Bijlage 1 - Fruitdelta Gebiedsagenda (oktober 2022)
Tekst van het document
De uitbreidingsmogelijkheden zijn echter vaak beperkt en door de veelheid aan kleinere kernen is nieuwbouw voor eigen behoefte niet altijd mogelijk. Terwijl het voor het op gang brengen van de doorstroming en verhuisketens heel belangrijk is om gericht nieuwbouw te kunnen toevoegen. 5. Voldoende voorzieningen in de regio Een belangrijk onderdeel van een prettig woon- en vestigingsklimaat is, naast een passende woning, ook de toegang tot goede voorzieningen. Denk hierbij aan onderwijs, gezondheidszorg, winkels en vrijetijdsvoorzieningen. Door de centrale ligging in Nederland hebben inwoners van de regio Rivierland veel keus in de nabijgelegen grote steden. Het is echter van belang dat ook in de regio zelf voldoende (dagelijkse) voorzieningen beschikbaar zijn. Al was het maar voor de mensen die minder mobiel zijn. Tiel speelt van oudsher een centrumfunctie in de regio voor tal van
16 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
voorzieningen. Het bouwen van woningen is niet alleen nodig voor behoud van sociale cohesie in kernen, maar ook om voldoende draagvlak te behouden voor voorzieningen in de regio. Een kwalitatief uitgebalanceerd woningbouwprogramma kan hierbij helpen. 6. Betaalbaar en toekomstbestendig Regio Rivierenland wil de woonomgeving en de woningvoorraad verduurzamen om zo de impact van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen te verminderen. Oftewel, wij willen het energiegebruik van bestaande en nieuwe woningen verminderen. De opgaven voor duurzaam en klimaatadaptief bouwen en het behouden van de woningvoorraad vragen om extra investeringen. Daardoor worden woningen duurder, maar dalen de vaste lasten. Het betaalbaar houden van woningen en de energierekening is ook een landelijk vraagstuk. En zo ook het toekomstbesteding maken van woningen. 3.3.3. Bestaande initiatieven 1. Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 De colleges van de acht regiogemeenten en Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland hebben eind 2020 de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030 vastgesteld. Deze agenda kwam tot stand in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland. In deze samenwerkingsagenda zijn (woningbouw) afspraken vastgelegd tussen de samenwerkende gemeenten van Regio Rivierenland onderling én tussen de regio en de provincie Gelderland.
Hiermee vormt de agenda een belangrijk kader voor de ontwikkeling van nieuwe woningen in de regio. Daarnaast is hij de basis voor de regionale samenwerking op vijf gemeentelijk overstijgende thema’s: continuïteit in productie, betaalbaarheid van het wonen, flexibiliteit op de woningmarkt, wonen en zorg en duurzaamheid (inclusief circulair bouwen en klimaatadaptatie). 2. Regionale Woondeal Rivierenland - in ontwikkeling Vanwege de grote en toenemende woningnood in Nederland presenteerde het kabinet in maart 2022 de Nationale Woon- en Bouwagenda. Hierin is de ambitie opgenomen om de komende jaren meer betaalbare woningen te bouwen. Voor steeds meer mensen, aandachtsgroepen in het bijzonder, dreigt wonen namelijk onbetaalbaar te worden. De komende maanden werken provincies en gemeenten in regioverband toe naar een regionale Woondeal over de realisatie hiervan in de periode 2022-2030. Dat doen zij in overleg met woningcorporaties en marktpartijen. Het uitgangspunt hierbij is dat 66% van de nieuw te bouwen woningen betaalbaar is. Minimaal 28% daarvan moet sociale huur zijn, gerealiseerd door woningcorporaties. 38% Moet middenhuur en betaalbare koop zijn. De verwachting is dat half maart 2023 een handtekening gezet kan worden onder onze regionale Woondeal Rivierenland.
Aandachtspunten die meegenomen worden in de regionale woondeal zijn onder andere: investeringen in mobiliteit, financiering van onrendabele toppen, voldoende ambtelijke capaciteit bij gemeenten, voldoende stikstofruimte voor woningbouw en de benodigde verzwaring van de bestaande energie-infrastructuur.
