Bijlage 1a. Toelichting
Tekst van het document
23
habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt. Soortbescherming Een ander doel van de Wet Natuurbescherming is het in stand houden van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort. En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd. Bescherming houtopstanden De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Planspecifiek Er is voor het plan (vervorming van het bouwvlak) gekeken naar effecten ten aanzien van de gebiedsbescherming en soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming. Deze effecten worden afzonderlijk besproken. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen op een afstand van ongeveer 2,4 kilometer vanaf het meest dichtbij gelegen Natura 2000 gebied: Uiterwaarden Waal, dit gebied is onderdeel van het gebied ‘Rijntakken’. Het gebied is aangewezen in het kader Vogel- en habitatrichtlijn. Voor deze veehouderij is op 28 februari 2017 (Zaaknummer 2016-007951) door de provincie Gelderland een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend voor het houden van 57 paarden, 1 pony en 38.600 leghennen. In het kader van deze vergunning heeft de provincie een passende beoordeling van de gevolgen van de stikstofdepositie van dit bedrijf gemaakt. Overige effecten zijn gezien de afstand (>500 meter) tot omliggende Natura 2000 gebieden, uitgesloten. Deze vergunning is onherroepelijk. Op 29 mei 2019 is een belangrijke uitspraak gedaan door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In deze uitspraak is het Programmatische aanpak Stikstof (PAS) vernietigd. De verleende vergunning van dit bedrijf in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend onder het systeem van de PAS.
Echter uit de uitspraak blijkt duidelijk dat rechtsgeldige en onherroepelijke vergunningen door dit besluit niet worden vernietigd. De verleende toestemming voor het houden van de 57 paarden, 1 pony en 38.600 leghennen blijft dus in stand. Met de uitspraak van de PAS is ook duidelijk geworden dat ook verkeer gevolgen kan hebben voor omliggende Natura 2000 gebieden door de uitstoot van NOx dat tevens neerslaat als stikstof. Er is daarom een verschilberekening gemaakt van de bestaande feitelijke situatie vergeleken met de beoogde situatie van de nieuw te bouwen rijhal. Deze verschilberekening is gemaakt met het meest recente Aerius programma en hierin zijn de stikfoffecten van het plan berekend. De berekening is opgenomen in bijlage 4. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename van 2,34 kg/j aan NOx en een afname van 109,14 kj/j van NH3. Netto ontstaat er 0,00 mol/ha/ja verschil op de omliggende Natura 2000 gebieden
24
zo blijkt uit de berekening. Hiermee kunnen significante effecten van de beoogde planologische gebruiksfase op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden worden uitgesloten. Uit de handreiking intern en extern salderen van Bij12 volgt dat indien de gebruiksfase substantieel veel hoger is dan de realisatiefase dat in dat geval de gebruiksfase maatgevend is voor de beoordeling van de stikstofeffecten. Uit andere bouwprojecten weten wij dat worst case berekeningen van de bouw van een rijhal tot maximaal 10 kg/j NOx en een paar kilogram aan NH3 kan leiden. Ten opzichte van de vergunde situatie is sprake van een afname van 109 kg aan NH3/j uitstoot, hierdoor is er in de meest worst case situatie (het jaar waarin er bouw en gebruikseffecten zijn) netto sprake van een afname aan emissie. Hierdoor kan op basis van de handreiking voor intern en extern salderen een nadere berekening van de bouwfase achterwege blijven. In dit bestemmingsplan zijn een aantal borgende bepalingen opgenomen om te voorkomen dat deze vormverandering van het bouwvlak leidt tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000 gebieden. Ten eerste in de regels is in artikel 3.2.1 is een verbod opgenomen voor de bouw van nieuwe veestallen.
