CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Vast te stellen bestemmingsplan 'Aalst, M. Baksstraat 2'

Raadsvergadering 9 juni 2022, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 229.654 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 24 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

Figuur 3. Uitsnede risicokaart, met plaatsgebonden risicocontouren (zwart gestreepte lijnen). Plangebied nabij pijl. (Bron: IPO)

Transport gevaarlijke stoffen en buisleidingen Er zijn geen transportroutes of buisleidingen in de directe omgeving van het plangebied.. Bevi-inrichtingen en overige veiligheidsrisico’s Er zijn eveneens geen bevi inrichtingen of overige bedrijven met relevante veiligheidsrisico’s in de omgeving. De meest nabijgelegen relevante inrichting ligt op meer dan 400 meter afstand. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Het aspect Externe Veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het plan.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

Het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Erfgoedwet, vastgesteld in 2016, regelt op welke wijze omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed in Nederland. In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de toenmalige Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of Pagina 25 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze Wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Deze wetten zijn vervangen door de Erfgoedwet, echter overgangsrecht in de Erfgoedwet regelt dat bepaalde bepalingen uit de Monumentenwet (die dus niet in de Erfgoedwet staan) nog van kracht zijn tot de Omgevingswet van kracht is. Planspecifiek Cultuurhistorie: Allerlei menselijke ingrepen hebben voor de nu zo kenmerkende en waardevolle cultuurhistorische waarden gezorgd. Er kan een onderscheid worden gemaakt in waardevolle elementen, die een meer natuurlijke geschiedenis hebben en elementen met een meer door de mens gevormde geschiedenis. Hieronder worden de meest in het oog springende waarden. Hierbij gaat het met name om waarden in de stedelijke context of waarden die een effect kunnen hebben op de stedelijke context. De landschappelijke waarden en de waarden vanuit de Waterlinies zijn hier niet benoemd omdat deze niet spelen in de kern van Aalst.

Natuurlijke waarden: • de Drielsche wetering als restant van een rivierbocht uit de Romeinse tijd; • de wielen bij de Nieuwendijk, de Maasdijk, de Meidijk, de Kasteellaan bij Nederhemert-Zuid en bij de Gamersedijk bij Zaltbommel (Kloosterwiel); • de woerden in de verschillende dorpen Kerkwijk, Bruchem, Delwijnen en Nederhemert-Zuid; • de vluchtheuvels, daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw (1861), bij Delwijnen, Kerkwijk en Bruchem; • de in het landschap nog aanwezige eendenkooien; • de aardkundige waarden van nationaal belang: Benedenwaarden, de Doornwaard en het gebied tussen Capreton en De Rampert en het noordelijk gebied rondom de Meidijk; • de aardkundige waarden van provinciaal belang: De Waarden. Overige historische waarden: • de aan de rivieren gerelateerde oeverwallen met bebouwingsstructuren; • de wetering Capreton; • beschermde dorpsgezichten (Zaltbommel en Nederhemert Zuid); • gemeentelijke en rijksmonumenten; • historische buitenplaatsen (Huis Brakel). Voorliggend plan ligt niet in en beschermd dorpsgezicht, is geen monument en is ook geen onderdeel van een buitenplaats. Aan de overzijde van de straat is de historische kerk gelegen. Voorliggend plan betreft in hoofdzaak een functiewijziging. Er vindt dan ook geen aantasting van waarden in de omgeving plaats. In het plangebied zelf zijn op basics van gemeentelijk beleid geen specifieke waarden aangewezen.

Voorliggend plan heeft dan ook geen negatief effect op het aspect cultuurhistorie. Archeologische waarden Om te beoordelen welke archeologische waarden gelden voor het plangebied is de archeologische waardenkaart geraadpleegd, zie de uitsnede van de beleidskaart.

Pagina 26 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

Figuur 4. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Zaltbommel

Op basis van de beleidskaart ligt het plangebied op het grensvlak van gebieden met archeologische waarde 1 en 2. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer in de ondergrond archeologische waarden verwacht worden en de planontwikkeling aantasting van deze ondergrond in zal houden. De voorgenomen werkzaamheden houdt een bestemmingsplanwijziging in, de ondergrond zal niet geroerd worden. Het plan zal dan ook geen aantasting van eventueel aanwezig archeologisch waarden inhouden. Het aspect archeologie vormt daarmee geen beperking voor het voorliggende plan. Bij het eventueel toekomstig uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden is de hoogste interventiewaarde leidend, in dit geval waarde archeologie 1.

4.9

Waterhuishouding

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Pagina 27 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan2016 - 2021 Het NWP (dec. 2015) bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.

Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Provincie Gelderland Het Waterplan Gelderland 2010-2015 is in 2014 overgegaan in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie wil zorgen voor voldoende schoon water én droge voeten. Waterschap Rivierenland Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' (nov. 2015) geeft het waterschap de acties aan om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor en werkt aan een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar ‘Rivierenland’. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving.

Naast het beheerplan beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een watervergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Deze watervergunning wordt vervolgens door het waterschap verleend of geweigerd. Ook is het mogelijk dat nadere eisen worden gesteld aan de vergunningverlening. Planspecifiek De effecten van het onderhavig plan op de waterhuishouding zijn zeer beperkt. Verhard oppervlak & Vuilwater Er wordt geen extra verharding toegevoegd bij de voorliggende ontwikkeling. Het vuilwaterafvoer dat het terrein verlaat, via de riolering, zal aangesloten blijven op de huidige riolering. Materialen Bij de interne verbouwing van de woning zullen uitloogbare materialen zo min mogelijk toegepast worden.

