CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting

Raadsvergadering 19 september 2024, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 2418.953 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.

Het verplicht aanwijzen van een beheerder van de huisvestingslocatie.Dit geldt voor alle locaties (ook voor woningen). De verantwoordelijkheid ligt bij de aanvrager van het initiatief. De contact- en verblijfsgegevensvan de beheerder dienen bij de gemeente Zaltbommel, de Omgevingsdienst Rivierenland en de hulpdiensten bekend te zijn. De beheerder is voor instanties en omwonenden het eerste aanspreekpunt bij vragen en/of overlast; Aan bovenstaande wordt voldaan. De bedrijfswoning Molenstraat 24 is bestemd voor de beheerder van de huisvestingslocatie.

6.

Het verplicht registreren van de personen die op een huisvestingslocatie verblijven in een gemeentelijk nachtregister volgens een door de Burgemeester van Zaltbommel vast te stellen model. De verplichting ligt bij de verblijfsbieder.Onder deze verplichting geldt ook het actueel houden van het nachtregister. Aan bovenstaande wordt voldaan. Dit beleidsuitgangspunt worden in acht genomen door de exploitant van het terrein.

7.

De verblijfsbieder wijst de personen die op een huisvestingslocatie verblijven op de verplichting om zich in het BRP (Basisregistratie Personen) in te schrijven bij een beoogd verblijf van langer dan 4 maanden in een half jaar (dit hoeft niet aaneengesloten te zijn). Aan bovenstaande wordt voldaan. Dit beleidsuitgangspunt worden in acht genomen door de exploitant van het terrein.

8.

Een werkgever mag niet verplichten dat zijn werknemers gebruik maken van de eventuele huisvesting die de werkgever (op zijn terrein) beschikbaar heeft; Aan bovenstaande wordt voldaan. Dit beleidsuitgangspunt worden in acht genomen door de exploitant van het terrein.

9.

Bij beëindiging van de arbeidsrelatie mag de werknemer nog maximaal 4 weken op zijn (tijdelijke) woonadres verblijven. De werknemer krijgt zo voldoende gelegenheid om een vervangende woonruimte te vinden; Aan bovenstaande wordt voldaan. Dit beleidsuitgangspunt worden in acht genomen door de exploitant van het terrein.

10. De huisvestingsvoorzieningdient vrij toegankelijk te zijn vanaf de openbare weg (bijvoorbeeld zonder hek met sloten en/of codes). Dit is onder meer van belang voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten; Het terrein zal vrij toegankelijk zijn via de ontsluiting aan de Molenstraat, zodat er voor onder andere hulpdiensten geen belemmeringen ontstaan. Bij de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de toegankelijkheid van het terrein voor hulpdiensten. Daarbij wordt zoveel als mogelijk uitgegaan van een ontsluitingsstructuur waarbij alle delen van het terrein van twee zijden benaderd kunnen

26

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

worden. Ook is er op geanticipeerd dat voertuigen elkaar waar nodig kunnen passeren, al dan niet via een versterkte bermconstructie.

11. De huisvesting van gezinnen met kinderen en/of minderjarige personen is niet toegestaan. Dergelijke huisvesting is naar aard en inrichting niet geschikt voor gezinnen met kinderen; Aan bovenstaande wordt voldaan. Dit beleidsuitgangspunt worden in acht genomen door de exploitant van het terrein.

12. Er is voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein beschikbaar. De richtlijn hierbij is minimaal 0,5 parkeerplaats per persoon. Het college van B&W heeft de mogelijkheid om van deze richtlijn af te wijken als de initiatiefnemer kan aantonen dat de parkeerbehoefte van het initiatief afwijkt van de richtlijn en/of dat op een andere manier in de vervoerbehoefte wordt voorzien. Voor voorliggend initiatief is uitgegaan van 0,6 parkeerplaatsen per internationale werknemer. Hiermee wordt voldaan aan bovenstaande richtlijn. Er wordt nader ingegaan op parkeerbalans in paragraaf 4.3.1.

Toetsing specifieke beleidsuitgangspunten voor geconcentreerde huisvesting Aanvullend op bovenstaande algemene uitgangspunten, worden in het beleidsdocument nog uitgangspunten benoemd die specifiek zijn voor de categorie gecontreerde huisvesting. Hieronder wordt het voornemen getoetst aan deze beleidsuitgangspunten. Een aantal van de uitgangspunten gaat over de locatievoorkeur voor geconcentreerde huisvesting. Aangezien de gemeenteraad reeds medewerking heeft verleend aan huisvesting op deze locatie, worden deze locatie-gerelateerde beleidspunten niet getoetst. 1.

Op een locatie mogen maximaal 150 personen worden gehuisvest; Met voorliggend initiatief wordt huisvesting voor 150 personen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan dit beleidsuitgangspunt.

2.

De huisvesting mag plaatsvinden in bestaande of nieuw te realiseren bebouwing. Als voor het realiseren van de huisvestingsvoorziening herbouw of nieuwbouw van bebouwing moet plaatsvinden, moet de verschijningsvormvan de bebouwing inpasbaar zijn in de omgeving. Dit is ter beoordeling aan het college van B&W. Als de huisvesting plaatsvindt op een nog onbebouwde locatie in het buitengebied, is het uitgangspunt dat bebouwing in principe plaatsvindt in afzonderlijke bouwwerken. Dit is eveneens ter beoordeling aan het college van B&W. Met het voornemen wordt nieuwe bebouwing gerealiseerd. De huidige bebouwing op het terrein geeft een rommelige indruk en heeft een verschijningsvorm die niet goed in de omgeving past. De nieuwe bebouwing wordt zorgvuldig stedenbouwkundig en landschappelijk ingepast in de omgeving. (zie ook paragraaf 3.2. Er vindt een beeldkwalitatieve verbetering plaats.

