CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1d. Bestmmingsplan Buitenstad Zaltbommel Bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitenstad Zaltbommel29.557 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

25 Archeologisch bureauonderzoek Buitenstad te Zaltbommel

Bijlage 1. Traject archeologische monumentenzorg: stappenplan In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gErikht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijkeordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder).

Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RACM, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v. universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: · aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat. Dit in verband met het bepalen van het onderzoekskader; · beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens; · beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch-geografische gegevens ; · een korte impressie over de ontstaansgeschiedenis van het landschap ; · een impressie van de bewoningsgeschiedenis; · beschrijven bekende archeologische waarden ; · archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RACM. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan; · archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn.

Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden; · beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden: · aan de hand van de door de RACM ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking; · aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart; · rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces. II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gErikht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA).

Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: · non-destructieve methoden: geofysische methoden (elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden eventueel in combinatie met remote sensing technieken); · weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); · destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek. Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven.

Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten

26 Archeologisch bureauonderzoek Buitenstad te Zaltbommel

worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem). Eventueel: III. Opgraven ofwel archeologisch vervolgonderzoek Indien het niet mogelijk is een ‘behoudenswaardige of beschermenswaardige’ vindplaats in situ te bewaren, zal het hier aanwezige bodemarchief voor het nageslacht bewaard dienen te worden door middel van een vlakdekkend onderzoek. Alleen dan is deze stap (stap III) noodzakelijk. Bron: Rijksdienst voor het Cultuureel Erfgoed, Amersfoort.

27 Archeologisch bureauonderzoek Buitenstad te Zaltbommel

Bijlage 2. Tabel archeologische en geologische perioden

28 Archeologisch bureauonderzoek Buitenstad te Zaltbommel

Bijlage 3. Afkortingenlijst AMK Archeologische Monumenten Kaart Archis ARCheologisch InformatieSysteem: Geografisch InformatieSysteem met archeologische databank van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Bevat veelheid aan gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het onderzoeksgebied. ASB Archeologische Standaard Boorbeschrijving. C14 Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering. CAA Centraal Archeologisch Archief. CHS Cultuurhistorische Hoofdstructuur. CIS Centraal Informatie Systeem. CMA Centraal Monumenten Archief. GIS Geografische InformatieSystemen. GPS Global Positioning System. IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. IVO Inventariserend Veld Onderzoek. KICH Kennis Infrastructuur CultuurHistorie. Geografisch InformatieSysteem met cultuurhistorische databank met gegevens van drie kennisinstituten op het gebied van cultuurhistorie. Dit zijn de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de Directie Kennis van het ministerie van LNV en Alterra (Wageningen Universiteit en Research centrum). KLIC Kabel- en Leidingen InformatieCentrum. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Op basis van het Verdrag van Malta (Valletta) moet ook in Nederland archeologisch onderzoek aan kwaliteitscriteria voldoen.

Net als bij het milieuhygiënische bodembeheer werkt de archeologische sector met een erkenningensysteem (vergunningverlening) en met een op private leest geschoeide kwaliteitsborging, de KNA maakt daar onderdeel van uit. NAP Normaal Amsterdams Peil (=officieel peilmerk). NOAA Nationale Onderzoeks Agenda Archeologie. PvA Plan van Aanpak. PvE Programma van Eisen. RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. WAMZ Wet op de Archeologische MonumentenZorg.

29 Archeologisch bureauonderzoek Buitenstad te Zaltbommel

Bijlage 4. Archeologische monumenten, vondstlocaties en onderzoeken op Archis

Buitenstad Zaltbommel

Bijlage 3 Archeologie - Verkennend booronderzoek

58

Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel Argo 291

ARCHEOLOGENBUREAU

ARGO

2 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Opdrachtgever: Bevoegde overheid: Deskundige namens bevoegde overheid: Gemeente: Plaats: Toponiem: Onderzoeksmeldingsnummer.: Coördinaten: Datum veldwerk: Veldteam: Titel: Rapportnummer.: Auteur(s): Illustraties: Fotografie: Opmaak: Dataverwerking: Datum uitgave: Versienummer: Goedgekeurd door bevoegde overheid: Beheer en plaats projectdocumentatie: Autorisatie: ISSN:

Waalbommel B.V. Gemeente Zaltbommel mevr. M. Sanders Zaltbommel Zaltbommel Buitenstad 4987660100 144.887 / 424.897 (centrum) 18 maart, 22 maart, 7 april en 13 april 2021 A. Médard & T. Kok Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel Argo 291 T. Kok T. Kok (tenzij anders vermeld) T. Kok (tenzij anders vermeld) T. Kok T. Kok mei 2021 02 Archeologenbureau Argo te Zaandam J. Vaars (Archeologenbureau Argo) 1879-7091

Eventuele vragen over dit rapport kunnen aan de auteur worden gesteld via onderstaand mailadres: info@archeologenbureauargo.nl

Disclaimer: Archeologenbureau Argo en de samensteller(s) van dit rapport kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade (direct of indirect danwel gevolgschade) voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. Archeologenbureau Argo betracht de grootste zorgvuldigheid bij het uitvoeren van al haar onderzoeken. De aard van archeologisch onderzoek en in het bijzonder de steekproefsgewijze benadering die inherent is aan archeologisch vooronderzoek maakt het echter onmogelijk garanties te geven ten aanzien van de resultaten van dergelijk onderzoek. © Archeologenbureau Argo

Archeologenbureau Argo Symon Spiersweg 7-B14 1506 RZ Zaandam

075-631411418 info@archeologenbureauargo.nl www.archeologenbureauargo.nl

3 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Inhoudsopgave 1. Inleiding........................................................................................................................................................4 2. Verwachtingsmodel (uit: Baggerman, Paulussen & Van de Water, 2020)....................................................7 3. Doelstelling en methode..............................................................................................................................7 4. Resultaten en beantwoording onderzoeksvragen........................................................................................8 4.1. Het booronderzoek en aanvullende gegevens uit het milieukundig onderzoek.................................8 4.2. Conclusie en beantwoording onderzoeksvragen.................................................................................8 5. Samenvatting en advies.............................................................................................................................12 6.

