CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan Brakel Molenkamp-Zuidwest

Raadsvergadering 14 juli 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: bestemmingsplan Brakel, Molenkamp Zuidwest19.804 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1.5 Hemelwaterafvoer In de direct omgeving van de Molenkamp is geen waterlichaam c.q. watergang aanwezig. De hemelwaterafvoer van de huurwoningen (binnen het hofje) zal verlopen via het gemengde rioolstelsel. Het hemelwater van de twee vrijstaande woningen aan de Molenkampsweg kan worden afgevoerd via de watergang langs de Molenkampsweg.

4.1.6 Veiligheid In het plangebied is geen kern- en beschermingszone van een waterkering gelegen. Conclusie Gelet op het voorgaande zijn er uit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen voor de realisatie van onderhavig project. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het verhard oppervlak toeneemt, waardoor compensatie plaatsvindt middels het verbreden van watergang Molenkampsweg en het realiseren van wadi’s aan de noordelijke plandeel.

4.2

Leidingen

Uit een voor deze locatie uitgevoerde klic-melding blijkt dat binnen het plangebied geen bijzondere leidingen aanwezig zijn welke een belemmering zouden kunnen vormen voor realisatie van het project. Bij het verrichten van graafwerkzaamheden zal met de aanwezige leidingen rekening worden gehouden. Verder is het perceel niet gelegen binnen een straalpadzone.

Conclusie Er zijn geen leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor dit plan.

4.3

Bedrijven en zonering

De scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op die manier wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen sprake kan zijn van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies en wordt voldoende zekerheid geboden aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te zijn. Om te beoordelen of de afstanden tussen de milieubelastende activiteit en de milieugevoelige functie acceptabel is, kan worden aangesloten bij de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-brochure (‘Bedrijven en Zonering’). Voor de projectlocatie is in dit kader enkel de ten oosten van de projectlocatie gelegen supermarkt, relevant. De nieuwbouw komt op een afstand van circa 5 meter de (uitgebreide) supermarkt te liggen. Daarmee wordt echter nog niet voldaan aan de richtafstand uit de VNG-Brochure van 10 meter. Dat betekent dat conform de VNG-Brochure Bedrijven en milieuzonering nader geluidsonderzoek dient te worden gedaan naar de daadwerkelijke geluidsbelasting vanuit de supermarkt op de nieuwbouw.

Hieronder, in paragraaf 6.6.2 over ‘Geluid’, wordt nader ingegaan op de uitkomsten van dit onderzoek.

27

Conclusie Voor de projectlocatie is uit het oogpunt van milieuzonering enkel de naastgelegen supermarkt van belang. In paragraaf 4.6.2 wordt daar in het kader van het onderwerp ‘geluid’ nader op ingegaan.

4.4

Bodem

4.4.1 Algemeen Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop of waarin deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is om de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het Besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. In het Besluit bodemkwaliteit is ook het Bouwstoffenbesluit geïntegreerd. Dit besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof, maar deze vallen niet onder dit Besluit.

4.4.2 Onderzoek Voor de planlocatie is door Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek verricht (Verkennend bodemonderzoek Molenkampsweg te Brakel, d.d. 16 juli 2014, zie bijlage III). Voorts heeft er een actualiserend bodemonderzoek plaatsgevonden (Actualiserend bodemonderzoek Molenkampsweg ong te Brakel, d.d. 7 mei 2020, zie bijlage IV). In het eerste verkennende bodemonderzoek werd het volgende geconcludeerd: §

§ §

§

In de puin- en baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (MM1) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In de puin- en baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (MM2) is een gehalte aan lood gemeten boven de achtergrondwaarde. Het verhoogde gehalte aan lood is gerelateerd aan de bijmenging van puin- en baksteen. Nader onderzoek is niet van toepassing. In de zintuiglijk schone ondergrondmonsters MM3 en MM4 zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van Pb01 is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarde. De verhoging aan barium is toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes. De overschrijding is marginaal en behoeft geen nader onderzoek. Op het maaiveld en in de inspectiegaten is geen asbestverdachte materiaal waargenomen. In het geanalyseerde grondmengmonster MMA is geen asbest aangetroffen. De concentratie bevindt zich beneden de detectielimiet.

De resultaten vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw van woningen. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit. 28

In het actualiserend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: §

§ § § §

In de zwak baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (BG1) is een gehalte aan PCB gemeten boven de achtergrondwaarde. Het verhoogde gehalte is gerelateerd aan de waargenomen bijmengingen van baksteen. In de zwak baksteen- en kolengruishoudende bovengrond van de vaste bodem (BG2) is een gehalte aan nikkel gemeten boven de achtergrondwaarde. Het verhoogde gehalte is gerelateerd aan de bijmenging van baksteen en kolengruis. De aangetoonde gehaltes boven achtergrondwaarden vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Tijdens inspectie van maaiveld en gaten is geen asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen. Analyse heeft derhalve niet plaatsgevonden. In de geanalyseerde grondmengmonsters mm1, mm2 en mm3 is geen asbest aangetroffen. De concentraties bevinden zich beneden de detectielimiet. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond in de bovengrond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.

