CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a. Toelichting

Raadsvergadering 18 maart 2021, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Bruchem, Inktfordseweg 313.733 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vastgesteld Bestemmingsplan Bruchem, Inktfordseweg 3

Vastgesteld Bestemmingsplan

Bruchem, Inktfordseweg 3

Vastgesteld Bestemmingsplan Bruchem, Inktfordseweg 3

Vastgesteld Bestemmingsplan Bruchem, Inktfordseweg 3

Datum: 18 maart 2021 Status: Vastgesteld

Datum rapport: 15 januari 2021, ongewijzigde vaststelling gemeenteraad voorzien op 18 maart 2021

Inhoud

HOOFDSTUK 1: AANLEIDING ............................................................................................................... 3 1.1.

Omschrijving aanleiding .......................................................................................................... 3

1.2.

Omschrijving plangrens / ligging plangebied .......................................................................... 3

1.3.

Geldend bestemmingsplan ..................................................................................................... 3

HOOFDSTUK 2: BELEIDSKADER ......................................................................................................... 4 2.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................................... 4 2.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ................................................................................. 4 2.2 Provinciaal beleid .......................................................................................................................... 4 2.2.1. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland ......................................................................................... 4 2.2.2. Omgevingsverordening Gelderland ....................................................................................... 6 2.4.3. Structuurvisie Buitengebied ................................................................................................... 6 2.4.12 Overig gemeentelijk beleid ................................................................................................... 7 HOOFDSTUK 3: RUIMTELIJKE INPASSING ........................................................................................ 8 3.1 Bestaande situatie .........................................................................................................................

8 3.2 Uitgangspunten (stedenbouw en landschap) .............................................................................. 10 HOOFDSTUK 4: HAALBAARHEID ....................................................................................................... 13 4.1 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 13 4.1.1. Archeologie .......................................................................................................................... 13 4.2 Milieu ........................................................................................................................................... 14 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering.................................................................................................. 14 4.2.2 Geur ...................................................................................................................................... 16 4.2.3 Geluid bedrijvigheid .............................................................................................................. 18 4.2.4 Geluid verkeer.......................................................................................................................

18 4.2.5 Bodem ................................................................................................................................... 19 4.2.6 Externe Veiligheid ................................................................................................................. 19 4.2.7 Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 21 4.3 Wet Natuurbescherming .............................................................................................................. 23 4.4. Niet-gesprongen Conventionele Explosieven ............................................................................ 27 4.5 Water en riolering ........................................................................................................................ 28 4.5.1. Water ................................................................................................................................... 28

1

HOOFDSTUK 5: JURIDISCHE PLANOPZET ...................................................................................... 30 5.1 Vormgeving ................................................................................................................................. 30 5.3 Verbeelding ................................................................................................................................. 33 5.4 Handhaving ................................................................................................................................. 33 HOOFDSTUK 6: UITVOERBAARHEID ................................................................................................ 35 6.1 Economisch ................................................................................................................................. 35 6.2 Maatschappelijk ........................................................................................................................... 35

Bijlagen.................................................................................................................................................. 37 Bijlage 1 situatieschets .......................................................................................................................... 38 Bijlage 2 geluidsonderzoek ................................................................................................................... 39 Bijlage 3 fijn stof onderzoek .................................................................................................................. 40 Bijlage 4 stikstofonderzoek ................................................................................................................... 41 Bijlage 5 ecologisch onderzoek ............................................................................................................ 42 Bijlage 6 watertoets ............................................................................................................................... 43

2

HOOFDSTUK 1: AANLEIDING 1.1. Omschrijving aanleiding In februari 2018 is het verzoek ingediend om op de Inktfordseweg 3 in Bruchem het bestemmingsplan te wijzigen. Het gaat om het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zaltbommel’. In dit plan ontbreekt de bestemming ‘paardenhouderij’ op de verbeelding die nodig is voor de gewenste ontwikkeling. Dit betreft het bouwen van een overdekte rij hal, ten behoeve van de paardenhouderij en het wijzigen van de vorm van het bouwperceel, zodat deze rij hal past op het bouwperceel. 1.2. Omschrijving plangrens / ligging plangebied De locatie is gelegen aan de Inktfordseweg 3 in Bruchem. Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie N nummer 489, 488, 494, 493, 53 en 329 heeft een totale omvang van ongeveer 44.600m2. 1.3. Geldend bestemmingsplan De ontwikkeling ligt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zaltbommel’. Concreet valt de ontwikkeling binnen de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’, met de dubbelbestemming ‘waarde- Archeologie 3’. Dit betekent dat er een vrijstelling is voor graafwerkzaamheden in de bodem tot 30cm diep en tot 2500m2 oppervlakte. In het betreffende bouwvlak is de functieaanduiding intensieve veehouderij geldend.

Figuur 1-1 Bestemmingen en functieaanduiding Inktfordseweg 3 Bruchem (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voorgenomen plannen voor het plangebied zijn in strijd met dit bestemmingsplan, omdat een paardenhal niet past onder de bestemming intensieve veehouderij. De bestemming paardenhouderij moet worden opgenomen in de verbeelding van het plan om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Onderhavig bestemmingsplan vormt een passend juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is echter al een paardenhouderij gevestigd op het betreffende perceel en het is de wens om deze activiteiten uit te breiden. Er is in 2007 een omgevingsvergunning milieu verleend voor het houden van 36.588 legkippen, 47 paarden en 1 pony en ook in de revisievergunning uit 2003 was er al sprake van het houden van paarden op deze locatie. Er zal geen sprake zijn van een toename van paarden.