17
3.3.4. Aanvullende regionale oplossingsrichtingen 1. Professionalisering, verbreding en toegankelijker maken van de Regionale Woonmonitor Met deze online tool - onderdeel van de Regio Deal - hebben we als regio meer inzicht in de woningmarkt en kunnen we sneller inspelen op de woningbehoefte in de regio. De ambities voor de Regionale Woonmonitor Rivierenland: a. Hét kennisportal voor de woningmarkt in Rivierenland b. Een monitoringsinstrument voor regionaal woonbeleid c. Een planmonitor voor toekomstige woningbouwplannen d. Een monitor voor bestaande voorraad en gerealiseerde nieuwbouw
Na opnieuw een extreme zomer in 2022 met zeer lage rivierstanden, lange perioden met gebrek aan neerslag en hoge temperaturen zien we dat ook in deze regio problemen ontstaan. Door uitzakkende grondwaterstanden lijdt de land- en tuinbouw en (grondwaterafhankelijke) natuur schade. Voor de tweede keer in korte tijd werd daarbij een beregeningsverbod uit oppervlaktewater afgekondigd. Hoge temperaturen zorgen voor hittestress in stedelijk gebied. Maar ook vee en de fruitteelt (zonnebrand) ondervinden hittestress. De waterkwaliteit verslechtert en de biodiversiteit neemt af door hogere temperaturen, hogere nutriëntenconcentraties, toename van blauwalg en droogval van watergangen.
3.4.2. Uitdagingen Via het proces Samenwerkingsagenda Klimaat Actief Rivierenland (KAR), instrumenten en partijen wordt op dit moment ingezet op een klimaatbestendig Rivierenland. Er zijn meerdere dilemma’s:
Tot slot is het goed om te melden dat de provincie en de woningcorporaties in Rivierenland ook partner zijn in dit proces. Wij willen dit verbreden naar andere woonpartners in de regio.
De geografische ligging en de dynamiek van de rivieren hebben de regio door de eeuwen heen gevormd. De rivierbedding heeft door de tijd heen bewezen een uitermate vruchtbare bodem te zijn voor fruit- en laanbomenteelt. Nog steeds profileert de regio zich daarmee. Klimaatverandering brengt echter gevaren met zich mee. De rivieren zijn de voornaamste bronnen van zoetwater. De gebruiksfuncties in het Rivierengebied veranderen als gevolg van klimaatsverandering en sociaaleconomische ontwikkelingen. We zien een toenemende waterbehoefte als gevolg van land- en tuinbouw, de teelt van nieuwe gewassen, drinkwatervoorziening, de vraag naar water in bebouwde kernen en aandacht voor natuur en biodiversiteit. De watervraag neemt toe en het wateraanbod neemt af. De regio kan de watervraag niet oneindig blijven faciliteren. We hebben te maken met sterk afnemende rivierafvoeren en lagere waterstanden, die effect hebben op de inlaatmogelijkheden voor onze regio. Daarnaast neemt de droogte en verdamping toe en is water met name op de hogere oeverwallen slecht aan te voeren. Dat komt door de lange aanvoerroutes in combinatie met een sterke infiltratie (door aanwezigheid zandbanen). Rivierenland is daarmee gevoelig tot zeer gevoelig voor alle klimaateffecten.
2. Meer integraliteit borgen in beleid Er valt winst te behalen door meer integraliteit te borgen in het beleid van de overheden. Dat geldt ook voor het scheppen van ruimte in de wet- en regelgeving voor het toepassen van innovaties op dit onderwerp. Het is wenselijk om integraal te denken en plannen op te stellen. In de uitvoering gebeurt dit tot op heden te weinig. Denk bijvoorbeeld aan tegenstrijdige regelgeving omtrent teeltondersteunende voorzieningen.
2. Verbreding samenwerking Woonpartners in de regio/ oprichting Taskforce Wonen In het kader van adaptief programmeren is samenwerking met de Woonpartners in de regio cruciaal. Specifiek moeten wij met elkaar het gesprek voeren over het versnellen van de woningbouwproductie op korte termijn en het borgen van de bouwstroom op langere termijn. De insteek is om kennis te delen en de mogelijkheden te verkennen om samen zaken slimmer te doen. We kunnen een Taskforce Wonen oprichten. 3.4. Beschermen van Rivierenlanders voor toekomstige risico’s als gevolg van klimaatverandering, zoals overstromingsgevaar, hittestress en droogte 3.4.1. Context en autonome veranderingen Van de Achterhoek en de Veluwe is al bekend dat ze sinds de hete en droge zomers van 2018, 2019 en 2020 kampen met grote droogteproblemen. Maar ook het rivierengebied moet bestempeld worden als kwetsbaar voor klimaatverandering.