Middels het actualiserend bodemonderzoek is de huidige milieuhygienische kwaliteit voldoende vastgesteld. De resultaten vormen volgens Bodeminzicht geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De locatie is onverdacht op aanwezigheid van asbest in bodem. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt naar het oordeel van Bodeminzicht geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van de locatie. Conclusie De huidige vastgestelde bodemkwaliteit voldoet voor de functie wonen met tuin. Er zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische belemmeringen aanwezig voor realisatie van de woningbouw binnen het onderzoeksgebied.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten zoals onder meer woningen, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. Planspecifiek - Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemming ‘wonen’ passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de provinciale risicokaart (zie hieronder, figuur 4.6), informatie over relevante risicobronnen en actuele luchtfoto’s blijkt dat bestemmingen voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied niet liggen binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen.

29

Fig. 4.6 Risicokaart (projectlocatie: zie rode pijl)

- Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor: § de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en § de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. In dit geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) ‘bijzonder kwetsbare object’, bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

- Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval op de Betuweroute Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. 30

- Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. - Buisleidingen Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Bevb van belang. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een relevante buisleiding. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er gezien vanuit het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid. Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen aanwezig voor realisatie van onderhavig project.

4.6

Geluid

Wat betreft het onderwerp geluid is het voor dit plan van belang in te gaan op wegverkeerslawaai en industrielawaai.

4.6.1 Wegverkeerslawaai Van Kooten Akoestisch Advies heeft onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai (Akoestisch Advies, Bouwplan Molenkamp, 3 april 2020, zie bijlage V). Van Kooten Akoestisch Advies komt tot de volgende conclusies. De geluidsbelastingen vanwege de Burgemeester Posweg en de Molenkampsweg bedragen ter plaatse van de gevels van de nieuw te bouwen woningen ten hoogste respectievelijk 50 dB en 52 dB na toepassing van de aftrek van 5 dB overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder. Daarmee wordt wel de voorkeursgrenswaarde overschreden. De geluidsbelasting blijft echter ruim beneden de maximaal vast te stellen hogere waarde van 63 dB. Met de volgende maatregelen kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde: Vervangen van de klinkerverharding op de kruising Burgemeester Posweg-MolenkampswegWeitjesweg door dicht asfaltbeton én aansluitend zowel ten noorden als ten oosten van deze kruising de aanleg van een dunne deklaag type B over een lengte van minimaal 70 meter. De gemeente Zaltbommel dient af te wegen of zij bereid is deze maatregelen te treffen. Naar verwachting zal dit uitsluitend worden overwogen indien er voor deze wegvakken in de nabije toekomst groot onderhoud is ingepland. Het oprichten van geluidswallen of –schermen is niet haalbaar vanwege stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële bezwaren. 31

Gezien bovenstaande dient er rekening mee te worden gehouden dat geluidsreducerende maatregelen niet haalbaar zullen zijn. In dat geval kunnen Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zaltbommel hogere waarden vaststellen ten behoeve van in totaal 2 woningen binnen dit bouwplan. Onderstaande tabel geeft daarvan een overzicht.

Uit berekeningen blijkt verder dat de gecumuleerde geluidsbelasting maximaal 58 dB bedraagt, hetgeen als een aanvaardbare waarde moet worden beoordeeld. Voorts is door de Omgevingsdienst Rivierenland nog onderzocht wat de geluidswaarden zijn ten gevolge van de verkeersgeneratie op de Molenkamp (Notitie Berekening Wegverkeerslawaai, d.d. 19 april 2022, bijlage VI). Daaruit blijkt dat de hoogst berekende geluidsbelasting 40 dB bedraagt. Dit betreft het niveau inclusief 5 dB aftrek uit artikel 110g Wgh (i.v.m. stiller worden verkeer in de toekomst). Geluidsbelasting ligt beneden de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. Kortom: ook wegverkeerslawaai op de Molenkamp geeft daarom geen belemmering voor bouwplan. Conclusie De berekende geluidsniveaus vanwege wegverkeerslawaai worden als acceptabel beoordeeld. Wel dient er een besluit hogere waarden te worden genomen. Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.

