn gericht op het benutten van regio’s en het vlottrekken van de discussie over de bestuurlijke inrichting van regio’s. Volgens de Raad vormt de regeerperiode na de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 een uitgelezen moment om hierover afspraken te maken. 1. Start bij aanvang van de nieuwe kabinetsperiode met het vormgeven van bestuurlijk maatwerk bij een aantal maatschappelijke transities die (zonder nadere wetgeving) gedifferentieerd kunnen worden aangepakt. De kwaliteit van regio’s, en de verschillen daarin, worden wel gezien, maar nog onvoldoende benut. De vraag is in hoeverre het in de huidige bestuurlijke inrichting mogelijk is om per gebied tegemoet te komen aan de uitdagingen van dat gebied.

In een benadering van geborgde democratische verhoudingen waarin ten­ minste één gekozen vertegenwoordigend lichaam de noodzakelijke legitimi­ teit biedt voor het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal, kunnen grote transitieopgaven (denk aan woningbouw of energie) worden overgelaten aan regio’s waarin de bestuurslagen het vermo­ gen en het vertrouwen hebben om de opgave uit te voeren. Zeeland en Fryslân springen vooral in het oog: zij beschikken over een sterk bestuurlijk regionaal ecosysteem, precies op de schaal van de provincie, dat kan worden gebruikt voor een arrangement voor bestuurlijk maatwerk. 45 Bestuurlijk maatwerk is gebaat bij een goed procesontwerp dat tot doel heeft van tevoren duidelijke afspraken te maken over wat de samenwerkende par­ tijen van elkaar mogen verwachten zodat zij elkaar in de loop van het proces niet kunnen teleurstellen. Want opgaven komen alleen succesvol tot resul­ taat met afgestemde interbestuurlijke afspraken, die passen bij de aard en schaal van de verscheidenheid van regio’s die ons land rijk is. Een arrangement voor bestuurlijk maatwerk wordt periodiek geëvalueerd opdat ervan wordt geleerd.

45 Vergelijk Van den Berg en Lelieveldt, 2021. Zie ook Volkskrant, 3 maart 2021.

35

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

2. Formuleer een afwegingskader over het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal Om beweging te krijgen in de discussie over de bestuurlijke inrichting van regio’s, is volgens de Raad de tijd rijp voor een afwegingskader over taak­ toedeling, maatwerk en principes aangaande inhoud en vorm van regionaal bestuur, passend bij het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal. Het afwegingskader komt tot stand in samen­ spraak met vertegenwoordigers uit het openbaar bestuur die actief zijn op regionale schaal, in dialoog mét regio’s. Voor de Raad zijn de voornoemde uitgangspunten leidend voor het afwe­ gingskader: de inhoud staat centraal, het bestuur is democratisch gelegitimeerd, regio’s kennen een bepaalde mate van autonomie en er is ruimte voor verschil, maar de indeling is meer congruent en bij het besturen van regio’s hoort een passend financieel arrangement. Daarnaast omvat het afwegingskader in ieder geval de volgende elementen: Karakter – Het afwegingskader vereist een uitwerking van wat ‘de regio’ karakteriseert, in termen van taak, opgave, rol, institutionele verhoudingen tot andere bestuurslagen en democratische legitimatie. 46 Normen – Het afwegingskader bevat normen over goed bestuur die (mede) van toepassing zijn op de aanpak van opgaven op regionaal niveau.

Het betreft onder meer objectiveerbare kwaliteitseisen over democratie, beleid­ seffectiviteit, doelmatigheid en betrokkenheid van de samenleving (meer dan alleen volksvertegenwoordigers). Taaktoedeling en financiële consequenties – Het afwegingskader maakt hel­ der waaróm (in een gezamenlijk proces met relevante bestuurslagen) een taak wordt toegedeeld. Bij elke taaktoedeling aan of andere ingreep in het decentraal bestuur wordt de expliciete keuze gemaakt over: - Toedeling aan een bepaalde laag: moet een taak worden uitgevoerd door de gemeente, de regio, de provincie of het Rijk? - Met welke beleidsruimte: hoeveel lokale of regionale beleidsvrijheid is er, mag er verschil zijn in het voorzieningenniveau tussen gemeenten/ regio’s/provincies? - Met welke financiële mogelijkheden: moeten gemeenten/regio’s/provin­ cies allemaal dezelfde financiële mogelijkheden krijgen? Het is daarbij van belang dat ook de consequentie wordt getrokken uit de mate van