Pagina 28 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

Watergangen Er zijn geen watergangen in of nabij het plangebied. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Om de te bepalen of voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid dient getoetst te worden aan de Parkeernota Zaltbommel 2018. De parkeernota schrijft voor dat grondgebonden woningen in andere kernen dan Zaltbommel 2,0 parkeerplaatsen per woning moeten hebben. In de bestaande situatie was in het plangebied een bedrijfswoning met een bedrijf van minder dan 100 m2 aanwezig. Op basis van deze functies zou er op de planlocatie derhalve 2,0 + 0,9 = 2,9 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Het parkeren van het huidige bedrijf komt te vervallen omdat deze functie eindigt. In zowel de feitelijke als de berekende situatie neemt de parkeerdruk derhalve af. Het parkeren blijft mogelijk in de noordoostelijke hoek van het perceel, zie hiervoor ook de foto op pagina 5. Er blijft derhalve voldoende parkeermogelijkheden beschikbaar voor de toekomstige situatie. Vanuit het aspect verkeer en parkeren vloeien geen aanvullende randvoorwaarden voort die van toepassing zijn op het plan.

4.11 Eindconclusie Uit de beleidsmatige beoordeling (hoofdstuk 2), de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing (hoofdstuk 3) en de beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten (hoofdstuk 4) van het initiatief blijkt dat het initiatief ruimtelijk aanvaardbaar is en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het is dan ook ruimtelijk goed te verantwoorden om voorliggend bestemmingsplan vast te stellen.

Pagina 29 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

5 JURIDISCHE PLANOPZET 5.1

Vormgeving

Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. Het bestemmingsplan bestaat uit: • • •

een toelichting; regels; een digitale verbeelding, die ook een analoge versie heeft.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden weergegeven. Naast een bestemming worden er ook aanduidingen en dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Deze bestemmingen, aanduidingen en dubbelbestemmingen zijn nader uitgewerkt in de regels. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd hoe de keuze van de bestemmingen tot stand is gekomen en waarom de regels zijn opgenomen. De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Niet alle begrippen worden verklaard. Slechts die begrippen waarover interpretatiekwesties kunnen ontstaan en die daardoor een eenduidige toepassing van de regels kunnen verhinderen worden toegelicht. Ook is de wijze van meten in dit hoofdstuk bepaald (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In het tweede hoofdstuk zijn de bestemmingsregels opgenomen. Per bestemming is aangegeven welke functies tot de bestemming worden gerekend en wat de specifieke bouw- en gebruiksregels van de gronden zijn. 3. Algemene regels. Het derde hoofdstuk bevat bepalingen met een algemeen karakter. Hierin is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen, alsmede de algemene bouw- en gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. 4.

Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en de slotbepaling opgenomen. Hoewel het hier ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Hieronder worden de regels, voor zover dat nodig is voor een juiste interpretatie van de juridische regeling in het plan, nader toegelicht. Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een toelichting op deze regels. Begrippen Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Het begrip bestaand is in een aantal regelingen opgenomen en verklaard in de begripsomschrijving. Bij de bepaling van de bestaande situatie kan worden teruggevallen op de (veld)inventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouwen milieudossiers, de luchtfoto's, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ-gegevens), zoals deze bij de gemeente bekend waren bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Specifiek voor de woonschepen, aanlegsteigers, recreatiewoningen en stacaravans zijn rapportages en/of inventarisaties beschikbaar.

Pagina 30 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van onder meer de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Ook is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreffen ondergeschikte bouwdelen zoals schoorstenen en masten en dergelijke.

5.2

Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken. Bestemming Wonen Op de planlocatie is een reguliere woonbestemming van kracht. De in dit bestemmingsplan opgenomen bouw- en gebruiksregels sluiten aan bij de regels voor Wonen uit de geldende Beheersverordening Aalst, Kerkwijk en Delwijnen. Dubbelbestemming Waarde-Archeologie Het archeologiebeleid vermeldt dat bij plannen zonder concreet geplande bodemingrepen (actualisatieplannen waarbij de bestaande situatie grotendeels wordt gehandhaafd, zoals het bestemmingsplan buitengebied) de gebieden waar archeologische resten verwacht worden of zijn vastgesteld op de verbeelding worden aangeduid met dubbelbestemmingen. Hieraan zijn regels gekoppeld met een regeling voor het verlenen van omgevingsvergunningen.

5.3

Verbeelding

De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond met de schaal 1:1000

5.4

Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting.

Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele maatschappelijke behoefte voor wat betreft bouwen en gebruik. Vervolgens is door middel van het opnemen van diverse flexibiliteitsbepalingen Pagina 31 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

(algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingen) in voldoende mate ingespeeld op eventuele toekomstige ontwikkelingen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen, en, dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.

Pagina 32 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Zaltbommel met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De ontwikkeling valt niet onder 1 van de onder a t/m f genoemde categorieën dus het was niet nodig om een exploitatieplan vast te stellen dan wel een anterieure overeenkomst te sluiten De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald.

Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg en inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. Van het gevoerde vooroverleg zijn verslagen opgesteld die als bijlagen bij dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Zienswijzen (later in de procedure invoegen) Met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging (X) kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien. Beroep (later in de procedure invoegen) Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Pagina 33 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

7 Bijlagen 1. Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbest in grond onderzoek M. Bakstraat 2 te Aalst, NIPA Milieutechniek b.v. rapportnummer 18203, 21 april 2020

Pagina 34 Bestemmingsplan Aalst, M. Baksstraat 2

Bijlage 1

RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK EN VERKENNEND ASBEST IN GROND ONDERZOEK M. BAKSSTRAAT 2 TE AALST Gemeente Aalst Gelderland, sectie A, nummers 1306 en 1513 PROJECT: 18203

VERANTWOORDING Titel

VERKENNEND BODEMONDERZOEK EN VERKENNEND ASBEST IN GROND ONDERZOEK M. BAKSSTRAAT 2 TE AALST

Opdrachtgever

Wendel Reclame Koningin Emmastraat 27 5308 JH Aalst

Rapportnummer

18203

Datum

Projectleider

mevrouw J.P.E.E. van Kempen- Auteur

21 april 2020

de heer C.A.J.H. Beunis

Mesterom

handtekening

Autorisatie

handtekening

de heer J.B.P. van der Stroom

Boormeester

de heer R. Reinders

handtekening

NIPA milieutechniek b.v. Landweerstraat – Zuid 109 5349 AK Oss

tel. +31 (0)412 – 65 50 58 www.nipamilieu.nl info@nipamilieu.nl

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/2

INHOUDSOPGAVE VERANTWOORDING ________________________________________________________________ 2 1

INLEIDING _____________________________________________________________________ 5

2

LOCATIEGEGEVENS _____________________________________________________________ 6

3

4

5

2.1

ALGEMEEN __________________________________________________________________ 6

2.2

VOORONDERZOEK _____________________________________________________________ 6

2.2.1

Omgeving _____________________________________________________________ 6

2.2.2

Bodemgebruik _________________________________________________________ 6

2.2.3

Uitgevoerde bodemonderzoeken ___________________________________________ 7

2.2.4

Bodemopbouw en geohydrologie __________________________________________ 7

2.3

DOELSTELLING _______________________________________________________________ 8

2.4

HYPOTHESE _________________________________________________________________ 8

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK _________________________________________________ 9 3.1

VERKENNEND BODEMONDERZOEK CONFORM NEN 5740 __________________________________ 9

3.2

VERKENNEND ASBESTONDERZOEK CONFORM NEN 5707 ___________________________________ 9

3.3

VELDWERKZAAMHEDEN _________________________________________________________ 9

3.4

LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN _________________________________________________ 10

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ______________________________________ 11 4.1

VERKENNEND BODEMONDERZOEK _________________________________________________ 11

4.2

ASBEST IN BODEM ____________________________________________________________ 12

RESULTATEN __________________________________________________________________ 15 5.1

ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ___________________________________________________ 15

5.2

ANALYSERESULTATEN EN BODEMKWALITEIT ___________________________________________ 15

5.3

INTERPRETATIE ______________________________________________________________ 16

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ________________________________________________ 18

7

REFERENTIES _________________________________________________________________ 19

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/3

Bijlage 1 2 3 4 5 6 7 8

Situering in de regio Kadastrale gegevens Locatieoverzicht Boorprofielbeschrijvingen Analysecertificaten grond en grondwater Toetsingstabellen Fotobijlage Gegevens vooronderzoek

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/4

1

INLEIDING Wendel Reclame te Aalst heeft, in verband met een geplande grondtransactie, aan NIPA milieutechniek b.v. te Oss opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbest in grond onderzoek conform de NEN 5707 op het perceel M. Baksstraat 2 te Aalst. NIPA milieutechniek b.v. te Oss is een ISO 9001:2015 gecertificeerd onderzoeksbureau. Tevens is NIPA milieutechniek b.v. op grond van artikel 12 van het Besluit bodemkwaliteit erkend voor de werkzaamheid “Veldwerk”. Deze erkenning geldt voor de volgende protocollen: 

2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen

2002 – Het nemen van grondwatermonsters

2003 – Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek

2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem

NIPA milieutechniek b.v. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. De contactpersoon van de opdrachtgever is de heer B. van Wendel-de Joode. De werkzaamheden bij NIPA milieutechniek b.v. zijn gecoördineerd door mevrouw J.P.E.E. van Kempen-Mesterom.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/5

2

LOCATIEGEGEVENS 2.1

Algemeen

De onderzoekslocatie betreft het perceel M. Baksstraat 2 te Aalst (gemeente Zaltbommel) en staat kadastraal bekend als gemeente Aalst Gelderland, sectie A, nummers 1306 en 1513. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 645 m². De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. Het locatieoverzicht is opgenomen als bijlage 3. 2.2

Vooronderzoek

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform hoofdstuk 6 van de NEN 5725. In bijlage 8 zijn de relevante kopieën vanuit het vooronderzoek opgenomen. 2.2.1 Omgeving De onderzoekslocatie is gelegen aan de rand van de dorpskern van Aalst. De directe omgeving van de locatie bestaat uit: 

Noordzijde:

Kruising Kerkpad-Kerkstraat / Dorpstraat-M. Baksstraat;

Oostzijde:

M. Baksstraat, woningen;

Zuidzijde:

Woningen, Drielse Wetering;

Westzijde:

Kerkpad, autobedrijf Oomen.

2.2.2 Bodemgebruik De locatie is bebouwd met een woning, winkel en een garage. Het onbebouwde terreindeel is in gebruik als tuin. In de garage en winkel is een betonvloer aanwezig. In het verleden was op de locatie een verfwinkel gevestigd waarvoor verf in de huidige garage werd opgeslagen. In de verfwinkel werden ook verpakte bestrijdingsmiddelen verkocht. De bestrijdingsmiddelen opslag bevond zich in de winkel.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/6

1965

1970

Bron: Kadaster/TopoTijdReis

Het kadastraal perceel 1513 betreft een voormalige watergang die in de jaren ’70 van de vorige eeuw is gedempt met onbekend materiaal en grond van onbekende afkomst.