4.6.2 Industrielawaai Nipa Milieutechniek BV heeft onderzoek gedaan naar industrielawaai in verband met de uitbreiding van de supermarkt aan de Molenkampseweg 3 (Akoestisch onderzoek industrielawaai, Molenkampsweg 3, 3 juni 2019, zie bijlage VII). In dat onderzoek is ook reeds rekening gehouden met de realisatie van onderhavig woningbouwplan aan de Molenkamp. Nipa Milieutechniek BV komt tot de volgende bevindingen. §

In dit onderzoek zijn de langtijdgemiddelde en maximale geluidniveaus berekend in de representatieve en, voor zover relevant incidentele bedrijfssituatie voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau (Lmax) bij relevante bestaande en geprojecteerde gelegen woningen van derden ten opzichte van de supermarkt. De vastgestelde geluidniveaus worden getoetst aan de geldende normstelling van het Activiteitenbesluit.

§

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit het onderzoek blijkt dat in alle waarneempunten wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden die gelden met betrekking tot de optredende langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus overeenkomstig het Activiteitenbesluit.

32

§

Maximale geluidniveaus Uit het onderzoek blijkt dat in alle waarneempunten wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden die gelden met betrekking tot de optredende maximale geluidniveaus overeenkomstig het Activiteitenbesluit.

§

Verkeersaantrekkende werking Uit het onderzoek blijkt dat in alle waarneempunten wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden die gelden met betrekking tot de optredende geluidniveaus voor verkeersaantrekkende werking.

Conclusie De berekende geluidsniveaus vanwege industrielawaai worden als acceptabel beoordeeld. De aanwezigheid van de supermarkt vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan.

4.7

Geur

In de directe omgeving liggen geen agrarische bedrijven in de vorm van veehouderijen. De planlocatie ligt volgens het gemeentelijk geurbeleid niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf. Het plangebied is gelegen binnen een zone waar een goed leefklimaat heerst. Conclusie De geursituatie ter plaatse vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde woningen.

4.8

Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer bevat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is bepaald dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Een uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging is een toets aan de grenswaarden niet nodig. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

33

Voorliggend plan voegt slechts 15 woningen toe. Een specifiek luchtkwaliteitonderzoek hoeft daarom niet te worden uitgevoerd. Conclusie Uit het oogpunt van luchtkwaliteit bestaat er gelet op het voorgaande geen belemmering.

4.9

Flora en fauna

4.9.1 Inleiding Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden. Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan.

Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten.

4.9.2 Natuurtoets Gelet op het voorgaande is een natuurtoets uitgevoerd door Staro, natuur en buitengebied (Quickscan Natuurwaarden, Molenkamp te Brakel, juni 2018, zie bijlage VIII), waarbij onderzocht is of er beschermde natuurwaarden en / of flora en fauna op het perceel aanwezig zijn. Hieronder volgt een overzicht van de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport voor wat betreft ‘Beschermde soorten’: §

Het plangebied is geschikt als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten. De voorgenomen plannen hebben geen negatieve effecten op foerageer- en broedgebied van algemene vogelsoorten. Als het verwijderen van bomen en struiken buiten het broedseizoen plaatsvindt, wordt voorkomen dat er negatieve effecten optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met half juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten aanwezig.

34

§

Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Doordat in het plangebied en de omgeving foerageergebied behouden blijft, hebben de voorgenomen plannen hierop geen negatief effect. Binnen het plangebied ontbreken mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen.

§

De voorgenomen plannen hebben een negatief effect op het mogelijke land- en overwinteringshabitat en bij het dempen van sloten tevens op het voortplantingshabitat van bruine kikker, bastaardkikker, meerkikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen.

§

Het plangebied is voor een aantal algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals egel, algemene (spits)muizensoorten, bunzing, hermelijn en wezel van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming geschikt als (onderdeel van hun) leefgebied. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen voor deze zoogdiersoorten.

Voor wat betreft beschermde gebieden concludeert Staro BV het volgende: §

Het plangebied ligt op circa 1.500 meter van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en behoort niet tot het NNN. Het is gezien de aard van de plannen en de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de ligging buiten het GNN en de GO redelijkerwijs uit te sluiten dat de voorgenomen plannen negatieve effecten tot gevolg zullen hebben op Natura 2000- gebieden en het NNN.

Om daadwerkelijk uit te kunnen sluiten dat er negatieve effecten zijn op Natura2000-gebieden heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie plan ‘Molenkamp Brakel’, d.d. 18 februari 2021, bijlage IX). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen: •

• •

Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de aanlegfase als verkeer in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura2000- gebieden. Significante gevolgen door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.

Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief. Wel is altijd de zorgplicht van toepassing. Er dient rekening te worden gehouden met broedende vogels binnen het plangebied. De sloop-, bouw-, en rooiwerkzaamheden en ingrepen dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden of er dient voorafgaande aan deze werkzaamheden een vogelcheck uitgevoerd te worden.

