GEWIJZIGD Bestemmingsplan - toelichting - versie 3 juni 2024
Tekst van het document
Bovendien wordt het aanwezige bedrijf niet belemmerd in de bestaande bedrijfsactiviteiten en eveneens niet in haar uitbreidingsmogelijkheden. Belangen omwonenden Naast de beleving van de openbare ruimte en de kwaliteit van de nieuwe woningen, is er gekeken of het plan ook verantwoord is vanuit het perspectief van de bestaande bebouwing c.q. omwonenden. Hierover het volgende. De afstand van de nieuwbouw ten opzichte van de bestaande bebouwing is zodanig groot (namelijk meer dan 15 meter) dat het woon- en leefklimaat van omwonenden niet op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Daarbij wordt opgemerkt dat bij de realisatie van dit bouwplan de regels uit het (privaatrechtelijke) burenrecht zullen en ook kunnen worden gerespecteerd. 27
In het kader van burgerparticipatie zijn alle omwonenden persoonlijk geïnformeerd over de bouwplannen. Uiteraard heeft de komst van het woningbouwplan consequenties voor het uitzicht van de bewoners van de Willem van Oranjestraat, aan de achterzijde van hun woningen. Deze belangen zijn meegenomen in de besluitvorming over dit woningbouwplan. In Nederland bestaat echter niet een eeuwig recht op een blijvend uitzicht. Deze belangen wegen dan ook niet dusdanig zwaar dat daardoor moet worden afgezien van het woningbouwplan. Bovendien kan het realiseren van nieuwe woningen als een groot maatschappelijk belang worden beschouwd, vanwege de grote behoefte daaraan. Conclusie Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat het voorliggende bouwplan weliswaar afwijkt van de bestemmingsregeling uit het vigerende bestemmingsplan, maar wel resulteert in een goede aansluiting op bestaande bebouwing en daarmee in een kwalitatief-ruimtelijke aanvaardbaar plan voor dit gedeelte van Poederoijen.
28
4.
HAALBAARHEID
4.1
Water Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Hierbij dient te worden verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. In paragraaf 2.4 is al ingegaan op het toepasselijke beleid vanuit het waterschap. Hieronder wordt een beschrijving gegeven van de watertoets.
4.1.1 Watertoets Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat ruimtelijke plannen en besluiten een watertoets wordt uitgevoerd. De watertoets verplicht bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die invloed hebben op de waterhuishouding, te toetsen in hoeverre bij de planvorming rekening wordt gehouden met water. In de plannen dient rekening gehouden te worden met: § het reserveren van voldoende ruimte voor water (door berging, infiltratie, aan- en afvoer); § aandacht voor effecten op de waterkwaliteit (lozingen, uitlogende bouwmaterialen etc.); § aandacht voor veiligheid tegen overstroming (waterkeringen, bouwen in uiterwaarden etc.); § aandacht voor het grondwater (zowel kwaliteit als kwantiteit). De 'watertoets' is het proces waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium overlegt met de waterbeheerder over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Het doel is de ontwikkeling zo goed mogelijk in te passen in de waterhuishouding. Bevoegd gezag voor de watertoets op deze locatie is Waterschap Rivierenland. In oktober 2022 is over dit plan overleg gevoerd, op basis van een stedenbouwkundig ontwerp. Daaruit kwamen nog verschillende aandachtspunten die in de maanden daarna met het waterschap verder zijn afgestemd. De conceptwaterparagraaf is in januari 2023 voor informeel wateradvies voorgelegd aan Waterschap Rivierenland.
De reactie van 18 januari 2023 is verwerkt in deze paragraaf. Dit betrof, naast meer tekstuele opmerkingen, nieuwe ontwerpuitgangspunten voor wadi’s, toevoegen beleid waterketen, toevoegen van kunstwerken op de ontwerptekening en de vraag of het afvalwatertransportstelsel het nieuwe aanbod kan verwerken. Het stedenbouwkundig ontwerp is gewijzigd en de waterbalans is daarop aangepast. In het plan is meer open water en minder wadioppervlak. Ook is de bergende schijf in de wadi’s aangepast aan de uitgangspunten van waterschap en gemeente.
4.1.2 Beleid en regelgeving Europese Kaderrichtlijn Water Het doel van de KRW (Kaderrichtlijn Water) is dat uiterlijk in 2027 al het water in Europa schoon en gezond is. Het gaat om duurzame bescherming van aquatische ecosystemen en watervoorraaden (zoals voor de drinkwatervoorziening). De richtlijn is sinds 2000 van kracht. Maatregelen hiervoor leggen overheden vast in Stroomgebiedbeheerprogramma’s. Op basis hiervan mag de waterkwaliteit in ieder geval niet verslechteren (stand still).
29
Regionaal Waterprogramma 2021–2027 In dit programma schrijft Provincie Gelderland hoe ze wil samenwerken aan het watersysteem van de toekomst. Water stuurt, ook in andere opgaven. Water moet meer worden vastgehouden in de bodem om in tijden van droogte langer water beschikbaar te hebben. Specifiek voor stedelijk gebied verwacht de provincie van gemeenten dat ruimtelijke ontwikkelingen passen bij het bodem- en watersysteem. De provincie bevordert waterinclusief en toekomstbestendig bouwen. Dan gaat het bijvoorbeeld om verminderen van hittestress, meer vergroenen en ontstenen, beperken van wateroverlast, kruipruimtevrij bouwen en zetting tegengaan.
In de Waterverordening Waterschap Rivierenland hebben de provincies bepaald waaraan het oppervlaktewatersysteem minimaal moet voldoen; een beschermingsniveau tegen overstroming van water vanuit de betreffende watergang als gevolg van extreme neerslag. Binnen de bebouwde kom bestemd voor bebouwing en hoofdinfrastructuur mag de gemiddelde overstromingskans 1/100 per jaar zijn, voor glastuinbouw en hoogwaardige tuinbouw bijvoorbeeld 1/50 per jaar. De Omgevingsverordening vraagt van een bestemmingsplan die een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, een toelichting met beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Daarbij worden de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Ook de grondwaterbeschermingsgebieden voor de drinkwaterwinning legt de provincie vast in de Omgevingsverordening. Plangebied Hof van Poederoijen ligt niet in zo’n gebied. Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het waterbeheerprogramma geeft Waterschap Rivierenland de kaders en opgaven aan voor het waterbeheer, met koers en keuzen voor de planperiode. De missie “Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem” is vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten.
