CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan Gameren, Elskampseweg 6

Raadsvergadering 14 juli 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Gameren, Elskampseweg 628.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

GAMEREN, ELSKAMPSEWEG 6 bestemmingsplan

Gameren, Elskampseweg 6 bestemmingsplan

Vastgesteld

T.M.H. Nierkes Adviseur ruimtelijke ordening J. den Hollander Projectleider Bouw

IMRO-IDN: NL.IMRO.0297.BGBBP2022003-VS01

Datum: 3-2-2022

2

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2

Situatietekening Waterwetvergunning

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden Artikel 4 Waarde - Archeologie 4 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Artikel 6 Algemene bouwregels Artikel 7 Algemene gebruiksregels Artikel 8 Algemene aanduidingsregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Artikel 11 Algemene procedureregels Artikel 12 Overige regels

6 6 6 7 8 10 10 12 14 14 16 17 22 22 29 34 37 37 41 41 41 41 43 43 43 45

47 48 50

65 66 66 74 75 75 81 84 84 85 86 88 90 91 92 93 3

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht Artikel 14 Slotregel

Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Landschappelijk inrichtingsplan Staat van bedrijfsactiviteiten Beleidsregel toetsingskader kleinschalige opwekking energie

94 94 95

97 98 100 124

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Zaltbommel " van gemeente Zaltbommel ten behoeve van het wijzigen, maar niet vergroten, van het bouwvlak en het toevoegen van een aanduiding voor de mestzak. Hierdoor kan de initiatiefnemer de bedrijfsactiviteiten ter plaatse ook in de toekomst op duurzame, en toekomstbestendige wijze voortzetten. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Momenteel is de aanwezige mestzak buiten het bouwvlak gelegen. Gezien deze noodzakelijk is voor een duurzame en toekomstbestendige bedrijfsvoering is het noodzakelijk deze mestzak positief te bestemmen middels een aanduiding in het bestemmingsplan, waarmee deze juridisch wordt geborgd in het bestemmingsplan. Daarnaast is het huidige bouwvlak niet optimaal ingetekend voor een volwaardige en duurzame bedrijfsvoering met voldoende toekomstperspectief. In de nieuwe situatie is het bouwvlak optimaal ingetekend en kan een duurzame, toekomstbestendige bedrijfsvoering worden geborgd. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Elskampseweg 6 te Gameren en is gelegen aan de zuidoost kant van Gameren in het landelijk gebied van gemeente Zaltbommel. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Kerkwijk, sectie P, nummers 828, 829 en 1835. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

6

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Zaltbommel" van de gemeente Zaltbommel, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 september 2014, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak' en 'openheid' van toepassing en zijn er 2 bedrijfswoningen toegestaan..

7

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Naast het bestemmingsplan "Buitengebied, Zaltbommel" is ter plaatse het bepaalde in de bestemmingsplannen "Parapluplan Parkeren" (vastgesteld op 14 juni 2018), "Parapluherziening verkamering woningen" (vastgesteld op 5 november 2020) en "Paraplubestemmingsplan kleinschalige opwekking windenergie" (ontwerp ter inzage gelegen tot en met 15 september 2021), voor zover relevant, van toepassing. In de parapluherzieningen zijn de bestemmingen en aanduidingen op de locatie echter niet gewijzigd. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. 8

Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

9

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Zaltbommel. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische graslanden en landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door watergangen en lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Tevens zijn nabij de locatie enkele gebieden met een natuurbestemming gelegen. Op de locatie is momenteel een melkrundveehouderij aanwezig. Het huidige bouwvlak is 1,5 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

10

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

11

Intekening huidig bouwvlak Bron: Bijlage 1 Situatietekening

2.2

Gewenste situatie

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het bouwvlak van vorm te veranderen om een nieuwe werktuigenberging te bouwen. Daarnaast wenst de initiatiefnemer de bestaande situatie van de mestzak vast te leggen in het bestemmingsplan door middel van het toekennen van een aanduiding die de mestzak buiten het bouwvlak mogelijk maakt. Het nieuwe bouwvlak blijft de bestaande oppervlakte aan m² behouden. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Op deze tekening is tevens de landschappelijke inpassing ingetekend. Dit bedraagt de uitbreiding van de groenvoorziening met struweelbeplaning en knotwilgen aan de zuidoost-zijde van het terrein. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

12

Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Het bouwvlak ter plaatse is niet handig ingetekend om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te wijzigen zonder het te vergroten. De omvang van het bouwvlak zal daarbij niet toenemen en 1,5 hectare blijven.