35

4.10

Explosieven

Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard 2016 bevindt een klein deel van het noordwesten van de projectlocatie zich in ‘verdacht’ gebied op basis van geschutsmunitie (verschoten). Zie hiervoor onderstaande kaartuitsnede. De locatie is in niet naoorlogs vergraven of verstoorde grond en er is sprake van grondroerende werkzaamheden. Vanuit de Arbo-wetgeving bestaat de verplichting voor een werkgever om voorafgaand aan werkzaamheden de veiligheid van werknemers veilig te stellen via een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Omdat een klein deel van het projectgebied zich in ‘verdacht’ gebied bevindt, is contact gezocht met de opsteller van de betreffende Explosievenkansenkaart, Bodac BV. Door Bodac BV wordt aangegeven dat voor de locatie een risicogebied ‘geschutmunitie’ is aangegeven op basis van een zestal munitieruimingen door de EOD, in de omgeving Brakel. Wegens het ontbreken van nadere gegevens heeft Bodac BV dit risicogebied indicatief weergegeven als een ‘vlek’ rond de locaties waar deze munitievondsten zijn gedaan. In de afbeelding is te zien dat het projectgebied slechts voor een zeer klein gedeelte binnen de gele vlek valt. Bodac BV merkt op dat de grenzen van deze vlek arbitrair zijn, aangezien de begrenzing van het ‘risicogebied’ vrij indicatief is weergegeven. Uit de munitieruimingen blijkt dat Brakel is beschoten door artillerie.

Omdat de grenzen van het ‘risicogebied’ arbitrair zijn, is Bodac BV van mening dat een nader onderzoek niet noodzakelijk is, maar adviseert Bodac BV wel om bij de werkzaamheden het protocol ‘toevalstreffer’ te hanteren.

Fig. 4.7 Uitsnede Explosievenkansenkaart

Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat wat betreft de kans op de aanwezigheid van explosieven er geen belemmeringen aanwezig zijn voor de realisatie van het project.

36

4.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.). Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, moet daarom een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De vraag is of hier sprake is van ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, als bedoeld onder D.11.2 van bijlage II van het Besluit m.e.r. Hierover het volgende. Alhoewel het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in het Besluit m.e.r. niet duidelijk is gedefinieerd, is uit de toelichting van het Besluit m.e.r. wel op te maken dat het begrip per regio kan verschillen, waarbij van belang is wat de impact op de omgeving is.

Hier is sprake van een woningbouwontwikkeling van 15 woningen, met een behoorlijk ruimtebesluit. Dat betekent dat het plan kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Het is dan ook van belang om een zogenaamde vorm-vrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Hierover het volgende. Deze paragraaf, alsmede de inhoud van de toelichting (vooral voor zover betrekking hebbend op milieuaspecten), kan worden beschouwd als zogenaamde ‘m.e.r.-aanmeldnotitie’. Deze ‘m.e.r.aanmeldnotitie’ beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie over de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling betekent, dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....'. De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. 2. 3.

de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).

Ad. 1 De kenmerken van de activiteit Het bouwplan voor de Molenkamp te Brakel bestaat uit de realisatie van 15 woningen. In paragraaf 4.2 van deze toelichting is het plan nader beschreven. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten. De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens de bouwwerkzaamheden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal gas, elektriciteit en water nodig zijn. Tijdens de realisatiefase en gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende (afval)stoffen. Bij zowel de aanleg als bij de ingebruikname de woning, 37

zijn ten aanzien van de productie van afvalstoffen voornamelijk de aspecten bodem, geluid en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn nader beschreven in hoofdstuk 6 van deze toelichting. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Molenkamp en de Molenkampsweg. De toevoeging van de woningen zal een beperkte toename met zich meebrengen wat betreft het aantal motorvoertuigbewegingen. Zowel tijdens de bouw als daarna zijn de aspecten waterhuishouding, bodem, verkeer, geluid, ecologie, archeologie en luchtkwaliteit van belang. Deze aspecten zijn hierboven nader beschreven. Het beoogde plan zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden naar huidig inzicht geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Op de planlocatie neemt de bebouwde oppervlakte iets toe. De huidige brandweervoorzieningen in het gebied zijn voldoende voor de bestrijding ingeval van calamiteiten. In paragraaf 4.5 van deze toelichting wordt nader ingegaan op aspecten omtrent externe veiligheid. Ad 2. De plaats van het project Voor wat betreft de plaats van het project wordt verwezen naar paragraaf 1.2 en 4.1 van deze toelichting. Ad 3. De kenmerken van het potentiële effect Dit hoofdstuk van de toelichting bevat tevens een verantwoording van de milieu(hygiënische) aspecten die voor het bouwplan aan de Molenkamp te Brakel relevant kunnen zijn.

Daarbij wordt ook ingegaan op de milieutechnische consequenties die verwezenlijking van het project zowel binnen het projectgebied als daarbuiten kan hebben. Conclusie Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de aan de orde zijnde milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende weten regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.