Hier kan binnenplans van worden afgeweken op basis van artikel 3.3.1, mits wordt aangetoond dat de bouw van deze veestallen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000 gebieden. Of dat deze toename niet leidt tot significant negatieve effecten, omdat bijvoorbeeld de kritische depositiewaarden van de habitattypen nog niet zijn overschreden. Op de tweede plaats is op de verbeelding een onderscheid gemaakt in het bouwvlak dat gebruikt kan worden ten behoeve van de paardenhouderij en het bouwvlak dat gebruikt kan worden ten behoeve van de leghennenhouderij. Hiermee wordt geborgd dat emissiepunten niet worden verlegd waardoor, ondanks een gelijkblijvende emissie, er toch een toename van depositie kan zijn. Middels voorgaande plan specifieke analyse en het feit dat dit plan (vormverandering van het bouwvlak) niet meer mogelijkheden geeft aan de veehouderij, maar de mogelijkheden door de functie aanduidingen juist inperkt, maakt dat significant negatieve gevolgen op omliggende Natura 2000 gebieden kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming Voor het kunnen realiseren van de overdekte rijhal dienen twee bestaande stallen worden gesloopt. Daarnaast wordt er weiland bebouwd. Afsluitend worden er bomen gekapt rondom de te slopen stallen aan de noordzijde van het plangebied. Dit zijn ruimtelijke handelingen die effect kunnen hebben op (beschermde soorten).
Er is daarom plan specifiek ecologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een Quick Scan door ecologisch bureau De Groene Ruimte. De rapportage van deze quick scan is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Een veldecoloog van dit bureau heeft in september 2019 een veldbezoek afgelegd. Hieruit is gebleken dat nader onderzoek nodig is op het gebied van soortenbescherming op de volgende onderdelen: 1. Ten eerste om uit te sluiten dat vaste verblijfplaatsen van vleermuizen niet worden verstoord door de handeling. Het gaat hierbij om Gewone en Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Tweekleurige vleermuis en Gewone Grootoorvleermuis. 2. Er is een ontheffing nodig voor het verwijderen van het steenuilennest. 3. Nader onderzoek is nodig om uitsluitsel te geven over waar en voor welke functies de Huismus de te slopen gebouwen gebruikt. 4. Er zijn geen beschermde flora, insecten en ongewervelden, of reptielen en vissen aanwezig in het plangebied. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Voor de beschermde amfibiesoort Kleine watersalamander geldt een vrijstelling.
25
Het werkschema van het vervolg onderzoek met betrekking tot punt 1 en 2 ziet er als volgt uit:
Figuur 4-3 Werkschema Veldwerk ecologisch bureau
Na afronding van het vervolg onderzoek zal een nieuw rapport worden opgeleverd en hierin wordt beoordeeld per soortengroep/soort wat het effect is van de voorgenomen werkzaamheden op (de verblijfplaatsen van) die soort (tijdelijk en permanent) en op de gunstige staat van instandhouding van die soort. Daarnaast worden, indien noodzakelijk, oplossingsrichtingen aangedragen om verstoring te voorkomen dan wel te beperken. Hierin wordt tevens de noodzaak voor de ontheffing omtrent het verplaatsen van het steenuilennest nader onderbouwd. Aangezien het onderzoek tot in september 2020 duurt is in overleg met de gemeente besloten een voorwaardelijke verplichting op te nemen in het bestemmingsplan ten aanzien van het vervolgonderzoek. In artikel 3.4.4 onder a is geborgd dat pas medewerking kan worden verleend aan sloop van de bestaande gebouwen ter plaatse van de beoogde binnenrijhal, als het ecologisch vervolgonderzoek is afgerond en er uitsluitsel is over de te nemen maatregelen ter voorkoming of beperking van de eventueel aangetroffen soorten. Conclusie Uit de plan specifieke analyse is gebleken dat, gezien de verleende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, significant negatieve effecten op omliggende Natura-2000 gebieden bij voorbaat zijn uitgesloten.
Uit de Quick scan ecologie, uitgevoerd door een gespecialiseerd ecologisch bureau, is gebleken dat er aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Omdat dit onderzoek tot september 2020 duurt is in overleg met de gemeente besloten het vervolg onderzoek te borgen middels een voorwaardelijke verplichting. Middels de uitgevoerde onderzoeken op gebieds- en soortenbescherming en de getroffen planologische maatregelen is verzekerd dat negatieve effecten op deze gebieden en soorten zijn uitgesloten.