Bronnen......................................................................................................................................................13 6.1 Literatuur............................................................................................................................................13 6.2 Internetbronnen..................................................................................................................................13 6.3 Afbeeldingenlijst.................................................................................................................................13 Bijlage 1. Traject archeologische monumentenzorg: stappenplan.................................................................15 Bijlage 2. Tabel archeologische en geologische perioden..............................................................................17 Bijlage 3. Boorbeschrijvingen.........................................................................................................................18

4 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

1. Inleiding In opdracht van Waalbommel B.V. is door Archeologenbureau Argo op 18 maart, 22 maart, 7 april en 13 april 2021 een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het Havendijkgebied naar buitendijkse woningbouw (afbeelding 1). Het plangebied betreft het Havendijkgebied ten westen van de historische vesting van Zaltbommel (gemeente Zaltbommel). Het wordt begrensd door de Waal (noordzijde), de industriehaven (westzijde), de stadshaven, de weg Havendijk (oostzijde) en de wegen Gamerenschedijk en Steenweg (zuidzijde) en beslaat ongeveer 4,7 hectare. Het plangebied is momenteel bebouwd en verhard. Het heeft een volledig industrieel karakter met bedrijfspanden, loodsen en een retail winkel (afbeelding 2). Ook bevindt zich in de noordoostelijke hoek van het terrein een soort overdekte kade aan de havenkant (afbeelding 3, 4 en 5). Voordat de bebouwing wordt gerealiseerd zal een deel van de bestaande bebouwing gesloopt worden en zal het terrein met 1,5 m worden opgehoogd. In het bureauonderzoek (Baggerman, Paulussen & Van de Water, 2020) werd verondersteld dat het gehele terrein in de 20e eeuw tot met wel 3,0 m was opgehoogd. Toch werd vanuit de gemeente verder onderzoek vereist vanwege de beperkte beschikbare archeologische en aardkundige data.

Het onderhavige booronderzoek dient inzicht te verschaffen in de dikte van dit verwachte recente ophogingspakket, eventuele bodemintactheid en een mogelijk aanwezig vestingwerk uit de 17 e eeuw.

Afbeelding 1. Het plangebied (rood omlijnd) waar het booronderzoek is uitgevoerd op een uitsnede van de topografische kaart van Nederland.

5 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Afbeelding 2. Het plangebied in het Havendijkgebied. Foto is genomen richting het zuidwesten.

Afbeelding 3. De overdekte kade. Foto is richting het noordoosten genomen.

6 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Afbeelding 4. De overdekte kade. Foto is richting het oosten genomen.

Afbeelding 5. Foto van de hoogte van de waarschijnlijke ophoging van onder de overdekte kade. De foto is richting het noordoosten genomen.

7 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

2. Verwachtingsmodel (uit: Baggerman, Paulussen & Van de Water, 2020) Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek en de algemene verwachtingsprincipes zoals die ten tijde van de gemeentelijke waarde- en verwachtingskaarten zijn gehanteerd (Goossens et al., 2011), kan een hoge archeologische verwachting uitgesproken worden voor resten uit de Laat Romeinse Tijd, Vroege Middeleeuwen, de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Voor oudere resten geldt een lage verwachting. Voor de periodes Middeleeuwen en Nieuwe Tijd worden enkel off-site fenomenen verwacht en resten van oorlogshandelingen en tijdelijke kampementen. Historische kaarten hebben immers geen aanwijzingen voor bewoning aangetoond daar het plangebied steeds in de uiterwaarden met een agrarische functie lag en vanwege de ligging direct tegen de vesting van Zaltbommel, kunnen tijdelijke kampementen uit de Nieuwe Tijd (bijvoorbeeld van de tachtigjarige oorlog) voorkomen. De archeologische resten kunnen bestaan nederzettingsresten van tijdelijke kampementen en zullen bestaan uit concentraties van vondstmateriaal (met name vuursteen, aardewerk, bouwmateriaal bestaande uit natuursteen, baksteen of verbrande leem en houtskool) of als spoorvullingen van afvalkuilen, paalkuilen, verdedigingslinies, greppels, e.d. direct onder de bouwvoor en in de dijkdoorbraakafzettingen.

De sporen van off-site fenomenen (zoals bijvoorbeeld oude (veld)wegen, sloten en greppels, perceelsgrenzen, waterbeheermaatregelen) kunnen zich in de top van het bodemprofiel kenmerken door opgevulde grondsporen en opgebrachte pakketten. Archeologische resten en sporen kunnen op verschillende dieptes voorkomen onder het ophoogpakket vanaf een verwachte diepte van circa 2 tot 3 m –mv. Verstoringen kunnen op twee manieren hebben plaatsgevonden: (1) door rivierwerking en (2) door moderne ingrepen ten behoeve van de inrichting als industriegebied. Op basis van het bureauonderzoek was echter voor beide verstoringswijzen te weinig informatie voorhanden om de impact ervan op eventuele vindplaatsen te bepalen.

3. Doelstelling en methode Het doel van een verkennend archeologisch booronderzoek is het in kaart brengen van het landschap en het vaststellen van de gaafheid van het bodemprofiel. Het onderzoek wordt gekoppeld aan het milieukundig onderzoek waar bij enkele boringen die dieper reiken dan 3,0 m -mv wordt meegekeken. Ook wordt de verwachting uit het bureauonderzoek zo mogelijk getoetst en aangevuld. Er wordt (extra) informatie verkregen over de intactheid van de bodem en over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Wanneer mogelijk worden de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vastgesteld zodat deze kunnen worden gewaardeerd. Op basis van de resultaten wordt in dit rapport een advies uitgebracht over de mogelijke vervolgstappen met betrekking tot de archeologie, aan de hand waarvan de bevoegde overheid een beleidsbeslissing (selectiebesluit) kan nemen. De resultaten van het onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Bij het onderzoek zijn in totaal twaalf boringen van het milieukundig onderzoek in het veld bekeken. Deze boringen zijn gezet met een Edelmanboor met een diameter van zeven cm en een guts met een diameter van drie cm.

De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaardbeschrijvingsmethode (ASB). De locaties van de boorpunten zijn met een GPS ingemeten in RD. Het opgeboorde materiaal is doorzocht op de aanwezigheid van archeologische resten zoals aardewerkfragmenten, houtskool, fosfaatvlekken, vuursteen, natuursteen, verbrand leem en bot. Ook zijn drie milieukundige boringen in het veld nagekeken op eventueel aanwezige archeologische indicaties; deze zijn beschreven als waarnemingen. De ligging van de begeleide boringen en waarnemingen is weergegeven in afbeelding 6. De boringen worden in bijlage 3 beschreven. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 (KNA 4.1) en het Plan van aanpak (Baggerman, 2021). De beschrijving van de boorstaten is verricht volgens de richtlijnen van de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB/NEN 5104).

8 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Afbeelding 6. Het plangebied (rood omlijnd) en de begeleide boorlocaties met corresponderend boornummer.

