CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan Gameren, Elskampseweg 6

Raadsvergadering 14 juli 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Gameren, Elskampseweg 628.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

4.1.8.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Rijntakken) is gelegen op een afstand van ongeveer 4,7 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

29

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Provincie Gelderland. De locatie beschikt over een Natuurbeschermingswetvergunning. Er vindt geen uitbreiding in dieraantallen plaats waardoor er geen toename van stikstof plaats zal vinden. De mestzak is daarbij afgesloten waardoor er ook op dit onderdeel geen sprake is van uitstoot van stikstof. Naast de neerslag van stikstof zijn ook aspecten als geluid, stof, licht en trillingen mogelijk van invloed op de betreffende gebieden. Echter is de afstand tot de betreffende gebieden dusdanig groot dat deze aspecten in de betreffende gebieden niet merkbaar zullen zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden.

De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. 30

4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit soort grond en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde soorten planten bevinden. Binnen het projectgebied is geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. 31

Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van sloop van bebouwing en/of het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in bebouwing en/of sloten hebben gevestigd. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter.

32

Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Gelderland Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.

33

Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Gelderland Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Zaltbommel 34

voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De gemeente Zaltbommel heeft de archeologische waarden vanuit de archeologische verwachtingskaart vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Binnen de afzonderlijke dubbelbestemmingen gelden, afhankelijk van de waarde, regels voor de bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden. Over een groot deel van de locatie, in ieder geval over de huidige bebouwing, is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' gelegen. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 150 centimeter onder maaiveld. Wanneer beide grenzen worden overschreden is nader onderzoek nodig. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2.500 m² (ongeveer 1.500 m²) en dieper dan 150 centimeter onder maaiveld, waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. Wanneer tijdens de werkzaamheden alsnog toevalsvondsten worden gedaan dan zal dit terstond worden gemeld bij het bevoegd gezag.

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

35

Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Gelderland Wel is de locatie gelegen in een waardevol open landschap. Dit waardevol open landschap is gekenmerkt als een waardevol open agrarisch gebied. Daarbij is het behoud van de waardevolle openheid van belang. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een verdichting van het open landschap. Er is immers sprake van een toename van bebouwing. Echter is rondom de locatie voldoende open ruimte, waarmee de openheid van het landschap rondom de locatie nog in voldoende mate kan worden beleefd. Daarnaast is geen sprake van uitbreiding van de bebouwing naar naastgelegen percelen en vindt de voorgenomen ontwikkeling vooral in de lengterichting plaats. Hiermee blijft de impact op het waardevolle open landschap beperkt en wordt de ontwikkeling acceptabel geacht op het gebied van cultuurhistorie ten aanzien van het waardevolle open landschap. Daarnaast is nabij de locatie een waardevolle eendenkooi gelegen. Daarbij is het van belang dat de beleving daarvan niet onevenredig wordt geschaad. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een gedeeltelijke verdichting op de locatie zelf. Echter vindt de voorgenomen uitbreiding niet plaats op de naastgelegen percelen.

Omdat er nog een volledig open perceel tussen de eendenkooi en de locatie is gelegen zal de beleving van de waardevolle eendenkooi niet onevenredig worden geschaad door de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. 36

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Elskampseweg. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren.

Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het wijzigen van de vorm van het bouwvlak en het positief bestemmen van de mestzak. Er wordt hierdoor niet meer mogelijk gemaakt dan nu ook al mogelijk is. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Rivierenland (hierna: het waterschap). Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor, en werkt voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar rivierenland.

Dit is de missie van Waterschap Rivierenland. De visie van Waterschap Rivierenland bestaat concreet uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. Voor allerlei zaken die worden uitgevoerd rondom huis, tuin, erf of bedrijf krijgt men te maken met regels van de overheid. Voor bijvoorbeeld het bouwen van een huis of het slopen daarvan, dan is toestemming nodig van de gemeente. In bepaalde situaties gelden ook regels van het waterschap. Waterschap Rivierenland mag de taken onder andere uitvoeren op grond van een wet (verordening), verder 37