De urgente effecten van klimaatverandering
1. Gezamenlijk vertrekpunt voor uitvoering ontbreekt Klimaatadaptatie is iets dat we samen als 5 O’s moeten doen. We merken echter nog grote verschillen in het bewustzijn over klimaatadaptatie, de urgentie en gewenste aanpak. Een gemeenschappelijke integrale basis ontbreekt nog voor hoe dit wordt aangepakt en wie dit gaat doen.
3. Complexiteit in grote opgaven en transities Nederland en de regio staan voor een aantal complexe en dringende maatschappelijke vraagstukken. Er is hierbij een grote diversiteit in zowel de benadering (thematiek), begrenzing (schaal), (gebieds)indelingen en uitwerking. Er is sprake van een stapeling van plannen en disbalans tussen de thema’s. Het is de uitdaging om partijen aangehaakt te houden, waarbij we de (bestuurlijke) druk beperkt houden. Het is nog onduidelijk hoe we tot een gewenste versnelling van de klimaatadaptatie kunnen komen in deze context. 3.4.3. Bestaande initiatieven
Regionaal
In de RAS (Regionale Adaptatie Strategie)-samenwerkingsagenda worden alle aspecten van klimaatadaptatie door samenwerkingspartners onderschreven en uitgevoerd. De speerpunten zijn een combinatie van onderzoek, bewustwording, kennisdeling en -ontwikkeling, communicatie en participatie, beleidsontwikkeling en concrete projecten. Er wordt zo ingezet op een veranderingsopgave.
Lokaal
Gemeenten en waterschap werken ook binnen eigen klimaatuitvoeringsprogramma’s aan concrete uitvoeringsprojecten. Denk aan de aanleg van klimaatbuffers en LOP-stuwen om water langer vast te houden, afkoppelen om wateroverlast te beperken en aanleg van groenstructuren voor het maken van koelteplekken.
In relatie met andere opgaven
Klimaatadaptatie is geen losstaande ontwikkeling, maar hangt samen met andere opgaven. Denk hierbij aan programma’s en projecten zoals het Programma Integraal Riviermanagement (IRM), de lopende dijkversterkingsprojecten onder het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).
Figuur 4. Schematisch overzicht van urgente effecten van klimaatverandering (RAS, 2018)
18 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
19
3.4.4. Aanvullende regionale oplossingsrichtingen 1. Inzetten regiobreed ruimtelijk afwegingskader Klimaatadaptie is een nog onvoldoende integraal onderdeel van ruimtelijke ordening. Voor het behalen van de klimaatdoelen in 2030 zijn een tijdige uitvoering en borging in (ruimtelijk) beleid bepalend. De juiste strategie voor ruimtelijke ordening en ontwerpeisen kan oplossingen leveren die de kwetsbaarheid voor de verwachte invloed van klimaatverandering kan beperken. Het bodem- en watersysteem moet hierin leidend worden. Het natuurlijk systeem en een gedeeld begrip hiervan kan een sterke gezamenlijke basis vormen (functies op de juiste plek). 2. Bewustzijn vergroten Het bewustzijn van politici en burgers over de problematiek van extreme weeromstandigheden in stedelijk en landelijk gebied moet worden verhoogd. Hiervoor is volop data voorhanden, maar deze leidt niet standaard tot informatie. Het koppelen aan heldere verhaallijnen is van belang, bijvoorbeeld met een campagne. 3. Watervoorzienendheid vergroten Er zijn meerdere mogelijkheden om de watervoorziening robuuster te maken: • Vergroten efficiëntie watergebruik. In tijden van droogte loont het bij het verbouwen van (hoogwaardige) gewassen om zo efficiënt mogelijk met het schaarse water om te gaan. O.a. door precisie-irrigatie/-beregening.
• Vergroten wateropslag op bedrijfsniveau door: - aanleg zoetwaterreservoirs; - vergroten opslag van zoetwater met behulp van drains; - waterconservering in haarvaten watersysteem.