Principes uit de strategische Watervisie 2050 helpen bij belangenafweging, prioriteren van opgaven en maken van beleidskeuzen. Het gaat om: 1. De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk 2. Water is bepalend voor de inrichting van het gebied 3. We zijn zuinig op water en grondstoffen 4. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus 5. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af 6. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes 7. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied Gezien de dynamische omgeving wil het waterschap samenwerken met andere overheden, deskundig en gebiedsgericht, met ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk. Keur en Regels Waterschap Rivierenland De Keur stelt ge- en verboden ter bescherming van waterstaatswerken en om beheer en onderhoud goed te kunnen uitvoeren. Werkzaamheden in een waterstaatswerk (waterloop of –kering met beschermingszone) vallen onder de Keurbescherming, Algemene Regels en Beleidsregels regelen wat onder voorwaarden is toegestaan en waarvoor vergunning nodig is. Zo zijn vergravingen en dempingen van wateren vergunningplichtig en de versnelde afvoer van neerslag van meer dan 500 m² (stedelijk
gebied) of 1500 m² (landelijk gebied) nieuw verhard oppervlak. Ook de onttrekking van grondwater zoals voor bronneringen valt onder het vergunningenstelsel. Op de Leggers zijn de waterstaatswerken aangegeven. 30
Rivierengebied Klimaatbestendig, Samen aan de slag! Regionale Adaptatiestrategie (vastgesteld in Raad Zaltbommel juni 2021) Met deze strategie maken gemeenten, waterschap, provincie en andere stakeholders in het Rivierengebied op regionaal niveau inzichtelijk of en zo ja waar extra inzet nodig is om vanaf 2020 klimaatadaptief te handelen en in 2050 te zijn. Het gaat om wateroverlast, droogte, hitte en risico op overstromingen, waarvoor Rivierenland gevoelig tot zeer gevoelig is. De strategische lijnen zijn het vergroten van bewustwording en kennis, op een andere manier (durven) denken en samenwerken, eerst de urgente opgaven aanpakken en koppelen aan andere opgaven en verbinden van verschillende schaalniveaus. De volgende ambities voor 2050 zijn gesteld: - Leefbare kernen, aantrekkelijke groene en leefbaar waar het goed wonen, werken en recreëren is. - Duurzame logistiek en bedrijvigheid, met groen en water als bouwstenen. Voorbereid zijn op situaties waar infra tijdelijk kan uitvallen. - Vitale en toekomstbestendige land- en tuinbouw, bestand tegen klimaatverandering. - Robuust en aantrekkelijk rivierenlandschap. Lokaal adaptatieprogramma. Gemeente Zaltbommel. Gemeente Zaltbommel (vastgesteld september 2021). Dit document bevat beleidsuitgangspunten, ambities en prioriteiten voor het lokale traject voor klimaatadaptatie.
In 2020 is een stresstest uitgevoerd met modelberekeningen en analysen voor droogte en hitte. Voor wateroverlast volgt nog een verdiepende stresstest. Zaltbommel geeft de voorkeur aan stimuleren in plaats van reguleren. Bij nieuwbouw wordt wel gereguleerd om problemen in de toekomst voor te zijn. Beleidskeuzen hiervoor moeten worden belegd in Omgevingsvisies en –plannen. Gestreefd wordt bijvoorbeeld voor beleid voor: - groen dak op een plat dak bij nieuwbouw, eventueel in combinatie met zonnepanelen. - bestaande groenstructuren als uitgangpunt inpassen in nieuwe ontwikkelingen. Zo wordt waardevol groot/robuust groen behouden; - ontwikkelen van een handreiking klimaatinclusief bouwen in 2023, samen met de regio. - hanteren van een groennorm per nieuwbouwwoning en maximaal verhardingspercentage van een perceel nieuwbouw binnen de bebouwde kom. Omgevingsvisie Bommelerwaard (vastgesteld oktober 2022) In de Omgevingsvisie geven de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel de kaders aan voor toekomstige veranderingen en ontwikkelprojecten. Uitgangspunt daarbij is “ja, mits” en participatie van de omgeving. Het gaat immers om een fijne leefomgeving voor iedereen. De gemeenten vinden het belangrijk dat initiatieven aansluiten bij de waarden en kernkwaliteiten, aangegeven op de BommelerWaardenkaart. Voor het plangebied Poederoijen is dit het “droge land”.
Dit zijn de wat hoger gelegen fijn zandige oeverwallen langs de rivier. Op de BommelerVisiekaart ligt het speerpunt daarin op “wonen, werken, landbouw, recreatie en groen in balans”. Voor Poederoijen staat ook een woningbouwopgave op de kaart, met het westen als uitbreidingsrichting (het droge land). Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022-2026. Gemeente Zaltbommel en Gemeente Maasdriel, vastgesteld juni 2023 Dit plan verwoordt de ambities voor stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en klimaat voor de gemeenten, een uitvoeringsplan dat hieruit voortvloeit en de kostendekking. Het beleidskader richt zich op Veilig, Functioneel, Heel en Schoon. Voor nieuwbouw eisen de gemeenten in
lijn met wet- en regelgeving een gescheiden inzameling van vuil water en hemelwater voor. Ook stuurt de gemeente actief op het schoonhouden van hemelwater en worden burgers aangespoord om 31
waterbewust om te gaan met de inrichting van hun perceel. Denk aan hergebruik van hemelwater voor beregenen van de tuin. Als verwerking van hemelwater op eigen terrein niet mogelijk is, dan kan de particulier het hemelwater, bij voorkeur bovengronds, aanbieden aan de gemeente in de openbare ruimte. Bij nieuwbouw stuurt gemeente Zaltbommel op het vasthouden van water op het perceel, met een eis van 20 mm over het totaal verhard oppervlak, bovenop de waterschapsnorm van 436 m³ per toegenomen hectare verharding. De ontwikkelende partij moet aantonen dat hemelwatervoorzieningen voldoen aan de waterbergingsnormen, leidingen voldoende water kunnen afvoeren in reguliere situaties (bui 08+10%) en bij een bui van 100 mm in een uur geen wateroverlast optreedt in of nabij het plangebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand moeten passende maatregelen worden getroffen om grondwateroverlast te voorkomen. Permanent afvoeren van grondwater mag niet. Voor Nieuwbouw hanteren de gemeenten de volgende ontwateringseisen: - 1 m tussen representatief hoogste grondwaterstand (RHS) en kruin openbare weg. - Vloer/bouwpeil van woningen en bebouwing ligt minimaal 30 cm hoger dan de as van de weg. Samen door één Buis, vertrekpunt voor samen werken aan riolering en stedelijk water. Waterschap Rivierenland, januari 2019.