13

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 14

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening". De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 15

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie Gelderland heeft op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen. De provincie Gelderland streeft naar een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Voor wat betreft gezondheid en veiligheid betekent dat een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van de flora en fauna. Daarbij wil de provincie voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen zonder daarbij de aandacht te verliezen voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Voor wat betreft schoon en welvarend Gelderland betekent dat een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, een goede bereikbaarheid en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Daarbij is het streven het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, waarbij wordt gezocht naar mogelijkheden voor het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. De provincie heeft daarnaast de doelstelling om in 2050 geheel klimaatneutraal te zijn.

Hiervoor zijn maatregelen nodig met betrekking tot het opwekken van duurzame energie. 16

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland van de provincie Zuid-Holland.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 heeft de provincie Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De omgevingsverordening is meerdere malen geactualiseerd en gewijzigd. De meest recente versie is op 31 maart 2021 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de omgevingsvisie naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Vanuit de omgevingsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'plussenbeleid'. Het "plussenbeleid" is alleen van toepassing wanneer sprake is van (ontwikkeling van) een niet-grondgebonden veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van (de ontwikkeling van) een niet-grondgebonden veehouderij. Het "plussenbeleid" is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Ten tijden van het aanvragen van de bouwvergunning moet dit nader worden onderbouwd. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland van de provincie Geldenland.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeente Zaltbommel heeft op 19 september 2019 de Structuurvisie Buitengebied Zaltbommel vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de structuurvisie is de locatie, zoals weergegeven in de volgende figuur, gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'open agrarisch gebied' en 'waardevol open gebied'.

17

Uitsnede kaart Structuurvisie Buitengebied Zaltbommel. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Het open agrarisch gebied betreft het open komgebied. Onderdeel van dit gebied is ook het provinciaal waardevol open gebied. Het gaat in deze gebieden primair om gave open kommen met grote openheid en weidebouw. Dit gebied is primair bedoeld voor de verdere ontwikkeling van de grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Daarbij dient de openheid van het gebied te worden gerespecteerd. Tevens vormt het behoud van de aanwezige aardkundige waarden (oude meanders, wielen, donken) een doelstelling. In het open agrarisch gebied wordt terughoudend omgegaan met mogelijkheden voor functieverandering om potentiële beperkingen voor agrarische bedrijven te voorkomen. Tevens kunnen vrijkomende opstallen in deze gebieden in sommige gevallen gebruikt worden voor hervestiging van agrarische bedrijven. De locatie blijft in gebruik voor agrarische doeleinden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied Zaltbommel van gemeente Zaltbommel.

3.3.2 Landschapsplan Bommelerwaard In 2004 heeft de gemeente Zaltbommel in samenwerking met de gemeente Maasdriel het Landschapsplan Bommelerwaard vastgesteld. Het landschapsplan heeft als hoofddoel het vastleggen van een beleidskader voor het behouden en versterken van bestaande landschaps-, natuur-, cultuurhistorische en recreatieve waarden en voor een goede inpassing van ruimtelijke en functionele ontwikkelingen, alsmede het initiëren van nieuwe initiatieven en maatregelen gericht op het versterken van de cultuurhistorische identiteit en de landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteit van de Bommelerwaard. Het landschapsplan heeft niet de bindende werking van een bestemmingsplan buitengebied. Wel is er een duidelijke relatie met gemeentelijke bestemmingsplannen en structuurplannen. De uitgangspunten uit het landschapsplan worden waar mogelijk geborgd in een bestemmingsplan. In het landschapsplan ligt een sterk accent op de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Het plan spreekt zich ook nadrukkelijk uit over natuur en cultuurhistorie. 18

