Bijlage 1. Procesnota omgevingsvisie Bommelerwaard (zienswijzen en ambtshalve aanpassingen) OPENBARE VERSIE
Tekst van het document
Procesnota omgevingsvisie Bommelerwaard – gemeente Zaltbommel Omgevingsvisie
: Bommelerwaard
Hoort bij raadsbesluit
: 20 oktober 2022
I. Procedure ontwerp-omgevingsvisie ‘Bommelerwaard’ In de procesnota gaan wij in op de ingediende zienswijzen. U kunt lezen of deze zienswijzen zorgen voor aanpassingen in de vastgestelde omgevingsvisie (ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvisie). Dat leest u in de laatste kolom van de tabel bij punt II. Ook hebben wij in deze nota andere aanpassingen opgenomen. Het gaat dan om de aanpassingen die wij zelf hebben doorgevoerd (ambtshalve aanpassingen). Het plangebied van de omgevingsvisie betreft het grondgebied van de gehele gemeente Zaltbommel (en de gemeente Maasdriel). II. Ingediende zienswijzen/ontvankelijkheid De ontwerp-omgevingsvisie Bommelerwaard heeft van 9 december 2021 t/m 2 februari 2022 ter inzage gelegen. In deze periode bestond de mogelijkheid om zowel mondeling als schriftelijk zienswijzen naar de gemeente Zaltbommel te sturen. Op de ontwerp-omgevingsvisie zijn 22 zienswijzen ingediend, één advies en twee reacties van wettelijke overlegpartners. Alle zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend en daarmee ontvankelijk. In 9 gevallen ging het om een pro forma ingediende zienswijze. Per brief van 28 februari 2022 heeft de gemeente de indieners een termijn van 2 weken gesteld voor het aanvullen van de zienswijze. In 3 gevallen is van een indiener een aanvulling op de zienswijze ontvangen.
De reacties op het advies en de overlegreactie zijn uit praktisch oogpunt ook in de onderstaande tabel opgenomen. NB: als naar hoofdstukindeling of paginanummers wordt verwezen, heeft dat betrekking op de indeling en nummering uit de ontwerp-omgevingsvisie. 1
Zaaknummer
Datum
Samenvatting
Beoordeling / wie hebben we nodig?
Aanpassing/wijziging
265534 (betreft advies, geen zienswijze)
12-01-2022
1.
1.
De 2de zin van de laatste alinea (2de kolom) op p. 82 wordt als volgt aangepast: ‘vermindering van overlast vergroot (het gevoel van) veiligheid’.
Op p. 148 (bijlage 2: Bommelerwaard per deelgebied, kernkwaliteit: cultuurhistorische elementen) wordt de volgende toelichting op de aanduiding ‘waardevol open komgebied’ opgenomen: ‘In de waardevolle open komgebieden gaat het om gave open kommen, grote openheid en weidegebieden die hier en daar onderbroken worden door verspreid liggende bebouwing, populierenbossen, eendenkooien en grienden. Het agrarisch gebruik in de open komgebieden kenmerkt zich door hun weidsheid en strokenverkavelingen. In deze gebieden geldt de grootschalige openheid als een kernkwaliteit. De grootschalige openheid is leidend voor eventuele ruimtelijke ontwikkelingen. Aan het open komgebied in de Bommelerwaard wordt een provinciaal belang toegekend. Dat blijkt dat een
2. 3. 4.
Indiener verzoekt ‘Inclusie’ en ‘Lokale Inclusie Agenda’ als rode raad te verweven in met name kernopgave 10 en verder in 12 en 13. Indiener verzoekt inzet van “ervaringsdeskundigheid” expliciet op te nemen in Ov. Indiener verzoekt aanpassing alinea over jeugd, verwarde personen, drugsgebruik en ondermijnende criminaliteit aan het eind van pagina 82. Indiener verzoekt burgerparticipatie goed vorm te geven bij het omgevingsplan en daarbij Adviesraad Sociaal Domein een duidelijke positie te geven.
2.
3. 4.
2
265537
12-01-2022
1. 2. 3.
Indiener verzoekt een toelichting op de aanduiding ‘waardevol komgebied’. Indiener kan zich niet vinden in de definitie aanduiding ‘grienden’ op zijn gronden. De definitie komt niet overeen met de daadwerkelijke situatie. Indiener verzoekt het verwijderen van genoemde aanduidingen op de agrarische bedrijven en landbouwgrond.
Wij onderschrijven het belang van ‘inclusie’. De gemeente Maasdriel kiest ervoor om, naast de kernopgaven, vier leidende principes voor de visie te benoemen. ‘Inclusie’ is daar één van (p. 25-26). De gemeente Zaltbommel kiest niet voor leidende principes. In kernopgave 10 wordt het belang van een inclusieve samenleving expliciet benadrukt (p. 71). Wij verwijzen hierbij naar de Lokale Inclusie Agenda, welke ook in de actielijst bij kernopgaven 10 is opgenomen (p. 74). Hoewel het woord ‘inclusie’ niet expliciet wordt vermeld, gaan wij in de kernopgaven 12 en 13 gaan wij meer in op de fysieke component van inclusie (zoals de toegankelijkheid van de openbare ruimte). Inclusie komt zodoende op veel plekken in de omgevingsvisie terug. Het expliciet opnemen van ‘ervaringsdeskundigheid’ vinden wij wat ver voeren. Het gaat om een stuk met een tamelijk hoog abstractieniveau. We besteden hier veel aandacht aan in de Lokale Inclusie Agenda. Wel benadrukken wij het belang van participatie betrekken van zowel inwoners als relevante partijen bij het opstellen van visies, beleid en (omgevings)plannen. Dat zetten wij in het kader van de Omgevingswet voort. Wij passen de zin als volgt aan ‘vermindering van overlast vergroot (het gevoel van) veiligheid’. Bij het opstellen van omgevingsplannen zullen wij zeker invulling geven aan bugerparticipatie.
Op welke manier wij dat vormgeven en welke partijen wij daarbij betrekken bepalen wij niet in deze omgevingsvisie. Dat doen wij in ons participatiebeleid en bij de omgevingsplannen zelf.
Conclusie: het advies leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Op p. 148 van de omgevingsvisie (bijlage 2: Bommelerwaard per deelgebied) ontbreekt een toelichting op de aanduiding ‘waardevol open komgebied’. Deze toelichting wordt toegevoegd. Wij merken op dat de percelen van indiener deel uitmaken van het in de provinciale omgevingsverordening aangegeven ‘waardevol open gebied’. 2. De woningen Elskampseweg 2 en 2a en het agrarisch bouwvlak Elskampseweg 4 en 6 en de direct omliggende agrarische gronden zijn inderdaad als ‘griend’ aangegeven op de waardenkaart. De aanduiding ‘griend’ wordt verwijderd van deze percelen. De percelen komen in het deelgebied ‘open kommen’ te liggen. Dat sluit beter aan bij de bestaande situatie. De eendenkooi ten westen en ook de groenstrook ten oosten van Elskampseweg 4 en 6 houden wel de aanduiding als kernkwaliteit ‘griend’. 3. Zie hiervoor ons antwoord bij punt 2. Conclusie: de zienswijze leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie.
1
3
270926
27-01-2022
1.
2. 3.
4.
5.
6. 7.
Indiener ziet in de omgevingsvisie aangrijpingspunten om gezamenlijke ambities te realiseren en verwijst naar een visie die indiener heeft opgeteld met als uitgangspunten ontwikkelperspectief, bijdrage aan maatschappelijke opgaven en verbinding met de samenleving. De door adviesbureau CLM in 2020 ingeschatte ruimtevraag wordt onderschreven, maar deze ruimte is niet in het PIP (provinciaal inpassingsplan) beschikbaar. Indiener streeft naar een ruimtelijk beleid dat is gericht op ruimtelijke kwaliteit, dat betekent verdere concentratie van solitaire bedrijven en heroverweging van delen van bestaande concentratiegebieden. Indiener vraagt niet om meer ruimte, waar om een herschikking van gebieden (meer aansluitend op bestaande clusters). Daarom is indiener positief over de grondhouding van de gemeente Zaltbommel of flexibiliteit mogelijk is. Op dit moment wordt onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om de paddenstoelencluster in Maasdriel te revitaliseren. Er is een aantal bedrijven waarvoor verplaatsing (Veilingweg), uitbreiding en/of vernieuwing wenselijk is. In enkele gevallen is uitbreiding op huidige locatie de beste oplossing. De glastuinbouw- en padenstoelensector pleiten ervoor de ontwikkelruimte Grote Ingh (toe) te voegen aan de locatie Veilingweg Velddriel.