4. Resultaten en beantwoording onderzoeksvragen 4.1. Het booronderzoek en aanvullende gegevens uit het milieukundig onderzoek Aan de hand van de 12 boringen die bij het milieukundig onderzoek zijn begeleid kan een beeld geschetst worden van de bodemopbouw binnen het plangebied. De boringen bevestigen dat het plangebied overal zeer sterk is opgehoogd. In alle boringen is een ophogingspakket aangetroffen met in de meeste boringen het oorspronkelijke maaiveld uit de eerste helft van de 20 e eeuw. In de boringen 1, 4 en 7 is echter geen oorspronkelijk maaiveld aangetroffen; tot 4,0 m- mv was het terrein, onder asfalt, menggranulaat of beton, opgehoogd. De ophoging zelf betreft een pakket lichtbruin of soms ook lichtgrijs zwak siltige lagen zand. In het pakket komen ook kleibrokken voor, baksteenbrokken, mortelbrokken, grind, houtskool, glas, slak en sintels. Dit pakket is recent opgebracht; waarschijnlijk aan het begin van de 20 e eeuw voor de bouw van de gebouwen, zoals de hallen en de overdekte kade.. In boringen 2, 3, 5, 6, 8, 9, 10, 11 en 12 is onder het ophogingspakket de natuurlijke ondergrond, de rivierafzettingen van de Waal, aangetroffen. In de top van deze ondergrond is een vermoedelijke bouwvoor aanwezig. Mogelijk is dit het oorspronkelijk maaiveld van de uiterwaarden voordat er werd opgehoogd ten behoeve van de bouw van de gebouwen in het begin van de 20 e eeuw.

De top van dit maaiveld bevindt zich tussen de +3,14 m NAP (3,80 m -mv, boring 3) en +4,20 m NAP (2,90 m -mv, boring 6) waarbij het maaiveld dus oploopt van noord naar zuid; richting de Bandijk. De top van het oorspronkelijke maaiveld bestaat veelal uit grijsbruine sterk siltige, zwak humeuze, klei of een grijze of bruine sterk zandige klei. In enkele boringen zijn er baksteenbrokken, mortelresten en grind in aanwezig. Onder deze top is de matrix hetzelfde, maar is deze niet meer humeus; dit zijn de rivierafzettingen. Op een dieper niveau in boring 9 zijn er zandlagen aanwezig waarin fijn grind aanwezig is. Deze bevinden zich in deze boring op een diepte van +2,54 m NAP (4,60 m -mv). In de laag is nog wel een 5 cm dikke sterk zandige kleilaag aangetroffen op +1,50 m NAP (5,60 m -mv). Opvallend is wel dat in boring 1 een afwisselend sterk en zwak zandig kleipakket ophoging werd aangetroffen op 1,50 m -mv (+5,38 m NAP); hoe oud dit pakket is kon niet worden bepaald. Wel zaten er baksteenbrokken en mortelresten in; vermoedelijk is dit pakket recent opgebracht. De aangetroffen opbouw van het landschap binnen het plangebied wordt door de meeste boringen van het milieukundig onderzoek ondersteund. Ook daar blijkt dat het overgrote deel van het terrein is opgehoogd en dat het oorspronkelijke maaiveld van voor de eerste helft van de 20 e eeuw op veelal minimaal 3,0 m mv aanwezig is.

9 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

4.2. Conclusie en beantwoording onderzoeksvragen Zoals verwacht werd in het bureauonderzoek (Baggerman, Paulussen & Van de Water, 2020) is het overgrote deel van het plangebied zeer sterk opgehoogd met pakketten zand en klei van minimaal 3,0 m dik. Dit heeft zeer waarschijnlijk plaatsgevonden in de 20e eeuw voor de realisatie van de gebouwen en de scheepshelling. Deze scheepshelling is vermoedelijk in de jaren ‘60 van de 20 e eeuw weer gesloopt en het terrein is toen geëgaliseerd en waarna het zijn huidige bestemming gekregen als industriegebied. Op basis van de gegevens uit het booronderzoek en het bureauonderzoek zullen de onderstaande onderzoeksvragen uit het PvA (Baggerman, 2021) worden beantwoord. 1.

Wat is de bodemopbouw in het plangebied, hoe dik is het recente ophogingspakket en in welke mate is de bodemopbouw nog als intact te beschouwen? Onder een circa 3,0 m dik pakket met ophogingen uit de 20 e eeuw bevinden zich rivierafzettingen in de uiterwaarden van de Waal. In de top van de rivierafzettingen lijkt soms een humeuze bouwvoor aanwezig te zijn. De bodemopbouw lijkt intact te zijn voor het overgrote deel van het plangebied al zijn er boringen uitgevoerd waar er geen natuurlijke bodem is aangetroffen. Mogelijk is de natuurlijke bodem niet aanwezig, maar betreft het gewonnen land op de rivier de Waal. Wel zijn er grote verstoringen aangetroffen waar in de 20 e eeuw bouwwerken en een scheepshelling zijn gebouwd.

2.

Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en het NAP? Bij het booronderzoek zijn geen archeologisch relevante afzettingen aangetroffen.

3.

Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek: zijn archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja, wat is de verticale en horizontale ligging daarvan, en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting voor het plangebied? Er zijn geen vondsten of andere archeologische indicatoren aangetroffen bij het onderzoek.

4.

In hoeverre worden archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden? De verwachting is dat er geen archeologisch behoudenswaardige sporen worden bedreigd worden aangezien het oorspronkelijke maaiveld van de uiterwaarden is begraven onder een pakket ophogingsmateriaal uit de 20e eeuw. De top van dit maaiveld bevindt zich tussen de +3,14 m NAP (3,80 m -mv) in het noordelijke deel van het plangebied en +4,20 m NAP (2,90 m -mv) in het zuidelijke deel.

5.

Dient het archeologische verwachtingsmodel aangepast te worden? Aan de hand van de verkregen gegevens dient het verwachtingsmodel aangepast te worden voor het plangebied. Het ophogingspakket binnen het plangebied bleek 3,0 m dik te zijn en voor aanvang van de bouwwerkzaamheden wordt het terrein nog met 1,50 m opgehoogd waarmee het ophogingspakket 4,50 m dik wordt. De verwachting op archeologische resten binnen het gebied kan worden bijgesteld naar laag. Het terrein kan dan ook vrijgegeven worden voor de geplande werkzaamheden.