aangehaald als "Keur". Hierin staat wat er gedaan moet worden (geboden) en wat er niet mag (verboden) bij een watergang of bij een waterkering (dijken e.d.). In de geboden staat voorgeschreven wat gedaan moet worden om te zorgen dat de watergangen en waterkeringen in stand blijven. In de verboden staan die zaken welke in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen of waterkeringen. Hierbij zijn voor A-watergangen beschermingszones, welke obstakelvrij gehouden moeten worden, opgenomen van 5 meter. Voor B-watergangen bedragen deze obstakelvrije zones 1 meter. Verder staan er in de Keur ook regels die gaan over onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen. Voor bepaalde activiteiten vlakbij een watergang of waterkering die weinig invloed hebben zijn algemene regels opgesteld. Voldoen de uit te voeren activiteiten aan de voorwaarden in de algemene regels, is geen watervergunning nodig. Dit houdt in dat de uit te voeren activiteit alleen schriftelijk moet worden 'gemeld' bij het waterschap, waarna men een toestemmingsbrief ontvangt. Voor alle uit te voeren activiteiten die niet voldoen aan de algemene regels, kan een watervergunning worden aangevraagd. Omdat het over een verbod gaat, wil het waterschap deze activiteiten eigenlijk niet.

Daarom zal de aanvrager duidelijk moeten maken waarom de activiteit voor hem van belang is. Als dat belang niet duidelijk is, of het waterschap vindt het belang niet groot genoeg ten opzichte van het belang van het waterschap of derden (buren e.d.), zal een aanvraag voor een watervergunning worden geweigerd. De Waterwet stelt in dit verband dat een besluit op grond van de Keur het zogenaamde 'nee-tenzij' principe kent. Waterschap Rivierenland heeft een openbare taak. Deze komt onder andere voort uit de toepassing van de Keur en de legger, en richt zich vooral op de bescherming en instandhouding van de bestaande waterstaatswerken (wateren en waterkeringen). De Keur verbiedt allerlei werken en handelingen die waterstaatswerken nadelig kunnen beïnvloeden. Voor werken en handelingen die meestal onder voorschriften- toch kunnen worden toegelaten kent de Keur een watervergunningsmogelijkheid. Het waterschap heeft twee belangrijke hoofdtaken: zorg voor de waterkerende functie en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied; zorg voor het watersysteem, zowel kwalitatief als kwantitatief; Voor beide taken geeft het waterschap daarbij uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies Beleidsregels hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend.

Als daarom voor nieuw stedelijk gebied een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden. Met het waterbeleid stelt het waterschap de volgende doelen: beschermen van de functie van watergangen; beschermen van het watersysteem. Om deze doelen na te streven heeft het waterschap beleidsregels in de Keur vastgesteld. Als de berging als gevolg van de werkzaamheden minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd. Dat betekent dat binnen hetzelfde peilvak, zo dicht mogelijk bij de ingreep, eenzelfde hoeveelheid waterberging gegraven moet worden. Dit geldt voor alle ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het wijzigen van het bouwvlak en het positief bestemmen van de mestzak. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij 38

is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Stenen bebouwing: 436 m³ per hectare. Kassen/glastuinbouw: 580 m³ per hectare. Maximale peilstijging oppervlaktewater: 0,3 meter. Maximale berging in bassin: 75%. Hierbij geldt een vrijstelling tot een verhard oppervlak van 1.500 m². Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen met ongeveer 4.600 m². Echter heeft de initiatiefnemer ook de locatie aan de Elskampseweg 2a te Gameren in eigendom. Voor deze locatie is reeds een procedure doorlopen waarbij het agrarisch bedrijf op die locatie is beëindigd en wordt, in ruil voor de sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing, voorzien in één extra burgerwoning. Aan de Elskampseweg 2a zal het verhard oppervlak afnemen met 2.542 m².

Gezien de locatie aan de Elskampseweg 2a in hetzelfde peilgebied is gelegen als de locatie aan de Elskampseweg 6 en de beide locaties in bezit zijn van de initiatiefnemer mag de afname van de verharde oppervlakte aan de Elskampseweg 2a worden verrekend met de toename van de verharde oppervlakte aan de Elskampseweg 6. Dat betekent dat de toename van de verharde oppervlakte nog 4.600 - 2.542 = 2.058 m² bedraagt. Hiermee is de benodigde compensatie als volgt te berekenen: 0,2058 hectare (= 2.058 m²) x 436 = 89,7 m³. Binnen het peilgebied waarin de locatie is gelegen geldt dat de maximale peilstijging 0,3 meter mag bedragen. De benodigde oppervlakte van de compenserende bergingsvoorziening dient daarmee minimaal 89,7 / 0,3 = 299,1 m² te bedragen. Daarnaast wordt ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling een (deel van een) B-watergang gedempt. Voor het dempen van B-watergangen geldt vanuit het beleid van het waterschap dat deze één op één gecompenseerd moeten worden. Tevens zijn in het verleden aan de zuidzijde van de locatie twee B-watergangen gedempt. Ook deze zullen moeten worden gecompenseerd. Compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2).