Met deze nota beoogt het waterschap samen met de gemeenten lozingen van afvalwater en hemelwater zodanig te beheersen dat watersysteemdoelen op doelmatige wijze (blijven) worden bereikt. De nota is ook door (praktisch) alle gemeenten ondertekend. Voor een nieuwbouwontwikkeling kan het door het adviesbureau worden gebruikt bij het opstellen van een rioleringsplan.
4.1.3 Waterkeringen & waterveiligheid Huidige situatie De regionale waterkering langs de Afgedamde Maas met haar beschermingszones ligt ruim buiten het plangebied van Hof van Poederoijen, op meer dan 250 m afstand.
32
Fig. 4.1
Legger Waterkeringen
Het plangebied ligt in de Bommelerwaard, een poldergebied tussen Maas en Waal. Op de Atlas voor de Leefomgeving geeft de Rijksoverheid aan wat de maximale waterdiepte is bij overstromingen. Dan gaat het om een doorbraak van primaire waterkeringen, zoals langs de Waal. De kans is weliswaar klein (gemiddelde kans van voorkomen ca 1/1.000 per jaar), maar Poederoijen moet rekening houden met een waterdiepte van meer dan 5 meter (zie ook overstroomik.nl of basisinformatie-overstromingen.nl). Droge verdiepingen zijn er alleen bij bebouwing langs de dijk, of bij appartementen die hoog genoeg zijn. Toekomstige situatie De planontwikkeling heeft geen invloed op de waterkering. Het plangebied ligt op het droge land, dus relatief hoger ten opzichte van een groot deel van de Bommelerwaard. Bij een overstroming met kleine kans maakt dat echter weinig verschil, gezien de maximale waterdiepte. In geval van overstromingen kan geëvacueerd worden naar verder weg gelegen hogeren gronden. Als dat niet mogelijk is, dan bieden appartementsgebouwen vanaf een 3e verdieping verticale evacuatiemogelijkheid of dijkwoningen met meerdere verdiepingen.
4.1.4 Grondwater en bodemdaling Huidige situatie Het maaiveldniveau in het plangebied varieert van NAP+1,6 tot ruim +2,0 m. Het zomerpolderpeil in peilvak BOM201 bedraagt NAP+0,60 m (met marge van +15 cm). Uit een kaart uit de klimaatatlas op de website van het waterschap is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) 0,6 tot 0,8 m minus maaiveld voor de lagere delen in het plangebied en tot 1,0 minus maaiveld voor de hogere delen (zie figuur 4.2). Daarmee voldoet de huidige maaiveldhoogte niet aan de gemeentelijke ontwateringseisen uit het Water- en Rioleringsplan. Dat vereist immers een afstand van 1 meter bij de kruin van de openbare weg. Vloer/bouwpeilen van woningen en bebouwing moet daar nog minimaal 30cm boven liggen. 33
Verwacht wordt dat door klimaatverandering de GHG iets hoger wordt. In het plangebied komt lichte kwel voor.
Fig. 4.2
Gemiddeld hoogste grondwaterstand
Volgens de modelinformatie in het Bro-loket bestaat de ondergrond onder een ca 4 meter dikke laag grindige klei (formatie van Echteld) vooral uit zand (grof, matig fijn en fijn, Formatie van Kreftenheye), tot zeker 25 meter minus maaiveld. Daaronder fijn en kleiig zand van de formatie van Sterksel. Vooral veen en klei zijn gevoelig voor bodemdaling. Volgens de Atlas van de Leefomgeving is het plangebied niet gevoelig voor bodemdaling. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied (bron Omgevingsverordening Gelderland). Toekomstige situatie Voor een klimaatrobuuste ontwikkeling van het plangebied is enige ophoging van het plangebied noodzakelijk, tenminste voor de laagst gelegen delen. Bij voorkeur wordt gewerkt met een gesloten 34
grondbalans. Dat kan als de grond, die vrijkomt bij het ontgraven van extra oppervlaktater en wadi’s, kan worden aangewend voor ophoging. Afhankelijk daarvan wordt nog besloten of gebouwd wordt met of zonder kruipruimten. De in het Water- en Rioleringsplan aangegeven ontwateringsdiepten worden hierbij gehanteerd. Eventuele kelders (zoals voor onder een appartementengebouw) worden waterdicht aangelegd. Bij opstellen van dit bestemmingsplan is de verwachting dat het plangebied circa 60 cm wordt opgehoogd, met de kruin van de wegen op ca NAP+2,0m.
4.1.5 Oppervlaktewater en waterberging Huidige situatie Het plangebied ligt in de polder Bommelerwaard, in peilgebied BOM201. Het zomerpeil is NAP+0,60 m, het winterpeil wat lager met NAP+0,40 m. Voor het peilbeheer wordt een marge van 15 cm zowel naar boven als beneden aangehouden om te kunnen inspelen op weersveranderingen. De afvoer uit dit peilgebied is naar het noorden, naar peilgebied BOM200. In droge perioden kan water worden ingelaten. Het plangebied wordt omgeven door water. Aan de westzijde ligt A-water 007913, aan de oostzijde Bwater034157, aan de noordzijde C-water 086001 en B-water 034052. Volgens de Legger Wateren (zie figuur 4.4) ligt in het plangebied ook C-water 086093, maar die is niet meer aanwezig (zie ook AHN). Uit de luchtfoto’s op topotijdreis.nl kan worden opgemaakt dat dit C-water rond 2013 is gedempt (vermoedelijk gelijk met het verwijderen van kassen).
Fig. 4.3
Kaart waterstanden peilgebieden polder Bommelerwaard
35
Fig. 4.4
Legger Wateren Waterschap Rivierenland
Op leggerwateren is de Keur van toepassing, met bijbehorende regels. A-wateren worden door het waterschap onderhouden. Aanliggende perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor onderhoud van bwateren, zoals verwijderen van waterplanten of verstoppingen van duikers. Het waterschap controleert dit jaarlijks. A-wateren hebben een obstakelvrije beschermingszone van 4 meter breed uit de insteek, b-wateren 1 meter. De Gemeente Zaltbommel hanteert voor b-wateren in haar beheer ook een onderhoudsstrook van 4 meter breed. De klimaateffectatlas Regio Rivierenland geeft een indicatie van wateroverlast bij twee verschillende pieksituaties. Het noordelijke plangebied lijkt door de hoogteligging van het maaiveld niet heel gevoelig voor wateroverlast, met uitzondering van de zuidzijde van het plangebied vanwege een lagere hoogteligging van het maaiveld. Versnelde afvoer van neerslag van nieuw verhard oppervlak moet worden gecompenseerd, zodat de kans op overstroming vanuit oppervlaktewater niet toeneemt. Het waterschap hanteert hiervoor de volgende vuistregels: - Bij compensatie in open water (leggerwateren) is de waterbergingsopgave 436 m³/ha. De toelaatbare peilstijging waarmee gerekend mag worden bedraagt hier 0,3 m. - Bij compensatie in wadi’s is de waterbergingsopgave 664 m³/ha. Maximaal 40 cm diep, met een slokop op 30 cm vanaf de bodem.