In de Bommelerwaard doen zich momenteel allerlei ontwikkelingen voor samenhangend met de sectoren of functies die in het gebied aanwezig zijn. Deze ontwikkelingen beïnvloeden het landschap en de hierin aanwezige cultuurhistorische waarden, natuurwaarden en de betekenis van het landschap voor de recreatie. In het landschapsplan worden de belangrijkste ontwikkelingen kort belicht en worden knelpunten en kansen gesignaleerd die zich als gevolg hiervan in het landschap voordoen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een agrarische melkrundveehouderij. Dit betreft grondgebonden landbouw. De grondgebonden landbouw neemt in de Bommelerwaard een belangrijke positie in. Het overgrote deel van het gebied is in gebruik als grasland. Dit geldt met name voor de komgebieden en in mindere mate ook voor de oeverwallen. Dit verschil draagt bij aan de ruimtelijke structurering en karakteristiek van verschillende delen van de Bommelerwaard. Vanuit de melkveehouderij bestaat de wens om de verkaveling te verbeteren, met mogelijk dezelfde gevolgen voor het landschap als genoemd bij de fruitteelt. Het zoeken naar nieuwe inkomensbronnen kan zowel positieve (bijdrage aan eigen identiteit) als negatieve effecten hebben op het landschap (verrommeling). Hetzelfde geldt voor vrijkomende agrarische bebouwing.

Door sloop kan mogelijk een storende invloed op het landschap ongedaan worden gemaakt. Ten aanzien van de grondgebonden landbouw zijn de volgende knelpunten te verwachten: De verkavelingssituatie in het oostelijk deel van de Bommelerwaard voldoet niet aan de eisen voor een goede bedrijfsvoering; herverkaveling kan echter leiden tot het verdwijnen van karakteristieke verkavelingen en beplantingen door herverkaveling; Het gevaar bestaat voor verrommeling van het landschap door hergebruik van stallen en het ontstaan van nevenfuncties. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een herverkaveling. De bedrijfsvoering wordt niet uitgebreid naar naastgelegen percelen. Er is daarmee geen sprake van een herverkaveling die kan leiden tot het verdwijnen van de karakteristieke verkavelingen en/of beplantingen. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van hergebruik van stallen en/of van nevenfuncties. Daarmee is geen sprake van een mogelijke verrommeling van het landschap door deze aspecten.

Als kansen voor de grondgebonden landbouw zijn de volgende aspecten opgenomen: het financieel stimuleren van de aanleg van erfbeplanting en een goede ruimtelijke inpassing van nieuwe stallen; het behoud van de openheid door het versterken van de positie van de grondgebonden landbouw in de open gebieden; het financieel stimuleren van activiteiten van agrariërs op het gebied van natuurbeheer, waterbeheer en recreatie; het financieel stimuleren van het actief behoud en herstel van waardevolle landschapselementen door agrariërs. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een versterking van de positie van de grondgebonden landbouw in het gebied door een grondgebonden landbouwbedrijf de kans te geven zich te ontwikkelen tot een duurzaam en volwaardig bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Hiermee blijft de weidegrond in de omgeving behouden en onderhouden en wordt de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden. Daarnaast zijn in de melkrundveehouderij sector vele ontwikkelingen gaande op het gebied van het sluiten van kringlopen en voor natuurinclusieve landbouw. Ook het bedrijf van de initiatiefnemer volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en past deze waar mogelijk en voor zover rendabel ook toe. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee goed aan bij de kansen voor de grondgebonden landbouw.

Naast specifieke kansen en knelpunten zijn er nog overige, meer algemene kansen en knelpunten opgenomen in het landschapsplan. Als overige knelpunten zijn de volgende aspecten benoemd: de grote beton- en baksteen fabrieken in de uiterwaarden hebben een negatief effect op de ruimtelijke continuïteit en landschappelijke kwaliteit van de uiterwaarden, maar horen als activiteiten wel in de uiterwaarden thuis; het eiland Alem wordt niet als een schiereiland in de rivier ervaren doordat de toegangsweg wordt omgeven door bos; karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle dorpskernen en andere elementen (molens, forten, 19

kastelen enzovoort) zijn op veel plaatsen ingebouwd tussen bedrijfs- en woonbebouwing, beplantingen en kassen waardoor de landschappelijke context en hiermee de identiteit van deze elementen verloren dreigt te gaan en waardevolle zichtlijnen op deze elementen langzamerhand verdwijnen; de eigen identiteit van de oeverwallen en komgebieden staat onder druk door ruimtelijke verdichting, architectonische kwaliteit nieuwe bebouwing, 'vertroebeling' overgang naar de komgebieden en het ontbreken van herkenbare ruimtelijke structuur; de herkenbaarheid en eigen identiteit van cultuurhistorische landschappen (kommen en oeverwallen) dreigt te verdwijnen, doordat steeds meer nieuwe ontwikkelingen geen duidelijke binding meer hebben met de ondergrond. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een grote beton- en baksteenfabriek. Tevens wordt de ontwikkeling van dergelijke fabrieken niet beperkt of gestimuleerd door de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling heeft ook geen betrekking tot het eiland Alem en heeft daar geen relatie of binding mee. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen cultuurhistorisch waardevolle dorpskernen en/of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen ingebouwd en/of onevenredig geschaad. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een onevenredige ruimtelijke verdichting.