Uit topografische gegevens (topotijdreis.nl) blijkt dat het perceel direct ten zuiden van de onderzoekslocatie, in de periode tussen 1940 en 1975, als boomgaard in gebruik is geweest. In deze periode is bij de fruitteelt mogelijk gebruik gemaakt van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB), zoals DDT, waardoor de locatie verdacht is op het voorkomen van OCB. 2.2.3 Uitgevoerde bodemonderzoeken Bij de gemeente, de opdrachtgever en in ons eigen archief zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend met betrekking tot de onderzoekslocatie.

Circa 10 meter noordelijker van de onderzoekslocatie is op 9 juli 1996 door NIPA een bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Kerkstraat 2 (huisnummers 1a, 2 en 2a). Daarbij zijn geen verhoogde waardes in de grond waargenomen. In het grondwater zijn licht verhoogde gehaltes aan arseen, chroom, tolueen en xylenen waargenomen 2.2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Voor de bodemopbouw en de geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO (Tiel, Kaartbladen 39 West). Hierin zijn de volgende regionale gegevens samengevat.

De onderzoekslocatie ligt in de gemeente Zaltbommel. De gemiddelde maaiveldhoogte is circa 3 meter +NAP. Plaatselijk kan de bodemopbouw afwijken van onderstaande gegevens. De in het Holo-

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/7

ceen gevormde deklaag bestaat uit klei, veen en lemig zand en heeft een dikte van circa 5 meter. Onder deze slecht doorlatende deklaag bevind zich het eerste watervoerend pakket bestaande uit de grofzandige formaties van Sterksel. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van circa 50 meter. De scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket bestaat uit kleien en slibhoudende afzettingen van de formaties van Kedichem en Tegelen over een dikte van circa 80 meter. Het tweede watervoerend pakket bestaat voornamelijk uit grove zanden en grinden behorende tot de formaties van Tegelen en Maassluis.

De algemene stromingsrichting van het grondwater is zuidwestelijk. Dit stromingspatroon wordt bepaald door de ondergrondse afstroming van de hoger gelegen gebieden in Noord Brabant. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt hoogstwaarschijnlijk beïnvloed door de stand van de nabijgelegen Waal. 2.3

Doelstelling

Het onderzoek heeft tot doel vast te stellen of uit te sluiten dat op de locatie bodemverontreiniging aanwezig is die een belemmering vormt voor het voorgenomen gebruik van de bodem. 2.4

Hypothese

Op basis van de beschikbare gegevens wordt de hypothese gesteld dat: 

dat de garage verdacht is op het voorkomen van verontreinigingen met vluchtige aromaten;

de gedempte watergang verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging met zware metalen, minerale olie, PCB en PAK;

Omdat het perceel ten zuiden van de onderzoekslocatie als boomgaard in gebruik is geweest, wordt rekening gehouden met het kunnen voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen in de bovengrond. In de winkel zijn alleen verpakte bestrijdingsmiddel verkocht. Aangezien in de winkel een betonvloer aanwezig is, wordt de winkel niet verdacht beschouwd met betrekking tot het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/8

3

UITGEVOERD BODEMONDERZOEK 3.1

Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740

Verdeeld over de onderzoekslocatie met een oppervlakte van circa 645 m² zijn gebaseerd op de NEN 5740 volgens de strategie voor een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een heterogeen verdeelde bodemverontreiniging de volgende boringen verricht: 

4 boringen tot 0,5 meter –mv (04 t/m 07);

2 boring tot 0,5 meter – onderzijde oorspronkelijke slootbodem (02 en 03);

1 boring tot 1,5 meter onder het grondwaterniveau en afgewerkt met peilbuis. De peilbuis is gesitueerd tussen de winkel en garage en staat stroomafwaarts(01).

De toplaag is per 0,25 meter bemonsterd

Drie bovengrond(meng)monsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grond aangevuld met OCB.. Eén grondmengmonster van het dempingsmateriaal is geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grond. Voor het berekenen van de gestandaardiseerde meetwaarden zijn van de grond(meng)monsters tevens de percentages aan lutum en organisch stof bepaald. Het grondwatermonster is geanalyseerd op de parameters uit het standaardpakket voor grondwater waar vluchtige aromaten onderdeel vanuit maken. 3.2

Verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707

Tijdens de veldwerkzaamheden ten bate van het verkennend bodemonderzoek zijn in een aantal boringen bijmengingen met metselpuin aangetroffen waardoor de locatie als asbestverdacht beschouwd dient te worden. Verdeeld over de onderzoekslocatie zijn daarom conform de strategie voor een verdachte locatie met betrekking tot het heterogeen voorkomen van asbest vanuit de NEN 5707, 6 inspectiegaten gegraven van 0,3 x 0,3 meter. De inspectiegaten zijn tot een diepte van 0,5 meter -mv gegraven waarbij één inspectiegat is doorgezet tot 2,0 meter -mv.

Het vrijgekomen materiaal is gezeefd en geïnspecteerd op het voorkomen van asbest. Hierbij is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Van de fijne fractie zijn twee mengmonsters samengesteld en ter analyse aangeboden aan het laboratorium. 3.3

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden, te weten het uitvoeren van de boringen, het graven van de inspectiegaten, het plaatsen van de peilbuis, het bemonsteren van de grond en van het grondwater en de zintuiglijke

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/9

beoordeling van de grond- en grondwatermonsters, zijn uitgevoerd volgens de methoden zoals aangegeven in de relevante NPR- en NEN-normen zoals beschreven in de beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek” [2]. De situering van de boringen en inspectiegaten is opgenomen in bijlage 3. Alle boringen zijn op 19 maart 2020 met handkracht uitgevoerd. De inspectiegaten zijn op 26 maart 2020. Het grondwater is eveneens op 26 maart 2020 bemonsterd. De troebelheid (NTU), pH en de geleidbaarheid (Ec) van het grondwater zijn in het veld bepaald. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat VB-002. De boorwerkzaamheden, grondwatermonstername en het asbestonderzoek zijn uitgevoerd door de heer R. Reinders. 3.4