46 Dit impliceert tevens een karakterisering van ‘de gemeente’ en ‘de provincie’.

36

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

beleidsvrijheid die decentrale overheden bij het uitvoeren van de taak hebben voor de bekostigingswijze. 47 In de taaktoebedeling worden regio’s niet uitgesloten. Maar het uitgangspunt van de democratische legitimatie maakt dat taken bij voorkeur en in eerste instantie bij democratisch gelegitimeerde bestuurslagen worden belegd en slechts bij uitzondering worden toebedeeld aan regio’s. Ruimte – Het afwegingskader schept ruimte voor instrumenten en hulpmid­ delen die gezamenlijke processen over regionale opgaven ondersteunen. Ruimte voor wat de Raad voorstelt als de Regionale Kwaliteitskaart.

Regionale Kwaliteitskaart Voor het organiseren van de aanpak van maatschappelijke opgaven op regionale schaal formuleren decentrale overheden samen met maatschappelijke instellingen, het bedrijfsleven en de inwoners regionale doelstellingen over regionale opgaven. Een gezamenlijk proces waar alle regionale bestuurslagen bij zijn betrokken, dat ruimte biedt voor regionale verscheidenheid en dat rekening houdt met regionale ecosystemen: sociaal, fysiek en bestuurlijk. Op basis van het genoemde afwegingskader (zie hiervóór) en als uitvloeisel van het autonomiebeginsel formuleren betrokkenen gezamenlijke uitgangspunten over de kwaliteit van het bestuur (geen blauwdruk, ruimte voor maatwerk en verschil, en kwaliteitseisen aan democratie en financiële verhoudingen): de Regionale Kwaliteitskaart. Op basis van de Regionale Kwaliteitskaart maken decentrale overheden afspraken met het Rijk over hoe de opgaven worden uitgevoerd en wat daar voor nodig is in termen van slagkracht, beleidsbepaling en -uitvoering. Bij toekomstige taakverdeling tussen overheden wordt met deze afspraken rekening gehouden.

De afspraken maken onder meer de volgende keuzes mogelijk: - Provinciale verantwoordelijkheid om toe te zien op regionale vormgeving en het toetsen aan overeengekomen kwaliteitseisen (bij intergemeentelijke samenwerking niet alleen financieel toezicht maar ook toezicht of samenwerking vorm krijgt op basis van de Regionale Kwaliteitskaart);

47 Zie ook Raad voor het Openbaar Bestuur, 2017, p. 35.

37

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

-

-

-

-

De plicht om daarover op overeenstemming gericht overleg te voeren met overheden en maatschappelijke partners; Provinciale bevoegdheid om uiteindelijk de knoop door te hakken zodat niet één overheid binnen de provincie de hele regionale bestuursvorm kan tegenhouden; In de toekomst niet per definitie alle taken naar alle gemeenten maar ook mogelijk maken dat sommige taken aan ‘provincie-regio’s’ worden toegekend; Mogelijkheden van binnen-provinciale deconcentratie ten aanzien van de uitvoering van taken met betrokkenheid van gemeenten; Regionale toezichtraden wettelijk mogelijk maken: direct gekozen volksvertegenwoordigers blijven beleid bepalen (‘aandeelhouders van de regio’) maar kunnen regionale toezichthouders voordragen (‘Raad van Toezicht’) die de samenwerking tussen gemeenten en/ of provincie bestuurlijk beoordelen en daarover rapporteren aan de volksvertegenwoordigers; Pas toe of leg uit: om dit niet vrijblijvend te doen zullen overheden moeten worden uitgenodigd hierin te kiezen en aan te tonen hoe die keus zich voor hun regio verhoudt tot onder meer de Regionale Kwaliteitskaart.