Hierdoor ontstaat in Maasdriel een toplocatie en een basisomvang om noodzakelijke voorzieningen te realiseren en meerwaarde te bieden voor de omgeving (mede door inpassing van duurzame energie). Het verlaten van de tuinbouwbestemming van de Grote Ingh biedt mogelijkheden om hier een hoogwaardige alternatieve inrichting bij Kerkdriel te realiseren. Indiener vraagt zich af hoe de omgevingsvisie zich verhoudt tot de visie Herstructurering Paddenstoelenteelt.
1. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
4
270963
28-01-2022
1. 2.
Indiener betreurt het dat het voornemen van de gemeenten om te komen tot één visie niet is gelukt. De (soms marginale) verschillen in voornomen beleid leidt soms tot storende onduidelijkheid. Indiener geeft aan dat de zin ‘Nieuwe plannen en ideeën, maar ook nieuw
Voor kennisgeving aangenomen. Wij zijn verheugd te vernemen dat de sector de door CLM geraamde ruimtevraag onderschrijft. Overigens merken wij op dat de gemeenten, provincie en waterschap in de Samenwerkingsovereenkomst (2008) hebben aangegeven de tuinbouwbehoefte te faciliteren tot 2020. Met het Uitvoeringsconvent (2015) is dat tot 2024 verlengd. De partijen zijn geen verplichting aangegaan om een eventuele verdere behoefte in de ruimtelijke zin te faciliteren. De gemeenten en provincie zijn nu, in samenwerking met de tuinbouwsector, bezig met een Visie Tuinbouw. Het visietraject loopt nog en er is nog geen sprake van een gezamenlijk gedragen beeld. Daarnaast merken wij op dat in de basis de ruimte voor de doorontwikkeling van de tuinbouw in de bestaande intensiveringsgebieden dient te worden gevonden, al dan niet door herstructurering van de bestaande gebieden. Wij houden vast aan het bestaande volume van deze gebieden. Wel wil de gemeente Zaltbommel onderzoeken of er flexibiliteit mogelijk is. Dat kan door (delen van) de huidige gebieden te verschuiven of ‘uit te ruilen’ met gebieden die meer geschikt zijn. Dat geldt voor het Zaltbommelse grondgebied. Hierbij is geen ruimte voor een vergroting van het volume van de intensiveringsgebieden. Wij onderschrijven het streven naar een beleid dat is gericht op ruimtelijke kwaliteit.
Solitaire bedrijven dienen, als zij hun bedrijf willen voortzetten en uitbreiden, te verplaatsen naar intensiveringsgebieden. De gemeente Zaltbommel is bereid om bestaande (delen van) intensiveringsgebieden te heroverwegen indien blijkt dat andere gebieden geschikter zijn. Zie hiervoor ook ons antwoord bij punt 2. Wij merken aanvullend op dat bij een dergelijke afweging ook andere belangen meespelen, zoals het effect op het landschap van eventuele nieuwe locaties. Verder dienen hierbij belanghebbende partijen als de provincie betrokken te worden. Wij merken op dat bestaande rechten van bedrijven zijn gerespecteerd. De gemeenten willen het concentratiebeleid voortzetten. Dat houdt in dat solitaire bedrijven in beginsel niet op de bestaande locatie kunnen uitbreiden, hoewel er uitzonderingen aanwezig kunnen zijn. De locatie Veilingweg Velddriel is in het inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard opgenomen als een reserveconcentratiegebied. Dat betekent dat dit gebied onder voorwaarden ontwikkeld kan worden als in de intensiveringsgebieden geen ruimte meer is voor de ontwikkeling van tuinbouw. De gemeenten zijn in samenwerking met de provincie en de tuinbouwsector bezig met een Visie Tuinbouw. Dat benoemen wij reeds bij kernopgave 8 op p. 61. Indiener neemt met zijn uitspraak een voorschot op de uitkomst van het visietraject voor de tuinbouw.
Wij willen eerst de uitkomst van dat traject afwachten hoe we verder gaan met de tuinbouw. Op dit moment is nog geen sprake van een gezamenlijk beeld op de toekomst. Met het voorstel Grote Ingh te schrappen als intensiveringsgebied loopt indiener vooruit op een eventuele uitkomst van het visietraject. De gemeenten willen eerst de uitkomst hiervan afwachten alvorens hier een uitspraak over te doen. De tuinbouwvisie die onder regie van het PHTB wordt opgesteld, kent een afzonderlijk traject. Als deze visie te zijner tijd door de raad wordt vastgesteld, kan deze visie in een later stadium een plek krijgen in de omgevingsvisie. Dat is niet meer het geval in de omgevingsvisie 1.0, maar zal een onderwerp kunnen vormen voor een 2.0 visie. Dat geldt ook voor een visie op de herstructurering van de paddenstoelenteelt.
Conclusie: de zienswijze leidt niet tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. De gemeenten Maasdriel en Zaltbommel kennen veel overeenkomsten. Die uiten zich in gezamenlijke beleidskeuzes voor de toekomst van de Bommelerwaard. Er zijn echter ook verschillen. Daarom willen de gemeenten ruimte bieden voor een ‘couleur locale’,
2
gedeelte van het open komgebied door de provincie als ‘waardevol open gebied’ is aangeduid’. Op de waardenkaart wordt de aanduiding als kernkwaliteit ‘griend’ van de woningen aan de Elskampseweg 2 en 2a evenals het agrarisch bouwvlak Elskampseweg 4 en 6 en de direct omliggende agrarische gronden verwijderd en vervangen door het deelgebied ‘open kommen’. Zie verder in figuren Ia en Ib onder de tabel.
n.v.t.
Zin in hoofdstuk 1, p. 6 (2 de kolom, 1ste alinea), wordt als volgt gewijzigd ‘Nieuwe plannen en ideeën, maar ook nieuw gemeentelijk beleid, moeten aansluiten op
3. 4. 5.
6.
7. 8. 9.
10. 11. 12. 13.
14.
15. 16.
17.
18.
gemeentelijk beleid, moeten voldoen aan de omgevingsvisie’ te strikt is. De omgevingsvisie is een toetsingskader om te zien of nieuwe plannen aansluiten bij het beleid. Het kaderstellende beleid, zoals opgenomen in p. 20, vanuit de NOVI zal na aanscherping van het NOVI niet meer actueel zijn. Indiener vraagt actuele inzichten en ontwikkelingen mee te nemen in deze visie. Het stikstofdossier hoort bij het onderwerp natuur en niet bij gezondheid. Geur en geluid horen daar wel bij. In hoofdstuk 6 staat dat ruimtelijke maatregelen getroffen moeten worden om stank en geluid te reduceren om gezondheid te bevorderen. Indiener stelt dat het aankondigen van ruimtelijke maatregelen een loos begrip is als dit niet verduidelijkt wordt.. Indiener ziet een tegenstelling met de uitwerking rond intensieve veehouderijen en is van mening dat ruimtelijke maatregelen mogelijk moeten maken dat lokale bedrijven vanuit toekomstvastheid kunnen verplaatsen binnen de Bommelerwaard als dat bijdraagt aan fysieke en mentale gezondheid van omwonenden. Ook zijn we van mening dat intensieve bedrijven geprikkeld kunnen worden de grondgebondenheid te verbeteren in samenhang met overige bedrijven. Via de verwerking van mest kunnen ze bijdragen aan het terugdringen van kunstmestgebruik en de kringlopen van overige bedrijven.
Een ambitie zoals uitgedragen in kernopgave 12 inzake bovenwettelijke regels is ongewenst en getuigt van denken in beperkingen in plaats van denken in kansen. Indiener vraagt naar het te voeren beleid op het gebied van economie en toerisme. Indiener vraagt naar de betekenis van de zin “De gemeente Zaltbommel kenmerkt zich over 20 jaar door een sterk agrarisch karakter en vitale en duurzame lokale bedrijvigheid.” Hoe ziet het beleid eruit om dit te bereiken en wat zegt dit over Maasdriel? Indiener maakt zich zorgen of er in de uiterwaarden van de Maas nog ruimte blijft voor landbouw, gelet op het actiepunt dat het Masterplan Maas wordt uitgevoerd. Tevens vraagt indiener op te nemen hoe overlast als gevolg van recreanten in de uiterwaarden wordt voorkomen dan wel bestreden. Indiener geeft aan dat de verbetering van natuurwaarden en biodiversiteit kan zonder verdere afname van het landbouwareaal. Indiener verwijst naar de zinsnede op p. 39 dat de openheid in het gedrang komt door intensivering en schaalvergroting in de landbouw. Indiener herkent dit niet. Aantasting van de openheid komt door woningbouw, moderne bedrijventerreinen en ingepaste zonnevelden, en niet zozeer door schaalvergroting van de landbouw. Verder geeft indiener aan dat ook uit andere onderdelen van beleid moet blijken dat openheid een zorg is. Indiener vindt de bewoording van kernopgave 4 onduidelijk.