Laboratoriumwerkzaamheden

De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd door een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium. Voor de toegepaste analysemethoden wordt verwezen naar bijlage 5.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/10

4

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 4.1

Verkennend bodemonderzoek

De verontreinigingssituatie van de vaste bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes aan de achtergrond- en interventiewaarde [3 & 4]. De streefwaarden voor grond zijn per 1 oktober 2008 vervangen door de achtergrondwaarden (AW2000), deze zijn vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit [5]. De achtergrondwaarden zijn landelijk vastgesteld en worden in het Besluit bodemkwaliteit als volgt gedefinieerd: Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehaltes aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. In gemeenten die beschikken over een bodemkwaliteitskaart kan bij een overschrijding van de achtergrondwaarde getoetst worden aan de P90-waarde. Deze geeft een regionaal vastgestelde verhoogde achtergrondwaarde aan. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De streef- en interventiewaarden voor grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013 [3]. De streefwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de bodem aan.

De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de vaste bodem en het grondwater hebben voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een “geval van ernstige bodemverontreiniging” te spreken dient voor ten minste één stof het gemiddelde gehalte van minimaal 25 m³ grond of 100 m³ grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. In bijzondere situaties, zoals bij volkstuinen en bij kruipruimten, kan reeds bij een geringere omvang en bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op grond van de daadwerkelijk optredende blootstelling aan de verontreiniging dient bekeken te worden of onaanvaardbare risico’s voor mensen en/of ecosystemen optreden.

Uit de NEN 5740 [1] kan het volgende worden afgeleid. De interpretatie van de onderzoeksresultaten en de noodzaak tot het uitvoeren van vervolgonderzoek hangen voor een belangrijk deel af van de aanleiding en doelstelling van het onderzoek en de ‘gevoeligheid’ van het gebruik en de bestemming van de locatie. Ook de onderzoeksinspanning van het vervolgonderzoek wordt voor een belangrijk

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/11

deel hierdoor bepaald. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid te bepalen.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of organisch stofgehalte van de bodem. Bij de berekening van de gestandaardiseerde meetwaarden voor de vaste bodem is uitgegaan van gemeten lutum- en organisch stofgehaltes. De gestandaardiseerde meetwaarden zijn bepaald met behulp van BoToVa. De gestandaardiseerde meetwaarden en de toetsing aan de achtergrond- en interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage 6.

Bij de interpretatie van de toetsingsresultaten is uitgegaan van de BodemIndex (BI) BodemIndex (BI) = (gestandaardiseerde meetwaarde - AW) / (IW - AW) AW = achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) IW = interventiewaarde BodemIndex < 0:

gestandaardiseerde meetwaarde < AW

BodemIndex = 0:

gestandaardiseerde meetwaarde = AW

0 < BodemIndex < 0,5:

gestandaardiseerde meetwaarde > AW maar < Tussenwaarde

BodemIndex = 0,5:

gestandaardiseerde meetwaarde = Tussenwaarde

0,5 < BodemIndex < 1:

gestandaardiseerde meetwaarde > Tussenwaarde maar < IW

BodemIndex = 1,0:

gestandaardiseerde meetwaarde = IW

BodemIndex > 1:

gestandaardiseerde meetwaarde > IW NB: De BodemIndex heeft geen wettelijk kader en heeft slechts de functie van hulpmiddel bij de interpretaties van de toetsingsresultaten. De Tussenwaarde heeft eveneens geen wettelijk kader, maar wordt veelal toegepast als een signaalwaarde om tot aanvullend onderzoek over te gaan

De BodemIndex per analyseresultaat is eveneens weergegeven in de tabellen in bijlage 6. 4.2

Asbest in bodem

In de eerste stap wordt op basis van het verkennend onderzoek vastgesteld of er sprake is van een verdachte locatie en of de bodem asbestverdacht materiaal bevat. Indien dit wordt bevestigd, ontstaat hierdoor direct aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek om vast te stellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem indien de gemiddelde concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. (gewogen). Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie is vastgesteld aan de hand van de NEN 5707 of NTA 5727. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst. Elke sterk met asbest verontreinigde bodem dient beschouwd te worden als een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van het Milieuhygiënische saneringscriterium bodem, protocol asbest dat alleen van toepassing is indien er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest in (water)bodem, grond en

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/12

baggerspecie, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. (gewogen), worden de locatiespecifieke risico’s ingedeeld in twee categorieën: “géén onaanvaardbare risico’s” en “onaanvaardbare risico’s”. De locatie valt in de categorie “géén onaanvaardbare risico’s” als er geen kans op vezelemissie is. Dit komt voor in situaties waarbij het bij het actuele gebruik niet mogelijk is om met de asbestbodemverontreiniging in contact te komen of als blijkt dat in dergelijke situaties nooit gehalten aan asbest in de lucht zullen voorkomen die het Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR) overschrijden. Dit betekent dat dan een beperkingenregistratie moet plaatsvinden. Het bevoegd gezag kan naast registratie aanvullend beheermaatregelen voorschrijven. De inhoud van de beheermaatregelen wordt door het bevoegd gezag bepaald. Als de inrichting of het gebruik van de locatie verandert, dienen de locatiespecifieke risico’s opnieuw te worden beoordeeld. De concentratie aan asbest in (water)bodem, grond of baggerspecie is bekend uit het uitgevoerde verkennend en/of nader onderzoek. De analyses moeten worden uitgevoerd conform de NEN 5707. Conform deze norm dient in de rapportage van de uitgevoerde analyses naast het onderscheid in amfibool en serpentijn asbest ook onderscheid te worden gemaakt in hechtgebonden en niethechtgebonden asbest.