Bodemverbetering. Bij perioden van droogte en extreme neerslag is een goede spons- en bufferwerking van de bodem heel belangrijk. Optimalisatie van het water(aanvoer)systeem afgestemd op het deltascenario Stoom. Dit betekent dat het hoofdwatersysteem moet worden geoptimaliseerd en hydraulische knelpunten moeten worden aangepakt.
3.5. Versnellen van de energietransitie in de regio en het verminderen van de CO2-uitstoot met 55% in 2030 3.5.1. Context en autonome veranderingen In 2015 maakten 195 landen afspraken om actie te ondernemen om de aarde niet meer dan twee graden Celsius te laten opwarmen. Om dat te realiseren, moet onder meer de CO2-uitstoot omlaag met 55% in 2030 en 95% in 2050.
4. Verhogen adoptiesnelheid innovaties Voorbeelden van innovatierichtingen zijn: • Inzetten op waterbesparing (grond- en oppervlaktewater), klimaatadaptief bouwen- en (her)ontwikkelen, invoeren klimaatadaptieve gewassen, teelten en teelsystemen. • Versterken samenwerking met onze regionale kennis- en onderwijsinstituten en fieldlabs. Dit betreft zowel technologische als sociale innovatie. De regionale kennis- en onderwijsinstituten zorgen voor het versneld implementeren van innovaties van buiten de regio. In de aanpak is aandacht voor het opzoeken van de dwarsverbanden tussen agribusiness, logistiek, RAS, RES en stikstofreductie. • Combineren van (ruimtelijke) functies, zoals teeltondersteunende middelen en energieopwekking en zon boven water(berging).
In 2019 presenteerde het Nederlandse kabinet de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken. Via verschillende programma’s worden plannen uitgewerkt om de uitstoot te verminderen. Waaronder via het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NPRES).
•
•
5. Versterken groenblauwnetwerk Zowel in de stad als het landelijk gebied kan ruimte voor water en groen een oplossing zijn voor meerdere klimaatgerelateerde zaken: • Stedelijk gebied: ontharden zorgt voor meer ruimte voor natuur, koelere dorpen en minder wateroverlast. • Landelijk gebied: meer ruimte voor waterbuffering, vergroten biodiversiteit, regulatie van plagen in gewassen en schaduwwerking voor vee.
Hierin maakt een samenwerkingsverband van 30 RES-regio’s regionale plannen voor locaties waar en manieren waarop het best duurzame elektriciteit op land via wind en zon kan worden opgewekt. Landelijk moet dit leiden tot 35 TWh elektriciteit uit wind op land en grootschalig zon. Ook wordt onderzocht welke warmtebronnen te gebruiken zijn, zodat wijken en gebouwen van het aardgas af kunnen. Het opstellen en uitvoeren van de RES is slechts één van de plannen waaraan wordt gewerkt in het kader van het Klimaatakkoord. Bedrijven, overheden, inwoners en maatschappelijke organisaties zetten, ook in Rivierenland, volop in op de verduurzaming van mobiliteit, industrie, land- en tuinbouw en de gebouwde omgeving. Het aantal zonnepanelen op woningen en bedrijven neemt zichtbaar toe en er zijn vele duurzame initiatieven om energie zo slim mogelijk te besparen, lokaal op te wekken en te benutten. De Regionale Energiestrategie is daarnaast ook slechts één van de instrumenten om richting 55% minder uitstoot te komen. In het Gelders Klimaatplan worden ook andere oplossingsrichtingen aangegeven, zoals het beter gebruiken van onze grondstoffen (circulaire economie), duurzame mobiliteit, voedseltransitie en het aanplanten van meer bossen. Momenteel wordt in regionaal verband vooral via de Regionale Energiestrategie concreet invulling gegeven aan het verminderen van de CO2-uitstoot.
Er ligt nog een uitdaging om dit te verbreden naar andere oplossingen. Daarnaast is ook de betaalbaarheid van de energietransitie en de netcapaciteit inmiddels een enorme uitdaging geworden. 3.5.2. Uitdagingen 1. Verdere vermindering CO2-uitstoot Met de uitvoering van de RES geven we slechts gedeeltelijk invulling aan de doelstelling van 55% minder CO2-uitstoot in 2030. Gecombineerd met autonome landelijke aannames, zoals een gemiddelde energiebesparing van 1,5% per jaar en verduurzaming van mobiliteit, bereiken we in theorie in 2030 een vermindering van 34% in de regio. Er ligt dus nog een flinke uitdaging om richting 55% te komen. Er zijn wel mogelijkheden.