3. Versterk de stelselverantwoordelijkheid van de minister van BZK De stelselverantwoordelijkheid van de minister van BZK moet wettelijk wor­ den versterkt als het gaat om het beleid van het Rijk dat betrekking heeft op het decentraal bestuur. Het nieuwe kabinet maakt de minister van BZK verant­ woordelijk voor de coördinatie van Rijksbeleid richting het decentraal bestuur en regio’s. 48 De minister van BZK is steeds medeondertekenaar van wetten die de decentrale overheden rechtstreeks raken in hun takenpakket, financiën en bevoegdheden. 49 Dit houdt bijvoorbeeld in dat toedeling van taken door vak­ departementen aan decentrale overheden niet kan zonder instemming van de minister van BZK. De versterking van de stelselverantwoordelijkheid van de minister van BZK dient naast het doel van het coördineren van het Rijksbe­ leid, ook het doel om de rol als hoeder van het decentrale bestuur richting het Rijk beter te vervullen en processen over regionale opgaven ‘van onderop’ te ondersteunen. Onder meer door goed te luisteren naar regio’s. Maak daarom

48 De Raad sluit aan bij de ideeën van Douwe Jan Elzinga over een Wet op het decentraal bestuur (zie onder meer: https://vng.nl/nieuws/vng-presenteert-eerste-proeve-nieu­ we-wet-decentraal-bestuur, geraadpleegd 1 juni 2021) die betrekking hebben op een bredere aanpak voor nieuwe verhoudingen in het openbaar en decentraal bestuur. 49 Vergelijk Raad van State, 2021.

38

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

de minister van BZK scherper dan nu verantwoordelijk voor het stelsel van interbestuurlijke samenwerking, met als doel het vergemakkelijken van de samenwerking tussen decentrale overheden en het Rijk.50

50 Dit is ook het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur in zijn onlangs verschenen adviesrapport Rol nemen, ruimte geven. De rol van het Rijk bij interbestuurlijke samenwer­ king, mei 2021(b).

39

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Literatuur

Berg, C.F. van den, Transforming for Europe: The reshaping of national bureaucracies in a ­system of multi-level governance, 2011 Berg, C.F. van den, S. Dreef en S. Clemens, Uitgelicht: interbestuurlijke samenwerking, in: ­Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Staat van bestuur 2020, Den Haag, februari 2021 Berg, C.F. van den, en H. Lelieveldt, Zo kan het wél. Regioprovincies slimmer bestuurd: de casus Fryslân en Zeeland, Montesquieu Instituut, Den Haag, 2021 Boogers, M.J.G.J.A., Het raadsel van de regio: waarom regionale samenwerking soms ­resultaten oplevert (oratie), Universiteit Twente, Enschede, 17 oktober 2013 Boogers, M.J.G.J.A. en G.H. Reussing, Decentralisatie, schaalvergroting en lokale democratie, in: Bestuurswetenschappen, nr. 2, 2019 Cordeweners, T., Dwars door Nederland. Ruimtelijke verschillen in beeld, Den Haag, 27 januari 2020 De Gelderlander, Gemeente zit in zóveel samenwerkingsverbanden dat niemand ze meer controleert: ‘Ondemocratisch en ernstig’, 2 april 2021. Financieel Dagblad, Amsterdam moet zijn arrogantie jegens buurgemeenten afschudden, 3 januari 2021 Fraanje, M.J. en J.M.M.