Agrarische bedrijfsvoering is gericht op langjarig toekomstperspectief. Voor zover deze tekst de voorbode is van minder ruimte voor onze bedrijfsvoering dan zijn we het daar niet mee eens. Rond VAB-beleid mist indiener de input van de agrovisie. Indiener vraagt om terughoudendheid bij bestemmingswijzigingen en goed overleg met de sector bij het beschikbaar houden van landbouwgronden en bouwblokken. Indiener geeft het volgende aan: We zoeken naar een gezonde balans in het bieden van ruimte voor de ontwikkeling van de agrarische bedrijven, modernisering, aanpassing aan de energietransitie en teeltondersteunende voorzieningen in verbinding met het versterken van ons landschap, bescherming van de cultuurhistorie en de natuur. We willen inzetten op nieuwe (weerbare) teeltsystemen om de fruitproductie verder te verduurzamen en kwaliteit te borgen. Indiener verzoekt een duidelijk beleid te voeren voor intensieve veehouderijen. Dit zijn ook ondernemers van de gemeente die een handelingsperspectief voor gedurfde plannen en bijbehorende investeringen biedt. Indiener vraagt met de sectoren champignonteelt en glastuinbouw te overleggen ten aanzien van de samenhang met energie-infrastructuur en slimme uitwisseling met andersoortige bedrijven.
oftewel lokale keuzes. Als daar sprake van is, staat dat expliciet in de tekst van de omgevingsvisie vermeld om verwarring te voorkomen. 2. In hoofdstuk 1, p. 6 (2de kolom, 1ste alinea), wijzigen we de zin als volgt ‘Nieuwe plannen en ideeën, maar ook nieuw gemeentelijk beleid, moeten aansluiten op de omgevingsvisie’. 3. In de omgevingsvisie wordt uitgegaan van het nu geldende rijksbeleid. Op basis van de beleidscyclus op grond van de Omgevingswet wordt de omgevingsvisie regelmatig bijgesteld indien daarvoor aanleiding bestaat. Die aanleiding kan ook liggen in aangepast rijksbeleid. 4. Dit punt gaat over de ‘leidende principes’ die de gemeente Maasdriel heeft bepaald. Stikstof heeft ook een relatie met gezondheid. Teveel stikstofoxiden in de lucht is namelijk schadelijk voor de gezondheid. Vooral mensen met longklachten of astma hebben er last van. Er zijn diverse bronnen van stikstofuitstoot, namelijk verkeer en industrie. Uit de mest vanuit de landbouw verdampt stikstof als ammoniak en komt in de lucht. Daarom passen we deze tekst niet aan. 5. Hoofdstuk 6 gaat over de leidende principes van Maasdriel, thema’s die bij vrijwel elke opgave terugkomen. De inhoudelijke opgaven worden uitgewerkt in de kernopgaven. Voor de agrarische sector gebeurt dat met name in kernopgave 4.
Wij willen dat bestaande nietgrondgebonden bedrijven omschakelen naar een grondgebonden bedrijfsvoering of een bedrijfsvoering die voldoet aan de laatste milieu- en/of dierenwelzijnseisen. Voor deze transitie bieden wij bedrijven ontwikkelruimte. Voor wat betreft verplaatsingsmogelijkheden vullen wij de tekst van de omgevingsvisie als volgt aan: ‘verplaatsing van een intensieve, niet-grondgebonden veehouderij in de Bommelerwaard is alleen denkbaar als dat ook gunstig is vanuit het oogpunt van milieu, gezondheid en landschap. Dat vraagt dan om maatwerk’. Dat voegen wij toe aan de omgevingsvisie. Wij zien geen tegenstelling tussen ons beleid ten aanzien van gezondheid en intensieve veehouderijen. Wij schetsen duidelijk welk toekomstbeeld wij zien voor de agrarische sector in onze gemeente: er is ontwikkelruimte, maar wel grondgebonden en passend in de omgeving en binnen milieu- en dierenwelzijnseisen. 6. Daar waar innovatieve technieken bijdragen aan de grondgebondenheid en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit staan wij daar open voor. 7. Waarschijnlijk doelt de indiener op de 5 de actie op p. 84: ‘Wij onderzoeken of wij voor bepaalde gebieden willen gaan werken met milieueisen (op het gebied van geluid- en geurbelasting) die strenger zijn dan de wettelijke normen’.
De tekst van deze actie kan met de huidige formulering te beperkend zijn en daarom passen wij die als volgt aan: ‘wij bekijken of wij in bepaalde gebieden, in het kader van het behoud van de milieukwaliteit, van de standaardwaarden (de milieukwaliteitsnormen uit het Bkl) willen afwijken en strengere waarden willen vaststellen. Daarnaast kijken wij waar het verantwoord is om in andere delen van het grondgebied soepelere normen vast te stellen. 8. Het beleid op het gebied van economie, de agrarische sector en toerisme en recreatie komt aan de orde onder de kernopgave 4, 5, 7, 8 en 11. Bij elke kernopgave staat beschreven onder ‘wat willen we bereiken’ welk beleid we willen voeren. Onder de actielijst staat telkens welke acties we willen initiëren. 9. Hoofdstuk 7 geeft een kenschets over de karakteristieken en waarden van de Bommelerwaard zoals deze nu is en geeft een kenschets waar de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel over 20 jaar staan. Op p. 29 staat een kenschets van de gemeente Zaltbommel over 20 jaar en op p. 30 staat een kenschets van de gemeente Maasdriel over 20 jaar. Deze zin zegt dus alleen iets over de gemeente Zaltbommel. In de alinea daarvoor staat aangeduid dat beide gemeenten hun eigen ‘couleur locale’ hebben en dat er verschil is in de kernopgaven per gemeente.
Deze kernopgaven leiden vervolgens tot een toekomstbeeld van beide gemeenten over 20 jaar, een stip op de horizon. De kernopgaven zijn uitgewerkt in hoofdstuk 8. 10. Wij erkennen het belang dat de (grondgebonden) landbouw voldoende ruimte moet blijven houden om te kunnen ontwikkelen. Uitvoering van het Masterplan Maas verandert daar niets aan. De uiterwaarden zijn overwegend in gebruik voor de functies water, natuur, toerisme en landbouw. Bepaalde functies zijn niet op voorhand meer of minder belangrijk dan anderen. 11. Hoewel we niet uitsluiten dat soms sprake kan zijn van overlast (door recreanten), is dit niet specifiek bij ons bekend. Wij hebben overleg gehad met Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat (specifiek over een bepaalde locatie in de uiterwaarden. Dat ging vooral overlast als
3
de omgevingsvisie’. De tekst in kernopgave 4, op p. 48 wordt aangevuld: verplaatsing van een intensieve, niet-grondgebonden veehouderij in de Bommelerwaard is alleen denkbaar als dat ook gunstig is vanuit het oogpunt van milieu, gezondheid en landschap. Dat vraagt dan om maatwerk’. De 5de actie uit de actielijst van kernopgave 12 op p. 84 wordt als volgt aangepast: ‘wij bekijken of wij in bepaalde gebieden, in het kader van het behoud van de milieukwaliteit, van de standaardwaarden (de milieukwaliteitsnormen uit het Bkl) willen afwijken en strengere waarden willen vaststellen. Daarnaast kijken wij waar het verantwoord is om in andere delen van het grondgebied soepelere normen vast te stellen’. Zin in kernopgave 4, p. 39 (1ste zin van de 2de alinea in de 1ste kolom) wordt als volgt aangepast: ‘waardevolle open en nog groene gebieden, met name in de komgebieden, maar ook op de oeverwallen, worden steeds kleiner door intensivering en schaalvergroting in de landbouw en door onder meer uitbreiding van woningbouw en bedrijventerreinen’.
12.
13.
14. 15.
16.
17. 18.
5
271304
30-01-2022
1. 2. 3. 4. 5.