26
4.4. Niet-gesprongen Conventionele Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (19401945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente.
Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven.
Figuur 4-4 Planlocatie in relatie tot risicogebieden niet gesprongen conventionele explosieven (O= plangebied) bron: gemeente Zaltbommel Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard 2016 bevindt de projectlocatie zich in ‘verdacht’ gebied op basis van geschutsmunitie (verschoten). Deel van de voorgenomen werkzaamheden vinden echter plaats, in naoorlogs vergraven of verstoorde grond. Op een deel van de locatie waar nieuw gebouwd en gegraven wordt, bevindt zich al naoorlogse bebouwing. Het is daarom redelijkerwijs aan te nemen dat conventionele explosieven toen al zijn opgemerkt dan wel weggenomen. Het is daarom niet noodzakelijk nader onderzoek naar explosieven uit te voeren voor het deel van de nieuwe bebouwing wat in het bestaande bouwvlak blijft. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd. Echter ligt een deel van de voorgenomen ontwikkeling (de nieuwe overdekte paardenhal) deels buiten het bestaande bouwvlak. Het bouwvlak wordt gewijzigd om de ontwikkeling mogelijk te maken, waarbij er 190m2 gebouwd gaat worden op grond die niet naoorlogs vergraven of verstoord is en er is sprake van grondroerende werkzaamheden. Vanuit de Arbo wetgeving bent u als werkgever verplicht om voorafgaand aan werkzaamheden de veiligheid van
27
uw werknemers veilig te stellen via een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Wij adviseren daarom nader onderzoek naar explosieven uit te voeren in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) op het gebied van Conventionele Explosieven. Hiervoor leveren wij u bijgevoegde nadere informatie aan op basis van ons vooronderzoek.
De initiatiefnemer heeft ervoor gekozen geen PRA uit te voeren en wel om de volgende redenen. De initiatiefnemer geeft aan dat in de bestaande gebouwen die worden gesloopt putten aanwezig zijn die tot een diepte van 1,25 m gaan. Hiermee heeft er al verstoring plaatsgevonden op die locaties waar gesloopt wordt en de omliggende gronden. Het is daarom onevenredig bezwarend om voor slechts 190 m2 een dergelijk kostbaar onderzoek uit te voeren. Bovendien is er ter plaatse van die 190 m2 rijbak waarbij niet dieper wordt gegraven dan er bijvoorbeeld in het verleden is geploegd. Er komt geen diepe put onder de rijbak of onder de stallen in de rijhal. Er is daarom geen PRA uitgevoerd. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst na te worden geleefd. Conclusie Er wordt wel een onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties geadviseerd. De initiatiefnemers heeft de keuze gemaakt om het PRA niet uit te voeren omdat niet de verwachting is dat de grond buiten het bestaande bouwvlak, ten behoeve van de rijhal, dieper zal worden geroerd dan al eerder is gedaan door ploegwerkzaamheden. De initiatiefnemer is zich nu wel beter bewust van de risico’s en zal hier extra aandacht aan besteden in de graafwerkzaamheden als goed werkgever. 4.5 Water en riolering 4.5.1.
Water Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling, van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de ‘De Digitale Watertoets’ (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. Onderzoek Onderstaand zijn de consequenties van de herontwikkeling vanuit het aspect water beschreven. Dit op basis van de uitgevoerde watertoets voor het plangebied. Verharding Voor plannen met meer dan 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1.500 m2 verharding in landelijk gebied is compenserende waterberging nodig.
Om te voorkomen dat particulieren voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes een enkele woning, moeten compenseren geldt voor particulieren een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. Uit onderstaande tabel blijkt dat er ter plaatse van de te bouwen rijhal drie stallen worden gesloopt. Deze stallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1000 m2. Er vindt nieuwbouw plaats van een rijhal van 2013 m2 en er wordt 292 m2 extra verharding aangelegd.