3.

Op de locatie zijn voorzieningen voor ontspanning aanwezig en per bewoner is voldoende buitenruimte vrij beschikbaar en toegankelijk; Het terrein wordt voorzien van een groene buitenruimte. Een groene omgeving nodigt uit om te bewegen en te ontspannen. Het terrein op een ruime manier opgezet, waarbij de gebouwen op redelijke afstand van elkaar geplaatst worden. Er wordt een minimale onderlinge afstand van 6 meter gehanteerd tussen de hoofdgebouwen.

4.

De locatie voldoet aan hoge eisen ten aanzien van ruimtelijkekwaliteit (landschappelijkeinpassing en een

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

27

aantrekkelijkeleefomgevingvoor de bewoners); De landschappelijke inpassing met meerdere groenelementen zorgt voor een aantrekkelijke leefomgeving voor de personen die verblijven op het terrein. Zie ook paragraaf 3.2.

5.

De locatie voldoet aan hoge eisen ten aanzien van duurzaamheid (bouwwerken voldoen aan de normen voor Energie-neutrale Gebouwen); Aan dit beleidsuitgangspunt wordt voldaan.

6.

De locatie is tevens bedoeld voor het huisvesten van jongeren, statushouders en spoedzoekers (de ‘golden mix’). Hiertoe wordt 10% van de huisvestingsruimteaangeboden aan deze doelgroep. Hieraan word voldaan. Het betreft onder andere spoedzoekers die in de huidige situatie reeds op de locatie worden gehuisvest. Hierover vindt regelmatig afstemming plaats met de gemeente Zaltbommel.

7.

De initiatiefnemer toont aan dat hij een maatschappelijk participatieproces voor omwonenden en belanghebbenden heeft doorlopen, waaruit afgeleid kan worden hoeveel draagvlak bestaat voor de betreffende locatie. Het draagvlak en het participatieproces worden in een verslag beschreven door de initiatiefnemer. Als onderdeel van de lopende planologische procedure is een participatietraject doorlopen. Een verslag hiervan is te vinden in Bijlage 14 en een samenvatting is beschreven in paragraaf 6.2 van deze toelichting.

Dit bestemmingsplan voorziet, het bovenstaande overwegend, op de langere termijn in de behoefte aan meer kwalitatief hoogwaardige verblijfsmogelijkheden, ter ondersteuning van de recreatieve potenties van het gebied. Op een meer korte termijn wordt tegemoet gekomen aan een momenteel meer urgente behoefte aan goede huisvestingsmogelijkheden voor internationale werknemers. Deze huisvesting wordt voorzien binnen de kaders van het Beleid huisvesting internationale werknemers van de gemeente Zaltbommel.

28

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijke inpassing

Karakteristiek gebied

Het plangebied ligt nabij de kern van Bruchem, als onderdeel van een bebouwingslint dat tot deze kern gerekend wordt en hier ruimtelijk-functioneel nauw mee in verband staat. Bruchem is ontstaan op een stroomrug van de Waal. De historische dorpskern heeft haar originele cultuurhistorische waardevolle karakteristiek weten te behouden. Het lineaire karakter van de belangrijkste ontsluitingswegen is nog duidelijk aanwezig en herkenbaar. Het historische deel bestaat uit de bebouwing rondom de belangrijkste wegen; de Dorpsstraat, Peperstraat, Molenstraat en Vreedstraat. De bebouwing aan de Dorpsstraat vormt het oudste deel van Bruchem. De verschillende planmatige uitbreidingen van Bruchem zijn beperkt en hebben zich gevoegd naar de bestaande landschappelijke en dorpsstructuur. Vrijwel heel Bruchem heeft een groene uitstraling door de vrijstaande boerderijen en woningen op ruime percelen met veelal diepe voortuinen. De belangrijkste straat in het dorp is de Dorpsstraat. De laanbomen langs deze straat en de boerderij met boomgaard midden in het dorp versterken het groene karakter. Aan de uitvalswegen Peperstraat en Molenstraat zijn veelal grote boerderijen op woerden gebouwd wat karakteristiek is voor Bruchem. De woningen staan over het algemeen wisselend geordend op de kavel, niet allemaal op gelijke afstand van de weg en niet in dezelfde rooilijn.

De panden in het dorp hebben overwegend een individuele uitstraling en bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen. De bouwhoogte is sterk afwisselend en de bebouwing kent hoofdzakelijk een zadeldak, met of zonder wolfeinden, schilddak of mansardekap. Over het algemeen is er sprake van een baksteenarchitectuur en een eenvoudige agrarische vormgeving. Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat 24 te Bruchem. De planlocatie betreft Camping 't Meulenhuis en bestaat uit woning, receptie, paardenweide, blokhutten en stacaravans. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische akker- en weidepercelen, glastuinbouwcomplexen en boerderijen. De planlocatie is ca. 500 m westelijk gelegen van het dorp Bruchem. Op ca. 150 m ten noorden van de planlocatie is de dichtstbijzijnde bosrijke omgeving gelegen. De dichtstbijzijnde autosnelweg betreft de Rijksweg A2, gelegen op ca. 2,3 km ten oosten van het plangebied.