3

HOOFDSTUK 2: BELEIDSKADER 2.1 Rijksbeleid 2.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De SVIR biedt een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het Rijk schetst in de SVIR zijn ambities voor 2040 om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. Deze ambities zijn in de SVIR als volgt vertaald in (rijks)doelen, -belangen en -opgaven voor de middellange termijn tot 2028: o Het vergroten van de concurrentiekracht door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; o Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; o Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk verplaatst in de SVIR bevoegdheden op het gebied van ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid naar de provincie en de gemeenten, bijvoorbeeld voor wat betreft verstedelijking, landschap en natuur. In de SVIR is vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. De gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering passend binnen provinciale kaders.

Ook zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningprogramma's. In de SVIR geeft het Rijk aan dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie op regionaal niveau evenals de behoeften van bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Daardoor zijn zij beter in staat om regionale beleidsafwegingen te maken. Conclusie Het initiatief heeft geen betrekking op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, omdat het geen betrekking heeft op één van de Rijksbelangen die zijn opgenomen in de SVIR. Ook gaat het niet om een stedelijke ontwikkeling, dus is de laddertoets Bro niet van toepassing. Omdat de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte niet van toepassing is, is het Barro ook niet van toepassing. 2.2 Provinciaal beleid 2.2.1. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 1 maart 2019 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Vanuit het rijke verleden en het heden wordt gewerkt aan de toekomst. De wereld verandert ingrijpend: Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze wereldwijde ontwikkelingen raken ook Gelderland en zetten druk op de Gelderse leefomgeving. Ze vragen antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. De Gelderse leefomgeving is in omvang beperkt. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden.

Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. Er zal gezocht worden naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. De focus wordt gelegd op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Hiervoor worden 7 ambities nagestreefd: 1. Energietransitie: van fossiel naar duurzaam In 2050 is Gelderland klimaatneutraal. Dit wordt bereikt door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. En innovatie en het uitrollen van bewezen technieken wordt 4

gestimuleerd. Als tussendoel wordt in 2030 55% broeikasgasreductie in Gelderland gerealiseerd. 2. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. In 2020 heeft men samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor Gelderland. 3. Circulaire economie: sluiten van kringlopen Gelderland wil de eerste afvalloze provincie van Nederland zijn. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden in de schone industrie. Om dit te bereiken is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen in Gelderland met 50% teruggebracht. 4. Biodiversiteit: werken met de natuur In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald. 5. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden In 2050 is de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen en verplaatsen mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal.

Snel en veilig internet fungeert daarbij als alternatief voor fysieke verplaatsingen. In 2050 is het netwerk voor goederenvervoer in Gelderland toegankelijk, duurzaam en klimaatneutraal. In 2030 is al het busvervoer zonder uitstoot en is 35% van het totaal aantal verplaatsingen met de fiets. 6. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! De concurrerende positie binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen wordt verder versterkt. Om onderscheidend te blijven, wordt in 2050 maximaal profijt gehaald uit de unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten. In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. Gelderland wil koploper zijn in Nederland. 7. Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.

Planspecifiek Het initiatief heeft geen betrekking op één van de provinciale belangen die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie, omdat de omgevingsvisie niet gaat over lokale zaken zoals het wijzigen van de vorm van het bouwperceel ten behoeve van de bouw van een rijbaan voor paarden. Dit geldt ook voor de omgevingsverordening. Ook heeft het plan geen betrekking op de structuurvisie buitengebied, omdat het niet gaat om een nieuw initiatief. Er is al een paardenhouderij gevestigd, echter is de aanduiding paardenhouderij abusievelijk vergeten op de verbeelding van het huidige plan op te nemen.

5

2.2.2. Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 hebben Provinciale Staten van Gelderland de (gewijzigde) Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Ten opzichte van de Omgevingsvisie voorziet de Omgevingsverordening niet in nieuw beleid. De provincie zet de Omgevingsverordening als juridisch instrument in om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen op die onderdelen waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen te waarborgen of om te voldoen aan wettelijke verplichtingen. De regels uit de verordening zijn kaderstellend voor gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen. Daarnaast worden de gebieden waarbinnen bepaalde regels gelden in de Omgevingsverordening concreet begrensd. De verordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. De regels en overige voorwaarden uit de verordening hebben onder meer betrekking op (nieuwe) woningbouwlocaties, (nieuwe) bedrijventerreinen, detailhandel, recreatieterreinen, land- en tuinbouw, natuur en landschap (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones, Waardevol Open Gebied en Nieuwe Hollandse Waterlinie), waterwingebieden en duurzame energie. De Omgevingsverordening is een instrument dat steeds wordt bijgesteld als ontwikkelingen daarom vragen.

Op 1 maart 2017 hebben Provinciale Staten een Actualisatieplan Omgevingsverordening voor aanpassingen op de beleidsterreinen water, detailhandel, energietransitie, geluid, natuur en landbouw vastgesteld.

2.4.3. Structuurvisie Buitengebied De gemeenteraad heeft op 15 maart 2012 de structuurvisie "Buitengebied" vastgesteld. Het plangebied van de structuurvisie bestaat uit het binnendijks en buitendijks gelegen buitengebied met uitzondering van de uiterwaarden langs de Waal. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen het ontwikkelingskader weer voor de beleidsthema's land- en tuinbouw, niet-agrarische bedrijvigheid, functieverandering (hergebruiksmogelijkheden van agrarische bedrijvigheid), nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijvigheid, land- en waterrecreatie, natuur en landschap. Het buitengebied onderscheidt zich in enkele functionele zones, die verschillen voor wat betreft de landschappelijke kenmerken en het gebruik. Deze verschillen leiden ertoe dat de zones elk andere ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarisch en niet-agrarisch gebruik kennen. De structuurvisie is een belangrijk afwegingskader voor nieuwe initiatieven in het buitengebied De locatie Inktfordseweg 3 in Bruchem ligt in het buitengebied, de structuurvisie buitengebied is daarom geldend op deze locatie. Op dit moment is het bouwvlak alleen aangeduid als intensieve veehouderij. De structuurvisie buitengebied geeft aan dat de gemeente in beginsel niet meewerkt aan uitbreiding van intensieve veehouderijen in het buitengebied. Het gaat in dit geval echter om een paardenhouderij.