Indiener verzoekt om het verbeteren van de toegankelijkheid van (openbare) gebouwen, openbare weg en openbaar vervoer vast te leggen in Ov. Indiener verzoekt om vast te leggen in Ov dat er gezorgd wordt voor de beschikbaarheid van voldoende geschikte woningen en woonvormen voor mensen met een beperking. Indiener pleit voor het hanteren van verscheidene richtlijnen en regelingen voor toegankelijkheid. Nieuwe openbare gebouwen dienen het keurmerk ITS te hebben. Indiener doet enkele tekstvoorstellen voor hoofdstuk 8 ‘kernopgaven’: I. Toevoegen op p. 32 ‘voor de omgevingsvisie betekent dit dat bij uitwerking van alle kernopgaven de richtlijnen voor toegankelijkheid worden gevolgd’ II. Toevoegen begrip ‘toegankelijk’ aan kernopgave 6 en de uitwerking ervan en het aanvullen van de actielijst van kernopgave 6 met punten 5 en 6 (toegankelijkheid OV); III. Verduidelijken wat term ‘toegankelijk’ in kernopgave 7 inhoudt en aanvullen punt 14 dat aanbod van recreatie toegankelijk moet zijn voor mensen met een beperking (in lijn met ITS); IV. Aanvullen van punten 1, 3 en 4 uit de actielijst van kernopgave 9 (levensloopbestendigheid en toegankelijkheid); V. Aanvullen van punten 6, 14 en 15 uit de actielijst van kernopgave 10 (toegankelijkheid); VI. Aanvullen van de actielijst van kernopgave 13 met punten 4, 5, 7, 8, 9 en 10 (toegankelijkheid en beheerplan speelplaatsen);
gevolg van achter gelaten afval. Voor vuilstortingen hebben we de APV. Voor wat betreft het uitlaten van honden is er het honden(poep)beleid. Het betreden van eigendommen kan een inbreuk zijn op het eigendomsrecht. Dergelijk zaken zijn afdoende via andere wet- en regelgeving geregeld. Zodoende nemen we hierover geen actie op in de omgevingsvisie. Voor wat betreft de verbetering van de biodiversiteit is ons doel, aangezien de biodiversiteit sterk onder druk staat, dat ook buiten natuurgebieden de biodiversiteit wordt verbeterd. Het is niet ons doel dat dit leidt tot een afname van het landbouwareaal. Dat is in lijn met landelijk en provinciaal beleid. Wij zijn hierin niet strenger dan dat beleid. Wij passen de zin op p. 39 als volgt aan: ‘waardevolle open en nog groene gebieden, met name in de komgebieden, maar ook op de oeverwallen, worden steeds kleiner door onder meer uitbreiding van woningbouw en bedrijventerreinen’ (tekst ‘door intensivering en schaalvergroting in de landbouw en’ wordt geschrapt). Zie beantwoording zienswijze 9 punt 6. Ervaring in de praktijk is dat vooral agrarische percelen (waaronder ook tuinbouwpercelen) die weinig toekomstbestendig lijken, bijvoorbeeld door een geringe omvang of ongunstige situering, worden ingezet voor functieverandering. Op p.
49 geven wij aan dat wij in de ‘open kommen’, waar de nadruk ligt op de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en het openhouden van het landschap, terughoudend willen omgaan met functieverandering. Voor kennisgeving aangenomen. Voor wat betreft het punt over de teeltondersteunende voorzieningen zie beantwoording zienswijze 24 punt 10. Aanvullend merken wij op dat we onderzoeken of er ruimte is voor experimentele ontwikkelingen, zoals combinaties van tov’s en duurzame energieopwekking. Mede als doel om ondernemers te faciliteren om te anticiperen op gevolgen klimaatverandering. Zie beantwoording zienswijze 7 punt 2. Wij verwoorden ons beleid voor wat betreft intensieve, niet-grondgebonden veehouderij in hoofdstuk 8 bij kernopgave 4 (p. 47-49). Wij merken in hoofdstuk 8 bij kernopgave 8 (p. 60-61) op dat wij voor de tuinbouwsector een afzonderlijke visie opstellen. Dat doen wij samen met de provincie en het waterschap en daarbij is de tuinbouwsector één van de betrokken partijen.
Conclusie: de zienswijze leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. In kernopgave 6 op p. 55 benoemen wij al in zijn algemeenheid dat wij de openbare ruimte zo inrichten dat deze toegankelijk is voor iedereen. Voor wat betreft de toegankelijkheid van gebouwen nemen wij het volgende op, aansluitend bij de toezegging bij de behandeling van de ontwerp-omgevingsvisie in de carrousel van 26 oktober 2021 is toegezegd: In de gemeente Zaltbommel dient de toegankelijkheid van nieuwe openbare gebouwen en de openbare ruimte zoveel mogelijk aan te sluiten bij de standaarden voor integrale toegankelijkheid (ITS) Daarnaast wil de gemeente bevorderen dat ook gebouwen met een semiopenbaar karakter zoals winkels en horeca) daarbij aansluiten. Dat nemen wij op in kernopgave 10, p. 73 (kopje ‘hoe willen we dat bereiken?’). Voor wat betreft het openbaar vervoer (zoals het toegankelijk maken van voertuigen en reisinformatie) merken wij op dat dit onder het takenpakket van de provincie Gelderland valt. De toegankelijkheid van bushaltes is mede een verantwoordelijkheid voor de gemeente als wegbeheerder. Dat valt onder het algemene punt van een toegankelijke openbare ruimte. Hierbij geldt dat onder andere het (niet) toegankelijk zijn van de voertuigen een rol speelt bij de afweging hoe haltes worden ingericht. 2. De gemeente maakt tweejaarlijks prestatieafspraken met de woningcorporaties.
Hierbij worden ook afspraken gemaakt over de huisvesting van bijzondere (kwetsbare) doelgroepen. De beide woningcorporaties die in Zaltbommel actief zijn huisvesten deze doelgroepen. Hierbij is te denken aan wonen met begeleiding, jongerenwoningen en groepsgewijs wonen. Daarnaast is een aantal organisaties in onze gemeente actief dat huisvesting verzorgt voor de GGZ en verstandelijke beperking. Een specifieke vermelding in de omgevingsvisie vinden we dan ook niet noodzakelijk. 3. Wij onderschrijven het belang van toegankelijkheid. Wij noemen bij punt 1 al de ITS. Verder verwijzen wij in de visie niet naar diverse richtlijnen. Dat heeft een sterk operationeel karakter en dat past niet bij het abstractieniveau van een omgevingsvisie. 4. Wij verwijzen naar ons antwoord bij punt 1. 5. I Wij passen de zin op p. 32 (kopje ‘8. Kernopgaven
4
Bij kernopgave 10, p. 73 (kopje ‘hoe willen we dat bereiken’) wordt de volgende tekst toegevoegd: In de gemeente Zaltbommel dient de toegankelijkheid van nieuwe openbare gebouwen en de openbare ruimte zoveel mogelijk aan te sluiten bij de standaarden voor integrale toegankelijkheid (ITS). Daarnaast wil de gemeente bevorderen dat ook gebouwen met een semiopenbaar karakter zoals winkels en horeca) daarbij aansluiten. De zin op p. 32 bij kopje ‘8. Kernopgaven Bommelerwaard’ wordt als volgt aangepast ‘(…) in de Bommelerwaard gezamenlijk en/of individueel gaan zetten om te werken aan een meer inclusieve en toegankelijke samenleving’. Bij kernopgave 6, p. 56 passen wij het 1 ste punt uit de actielijst als volgt aan: ‘bevorderen mobiliteit, verkeersveiligheid, toegankelijkheid en leefbaarheid door de uitvoering van de gemeentelijke verkeersen vervoersplannen (GVVP’s) van Maasdriel en Zaltbommel’. Bij kernopgave 10 passen we punt 6 van de actielijst als volgt aan: ‘we zetten in op het meer realiseren van (toegankelijke) (buiten)voorzieningen voor jongeren’. Bij kernopgave 10 wordt het actiepunt ‘we verbeteren de fysieke toegankelijkheid van de openbare ruimte, zodat bijvoorbeeld voorzieningen en centra voor iedereen goed en veilig bereikbaar zijn’ toegevoegd aan de actielijst.