28
Tabel 2 Watercompensatie berekening
De conclusie is dat de oppervlakte aan verharding in dit landelijke gebied toeneemt, met 1305 m2. Voor dit gebied dient dus geen compensatie van verharding te worden aangelegd omdat de toename onder de grenswaarde van 1.500 m2 blijft. Dit betekent dat geen sprake is van een kwantitatieve wateropgave. Watergangen en status watergangen In onderstaande figuur is de uitsnede van de legger met vastgestelde wateren te zien van het Waterschap Rivierenland. De gele lijnen zijn kadastrale lijnen en doen in dit kader niet ter zake. Goed zichtbaar is dat de locatie wordt omzoomd door watergangen. Aan de wegzijde van de Inktfordseweg ligt aan beide zijden van de weg een C watergang. Ten noorden en zuiden liggen zogenaamde Bwatergangen. Ten oosten ligt een belangrijke A watergang met een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden. De beoogde positie van de rijhal zal niet leiden tot het hoeven dempen van een C, B of A-watergang. Er wordt ook niet gewerkt in de beschermingszone van de A-watergang.
Figuur 4-5 Uitsnede van het plangebied in de legger vastgestelde wateren van Waterschap Rivierenland (d.d. 206-2019)
29
Wateropgave Uit de hiervoor beschreven situatie volgt de volgende wateropgave. Er is geen sprake van een opgave voor compenserende waterberging omdat het project onder de grenswaarde van een toename van 1.500 m2 verharding blijft. Voor dit soort kleine projecten heeft het Waterschap een uitzondering gemaakt op de vergunningplicht en het realiseren van compenserende waterberging. Afvoerrichting In het plangebied wordt het water afgevoerd vanaf de B-watergangen in oostelijke richting naar de Awatergang. De A-watergang voert het water af in zuidelijke richting. Het hemelwater van de rijhal zal deels worden geloosd op de noordelijke B-watergang en deels worden geïnfiltreerd waar er geen dakgoot wordt toegepast. Drooglegging De maaiveldhoogte ligt op circa 2,8 meter boven NAP. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast of kwel bekend is, is nader onderzoek nodig. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Er is ter plaatse van het plangebied geen sprake van grondwateroverlast of kwel. Zoals eerder onderzocht is er sprake van een hoge Grondwatertrap en ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld.
Aangezien er onder de rijhal en paardenstallen geen (diepe) putten worden aangelegd is er geen grondwateroverlast te verwachten in de bouw- of gebruiksfase. Afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op het gemeentelijke drukriool, denk dan aan het toilet bijvoorbeeld. Hemelwater Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. In dit geval wordt het hemelwater geloosd op de noordelijke B-watergang en niet vermengd of afgevoerd via het drukriool. Daar waar aan de rijhal geen dakgoot wordt bevestigd wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de bodem. Omdat de toename van verharding onder de grenswaarde valt is dit op te vangen binnen het watersysteem van het Waterschap. In het kader van de klimaatadaptatie zal dit systeem moeten worden uitgebreid. Infiltratie van hemelwater heeft daarom de voorkeur van het Waterschap en zal waar mogelijk worden toegepast. Conclusie De waterparagraaf is ter goedkeuring aangeboden aan het Waterschap Rivierenland. Het waterschap heeft een positief wateradvies afgegeven (zie bijlage 6), waardoor het bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar is.