Al meer dan 15 jaar worden er paarden gehouden als nevenactiviteit en er zijn verschillende vergunningen voor verleend, in 2003 en 2007. Om de bedrijfsactiviteiten van de paardenhouderij te professionaliseren, is de wens dat er een nieuwe overdekte rijhal komt. De structuurvisie buitengebied zegt het volgende over nieuwe paardenhallen ten behoeve van een paardenhouderij: De gemeente is van mening dat de ontwikkeling van paardenhouderijen een belangrijke bijdrage kan leveren aan de vitaliteit van het platteland Aandachtspunt bij de paardenhouderijen is de eventuele wens voor het bouwen van een binnenrijhal. Door het formaat van dergelijke hallen kunnen deze grote ruimtelijke consequenties hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Het gaat in dit plan om het bouwen van een relatief grote binnen rijhal. Uitgangpunt is dat bestaande bebouwing gesloopt moet worden, zodat er per saldo geen toename is van bebouwing. In dit plan wordt er bestaande bebouwing gesloopt, maar per saldo neemt het bebouwde oppervlak wel toe. Echter 6

neemt het totale oppervlak van het bouwperceel niet toe, de vorm wordt slechts gewijzigd. Binnen het bouwvlak mogen bedrijven zich ontwikkelen, mits aan (milieu) regels wordt voldaan. Daarnaast is er al vele jaren een paardenhouderij gevestigd op dit bouwvak. Dit leidt ertoe dat de aanduiding paardenhouderij aan het bouwvlak wordt toegevoegd. Ook heeft de bouw van een binnenrijhal geen negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Zo wordt de hal, zoals in paragraaf 3.2 nader wordt aangegeven, landschappelijk ingepast. Het initiatief is niet in strijd met de structuurvisie buitengebied.

2.4.12 Overig gemeentelijk beleid De gemeente Zaltbommel beschikt verder over het Water- en Rioleringsplan Bommelerwaard 20172021 (vastgesteld op 20 april 2017), de Visie Externe Veiligheid (vastgesteld op 28 november 2013) en de Geurverordening (vastgesteld op 14 januari 2010, wijziging 13 september 2012). Indien van toepassing wordt op deze beleidskaders nader ingegaan in hoofdstuk 4: Haalbaarheid. Deze beleidskaders zijn echter niet van toepassing op het wijzigen van de vorm van een bouwperceel of het toevoegen van een aanduiding op de verbeelding en zijn daarmee niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

7

HOOFDSTUK 3: RUIMTELIJKE INPASSING 3.1 Bestaande situatie In de gebiedsanalyse, zoals uitgevoerd door Bugel Hajema, in het kader van het bestemmingsplan Buitengebied Zaltbommel uit 2014 blijkt dat het initiatief ligt in een gebied dat wordt ingedeeld in de categrorie ‘relatief open komgebieden’. De landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied zijn als volgt: • openheid en rust; • noord-zuid gerichte verkavelingsstructuur; • vochtige omstandigheden en geschiktheid voor weidevogels en ganzen; • zichtlijn tussen komgebied en de dijk tussen Zuilichem en Nieuwaal; • hoge cultuurhistorische waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Drielsche Wetering. In deze paragraaf wordt onderzocht of en hoe het plan bijdraagt aan bovenstaande kernkwaliteiten van het gebied. Hiervoor wordt eerst gekeken naar de karakteristiek van het plangebied om te beoordelen of en welke kernkwaliteiten in het gebied te herkennen zijn. Vervolgens wordt het beleid behandeld omtrent landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit. Dit leidt tot uitgangspunten waar het bouwplan van de rijhal aan moet voldoen. Afsluitend wordt het voorstel voor de landschappelijke inpassing van de rijhal behandeld. In onderstaande figuur een luchtfoto van het plangebied en ruimtelijk kader in een gemeentelijk en lokaal perspectief.

Figuur 3-1 Uitsnede plangebied (O=plangebied) Bron: Google Earth

8

Openheid en rust en verkavelingsstructuur Het initiatief ligt nabij de kern Bruchem (buitengebied) aan de Inktfordseweg. Er is in het plangebied sprake van oudsher sprake van openheid en rust. Echter met de aanleg van de spoorlijn en later de A2 is de locatie ingeklemd komen te liggen tussen twee drukke transportaders. Het is de vraag of er voor dit gebied nog gesproken kan worden van een kernkwaliteit openheid en rust. Afwijkend van bovenstaande kernkwaliteiten is er in het plangebied sprake van een oost-west kavelstructuur. Echter dit is pas sinds de herverkaveling de situatie. In de oorspronkelijke verkaveling is sprake van een noordzuid verkaveling aan de oostzijde van de Inkfordseweg. Zie onderstaande figuur:

Afbeelding 3-2: Uitsnede historische kaart 1925 (O=plangebied) Bron: topotijdreis.nl.