Dit laatstgenoemde onderscheid wordt gemaakt door het aangetroffen materiaal te vergelijken met referentiematerialen met bekende hechtgebondenheid. Uit praktijkmetingen is bekend dat er in het geval van een bodemverontreiniging met alleen hechtgebonden asbest in gehalten lager dan 1.000 mg/kg d.s. (gewogen), geen asbest in de lucht wordt aangetroffen boven de bepalingsondergrens. Om deze reden is het niet nodig verdere metingen te verrichten indien het gehalte aan hechtgeboden asbest minder dan 1.000 mg/kg d.s. (gewogen) bedraagt. Er dienen spoedig saneringsmaatregelen te worden getroffen op dat deel van de locatie waar sprake is van onaanvaardbare risico’s ten gevolge van de aanwezigheid van de bodemverontreiniging met asbest. Met “spoedig” wordt in dit kader bedoeld dat de sanering binnen 4 jaar na het afgeven van de beschikking ernst en spoed moet aanvangen. De consequenties van de risicobeoordeling conform het onderhavige "protocol asbest" worden door het bevoegd gezag vastgelegd in een beschikking “ernst en spoed”. In paragraaf 5.2 van de Circulaire bodemsanering 2009, zijn aandachtspunten voor de inhoud van een dergelijke beschikking opgenomen.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/13

Berekening asbestconcentratie Op basis van de bij de inspectie verzamelde materialen en de analyses van de verzamelmonsters kan aan de hand van de volgende formule uit de NEN 5707/5897 de asbestconcentratie per inspectiepunt worden bepaald. Cgr= M x % I (V x n x E (x ds))

waarbij: Cgr = asbestconcentratie fractie groter dan 16 millimeter M = massa asbestverdacht materiaal in mg % = gemiddeld % asbest in materiaal V = volume gegraven inspectiegat n = stortgewicht grond E = inspectie efficiëntie ds = droge stof gehalte bepaald doormiddel van veldmeting* * op het analysecertificaten van Search staat bij de materiaal monsters eveneens een gehalte droge stof, dit is echter het droge stofgehalte van het materiaal en is voor deze calculatie niet relevant

Voor de totale asbestconcentratie (Ctot) dient het gehalte van de fractie groter dan 16 millimeter (Cgr) opgeteld te worden met de concentratie die door het laboratorium in de grondmonsters aangetroffen wordt (Cf).

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/14

5

RESULTATEN 5.1

Zintuiglijke waarnemingen

Voor de boorprofielbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 4. De bodem is vanaf maaiveld tot het diepste punt van de boringen, opgebouwd uit zandige klei. Bij boringen 1, 3, 4, 5 en 7 bestaat de toplaag uit zeer fijn zand. De boringen 2 en 3 zijn verricht ter plaatse van de gedempte watergang, waarbij in boring 3 een sliblaag op een diepte van circa 2,20 meter -mv tot 2,50 meter –mv is aangetroffen. De sliblaag is niet geanalyseerd aangezien bij boring 2 bijmengingen zijn aangetroffen welke duiden op een eventuele demping met bodemvreemd materiaal, waardoor de meest verdachte laag is geanalyseerd. Bij boring 03 is tevens van 1,50 tot 2,20 meter –maaiveld een laag aanwezig waaruit het niet mogelijk was om bodemmateriaal op te boren. Tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn bij een aantal boringen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Hierbij is ook gelet op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. De betreffende boringen en bijmengingen zijn opgenomen in tabel 1.

Tabel 1: Overzicht bijmengingen per boring boring 01 02 04 05 06

traject (m-mv) 0,15 – 0,60 0,50 – 0,75 1,00 – 1,60 0,00 – 0,25 0,00 – 0,30 0,00 – 0,50

samenstelling klei klei

bijmengingen sporen baksteen en zwak metselpuin zwak baksteen en zwak kolengruis

zand zand klei

matig metselpuin sterk metselpuin en sporen baksteen sporen baksteen

De grondwaterstand bevond zich tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden op een diepte van circa 1,30 meter –mv. 5.2

Analyseresultaten en bodemkwaliteit

De analyseresultaten van de grond-, grondwatermonsters en het asbestonderzoek zijn opgenomen in bijlage 5; de analyse- en toetsingsresultaten zijn samengevat in de tabellen 2 en 3.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/15

Tabel 2: Toetsingsresultaten grond monster

deelmonsters

MM1

01: 0,15 - 0,60 06: 0,00 - 0,25 04: 0,00 - 0,25 05: 0,00 - 0,30

MM2

traject m-mv 0,00 - 0,60 0,00 - 0,30

bijmengingen

>achtergrondwaarde

>interventiewaarde

sporen baksteen, zwak metselpuin metselpuin, sporen baksteen

nikkel (0,02) zink (0,00) barium (0,19) cadmium (0,01) lood (0,06) zink (0,12) PCB (0,01) cadmium (0,02) kobalt (0,00) zink (0,23) PCB (0,01) barium (0,33) cadmium (0,02) lood (0,09) zink (0,14) PCB (0,10)

-

MM3

03: 0,00 - 0,25 07: 0,05 - 0,50

0,00 - 0,50

-

MM4

02: 0,50 - 0,75 02: 1,00 - 1,50

0,50 - 1,50

zwak baksteen, zwak kolengruis

-

-

-

(xxx) bodemindex Tabel 3: Toetsingsresultaten grondwater monster PB01

filterstelling m-mv 2,00 - 3,00

pH

Ec in µS/cm

troebelheid (NTU)