Daarnaast is geen sprake van een vertroebeling van de overgang naar de komgebieden. Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het verdwijnen van de herkenbaarheid en de eigen identiteit van de cultuurhistorische landschappen. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot het verder tot uiting komen van de mogelijke overige knelpunten in het gebied. Als overige kansen zijn de volgende aspecten opgenomen in het landschapsplan: De grote rijkdom aan cultuurhistorische objecten zoals kastelen en forten biedt bijzondere mogelijkheden voor een versterking van de landschappelijke kwaliteit, herkenbaarheid en de recreatieve structuur van de Bommelerwaard. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van cultuurhistorische elementen en/of van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal de versterking van de landschappelijke kwaliteit door cultuurhistorische objecten niet in de weg staan. Naast kansen en bedreigingen voor verschillende sectoren en ontwikkelingen in de Bommelerwaard heeft de gemeente een landschapsvisie opgenomen in het landschapsplan, waarin voor elk gebied een eigen karakteristiek, problematiek en kansen zijn uitgewerkt. In de Bommelerwaard worden drie landschappelijke hoofdeenheden onderscheiden. Dit zijn de rivieren met de uiterwaarden, de oeverwallen en de komgebieden.

In elk van deze hoofdeenheden zijn ontwikkelingen gaande die vragen om een eigen benadering van het landschap. In het landschapsplan wordt ingegaan op de wenselijke ontwikkeling van deze drie gebieden en worden de algemene beleidsuitgangspunten die op deze gebieden van toepassing zijn beschreven. De locatie is in een komgebied gelegen. Het van oudsher aanwezige contrast tussen de openheid van de komgebieden en de relatief dichte oeverwallen en de diversiteit aan landschappelijke overgangen tussen de oeverwallen en de komgebieden (geleidelijk/abrupt, gedifferentieerd/homogeen) draagt bij aan de identiteit van de Bommelerwaard als geheel. Door de 'sluipende' verdichting van de komgebieden dreigen deze verschillen langzaam te verdwijnen, wat ten koste gaat van de landschappelijke identiteit van de Bommelerwaard. Om dit te voorkomen zal de openheid van de kommen actief beschermd moeten worden. Algemeen wordt in de komgebieden gestreefd naar het reduceren van de hoeveelheid bebouwing en ruimtelijk verdichtende elementen die van oudsher niet in de kommen thuishoren en van ruimtelijke versnippering door bovenlokale infrastructuur.

Binnen de komgebieden zijn de volgende beleidsuitgangspunten van toepassing: tegengaan verdere verdichting van de komgebieden binnen de 'centrale openruimte contour'; overwegen actieve verplaatsing glastuinbouwbedrijven en champignonkwekerijen uit de komgebieden naar concentratiegebieden op de oeverwallen (voorwaarden zijn: medewerking eigenaar, financiële mogelijkheden (subsidiemogelijkheden, gemeentelijk budget); 20

ontmoedigen uitbreiding fruitteelt (laagstamboomgaarden) in centrale delen komgebieden en stimuleren verplaatsing naar de randen/oeverwallen (omvorming naar weidegrond); tegengaan versnippering (actief ontsnipperen) en verdichting langs infrastructuur; tegengaan verstoring komgebieden door geluid en verlichting en versterken rust (weidevogels); behoud differentiatie overgangen naar de oeverwallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een zeer beperkte verdichting. Deze vindt echter niet plaats in de 'centrale openruimte contour' en vindt plaats in de lengterichting van het bedrijf, waarmee de openheid niet onevenredig zal worden aangetast. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een glastuinbouwbedrijf en/of een champignonkwekerij. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling eveneens geen sprake van fruitteelt en/of bomenteelt. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot versnippering en zal de doelstellingen tot het actief ontsnipperen langs de infrastructuur niet in de weg staan. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige toename van de uitstraling van licht en/of geluid. De versterking van de rust zal daarmee niet worden belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het vervagen en/of aantasten van de overgangen tussen de komgebieden en de oeverwallen.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten ten aanzien van de komgebieden. De voorgenomen ontwikkeling past gezien het voorgaande goed binnen de uitgangspunten uit het Landschasplan Bommelerwaard van de gemeente Zaltbommel.