Bommelerwaard’) als volgt aan ‘(…) in de Bommelerwaard gezamenlijk en/of individueel gaan zetten om te werken aan een meer inclusieve en toegankelijke samenleving’. Hiermee komen we tegemoet aan de wens van indiener. II De titel van de kernopgave wijzigen wij niet. Hierover heeft al een uitgebreid participatietraject en afzonderlijke besluitvorming in de raad plaatsgevonden. Voor wat betreft het verzoek om de actielijst aan te vullen met actiepunten gericht op verbetering van de toegankelijkheid van de openbare ruimte verwijzen wij naar ons antwoord bij punt 1. Wel passen wij het 1ste punt uit de actielijst bij kernopgave 6 als volgt aan: ‘bevorderen mobiliteit, verkeersveiligheid, toegankelijkheid en leefbaarheid door de uitvoering van de gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen (GVVP’s) van Maasdriel en Zaltbommel’. III Een verduidelijking daarvan dan wel een onderbouwing hoe met de toegankelijk wordt omgegaan moet plaatsvinden op projectniveau. IV. Deze actiepunten verwijzen naar recent bepaalde opgaven die afkomstig zijn uit de vastgestelde Woonvisie 2021-2025. V Actiepunt 6 passen wij als volgt aan ‘we zetten in op het meer realiseren van (toegankelijke) (buiten)voorzieningen voor jongeren’. De aanvulling d.m.v. toevoegen van actiepunt 14 (afstemming voor mensen met Wlz-indicatie) is geen punt voor de omgevingsvisie.
We voegen het actiepunt ‘we verbeteren de fysieke toegankelijkheid van de openbare ruimte, zodat bijvoorbeeld voorzieningen en centra voor iedereen goed en veilig bereikbaar zijn’ toe. VI Uiteraard dient rekening gehouden te worden met toegankelijkheid. Dat belang wordt in de visie benadrukt. Het voert te ver om bij elk actiepunt (hier bij punten 4 en 5) het woord ‘toegankelijk’ toe te voegen en te verwijzen (bij punt 7) naar alle operationele plannen zoals het beheerplan speelplaatsen. Wij benoemden bij punt 1 al dat de toegankelijkheid van openbare gebouwen zoveel mogelijk moet aansluiten bij ITS. Daarmee nemen we het niet ook nog afzonderlijk op in de actielijst als punten 8, 9 en 10. 6
271682
01-02-2022
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
7
271684
01-02-2022
1. 2. 3.
Indiener verzoekt om de Afgedamde Maas als bron voor drinkwater op te nemen in de Ov. Indiener verzoekt om het innamepunt van Dunea op te nemen in de BommerVisiekaart en de BommelerWaardenkaart. Indiener verzoekt om ‘water(kwaliteit) aan de zin “Bij toekomstige ontwikkelingen wordt de biodiversiteit, natuur en/of groen integraal meegenomen in de plannen” (kernopgave 1, p. 35) toe te voegen. Indiener verzoekt betrokken te worden bij de planvorming en wijzigingen in de openbare ruimte die het drinkwaterbelang raken. Indiener verzoekt om bescherming van vitale infrastructuur voor de drinkwatervoorziening op te nemen door een 2x9 meter (i.p.v. 2x5 m) beschermingszone op te nemen. Indiener geeft aan gezien de aanwezige kennis een natuurpartner in de Bommelerwaard te zijn. Indiener verzoekt om Dunea vroegtijdig te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen die het drinkwaterbelang raken, zodat samen invulling gegeven wordt aan de zorgplicht drinkwater. Indiener verzoekt de zorgplicht drinkwater op te nemen in de opsomming van de zorgplichten van de gemeenten in kernopgave 1.
Indiener meldt geschrokken te zijn van de negatieve sfeer die is opgetekend rondom veebedrijven in de Bommelerwaard; Indiener vindt dat er zonder enige onderbouwing (pluimvee)bedrijven op slot worden gezet en toekomstperspectief wordt ontnomen; Indiener gaat graag in gesprek met de gemeente om de bezwaren toe te lichten.
Conclusie: de zienswijze leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Het belang van de Afgedamde Maas als bron voor drinkwater benadrukken wij expliciet op p. 36 (uitwerking kernopgave 1: drinkwaterfunctie voor West-Nederland) en p. 120 (toelichting deelgebied ‘het buitendijks land: aan de Afgedamde Maas is een drinkwaterinnamepunt van Dunea gevestigd). 2. Het innamepunt van Dunea aan de Afgedamde Maas geven wij weer (zo mogelijk als waterdruppel) op de visiekaart en de waardenkaart. Ook geven wij het grondwaterbeschermingsgebied (t.b.v. drinkwaterwinning) bij Velddriel weer op de visiekaart. 3. Wij voegen ‘water(kwaliteit)’ toe aan deze zin. 4. Wij betrekken Dunea vroegtijdig bij plannen en/of ingrepen in de openbare ruimte die het belang van het drinkwater raken. Wij zien Dunea als een van onze standaard-overlegpartners bij ruimtelijke plannen. 5. Dit verzoek om aanpassing van de beschermingszone nemen wij mee bij het opstellen van het omgevingsplan (in de bestemmingsplannen is de beschermingszone van 2x5 m al opgenomen). 6. Wij onderkennen de kennis die Dunea kan inbrengen en zien Dunea als waardevolle partner bij versterking van onze natuurgebieden; 7. Zie hiervoor ons antwoord bij punt 4. 8. In het huidige water- en rioleringsplan is de zorgplicht voor drinkwater niet uitgewerkt.
Wij voegen aan de opsomming bij punt 5 in de actielijst van kernopgave 1 daarom de zin toe ‘Ook onderkennen we onze zorgplicht voor drinkwater’. Conclusie: de zienswijze leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Wij herkennen ons niet in de negatieve sfeer zoals die door indiener wordt ervaren (zie verder ons antwoord bij punt 2). 2. De omgevingsvisie biedt grondgebonden agrarische bedrijven de ruimte om uit te breiden. In de ‘open kom’ gebieden heeft de ontwikkeling van agrarische bedrijvigheid het primaat. Bij nieuwe ontwikkelingen bekijken wij ook in hoeverre die niet leiden tot belemmeringen of beperkingen voor ontwikkeling van agrarische bedrijven. Dat is een voortzetting van ons huidige beleid uit de structuurvisie voor het buitengebied. Uitbreiding kan echter niet zonder voorwaarden. Zo moet een ontwikkeling milieutechnisch inpasbaar zijn en samengaan met een verduurzaming van de bedrijfsvoering. Ook moet de uitbreiding landschappelijk worden
5
n.v.t.
Het drinkwaterinnamepunt aan de Afgedamde Maas en het grondwaterbeschermingsgebied (voor drinkwaterwinning) bij Velddriel worden weergegeven op de visiekaart en de waardenkaart (zo mogelijk als waterdruppel). De zin op p. 35 wordt als volgt aangepast: “bij toekomstige ontwikkelingen wordt de biodiversiteit, natuur en/of groen en water(kwaliteit) integraal meegenomen in de plannen’. Punt 5 uit de actielijst van kernopgave 1 op p. 38 wordt met de volgende zin aangevuld: Ook onderkennen we onze zorgplicht voor drinkwater.
3.
8
271690
29-01-2022
1. 2.
3.
4. 5.
9
271809
01-02-2022
1.
Hoewel in het ontwerp allerlei details worden aangetipt, is er volgens ons te weinig sprake van een visie waar we met zijn allen naar toe willen met de Bommelerwaard. Indiener verwijst naar een eerder ingebracht idee ten aanzien van overwegen tussen Maas en Waal. Indiener geeft aan dat de drie overwegen een aandachtspunt blijven. Het wegsaneren van de overwegen is nu nodig om het doel te behalen. Nu moet rekening gehouden worden met extra spoor t.b.v. goederen- of sneltreinen dat zich aandient. De afwatering vanuit de Bommelerwaard op de Afgedamde Maas moet aangepakt worden om het afvoeren van vervuild water te voorkomen. Indiener verzoekt hierover een apart punt op te nemen. Indiener geeft suggesties voor de waterbeheersing, verdeling van het water en peilbeheersing. Indiener pleit voor een duidelijke visie op de maximale omvang van de populatie en behoud van de kernen, door te sturen op wonen. Dat kan bijvoorbeeld door te sturen op kleinere wooneenheden. Indiener stelt voor een Commissie omgevingsveiligheid in te stellen voor de Bommelerwaard, bestaande uit burgers uit de hele Bommelerwaard. Het doel van de commissie is het gevraagd en ongevraagd adviseren van de portefeuillehouder over alle veiligheidsaangelegenheden.