Als leegloop via infiltratie niet mogelijk is, dan via een geknepen 36
-
drainage met grondverbetering. Bodem van de wadi tenminste 50 cm boven GHG. Deze uitgangpunten van het waterschap zijn maatgevend boven die van de gemeente (waterdiepte ca 30 cm bij T=10+10%). Dempen van wateren moet 1 op 1 worden gecompenseerd.
Toekomstige situatie Voor de gehele planlocatie is een stedenbouwkundig plan beschikbaar. Het verhard oppervlak is bepaald op basis van uitgangspunten van het waterschap: - Vrijstaand 70% verhard; - Tweekappers 80% verhard; - Rijwoningen 90% verhard; - Uitgeefbaar gebied rond appartementen 100% verhard. In de bijlage “Voorlopig Ontwerp Bovengrondse Infra” van CivielPlan (11 juni 2023)’ (zie bijlage II) is het stedenbouwkundig plan en de watercompensatie voor het plangebied weergegeven. De essentie van de oppervlakteveranderingen door het de planontwikkeling staat in onderstaande tabel: Huidige situatie
Toekomstig
Woning vrijstaand Woning 2onder1kap
0 0
7487*70%=5241 7400*80%=5920
Woning rij Appartementen Wegen Parkeren Trottoirs Particuliere tuinen (onverhard deel)
0 0 0
Onverhard (groen) Waarvan wadi Water
37330 120*
3367*90%=3030 1325 3710 1240 2465 7487*30%=2246 7400*20%=1480 3367*10%= 337 8031 1200 2425
Totaal
37450
37450
0
*in praktijk jaren geleden gedempt, wel in berekening meegenomen In de als bijlage III bijgevoegde waterbalans staat de cijfermatige onderbouwing voor de toename van verhardingen en de waterbergingscompensatie. Het toekomstig van oppervlak open water bedraagt 2425 m², maar daarvan is 120 m² ter compensatie van de eerder gedempte C-watergang. Resteert 2305 m² extra die we met een bergende schijf van 30 cm als waterberging aan het plangebied mogen toekennen. De wadi’s hebben een totaaloppervlak van 1190 m², met een bergende schijf van 40 cm. Voor het volume is rekening gehouden met het oppervlak bij een vulling van 40 cm en met de taluds. Daarmee voldoet het plangebied aan de wateropgave bij de beoogde verhardingstoename in het plan. Ook wordt voldoende water in wadi’s geborgen om aan de 20mm-regel van de gemeente te voldoen. Het oppervlak open water wordt flink uitgebreid. Hiervoor wordt het bestaande A-water op de westgrens van het plangebied ruim 13 meter van insteek tot insteek. Het noordelijk deel van dezelfde watergang 37
wordt verbreed tot maximaal 16 meter (van insteek tot het punt op het talud bij zomerpeil). Voor het hele tracé geldt dat de westelijke 8 m een A-status behoudt, en alles oostelijk daarvan wordt B-water. Het waterschap onderhoudt uitsluitend het A-statusdeel vanaf de weg aan de westzijde. Voorwaarde van het waterschap is dat een zakelijk recht wordt gevestigd op deze weg. Ook wordt op de noordgrens de watergang weer teruggebracht. Deze komt in open verbinding met de A-watergang. Verder naar het oosten komt een dam in de b-watergang, voor een voetpad. Hierin komt geen duiker. Op deze manier wordt een peilscheiding gecreëerd. Het plangebied wordt met een ontsluitingsweg aan de noordzijde verbonden met de Maarten van Rossumweg. Aan de oostzijde van deze nieuwe weg wordt een nieuwe watergang gegraven. Deze watergang wordt met een duiker onder de ontsluitingsweg verbonden met de noordelijke watergang, zodat de nieuwe watergang via de noordwestzijde van het plan afvoert. De wadi’s worden voorzien van een noodoverlaat (slokop) op circa 10 cm onder maaiveldniveau, met afvoer naar oppervlaktewater of terug naar het HWA-stelsel. Leegloop vindt plaats door drainage met geknepen afvoer. Onder de wadi’s wordt grondverbetering toegepast. Voor de knijpvoorziening geldt een afvoer van 1,5 l/s/ha en een maximale ledigingstijd van 96 uur, waarbij de ledigingstijd leidend is.
In het nog op te stellen plan voor waterhuishouding en riolering wordt ook aandacht besteed aan het afwaterend oppervlak op de wadi’s. Het is van belang dat de wadi’s voldoende en tenminste naar rato worden belast. Met de planontwikkeling wordt verhard oppervlak toegevoegd aan het gebied en van verhard oppervlak ontstaat versnelde waterafvoer naar de watergangen. Deze versnelde afvoer wordt in het plan gecompenseerd met extra waterberging in wadi’s en extra oppervlak open water, volgens de normen van gemeente en waterschap. Daardoor neemt de afvoer naar benedenstrooms niet toe en wordt wateroverlast in de omgeving als gevolg van de planontwikkeling voorkomen. Dus ook bij de aansluiting op de bestaande watergang aan de noordwestzijde van het plangebied.
4.1.6 Afvalwater en riolering Huidige situatie Het plangebied is nu nog agrarisch gebied en in die zin niet aangesloten op riool. Het dorp Poederoijen is hoofdzakelijk gemengd gerioleerd, met uitzondering van de nieuwbouwwijk Oostvleugel en een gedeelte van de Dorpsweg. Toekomstige situatie Conform het beleid wordt het plangebied voorzien van een gescheiden rioolstelsel voor inzameling van vuilwater en schoon hemelwater. Alleen vuilwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het bestaande waterschaprioolgemaal voor de kern Poederoijen aan de Maarten van Rossumweg heeft hiervoor voldoende capaciteit, zowel in de ontvangstkelder als voor wat betreft pompcapaciteit. Op basis van de nota Samen door één Buis moet voor het ontwerp worden uitgegaan van een afvalwaterproductie gedurende 12 uren per dan à 10l/inw/h met een woningbezetting van gemiddeld 2,5 personen. Met dit woningbouwplan betekent dat een extra dwa-aanbod naar het gemaal van 2,25 m³/u. Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar wadi’s en/of het oppervlaktewater in en om het plangebied. Riolering, hemelwaterstelsel, wadi, ontwatering en watersysteem worden nader uitgewerkt in een nog op te stellen Waterhuishoudings- en rioleringsplan, in overleg met de gemeente en het waterschap.