10 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

5. Samenvatting en advies In opdracht van Waalbommel B.V. is door Archeologenbureau Argo op 18 maart, 22 maart, 7 april en 13 april 2021 een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het Havendijkgebied naar buitendijkse woningbouw (afbeelding 1). Het plangebied betreft het Havendijkgebied ten westen van de historische vesting van Zaltbommel (gemeente Zaltbommel). Het wordt begrensd door de Waal (noordzijde), de industriehaven (westzijde), de stadshaven, de weg Havendijk (oostzijde) en de wegen Gamerenschedijk en Steenweg (zuidzijde) en beslaat ongeveer 4,7 hectare. Het plangebied is momenteel bebouwd en verhard. Het heeft een volledig industrieel karakter met bedrijfspanden, loodsen en een retail winkel (afbeelding 2). Ook bevindt zich in de noordoostelijke hoek van het terrein een soort overdekte kade aan de havenkant (afbeelding 3, 4 en 5). Voordat de bebouwing wordt gerealiseerd zal een deel van de bestaande bebouwing gesloopt worden en zal het terrein met 1,5 m worden opgehoogd. In het bureauonderzoek (Baggerman, Paulussen & Van de Water, 2020) werd verondersteld dat het gehele terrein in de 20e eeuw tot met wel 3,0 m was opgehoogd. Toch werd vanuit de gemeente verder onderzoek vereist vanwege de beperkte beschikbare archeologische en aardkundige data.

Het booronderzoek dient inzicht te verschaffen in de dikte van dit verwachte recente ophogingspakket, eventuele bodemintactheid en en een mogelijk aanwezig vestingwerk uit de 17e eeuw. Bij het onderzoek zijn 12 milieukundige boringen in het plangebied begeleid en archeologisch beschreven. Daarnaast zijn de hieruit verkregen gegevens aangevuld met informatie uit de niet begeleide milieukundige boringen. Uit de boringen bleek dat de bodemopbouw binnen het plangebied in principe intact is, maar dat het oorspronkelijke 20e eeuwse maaiveld van de uiterwaarden zoals verwacht onder een ongeveer 3,0 m dik pakket met recente ophogingslagen ligt. Van de mogelijke aanwezigheid van een vestingwerk uit de 17 e eeuw zijn geen aanwijzingen aangetroffen. Mocht deze aanwezig zijn geweest, dan is deze waarschijnlijk al in of voor de 19e eeuw ontmanteld aangezien deze niet meer staat aangegeven op de Kadastrale Minuut uit deze tijd. Aan de hand van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de bouwwerkzaamheden. De beslissing om bovenstaand advies al dan niet over te nemen (een selectiebesluit) dient door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Zaltbommel, te worden genomen.

Tot slot dient te worden vermeld dat, ongeacht dit advies en het selectiebesluit, er een wettelijke meldingsplicht bestaat (Erfgoedwet 2016) mochten er onverhoopt toch archeologische overblijfselen worden aangetroffen.

11 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

6. Bronnen 6.1 Literatuur Baggerman, M., R. Paulussen & A. van de Water, 2020. Archeologisch bureauonderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel. Argo-rapport 219, Zaandam. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie. De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 1986. Het landschap van de Bommelerwaard, Nederlandse Geografische Studies 10, Assen Berendsen, H.J.A., 1997. Landschappelijk Nederland, Assen Berendsen, H.J.A., 1997. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie, Assen. Cohen, K.M., E. Stouthamer, W.Z. Hoek,H.J.A. Berendsen † & H.F.J. Kempen, 2009. Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel Flokstra, L.M. & H.F.A. Haarhuis. 2004. Plangebied Zaltbommel- de Kindertuin. RAAP-rapport 1111, Weesp. Goossens, E., F. van Hemmen, J. Breimer & C.M.A. Sanders, 2011. Cultuurhistorische inventarisatie en archeologiebeleid gemeente Zaltbommel. RAAP-Rapport 2025, Weesp. Jezeer, W., 2014. Een 18e-eeuws ravelijn voor de Oenselse Poort te Zaltbommel. Archeologische begeleiding van de sanering van het voormalige gasfabriekterrein. ADC Rapport 3559, Amersfoort. Jezeer, W. & J. Dijkstra, 2015. Bolwerk De Kat, Zaltbommel, Een archeologische begeleiding. ADC Rapport 3945 Kodde, S.W., 2017. Kijkgaten in de stad.

Een archeologische begeleiding van de plaatsing van afvalcontainers in Zaltbommel. ADC Rapport 4378, Amersfoort. Moor, J. de, J. Huizer & S. Nederpelt, Zaltbommel, Beersteeg. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen. ADC-rapport 954, Amersfoort. Médard, A., 2018. Kwaliteitshandboek Archeologenbureau Argo versie 2.1. Argo 1, Zaandam. Mulder, E.F.J de e.a. (red.), 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Olde Meierink, B. & A. Haartsen, 2010. Cultuurhistorische inventarisatie en waardenanalyse van de binnenstad van Zaltbommel. BBA-rapport. SIKB, 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. SIKB, 2005. Archeologische Boorbeschrijvingswaaier. SIKB, 2005. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingen (ASB).

6.2 Internetbronnen – www.topotijdreis.nl

6.3 Afbeeldingenlijst Afbeelding 1. Het plangebied (rood omlijnd) waar het booronderzoek is uitgevoerd op een uitsnede van de topografische kaart van Nederland...................................................................................................................4 Afbeelding 2. Het plangebied in het Havendijkgebied. Foto is genomen richting het zuidwesten...................5 Afbeelding 3. De overdekte kade. Foto is richting het noordoosten genomen.................................................5 Afbeelding 4. De overdekte kade. Foto is richting het oosten genomen..........................................................6 Afbeelding 5. Foto van de hoogte van de waarschijnlijke ophoging van onder de overdekte kade. De foto is richting het noordoosten genomen...................................................................................................................6 Afbeelding 6. Het plangebied (rood omlijnd) en de begeleide boorlocaties met corresponderend boornummer......................................................................................................................................................8

12 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Bijlage 1. Traject archeologische monumentenzorg: stappenplan In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijkeordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder).

Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v. universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: • • • • • • •

•

• •

• •

aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat. Dit in verband met het bepalen van het onderzoekskader; beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens; beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch-geografische gegevens ; een korte impressie over de ontstaansgeschiedenis van het landschap ; een impressie van de bewoningsgeschiedenis; beschrijven bekende archeologische waarden ; archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan; archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn.

Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden; beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden: aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking; aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart; rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces.

II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: • • •

non-destructieve methoden: geofysische methoden (elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden eventueel in combinatie met remote sensing technieken); weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); destructieve methoden: proefsleuven.

Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek. Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputten te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een

13 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermwaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem). Eventueel: III. Opgraven ofwel archeologisch vervolgonderzoek Indien het niet mogelijk is een ‘behoudenswaardige of beschermwaardige’ vindplaats in situ te bewaren, zal het hier aanwezige bodemarchief voor het nageslacht bewaard dienen te worden door middel van een vlakdekkend onderzoek. Alleen dan is deze stap (stap III) noodzakelijk. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort.