Hoofdentree camping 't Meulenhuis, gezien vanaf de Molenstraat (bron: Google Maps)

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

29

Zicht op het zuidwestelijk van de camping gelegen uitbreidingsperceel. Camping rechts in beeld (bron: Google Maps)

3.2

Planbeschrijving

De beoogde ontwikkeling betreft de herstructurering van de bestaande camping en de daarop aanwezige recreatieve voorzieningen, met aanvullend een uitbreiding in zuidwestelijke richting op het naastgelegen perceel. Bij het ontwerp van de toekomstige terreininrichting is aansluiting gezocht bij de volgende uitgangspunten: Op het terrein dient ruimte te worden gevonden voor een passende huisvesting van ten hoogste 150 personen; De inrichting en uitstraling van het terrein dient aan te sluiten bij het concept van een duurzaam aantrekkelijk, kleinschalig verblijfsrecreatiepark; Daartoe worden de chalets gelijkmatig over het terrein geplaatst, op een speelse, organische wijze die voldoende onderlinge afstand en privacy waarborgt; In de ruimtelijke opzet wordt ruimte geboden aan een groene aankleding, zowel van het terrein tussen de chalets als van het omringend gebied; In de inrichting dient ruimte te zijn voor kleinschalige ontspanningsmogelijkheden (tafeltennis, panna-veldje); Voor zover aan de orde, dienen uitstralingseffecten naar de omgeving toe zoveel als mogelijk te worden beperkt; De terreininrichting dient goede voorwaarden te bieden als het gaat om veiligheid. Dit betreft zowel de bereikbaarheid van de chalets voor hulpdiensten als de ontvluchtingsmogelijkheden van personen die op het terrein verblijven.

Ook de onderlinge afstand tussen chalets draagt bij aan brandveiligheid. Het vergrote terrein wordt binnen deze reconstructie voorzien van een samenhangende verkaveling, ruimte biedend aan 38 chalets. De beoogde terreinindeling en plaatsing van de chalets is weergegeven op onderstaande afbeelding.

30

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

Beoogde toekomstige terreinindeling (uitsnede uit landschappelijk inpassingsplan) Ten behoeve van deze chalets zal een interne ontsluitingsstructuur worden gerealiseerd, die voorziet in een doorgaand pad, via een in-/uitrit ontsloten op de Molenstraat. Zuidoostelijk in het plangebied wordt een centrale parkeervoorziening gestitueerd. Daarmee wordt het terrein in principe autoluw ingericht. De chalets bestaan uit één bouwlaag met kap. Elk chalet wordt in eerste instantie inpandig gesplitst uitgevoerd, waardoor per chalet twee wooneenheden ontstaan. Na beëindiging van het gebruik van het terrein voor de huisvesting van internationale werknemers wordt deze interne splitsing ongedaan gemaakt, waarmee een kleinschalig verblijfsrecreatiebedrijf met 38 vakantiewoningen ontstaat.

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

31

Impressie chalets (gevelaanzichten en plattegronden)

Het plangebied zal worden voorzien van een beplantingsstructuur, conform het landschappelijk inpassingsplan. Dit plan voorziet in diverse beplantingsensembles, die zowel op als aan de randen van het terrein worden gerealiseerd. Waar mogelijk worden bestaande bomen in het ontwerp behouden. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage 1 aan de regels van dit bestemmingsplan gehecht.

32

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

Hoofdstuk 4 4.1

Haalbaarheid

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Archeologie Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Erfgoedwet moet de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Op 7 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel een archeologische inventarisatie en archeologiebeleid met een bijbehorende kaart vastgesteld. Hierin zijn onder meer vrijstellingsgrenzen voor oppervlakten en diepten opgenomen.

Het gemeentelijk beleid is op 1 september 2011 in werking getreden. De reden voor het vaststellen van het beleid is het voorkomen van onnodig onderzoek en slechts voor de gebieden waar archeologische waarden te verwachten zijn, wel te besluiten tot nader onderzoek (en alleen als de ontwikkeling de beide vrijstellingsgrenzen overschrijdt). Het bovengenoemde beleid is vertaald in dit bestemmingsplan. Op de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart zijn alle archeologische onderzoeken en vondstmeldingen verwerkt. Verder is deze kaart op bureauonderzoek gebaseerd. Met betrekking tot bodemkundige en geologische gegevens is gebleken dat voor de gemeente Zaltbommel de zanddieptekaarten van het Gelders Rivierengebied het beste uitgangsmateriaal vormden. De kaarten beslaan namelijk het gehele oppervlak van de gemeente en ze zijn gebaseerd op grootschalige veldonderzoeken die specifiek zijn gericht op het in kaart brengen van de

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

33

ontstaansgeschiedenis van het landschap. Aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland is een verdere detaillering in de begrenzing van het onderzoeksgebied gemaakt. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart gaat uit van een intact landschap met gave bodemprofielen. In werkelijkheid zijn grote delen van het gebied in meer of mindere mate verstoord door allerlei bodemtechnische ingrepen in het verleden. De mate van deze verstoringen en het effect ervan op de archeologische resten in het gebied zijn globaal bekend. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart doet dan ook globaal uitspraken over de mate van bodemverstoring, maar doet geen uitspraken over de gaafheid van te verwachten archeologische resten. Als een initiatiefnemer kan aantonen dat het terrein diepgaand is verstoord, geldt voor het verstoorde deel geen onderzoeksverplichting. Hieronder hebben wij een uitsnede van de beleidskaart archeologie van het plangebied opgenomen.

Uitsnede beleidskaart archeologie met het plangebied Op het plangebied is/zijn de volgende beleidszone(s) van toepassing: Waarde-archeologie 1 Waarde-archeologie 3 Deze beleidszones zijn op de verbeelding overgenomen als dubbelbestemmingen, waarbij in de regels nadere voorwaarden voor het beschermen van archeologische waarden zijn geformuleerd. Archeologisch onderzoek Door bureau ArcheoPro is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van archeologisch waardevolle objecten en / of structuren in het plangebied. Dit onderzoek omvatte een bureauonderzoek en een karterend booronderzoek. De volledige rapportage over dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Op grond van dit onderzoek is geconstateerd dat het plangebied uit een komklei-gebied bestaat, waarbinnen

34

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

gedurende de prehistorie geen voor bewoning geschikte omstandigheden lijken te hebben geheerst. Archeologische indicatoren uit de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd, zijn in de zones waarin deze verwacht werden, ondanks het zetten van verdichtingsboringen en de inspectie van slootkanten, niet aangetroffen. In verband hiermee geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. De conclusies die op grond van het archeologisch onderzoek zijn getrokken, zijn door het bevoegd gezag overgenomen middels een selectiebesluit. Dit besluit is als bijlage 4 aan deze toelichting gehecht. Op grond van het bovenstaande wordt geconstateerd dat archeologische waarden geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 4.1.2 Cultuurhistorie Menselijke ingrepen hebben voor kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd.