4.12

Archeologie en cultuurhistorie

4.12.1 Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. De gemeenteraad van Zaltbommel heeft in zijn vergadering van 7 juli 2011 beleid vastgesteld hoe het aan die wettelijke verplichtingen invulling wenst te geven. Daarvoor zijn onder andere verschillende archeologische (beleids)kaarten vastgesteld. Daarnaast zijn vrijstellingsgrenzen vastgesteld die aangeven of in een specifiek geval (aanvullend) archeologisch onderzoek noodzakelijk is als de bodem bij een bepaalde (bouw)activiteit wordt verstoord. Op basis van de door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaart (zie afbeelding hierna) geldt voor de projectlocatie voor het grootste deel ‘Waarde Archeologie – 3’, wat betekent dat er een vrijstellingsgrens geldt van 2.500 m2. 38

Fig. 4.8 Uitsnede Archeologische beleidskaart (projectlocatie: rode pijl)

Planspecifiek Voor de betreffende locatie heeft Synthegra Archeologie een archeologisch bureau- en booronderzoek plaatsgevonden (Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek, d.d. 10 april 2014, zie bijlage X). In het betreffende rapport komt Synthegra tot de volgende conclusies: - Voor het plangebied gold op basis van het bureauonderzoek een onbekende verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum, een lage verwachting voor nederzettingsresten uit het neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode bronstijd tot met de Romeinse tijd. Voor de middeleeuwen en de nieuwe tijd gold een middelhoge verwachting. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van deze verwachting. - Uit het veldonderzoek blijkt dat in geen van de boringen indicatoren zijn aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Ook is er geen archeologische laag aangetroffen. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht. - Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Op 1 augustus 2017 heeft het college van B&W van Zaltbommel een selectiebesluit genomen, waarbij het betreffende gebied is vrijgegeven ten aanzien van archeologie (Selectiebesluit Archeologische Monumentenzorg, Molenkamp te Brakel, Gemeente Zaltbommel, d.d. 1 augustus 2017, zie bijlage XI). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat archeologie geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Wel geldt nog het volgende. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Gemeente Zaltbommel verplicht. 39

4.12.2 Cultuurhistorie De beleidsnota Cultuurhistorie van de gemeente Zaltbommel bevat ideeën en stimulansen om de in de gemeente Zaltbommel aanwezige cultuurhistorische waarden zoveel als mogelijk te beschermen dan wel te gebruiken ten behoeve van andere beleidsdoelen zoals het versterken van de recreatieve functie, het versterken van het toeristische beleid, het verbreden van de publieksparticipatie en de versterking van de lokale economie. Door ruimtelijke ontwikkeling kan de historische identiteit van Zaltbommel onder druk staan. In de nota wordt onderkend dat dit niet hoeft, want economische ontwikkeling en behoud van cultuurhistorische waarden kunnen goed samengaan. Cultuurhistorie wordt als economische drager onderscheiden. De gemeente Zaltbommel wil ook de kansen die cultuurhistorie biedt op het economische vlak - toerisme en recreatie, werkgelegenheid – benutten en stimuleren. De geïnventariseerde cultuurhistorische kenmerken zijn met elkaar geïntegreerd en vertaald naar landschapsbiografische ensembles. Deze ensembles vormen de cultuurhistorische kansen – en mede de basis - voor de stedenbouwkundige opgaven, de wateropgaven en de natuuropgaven bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Zaltbommel. Voor het plangebied geldt op grond van de beleidsnota geen specifieke ontwerpopgave.

Fig. 4.9 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (projectlocatie: zie blauwe pijl)

Brakel ligt op de jongste stroomrug in de Bommelerwaard, de Gamerense stroomrug langs de Waal. Het oorspronkelijke landschappelijke patroon, gebaseerd op de historische verhogingen en kreken, is nog duidelijk aanwezig in de stedenbouwkundige structuur. Het slingerende historische wegenpatroon volgt hierbij de van oudsher hogere gronden. De historische dorpskern van Brakel bestaat uit de bebouwing langs de doorgaande structuren Waaldijk en Burgemeester Posweg, maar ook aan de Molensteeg, Groenesteeg, Hovendsedijk, Kooihoek en de tussengelegen verbindingsstraatjes. Aan de oostzijde van het dorp ligt het fraaie landgoed van Huis Brakel en een kleine begraafplaats. De eerste dorpskernvorming heeft plaatsgevonden ten noorden van het Huis Brakel bij de Nederlands Hervormde kerk aan het Marktplein en rondom de Dreef, Koningsstraat en Nieuwstraat. Het plangebied ligt niet binnen deze eerste dorpskernvormging. Het plangebied is bovendien geen onderdeel van een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht.

40

Planspecifiek In de omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen, gebieden, objecten of bebouwing aanwezig, die een mogelijke beperkende werking (zouden kunnen) hebben op het initiatief. De locatie maakt ook geen deel uit van een ‘Beschermd Dorpsgezicht’ en kent geen monumenten. Uit cultuurhistorisch oogpunt zijn er derhalve geen belemmeringen voor het realiseren van dit woningbouwplan.