14 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Bijlage 2. Tabel archeologische en geologische perioden

15 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Bijlage 3. Boorbeschrijvingen Bij het beschrijven van de boringen is gebruik gemaakt van de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) en de daarvan afgeleide Archeologische Boorbeschrijvingswaaier van de SIKB (SIKB, 2005). Voor de concordantielijst van gebruikte afkortingen wordt verwezen naar de tekst van de ASB, vrij te downloaden op www.sikb.nl. Beknopte verklaring gebruikte afkortingen: li.: do.: br.: bl.: gr.: zw: K: k: V: Z: z: s: H: hk: Sc: Fe: 1: 2: 3: T: bst: mv.:

licht donker bruin blauw grijs zwart klei kleiig veen zand zandig siltig humeus houtskool schelp IJzer(oer) zwak matig sterk tweede kleur baksteen maaiveld

Boring 1; +6,88 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 50

6,88 – 6,38

Menggranulaat

Ophoging recent

50 – 150

6,38 – 5,38

Libr Zs1

Ophoging recent

150 – 400

5,38 – 2,88

Grbr Kz1/Kz3 brokken, bst-gruis, mortelbrokken

Ophoging recent

Boring 2; +6,93 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 20

6,93 – 6,73

Beton

Betonvloer

20 – 310

6,73 – 3,83

Libr Zs1 (grof), grind (fijn)=> grover grind naar beneden toe

Ophoging recent

310 – 370

3,83 – 3,23

Dogr T br Kz3, H1, bst-brok,

Maaiveld, voor recente ophoging?

370 – 400

3,23 – 2,93

Brgr Ks3, grind (kiezels) 1,

Natuurlijk?

Boring 3; +6,94 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 20

6,94 – 6,74

beton

Betonvloer

20 – 380

6,74 – 3,14

Libr Zs1

Ophoging recent

380 – 400

3,14 – 2,94

Dogr T Br Kz1, H1

Maaiveld

Boring 4; +7,11 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 10

7,11 – 7,01

Asfalt

Weg

10 – 50

7,01 – 6,61

Br Zs1, puin

Ophoging recent

50 – 80

6,61 – 6,31

Menggranulaat

Ophoging recent

80 – 400

6,31 – 3,11

Libr Zs1 (bouwzand)

Ophoging recent

16 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Boring 5; +7,12 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 10

7,12 – 7,02

Asfalt

Weg

10 – 80

7,02 – 6,32

Menggranulaat

Ophoging recent

80 – 320

6,32 – 3,92

Grbr Zs1, h1, kleibrokken

Ophoging recent

320 – 400

3,92 – 3,12

Gr Ks3, H1 (top 10 cm humeuzer)

Maaiveld, Natuurlijk

Boring 6; +7,10 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 10

7,10 – 7,00

Asfalt

Weg

10 – 45

7,00 – 6,65

Menggranulaat

Ophoging recent

45 – 75

6,65 – 6,35

Libr Zs1

Ophoging recent

75 – 290

6,35 – 4,20

Gr Zs1/Kz3 gemengd

Verstoord

290 – 310

4,20 – 4,00

BrTGr Ks3 H1

Bouwvoor

310 – 400

4,00 – 3,10

GrTBr Ks3

Natuurlijk

Boring 7; +7,03 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 10

7,03 – 6,93

Asfalt

Weg

10 – 75

6,93 – 6,38

Menggranulaat

Ophoging recent

75 – 400

6,38 – 3,03

Libr Zs1/Gr Zs1

Ophoging recent

Boring 8; +7,13 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 20

7,13 – 6,93

Beton

Vloer

20 – 50

6,93 – 6,63

Libr Zs1

Ophoging recent

50 – 140

6,63 – 5,73

Br Zs1, H1, bst-brokken, Mortel

Ophoging recent

140 – 330

5,73 – 3,83

Libr Zs1

Ophoging recent

330 – 350

3,83 – 3,63

BrTGr Ks3 H1, Bs-brokken, Mortel

Bouwvoor

Boring 9; +7,14 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 20

7,14 – 6,94

Beton

Vloer

20 – 35

6,94 – 6,79

BrTRo Zs1, puin3 (baksteenpuin)

Ophoging recent

35 – 130

6,79 – 5,84

Dogr Zs1

Ophoging recent

130 – 180

5,84 – 5,34

Libr Zs1

Ophoging recent

180 – 210

5,34 – 5,04

Gr Kz3 (fijn zand), naar beneden toe Zs4

Ophoging recent

210 – 370

5,04 – 3,44

Gr Zs4

Ophoging recent?

370 – 460

3,44 – 2,54

Gr Kz3 (zavelig), rond 380 Fe-vlekken

Natuurlijk

460 – 500

2,54 – 2,14

Gr Zs3, Fe1

Natuurlijk

500 – 570

2,14 – 1,74

Gr Zs1 (grof), Grind (fijn), Fe1, rond 560 Natuurlijk 5 cm GrKz3 Fe1

17 Verkennend booronderzoek Buitenstad te Zaltbommel, gemeente Zaltbommel

Boring 10; +7,11 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 120

7,11 – 5,91

Libr Zs1

Ophoging recent

120 – 140

5,91 – 5,71

DogrTbr Kz3, H1

Ophoging recent

140 – 340

5,71 – 3,71

BrTgr Kz3

Ophoging recent

340 – 400

3,71 – 3,11

Br Zs3, Fe1, grind 1(klein, afgerond)

Natuurlijk

Boring 11; +6,72m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 35

6,72 – 6,37

Br Zs1, baksteenbrokken

Ophoging recent

35 – 80

6,37 – 5,92

Libr Zs1

Ophoging recent

80 – 320

5,92 – 3,52

Br Zs1, Kz3-brokken, baksteengruis

Ophoging recent

320 – 380

3,52 – 2,92

Gr Kz3

Natuurlijk

380 – 400

2,92 – 2,72

Gr Zs3

Natuurlijk

Boring 12; +6,95 m NAP Diepte (cm)

NAP (m)

Beschrijving

Interpretatie

0 – 160

6,95 – 5,35

Libr Zs1

Ophoging recent

160 – 210

5,35 – 4,85

Ro baksteenbrokken/baksteengruis

Ophoging recent

210 – 240

4,85 – 4,55

Dogr Zs1,slak, mortel,baksteenbrokken

Ophoging recent

240 – 330

4,55 – 3,65

Br Kz3

Natuurlijk

330 – 370

3,65 – 3,25

Libr Zs1

Natuurlijk

370 – 400

3,25 – 2,95

Br Kz3

Natuurlijk

Buitenstad Zaltbommel

Bijlage 4 Selectiebesluit gemeente Zaltbommel

76

Buitenstad Zaltbommel

Bijlage 5 Cultuurhistorische analyse Buitenstad

81

BBA BUREAU VOOR

CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING

BOUWHISTORIE EN

ARCHITECTUURGESCHIEDENIS V.O.F.