In de gemeente Zaltbommel zijn waardevolle elementen aanwezig die een natuurlijke geschiedenis hebben en die een door de mens gevormde geschiedenis hebben. De gemeente Zaltbommel heeft een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd naar zowel waardevolle structuren, gebieden en dorpsgezichten als afzonderlijke elementen. Dat heeft geresulteerd in een inventarisatiekaart die op 7 juli 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld. Belangrijke cultuurhistorische waarden zijn: De aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren; De wetering Capreton; De Nieuwe Hollandse Waterlinie; Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Zaltbommel en Nederhemert-Zuid); Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht (Gameren); Gemeentelijke en rijksmonumenten; Historische buitenplaatsen (Huis Brakel). Binnen het plangebied staat een woonhuis dat is aangemerkt als gemeentelijk monument. Deze wordt niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed.

4.2

Milieu

4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand heeft als doel bijvoorbeeld om ter plaatse van een 'gevoelig' object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

35

De beoordeling van de situatie rond de milieuzonering is in dit geval tweeledig: De beoordeling van eventuele milieubelasting door omliggende bedrijven op de nieuwe woonfuncties binnen het plangebied; De beoordeling van eventuele milieubelasting door de nieuwe functies binnen het plangebied op nabijgelegen gevoelige objecten. Milieubelastingdoor omliggende bedrijven op de nieuwe woonfuncties in het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn rechtens het vigerend bestemmingsplan de volgende bedrijfsmatige functies en inrichtingen toegestaan: 1. 2. 3. 4.

Molenstraat 20 (Assurantiekantoor) Molenstraat 21 (Groente- en fruithandel) Vreedstraat 10 (technische ruimte KPN) Vreedstraat 8 (nutsvoorzieningen)

Bedrijfsmatige functies en inrichtingen in de nabijheid van het plangebied

Gelet op de afstand tot het plangebied kunnen inrichtingen 3 en 4 buiten beschouwing worden gelaten. Voor inrichtingen 1 en 2 geldt dat ze een (op basis van de gebiedsclassificatie 'rustig woongebied', waarvoor het hoogste beschermingsregime geldt, ergo het 'worst case' scenario) een indicatieve milieucontour hebben van 10-30 meter. Aan beide richtafstanden wordt voldaan. De realisatie van het planvoornemen als beoogd binnen dit bestemmingsplan heeft evenmin een belemmerende werking op de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde bedrijven. De bestaande woonbestemming op Molenstraat 22 is immers maatgevend voor de

36

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

ontwikkelingsmogelijkheden in zuidwestelijke richting. Beoordeling van eventuele milieubelasting door de nieuwe functies binnen het plangebied op nabijgelegen gevoelige objecten Ten behoeve van dit bestemmingsplan is onderzocht of de beoogde ontwikkeling leidt tot verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van nabijgelegen gevoelige functies. De rapportage over dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. In dit verband zijn dit de woningen aan de Molenstraat 22, 26 en 28. De woning Molenstraat 24 is aan te merken als bedrijfswoning en is derhalve niet als gevoelig object beoordeeld.

Ligging milieuhindergevoelige objecten nabij het plangebied

Het gebruik van het plangebied als woongebied voor internationale werknemers inclusief parkeervoorziening, is in dit geval beschouwd als 'inrichting', die aan de hand van haar 'representatieve bedrijfssituatie' nader akoestisch is beschouwd. Hierin zijn de volgende activiteiten maatgevend: Aanvoer- en afvoerbewegingen met personenwagens: van en naar het werk rijdend verkeer alsmede verkeersbewegingen voor andere redenen, de verdeling van de personenauto's is gelijk gehouden aan de verdeling zoals bevonden in het verkeersgeneratierapport ter plaatse van de Molenstraat. Er wordt worst-case uitgegaan van 270 op en neer gaande bewegingen; Stemgeluid van en naar de parkeerplaats. Deze activiteiten zijn akoestisch doorgerekend, geluidhindergevoelige functies is bepaald:

waarbij

de

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

geluidbelasting

op

voornoemde

37

Aanvullende motivatie piekgeluid Het piekgeluid ontstaat door het dichtslaan van een portier en is worst-case beschouwd in onderhavig onderzoek. De overschrijding zal alleen plaatsvinden indien er in de parkeervakken die het meest dichtbijgelegen zijn bij de woning, in de nachtperiode, een portier wordt dichtgeslagen zonder beleid. Het is aannemelijk dat zo'n situatie niet tot bijna nooit voor zal komen. Daarnaast is zelfs met de worst-case aanname er nog altijd een aanvaardbaar binnen woon- en leefklimaat, daar bij de minimale vereiste gevelwering van 20 dB van het Bouwbesluit er nog een binnenpiekniveau van maximaal 38 dB(A) verwacht wordt. Dit ligt ruim onder het aanvaardbare piekniveau van 45 dB(A) voor binnen. Er zal nog steeds sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij realisatie van de tijdelijke huisvesting van internationale werknemers. Op basis van de doorrekening wordt geconstateerd dat in de representatieve bedrijfssituatie overal wordt voldaan aan de gestelde geluideisen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Voor piekgeluiden wordt tijdens de nachtperiode een overschrijding geconstateerd van 3 dB voor stap 2 voor een rustige woonwijk. Er wordt wel voldaan aan stap 3 voor een rustige woonwijk, zijnde een piekgeluidniveau van maximaal 60 dB(A) in de nachtperiode. Het piekgeluid ontstaat door het dichtslaan van een portier en is worst-case.