Indiener complimenteert gemeente met zorgvuldigheid waarmee de situatie in de sector is onderzocht voordat beleid is gevormd. Met de visie toont de
ingepast en bij grote uitbreidingen dient op andere plekken oude bebouwing te worden gesaneerd. Ook komt het belang dat wij hechten aan ruimte voor de agrarische sector tot uitdrukking in onze afweging hoe wij omgaan met inbreiding of uitbreiding als het gaat om nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Hoewel wij per situatie een afweging willen maken, ligt de nadruk op inbreiding. Mede om de impact op de beschikbare landbouwgrond beperkt te houden. Als het gaat om niet-grondgebonden bedrijvigheid vinden wij nieuwe bedrijven of uitbreiding van bestaande bedrijven niet gewenst. Ook dit is een voorzetting van een bestaande beleidslijn. Wij willen dat bestaande niet-grondgebonden bedrijven omschakelen naar een grondgebonden bedrijfsvoering of een bedrijfsvoering die voldoet aan de laatste milieu- en/of dierenwelzijnseisen. Voor deze transitie bieden wij bedrijven ontwikkelruimte. Wij gaan niet met de constatering van de indiener mee dat het toekomstperspectief van veebedrijven wordt ontnomen. Wij schetsen duidelijk welk toekomstbeeld wij zien voor de agrarische sector in onze gemeente: er is ontwikkelruimte, maar wel grondgebonden en passend in de omgeving en binnen milieu-, duurzaamheids- en dierenwelzijnseisen. Vanzelfsprekend staat de gemeente open voor een gesprek met indiener.
Conclusie: de zienswijze leidt niet tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Wij herkennen ons niet in het standpunt van de indiener. In 13 kernopgaven hebben we onze visie op de toekomst van de Bommelerwaard weergegeven. Deze opgaven zijn in een uitgebreid participatie- en communicatietraject tot stand gekomen. Daarnaast beschrijven de gemeenten in hoofdstuk 7 voor het eigen grondgebied wat het toekomstperspectief over circa 20 jaar is. 2. Deze wens is bij ons bekend. De verantwoordelijkheid ligt hiervoor primair bij ProRail. Het saneren van overwegen kan gunstig zijn voor de verkeersveiligheid. Dat vraagt echter om een brede afweging, onder meer vanwege de gevolgen voor landbouwverkeer en fietsverkeer. Wij kunnen daarom over het saneren van overwegen op dit moment geen concrete uitspraken doen. Zodoende nemen wij hierover geen actie op in de omgevingsvisie. Bij ProRail staan dergelijke maatregelen overigens niet voor de korte termijn op het programma. 3. Wij onderschrijven het belang van een goede waterkwaliteit. Wij nemen daarin de verantwoordelijkheid die bij de gemeenten liggen om integraal te werken aan het verbeteren van de waterkwaliteit. In kernopgave 4 geven we onder andere aan dat in Zaltbommel bestaande niet-grondgebonden, intensieve veehouderijen worden gestimuleerd om te schakelen naar een biologische bedrijfsvoering.
Grondgebonden agrarische bedrijven mogen uitbreiding als dit samen gaat met een verduurzamingsslag. In de actielijst van kernopgave 8 geven we aan dat we in gesprek gaan met de sector over de verduurzaming van de tuinbouw. Onder kernopgave 12 geven we aan dat we een goede waterkwaliteit willen bereiken. Water (peil) beheersing is echter, zoals indiener ook aangeeft, primair de verantwoordelijkheid van het waterschap. Wij zijn van mening dat het aspect waterkwaliteit voldoende aan bod komt in de omgevingsvisie. Daarnaast merken wij op dat recent een gezamenlijk tuinbouwriool in de Bommelerwaard is gerealiseerd. In dit aparte rioolstelsel, met een eigen zuiveringsinstallatie, wordt afvalwater van de glastuinbouw in de Bommelerwaard ingezameld en afgevoerd. Hierbij is door verschillende partijen, waaronder de tuinbouwsector, het waterschap, het drinkwaterbedrijf en de gemeente nauw samengewerkt. 4. We gaan niet sturen op een maximale bevolkingsomvang. In kernopgave 9 geven we aan dat we oog hebben voor differentiatie. We bieden ruimte aan innovatieve woonconcepten zoals flexwonen, tiny houses/ compacte woningen, woon-zorg concepten, modulair en circulair bouwen. Verder stimuleren we de realisatie van een breed palet van woningen en woonvormen voor senioren. 5. Bedankt voor de suggestie, maar hier maken we geen gebruik van.
Een ieder is te allen tijde in de gelegenheid om contact op te nemen met zijn of haar volksvertegenwoordiger, kan inspreken over raadsvergaderingen of een gesprek met de portefeuillehouder aanvragen. Verder staat het inwoners vrij om een organisatie of stichting op te richten om bepaalde belangen te behartigen. Conclusie: de zienswijze leidt niet tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Voor kennisgeving aangenomen. 2. Op de visiekaart maakt het door indiener genoemde gebied deel uit
6
n.v.t.
Op de visiekaart wordt de aanduiding ‘natte land’ (stippels) verwijderd van het
2.
3. 4. 5. 6. 7.
gemeente het wederzijdse belang in te zien. Wel zijn er aandachtspunten. Indiener verzoekt gemeente om de indicatie “natte land” van de percelen in het tussengebied van de Waalbandijk(en) binnendijks in Gameren te verwijderen. Initiatiefnemer heeft daar landbouwgronden. Op deze percelen heeft nooit natuurbeheer plaatsgevonden. Indiener wijst op de op p.38 gemeente opmerking over stikstof en wil dat de GMS niet blindelings wordt geïmporteerd in de omgevingsvisie; Indiener waarschuwt voor een tunnelvisie en grote ongekende uitgaven omtrent stikstof. Natuurdoelen worden niet uitsluitend met stikstof bereikt; Indiener wijst gemeente op een onderzoek van Louis Blok waaruit blijkt dat gangbare landbouw beter scoort op de doelen water- en biodiversiteit; Indiener stelt dat de bestaande landbouwgebieden in de Bommelerwaard voor de productie van voedsel van nationaal belang zijn en bescherming behoeven in plaats van reduceren van de landbouwfunctie; Indiener vindt dat er op basis van een brede omgevingsvisie af moet worden gezien van het voorkeursrecht. Dit is in de ogen van de Indiener een onredelijke dwangmaatregel;
3.
4.
5. 6.
7.
10
271811
01-02-2022
1.
2.
Indiener verzoekt de aanduidingen ‘Behouden van buffers tussen de kernen’ van de BommelerVisiekaart af te halen, omdat deze in de praktijk al zijn verdwenen met uitzondering tussen Kerkwijk en Delwijnen en het belemmert eventuele uitbreidingsmogelijkheden van de kernen Bruchem en Zaltbommel. Indiener verzoekt de begrenzing van het ‘droge land’ aan te passen in lijn met de begrenzing van het ‘gemengd landelijk gebied’ uit de structuurvisie Buitengebied.
van ‘droge land’. Daarnaast is een aanduiding ‘het natte land’ (stippels) opgenomen. De laatstgenoemde aanduiding wordt geschrapt. Het gaat immers om een binnendijks gelegen locatie. Van het ‘blindelings importeren’ van de Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) in de omgevingsvisie is geen sprake. In regionaal verband hebben wij een Regionaal Uitvoeringsplan Stikstof (RUS) opgesteld. Dat plan beschrijft hoe het Rivierenland bijdraagt aan bron- en natuurherstelmaatregelen. De belangen van agrariërs, maar ook van andere partijen, worden hierin meegenomen. De ambitie is het terugdringen van de stikstofdepositie in het Rivierenland en maatregelen te nemen om ontwikkelingen mogelijk te maken. De uitvoering van het RUS richt zich vooral op het benutten van (mee)koppelkansen in lopende maatregelen, ontwikkelingen en projecten binnen verschillende beleidsthema’s. Het betreft hier een inspanningsverplichting om de stikstofreductie te bereiken. Te denken valt aan het stimuleren van streekproducten, natuurinclusieve landbouw, het bevorderen van circulair, conceptueel en biobased bouwen en het inzetten op technologische innovaties. Daarnaast speelt het stikstofvraagstuk een rol bij (regionale) processen en beslissingen. Deze aanpak past binnen het GMS. Dat vraagt om aanscherping van punt 8 op de actielijst van kernopgave 1.