i.s.m.

lantschap ADVIESBUREAU VOOR

LANDSCHAP EN

CULTUURHISTORIE

Plangebied ‘Buitenstad’

ZALTBOMMEL

Plangebied ‘Buitenstad’, Zaltbommel

CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE EN WAARDERING

BUREAU VOOR

BOUWHISTORIE EN

ARCHITECTUURGESCHIEDENIS V.O.F.

i.s.m.

lantschap ADVIESBUREAU VOOR

LANDSCHAP EN

CULTUURHISTORIE

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

INHOUD VOORWOORD

5

1. SAMENVATTING

7

3. GESCHIEDENIS

9

3.1 Het natuurlijke landschap

9

3.2 Historische aspecten van het onderzoeksgebied

10

4. HISTORISCH-RUIMTELIJKE ONTWIKKELING

15

4.1 Zestiende en zeventiende eeuw

15

4.2 Achttiende en eerste helft negentiende eeuw

19

4.3 Ruimtelijke ontwikkelingen na 1850

21

5. ANALYSE EN WAARDERING

26

5.1 De stad als geheel

26

5.2 Het plangebied in de stedelijke context van Zaltbommel

29

5.3 Waardevolle ensembles

31

5.4 Individuele objecten

35

6. CONCLUSIES

43

7. BIJLAGE: De belangrijkste gebeurtenissen op een rij

45

8. BRONNEN EN LITERATUUR

47

COLOFON

49 4

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

VOORWOORD In opdracht van het bureau Bosch & Slabbers Tuin- en landschapsarchitecten te Middelburg, optredend voor de gemeente Zaltbommel, heeft Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis (BBA) in nauwe samenwerking met Lantschap, adviesbureau voor landschap en cultuurhistorie te Haaften een cultuurhistorische inventarisatie en waardenanalyse opgesteld voor het plangebied ‘Buitenstad Zaltbommel’. Het betreft hier het gebied tussen de jachthaven, de Steenweg, de Gamersedijk en de grens tussen uiterwaarden en het bedrijf Busker aan de westzijde van Zaltbommel. Het gebied grenst aan de voormalige vestingwerken aan de noordwestzijde van de stad en ligt gedeeltelijk op de plaats van de zestiende-eeuwse uitbreiding van de verdedigingswerken. Het gebied Buitenstad Zaltbommel was in 2010 niet opgenomen in het door ons in 2010 voor de gemeente Zaltbommel uitgevoerde Inventarisatie en waardenanalyse Binnenstad Zaltbommel. Zowel de historische binnenstad als het plangebied Buitenstad vallen binnen het gebied waarvoor in opdracht van de Gemeente Zaltbommel door Bosch en Slabbers de Visie van Waal tot Waal wordt ontwikkeld. Aanvankelijk was gevraagd om een aanpak en opzet gelijkwaardig aan de in 2010 vervaardigde inventarisatie en waardenanalyse Binnenstad Zaltbommel.

Die inventarisatie was de meest globale van drie CHW-niveau’s die BBA voor Zaltbommel had ontwikkeld en was qua schaal en abstractieniveau niet zo geschikt voor het projectgebied Buitenstad Zaltbommel, waar op dit moment voor het voormalige scheepswerfterrein (thans BUKO) al nieuwe bouwplannen worden ontwikkeld. In overleg met mevrouw drs. M. Sanders werd gekozen voor een rapportage op gedetailleerder niveau. Ook werd gekozen voor een cultuurhistorische waardering van de binnen het onderzoeksgebied gelegen structuren en objecten. Aangezien het gebied van de Stadshaven en omgeving in 2010 niet cultuurhistorisch was gewaardeerd, is de nadere analyse en waardering in het kader van dit onderzoek meegenomen. Dit rapport is vergelijkbaar met het door BBA in opdracht van de gemeente Zaltbommel uitgebrachte rapport Inventarisatie en waardenanalyse Gasfabriekterrein Zaltbommel (2007).

In de cultuurhistorische waardenanalyse zijn de volgende vraagstellingen uitgewerkt:  Welke stedenbouwkundige en bouwkundige ontwikkelingen hebben zich in het plangebied en omgeving in het verleden tot aan de huidige situatie voorgedaan?  Welke bouwhistorische, architectuurhistorische en historisch-geografische sporen zijn van bovengenoemde ontwikkelingen herkenbaar in de huidige situatie of kunnen verwacht worden bij nader onderzoek?  Wat was de historisch-ruimtelijke relatie van de stad met de dijk, de rivier en het buitendijkse gebied? In het kader van het onderzoek is veldwerk gedaan door drs. A.J. Haartsen (Lantschap) en ondergetekende. De heer R. Villanueva van Buko was zo vriendelijk ons rond te leiden over het terrein van de voormalige werf. Als aanvulling op het veldwerk is voor de beeldvorming gebruik gemaakt van bronnenmateriaal, historisch kaartmateriaal en historisch-topografische afbeeldingen. Behalve de geschiedenis en de historisch-ruimtelijke ontwikkeling is de cultuurhistorische waardering van het plangebied opgesteld. Dit is gebeurd op drie niveaus:  het plangebied als geheel binnen de stedelijke context van de stad  waardevolle ensembles  individuele objecten. De objecten zijn gewaardeerd volgens de methode die door Lantschap en BBA is ontwikkeld, op basis van uitgangspunten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Deze methode is toegepast in verschillende inventarisaties voor bestemmingsplannen. 5

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

Waardering individuele objecten belevingswaarde Waardering intrinsiek

Waardering context

herkenbaarheid herinneringswaarde zeldzaamheid kenmerkendheid gaafheid (landschaps)architectuur samenhang (ensemblewaarde) structurerende werking gaafheid omgeving Informatiewaarde