38
In principe worden geen uitlogende materialen toegepast waar ze in aanraking kunnen komen met afstromend hemelwater. Daar waar dit wel het geval is, worden deze voorzien van een coating (zoals zink voor een dakgoot). Op die manier wordt verontreiniging van bodem en water voorkomen.
4.1.7 Waterkwaliteit, ecologie en onderhoud Huidige situatie De huidige sloten hebben een matige waterkwaliteit, met steile tot natuurlijke taluds en weinig ecologische waarde. De onderhoudsstaat van de b-watergang op de oostgrens is matig. Het oogt rommelig. Diverse particulieren die met hun tuinen aan de sloot grenzen hebben hier uitgebouwd tot boven de sloot, wat het onderhoud bovendien bemoeilijkt. Toekomstige situatie Het waterschap schrijft voor dat bij nieuwe A-wateren in stedelijk gebied minstens 35% van de taluds natuurvriendelijk wordt ingericht. Dat betekent variabele breedte en een minimale schuinte van 1:5. Bij een schuin bovenwatertalud van minimaal 1:6 kan de beschermingszone voor machinaal onderhoud met de oever worden gecombineerd. De A-watergang aan de westzijde van het plan (noordelijk deel) wordt aan de planzijde voorzien van natuurvriendelijke oever en kruidenrijk grasland. Omdat de totale breedte voor het noordelijk deel van deze watergang groter wordt dan 8 m, krijgt de overbreedte aan de planzijde een b-status en komt de onderhoudsverantwoordelijkheid daarvan bij de gemeente (na oplevering van het plan door ontwikkelaar). Onderhoud wordt uitgevoerd vanaf de kant, niet varend. Indien het plan in fasen wordt gerealiseerd, wordt de verbreding vanwege de benodigde compensatie in fase 1 van de ontwikkeling gegraven.
Het onderhoud wordt dan na oplevering van die fase overgedragen aan de gemeente. Het zuidelijk deel van dezelfde A-watergang krijgt aan de planzijde een iets flauwere oever (1:2) met aan de planzijde een beschermingszone van 4 m uit de insteek voor onderhoud (wordt niet mee verkaveld). Ook hier is de watergang breder dan 8 meter, is het onderhoud van de oostzijde na realisatie voor de gemeente en krijgt dat deel B-status. Aan de noordwestgrens van het plangebied liep vroeger ook een b-water, wat later is gedempt en waarop een kas is geplaatst. Het waterschap is hier echter nog steeds eigenaar van de grond. Het waterschap staat open voor ruil van eigendom ten gunste van de verbreding van de A-watergang. Gezien het onderhoud van de b-watergang aan de oostzijde nu al moeilijk is, wordt de grond aan de planzijde bestemd als groen. De gronden worden wel tot aan de watergang verkaveld, maar de Regels staan bebouwing hier niet toe. In een VVE wordt het gezamenlijk onderhoud van de watergang geregeld. De breedte van de groenstrook is hier circa 3 meter. Daarvan moet op basis van Keur en Regels tenminste 1 meter uit de insteek van de watergang obstakelvrij blijven (dus ook geen bomen en heesters). En bij de inrichting moet ook rekening worden gehouden dat de VVE de watergang vanaf de groenstrook kan onderhouden.
4.1.8 Klimaatadaptatie Huidige situatie Klimaatverandering vraagt voorbereiding en aanpassing. Klimaatverandering leidt tot meer kans op hitte, langduriger droogte, maar ook extremere (zomer) piekbuien en grotere kans op overstromingen (zowel 39
lokaal als regionaal). Overstroming, wateroverlast en bodemdaling zijn in de voorgaande paragrafen al aan de orde gekomen. Wat betreft hitte ligt de planlocatie nu op een relatief koele plek, want in het buitengebied bij veel groen en water. De naastgelegen bestaande wijk is wel erg versteend, met >80% verharding. Het plangebied biedt daarvoor nu juist wat verkoeling, maar de Afgedamde Maas en de uiterwaarden natuurlijk ook. Gezien het landelijke karakter is er nauwelijks sprake van hitte-eiland effect. Hitte(eiland)vorming wordt beperkt door (de verdamping bij) groen, bomen en water, terwijl meer verstening juist voor meer hitte zorgt. Binnen bebouwd gebied kunnen bomen, schaduwplekken en goede luchtstroming /wind in de buitenruimte ervoor zorgen dat hitte minder wordt ervaren. Volgens de klimaateffectatlas is het plangebied niet of nauwelijks droogtegevoelig. Toekomstige situatie Het verhard oppervlak neemt in het plangebied toe en dus leidt het plan in theorie tot een hogere hittekans. Ook neemt de verkoelende werking op de naastgelegen wijk wat af. Waar mogelijk worden oplossingen toegepast om de verstening te beperken. Een voorbeeld zijn doorlatende verharding op parkeerplaatsen. Ook het wateroppervlak neemt toe, wat de hogere hittekans door verstening wat tempert.
4.1.9 Conclusie Met het bestemmingsplan worden in woningen mogelijk gemaakt. In deze waterparagraaf is beschreven dat het ontwerp rekening houdt en wordt aangepast aan de bodem- en waterhuishoudkundige omstandigheden (ophoging maaiveld, waterberging toevoegen). Ophoging van het plangebied is noodzakelijk om voldoende ontwatering te realiseren (o.a. voor draagkracht van de ondergrond). Uit de waterparagraaf blijkt dat geen negatieve effecten te verwachten zijn op de omgeving, onder andere door graven van voldoende open water (2.425 m²) en aanleg van wadi’s. Voor verschillende activiteiten is een watervergunning nodig, zoals voor het dempen en graven van water en de aanleg van meer dan 500 m² nieuw verhard oppervlak. Waterhuishouding en riolering in het plangebied worden nader gedetailleerd in een nog op te stellen plan, in overleg met de gemeente en waterschap. De Keur van Waterschap Rivierenland met de bijbehorende regels dient als toetsingskader voor de verdere uitwerking en realisering van het plan.