21

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het wijzigen van het bouwvlak van een melkveehouderij en het toevoegen van funtieaanduiding voor de mestzak. Ten aanzien van een melkveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op een afstand van ongeveer 250 meter. Dit betreft de burgerwoning aan de Rondgang 23. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. 22

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied. De gemeente Zaltbommel heeft een eigen geurbeleid vastgelegd in een geurverordening. In de gemeentelijke geurverordening zijn voor een aantal specifieke gebieden afwijkende geurnormen opgenomen. Voor het gebied waarin de locatie is gelegen gelden echter dezelfde normen als uit de Wgv. Wel zijn de vaste afstanden uit de Wgv middels de gemeentelijke geurverordening voor wat betreft de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gehalveerd. Dat houdt in dat de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object minimaal 50 meter moet bedragen als het gevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen en minimaal 25 meter als het gevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De minimale afstanden tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object zijn echter niet gewijzigd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd. Hierbij dient te worden voldaan aan de vaste afstanden tussen dierenverblijven van het bedrijf en gevoelige objecten.

Gezien de gevoelige objecten in de omgeving buiten de bebouwde kom zijn gelegen dient de afstand tussen de locatie en de betreffende gevoelige objecten, op basis van de afstanden zoals zijn opgenomen in de gemeentelijke geurverordening, minimaal 25 meter te bedragen. Verder dienen ook de mestopslag en de kuilvoeropslag te worden beschouwd als geurbronnen. Op deze geurbronnen zijn de voorwaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Voor mestopslag geldt vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer een vaste afstand van minimaal 100 meter vanaf de mestopslag tot aan een gevoelig object. Deze afstand bedraagt 50 meter indien het gevoelig object deel uitmaakt van een veehouderij. Deze afstanden mogen vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer worden gehalveerd indien de gezamenlijke oppervlakte van de in de inrichting aanwezige bassins minder bedraagt dan 350 m². De oppervlakte van de aanwezige mestopslag is (aanzienlijk) groter dan 350 m², waarmee de afstanden niet kunnen worden gehalveerd. Derhalve dient vanuit de mestopslag een vaste afstand te worden aangehouden van 100 meter tot gevoelige objecten die niet tot een veehouderij behoren en van 50 meter tot gevoelige objecten die wel tot een veehouderij behoren.

Voor wat betreft de opslag van kuilvoer geldt vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer een vaste afstand van minimaal 25 meter tot de gevel van een gevoelig object, waarbij geldt dat indien de afstand minder dan 50 meter bedraagt sprake moet zijn van een afgedekte opslag. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, de burgerwoning aan de Rondgang 23, is gelegen op ongeveer 250 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan alle minimaal vereiste afstand voldaan. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving mag veroorzaken dient op basis van de achtergrondbelasting te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten en/of verblijfsruimten, waarmee een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat niet noodzakelijk is. Gezien het voorgaande zijn ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen te verwachten op het gebied van geur.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. 23

Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling is een vormverandering van het bouwvlak. Deze maakt niet meer mogelijk dan wat nu ook mogelijk is.

De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie.

De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. 24

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving.

Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. 4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en 25

leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. 4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi.

In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

Uitsnede Risicokaart. 26

Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Nabij de planlocatie is de provinciale weg N322 (Van Heemstraweg West) gelegen. Deze weg is echter niet aangemerkt als een Basisnetroute en over deze weg vindt op basis van gegevens van de Omgevingsdienst Rivierenland geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Daarmee is voor de betreffende weg geen nadere afweging noodzakelijk. De locatie ligt niet binnen het invloedsgebied van een relevante transportweg of basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. 4.1.6.3 Buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die moeten worden gebruikt voor de berekening van het groepsrisico als binnen het invloedsgebied van een buisleiding sprake is van het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten.

Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen. 4.1.6.4 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De planlocatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. Hiermee is een nadere afweging van het groepsrisico niet noodzakelijk. 4.1.6.5 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.

27

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.8.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het wijzigen van een bouwvlak en het positief bestemmen van een mestzak. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwlijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3). Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden.

Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. 4.1.8.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11671177/1