Totaalwaardering

hoog/middel/laag

Op dinsdag 6 mei 2014 zijn de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en besproken in een bijeenkomst waar vertegenwoordigers van de gemeente, van bureau Bosch en Slabbers en van Smits bouwbedrijf aanwezig waren. Het onderzoek en de samenstelling van het rapport was teamwork. Het bronnen- en archiefonderzoek is uitgevoerd door drs. K. M. Veenland-Heineman (BBA). Het historisch-ruimtelijke onderzoek en de waardering werden uitgevoerd door A.J. Haartsen van Lantschap en ondergetekende. Dr. ing. R. Stenvert (BBA) als kenner van de architectuur van de Wederopbouwperiode was betrokken bij de waardering van de bedrijfsgebouwen. De medewerkers van het Streekarchief in Tiel willen wij bedanken voor de plezierige hulp bij het onderzoek. Andere betrokkenen die we willen bedanken wij voor hun medewerking zijn de heer J. Marsman van Smits bouwbedrijf en de heer R. Villanueva van Buko. Ten slotte willen wij de heer ir. J. W. Bosch van Bosch en Slabbers als opdrachtgever en mevrouw drs. C.A.M. (Mieke) Sanders van afdeling Monumenten van de gemeente Zaltbommel noemen, die indirect als opdrachtgever namens de gemeente Zaltbommel optrad. Wij bedanken hen voor de goede samenwerking. drs. Ben Olde Meierink Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis drs. Adriaan Haartsen Bureau Lantschap Utrecht, mei 2014

6

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

1. SAMENVATTING

De Stadshaven is vooral in gebruik als aanlegplaats van recreatievaartuigen, maar wordt ook gebruikt door vrachtschepen. Aan de overkant van de haven ligt bastion De Kat, met de woning (uit 1933) van Van Hattum, vanaf 1931 mede-eigenaar van de werf.

Het gebied ten noordwesten van Zaltbommel heeft in het verleden verschillende functies vervuld. In de zestiende eeuw was het een belangrijk industriegebied waar verschillende molens stonden. Toen de vestingwerken van de stad werden gemoderniseerd zijn verdedigingswerken in het huidige plangebied aangelegd: een halve maan, een rondeel, een lunet en een deel van de stadsbuitengracht, die later als Stadshaven werd gebruikt. Omwille van een vrij schootsveld werd bebouwing in de resterende uiterwaard geweerd. De enige stedelijke functie was de gerechtplaats, die nog tot aan de Franse tijd aanwezig was. Tot de opheffing van de vesting in 1834 stevig de hand gehouden aan het handhaven van het vrije schootsveld. De uiterwaard bleef tot het eind van de negentiende eeuw agrarisch. Zaltbommel heeft haar ontwikkeling als handelsstad te danken aan de ligging aan de Waal. Aanlegplaatsen waren er op de zuidelijke Waaloever en de bedrijvigheid was vroeger vooral geconcentreerd bij de Waterpoort, maar de Stadshaven fungeert al vanaf omstreeks 1600 als vlucht- en verblijfshaven. De vestiging van de scheepswerf van J. Meyer in 1888, aan de westzijde van de stadshaven, bracht de bedrijvigheid in de uiterwaard terug.

De bedrijven die zich hier vestigden hadden aanvankelijk een duidelijke relatie met het water: ze waren voor hun functioneren afhankelijk van de nabijheid van de Waal als belangrijke scheepvaartroute. De scheepswerf en het baggerbedrijf Van Hattum waren de belangrijkste bedrijven, die samen omstreeks 1960 besloten een tweede haven aan te leggen. In de huidige situatie is de relatie tussen de bedrijvigheid en de rivier weliswaar verminderd, maar toch nog duidelijk aanwezig. De stadshaven heeft een functie als vluchthaven voor vrachtschepen en als aanlegplaats voor de recreatievaart gekregen; de nieuwe haven wordt nog steeds gebruikt voor het laden en lossen van schepen. Samenvattend kunnen we stellen dat het plangebied in de loop van de geschiedenis verschillende functies heeft gehad, maar altijd nauw verbonden is geweest met de stad en een essentiële betekenis heeft gehad voor de stad. 7

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

De werf maakte na de Tweede Wereldoorlog een fase van grote bloei mee. Er werd geïnvesteerd in de bouw van de grote hal, de aanleg van nieuwe hellingen, een kraanbaan en diverse loodsen en werkplaatsen. Van deze expansie in de Wederopbouwperiode zijn diverse gebouwen en landschapselementen bewaard gebleven. Van de individuele elementen moet grote cultuurhistorische betekenis worden gehecht aan de grote hal, het kantoorgebouw en de kraanbaan met dubbele steiger langs de haven. De grote hal is qua constructie niet van landelijke betekenis, maar is door de gaafheid en door verschillende bijzondere aspecten (zoals het zwevende magazijn) cultuurhistorisch van belang. De afmetingen geven het gebouw van binnen een overweldigende ruimtewerking. Daarnaast is het een beeldbepalend element dat ook vanaf de noordoever van de Waal als een duidelijke ‘land mark’ wordt ervaren. Het is echter vooral het bijzondere ensemble van havens en werfgebouwen die een bijzonder grote cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt: als samenhangend complex en als architectuur van de Wederopbouw.

De grote hal en later gebouwde loodsen, gefotografeerd vanaf de noordoever van de Waal bij Haaften.

Na de sluiting van de werf in 1987 kreeg het werfterrein een andere functie. De meeste gebouwen konden door de nieuwe eigenaar worden gebruikt en bleven bestaan, waaronder de grote hal en het kantoor. De hellingen verdwenen echter uit het beeld, ervoor in de plaats kwamen nieuwe loodsen en een terrein waar containers worden opgeslagen.

8

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

3. GESCHIEDENIS 3.1 Het natuurlijke landschap Gedurende de meest recente ijstijd, het weichselien, maakte de huidige Bommelerwaard deel uit van een brede riviervlakte die zich uitstrekte van de Utrechtse Heuvelrug tot de zand- en leemgronden van het Brabants Massief. De rivieren Rijn en Maas hebben in deze periode dikke pakketten zand en grind afgezet. De bovenkant van deze afzettingen ligt ongeveer zeven meter onder het huidige maaiveld. Vanaf het einde van de ijstijd, zo'n 10.000 jaar geleden, veranderde het regime van de rivieren. De rivieren gingen meer klei en leem transporteren die in het huidige rivierengebied werd afgezet. Dit gebeurde echter niet overal in gelijke mate. Vlakbij de rivieren - en we spreken nu van rivieren die nog niet door dijken in bedwang werden gehouden - kwamen de grofste korrels terecht. Hierdoor ontstonden aan weerskanten van de rivier relatief hooggelegen zandige oevers, die we oeverwallen noemen. Beide oeverwallen en de bedding vormen een stroomrug. Verder bij de rivier vandaan bezonken de fijnere slibdeeltjes uit het rivierwater: de komklei. Door het voortdurend afzetten van klei en zand heeft de rivier de neiging om zijn stroomrug steeds verder op te hogen. In de tijd dat de rivieren nog niet bedijkt waren kon het gebeuren dat de rivier hoger kwam te liggen dan het omringende land, haar bedding verliet en een nieuwe koers ging volgen.