4.2
Bedrijven en zonering De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en Zonering’).
40
Planspecifiek Ten westen van het plangebied ligt een glastuinbouwbedrijf. Vanwege de aanwezigheid van dit bedrijf en vanwege de uitbreidingsmogelijkheden is een afstand van 30 meter aangehouden tussen de gevels van (eventueel toekomstige) bebouwing binnen de bestemming ‘Agrarisch – glastuinbouw’ en ‘Agrarisch’ enerzijds, en anderzijds de gevels van de nieuwe woningen. In figuur 3.9 is met de rode stippellijn te zien dat daarbij de lijn is aangehouden van de gevel van de bestaande werkruimte van het bedrijf (ter hoogte van de blauwe stippellijn) en niet van de zijgevel van de kassen. Deze 30 meter is de richtafstand uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ die geldt voor tuinbouwbedrijven en milieugevoelige bestemmingen. Dat betekent dat de afstand tussen het perceel met de bestemming ‘Agrarisch – glastuinbouw’ en ‘Agrarisch’ enerzijds, en de gevels van de nieuwe woningen anderzijds weliswaar wat minder bedraagt (nl. 23 meter), echter er kan redelijkerwijs van worden uitgegaan dat tussen de gevels van eventueel toekomstige kassen en de grens van het agrarische perceel ter hoogte van de nieuwe woningen geen relevante milieubelastende activiteiten plaatsvinden. Er zal daar (ter plaatse van de rode stippellijn, in figuur 3.9) immers enkel sprake zijn van een glazen wand / gevel van de kassen.
En een deel van die gronden (4 meter breedte) moet overigens sowieso vrijgehouden worden als onderhoudsstrook voor de watergang. Om deze afstand te waarborgen is er aan de westzijde van het plangebied voor een klein deel van de woonbestemming een bouwverbod opgenomen in de planregels (via een specifieke aanduiding op de verbeelding). Dat betekent dat het verboden is gebouwen en bouwwerken te bouwen binnen die strook. Ook is het verboden om vergunningvrij gebouwen en bouwwerken te realiseren. Hiermee is voldoende geborgd dat de bestaande en toekomstige bedrijfsvoering van het naastgelegen glastuinbouwbedrijf niet wordt beperkt door dit woningbouwplan. Dat betekent ervan kan worden uitgegaan dat ter plaatse van de betreffende woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien wordt het aanwezige bedrijf niet belemmerd in de bestaande bedrijfsactiviteiten en eveneens niet in haar uitbreidingsmogelijkheden. Conclusie Uit het oogpunt van milieuzonering bestaat er geen belemmering voor de realisatie van dit woningbouwplan.
4.3
Bodem
4.3.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op 41
steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.
4.3.2 Onderzoek Voor de planlocatie is door Verhoeven Milieutechniek BV een verkennend bodemonderzoek verricht (Diverse (water)bodemonderzoeken, Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen, d.d. 19 september 2022, zie bijlage IV). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit is de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten kan de gestelde onverdachte hypothese worden aangenomen, aangezien in zowel de boven-, ondergrond als het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaarden van 0,5 niet overschrijden, zijn geen vervolgstappen in het kader van de Wbb noodzakelijk. Voormalige bovengrondse tank Ter plaatse van de onderzochte voormalige bovengrondse tank zijn zowel in de bovengrond als in het grondwater geen verhoogde gehalten voor de verdachte parameters aangetoond. De voormalige bovengrondse tank heeft derhalve niet geleid tot een bodemverontreiniging op de onderzoekslocatie.
Teeltlaagonderzoek Voor het teeltlaagonderzoek is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag. Op basis van de resultaten wordt de gestelde verdachte hypothese verworpen, aangezien in de teeltlaag maximaal licht verhoogde gehalten voor de OCB-parameters zijn aangetoond. Hergebruik van grond (BBK en handelingskader PFAS) Bij eventuele afvoer van de grond en toepassing elders heeft de bovengrond plaatselijk maximaal indicatief de klasse industrie en/of wonen op basis van indicatieve toetsing aan het BBK, voor wat betreft de NEN-, en OCB-parameters. De ondergrond op de onderzoekslocatie heeft indicatief de klasse altijd toepasbaar op basis van indicatieve toetsing aan het BBK, voor wat betreft de NEN-parameters. Voor PFAS dient rekening te worden gehouden met bovenstaande indicatieve klassen, waarbij de grond tot 1,0 m-mv (zand en klei) voldoet aan de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrond-waarde) op basis van het handelingskader. De grond kan voor wat betreft de PFAS-parameters elders worden toegepast in de betreffende functieklasse, bij toepassing boven grondwaterniveau, op de landbodem en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Gebiedsspecifiek kunnen echter zowel strengere als minder strenge eisen gelden.
Conclusies verkennend onderzoek naar asbest Voor wat betreft asbest is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging ter plaatse van het voormalig kassencomplex en voormalige watergangen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de hypothese worden verworpen, aangezien zintuiglijk op maaiveld en in het vrijkomende materiaal uit de proefgaten geen asbest is aangetroffen en analytisch geen noemenswaardige gehalten voor asbest zijn aangetoond (< 2 mg/kg d.s.). 42
Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, doch bestaat de mogelijkheid dat niet alle asbestverdachte plaatmaterialen zijn waargenomen. Het blijft derhalve mogelijk dat bij aantreffen van asbesthoudend plaatmateriaal de interventiewaarde in de praktijk toch wordt overschreden. Daarnaast kan over de contactzone kan echter nog geen definitieve uitspraak worden gedaan, aangezien in afwijking op de SIKB BRL 2000, protocol 2018, geen efficiënte maaiveldinspectie is uitgevoerd in verband met de aanwezige obstakels (vegetatie en verhardingen) op het maaiveld. Conclusies verkennend waterbodemonderzoek De aanwezige watergangen waren waterhoudend ten tijde van het onderzoek. De waterbodem is aanwezig vanaf circa 2 à 30 cm beneden waterspiegel. Er is in beide watergangen een laag slib van circa 2-40 cm aangetroffen. Voor de hoeveelheid slib dient rekening te worden gehouden met circa 60 m3 in de B- en C-watergangen (G01 t/m G10) en circa 50 m3 in de A-watergang (G11 t/m G20). Voor wat betreft de waterbodem is uitgegaan van elders toepasbare en verspreidbare baggerspecie (maximaal klasse Industrie/klasse B). Op basis van resultaten (inclusief PFAS) kan de hypothese voor de B- en C-watergangen (G01 t/m G10) maar deels worden aangenomen, aangezien het slib geclassificeerd is als ‘niet verspreidbaar’ op het aangrenzend perceel (T5).