4.13

Volksgezondheid

4.13.1 Algemeen Veehouderijen in de buurt van het plangebied kunnen van invloed zijn op de volksgezondheid en daarmee op een acceptabel woon- en leefklimaat. Van het plan zelf gaan geen negatieve effecten voor de volksgezondheid uit naar de omgeving, omdat sprake is van een relatief klein plan voor uitsluitend woningbouw. Uit landelijk onderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden”, afgekort VGO, blijkt dat binnen een zone van 1,5 tot 2 km rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen vaker longontstekingen voorkomen. Bij pluimvee wordt dit waarschijnlijk veroorzaakt door fijnstof en endotoxinen. Bij geiten is de oorzaak niet bekend. Hier wordt vervolgonderzoek naar gedaan. Een wat positiever onderzoeksresultaat is dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen astma en neusallergie minder voor komen.

4.13.2 Geitenhouderij Een toetsingskader voor geitenhouderijen ontbreekt op dit moment. Eerst moet bovendien de exacte oorzaak nog in beeld komen. Daarvoor vindt nu (vervolg)onderzoek plaats. De vervolgonderzoeken hebben ernstige vertraging opgelopen door de coronapandemie. Sommige deelstudies zijn uitgesteld. Naar verwachting kunnen de resultaten in 2024 worden gepubliceerd. 1 Het plangebied ligt op circa 660 m en dus binnen de zone van 1,5 tot 2 km van een geitenhouderij aan de Kooiweg 2 in Brakel. Een woningbouwplan op deze afstand van de geitenhouderij is afgewogen tegen het belang van de volksgezondheid: 1. Op de planlocatie is al een gevoelige bestemming aanwezig, namelijk een kantoorfunctie. Er wordt in die zin geen gevoelige bestemming toegevoegd. 2. Het risico op longontsteking is groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Het risico op longontsteking is het hoogst binnen 500 meter2. Dit plan is op ca 660 meter van de geitenhouderij gesitueerd en valt ruim buiten de zone waarbinnen het risico het hoogst is. 3. De betreffende geitenhouderij heeft slechts een bescheiden omvang van 1.140 melkgeiten en 244 opfokgeiten. Dit in tegenstelling tot geitenhouderijen van soms wel meer dan 5.000 geiten. 4. Het sociaal-maatschappelijk belang van de met het plan beoogde woningbouw in Brakel is zeer groot. Er is een grote woningbehoefte in Brakel.

Uit het Woningbehoefteonderzoek van Companen uit 2018 blijkt een behoefte voor de kern Brakel van 175 woningen. In de afgelopen jaren zijn er enkel wat kleine en particuliere plannen gerealiseerd. Het onderhavige initiatief met 15 woningen draagt bij aan het voorzien in deze grote maatschappelijke behoefte.

1 2

Bron: https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/onderzoek-veehouderij-en-gezondheid-omwonenden-vgo Bron: https://ggdghor.nl/actueel-bericht/advies-ggd-blijft-afstand-tussen-veehouderijbedrijven-en-gevoelige-bestemmingen/

41

Conclusie plangebied Geconcludeerd kan worden dat het maatschappelijk belang van de realisatie van de woningbouwlocatie groot is en in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verzekerd is. Er doen zich geen onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid voor.

4.14

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de voor dit project relevante aspecten met betrekking tot het parkeren en met betrekking tot de ontsluiting van het gebied. Parkeren Voor de betreffende woningen wordt uitgegaan van 2 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor openbaar parkeren. Dat betekent dat er in totaal 30 parkeerplaatsen nodig zijn. Daar wordt op de volgende manier in voorzien: - Binnen het hofje van de huurwoningen worden 24 parkeerplaatsen aangelegd op een binnen het plangebied gelegen parkeerplaats. - De twee hoekwoningen van het meest zuidelijk gelegen woonblok krijgen een eigen parkeerplaats (zie fig. 3.1). - De vrije kavels aan de Molenkampsweg hebben voldoende ruimte om twee parkeerplaatsen per kavel op eigen terrein aan te leggen. De garage wordt niet meegerekend als parkeerplaats en bij parkeerplaatsen die achter elkaar liggen, telt alleen de eerste parkeerplaats. Verkeersafwikkeling De inritten van de twee vrije kavel aan de Molenkampsweg kavels worden gecombineerd, zodat er één aansluiting ontstaat op de openbare weg. Door de initiatiefnemer wordt een toegangsweg aangelegd vanaf de openbare weg tot de percelen. Het hofje met 13 huurwoningen wordt met één toegangsweg ontsloten op de Molenkamp. Op deze manier kent dit hofje zowel verkeerskundig als stedenbouwkundig een verbinding met de bestaande woonwijk.