Polman, Trots over slagkracht, zorgen over democratie en rechtsstaat, Platform O, 22 juni 2020 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Staat van het bestuur 2020, Den Haag, februari 2021 Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, Leren van doen. Ervaringen met samenwerken in het IBP, Den Haag, 2020 Nederlandse Vereniging voor Raadsleden, Raad in verbinding in de regio. Raadsledenonderzoek over de verbinding tussen raadsleden in de regio en hun gemeenteraad, Den Haag, 2017 NRC, De veiligheidsregio bepaalt steeds meer, ‘die ontwikkeling gaat een keer schuren’, 12 januari 2021 Programmastart IBP, Samen meer bereiken als één overheid. Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen starten met een interbestuurlijk programma en een gezamenlijke agenda, Overhedenoverleg van 14 februari 2018 PROOF Adviseurs en Kwink Groep, Inventarisatie regionale samenwerkingsverbanden ­decentrale overheden 2020, Den Haag, mei 2020 Raad van State, voorlichting No.W04.20.0440/I/Vo, Den Haag, 24 maart 2021 Raad voor het Openbaar Bestuur, Legio voor de regio. Bestuurlijke antwoorden op regionale vraagstukken, Den Haag, februari 2003 Raad voor het Openbaar Bestuur, Bestuur op maat Advies over middenbestuur, Den Haag, november 2006 Raad voor het Openbaar Bestuur, De gedifferentieerde eenheidsstaat.

Advies over uniformiteit en pluriformiteit in het openbaar bestuur, Den Haag, mei 2007 Raad voor het Openbaar Bestuur, Het einde van het blauwdrukdenken. Naar een nieuwe ­inrichting van het openbaar bestuur, Den Haag, april 2010

40

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur Raad voor het Openbaar Bestuur, Democratische legitimiteit van samenwerkingsverbanden, Den Haag, januari 2015 Raad voor het Openbaar Bestuur, Wisselwerking. Naar een betere wisselwerking tussen ­gemeenteraden en de bovengemeentelijke samenwerking, Den Haag, december 2015 Raad voor het Openbaar Bestuur, 15,9 uur. De verbindende rol van het raadslid in een vitale democratie, Den Haag, april 2016 Raad voor het Openbaar Bestuur, Eerst de politiek dan de techniek. Spelregels voor toekomstbestendige financiële verhoudingen, Den Haag, januari 2017 Raad voor het Openbaar Bestuur, Akkoord?! Besturen met akkoorden als evenwichtskunst, Den Haag, maart 2020 Raad voor het Openbaar Bestuur, Rust-Reinheid-Regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijk-­ financiële verhoudingen, Den Haag, maart 2021(a) Raad voor het Openbaar Bestuur, Rol nemen, ruimte geven. De rol van het Rijk bij inter­ bestuurlijke samenwerking, mei 2021(b) Raad voor het Openbaar Bestuur en Raad voor de Financiële Verhoudingen, Autonoom of automaat? Advies over gemeentelijke autonomie, Den Haag, augustus 2005 Regeerakkoord 2017–2021, Vertrouwen in de toekomst, VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, 10 oktober 2017 Rekenkamer Oost-Nederland, Handvatten PS voor netwerksturing, Deventer, juni 2016 Reussing, G.H., M.J.G.J.A. Boogers en S.A.H.

Denters, Gemeenteraden en regionale samenwerking, in: Vollaard, J.P., G. Boogaard, J.Th.J. van den Berg en M.J. Cohen (red.), De gemeenteraad. Ontstaan en ontwikkeling van de lokale democratie, Amsterdam, 2018 Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen, Als één overheid, Den Haag, september 2020 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 513, nr. 4 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 300 XVI, nr. 112 VNG Magazine 15, Keuzes nodig in binnenlands bestuur, 5 oktober 2018 VNG Magazine 20, Democratische vernieuwing in Fryslân – Korset van Thorbecke moet ­losser, 18 december 2020 Volkskrant, Rijk, provincie en gemeente besturen ons land en, o ja, 32 andere soorten bestuur. Stop de verrommeling, 3 maart 2021 Yesilkagit, A.K., Wat is ‘de bedoeling’ nu eigenlijk? Een pleidooi voor een sterke nationale overheid in het binnenlands bestuur, in: Ministerie van Binnenlandse Zaken en ­Koninkrijksrelaties, Gebundeld perspectief. Decentraal bestuur nader geduid, Den Haag, januari 2021