Vochtige omstandigheden en geschiktheid voor ganzen en weidevogels Ter plaatse van het plangebied bestaat de bodem uit lichte klei met een homogeen profiel (RN95A). De grondtrap is IV die verder naar het zuiden overloopt met een hoge grondwatertrap III. Dit betekent dat het plangebied voor een komgebied relatief droog is met een gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 40 centimeter. Dit in tegenstelling tot de gebieden waar een grondwatertrap III ligt, deze hebben een gemiddelde hoogste grondwaterstand hoger dan 40 centimeter onder het maaiveld. Deze gronden zijn veel beter geschikt voor ganzen en weidevogels dan de gronden ter plaatse van het plangebied. Dit sluit ook aan bij het historische beeld, zoals te zien in figuur 3-2. Hier waren de gronden aangeduid als zeer drassig, hetgeen nog steeds het geval is.

Figuur 3-3 Uitsneden bodemkaart en grondwatertrappen kaart (O=plangebied) Bron: maps.bodemdata.nl

9

Zichtlijn tussen komgebied en de dijk tussen Zuilichem en Nieuwaal; Er is geen sprake op zicht vanaf het komgebied naar de dijk tussen Zuilichem en Nieuwaal, gezien de afstand tot deze dijk ruim 6 kilometer is en het zicht wordt gebroken door de A2. Deze kernkwaliteit is ter plaatse van het plangebied dan ook niet aanwezig. Hoge cultuurhistorische waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Drielsche Wetering. Het plangebied is niet gelegen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie of nabij de Drielsche Wetering, ook deze kernkwaliteit is hier niet aanwezig in dit plangebied. Afsluitend moet dus geconcludeerd worden dat er van de kernkwaliteiten voor dit type gebied er geen aanwezig zijn ter plaatse van het plangebied. Uitzondering hierop betreft een relatief beperkte openheid die beschermd dient te worden. Welstandsnota Zaltbommel 2013 en Actualisatie Welstandsnota De Inktfordseweg ligt in het Buitengebied Zaltbommel. Als welstandeisen voor dit initiatief is belangrijk dat de nieuw te bouwen overdekte rijhal logisch gepositioneerd wordt op het kavel. Zoals te zien in onderstaande tabel betekent dit dat de rijhal haaks op de Inktfordseweg moet worden geplaatst. Dit is een vereiste, omdat de nieuwe rijhal dan in dezelfde lijn ligt met bestaande gebouwen.

3.2 Uitgangspunten (stedenbouw en landschap) Het initiatief dient bij de verdere uitwerking aan de volgende stedenbouwkundige en landschappelijke randvoorwaarden te voldoen. RANDVOORWAARDEN Plaatsing

Hoofdmassa De nieuwe overdekte rijhal moet haaks op de Inktfordseweg komen. Dit betekent dus, in de west-oost lijn.

Zie concept verbeelding Massa en vorm

Hoofdmassa Maximale goothoogte: 6 m Maximale bouwhoogte: 12 m

Tabel 1: randvoorwaarden stedenbouw Verder is landschappelijke inpassing een voorwaarde. In het bestemmingsplan buitengebied, artikel 3.7.1 onder lid g geldt voor het verschuiven van het bouwvlak dat: de verandering van het bouwvlak landschappelijk wordt ingepast in welk kader een inrichtings- en beplantingsplan dient te worden opgesteld. Door een goede landschappelijke inpassing van het erf kan bijgedragen worden aan de ecologische en landschappelijke kwaliteit van het gebied. De landschappelijke inpassing van de nieuw te bouwen rijhal en de bestaande buitenrijbak op het erf is een voorwaardelijke verplichting. Dat is vast gelegd in de regels van het bestemmingsplan.

10

3.3 Plan (ontwerp en eindsituatie) In het voorgaande van dit hoofdstuk kwam aan bod dat de locatie is gelegen in een relatief open komgebied. Nu is er van de beschreven kernkwaliteiten van dit gebied maar in zeer beperkte mate sprake ter plaatse van het plangebied. Met name de nabijgelegen A2 en spoorlijn Utrecht-Den Bosch hebben hier mee te maken. Desalniettemin is er toch sprake van een locatie in het buitengebied die binnen de genoemde noord-zuid lijnen een beperkte mate van openheid in zich heeft. De verkaveling is ten oosten van de Inktfordseweg in oost-westelijke richting. Er is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt dat bestaat uit twee fases. Beide fases worden op verschillende tijden uitgevoerd afhankelijk van bouw/sloop werkzaamheden en hebben betrekking op twee verschillende ruimtelijke componenten. Beide fases worden hier afzonderlijk beschreven in aansluiting met de opgenomen voorwaardelijke verplichting in de regels (art. 3.4.4.) Fase 1 (inpassing buitenrijbak) De eerste fase van de landschappelijke inpassing is het inpassen van de bestaande buitenrijbak (dressuurbak) met de afmeting van 60x20 meter. Deze rijbak bestaat uit een speciale bodem en is voorzien met een lage witte afgrenzing. Om de rijbak meer landschappelijk in te passen wordt aan de weg en zuidzijde een landschappelijke haag aangelegd.

Hiermee krijgt deze zijde van het erf een meer landschappelijk aanzicht en wordt het zicht op de ‘onnatuurlijke’ buitenrijbak vanaf de wegzijde gebroken. Op honderden meters afstand vanaf oostelijke richting is de rijbak en de lage afgrenzing niet storend in het landschap en is omsluiting met een landschappelijke haag niet noodzakelijk. De haag is een meter breed over een lengte van ruim 80 meter en wordt aangeplant in één rij bosplantsoen. De haag (fase 1) wordt aangeplant voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning bouw voor het oprichten van de binnenrijbak, dit is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels.