>streefwaarde

>interventiewaarde

7,19

672

9,3

molybdeen (0,02)

-

(xxx) bodemindex

5.3

Interpretatie

Grond Uit de resultaten blijkt dat de baksteen- en metselpuinhoudende bovengrond (MM1) ter plaatse van de boringen 01 en 06 licht verhoogde gehaltes aan nikkel en zink bevat. In de baksteen- en metselpuinhoudende bovengrond van de boringen 04 en 05 (MM2) zijn licht verhoogde gehaltes aan barium, cadmium, lood, zink en PCB gemeten. In de zintuiglijk schone bovengrond (MM3) zijn licht verhoogde gehaltes aan cadmium, kobalt, zink en PCB aangetoond. In de baksteen- en kolengruishoudende ondergrond (MMA4) zijn licht verhoogde gehaltes aan barium, cadmium, lood, zink en PCB gemeten.

De aangetoonde licht verhoogde gehaltes aan zware metalen worden mogelijk veroorzaakt door de aanwezige bijmengingen in de boven- en ondergrond. Echter het kan niet geheel uitgesloten worden dat de aanwezige verhoogde gehaltes aan zware metalen zijn veroorzaakt door de opslag van verfproducten in de winkel en garage dat was binnen, dus niet zeer waarschijnlijk. Voor het licht verhoogd gehalte aan PCB is geen eenduidige reden aan te wijzen ook bijmengingen. Aangezien in de toplaag geen verhoogde gehaltes aan OCB zijn gemeten, kan gesteld worden dat het voormalige gebruik bestrijdingsmiddelen op het aangrenzende perceel niet heeft geleidt tot een verontreiniging van de bodem met bestrijdingsmiddelen. Met betrekking tot de gedempte watergang kan gesteld worden deze het dempingsmateriaal licht verhoogde gehaltes aan zware metalen bevat. De lichte

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/16

gehaltes in boven- en ondergrond zijn dermate laag dat geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek.

Grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis Pb01 is een licht verhoogd gehalte aan molybdeen aangetoond. Licht verhoogde gehaltes aan molybdeen kunnen van nature in het grondwater voorkomen en duiden niet op een noemenswaardige verontreiniging. Voorafgaand aan de grondwatermonstername is een zuurgraad (pH) van 7,19 en een geleidbaarheid (Ec) van 672 µS/cm in het grondwater gemeten. De pH en de Ec hebben, voor deze regio, normale waarden. Tijdens de monsterneming van het grondwater is een troebelheid van het grondwater van 9,3 NTU gemeten. Verondersteld wordt dat het water in de bodem van nature een troebelheid van 0 – 10 NTU heeft. Een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt. Een verhoogde NTU kan leiden tot een overschatting van organische parameters en zware metalen. De verhoogde troebelheid hangt waarschijnlijk samen met de aanwezigheid van onoplosbare bestanddelen in het grondwater. Aangezien maximaal een licht verhoogd gehalte aan molybdeen is aangetoond, en de NTU van 10 geen normatieve grens is, bestaat geen aanleiding het grondwater opnieuw te bemonsteren.

Asbest Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het vrijkomende materiaal uit de inspectiegaten geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Van de fijne fractie zijn twee mengmonsters samengesteld en geanalyseerd op het voorkomen van asbest (MMA1 en MMA2). Uit de analyseresultaten blijkt dat de fijne fractie geen asbest bevat.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/17

6

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel M. Baksstraat 2 te Aalst, kadastraal bekend als gemeente Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513, blijkt dat: 

zowel de baksteen- en metselpuinhoudende boven- en ondergrond licht verontreinigd zijn met zware metalen en PCB;

de zintuiglijk schone bovengrond is licht verontreinigd met eveneens zware metalen en PCB;

het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen;

zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond in de metselpuinhoudende bodemlaag;

de bodem niet verontreinigd is met organochloorbestrijdingsmiddelen als gevolg van het gebruik van spuitmiddelen op het perceel direct ten zuiden van de onderzoekslocatie;

de verfopslag niet tot een verontreiniging van het grondwater heeft geleid;

de watergang gedempt is met licht verontreinigd materiaal.

Op basis van deze resultaten kan de hypothese, zoals verwoord in paragraaf 2.4 met betrekking tot het voorkomen van verontreinigingen met zware metalen en PCB in de gedempte watergang, in principe worden aanvaard. Voor het overige terreindeel dient de hypothese te worden verworpen aangezien geen verontreiniging met OCB en vluchtige aromaten is aangetoond. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de voorgenomen verkoop van de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond. Volgens de tijdelijke handreiking hergebruik PFAShoudende grond en bagger dient de grond ten behoeve van afzet aanvullend op de aanwezigheid van PFOS/PFOA geanalyseerd te worden. Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses wordt uitgevoerd.

Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/18

7

REFERENTIES 1.

NEN 5740, januari 2009. Bodem, bodem- landbodem- strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond [13.080.05]. NNI, Delft

2.

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Beoordelingsrichting voor het SIKB procescertificaat Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek, BRL SIKB 2000, Gouda, 1 februari 2018

3.

Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, 27 juni 2013, BWBR0033592

4.

Landelijke referentiewaarden ter onderbouwing van maximale waarden in het bodembeleid, RIVM rapport 711701053

5.