41

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

bijlage i

42

Adviesaanvraag

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

43

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

44

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

45

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

46

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

bijlage ii

Democratische legitimiteit 51

David Easton stelde in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw op basis van empirisch onderzoek dat legitimiteit wordt bereikt door a: effectief te zijn, b: dingen te doen die burgers belangrijk vinden, c: zorgvuldig te handelen. De politicoloog Fritz Scharpf maakt een conceptueel onderscheid tussen verschil­ lende soorten van democratische legitimiteit: input-, troughput- en outputlegitimiteit. Zijn inputgeoriënteerde theorie waardeert de legitimiteit van een politiek systeem naar de wijze waarop deze een uitdrukking vormt van de wil van het volk of de politieke gemeenschap. Vanuit het inputperspectief zijn politieke keuzes legitiem wanneer deze de algemene wil weerspiegelen. In dit perspectief staan de burgers centraal. Bij inputlegitimiteit gaat het er om dat belangentegenstellingen op een zinvolle en democratische wijze leiden tot regelgeving en beleid. Het begrip inputlegitimiteit wordt vaak uitgelegd als government by the people. Verwant aan inputlegitimiteit is throughputlegitimiteit. Dit concept verwijst naar de kwaliteit van het proces waarmee besluitvorming tot stand komt. Niet de input of de uitkomsten, maar de transparantie, kenbaarheid en voor­ spelbaarheid van structuren en procedures staat hierbij voorop.

In deze vorm van proceslegitimiteit zijn de billijkheid, redelijkheid en rechtmatigheid van het besluitvormingsproces zelf de voornaamste bron van legitimiteit. Proce­ durele vormen van legitimiteit hebben steeds te maken met checks and balances in en ordentelijkheid van het besluitvormingsproces. Ten slotte zijn theorieën die legitimiteit waarderen aan de hand van de door het systeem geleverde prestaties, de output. Daarbij draait het om zaken als de onbetwistheid van de macht, het gemeenschappelijk goed en het econo­ misch welzijn. De output van een politiek systeem moet steeds een bijdrage leveren aan deze categorieën. Vanuit het outputperspectief zijn politieke keuzes legitiem wanneer deze effectief het algemeen welzijn bevorderen. Bij outputlegitimiteit is de vraag of op redelijke termijn tot de voor betrokkenen gewenste resultaten kan worden gekomen. Outputlegitimiteit krijgt vaak het etiket government for the people. Aan de soorten democratische legitimiteit die Scharpf onderscheid is een vierde vorm toe te voegen: feedbacklegitimiteit. Deze vorm bestaat uit twee democratische eisen: verantwoording en terugkoppeling. Bij verantwoording

51

Deze bijlage is een bewerking van Raad voor het Openbaar Bestuur, 2015.

47

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

wordt aan democratische organen en kiezers over de uitoefening van publieke bevoegdheden en de besteding van publieke middelen rekenschap afgelegd. Verantwoording versterkt de democratische legitimiteit omdat het bijdraagt aan de mogelijkheden om het overheidsoptreden te beoordelen en zo nodig bij te sturen. Bij terugkoppeling gaat het om een goede verwerking van sig­ nalen uit de omgeving en een goede vormgeving van de relatie met belang­ hebbenden. De feedbacklegitimiteit wordt bepaald door de wijze waarop er verantwoording wordt afgelegd over de uitkomst van het besluitvormings­ proces en de kwaliteit van de terugkoppeling. Terugkerend vraagstuk bij het democratisch gehalte van regionaal bestuur is of de representatieve democratie (nog) volstaat. De belangrijkste knelpunten in kaart zijn te verdelen in vier categorieën: 1. Participatie en representatie 2. Politiek primaat en controle/kaderstelling 3. Effectiviteit/efficiëntie en responsiviteit 4. Verantwoording en terugkoppeling De indeling is niet absoluut, sommige knelpunten kennen raakvlakken met twee of meer categorieën.