Figuur 3-4 Huidig aanzicht buitenrijbak vanaf wegzijde in noordoostelijke richting

11

Bron: Google Streetview

Fase 2 (inpassing binnenrijbak) De positie van de rijhal is aan de noordzijde van het erf, ten oosten van de nabijgelegen woonbestemming en ter plaatse van bestaande opstallen die worden gesloopt. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de loods valt te concluderen dat de loods met name wordt beleefd vanaf de Inktfordseweg komende vanaf de noordelijke richting en rijdende in zuidelijke richting. Er wordt daarom voorgesteld om een hakhoutsingel bestaande uit sortiment Essen en Elzen aan te planten in oost-westelijke richting. Deze hakhoutsingel wordt 83,5 meter lang en 5 meter breed. Deze hakhoutsingel wordt op 3 meer afstand van de rijhal gerealiseerd, zie onderstaande figuur. Deze landschappelijke inpassing wordt uiterlijk na 1 jaar van realisatie van de rijhal aangeplant, dit is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels.

Figuur 3-5 Landschappelijk inpassingsplan bouw rijhal en buitenrijbak Inktfordseweg 3

Met deze twee elementen zijn beide elementen die direct samenhangen met de paardenhouderij wordt het gehele erf landschappelijk ingepast.

12

HOOFDSTUK 4: HAALBAARHEID 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1. Archeologie Op grond van de Monumentenwet 1988 moet de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige en te verwachten archeologische waarden. In de Monumentenwet is bepaald dat bodemverstorende werkzaamheden tot 100 m2 zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De gemeente mag hiervan afwijkende oppervlakten vaststellen. De gemeente Zaltbommel heeft dat gedaan. Op 7 juli 2011 heeft de gemeenteraad een archeologische inventarisatie en archeologiebeleid met een bijbehorende kaart vastgesteld. Hierin zijn onder meer vrijstellingsgrenzen voor oppervlakten en diepten opgenomen.

Figuur 4-1 Cultuurhistorische waarden en vrijstellingen bron: gemeente Zaltbommel Het gemeentelijk beleid is op 1 september 2011 in werking getreden. De reden voor het vaststellen van het beleid is het voorkomen van onnodig onderzoek en slechts voor de gebieden waar archeologische waarden te verwachten zijn, wel te besluiten tot nader onderzoek (en alleen als de ontwikkeling de beide vrijstellingsgrenzen overschrijdt). Het bovengenoemde beleid is vertaald in dit bestemmingsplan voor locatie Inktfordseweg 3 te Bruchem. Op de archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart zijn alle archeologische onderzoeken en vondstmeldingen verwerkt. Verder is deze kaart op bureauonderzoek gebaseerd. Met betrekking tot bodemkundige en geologische gegevens is gebleken dat voor de gemeente Zaltbommel de zanddieptekaarten van het Gelders Rivierengebied het beste uitgangsmateriaal vormden. De kaarten beslaan namelijk het gehele oppervlak van de gemeente en ze zijn gebaseerd op grootschalige veldonderzoeken die specifiek zijn gericht op het in kaart brengen van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland is een verdere detaillering in de begrenzing van het onderzoeksgebied gemaakt. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart gaat uit van een intact landschap met gave bodemprofielen.

In werkelijkheid zijn grote delen van het gebied in meer of mindere mate verstoord door allerlei bodemtechnische ingrepen in het verleden. De mate van deze verstoringen en het effect ervan op de archeologische resten in het gebied zijn globaal bekend. De archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart doet dan ook globaal uitspraken over de mate van bodemverstoring, maar doet geen uitspraken over de gaafheid van te verwachten archeologische resten. Als een initiatiefnemer kan aantonen dat het terrein diepgaand is verstoord, geldt voor het verstoorde deel geen onderzoeksverplichting.

13

Planspecifiek Hieronder hebben wij een uitsnede van de beleidskaart archeologie van het plangebied opgenomen.

Figuur 4-2 Beleidskaart archeologie uitsnede Inktfordseweg 3, archeologie 3 bron: gemeente Zaltbommel Op het plangebied is de volgende beleidszone van toepassing. • Waarde-archeologie 3 Dit betekent dat ingrepen tot 30cm diepte en/of met een oppervlakte tot 2500m2 zijn vrijgesteld van onderzoek. (zie legenda afbeelding 5, licht gele kleur). De voorgenomen ontwikkeling, de bouw van een nieuwe overdekte paardenhal, zal de grens van 2500m2 niet overschrijden, daarom is er geen verder archeologisch onderzoek nodig. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij Onze Minister c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, namens deze de gemeente Zaltbommel, verplicht.

4.2 Milieu 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand heeft als doel bijvoorbeeld om ter plaatse van een 'gevoelig' object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving. Planspecifiek De ruimtelijke ontwikkeling betreft functiewijziging naar een paardenhouderij en vervorming van het bouwvlak. Volgens de VNG-lijst 2009 valt een paardenhouderij in het kader van de milieuzonering onder de omschrijving “Fokken en houden van paarden” of “manege”, waarvoor in beide gevallen de volgende richtafstanden gelden: • •

voor het aspect ‘geurhinder’ => 50 meter, voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter, 14

• •

voor het aspect ‘geluidhinder’ => 30 meter, voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter.

Op basis van de handreiking van de VNG dient een afstand van ten minste 50 meter van het bouwvlak tot bouwvlak van derden in acht genomen te worden. In de omgeving van het bedrijf is in dit geval met name de burgerwoning aan de Inktfordseweg 1b relevant. Dit is het meest dichtstbijzijnde object. Om geurhinder te voorkomen dient op basis van de milieuzonering minimaal 50 meter aangehouden te worden. De bouwvlakken (bestemmingsvlakken) liggen in de bestaande situatie in het vigerende plan ‘Buitengebied Zaltbommel’ direct aansluitend. In het beoogde plan wordt deze afstand niet kleiner of groter. Uit figuur 4-3 blijkt dat de te slopen stallen waar op dit moment de stallen zitten, op kortere afstand van de woning zijn gelegen dan de beoogde rijhal D. Tevens wordt een groot deel van het bouwvlak achter de woning 1d weggenomen en op grotere afstand van de woning gelegd. Dit is in lijn met het beginsel van milieuzonering om meer afstand te krijgen tussen bestemmingen in het kader van zonering.