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag 39

wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "4.5.1 Voorgenomen activiteit" is voor de voorgenomen ontwikkeling compenserende waterberging nodig. Met het Waterschap zijn nadere afspraken gemaakt over de watercompensatie. De compensatie zal plaatsvinden door het aanleggen van een nieuwe watergang met voldoende capaciteit om de toename van het verhard oppervlak te compenseren, alsmede de te dempen en gedempte B-watergangen. De nieuwe watergang zal naast de locatie aan de Elskampseweg 2a worden aangelegd. Voor de gewenste voorziening en compensatie is door het waterschap reeds een vergunning in het kader van de Waterwet afgegeven. Hierin zijn de afspraken die zijn gemaakt voor wat betreft compensatie (bijvoorbeeld sloop bebouwing aan de Elskampseweg 2a) opgenomen en vastgelegd. Met de nieuw aan te leggen watergang en het vastleggen van de voorwaarden en uitgangspunten in de verkregen Waterwetvergunning (zie bijlage 2 van deze toelichting) is in voldoende mate geborgd dat in voldoende mate wordt voorzien in compenserende waterberging.

Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

40

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Zaltbommel. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan ""Buitengebied Zaltbommel" van gemeente Zaltbommel en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3

Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Zaltbommel vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de 41

Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

42

Hoofdstuk 6 6.1

Wijze van bestemmen

Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.

het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2

Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 43

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 44

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3

Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: 'Agrarisch met waarden', waarbij de functie voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf en het agrarisch gebruik van de gronden wordt neergelegd. In de planregels van dit bestemmingsplan voor deze bestemming is vastgelegd welke bedrijven en activiteiten zijn toegestaan. Daarnaast worden bepaalde bedrijfsvormen en activiteiten, zoals fruitteeltbedrijven, boomkwekerijen en nieuwe veestallen bij een veehouderij uitgesloten.

Tevens zijn daarin afwijkingsmogelijkheden opgenomen, waarmee een nieuwe veestal mogelijk gemaakt kan worden toegestaan, mits deze geen toename van de depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden tot gevolg heeft en/of als voor de activiteiten een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: Het bouwvlak is van vorm veranderd. Ter plaatse van de mestzak buiten het bouwvlak is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch mestzak' toegekend die de mestzak buiten het bouwvlak mogelijk maakt in het bestemmingsplan. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

45

46

Bijlagen bij de toelichting

47

Bijlage 1

Situatietekening

48

bestaande situatie

gewenste situatie www.dlvadvies.nl

DLV

Benaming:

Tekening ten behoeve van watervergunning

Schaal:

Omgevingsvergunning: activiteit bouwen

1 : 1000

Formaat:

A2

ADVIES &RESULTAAT

Bebouwd oppervlak

Verhard oppervlak

Situatie Bestaande situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal Aanduiding voorgevel

Nieuwe situatie

Toename

Bestaande situatie Nieuwe situatie

Toename

Opdrachtgever:

Datum:

Melkveehouderij V.O.F. Westra Elskampseweg 6 5311 PD Gameren Telefoon: 0418-562083 Mobiel: 06-20405655 E-mail: -

DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden

Bouwlocatie:

Projectleider:

Elskampseweg 6 5311 PD Gameren

Telefoon:

Telefoon: E-mail:

07-10-2019 A

0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl

B C D

E-mail:

FvdA

Wijzigingen:

Ing. J. den Hollander 06-53169174 j.denhollander@dlvadvies.nl

11-10-2019 23-01-2020 19-02-2020 01-12-2020

Klantnummer:

218378

FvdA FvdA FvdA FvdA

10-05-2021 29-09-2021 G 09-11-2021 E F

TdM AvdR RD

H

Werknummer:

B180891-91

Blad:

S15

Bijlage 2

Waterwetvergunning

50

Bezoekadres De Blomboogerd 1, 4003 BX Tiel Postadres Postbus 599, 4000 AN Tiel T (0344) 64 90 90 F (0344) 64 90 99 E info@wsrl.nl I www.waterschaprivierenland.nl Bank IBAN NL93 NWAB 0636 7572 69 BIC NWABNL2G

Melkveebedrijf Westra V.O.F. T.a.v. de heer G.A. Westra Elskampseweg 6 5311 PD GAMEREN

Datum:

Uw kenmerk:

Ons kenmerk:

Behandeld door:

14 juli 2021

--

2021006111/2021074575

Dhr. M.N. Lourens

Onderwerp: Vergunning

Doorkiesnummer / e-mail: (0344) 64 96 61 / m.lourens@wsrl.nl ’s woensdags afwezig

Geachte heer Westra, Op 14 januari 2021 hebben wij van DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V., namens u een aanvraag ontvangen. De aanvraag betreft het compenseren van veroorzaakt waterbergingsverlies door dempingen van wateren en toename van verhard oppervlak ter plaatse van de Elskampseweg 6 te Gameren. Ons besluit Wij hebben besloten u de gevraagde vergunning te verlenen. Deze vergunning treft u als bijlage aan. Het besluit en de voorschriften die wij aan de vergunning verbinden, kunt u lezen in deel 1 van de vergunning. De aangevraagde activiteiten en onze overwegingen die hebben geleid tot dit besluit kunt u lezen in deel 2 van de vergunning. Met welke aandachtspunten u verder rekening moet houden en op welke wijze u bezwaar tegen dit besluit kunt maken, kunt u lezen in deel 3 van de vergunning. Start activiteiten U moet ons vooraf op de hoogte stellen van de start van de activiteiten. Als wij niet weten wanneer u begint, loopt u het risico dat u de uitgevoerde werken achteraf moet aanpassen. In voorschrift 1.1 van de vergunning staat hoe u ons op de hoogte moet brengen. De in de voorschriften genoemde toezichthouder is T. Goesten, bereikbaar via telefoonnummer 06 239 296 14 of e-mailadres: TeamGBA@wsrl.nl. Leges Voor het in behandeling nemen van uw aanvraag moet u leges betalen. U ontvangt hiervoor van ons apart een aanslag legeskosten.

Aandachtspunten Eigendom derden Het perceel waarop u de werkzaamheden wilt gaan uitvoeren, is niet uw eigendom. Om de werkzaamheden zoals beschreven in de vergunning, te kunnen uitvoeren, hebt u toestemming van de eigenaar nodig. Wij verzoeken u hiervoor contact op te nemen met de eigenaar of eigenaren.

W ater s c ha p Ri v i er e n l an d Ons kenmerk: 2021006111/2021074575 Pagina 2 van 9

Opmerkingen - Mogelijk hebt u behalve deze vergunning nog andere vergunningen, ontheffingen en/of (privaatrechtelijke) toestemmingen nodig voor de vergunde activiteiten. U moet hiervoor zelf contact opnemen met de mogelijk overige bevoegde gezagen en/of overige belanghebbenden. - Als de door ons gestelde voorschriften of (uitvoerings-)eisen strijdig zijn met die van andere overheden, moet de vergunninghouder zorgdragen voor overleg tussen de diverse partijen over de wijze waarop de werkzaamheden kunnen worden voortgezet. - Als de werkzaamheden klaar zijn, zal het waterschap een controle uitvoeren. Van deze controle wordt een schriftelijk verslag gemaakt. De vergunning is pas definitief opgeleverd, als controle heeft plaatsgevonden. - Voor de kwalitatieve aspecten van de lozing van hemelwater zijn de Algemene regels van het Activiteitenbesluit (artikel 3.3) van toepassing. - Bij de uitvoering van de werkzaamheden is mogelijk ook de Wet natuurbescherming van toepassing. Dit betekent dat de vergunninghouder schade aan planten en/of dieren en hun directe leefomgeving zoveel mogelijk moet voorkomen. - Grond welke als gevolg van de werkzaamheden wordt verontreinigd, moet door de vergunninghouder worden verwijderd en afgevoerd. - Het Besluit bodemkwaliteit stelt voorwaarden aan het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen in het oppervlaktewater.