Participatie en representatie (inputlegitimiteit) Democratie en bestuur ontwikkelen zich in tegengestelde richtingen: het zwaartepunt van de lokale democratie verschuift naar het sublokale, het niveau van buurt, wijk of dorpskern, terwijl tegelijkertijd het bestuurlijke zwaartepunt steeds meer verschuift naar de regio. Verlengd lokaal bestuur is een indirecte vorm van democratische legitimiteit via gemeenteraden of provinciale staten. Burgers kiezen gemeenteraadsleden en provinciale statenleden, maar kunnen niet het bestuur van een samen­ werkingsverband kiezen. Het bestuur wordt gevormd uit de burgemeesters, wethouders en/of gemeenteraadsleden van de deelnemende gemeenten (c.q. provincies). In het bestuur van samenwerkingsverbanden worden belangrijke richtinggevende beslissingen genomen die alle deelnemende besturen raken. De stemverhoudingen binnen het samenwerkingsverband spelen daarin een rol, wat effect heeft op de invloed van gemeenten of provincies op de besluit­ vorming in het samenwerkingsverband. De besluitvorming over maatschap­ pelijke vraagstukken op regionale niveau raken burgers desalniettemin direct. De afstand tussen gemeenteraden en provinciale staten en samenwerkings­ verbanden en daarmee ook de afstand tussen burgers en samenwerkingsver­ banden dreigt echter te groot te worden.

De vraag is of het bestuur zo nog wel voldoende bij de behoeften van burgers kan aansluiten.

48

droomland of niemandsland? – advies van de raad voor het openbaar bestuur

Politiek primaat en controle/kaderstelling (throughputlegitimiteit) Democratische legitimiteit in de praktijk van het regionaal bestuur is een wor­ steling van de gemeenteraad en provinciale staten met zijn rol als kadersteller en controleur. Uit onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden uit begin 2014 blijkt dat zeven van de tien gemeenteraadsleden het toene­ mende aantal regionale samenwerkingsverbanden een bedreiging voor de lokale democratie vindt. Regionaal bestuur heeft volgens sommigen geleid tot een nogal ondoorzich­ tige structuur waarin onduidelijk is welke taak binnen welk samenwerkings­ verband thuishoort en wie waarvoor verantwoordelijk is. Lokale en regionale bestuurders en hun maatschappelijke partners klagen over wat wel genoemd wordt ‘bestuurlijke spaghetti’ en ‘bestuurlijke drukte’: het grote aantal regi­ onale besturen zou de effectiviteit en de democratische controle in de weg staan. Samenwerkingsverbanden zijn vormen van verlengd lokaal bestuur, maar soms lijkt er sprake van verlegd lokaal bestuur. Bij verlengd lokaal bestuur zet het gemeentebestuur samenwerking zelfverzekerd in als strategie om gemeentelijke doeleinden te bereiken, maakt het binnen samenwerking zelfstandig keuzes om gemeentelijke of provinciale doeleinden te bereiken en stuurt het de samenwerking zelfbewust en actief aan.

Bij verlegd lokaal bestuur stelt het gemeente- of provinciebestuur zich – al dan niet door omstandigheden gedwongen – afhankelijk op en heeft het geen goed zicht op de doelen van de samenwerking, accepteert het afwachtend de diensten van de samenwerking en is het afhoudend ten opzichte van de samenwerking in relatie met de gemeente. De financiering van samenwerkingsverbanden wordt als problematisch erva­ ren. Gemeenteraden merken dat ze, behalve een jaarlijkse bemoeienis met de omvang, weinig invloed hebben op de begroting van een samenwerkings­ verband en dat daarmee het algemene budgetrecht van de gemeenteraad in de knel komt. De verantwoording en de controle zijn indirect. De gemeen­ telijke uitgaven voor samenwerkingsverbanden zijn bovendien inflexibel en verplicht, wat in geval van financiële problemen beperktere mogelijkheid tot bijsturing op gemeentelijk niveau geeft. Effectiviteit/efficiëntie en responsiviteit (outputlegitimiteit) Uitvoering op afstand door middel van regionale samenwerkingsverbanden wordt vaak gedreven door doelmatigheid. Gezamenlijke inkoop van bijvoor­ beeld zorg door een samenwerkingsverband is efficiënter en goedkoper dan dat alle wethouders los van elkaar zorg gaan inkopen. Maar het proces ont­

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10374877/2