De oude stroomrug bleef dan als een fossiele rivierloop in het landschap liggen. De bedding groeide dicht en de oeverwallen bleven als ruggen in het landschap achter. Zo’n fossiele stroomrug, de Gamerense stroomrug, ligt aan de zuidkant van Zaltbommel. De noordelijke oeverwal ligt ter plaatse van de huidige binnenstad, de bedding iets ten zuiden ervan. Het riviersysteem moet actief zijn geweest tot in de Romeinse tijd. Verschillende vondsten duiden erop dat de oeverwal in de Romeinse tijd al bewoond was. In de vroege middeleeuwen ontstond de Waal en ontwikkelde zich tot de belangrijkste tak van de Rijn. Aangenomen wordt dat de Waal altijd ten noorden van de huidige binnenstad heeft gestroomd, aanvankelijk waarschijnlijk in een grote boog rondom Tuil, waar de oude meander nog duidelijk in de huidige percelering terug te vinden is. Of de afsnijding van deze meander het gevolg is van menselijk handelen is niet bekend. Wel duidelijk is dat het huidige, rechte beloop bij Zaltbommel het gevolg is van bochtafsnijdingen bij Hurwenen (1639) en Zaltbommel (1655-1680). De Waal heeft oeverwallen gevormd. Het noordelijke deel van de stad Zaltbommel ligt op de zuidelijke oeverwal. Bij overstromingen werd in het achterland zavel en – vooral – klei afgezet. Ook later, na de bedijking, is bij dijkdoorbraken nog materiaal in het gebied neergelegd.

Bij doorbraken ontstonden direct achter de dijken diepe gaten (wielen). Het zand uit deze gaten is in brede waaiers in het binnendijkse gebied afgezet. Het Kloosterwiel, ten zuidwesten van het onderzoeksgebied, is een langgerekte waterpartij haaks op de dijk. Mogelijk betreft het hier niet een dijkdoorbraak, maar een doorbraak van de oeverwal uit de periode vóór de bedijking. Bij Heerewaarden komen de Waal en de Maas dicht bij elkaar. De dijken van de Bommelerwaard en het Land van Maas en Waal sloten vroeger niet op elkaar aan en via twee overlaten kon het water van de ene naar de andere rivier stromen. Aan het eind van de zestiende eeuw legden de Spaanse soldaten (het oude) fort Sint Andries aan en groeven een kanaal (het oude Kanaal Sint Andries) tussen beide rivieren, waardoor deze permanent met elkaar in verbinding stonden. Dit had gevolgen voor de stroming in de Waal: bij hoge waterstanden stroomde een deel van het water via het kanaal en/of de overlaten naar de Maas. Stroomafwaarts van Heerewaarden verminderde hierdoor de stroomsnelheid, waardoor het rivierwater minder zand kon meevoeren. Verzanding van de bedding was het gevolg, en ook de haven van Zaltbommel had hiervan te lijden.

9

PLANGEBIED ‘BUITENSTAD’, ZALTBOMMEL

BBA / LANTSCHAP

3.2 Historische aspecten van het onderzoeksgebied Middeleeuwen, zestiende en zeventiende eeuw Het oudste deel van de bebouwing van de stad Zaltbommel ligt op de zuidoever van de Waal en wel op een brede hoge oeverwal. Op deze oeverwal concentreerde zich al vroeg de bebouwing langs de Oenselsestraat en de Gamersestraat. Deze straten zouden – zeker na de aanleg van de bandijken – onderdeel uitmaken van een belangrijke oost-west verbinding in de Bommelerwaard. De verkeersweg over de westelijke Waaldijk, de Gamersedijk, zette zich in stad voort in de Gamersestraat en aan de oostzijde in de Oenselsestraat. Vooral de Gamersestraat was belangrijk en ontwikkelde zich tot een marktplein. Aangezien de hoofdstroom van de Waal in de middeleeuwen dicht bij de stad lag had Zaltbommel een goede toegang tot het vaarwater. Het gevolg was ook dat het buitendijkse land (de uiterwaard) ter plaatse vrij smal was. Via het water en over de dijken lag Zaltbommel dus aan drukke oost-west verbindingen. Het was echter ook een pleisterplaats aan de belangrijkste noord-zuid lopende landweg in het rivierengebied: de verbinding tussen Utrecht en de omstreeks 1200 gestichte stad Den Bosch. Om de rivier te passeren waren bruggen nodig en wanneer die er niet waren moest de oversteek met een veer gemaakt worden1.

Op het veer sloten de noord-zuid gerichte Waterstraat en Boschstraat aan, waar een sterke concentratie van de bebouwing aanwezig was, vooral aan de noordzijde in de buurt van de Waterpoort. De bouw van de stadsmuur langs de rivierzijde had tengevolge dat het aantal doorgangen naar de rivier moest worden beperkt, omdat immers ieder opening van een kostbare poort moest worden voorzien. De meeste schepen legden aan in de nabijheid van de poorten. De plaatsen waar men vanuit de stad op de Waaloever kon komen waren dan ook kristallisatiepunten van bedrijvigheid, zowel binnen als buiten de stad. Aan de rivierzijde kende de stad drie poorten en wel de Maaspoort aan de noordzijde van de Maasstraat, de Steigerpoort in het verlengde van de Korte Steigerstraat en de Waterpoort in het verlengde van de Boschstraat. Bij het verlaten van de stad door de Gamersepoort, in het verlengde van de Gamersestraat, kwam men in de middeleeuwen op de Bandijk. Een directe relatie met de rivieroever was daar niet aanwezig. De Gamersepoort was slechts aan de zuidzijde met een dubbele wal beschermd en bleef aan de noordzijde voor de vijand direct benaderbaar. Om dit probleem te ondervangen en de bevolking te beschermen werd – nadat de Bourgondiërs de Bommelerwaard met de stad Zaltbommel hadden bezet – de Gamersepoort versterkt tot een ‘blokhuis’2.

Voor de bouw van dit blokhuis werd in 1506 een aantal huizen aan de zogenoemde Dam gesloopt. De vermelding ‘dam’ betekent dat hier in de stadsgracht een dam lag die verhinderde dat bij hoogwater het water van de Waal via de stadsgracht de Bommelerwaard binnen stroomde, maar die tegelijkertijd een zwak punt was in de verdediging van de stad Zaltbommel. Het is dus begrijpelijk dat hier een versterking in de vorm van een blokhuis werd aangebracht. Hoe het blokhuis aan de Gamerse poort er precies uitzag, is door het ontbreken van archeologisch onderzoek niet duidelijk. Nadat Zaltbommel door de Gelderse ambtman voor hertog Karel van Gelre in 1511 was heroverd, heeft deze het Bourgondische blokhuis uit 1505 laten versterken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10827557/1