Het verkeer van en naar deze woningen gaat via de Molenkamp rijden. Op basis van CROW, publicatie 381 (toekomstbestendig parkeren) is ingeschat hoeveel verkeersbewegingen deze woningen genereren. De locatie wordt getypeerd als “weinig stedelijk gebied” en “rest bebouwde kom”, een sociale huurwoning genereert gemiddeld 5,2 tot 6,0 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal (weekdag). Dat is voor 13 woningen totaal gemiddeld ongeveer 73 mvt/etmaal per weekdag (gemiddeld 80 mvt/etmaal werkdag). Momenteel kent de Molenkamp tussen Molenkampsweg en Groenling ongeveer 1745 mvt/etmaal (werkdag, beide richtingen) op basis van een verkeerstelling in mei 2022. Dit is de toegang van de wijk en daarmee verondersteld het drukste deel van de straat. Deze huidige intensiteiten vallen ruim binnen de gebruikelijke en passende intensiteiten voor een 30 km/u erftoegangsweg. In relatie tot de huidige situatie kan de Molenkamp het extra verkeer prima verwerken. Verspreid over de dag betreft het een beperkt aantal voertuigen. Omdat deze toename beperkt is, verwachten wij niet dat de verkeersveiligheid en bereikbaarheid in negatieve zin worden beïnvloed. Bovendien zijn met lage snelheden de risico’s beperkt.

De meting van mei 2022 geeft aan dat op het betreffende gemeten wegvak de werkelijk gereden snelheid (V85) nog ruim onder de wettelijke maximumsnelheid van 30 km/u ligt (de V85 geeft de snelheid aan die door 85% van de weggebruikers niet wordt overschreden). Dit geldt ook voor de V85 van het deel Molenkamp waar de uitritten van het parkeerterrein supermarkt op aantakken en waar het plangebied ook op aangetakt gaat worden. Deze V85 van dit weggedeelte is gebaseerd op open data (op basis van GPS-navigatiesystemen uit motorvoertuigen).

42

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de realisatie van het plan aan de Molenkamp uit het oogpunt van verkeer en parkeren aanvaardbaar is.

43

5

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkelbestemming’ (dat is dé bestemming) en soms geldt er een ‘dubbelbestemming’ (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. b. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsvoorschrift, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen voorschrift hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2

Methodiek

5.2.1 Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

5.2.2 Regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).

44

2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Iedere artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel omgevingsvergunningplichtige werken en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan.

Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, een regel met betrekking tot bestaande afmetingen, afstanden en percentages (zo worden de bouwwerken die afwijken van de regeling in het bestemmingsplan ‘positief’ bestemd), algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels, algemene procedureregels (deze hangt samen met de afwijkingsregels in het bestemmingsplan) en een regel die de verhouding tot de gemeentelijke bouwverordening regelt. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk een overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.3

Bestemmingen

Dit bestemmingsplan kent 3 bestemmingen, namelijk ‘Wonen’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’. De bestemmingsregels kennen allen veelal een zelfde opbouw met de volgende leden: lid 1: bestemmingsomschrijving lid 2: bouwregels lid 3: afwijkingsregels (van bouwen) lid 4: specifieke gebruiksregels (indien aanwezig), omgevingsvergunningplichtige werken (indien aanwezig) lid 5: afwijkingsregels (van gebruik) lid 6: parkeernorm De bestemmingsomschrijving is de centrale regel van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De regels bij de bestemmingen worden hierna afzonderlijk toegelicht. Wonen Binnen de bestemming Wonen zijn woningen toegestaan, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden-beroepen en bedrijven. Hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd, terwijl bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak zijn toegestaan. Met betrekking tot het gebruik kan worden opgemerkt dat de uitoefening van een beroepsmatige activiteit in het hoofdgebouw (beroep aan huis), de woning, te allen tijde is toegestaan. Als beroep aan 45

huis kunnen worden aangemerkt het beroep van (tand)arts, fysiotherapeut, accountant e.d. Deze activiteiten zijn binnen de aangegeven maatvoering direct toegelaten tot een maximale oppervlakte van 30 m². Voor de uitoefening van een bedrijf aan huis is een afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning vereist. Ten aanzien van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten geldt onder meer als voorwaarde dat de woning in overwegende mate geschikt dient te blijven voor de woonfunctie. Dit betekent dat maximaal 30 m² voor beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw in gebruik mogen zijn. Voorts is er in het plan geen onderscheid gemaakt tussen aan- en uitbouwen van woningen (zoals bijkeukens of serres) en aangebouwde bijgebouwen (bergingen en aangebouwde garages). Deze gebouwen worden in dit plan vervat onder de ‘bijbehorende bouwwerken’. De regeling gaat uit van een hoofdgebouw binnen het bouwvlak; de bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak en binnen de bouwaanduiding bijgebouwen. De gronden ter plaatse van het achtererfgebied, inclusief de gronden binnen de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’, mogen met niet meer dan 50% worden bebouwd tot een maximum van 100 m². Dat biedt voldoende ruimte om aldaar de beoogde vrijstaande bergingen te realiseren.