HOOFDSTUK 5: JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Vormgeving Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. Het bestemmingsplan bestaat uit: • een toelichting; • regels; • een digitale verbeelding, die ook een analoge versie heeft. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden weergegeven. Naast een bestemming worden er ook aanduidingen en dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Deze bestemmingen, aanduidingen en dubbelbestemmingen zijn nader uitgewerkt in de regels. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. In de toelichting
30
wordt gemotiveerd hoe de keuze van de bestemmingen tot stand is gekomen en waarom de regels zijn opgenomen. De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Niet alle begrippen worden verklaard. Slechts die begrippen waarover interpretatiekwesties kunnen ontstaan en die daardoor een eenduidige toepassing van de regels kunnen verhinderen worden toegelicht. Daarnaast is de wijze van meten in dit hoofdstuk bepaald (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In het tweede hoofdstuk zijn de bestemmingsregels opgenomen. Per bestemming is aangegeven welke functies tot de bestemming worden gerekend en wat de specifieke bouw- en gebruiksregels van de gronden zijn. 3. Algemene regels. Het derde hoofdstuk bevat bepalingen met een algemeen karakter. Hierin is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen, alsmede de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en de slotbepaling opgenomen. Hoewel het hier ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Hieronder worden de regels, voor zover dat nodig is voor een juiste interpretatie van de juridische regeling in het plan, nader toegelicht. Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een toelichting op deze regels. Begrippen Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Het begrip bestaand is in een aantal regelingen opgenomen en verklaard in de begripsomschrijving. Bij de bepaling van de bestaande situatie kan worden teruggevallen op de (veld) inventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto's, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ-gegevens), zoals deze bij de gemeente bekend waren bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Specifiek voor de woonschepen, aanlegsteigers, recreatiewoningen en stacaravans zijn rapportages en/of inventarisaties beschikbaar. Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van onder meer de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten.
Ook is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreffen ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen, masten en dergelijke. Agrarisch met Waarden De enige enkelbestemming in het plangebied is de bestemming Agrarisch met waarden. Dit is conform het bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel. De inhoudelijke regels zijn overgenomen uit het hiervoor genoemde bestemmingsplan. De enige wijziging betreft de toegevoegde voorwaardelijke verplichting in artikel 3.4.4. In sommige gevallen is het mogelijk of noodzakelijk om milieumaatregelen te borgen in het bestemmingsplan met een voorwaardelijke verplichting. Uitgangspunt bij voorwaardelijke verplichtingen is dat de initiatiefnemer pas na het voldoen aan de genoemde voorwaarden uitvoering kan geven aan zijn plannen, in dit geval de bouw van een gebouw en sloop van voormalige gebouwen.
31
Zonder sloop en nieuwbouw hoeft niet voldaan te worden aan de voorwaardelijke verplichting. De voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen om de volgende zaken bestuursrechterlijk te borgen in het bestemmingsplan: a) Uitvoering vervolgonderzoek ecologie; b) Sloop voormalige opstallen van de paardenhouderij, zoals aangegeven in bijlage 3 bij de regels. c) Installatie fijn stof reducerende techniek in stal C om bij te dragen aan vermindering van fijn stof concentratie, dan wel installatie van een techniek die een vergelijkbare hoeveelheid fijn stof reduceert. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat in de omgeving beter door dit bestemmingsplan, ondanks uitbreiding van de paardenhouderij; d) Realisatie en instandhouding fase 1 landschappelijke inpassingsplan, zoals aangegeven in bijlage 2 bij de regels; e) Realisatie en instandhouding fase 2 landschappelijk inpassingsplan, zoals aangegeven in bijlage 2 bij de regels. In de diverse milieuparagrafen in dit bestemmingsplan, zoals omtrent landschappelijke inpassing wordt ook verwezen naar de voorwaardelijke verplichting in de planregels. Hier is ook een nadere achtergrond te vinden over de noodzaak van de voorwaardelijke verplichting.