Regeling bodemkwaliteit, 13 december 2007, BWBR0023085

Verkennend bodem/asbestonderzoek M. Baksstraat 2 te Aalst, sectie A, nummers 1306 en 1513

CB/18203/19

Bijlage 1

Uittreksel Kadaster

Uw referentie: 18203

Bijlage 2

Kadastrale kaart

Uw referentie: 18203

Deze kaart is noordgericht

12345 25

Schaal 1: 500

Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens

Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Aalst Gelderland A 1306

Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 2 maart 2020 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Bijlage 3

Bijlage 4

01

01

03

t egel, m aaiveld

0

0

, m aaiveld

0

0 A

-5 A 50

zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, edelm an -15

B

-75

klei, zwak zandig, donker grijs, edelm an C

150

B

klei, zwak zandig, neut raal grijs, bruin, zwak roest , sporen bakst een, zwak m et selpuin, edelm an -60

100

50

100

C

200

D 150

klei, zwak zandig, donker grijs, edelm an -150

edelm an, geen m onst erm at eriaal

klei, st erk silt ig, neut raal grijs, bruin, zwak roest , edelm an

200

zand, zeer fijn, st erk silt ig, zwak hum eus, donker bruin, edelm an -125

-120

klei, zwak zandig, neut raal grijs, bruin, m at ig roest , edelm an -150

D

zand, zeer fijn, m at ig silt ig, zwak hum eus, donker bruin, edelm an

200 -220 E

250

250

-250 F

300

300

-300

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

klei, st erk silt ig, neut raal grijs, edelm an

300

-300

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

02

04

, m aaiveld

0

0 A

klei, zwak zandig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an

B

klei, m at ig zandig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an

50 C

, m aaiveld

0

0 A

-25

B

D 100

klei, zwak zandig, zwak grindig, donker bruin, zwak bakst een, zwak kolengruis, edelm an -75

E

zand, m at ig fijn, kleiig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, beige, m at ig m et selpuin, edelm an

50

-25

klei, m at ig, silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, grijs, zwak roest , edelm an

-50

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

-50

klei, m at ig silt ig, neut raal grijs, bruin, m at ig roest , edelm an -100

150 F

klei, zwak zandig, m at ig grindig, neut raal grijs, bruin, zwak bakst een, zwak kolengruis, edelm an

05 -160

G

, m aaiveld

0

0

klei, st erk silt ig, zwak hum eus, neut raal grijs, edelm an

200

250

slib, st erk kleiig, donker zwart , grijs, st erk plant en, edelm an

A -200

klei, st erk silt ig, neut raal grijs, edelm an

B 50

-30

-250

klei, zwak zandig, zwak hum eus, neut raal bruin, zwak roest , edelm an

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

zand, zeer fijn, kleiig, m at ig grindig, zwak hum eus, donker bruin, bruin, st erk m et selpuin, sporen bakst een, edelm an

-50

06

, m aaiveld

0

0 A B

50

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

Ba k sst r a a t 2 Aa lst 18203 N EN 5 1 0 4

klei, zwak zandig, zwak hum eus, neut raal bruin, sporen bakst een, edelm an -50

07

G0 4

klinker, m aaiveld

0

0 A

50

, m aaiveld

0

0

zand, m at ig fijn, kleiig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, beige, m at ig m et selpuin, zwak bakst een, schep

-5

zand, m at ig grof, zwak silt ig, zwak grindig, neut raal beige, edelm an t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

-50

t ype g r on d b or in g dat um 1 9 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

-25

G0 5 G0 1

01

t egel, m aaiveld

0

, m aaiveld

0

0

zand, zeer fijn, kleiig, m at ig grindig, zwak hum eus, donker bruin, bruin, st erk m et selpuin, sporen bakst een, brokken bakst een, brokken bet on, schep

0 -5

zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, schep

50

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

-15

100

klei, zwak zandig, zwak grindig, neut raal grijs, bruin, zwak roest , sporen bakst een, zwak m et selpuin, schep

150

klei, zwak zandig, zwak grindig, neut raal grijs, bruin, zwak roest , sporen bakst een, zwak m et selpuin, edelm an

-30

-50

G0 6

, m aaiveld

0

0

klei, zwak zandig, zwak grindig, zwak hum eus, neut raal bruin, schep

-60

klei, zwak zandig, donker grijs, edelm an 200

200

50

-50

-120

klei, zwak zandig, neut raal grijs, bruin, m at ig roest , edelm an

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

-150

klei, st erk silt ig, neut raal grijs, bruin, zwak roest , edelm an

250

-200

300

300

mma1

01

-5

G0 2

, m aaiveld

0

100

0

klei, zwak zandig, zwak hum eus, neut raal bruin, schep 50

150

-50

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

200

200

250

G0 3

klinker, m aaiveld

0

0

300

300

-5

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

zand, m at ig grof, zwak silt ig, zwak grindig, neut raal beige, schep -30

klei, zwak zandig, neut raal grijs, bruin, schep -50

bodem profielen sch a a l 1 :5 0 onderzoek project code get ekend conform

0

m m a1 50

50

t egel, m aaiveld

0

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

Ba k sst r a a t 2 Aa lst 18203 N EN 5 1 0 4

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

zand, m at ig grof, zwak silt ig, neut raal beige, schep -15

klei, zwak zandig, zwak grindig, neut raal grijs, bruin, zwak roest , sporen bakst een, zwak m et selpuin, schep

-50

mma2

, m aaiveld

0

0 m m a2

t ype in sp e ct ie g a t dat um 2 6 -0 3 -2 0 2 0 boorm eest er R. Re in d e r s

zand, zeer fijn, kleiig, m at ig grindig, zwak hum eus, donker bruin, bruin, st erk m et selpuin, sporen bakst een, brokken bakst een, brokken bet on, schep -30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11505699/1