20 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
Als we bijvoorbeeld onze economie zo inrichten dat we grondstoffen beter en langer benutten, kan dit aanvullende CO2besparingen opleveren. Om zuiniger met energie om te springen, zullen sectoren met een hoog energieverbruik zoals de industrie, mobiliteit en landbouw (vooral glastuinbouw en fruitteelt) sneller moeten verduurzamen. Dit betekent ook dat deze sectoren sneller innovaties moeten toepassen. 2. Netcapaciteit De capaciteit van het elektriciteitsnetwerk bepaalt ontwikkelingen in de regio. Voor de uitbreiding ervan zijn netwerkstations nodig die (boven- en ondergronds) veel ruimte vragen. Bovendien duurt de doorlooptijd tot realisatie zes tot acht jaar. De huidige problematiek rondom netcapaciteit doet zich aan twee kanten voor: duurzaam opgewekte elektriciteit uit wind en zon moet geleverd kunnen worden aan het net. En andersom moet het net voldoende elektriciteit kunnen leveren voor woningen, bedrijven en mobiliteit. Uitbreiding van de netcapaciteit richting 2030 is in voorbereiding. Hierbij zijn goed programmeren, waar nodig prioriteren, slimme maatwerkoplossingen en vooruitkijken naar 2050 blijvend van belang. Via het Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat wordt hieraan uitvoering gegeven. 3. Ruimte Er is ruimte nodig voor windmolens, zonnepanelen en de uitbreiding van netcapaciteit.
De schaarste in ruimte vraagt om een slimme afweging en efficiënte combinaties. Zoals het benutten van restgronden, daken en geluidsschermen voor zonnepanelen. En om slimme combinaties met andere opgaven die ruimte vragen, bijvoorbeeld klimaatadaptatie.
21
4. Betaalbaarheid De energietransitie is kostbaar. Niet iedereen is in de gelegenheid te investeren in de verduurzaming van de eigen woning. Samen met de recente ontwikkelingen rond de afhankelijkheid van Russisch aardgas zorgt dit momenteel voor hoge energierekeningen. Landelijk zijn hiervoor compenserende maatregelen in voorbereiding, gericht op de korte termijn. Maar de betaalbaarheid van de energietransitie vormt de komende jaren voor een grote groep inwoners en bedrijven een grote uitdaging. Inwoners die de investering wel kunnen opbrengen, stappen bij gebrek aan goede alternatieven over op elektrische warmtepompen. Maar hierdoor komt de netcapaciteit nog meer onder druk te staan. Dit vraagt om prioritering van afname van beschikbare netcapaciteit en om slimme alternatieven met voldoende gekwalificeerd personeel. 5. Weinig grote warmtebronnen Rivierenland heeft niet veel grote warmtebronnen. In de transitievisies Warmte die gemeenten hebben vastgesteld, wordt daarom relatief veel voorgesorteerd op elektrische oplossingen voor de verwarming van woningen, zoals de warmtepomp. Er zijn alternatieven, zoals warmte uit oppervlaktewater, maar die zijn voor de vele kleine kernen van Rivierenland niet even makkelijk te realiseren. Gecombineerd met meer elektrisch vervoer neemt de vraag naar elektriciteit zo nog verder toe en komt de netcapaciteit nog meer onder druk te staan.
Net als de betaalbaarheid, vraagt dit om prioritering van afname van beschikbare netcapaciteit en om slimme alternatieven met voldoende gekwalificeerd personeel. 6. Arbeidsmarkt Voor de energietransitie is op allerlei vlakken een tekort aan arbeidskrachten. Zowel op beleids- en projectniveau als op technisch vlak. De energietransitie kan niet worden versneld zonder voldoende mensen aan te trekken om het beleid te maken, vergunningen te verlenen, onderstations te plannen en te bouwen en projecten voor wind en zon te maken.