Figuur 4-3 Uitsnede situatieschets met afstanden vanaf nr 1b

Uit bovenstaande figuur blijkt dat de rijhal op ongeveer 47 meter afstand van de woning nr 1b staat. De bestaande te slopen stal staat op ongeveer 40 meter vanaf de woning. Hiermee wordt de afstand tussen de objecten dus groter. Echter er wordt niet voldaan aan de 50 meter afstand in het kader van geurhinder zoals omschreven in het kader van milieuzonering. Geurhinder kan dan ook niet bij voorbaat worden uitgesloten en daarom wordt dit nader onderzocht in paragraaf 4.2.2. Voor stof- en geluidhinder dient bij een paardenhouderij minimaal 30 meter aangehouden worden tussen gevoelige objecten en de bedrijvigheid. Hieraan kan door de positie van de rijhal worden voldaan. Desalniettemin is er in de fijn stof berekeningen ook rekening gehouden met de paardenhouderij om gevolgen voor omwonenden goed in beeld te brengen, dit komt aan bod in paragraaf 4.2.7. In de navolgende paragrafen vanuit een zorgvuldige besluitvorming en in lijn met de onderzoek plicht ter voorbereiding van dit wijzigingsplan, gekeken naar de aspecten geurhinder, stofhinder, geluidhinder en gevaar. Conclusie Er kan niet worden voldaan aan de afstandseisen in het kader van milieuzonering tussen een woning en de beoogde paardenhouderij. Beide bouwvlakken (bestemmingsvlakken) zijn in de bestaande als beoogde situatie aansluitend.

Wel wordt de afstand tussen stallen en de woning in de beoogde situatie groter, echter niet zo groot dat in het kader van milieuzonering op het gebied van geurhinder bij voorbaat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.. In de volgende paragrafen is per 15

onderwerp aangegeven wat het effect is van de milieuhinderlijke functies op het plangebied en op welke wijze dit wordt opgelost. 4.2.2 Geur Uit de paragraaf 4.2.1 is gebleken dat rijhal op 47 meter van de meest dichtsbijzijnde woning aan de Inktfordseweg 1b komt te liggen. Hiermee kon niet voldaan worden aan de minimale afstandseis van 50 meter in het kader van milieuzonering. Er wordt daarom in deze paragraaf getoetst of het plan voldoet aan de regels ter voorkoming van geurhinder. Dit bedrijf heeft in de bestaande situatie als pluimveehouderij conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een afstandscriterium van 200 meter voor het aspect geur. De paardenhouderij heeft een beperkte afstandscriterium voor het aspect geur namelijk 50 meter. Ter plaatse van het te vervormen bouwvlak komt een rijhal te staan ten behoeve van de paardenhouderij. In deze paragraaf beperken wij ons dan ook tot het onderzoeken of de afstand van 47 meter tussen Inktfordseweg 1b en de rijhal voldoet aan de regelgeving omtrent geurhinder, zoals is geregeld in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. De Wgv vormt het expliciete toetsingskader voor zover het de beoordeling betreft van geurhinder afkomstig van veehouderijen.

In de Wgv is verankerd welke geurbelasting een voor geurgevoelig object mag ondervinden. De Wgv beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. Het Activiteitenbesluit volgt in paragraaf 3.5.8 dezelfde lijn als de Wgv. Het Activiteitenbesluit bevat dus ook voorschriften voor het houden van dieren met geuremissiefactoren en het houden van dieren zonder geuremissiefactoren. In 2010 heeft de gemeenteraad de geurverordening gemeente Zaltbommel vastgesteld. Hierin is per deelgebied het maximaal toegestane niveau van geurbelasting vastgelegd. In afwijking van de waarde (de afstand), genoemd in artikel 4, eerste lid onder a Wet geurhinder en veehouderij voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom (100 meter) is als waarde (afstand) van toepassing 50 meter. Voor het buitengebied zijn de afstandseisen door de gemeente dus niet gewijzigd ten opzichte van de systematiek in de Wet geurhinder en veehouderij voor het buitengebied. Plan specifiek Gezien het bovenstaande is naar de invloed van de rijhal (inclusief stallen) op de Inktfordseweg 3 door milieuspecialisten van Agra-Matic B.V. onderzoek gedaan naar de planspecifieke omstandigheden.

Uit de situatieschets Si-02, zoals bijgevoegd in bijlage 1, blijkt dat de beoogde positie van de rijhal op grotere afstand van de woning Inktfordseweg 3 is dan de bestaande stallen ten behoeve van de paardenhouderij. Deze stallen worden gesloopt. Dit komt ten goede aan het woon- en leefklimaat voor de woning. Desalniettemin is er een overschrijding van ongeveer 3 meter ter plaatse van de rijhal ten opzichte van de minimale afstandsnormen. In dit geval is dus planspecifiek getoetst of voldaan kan worden aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij zoals neergelegd in het Activiteitenbesluit. Uit artikel 3.119 lid 1 onder b Activiteitenbesluit blijkt dat het oprichten van een dierenverblijf (rijhal incl. stallen) niet is toegestaan als de afstand van de buitenzijde van een geurgevoelig object tot de buitenzijde van een dierenverblijf minder is dan 25 meter in het buitengebied. In dit geval is die afstand 47 meter en kan dus ruim worden voldaan aan deze afstandseis van gevel-gevel. Uit artikel 3.117 lid 1 onder b Activiteitenbesluit blijkt dat oprichting van een dierenverblijf niet is toegestaan indien de afstand tussen het emissiepunt en het geurgevoelig object minder is dan 50 meter. Uit figuur 4-4 blijkt dat er sprake zal zijn van mechanische ventilatie met twee ventilatiepunten op de voergang. Het meest nabije emissiepunt is het emissiepunt links op de tekening.