Als er bouwstoffen, grond of baggerspecie worden toegepast moet de vergunninghouder dit melden via het Meldpunt bodemkwaliteit. Via het meldsysteem kan ook eenmalig de toepassingslocatie van een werk van meer dan 50 m³ schone grond worden gemeld. - Wij zijn voornemens de wijzigingen van de betrokken waterstaatswerken in lengte, diepte, breedte of ligging, als gevolg van de vergunde werkzaamheden, op te nemen in de legger. Als het nodig is, zullen we dan ook de beschermingszones aanpassen. - Deze vergunning geldt ook voor eventuele rechtsopvolgers. De vergunninghouder moet hen van deze vergunning op de hoogte stellen. Contact Voor vragen over deze brief en de vergunning kunt u contact opnemen met bovengenoemde contactpersoon. Wij verzoeken u bij alle correspondentie over deze vergunning ons kenmerk te vermelden.

Hoogachtend, namens het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, de teamleider Vergunningen, Toezicht en Handhaving,

A. Koppelman

Bijlage(n): Besluit Afschrift: T-GBA (Goesten)/milieu@dlvadvies.nl

W ater s c ha p Ri v i er e n l an d Ons kenmerk: 2021006111/2021074575 Pagina 3 van 9

Deel 1 Besluit en voorschriften Aanhef Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland heeft op 14 januari 2021 een aanvraag ontvangen van DLV Bouw, Milieu en techniek B.V., namens Melkveebedrijf Westra V.O.F., Elskampseweg 6 te Gameren om een vergunning te verlenen. Besluit Gelet op de bepalingen van de Waterwet, het Waterbesluit, de Waterregeling, de Keur Waterschap Rivierenland 2014, de Algemene wet bestuursrecht en de in deel 2 vermelde overwegingen, besluit het college van dijkgraaf en heemraden als volgt: 1. aan de heer G.A. Westra en rechtverkrijgende(n) vergunning als bedoeld in artikel 3.2, lid 4 van de Keur Waterschap Rivierenland 2014 te verlenen voor: a. het dempen en compenseren van de B-watergangen nummers 033932 en 033948 ter plaatse van de Elskampseweg 6 te Gameren, gelegen op de percelen kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie P, nummers 537, 538, 539 en 829; b. het lozen van hemelwater op oppervlaktewater afkomstig van nieuw bebouwd en verhard oppervlak ter plaatse van de Elskampseweg 6 te Gameren, gelegen op de percelen kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie P, nummers 537, 538, 539 en 829. 2. de volgende gewaarmerkte documenten deel te laten uitmaken van deze vergunning:     

tekening nummer 1 (huidige leggersituatie); bijlage 1 (berekening bergingsverlies demping) d.d. 25-09-2020; tekening nummer 2 (locatie nieuwe watergang); tekening nummer B180891-91 d.d. 01-12-2020 (bestaande en nieuwe situatie); principetekening nummer 8 (drainage);

3. aan de vergunning de in deel 1 opgenomen voorschriften te verbinden.

Tiel, 14 juli 2021 Besluitnummer: 2021006111/2021074575 Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, namens deze, de teamleider Vergunningen, Toezicht en Handhaving,

A. Koppelman

W ater s c ha p Ri v i er e n l an d Ons kenmerk: 2021006111/2021074575 Pagina 4 van 9

Voorschriften 1.

Algemene voorschriften

1.1

Minstens 5 werkdagen voordat met de werkzaamheden wordt begonnen, moet dit per email worden gemeld bij de in de begeleidende brief genoemde toezichthouder.

1.2

Als de uitvoering van de werken waarvoor deze vergunning is verleend niet uiterlijk drie jaar na dagtekening van deze watervergunning is gestart, kunnen wij deze vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken.

1.3

Als de vergunninghouder, of degene die de werkzaamheden uitvoert, met het werk bezig is, moet de vergunning (of een kopie ervan) op het werk aanwezig zijn. De vergunninghouder moet ervoor zorgen dat degene die de werkzaamheden uitvoert, op de hoogte is van de voorschriften in deze vergunning.