Aangenomen kan worden dat die bijna niet voor zal komen in de nachtperiode, aangezien de verwachting is dat er men voor het overgrote deel in de ochtend vertrekt en uiterlijk in de avondperiode terugkeert. Daarbij komt ook dat op het moment het piekgeluid van het dichtslaan van een portier voor zowel de dag- avond- en nachtperiode hetzelfde is. Echter is het aannemelijk dat indien men ’s nachts de autodeuren sluit dit doorgaans meer met beleid zal gedaan worden en er dus minder hoge pieken zullen optreden. Voorts is zelfs met de worst-case aanname er binnen nog altijd een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, daar bij de minimale vereiste gevelwering van 20 dB van het Bouwbesluit er nog altijd een binnenpiekniveau van maximaal 38 dB(A) verwacht wordt. Dit ligt ruim onder het aanvaardbare piekniveau van 45 dB(A) voor binnen. Derhalve wordt geacht dat er nog altijd sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en onderhavige situatie inpasbaar wordt geacht. Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting is in onderhavig onderzoek worst-case gerekend dat in beide richtingen de volle bezetting van de te verwachten voertuigbewegingen

38

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

plaats kan vinden. Voor de snelheid is, gezien de afstand van de uitrit tot de maatgevende woning rekening gehouden met de maximale geldende verkeersnelheid zijnde 30 en 60 km/uur. Op basis van de doorrekening wordt geconstateerd dat dit niet leidt tot overschrijding van de maatgevende geluidbelastingsniveaus. Op grond van het bovenstaande wordt geconstateerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot onaanvaarbare verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige functies. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening en vormt het thema 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Geur In de nabijheid van het plangebied zijn drie veehouderijen gelegen Vreedstraat 23 (melkvee) - ca. 120 m afstand tot het plangebied; Kleinestraat 5 (zeugen, biggen en melkvee) - ca. 620 m afstand tot het plangebied; Kleinestraat 8 (melkvee) - ca. 1.040 m afstand tot het plangebied. Op basis van een nadere beschouwing van de ligging van deze bedrijven en de actuele situatie omtrent het aantal vergunde dierplaatsen, is geconstateerd dat de geurbelasting vanuit deze bedrijven niet reikt tot het plangebied. Voor de melkveehouderij geldt een vaste toetsingsafstand waaraan wordt voldaan.

Voor de beide varkenshouderijen geldt dat de afstand tot het plangebied maakt dat hun respectievelijke hindercontouren niet tot over het plangebied reiken. Ook is er geen sprake van omgekeerde werking, in die zin dat het planvoornemen de ontwikkelingsmogelijkheden van één of meer van de voornoemde bedrijven zou belemmeren. Een nader geuronderzoek is om die reden niet noodzakelijk; geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 4.2.3 Geluid verkeer Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen: Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven); Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). In dit verband is een beoordeling gemaakt van de verwachte geluidbelasting door verkeerslawaai. Hierbij is gerekend met de telgegevens zoals deze in het kader van het onderzoek naar verkeer en parkeren zijn gehanteerd (zie 4.3).

Ook is beoordeeld of er, gelet op wegverkeerlawaai, sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat voor de tijdelijke huisvesting van internationale werknemers. Op grond van de uitgevoerde berekeningen kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

39

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'wegverkeerlawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.2.4 Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient te worden vastgesteld of de bodemkwaliteit voldoet aan de voorwaarden zoals die gelden voor de beoogde bestemming. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde gebruiksfunctie. In dit geval is dat die van verblijfsrecreatie. Om de bodemkwaliteit in het plangebied te beoordelen, is door Archimil een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage over dit onderzoek is als bijlage 6 aan deze toelichting gehecht. Het onderzoek omvatte een historisch vooronderzoek, op grond waarvan de locatie als 'heterogeen verdacht' is aangemerkt, voornamelijk voor bestrijdingsmiddelen. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat verspreid over de locatie in de bovengrond sprake is van een zwakke bijmenging met baksteen, welke als onverdacht voor asbest kan worden beschouwd. Ter plaatse van de oprit en het parkeerterrein een matige bijmenging met puin aangetroffen.

De matig puinhoudende grond uit de bovenlaag (0,05-0,30 m-mv) van het parkeerterrein is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PCB's en PAK's. De baksteenhoudende grond uit de bovenlaag (0-0,25 m-mv) is zeer licht verontreinigd met minerale olie en PCB's. De zintuiglijk schone grond uit de bovenlaag (0-0,25 m-mv) is zeer licht verontreinigd met koper en drins (som). De baksteenhoudende klei uit de bovenlaag (0-0,25 m-mv) is licht verontreinigd met nikkel. De zintuiglijk schone klei is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. De baksteenhoudende klei uit de onderlaag (0,5-1,5 m-mv) is licht verontreinigd met koper en kwik. Het grondwater is diffuus verontreinigd met barium. De hypothese heterogeen verdachte locatie kan, voor de bovengrond, worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. De hypothese niet-verdachte locatie dient voor de ondergrond en het grondwater te worden verworpen en kan voor het grondwater worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat de aangetroffen bijmenging met puin ter plaatse van de oprit/parkeerplaats aanleiding vormt tot een verkennend onderzoek naar asbest.

Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op of aan- of verkoop van de onderzochte locatie. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek is geconstateerd dat de bodemwaliteit geen belemmeringen opwerpt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen, met dien verstande dat ter plaatse van de oprit / parkeerplaats een nader verkennend onderzoek naar asbest is aanbevolen. Op basis van deze nadere

40

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

verkenning is inzichtelijk geworden dat er geen asbest aanwezig is. Dit is nader toegelicht in de rapportage, die als Bijlage 7 aan deze toelichting is gehecht. 4.2.5 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied Bevi-bedrijven, wegen, spoor en/of buisleidingen ligt.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

41

4.2.6 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; gevoelige bestemmingen (waaronder woningen, scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten: 1. 2.

Woningbouw: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het initiatief betreft 38 recreatiewoningen. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.7 Besluit milieueffectrapportage Vormvrije m.e.r.-beoordeling

42

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage moeten de milieueffecten van activiteiten die worden genoemd in de bijlage C of D van dat besluit beoordeeld worden, voordat het bevoegd gezag een besluit neemt of een plan vaststelt. Ook als de richtwaarden uit onderdeel D van het besluit niet worden overschreden, moet het bevoegd gezag zich ervan vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing is vormvrij, maar aan de inhoud worden wel eisen gesteld. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Getoetst moet worden op: De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. 2.

Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn niet uitgesloten. Er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Het plan is daarmee m.e.r.- plichtig.

M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Met het opstellen van een plan mogen de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de soortenhabitats niet verslechteren. Het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Indien dat niet kan worden uitgesloten, is een plan m.e.r.-plichtig. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van (recreatie)woningen mogelijk. Deze ontwikkeling valt onder een activiteit opgenomen in bijlage II van het Besluit m.e.r. In deze bijlage zijn ook drempelwaarden opgenomen. De activiteit blijft qua omvang en oppervlakte ver onder de drempelwaarden. Ook gelet op de ligging van het plangebied worden geen nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Om de milieugevolgen ten gevolge van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. Deze milieugevolgen zijn, waar aan de orde, ook in samenhang met andere activiteiten in de omgeving bekeken (cumulatie). De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk.

De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld gelet, op de aard en omvang van de activiteit en de verwachte effecten op gebieden met een beschermde status (zie ook paragraaf 4.4). Dit is nader gemotiveerd in een aanmeldnotitie MER, die als bijlage 11 aan deze toelichting is gehecht.

4.3

Verkeer en parkeren

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en het bepalen van de parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van het eindrapport 'Parkeeropgave en verkeersgeneratie internationale werknemers Camping Bruchem', uitgevoerd door Groen Licht Verkeersadviezen. De volledige rapportage over dit onderzoek is als bijlage 8 aan deze toelichting gehecht. Wanneer de toekomstige huisvestingskenmerken van de camping met 150 internationale werknemers bekeken worden, kan (als er aansluiting gezocht wordt bij de CROW normen) het beste uitgegaan worden van “kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten)”. Weliswaar is er geen sprake van een zelfstandige woonruimte per arbeidsmigrant, echter de situatie in Bruchem is niet te vergelijken met ‘studenten’ (met laag autobezit). Er wordt geadviseerd om uit te gaan van de benedengrens van de norm, gezien de volgende argumenten die juist voor de situatie Bruchem gelden: Laag rijbewijsbezit en laag autobezit internationale werknemers;

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

43

Vervoer van herkomstland naar Bruchem wordt in hoofdzaak door uitzendbureau geregeld; Vervoer van en naar werk vindt hoofdzakelijk collectief plaats (busjes en carpoolen). Verder worden de huisjes na 15 jaar omgebouwd tot 4- tot 6-persoonsbungalows voor recreatieve doeleinden. 4.3.1

Parkeren

4.3.1.1 Parkeren (tijdelijke huisvesting internationale werknemers) Uitgaande van een norm van 0,6 parkeerplaats per internationale werknemer komt de parkeervraag uit op 91 parkeerplaatsen (inclusief beheerder). In het planvoornemen wordt uitgegaan van een totale parkeercapaciteit van 112 parkeerplaatsen. Gezien de vraag van 91 parkeerplaatsen is dit ruim voldoende. De restcapaciteit die ontstaat kan ook benut worden voor de carpoolauto’s en busjes (die echter veelal niet op de camping zullen worden gestald). Verder geldt dat overcapaciteit ook bruikbaar is voor de tegenoverliggende begraafplaats. 4.3.1.2 Parkeren (verblijfsrecreatie) Volgens CROW normen kan voor de situatie in Bruchem uitgegaan worden van een norm van 1,8 parkeerplaats per 4- tot 6-persoons bungalow. Uitgaande van de 38 vakantiebungalows, bedraagt deze parkeervraag 69 parkeerplaatsen. De eerder genoemde 112 parkeerplaatsen die gerealiseerd gaan worden, bieden ook voor deze situatie ruimschoots voldoende capaciteit. 4.3.1.3 Relatie met begraafplaats Aan de oostzijde van de Molenstraat, aan de zuidoostkant van het plangebied, bevindt zich de begraafplaats. Hier is onvoldoende parkeerruimte aanwezig. Deze situatie kan worden verbeterd door dubbelgebruik van (het surplus aan) parkeerruimte in het plangebied.