Uit deze tekening blijkt ook dat de eerste 5-6 meter van de rijhal niet gebruikt worden voor het huisvesten van dieren. Het emissiepunt zelf ligt bovendien nog ruim 18 meter verder. In totaal dus 6+18=24 meter afstand. Het gebouw zelf staat op 47 meter afstand, tel hierbij de afstand van 24 meter tot het meest dichtbij gelegen 16

emissiepunt bij op dan kom je op 71 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de voorgeschreven afstandseis van 50 meter tussen geurgevoelig object en emissiepunt.

Figuur 4-4 Uitsnede milieutekening beoogde nieuwbouw rijhal met boxen (rood omcirkeld de mechanische emissiepunten)

Conclusie Vanuit het aspect geur(hinder) van (agrarische) bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief. Ook wordt het meest nabijgelegen geurgevoelige object niet gehinderd in de uitbreidingsmogelijkheden omdat er voldoende ruimte wordt gecreëerd tussen gevel-gevels en gevelemissiepunt.

17

4.2.3 Geluid bedrijvigheid Uit de paragraaf 4.2.1 is gebleken dat er geen geluidgevoelige functies liggen binnen het invloedsgebied van de rijhal. De paardenhouderij die wordt geconcentreerd in de rijhal heeft conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een afstandscriterium van 30 meter voor het aspect geluid. Planspecifiek Er is in 2007 een omgevingsvergunning milieu verleend voor het houden van 36.588 legkippen, 47 paarden en 1 pony en ook in de revisievergunning uit 2003 was er al sprake van het houden van paarden op deze locatie. Er is in 2007 een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om de geluidsbelasting van milieu vergunde activiteiten te beoordelen. Het geluidsonderzoek van Greten Raadgevende ingenieurs (nr Rakw823aaA0jr) is opgenomen in bijlage 2. In het geluidsonderzoek zijn tevens de interne verkeersbewegingen meegenomen die direct verband houden met de paardenhouderij en voornamelijk plaatsvinden op het voorerf achter de woning 1b. Ten opzichte van die situatie komt de rijhal en hiermee het transport op het voorerf op grotere afstand van de woning te liggen. Hierdoor wordt de geluidbelasting op de woning verminderd. Er bleek in het uitgevoerde geluidsonderzoek geen overschrijding van geluidnormen door het houden van paarden. Wel door het afvoeren van kippen in de avondperiode.

Nu de afstand van de geluidbronnen tot het voor geluidgevoelig object groter wordt dan in de vergunde situatie 2007, kan worden gesteld dat het plan geen ongunstig effect zal hebben op de geluidsituatie in de omgeving. Ondanks het bovenstaande is naar de invloed van de rijhal op de Inkfordseweg 3 geïnventariseerd of er sprake is van een toename van geluidbronnen op het bedrijf. Bestaande legale activiteit

Aantal bewegingen Toename

Aantal bewegingen bestaand

beoogd per dag*

bezoekers (personenauto) bezoekers (bestelbus) tractor diverse werkzaamheden

auto 8

per dag* per dag* vrachtauto vrachtaut vrachtauto/trekker auto /trekker auto o/ trekker 50 42

2

2

4 2

4 2

aan-/afvoer diverse Totaal

10

2

54

6

44

Tabel 4-1 inventarisatie toename verkeersbewegingen door realisatie rijhal

Hoewel de verkeersbewegingen naar verwachting zullen toenemen ten opzichte van de bestaande planologische situatie, is de beoogde situatie reeds grotendeels opgenomen in het geluidsonderzoek uit 2007. Ten aanzien van het aspect geluidhinder wordt door de realisatie van de rijhal op de beoogde positie bijgedragen aan een verbetering van het woon- en leefklimaat ten aanzien van dit aspect. Conclusie Vanuit het aspect geluid van bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief. 4.2.4 Geluid verkeer Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen: • Woningen;

18

2 2 4

• •

Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven); Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Planspecifiek Een rijhal is geen geluidsgevoelige bestemming zoals een woning of een ander geluidsgevoelig gebouw. Er is dan ook geen nader onderzoek gedaan naar de geluidszones vanuit nabijgelegen A2 of spoorlijn Utrecht-Den Bosch. Conclusie Vanuit het oogpunt van geluid zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling. 4.2.5 Bodem Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie, in dit geval voor de functie paardenhouderij. Planspecifiek Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Er is geen bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de beoogde rijhal.

Dit hoeft ook niet omdat op basis van de Woningwet (artikel 8 lid 3) wordt gesteld dat geen bodemtoets hoeft plaats te vinden wanneer ‘het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’. In dit geval zal er niet meer dan 2 uur per dag in de rijhal worden verbleven door dezelfde personen en is er dus geen sprake van een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend wordt verbleven. Conclusie Op basis van de bekende bodemgegevens kan worden geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen functiewijziging. 4.2.6 Externe Veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het

19

Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Risicovolle bedrijven Het plan voorziet niet in het oprichten van risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten binnen de bestemming “Agrarisch met waarden”. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 en het spoor Meteren- Den Bosch. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische en brandbare stoffen (dit laatste geldt alleen voor het genoemde spoor). Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Het spoor Meteren-Den Bosch ligt wel binnen de 200 meter zone, maar dit spoor is nog niet formeel aangewezen als basisnetroute.