1.4

De vergunninghouder is verplicht de redelijkerwijs mogelijke maatregelen te nemen om schade aan eigendommen van het waterschap en/of derden, als gevolg van het gebruik van deze vergunning, te voorkomen.

1.5

Het werk moet worden uitgevoerd conform de tekeningen behorende bij dit besluit. Als op de tekeningen door het waterschap een wijziging is aangebracht, moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd zoals op de tekening(en) staat aangegeven.

1.6

De vergunninghouder moet de werkzaamheden zonder onderbreking uitvoeren. Daarbij moeten alle aanwijzingen, gegeven door de toezichthouder, onmiddellijk worden opgevolgd.

1.7

Als het werk klaar is, moet dit per e-mail worden gemeld bij de eerdergenoemde toezichthouder. Algemene voorschriften specifiek voor wateren

1.8

Het uitvoeren van het werk mag de doorstroming van het water niet hinderen.

1.9

Als de werkzaamheden worden uitgevoerd in een watervoerende watergang, dan moet deze, voordat de werkzaamheden beginnen, worden afgedamd met damwanden of schotten, tenzij de toezichthouder aangeeft dat dit niet nodig is.

1.10

Als het water (watergang) moet worden afgedamd, dan moet de wateraan- en afvoer worden geborgd, bijvoorbeeld door middel van een pompinstallatie met een voldoende capaciteit. Bij onverwacht hogere aan- of afvoerdebieten moet opnieuw contact worden gezocht met de toezichthouder.

1.11

Er mogen geen verontreinigde stoffen in oppervlaktewateren gebracht worden. Het is dan ook niet toegestaan gewolmaniseerde of gecreosoteerde oeverbeschermingsmaterialen te gebruiken.

1.12

De vergunninghouder is aansprakelijk voor eventuele gebreken aan het werk. Als de bodem of de taluds van wateren worden beschadigd als gevolg van de werkzaamheden of het werk,

W ater s c ha p Ri v i er e n l an d Ons kenmerk: 2021006111/2021074575 Pagina 5 van 9

moet dit direct worden hersteld. Aanwijzingen van de toezichthouder moeten hierbij direct worden opgevolgd. 1.13

Als er tijdens het werken grond of materiaal en dergelijke in het water terechtkomt, moet dit direct worden verwijderd.

2.

Bijzondere voorschriften Het dempen en compenseren van wateren

2.1

Voordat de demping wordt uitgevoerd, moet de compensatie van het bergingsverlies zijn gemaakt conform de hieronder vermelde voorschriften.

2.2

Het verlies aan waterberging als gevolg van de demping moet worden gecompenseerd door het graven van nieuw water.

2.3

Het nieuwe water moet voldoen aan de volgende maatvoering:  lengte : 120 meter.  bodembreedte : 1,8 meter.  bodemhoogte : NAP +0,10 meter.  talud : 1:1 Het zomerpeil ter plaatse is NAP +0,60 meter.

2.4

Het nieuwe water dient te worden gegraven conform ligging zoals weergegeven op de onder voorschrift nummer 1.5 van dit besluit vermelde tekeningen.

2.5

De bodem en het talud van het nieuwe water moet onder strak profiel worden afgewerkt.

2.6

De bodem en taluds van het te (ver)graven water moeten zijn voorzien van een voldoende dikke kleilaag ten behoeve van stabiliteit en/of om opbarsting en/of wegzijging te voorkomen. De kleilaag moet minimaal 1,00 meter dik zijn. Toe te passen klei moet een afslibbaarheidpercentage van 65% en een lutumpercentage tussen 25% en 37% hebben. Tevens moet de klei voldoen aan het Besluit bodemkwaliteit.

2.7

Het doorstroomprofiel van het nieuwe water (van insteek tot insteek) moet door vergunninghouder vrij van obstakels worden opgeleverd, behalve als er obstakels volgens dit besluit zijn toegestaan.

2.8

Aan beide zijden van het water moet een strook met een breedte van minimaal 1,00 meter gemeten uit de nieuwe insteek van het nieuwe water door vergunninghouder worden vrijgemaakt en/of worden vrijgehouden van obstakels. Daarnaast moet deze strook altijd toegankelijk zijn voor het uitvoeren van onderhoud aan het water.