Om dit dubbelgebruik mogelijk te maken, wordt in de zuidoostelijke hoek van het plangebied een voetgangersbruggetje over de watergang gerealiseerd, via welke voetgangers via een korte route de parkeerplaats kunnen bereiken. Ten behoeve van een veilige oversteek worden er signaleringslijnen op het wegdek aangebracht. 4.3.2 Verkeersgeneratie (tijdelijke huisvesting internationale werknemers) Op basis van de CROW norm ‘kamerverhuur zelfstandig, niet-student’ kan gesteld worden dat voor de situatie in Bruchem een verkeersgeneratie geldt van 1,8 tot 2,4 autoverplaatsingen per dag per éénpersoonskamer (‘weinig stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’) (= gemiddeld 2,1 per éénpersoonskamer (dus per persoon) = 2,1 x 150 = 315 heen én terugverplaatsingen tezamen met de auto). Vanwege dezelfde argumenten die genoemd zijn bij de keuze voor de ondergrens van de parkeernomen, stelt Groen Licht voor om ook bij de verkeersgeneratie uit te gaan de ondergrenswaarde van 1,8 autoverplaatsingen per dag per persoon. Dit resulteert in 1,8 x 150 = 270 heen- en terugverplaatsingen tezamen met de auto. NB: het gaat hier om alle autoverplaatsingen, dus ook de woonwerkverplaatsingen geregeld met ingezet collectief vervoer. De actuele etmaalintensiteit op de Molenstraat bedraagt circa 500 motorvoertuigen per etmaal, gebaseerd op actuele teldata.

Gecorrigeerd voor het effect van de Coronapandemie wordt deze geraamd op circa 700 motorvoertuigen per etmaal. Zie voor nadere onderbouwing Bijlage 8 bij deze toelichting. In de huidige intensiteitscijfers zitten reeds verkeersbewegingen van VDU-bedrijfsauto’s. Deze worden geschat op circa 70 voertuigbewegingen per dag. Deze intensiteiten maken onderdeel uit van de verwachte verkeerstoename van 270 autoverplaatsingen per dag. De groei zal dus 270 - 70 = 200 autoverplaatsingen bedragen. Tevens zal de intensiteit nog met circa 475 autoverplaatsingen per etmaal toenemen ten gevolge van de bestaande nieuwbouwplannen Krangstraat/Molenstraat (scenario autonome groei).

44

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

Bovenstaande houdt in dat de huidige intensiteiten zullen toenemen van bijna 700 motorvoertuigen (mvt) naar circa 1.375 motorvoertuigen (mvt) per etmaal. Deze groei klinkt fors, echter dit wil niet zeggen dat hiermee de verkeerscapaciteit van de wegen onder druk komt te staan. De maximale intensiteit van veel toegangswegen 60 km/h wordt vaak genormeerd op 3.000 mvt/etmaal. Deze capaciteit is echter van vele factoren afhankelijk en moet zeker niet gezien worden als een harde grenswaarde. Het is aannemelijk dat de Molenstraat, Krangstraat en Sarskampseweg 1.375 motorvoertuigen (mvt) per etmaal kunnen verwerken en daarmee de toename van 200 motorvoertuigen (mvt) ten gevolge van het voorliggend plan zonder maatregelen kunnen verwerken. Met de beoogde planontwikkeling aan de Molenstraat is ook in de nieuwe situatie nog steeds sprake van een zorgvuldige verkeerskundige situatie. Ook de verkeersveiligheid op deze wegen komt niet in gevaar aangezien de wegen reeds zijn ingericht conform ontwerprichtlijnen behorende bij erftoegangswegen 30- en 60 km/h (verhoogde kruispuntvlakken en snelheidsremmende maatregelen bij lange rechtstanden). De planontwikkeling is verkeerskundig inpasbaar. Wel heeft de gemeente in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) de voorkeur uitgesproken om de ‘toegangswegen 30 km/h’ zo min mogelijk in te zetten voor doorgaand verkeer.

De Molenstraat vanaf Molenstraat 24 en een gedeelte van de Krangstraat (route in noordelijke richting) zijn aangewezen als categorie 'toegangswegen 30 km/h'. De noordelijke route door de Krangstraat kan worden gebruikt als aanrijroute voor verkeer van en naar Camping 't Meulenhuis, maar het heeft de voorkeur van de gemeente en omgeving om deze route in minder intensieve mate te gebruiken. Aanvullend is daarom beoordeeld of het plan kan bijdragen aan deze ambitie. Zoals eerder aangegeven wordt het woon-werkverkeer van de arbeidsmigranten grotendeels (collectief) geregeld via VDU. VDU kan sturen in de routekeuze van hun voertuigen. Dit is mogelijk vanwege het GPS volgsysteem dat in de voertuigen is geïnstalleerd. Hiermee is het mogelijk dat VDU de bestuurders van zijn voertuigen stimuleert in zuidelijke richting te rijden over de Sarskampseweg en de Viaductweg (aansluiting A2 Zaltbommel) óf in zuidelijke richting over de Sarskampseweg en Veldweg/Broekseweg (aansluiting A2 Kerkdriel). Daarmee wordt de toename van het verkeer verdeeld over de noordelijke route door de kom van Bruchem en de zuidelijke routes. Zodoende wordt de noordelijke route minder intensief gebruikt dan wanneer de bestuurders van de voertuigen van VDU niet worden gestimuleerd om van de alternatieve routes gebruik te maken.

In beide situaties (met en zonder stimulerende maatregel) leiden de geschetste verkeerstoenames niet tot onacceptabele verkeersproblemen. De in-uitrit naar het parkeerterrein zal worden vormgegeven als uitritconstructie. De nadere vormgeving zal in overleg met de wegbeheerder worden ingevuld. 4.3.3 Verkeersgeneratie (verblijfsrecreatie) Voor recreatiebungalows noemt het CROW een verkeersgeneratie van 2,1-2,3 mvt/etmaal per recreatiewoning in de 'rest bebouwde kom'. Bij 38 huisjes zal de verkeersintensiteit uitkomen op circa 84 bewegingen per etmaal (beide richtingen tezamen), uitgaande van een 100% bezetting. Volgens het CBS is de gemiddelde bezetting van recreatiebungalows gemeten over 2019, 63%. Bij een bezetting van 63% resulteert dit in in gemiddeld 53 verkeersbewegingen per etmaal. Daarmee kan gesteld worden dat de verwachte verkeersgeneratie 50 tot maximaal 100 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen. In de Molenstraat zullen de intensiteiten dan maximaal 1.275 voertuigen per etmaal bedragen (huidig: bijna 700 + 475 (autonome ontwikkeling) + 100) komen. Deze aantallen zullen niet leiden tot onacceptabele verkeersproblemen.