Het slib is wel toepasbaar op de landbodem (T1: maximaal klasse industrie) en in overig zoet oppervlaktewater (T3: maximaal klasse A). Voor de A-watergang (G11 t/m G20) kan op basis van resultaten (inclusief PFAS) de hypothese geheel aangenomen worden, aangezien het slib geclassificeerd is als ‘verspreidbaar’ op het aangrenzend perceel (T5) en toepasbaar is op de landbodem (T1: maximaal klasse industrie) en in overig zoet oppervlaktewater (T3: maximaal klasse A). Met betrekkingen tot PFAS kan voor het slib worden geconcludeerd dat voor toepassing op de bodem (T1) het slib als klasse ‘landbouw/natuur’ (achtergrondwaarde) is geclassificeerd en daarnaast het verspreiden in zoet oppervlaktewater (T3) en op aangrenzend perceel (T5) is toegestaan. Zodoende bestaan voor het slib voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden Algehele conclusie en aanbevelingen Met de uitgevoerde onderzoeken is volgens Verhoeven Milieutechniek BV de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem inclusief asbest ter plaatse van het Hof van Poederoijen (Dorpsweg 12 e.o.) te Poederoijen in voldoende mate onderzocht. Zintuiglijk en analytisch zijn geen verontreinigingen (NEN, OCB, PFAS en asbest) aangetroffen als gevolg van de voormalige bovengrondse tank, voormalige boomgaard, voormalige kassencomplex en voormalige niet onderzochte watergangen.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen toekomstige herontwikkeling. Conclusie De huidige vastgestelde bodemkwaliteit voldoet voor de functie wonen met tuin. Er zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische belemmeringen aanwezig voor de realisatie van woningbouw binnen het onderzoeksgebied.
43
4.4
Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. Planspecifiek Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen (zie figuur 4.5): § het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi; § de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; § het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen; § het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water. Het aspect externe veiligheid is dus voor het plangebied niet relevant. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Fig. 4.5
4.5
Risicokaart (projectlocatie: zie rode pijl)
Geluid Wat betreft het onderwerp geluid is het voor dit plan van belang in te gaan op wegverkeerslawaai. 44
Van Kooten Akoestisch Advies heeft onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai (Akoestisch onderzoek, Woningbouwlocatie Poederoijen West, 31 oktober 2023, zie bijlage V). In het onderzoek van Van Kooten Akoestisch Advies wordt onderscheid gemaakt tussen het plangedeelte waar woningbouw direct mogelijk wordt gemaakt en het plangedeelte waarvoor de wijzigingsbevoegdheid geldt. Van Kooten Akoestisch Advies komt tot de volgende conclusies. §
De geluidsbelasting vanwege het 50 km/uur gedeelte van de Dorpsweg bedraagt maximaal 50 dB. Hiermee wordt voor de Dorpsweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in beperkte mate overschreden. De overschrijding betreft 3 woningen van fase 1 van Poederoijen west. Tevens is berekend dat het 30 km/uur gedeelte van de Dorpsweg slechts een zeer beperkte bijdrage heeft in de geluidsbelasting. De geluidsbelasting ter plaatse van woningen is zonder meer acceptabel.
§
Uit een afweging van maatregelen blijkt dat het waarschijnlijk niet haalbaar zal zijn om geluidsreducerende maatregelen te treffen. Wanneer de gemeente Zaltbommel op de Dorspweg stiller asfalt met een geluidsreductie van tenminste 2 dB ten opzichte van dicht asfaltbeton zou aanleggen, dan kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In paragraaf 4.1 van het akoestisch onderzoek is echter toegelicht dat de gemeente hier waarschijnlijk niet toe zal overgaan. Ook andere maatregelopties zijn niet haalbaar (zie paragraaf 4.1).
§
Voor de realisatie van fase 1 van Poederoijen west wordt daarom geadviseerd om hogere waarden vanwege de Dorpsweg vast te stellen. De hogere waarden van maximaal 50 dB zijn nodig voor 3 woningen. Voor fase 2 van Poederoijen west is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. Langs de Maarten van Rossumweg kan binnen een afstand van ongeveer 15 meter vanaf de rand van de weg een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde worden verwacht. De stedenbouwkundige opzet voor dit gedeelte (fase 2) van de planontwikkeling is echter nog niet vastgesteld, waardoor het nog niet vast staat op welke afstand woningen aan de Maarten van Rossumweg worden gebouwd. Indien er woningen binnen een afstand 15 meter van de weg moeten worden gerealiseerd, dan dient nogmaals een toetsing aan de Wet geluidhinder te worden uitgevoerd. In dat geval kan het nodig zijn om maatregelen in overweging te nemen en eventueel hogere waarden vast te stellen. Wanneer een grotere afstand dan circa 15 meter tot de Maarten van Rossumweg kan worden aangehouden, dan wordt voldaan aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. In dat geval is er sprake van een acceptabele geluidbelasting en is geen afweging van maatregelen en/of vaststelling van hogere waarden noodzakelijk.
§
§
Wanneer fase 2 onder het regime van de Omgevingswet wordt gerealiseerd, dan wordt aanbevolen om de akoestische situatie opnieuw te beschouwen. De rekenmethode en het normenkader wijzigt dan namelijk. De geluidsbelastingen zijn en blijven relatief beperkt, zodat er voor de haalbaarheid van de ontwikkeling geen gevolgen zullen zijn. Wel is het mogelijk dat er een concrete afweging van maatregelen moet worden uitgevoerd.
Conclusie De berekende geluidsniveaus vanwege wegverkeerslawaai worden voor fase 1 als acceptabel beoordeeld. Wel dient een besluit hogere waarden te worden genomen door het college van B&W. Het 45
aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan. Voor fase 2 is een en ander nog afhankelijk van de concrete uitwerking en zal te zijner tijd worden berekend.
4.6
Geur In de directe omgeving liggen geen agrarische bedrijven in de vorm van veehouderijen. De planlocatie ligt volgens het gemeentelijk geurbeleid niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf. Het plangebied is gelegen binnen een zone waar een goed leefklimaat heerst. Conclusie De geursituatie ter plaatse vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde woningen.
4.7
Luchtkwaliteit De Wet milieubeheer bevat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging is een toets aan de grenswaarden niet nodig. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.
Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Voorliggend plan voegt 45 woningen toe, en met de wijzigingsbevoegdheid voor maximaal 27 woningen, komt het woningbouwprogramma op maximaal 85 woningen. Een specifiek luchtkwaliteitonderzoek hoeft daarom niet te worden uitgevoerd. Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit bestaat er gelet op het voorgaande geen belemmering.
46
4.8
Flora en fauna
4.8.1 Inleiding Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan.
Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.
4.8.2 Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet natuurbescherming Dorpsweg ong. te Poederoijen, d.d. 14 april 2021, zie bijlage VI). Uit deze natuurtoets blijkt het volgende. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de Aerius-Calculator. Een voortoets en / of nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende 47
vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Om uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft Walravan-Advies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Stikstofdepositieonderzoek, Hof van Poederoijen, d.d. 8 maart 2024, bijlage VII). Walraven-Advies komt tot de volgende bevindingen: •
Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000- gebieden.
• •
Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.
Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief. Wel is altijd de zorgplicht van toepassing. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen het plangebied. De sloop-, bouw-, en rooiwerkzaamheden en ingrepen dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden of er dient voorafgaande aan deze werkzaamheden een vogelcheck uitgevoerd te worden. Overigens zullen voor de huismus en de gierzwaluw nestkasten worden aangebracht.
4.9
Explosieven Uit onderstaande uitsnede van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard 2016 (zie figuur 4.6) blijkt dat het plangebied niet in verdacht gebied ligt. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Fig. 4.6
Uitsnede Explosievenkansenkaart
Conclusie 48
Uit het voorgaande blijkt dat wat betreft de lage kans op de aanwezigheid van explosieven er geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project.
4.10
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De vraag is of hier sprake is van ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, als bedoeld onder D.11.2 van bijlage II van het Besluit m.e.r. Hierover het volgende. Alhoewel het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in het Besluit m.e.r. niet duidelijk is gedefinieerd, is uit de toelichting van het Besluit m.e.r. wel op te maken dat het begrip per regio kan verschillen, waarbij van belang is wat de impact op de omgeving is.
Hier is sprake van een woningbouwontwikkeling van 45 woningen, met een behoorlijk ruimtebesluit. Dat betekent dat het plan kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Het is dan ook van belang om een zogenaamde vorm-vrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Hierover het volgende. Deze paragraaf, alsmede de inhoud van de toelichting (vooral voor zover betrekking hebbend op milieuaspecten), kan worden beschouwd als zogenaamde ‘m.e.r.-aanmeldnotitie’. Deze ‘m.e.r.aanmeldnotitie’ beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie over de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling betekent, dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....'. De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. 2. 3.
de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).
Ad. 1 De kenmerken van de activiteit Het bouwplan Hof van Poederoijen te Poederoijen bestaat uit de realisatie van 45 woningen. In paragraaf 3.3 van deze toelichting is het plan nader beschreven. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. 49
De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de bouwwerkzaamheden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal gas, elektriciteit en water nodig zijn. Tijdens de realisatiefase en gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende (afval)stoffen. Bij zowel de aanleg als bij de ingebruikname van de woning, zijn ten aanzien van de productie van afvalstoffen voornamelijk de aspecten bodem, geluid en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn nader beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Maarten van Rossumweg en de Dorpsweg. De toevoeging van de woningen zal een acceptabele toename met zich meebrengen wat betreft het aantal motorvoertuigbewegingen (zie paragraaf 4.13.2). Zowel tijdens de bouw als daarna zijn de aspecten waterhuishouding, bodem, verkeer, geluid, ecologie, archeologie en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn in deze toelichting nader beschreven. Het beoogde plan zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden naar huidig inzicht geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Ad 2. De plaats van het project Voor wat betreft de plaats van het project wordt verwezen naar paragraaf 1.2 van deze toelichting. Ad 3.
De kenmerken van het potentiële effect Dit hoofdstuk van de toelichting bevat tevens een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor dit bouwplan relevant kunnen zijn. Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Conclusie Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de aan de orde zijnde milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende weten regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
4.11.1 Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft in zijn vergadering van 7 juli 2011 beleid vastgesteld hoe het aan die wettelijke verplichtingen invulling wenst te geven. Daarvoor zijn onder andere verschillende archeologische (beleids)kaarten 50
vastgesteld. Daarnaast zijn vrijstellingsgrenzen vastgesteld die aangeven of in een specifiek geval (aanvullend) archeologisch onderzoek noodzakelijk is als de bodem bij een bepaalde (bouw)activiteit wordt verstoord. Op basis van de door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaart (zie afbeelding hierna) geldt voor de projectlocatie voor het grootste deel ‘Waarde Archeologie – 1’, ‘Waarde Archeologie – 2’ en ‘Waarde Archeologie - 3’ (zie figuur 4.7).
Fig. 4.7 Uitsnede Archeologische beleidskaart (projectlocatie: rode pijl)
Legenda Archeologische beleidskaart
Planspecifiek Voor de projectlocatie is een tweetal onderzoeken uitgevoerd: a.
Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek, Dorpsweg 12 en 14 Poederoijen, BAAC BV, Oktober 2004 (zie bijlage VIII).
In het onderzoek van BAAC is het onderzoeksgebied gesplitst in twee gedeelten (onderzoeksgebied A en onderzoeksgebied B). In onderzoeksgebied A zijn geen archeologische resten gevonden. Met betrekking tot bouwplannen in dit gedeelte luidt de aanbeveling dat met betrekking tot bodemverstorende bouwactiviteiten tot een diepte van 1 meter beneden het maaiveld geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is. De te verwachten verstoring blijft tot ruim boven het niveau van de dunne laklaag (mogelijk begin Late Middeleeuwen) die zich op 1,4 a 1,5 meter beneden maaiveld bevindt. Voorts zullen ten behoeve van de realisatie van het 51
woningbouwplan de gronden met 0,6 meter verhoogd worden. Dat betekent dat de gronden voor terreingedeelte A (zie figuur 4.8) vrijgegeven kunnen worden. In onderzoeksgebied B (zie figuur 4.8) bevindt zich een oude woerdgrond (dikte tot 50 cm) waarvan de onderkant zich op ongeveer 150 cm beneden maaiveld bevindt. Hieronder bevindt zich een dunne laag oeverafzettingen op komafzettingen. De waardestelling (Waarde – Archeologie 1) heeft vermoedelijk daar mee te maken. Voor dit gebied zal een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. In dit bestemmingsplan wordt een beschermingsregime archeologie opgenomen voor dit gedeelte van het plangebied.