Wij passen de tekst als volgt aan: ‘we stimuleren het verminderen van de stikstofuitstoot op onze stikstofgevoelige natuurgebieden. In regionaal verband werken we hierin samen in het Regionaal Uitvoeringsplan Stikstof. De uitvoering hiervan richt zich vooral op het benutten van (mee)koppelkansen in lopende maatregelen, ontwikkelingen en projecten binnen verschillende beleidsthema’s’. Het Gelderse Maatregelenpakket Stikstof (GMS), en ook het Regionaal Uitvoeringsplan Stikstof (RUS), bestaat uit zowel stikstofmaatregelen en natuurherstelmaatregelen. Het gaat primair om het realiseren van natuurherstel, waarbij een vermindering van de stikstofbelasting een belangrijk middel is, naast andere middelen. Er wordt niet alleen gekeken naar stikstofreductie. Het gaat om een breed pakket aan maatregelen en zodoende is dan ook geen sprake van een tunnelvisie. Voor kennisgeving aangenomen. Het belang van landbouwgronden voor de voedselproductie komt in de omgevingsvisie tot uitdrukking. Dat blijkt onder meer uit de ruimtelijke keuze om in het gebied ‘open kom’ de (grondgebonden) agrarische ontwikkelingsmogelijkheden het primaat te geven. In de ‘open kom’ ligt de nadruk op ruimte voor agrarische bedrijvigheid, in combinatie met het behoud en versterken van de openheid van het landschap. Dat staat onder meer in de kernopgaven 4 (p. 40) en 9 (p. 66).
Wel is uitbreiding aan voorwaarden verbonden, zoals dat nu ook al het geval is. Daarnaast blijkt het uit de keuze om bij stedelijke ontwikkelingen (zoals woningbouw) eerst naar inbreidingsmogelijkheden te kijken in plaats van uitbreiding (en als wordt uitgebreid, eerst naar een richting gekeken wordt waar landbouw niet de primaire functie heeft, te weten het ‘droge land’). Een belangrijke reden is een zorgvuldig ruimtegebruik en de druk op landbouwgrond (voedselproductie) en het landschap te beperken. De (grondgebonden) landbouw heeft ook een prominente plek in het beeld hoe wij onze gemeente over 20 jaar zien (zie h. 7, p. 29). De ontwikkeling van de (grondgebonden) landbouw vraagt wel om een goede inpassing in de omgeving (landschap, milieu). Aangezien er nadrukkelijk oog is voor de belangen van de landbouw, herkennen wij ons niet in het beeld van het ‘reduceren’ van de landbouwfunctie. In hoofdstuk 10 beschrijven wij in algemene zin onder welke omstandigheden de gemeente een voorkeursecht mag vestigen. Daarbij geven wij ook aan dat de gemeente Zaltbommel per situatie bepaalt hoe het beleid omtrent het grondbeleid is. Ook in de gemeente Maasdriel wordt alleen gebruik gemaakt van een voorkeursrecht indien nodig. In de omgevingsvisie wordt dus geen specifieke beleidslijn voor het toepassen van het voorkeursrecht gemeenten bepaald.
Conclusie de zienswijze leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Met de aanduiding ‘behouden van buffers tussen de kernen’ geven wij aan dat wij als doel hebben dat de verschillende kernen niet aan elkaar moeten groeien en tussen de kernen een meer open en/of groene ruimtes blijven bestaan. Wij willen dat het individuele karakter van de kernen behouden blijft. In de praktijk zijn de (groene) ruimtes tussen kernen op bepaalde plekken nadrukkelijker aanwezig dan op andere plekken. Wij hebben ook de wens dat op plekken, waar die ruimten nu minder aanwezig zijn, kernen niet (verder) aan elkaar
7
binnendijks gelegen gebied tussen de primaire waterkering en de oude dijk. Zie verder in figuur II onder de tabel. Punt 8 op de actielijst van kernopgave 1 wordt als volgt aangepast: ‘we stimuleren het verminderen van de stikstofuitstoot op onze stikstofgevoelige natuurgebieden. In regionaal verband werken we hierin samen in het Regionaal Uitvoeringsplan Stikstof. De uitvoering hiervan richt zich voor al op het benutten van (mee)koppelkansen in lopende maatregelen, ontwikkelingen en projecten binnen verschillende beleidsthema’s’.
Op p. 40 (kernopgave 2), 1ste kolom, 4de alinea voegen wij een zin toe en passen wij de laatste zin als volgt aan: ‘Nieuwe ontwikkelingen in deze gebieden zijn niet per definitie uitgesloten, maar wel met nadruk op het groene karakter en voorkomen van het aan elkaar groeien van kernen. Bij eventuele
2.
11
271846
01-02-2022
1. 2. 3. 4. 5.
Indiener heeft geen opmerkingen op de Ov. Indiener wijst op het handhaven van zichtlijnen, omdat dit nu niet gebeurt aangezien tuinbouw zich ontwikkelt in de open kommen en niet wordt beperkt tot de intensiveringsgebieden (zoals in Zuilichem). Indiener wijst op de wens van de gemeente om zoveel mogelijk gebruik maken van lokale arbeidskrachten wat in de praktijk wordt gelogenstraft. Lokale bewoners worden verdrongen. Indiener wijst ook op negatieve effecten als gevolg van de tuinbouw op het gebied van lichthinder en vrachtverkeer. Indiener heeft een persoon die bekend is in de sector gevraagd tuinders voor te lichten en te wijzen op belang van draagvlak bij de bevolking.
groeien. Dat geldt ook voor de kernen Bruchem en Zaltbommel, waartussen al een bebouwingslint aanwezig is. In de (groene) ruimten tussen de kernen is het creëren van een groen raamwerk (voor landschappelijke inpassing, biodiversiteit, klimaatadaptatie en uitloopruimte voor kernen) een belangrijk element dat bij stedelijke uitbreidingen een plaats moet krijgen. De aanduiding heeft niet het doel om eventuele uitbreidingen van kernen tegen te houden, maar juist om te zorgen voor een goede inpassing ervan. In de periode na deze omgevingsvisie bekijken wij, bijvoorbeeld in visies op kernniveau, wat gewenste uitbreidingsrichtingen voor de kernen zijn en binnen welke kaders en voorwaarden dat plaatsvindt. Hierbij betrekken wij ook de aangegeven buffers. Wij voegen aan de 4 de alinea op p. 40 ter verduidelijking een zin toe passen de laatste zin als volgt aan: ‘Nieuwe ontwikkelingen in deze gebieden zijn niet per definitie uitgesloten, maar wel met nadruk op het groene karakter en voorkomen van het aan elkaar groeien van kernen. Bij eventuele woningbouwontwikkeling in de ruimten tussen de kernen worden klimaatbestendigheid, landschappelijke inpassing, biodiversiteit en groene ruimte integraal en nadrukkelijk meegenomen’. Daarnaast vullen wij de tekst in hoofdstuk 9, p.
92 (2de kolom) bij de 5de bullet als volgt aan: ‘Behouden van buffers tussen de kernen (eventuele ontwikkelingen in deze gebieden hebben een groen karakter en mogen er niet toe leiden dat kernen aan elkaar groeien)’. Wij constateren dat de begrenzing hier afwijkt ten opzichte van de structuurvisie. De zone direct ten zuiden van de Krangstraat in het gebied tussen Bruchem en Zaltbommel is nu als ‘open kom’ weergegeven. Het gebied is onderdeel van de oude oeverwal tussen Zaltbommel, Kerkwijk en Bruchem. Dit gebied voegen wij toe aan het ‘droge land’. Het gebied direct ten noorden van de Krangstraat en ten oosten van het tankstation en de carpoolplaats was in de structuurvisie aangeduid als ‘gemengd landelijk gebied’. Wij vinden de aanduiding ‘open kom’, zoals het op de visiekaart heeft, beter passend. Het maakt geen deel uit van de oeverwal en het gebied is in de provinciale omgevingsverordening aangeduid als ‘waardevol open gebied’.