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

45

4.3.4 Bereikbaarheid voor hulpdiensten Bij de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de toegankelijkheid van het terrein voor hulpdiensten. Daarbij wordt zoveel als mogelijk uitgegaan van een ontsluitingsstructuur waarbij alle delen van het terrein van twee zijden benaderd kunnen worden. Ook is er op geanticipeerd dat voertuigen elkaar waar nodig kunnen passeren, al dan niet via een versterkte bermconstructie. 4.3.5 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Wet natuurbescherming

Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000- gebieden. In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. In het kader van de beoordeling van de effecten van het plan op natuurwaarden in of nabij het plangebied, is een quickscan naar aanwezige natuurwaarden uitgevoerd. Zie Bijlage 9 voor de volledige rapportage. Soortenbescherming Een doel van de Wet Natuurbescherming is het in stand houden van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort.

En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd. Op grond van het uitgevoerde onderzoek wordt geconstateerd dat het plangebied niet van essentiële betekenis is voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in 2021. Artikel 3.1.1a Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik kan worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Zoals opgenomen in de uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:3001 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder overwogen dat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg staat dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd.

Als er geen omstandigheden hebben plaatsgevonden op grond waarvan betwijfeld zou moeten worden dat de vervolgonderzoeken zodanig zijn verouderd dan wel dat na de totstandkoming van de onderzoeken zodanige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden dat moet worden getwijfeld aan de representativiteit van deze onderzoeken, dan mogen de onderzoeken gebruikt worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan. De quickscan Wet natuurbescherming voor de Molenstraat 24 is opgesteld op 30 juli 2021 (Blom Ecologie BV, BE/2021/259/r). De vaststelling van het bestemmingsplan 'Molenstraat 24, Bruchem' staat gepland voor medio 2024. De planlocatie bestaat uit een (bedrijfs)woning, receptie, paardenweide, blokhutten en stacaravans, zowel in 2021 als in de huidige situatie. Op de planlocatie en in de directe omgeving daarvan zijn in de periode 2021-2024 geen fysieke ingrepen gedaan die leiden tot een andere referentiesituatie voor

46

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

wat betreft de ecologische betekenis van het plangebied. Voor wat betreft de beoogde ingrepen heeft het verwijderen van de blokhutten en stacaravans de meeste betekenis in ecologische zin. De meest relevante conclusies van het ecologisch onderzoek hebben betrekking op de vleermuis en huismus. Wanneer nader wordt ingegaan op vleermuizen, wordt gesteld dat de te verwijderen blokhutten en stacaravans nauwkeurig zijn geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Deze recreatiewoningen bevatten geen geschikte dak- of spouwruimte waar vleermuizen verblijfplaatsen zouden kunnen vinden. Eén blokhut bevat een ruimte onder de nok, echter na inspectie middels ladder en zaklamp bleek hier geen sprake te zijn van een achterliggende ruimte. Derhalve is uitgesloten dat er vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn op de planlocatie. Verder zijn de te verwijderen recreatiewoningen wegens de aanwezigheid van bitumen- of shingledaken ongeschikt als nestlocatie van de huismus. De (jaarrond groene) bomen en struiken op de planlocatie zijn onderdeel van geschikt leefgebied van de huismus. Aangezien deze behouden blijven in het kader van de beoogde ontwikkelingen worden er geen negatieve effecten verwacht.

Aangezien aan de staat van de blokhutten en stacaravans niets gewijzigd is, kan deze conclusie onveranderd in stand worden gehouden. Dit geldt ook voor de overige conclusies in het onderzoek. Daarmee kan de quickscan Wet natuurbescherming uit 2021 onveranderd in stand gehouden worden en is een ontheffing van de Wnb niet nodig.

Gebiedsbescherming Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt. In de nabijheid van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden 'Rijntakken' (3,9 km) en 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem' (11 km). Dit is aangeduid op onderstaand kaartbeeld:

Via een stikstofanalyse is, gebruik makend van AERIUS-Calculator, beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk leidt tot een toename van de stikstofbelasting op verzuringsgevoelig gebied. De

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

47

toelichting op de wettelijke grondslag en de resultaten van deze stikstof analyse zijn opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting. Op grond van deze stikstofanalyse wordt geconstateerd dat het bouwplan gedurende de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Bescherming houtopstanden De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Conclusie De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-Calculatie, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk.

Verder heeft de planlocatie geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Als laatste zijn er geen houtopstanden aanwezig op de planlocatie waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De sanering van blokhutten en stacaravans ten behoeve van 38 nieuwe recreatiewoningen aan de Molenstraat 24 te Bruchem is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

4.5

Niet-gesprongen conventionele explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBOwetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.

Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of

48

bestemmingsplan Bruchem, Molenstraat 24

wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven.

Uitsnede Explosievenkansenkaart met de ligging van het plangebied

Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juni 2016 bevindt de projectlocatie zich in ‘verdacht’ gebied op basis van de aanwezige kans op niet gesprongen explosieven. De voorgenomen werkzaamheden vinden echter plaats, in naoorlogs vergraven of verstoorde grond. Het is daarom redelijkerwijs aan te nemen dat CE toen al zijn opgemerkt dan wel weggenomen. Het is daarom niet noodzakelijk nader onderzoek naar explosieven uit te voeren. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties noodzakelijk.

4.6

Water en riolering

4.6.1 Beleids- en toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap Rivierenland en de gemeente Zaltbommel. Waterbeleid Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het kabinet heeft het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het NWP bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050. Onderdeel van het Nationaal Waterplan zijn:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14467761/1