Hierdoor hoeft hier ook nog geen rekening mee te worden gehouden, maar hebben we onderstaand toch een doorkijkje gemaakt, rekening houdend met deze toekomstige aan te wijzen risicobron. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: - de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en - de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 16 april 2019 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit ten gevolge van het vrijkomen van toxische en/of brandbare stoffen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.

Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen. Buisleidingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebieden niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen 20

Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 en het spoor Meteren-Den Bosch. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voor het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.2.7 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: • de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; • de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; • de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; • gevoelige bestemmingen (waaronder woningen, scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten: 1. Woningbouw: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 2. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

21

Planspecifiek Het initiatief betreft een vormverandering en functiewijziging door toevoeging van de activiteit paardenhouderij. Hoewel deze activiteit nog niet eerder ruimtelijk was bestemd was er wel al lang sprake van een milieutechnisch vergunde paardenhouderij op deze locatie. Voor de naastgelegen woning is binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geen overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen meer van toepassing. Wel is verdere toename van fijn stof emissie ongewenst in dit gebied, gezien de hogere achtergrondbelasting door de veehouderijen, verkeer en industrie. Naar aanleiding van het advies van de omgevingsdienst op dit punt is met de gemeente, omgevingsdienst en initiatiefnemer overleg gevoerd over mogelijk te treffen maatregelen ten aanzien van fijn stof reductie om de cumulatieve overschrijding weg te nemen. In dit overleg is afgesproken dat de initiatiefnemer in een van de twee pluimveestallen (stal C) een fijn stof reducerende techniek zal toepassen (een strooiselschuif). In bijlage 3 zijn twee fijn stof berekeningen opgenomen van de fijn stof emissie in PM10 en Pm2,5 met het programma ISL3a. Hierin zijn ook alle voorkomende verkeersbewegingen opgenomen, en is dus ook NO2 meegenomen.

De eerste set berekeningen is de situatie zonder planologisch vergunde paardenhouderij op de locatie, hieruit komen de volgende uitkomsten: Uitkomsten PM 10 (Fijn stof) bestaande situatie

Figuur 4-5 Uitkomst ISL3a van bestaande bedrijfssituatie zonder strooiselschuif en paarden PM10

Uitkomsten PM 2,5 (Zeer fijn stof) bestaande situatie

De tweede set berekeningen is de situatie met planologisch vergunde paardenhouderij en nieuwbouw rijhal op de locatie, hieruit komen de volgende uitkomsten: Uitkomsten PM 10 (Fijn stof) beoogde situatie

Uitkomsten PM 2,5 (Zeer fijn stof) beoogde situatie

22

Uit bovenstaande berekeningen blijkt dat door de installatie van de fijn stof reducerende techniek in stal C, ondanks de bouw van de rijhal, er sprake zal zijn van een afname van de fijn stof concentratie op de naastegelegen woning. Met name het aantal overschrijdingsdagen neemt af met 2 dagen. Hiermee wordt substantieel bijgedragen aan het oplossen van de geconstateerde cumulatieve overschrijding van de woning Inktfordseweg 1b. In de beoogde situatie wordt ten aanzien van PM10 en PM2,5 ruim voldaan aan de wettelijke grenswaarden. De grenswaarde voor PM10 is 40 ug/m3 lucht en maximaal 50 overschrijdingsdagen. Hier wordt ruim onder gebleven in de beoogde situatie. De indicatieve grenswaarde voor zeer fijn stof (PM2,5) is 20 ug/m3, ook hier wordt met ongeveer 12 ug/m3 ruim onder gebleven. NO2 is opgenomen in de verkeersbewegingen die onderdeel vormen van de input van de fijn stof berekeningen. Hieruit blijkt dat de NO2 uitstoot onder de wettelijke normen blijft. NOx is opgenomen in de Aeriusberekeningen voor stikstofeffecten op natuur. Door de fijn stof reducerende maatregelen daalt ook de ammoniakemmissie, dit komt ten goede aan de luchtkwaliteit. De uitstoot van NOx en NO2 neemt ten opzichte van de milieu vergunde situatie niet toe.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling omdat het aantal te houden paarden van 47 niet toeneemt ten opzichte van de milieuvergunning. Omdat er sprake is van een gewijzigde planologische situatie en de naastgelegen woning een cumulatieve overschrijding heeft van het aantal overschrijdingsdagen, zijn er op het bedrijf fijn stof reducerende maatregelen toegepast in de vorm van een strooiselschuif in stal C. In de planregels (artikel 3.4.4 onder c) is met een voorwaardelijke verplichting geborgd dat de paardenhouderij alleen mag worden uitgebreid met de rijhal als ook de strooiselschuif of een vergelijkbare fijn stof reducerende techniek is toegepast in stal C. Uit bijgevoegde berekeningen van de fijn stof emissie in de planologische situatie zonder en met paardenhouderij blijkt dat er sprake zal zijn van een afname van de fijn stof emissie en het aantal overschrijdingsdagen. 4.3 Wet Natuurbescherming Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000gebieden.

In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Zaltbommel liggen de Natura 2000-gebieden 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en 'Uiterwaarden Waal'. Het natuurgebied Munnikenland en Loevestein dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem' ligt in het westen van de gemeente Zaltbommel. Het Natura 2000-gebied 'Kil van Hurwenen', dat deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Waal' ligt in het oosten van de gemeente Zaltbommel en, voor het overgrote deel, op het grondgebied van de gemeente Maasdriel. Voor Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van externe werking. Dat betekent dat ontwikkelingen buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelen binnen de Natura 2000-gebieden. Gebiedsbescherming Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9751362/1