3.5.3. Bestaande initiatieven 1. Regionale Energiestrategie FruitDelta Rivierenland (RES) Met het vaststellen van de RES FruitDelta Rivierenland in 2022 hebben de samenwerkende partners in de regio afgesproken om in 2030 1,2 TWh duurzame elektriciteit op te wekken met wind op land en grootschalig zon. Na het vaststellen van de ambitie is de uitvoeringsperiode aangebroken waarin meerdere projecten voor zon en wind worden gerealiseerd. Daarnaast wordt ingezet op het benutten van de potentie voor warmte in de regio, bijvoorbeeld uit oppervlaktewater. Indien nodig, worden op basis van de voortgang nieuwe afspraken gemaakt om het doel van 1,2 TWh in 2030 te bereiken. Via de RES leggen we de verbinding met bestaande partners en initiatieven voor het voorkomen en oplossen van belemmerende factoren, zoals netcapaciteit, onbetaalbaarheid en een krappe arbeidsmarkt. Daarnaast worden nieuwe initiatieven aangejaagd, bijvoorbeeld op het gebied van innovatie en warmte (via de Regio Deal). 3.5.4. Aanvullende regionale oplossingsrichtingen 1. Implementeren van de RES Nu de planvormende fase na het vaststellen van de RES 1.0 medio 2021 is afgerond, breekt een periode van uitvoering aan. Naar verwachting kan niet alles precies zo worden uitgevoerd zoals gepland. Bijvoorbeeld door nog onbekende effecten van de komst van een radarstation in Herwijnen.
De RES is dan ook een doorlopend proces waarin op basis van de voortgang waar nodig wordt bijgestuurd. Dat gebeurt door nieuwe afspraken te maken of bestaande aan te scherpen. Met het Energieportaal Rivierenland (een Regio Deal-project) wordt bijgehouden hoe het met de uitvoering staat en welke projecten in voorbereiding zijn. Hiermee worden ook de inwoners van Rivierenland goed op de hoogte gehouden.
2. Verkennen van andere oplossingsrichtingen richting 55% CO2-reductie Als we de afspraken in de RES waarmaken, behalen we in 2030 een afname van CO2 met 34%. Dat betekent dat er nog 21% reductie via andere oplossingen behaald moet worden om in 2030 tot de gewenste 55% te komen. We verwachten dat de verduurzaming van de woningbouw, duurzame mobiliteit en energiebesparing bij bedrijven hier al aan bijdragen. De komende periode zal naast het realiseren van de RES daarom worden verkend welke mogelijkheden er aanvullend zijn. In het Gelders Klimaatplan staan hiervoor al verschillende mogelijkheden. Daarnaast wordt inzichtelijk gemaakt wat de inspanningen binnen de andere opgaven, zoals mobiliteit, energiebesparing bij bedrijven en verduurzaming van de woningvoorraad, opleveren aan CO2-reductie. 3. Programmeren en prioriteren netcapaciteit Voor het realiseren van de RES-ambitie is het belangrijk dat er voldoende netcapaciteit is om de opgewekte elektriciteit aan het elektriciteitsnet te kunnen leveren. Binnen de Stuurgroep RES zit netbeheerder Liander daarom vanaf het begin aan tafel om door te kunnen rekenen of de RES-ambities aansluitbaar zijn. Tot 2030 wordt in beeld gebracht waar zich mogelijk knelpunten gaan voordoen en hoe dat is te voorkomen met slim programmeren, prioriteren en uitbreiden. De RES richt zich alleen op het leveren van duurzame elektriciteit aan het net.
Maar ook het leveren van elektriciteit aan woningen, bedrijven en duurzame mobiliteit vormt landelijk in toenemende mate een probleem. Elke provincie stelt daarom een Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK) op, als input voor het landelijke Meerjarenprogramma. In Gelderland wordt dit meerjarenprogramma de Gelderse Energie Infrastructuur (GEIS) genoemd.
Netbeheerders, regio’s en provincie maken hierin afspraken over: a. het versnellen van de uitbreidingen van het energienet; b. het mogelijk maken van transparante, heldere bestuurlijke keuzes over de toekomstige ontwikkeling van de energieinfrastructuur. Dit kan gebeuren door het programmeren en prioriteren van de ruimtelijke ontwikkelingen én van de energie-infrastructuur die daarvoor nodig is, in onderlinge samenhang en op basis van een integrale afweging; c. het ontlasten van het bestaande elektriciteitsnet door ‘slimme’ lokale en regionale oplossingen. 4. Integrale ruimtelijke afweging Niet iedereen is even blij met de komst van windmolens en zonnepanelen. Toch zijn ze onderdeel van het ‘pakket’ waarmee wij onze ambities voor wonen, werken en mobiliteit kunnen waarmaken. In de RES is een ruimtelijke afweging gemaakt, mede op basis van het landschap. Waar mogelijk worden daarbij functiecombinaties gemaakt, zoals lichtdoorlatende zonnepanelen boven zachtfruit om het fruit te beschermen tegen de effecten van klimaatverandering. Of het plaatsen van zonnepanelen boven parkeerplekken, op geluidsschermen en op restgronden langs snelwegen. In het programma Opwekking Energie op Rijksgronden (OER) maakt Rijkswaterstaat in overleg met gemeenten, provincie en andere stakeholders een plan voor het aantrekkelijk benutten van de beschikbare restruimte langs de A15 voor zonnepanelen.