2.9

Als ter plaatse van een te (ver)graven water kabels en/of leidingen aanwezig zijn, moeten deze voorafgaand aan het (ver)graven van het water minimaal 1,00 meter uit het te realiseren profiel (bodem en taluds) van het te (ver)graven water worden gelegd.

W ater s c ha p Ri v i er e n l an d Ons kenmerk: 2021006111/2021074575 Pagina 6 van 9

2.10

Als in een te vergraven water duikers aanwezig zijn, moeten deze in de as van (middenin) het vergraven water worden gelegd en moeten deze qua afmetingen en diepteligging voldoen aan het vigerend beleid.

2.11

Voordat een nieuw gegraven of vergraven water een voor de waterhuishouding van belang zijnde wateraan- of -afvoerende functie krijgt, moet het water worden goedgekeurd door de toezichthouder.

2.12

De lengte van de demping op maaiveldniveau mag niet meer zijn dan 120 meter, zoals weergegeven op de onder voorschrift nummer 1.5 van dit besluit vermelde tekeningen.

2.13

Bij de uiteinden van het te dempen water moet de slappe specie worden verwijderd. Tevens moet aan de zijde van de aanvulling een betuining worden geplaatst en moet het talud worden opgezet met stapelzoden.

2.14

Eventueel aanwezige afvoeren van aanliggende percelen die (hemel)water lozen op het te dempen water moeten zodanig worden aangepast dat deze hun functie volledig behouden.

2.15

Als blijkt dat na uitvoering van de demping wateroverlast ontstaat (bijvoorbeeld. als gevolg van kwelwater), moet er in het voormalige profiel van het gedempte water een drain gelegd worden, die afwatert op het omliggende watersysteem. De drain moet aan de volgende eisen voldoen:  diameter van 60 mm;  diepte maximaal 0,65 meter onder maaiveld;  uitstroomvoorziening conform principetekening 8.

2.16

De vergunninghouder is verplicht tot aan de oplevering het water in goede staat te onderhouden en eventueel in het water opkomende houtige gewassen tijdig te verwijderen.

2.17

De vergunninghouder en/of de rechtverkrijgende moeten eventuele verzakkingen die optreden binnen 1 jaar na de oplevering van werkzaamheden, op eerste aanzegging door of namens het waterschap herstellen. Het lozen van hemelwater op wateren

2.18

Voordat de verharding en/of bebouwing wordt aangebracht, moet waterberging worden gerealiseerd voor de opvang van het versneld afgevoerde hemelwater conform de hieronder vermelde voorschriften.

2.19

Ter compensatie van de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak moeten 2.542 m2 aan bestaand bebouwd en/of verhard oppervlak ter plaatse van de Elskampseweg 2 te Gameren worden gesloopt en nieuw oppervlaktewater worden aangelegd conform de voorschriften 2.1 t/m 2.11.

W ater s c ha p Ri v i er e n l an d Ons kenmerk: 2021006111/2021074575 Pagina 7 van 9

Deel 2 Aanvraag en overwegingen Aanleiding De aanvraag is gedaan in verband met de verbreding van een melkveestal en de realisatie van een werktuigenberging. Activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd De aanvraag betreft het volgende: a. het dempen en compenseren van de B-watergangen nummers 033932 en 033948 ter plaatse van de Elskampseweg 6 te Gameren, gelegen op de percelen kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie P, nummers 537, 538, 539 en 829; b. het lozen van hemelwater op oppervlaktewater afkomstig van nieuw bebouwd en verhard oppervlak ter plaatse van de Elskampseweg 6 te Gameren, gelegen op de percelen kadastraal bekend als gemeente Kerkwijk, sectie P, nummers 537, 538, 539 en 829. Procedure De aanvraag is ontvangen op 14 januari 2021, geregistreerd onder nummer 2021006111 en aangevuld op 23 februari 2021. Toetsing van de aanvraag De aanvraag is getoetst aan de doelstellingen van de Waterwet en de Keur Waterschap Rivierenland 2014. Deze doelstellingen en belangen vormen de basis voor vergunningverlening en zijn vastgelegd in wettelijk vastgestelde normen en aanvullend beleid. Overwegingen - De aanvraag is getoetst aan de algemene toetsingscriteria van de Beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014 en aan waterhuishoudkundige uitgangspunten. - De aanvrager is voornemens om de B-watergangen 033932 en 033948 te dempen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11671177/1