Waarde-Archeologie 3 Het archeologiebeleid vermeldt dat bij plannen zonder concreet geplande bodemingrepen (actualisatieplannen waarbij de bestaande situatie grotendeels wordt gehandhaafd, zoals het bestemmingsplan buitengebied) de gebieden waar archeologische resten verwacht worden of zijn vastgesteld op de verbeelding worden aangeduid met dubbelbestemmingen. Hieraan zijn regels gekoppeld met een regeling voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Bij dergelijke plannen is het vooraf uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Dat is pas, afhankelijk in welk gebied een initiatief ligt, aan de orde bij een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het is niet zo dat voor alle omgevingsvergunningsplichtige activiteiten een onderzoeksplicht geldt. Slechts als beide vrijstellingsgrenzen (diepte en oppervlakte) worden overschreden, moet een initiatiefnemer onderzoek uitvoeren. Veelal wordt dat bepaald d.m.v. een inventariserend veldonderzoek. Afhankelijk van de uitkomsten uit dit onderzoek wordt bepaald of nader archeologisch onderzoek nodig is. Onderzoek is niet noodzakelijk als een ingreep binnen de vrijstellingsgrenzen valt. Planologische 'kruimelgevallen' zijn zo veel mogelijk binnen de vrijstellingsgrenzen, dus buiten de onderzoeksplicht, gehouden.
Indien uit het onderzoek blijkt dat archeologische waarden niet aanwezig zijn of als aanwezige waarden veilig gesteld kunnen worden (door behoud in de bodem of opgravingen), wordt een omgevingsvergunning (mits voldaan aan de regels van de andere daar voorkomende bestemming) verleend. Een omgevingsvergunning wordt slechts geweigerd indien archeologische waarden worden vestoord, zonder dat het mogelijk is deze veilig te stellen (verplichting tot treffen technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem behouden kunnen worden, verplichting tot het doen van opgravingen en verplichting tot begeleiding door een deskundige). Het verrichten van onderzoek is het uitgangspunt bij de beoordeling of archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen.
Het in het bestemmingsplan op basis van incidentele onderzoeken (gedeeltelijk) verwijderen van de dubbelbestemmingen 'waarde-archeologie' is dan ook overbodig en niet werkbaar. Uitgevoerde onderzoeken worden in een database geregistreerd en zullen te zijner tijd worden betrokken bij een actualisatie van het gemeentelijk archeologiebeleid. In de regels van de dubbelbestemmingen 'waardearcheologie' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de dubbelbestemming te wijzigen indien (actualisatie van) het gemeentelijk archeologiebeleid daartoe aanleiding geeft.
32
In dit geval is er ter plaatse van het gehele plangebied sprake van de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’. Dit is een middelhoge verwachtingswaarde. Hiervoor geldt de regel dat bij bouw of aanlegwerkzaamheden die groter zijn dan 2.500 m2 en dieper dan 30 centimeter gaan er een verkennend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regels worden opgenomen in het wijzigingsplan. In de onderstaande tabel wordt per activiteit inzichtelijk gemaakt of er onderzoeksplicht voor archeologie geldt. Tabel 3 Onderzoekplicht archeologie
Activiteiten Bouw rijhal
Aanleg houtsingel Aanleg struweelhaag
Onderzoeksplicht Waarde Archeologie 3 <2.500 m2 dus geen onderzoeksplicht, bovendien is een groot deel reeds verstoord (1.000 m2 ter plaatse van te slopen stallen). Grondbewerking en beplanting zal niet dieper zijn dan 30 centimeter dus geen onderzoeksplicht. Grondbewerking en beplanting zal niet dieper zijn dan 30 centimeter dus geen onderzoeksplicht.
Voor het normale onderhoud en/of het gebruik evenals werken en werkzaamheden die al in uitvoering zijn, dan wel op grond van een verleende vergunning uitgevoerd mogen worden, hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden. Aangezien het grootste gedeelte van de dubbelbestemmingen 'waardearcheologie' op agrarische gronden ligt, verdient het normale onderhoud en/of gebruik voor agrarische bedrijvigheid een nadere toelichting. Hieronder wordt verstaan het al dan niet jaarlijks terugkerende werkzaamheden die voor voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk zijn, te weten ploegen (uitgezonderd diepploegen), eggen, maaien, zaaiklaar maken, oogsten, rooien, planten, poten, spitten en uitbaggeren van sloten en greppels. Voor deze activiteiten is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
5.3 Verbeelding De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond met de schaal 1:1000. Ten opzichte van de verbeelding in het bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel is de vorm van het bouwvlak veranderd. Tevens is er een functie aanduiding paardenhouderij opgenomen ter plaatse van het deel van het bouwvlak waar paardenhouderij is voorzien. De functieaanduiding intensieve veehouderij die voorheen op het gehele bouwvlak was gelegen, is nu gelegen op alleen dat deel van het bouwvlak dat gebruikt wordt ten behoeve van de intensieve veehouderij op het bedrijf. 5.4 Handhaving Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet.
Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen van handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en 33
maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele maatschappelijke behoefte voor wat betreft bouwen en gebruik. Vervolgens is door middel van het opnemen van diverse flexibiliteitsbepalingen (algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingen) in voldoende mate ingespeeld op eventuele toekomstige ontwikkelingen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen, en, dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.
34
HOOFDSTUK 6: UITVOERBAARHEID 6.1 Economisch De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Zaltbommel met de ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De gemeente Zaltbommel en de initiatiefnemer hebben in het kader van dit plan een anterieure overeenkomst ( de exploitatieovereenkomst) gesloten met betrekking tot de financiële afhandeling van het plan.
In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd.
6.2 Maatschappelijk De voorgenomen ontwikkelingen, het wijzigen van de vorm van het bouwvlak en het opnemen van de aanduiding ‘paardenhouderij’ op de verbeelding, om uiteindelijk een nieuwe overdekte paardenhal te kunnen realiseren, hebben naar verwachting weinig maatschappelijke impact. In de gemeentelijke inspraakverordening Zaltbommel (2004) is vastgelegd dat op grond van artikel 2 lid 1, elk bestuursorgaan zelf besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. De initiatiefnemer heeft door middel van draagvlakformulieren het draagvlak voor de ontwikkeling getoetst bij zijn buren. Er blijkt geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling te zijn. Er wordt daarom besloten geen verdere inspraak mogelijk te maken, omdat er geen zienswijzen verwacht worden tegen het plan. Vooroverleg en inspraak Waterschappen Het voorontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan Waterschap Rivierenland op 4 april 2019. De reactie van het Waterschap op het plan is dat de watertoets gedaan moet worden, waaruit moet blijken of er compensatie moet plaatsvinden. Op 26 april 2019 is door de adviseur van de initiatiefnemer een digitale Watertoets uitgevoerd. Vervolgens is er ook een terugkoppeling geweest door een beoordelaar van de Watertoets van het Waterschap.
Deze beoordeling was als volgt: “De door u meegezonden stukken geven aan dat het gaat om een toename aan verharding van 1.300 m². Voor dit plan geldt een éénmalige vrijstelling van 1.500 m². Als de initiatiefnemer in de toekomst nog eens wil uitbreiden en boven de 1.500 m² uitkomt, zal de toename verharding bovenop de 1.500 m² gecompenseerd worden. Vooralsnog zoals u het plan heeft voorgelegd, is geen compensatie nodig. Als er voldaan wordt aan de bijgevoegde algemene regel WT 5 is er geen vergunning of een melding nodig”.
35
De initiatiefnemer zal de algemene regel WT5 toepassen, bijvoorbeeld bij de uitvoering van een lozingsconstructie van het hemelwater van de rijhal. Hiermee is het plan vooraf informeel besproken en afgestemd met het Waterschap en hoeft er niet achteraf nog een vergunning of melding te worden gedaan. Als er nogmaals wordt uitgebreid heeft de initiatiefnemer wel een plicht tot compenserende waterberging. Zienswijzen Met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging van 29 oktober 2020 tot en met 9 december 2020 kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. Er zijn geen zienswijzen ingediend op het ontwerp. Beroep Na vaststelling in de gemeenteraad van 18 maart 2021 wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
36
Bijlagen
37
Bijlage 1 situatieschets
38
Bijlage 2 geluidsonderzoek
39
Bijlage 3 fijn stof onderzoek
40
Bijlage 4 stikstofonderzoek
41
Bijlage 5 ecologisch onderzoek
42
Bijlage 6 watertoets
43