Conclusie: de zienswijze leidt wel tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Voor kennisgeving aangenomen. 2. De ontwikkeling van tuinbouw vindt plaats in de intensiveringsgebieden en in de reserveconcentratie-gebieden. Hiervoor gelden randvoorwaarden, onder meer het landschappelijk inpassen en een goede afwikkeling van het (vracht)verkeer. Hiervoor zijn regels opgenomen in het inpassingsplan (provinciaal bestemmingsplan). In Zuilichem is een tuinbouwbedrijf (gedeeltelijk) ontwikkeld in het reserveconcentratiegebied. Dat komt omdat in het intensiveringsgebied geen ruimte was voor een bedrijf van dergelijke omvang. Met het concentreren van tuinbouw in de intensiveringsgebieden (en reserve-concentratiegebieden), en het inpassen van de tuinbouw, is het doel de impact op het landschap zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast is het doel om tuinbouw te saneren of te verplaatsen uit de minst geschikte gebieden (de extensiveringsgebieden). Sinds 2011 werken gemeenten, provincie en waterschap samen aan deze doelen via het Projectbureau Herstructurering Tuinbouw Bommelerwaard (PHTB). 3. De inzet van internationale werknemers in de tuinbouwsector blijkt noodzakelijk doordat de bedrijven niet aan voldoende lokaal personeel kan komen.
Om huisvesting van werknemers in goede banen te leiden, zowel voor werknemers zelf als voor de omgeving, hebben wij in 2019 het beleid huisvesting arbeidsmigranten vastgesteld. De kern van dit beleid is om werknemers zo veel mogelijk en onder strikte voorwaarden bij de werkgever te huisveten. Daarnaast hebben wij maatregelen genomen om van het verkameren van woningen in kernen tegen te gaan (via een apart bestemmingsplan). Wij willen hiermee de impact op de stad en dorpskernen verkleinen. 4. In het kader van de herstructurering van de tuinbouw, waarvoor het PHTB is opgericht, voeren wij maatregelen uit voor verbetering van de verkeerssituatie in en om de intensiveringsgebieden. Dat leidt tot meer verkeersveiligheid en een betere verkeersafwikkeling. Voor het tegengaan lichthinder geldt separate (milieu)wetgeving. Wanneer nodig treden wij handhavend op. 5. Wij onderschrijven het belang om met zowel inwoners als de tuinbouwsector goed in gesprek te blijven. Conclusie: de zienswijze leidt niet tot aanpassing van de omgevingsvisie.
8
n.v.t.
woningbouwontwikkeling in de ruimten tussen de kernen worden klimaatbestendigheid, landschappelijke inpassing, biodiversiteit en groene ruimte integraal en nadrukkelijk meegenomen’. Op p. 92 (hoofdstuk 9), 2de kolom, vullen wij de tekst de 5de bullet aan: ‘Behouden van buffers tussen de kernen (eventuele ontwikkelingen in deze gebieden hebben een groen karakter en mogen er niet toe leiden dat kernen aan elkaar groeien)’. Het gebied tussen Bruchem en Zaltbommel, ten zuiden van de Krangstraat, dat is aangeduid als ‘open kom’, wordt aangeduid als ‘droge land’. Zie verder in figuur III onder de tabel.
12
271849
01-02-2022
1. 2.
Indiener heeft geen opmerkingen op de Ov. Indiener vraagt zich af wat de Ov betekent voor de bedrijfsvoering van hun bedrijf.
13
271894
01-02-2022
1.
Indiener meldt geschrokken te zijn van wat in de omgevingsvisie staat over voedselproducerende (pluimvee)bedrijven in de Bommelerwaard; Indiener vindt dat bedrijven op slot worden gezet en hun toekomstperspectief wordt ontnomen. Indiener kan in de toekomst geen overdekte uitloop bij hun vleeskuikenstallen maken, omdat het staloppervlak wordt vergroot. Indiener wil dat kunnen doen om diervriendelijker te gaan produceren.
2. 3.
14
271896
01-02-2022
1. 2.
Indiener heeft geen opmerkingen op de Ov. Indiener wil medewerking van de gemeente voor de bouw van een tweede bedrijfswoning bij zijn melkveebedrijf in Brakel. Hij geeft daarbij een voorbeeld hoe het toestaan van een tweede bedrijfswoning kan worden onderbouwd.
15
271906
01-02-2022 (ingekomen 02-02-2022)
1.
Indiener complimenteert gemeente met zorgvuldigheid waarmee de situatie in de sector is onderzocht voordat beleid is gevormd. Met de visie toont de gemeente het wederzijdse belang in te zien. Wel zijn er aandachtspunten; Indiener vraagt om geen ruimtelijke begrenzing te verbinden aan het areaal beschikbare landbouwgrond. Indiener vraagt om geen ruimtelijke begrenzing te verbinden aan het areaal beschikbare landbouwgrond. Die zijn nodig om te kunnen blijven spreken van grondgebonden landbouw (beschikbaarheid is nodig op basis van eisen Meststoffenwet); Indiener vraagt erkenning van de bestaande landschapskwaliteiten, geomorfologische en aardkundige kwaliteiten die in voorgaande visies van groot belang waren; Indiener waarschuwt voor meer stikstofgevoelige natuur buiten de bestaande Natura 2000 gebieden. Dat gaat leiden tot een externe werking; Indiener verzoekt gemeente om de kaart met Natura 2000 gebieden en de overige in de verordening vastgestelde natuur vast te leggen als bijlage van de omgevingsvisie; Ten onrechte wordt vermeld dat honderden ha aan uiterwaard in GNN liggen. Als behoefte aan betere biodiversiteit is, richt dan op de percelen in provinciaal eigendom en die van terrein beherende organisaties. Ook is in uiterwaard sprake van akkerbouw en fruitteelt (en niet alleen grasland, dat op p. 120 als enige agrarisch gebruik wordt genoemd). De uiterwaarden
2.
3. 4. 5. 6.
1. 2.
Voor kennisgeving aangenomen. De omgevingsvisie spreekt zich niet uit over de ontwikkelingsmogelijkheden van een individueel bedrijf. In het op te stellen omgevingsplan wordt duidelijk wat is toegestaan op het niveau van een perceel.
Conclusie: de zienswijze leidt niet tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Wij verwijzen hier naar punt 1 uit de beantwoording van zienswijze 7. 2. Wij verwijzen hier naar punt 2 uit de beantwoording van zienswijze 7. 3. De omgevingsvisie spreekt zich niet uit over de ontwikkelingsmogelijkheden van een individueel bedrijf. Wij doen in het kader van de visie geen uitspraak of op het perceel wordt meegewerkt aan uitloop bij de vleeskuikenstallen. In de visie staat dat de gemeente stimuleert dat bestaande niet-grondgebonden intensieve veehouderijen omschakelen naar een biologische bedrijfsvoering of een lokaal grondgebonden bedrijfsvoering of een bedrijfsvoering die voldoet aan de laatste milieu- en/of dierenwelzijnseisen. Hiervoor biedt de gemeente ontwikkelruimte (plussenbeleid). Dat betekent dat het bieden van ontwikkelruimte aan een niet-grondgebonden, intensieve veehouderij om te kunnen voldoen aan de laatste milieu- en/of dierenwelzijnseisen tot de mogelijkheden behoort. Welke voorwaarden gelden en welke ruimte voor een individueel bedrijf mogelijk is, is maatwerk en wordt per situatie afgewogen. Conclusie: de zienswijze leidt niet tot aanpassing van de omgevingsvisie. 1. Voor kennisgeving aangenomen. 2. De omgevingsvisie spreekt zich niet uit over de ontwikkelingsmogelijkheden van een individueel bedrijf.
Wij doen in het kader van de visie geen uitspraak of op het perceel wordt meegewerkt aan een 2de bedrijfswoning. Wij beschouwen de reactie als een impliciete vraag of in bepaalde gevallen een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf mogelijk is. In de basis vinden wij bij elk agrarisch bedrijf één bedrijfswoning is toegestaan. Het is door technologie steeds beter mogelijk om een bedrijf op grotere afstand in de gaten te houden. Daarnaast is het reëel dat een 2 de bedrijfswoning op den duur wordt afgesplitst van een bedrijf en daardoor een burgerwoning of voormalig agrarische bedrijfswoning wordt. Dat leidt tot extra niet-agrarische functies in het buitengebied, die niet overal gewenst zijn, en mogelijk tot een toename aan belemmeringen voor ontwikkeling van agrarische bedrijven. Wij kunnen echter ons bijzondere situaties voorstellen waarbij een 2 de bedrijfswoning noodzakelijk kan zijn voor de bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld bij een aanzienlijke schaalvergroting van een grondgebonden agrarisch bedrijf of bij een transitie van een agrarisch bedrijf naar een biologische bedrijfsvoering of een lokaal grondgebonden bedrijfsvoering en sprake daarbij is van een aanzienlijk arbeidsintensieve(re) bedrijfsvoering. De noodzaak van een dergelijke bedrijfswoning moet dan worden aangetoond door de initiatiefnemer.