Groen De gronden binnen de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen. Verkeer De gronden binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, pleinen, straten en paden, voeten rijwielpaden, evenementen en bijbehorende voorzieningen en bouwwerken. Kleinschalige gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen mogen binnen de bestemming worden gebouwd.

46

6

UITVOERBAARHEID

Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. De herontwikkeling van de planlocatie aan de Molenkamp te Brakel is een ontwikkeling van Woonstichting De Kernen. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de ontwikkelende partij. Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. In de betreffende overeenkomst is ook een regeling opgenomen inzake het verhaal van een eventuele tegemoetkoming in planschade.

Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er is een reactie ingediend door het Waterschap Rivierenland, die leidde tot een kleine aanpassing van de toelichting van het plan.

6.2.2 Ontwerp-bestemmingsplan ter inzage Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Brakel, Molenkamp Zuidwest’ is conform het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode, van 4 februari 2022 tot en met 17 maart 2022, kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. 47

Er zijn 4 zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen hebben geleid tot twee aanpassingen van de toelichting op het bestemmingsplan: - Aanvulling van de onderbouwing van de gevolgen van het plan voor verkeer (in paragraaf 3.2) - Aanvulling berekening wegverkeerslawaai op de Molenkamp (in paragraaf 4.6.1) In dit kader wordt opgemerkt dat dit plan, vanwege het aantal woningen (namelijk meer dan 11 woningen), onder de Crisis – en herstelwet valt. Dat betekent dat er een aantal procedurele versnellingen geldt.

OVERZICHT BIJLAGEN I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X. XI.

Kavelpaspoorten en ambitieniveau, bouwkavels Brakel, Sloven Architectuur BV ’sHertogenbosch, december 2021 Berekening verhard oppervlak, Architectenbureau Sloven, d.d. 13 maart 2020 Verkennend bodemonderzoek Molenkampsweg te Brakel, Bodeminzicht, d.d. 16 juli 2014 Actualiserend bodemonderzoek Molenkampsweg ong te Brakel, Bodeminzicht, d.d. 7 mei 2020 Akoestisch Advies, Bouwplan Molenkamp, Van Kooten Akoestisch Advies, d.d. 3 april 2020 Notitie Berekening Wegverkeerslawaai Molenkamp, Omgevingsdienst Rivierenland, d.d. 19 april 2022 Akoestisch onderzoek industrielawaai, Molenkampsweg 3 Brakel, Nipa Milieutechniek, d.d. 3 juni 2019 Quickscan Natuurwaarden, Molenkamp te Brakel, Staro bv, juni 2018 Memo effectbeoordeling stikstofdepositie plan ‘Molenkamp Brakel’, Langelaar Milieuadvies, d.d. 18 februari 2021 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek, Synthegra Archeologie, d.d. 10 april 2014 Selectiebesluit Archeologische Monumentenzorg, Molenkamp te Brakel, Gemeente Zaltbommel, d.d. 1 augustus 2017

48

DEEL B

PLANREGELS

In h o u d so p g a v e Hoofdstuk 1

Inleidende regels ...............................................................................................2

Artikel 1

Begrippen .....................................................................................................................................................2

Artikel 2

Wijze van meten ........................................................................................................................................7

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels...........................................................................................8

Artikel 3

Wonen ............................................................................................................................................................8

Artikel 4

Groen ........................................................................................................................................................... 12

Artikel 5

Verkeer - Verblijfsgebied ..................................................................................................................... 13

Hoofdstuk 3

Algemene regels .............................................................................................. 14

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................................... 14

Artikel 7

Algemene bouwregels .......................................................................................................................... 15

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels ................................................................................................................ 16

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels .............................................................................. 17

Artikel 9

Overgangsrecht ...................................................................................................................................... 17

Artikel 10

Slotregel ..................................................................................................................................................... 18

Artikel 1

Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan ‘Brakel, Molenkamp-Zuidwest’ NL.IMRO.0297.BKLBP20210023-VS01 van de gemeente Zaltbommel.

met

identificatienummer

1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan huis verbonden beroepen: het in een woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie van de betreffende woning (zie de bijlage Aan huis gebonden beroepen en bedrijven); 1.4 aan huis verbonden (bedrijfs)activiteiten: het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke – geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen – bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de woning en/of de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend (zie de bijlage Aan huis gebonden beroepen en bedrijven); 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur op de verbeelding van het bestemmingsplan, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 achtergrens bouwvlak: een van de openbare weg en/of fiets- en voetpad afgekeerde grens van het bouwvlak; 1.8 arbeidsmigranten: personen die hun vaste woon-, of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland werkzaam zijn; 1.9 archeologische waarde: terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; 1.10 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.11 bebouwingspercentage: het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11620622/1