Naast zon en wind zijn er ook meer onderstations nodig om knelpunten in het net op te lossen. Ook hierbij wordt in overleg met betrokken gemeenten goed gekeken naar de juiste locaties en inpassing in het landschap. 5. Advisering energiebesparing en betaalbaarheid Wat je bespaart, hoef je ook niet duurzaam op te wekken. Energiebesparing staat daarmee aan de basis van de energietransitie. Het Energieloket Rivierenland informeert inwoners daarom, onder andere via energiecoaches, over welke keuzes zij kunnen maken. Voor de betaalbaarheid en het voorkomen van energiearmoede zijn inmiddels al meerdere instanties betrokken binnen het sociale en duurzaamheidsdomein, waaronder Energiebank Rivierenland. En er zijn mooie initiatieven, zoals windpark Deil, om het eigenaarschap van de opwekking van duurzame elektriciteit zoveel mogelijk in handen te leggen van de inwoners. Zo plukken zij er zelf de financiële vruchten van. Tenslotte heeft betaalbaarheid van de energietransitie nu ook landelijk veel aandacht en zijn er diverse regelingen in voorbereiding om investeringen voor iedereen mogelijk te maken. 6. Optimaal benutten van kleinere warmtebronnen Er zijn weinig grote warmtebronnen in Rivierenland. Maar water is er volop. Het winnen van warmte uit oppervlaktewater is een mogelijk alternatief voor veel kernen in Rivierenland.
Dit voorkomt dat er onnodig veel elektriciteit nodig is voor de verwarming van woningen en bedrijven. De markt pakt dit soort kleinschalige collectieve oplossingen niet snel op. Daarom wordt via een aantal pilots met gemeenten en andere stakeholders gewerkt aan het benutten van (boven)lokale alternatieven voor aardgas. Dit is een onderdeel van de RES-samenwerking.
22 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
23
3.6. Behouden en verbeteren van de biodiversiteit in de regio 3.6.1. Context en autonome veranderingen Biodiversiteit en de daarbijhorende ecosysteemdiensten (zoals drinkwater, schone lucht, waterberging) bieden de regio o.a. een leefbare omgeving, de randvoorwaarden voor de agri-activiteiten en veerkracht om zich aan te passen aan klimaatverandering. Biodiversiteit en ecosystemen spelen een belangrijke rol in onze inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden. Het afstemmen van onze strategieën óp en niet tégen de natuur heeft veel voordelen. We streven hierin naar de juiste functie op de juiste plek waarin onze bodem meer sturend is. Tegelijkertijd heeft klimaatverandering invloed op natuurlijke systemen. Er gaat steeds meer biodiversiteit verloren en ecosystemen gaan achteruit. Hierdoor kunnen we minder rekenen op hun essentiële, nuttige diensten. Stilaan bereiken we onomkeerbare omslagpunten. Door de natuur te beschermen en ecosystemen te herstellen, zorgen we ervoor dat zij minder kwetsbaar zijn en meer weerstand kunnen bieden. 3.6.2. Uitdagingen 1. Europese normen voor stikstof en waterkwaliteit De kritische depositiewaarden (KDW) worden op tal van (Gelderse) Natura 2000-gebieden overschreden. De overheid zet zich in om deze natuur te beschermen. Voor Rivierenland gaat het om de Natura 2000-gebieden in de uiterwaarden van de rivieren.
In het Gelderse traject (Gelderse maatregelen Stikstof) worden deze gebieden ingedeeld onder de noemer Rijntakken en Lingegebied & Diefdijk Zuid. De overschrijding van de KDW is in de Rijn-
takken niet groot, daarom blijven de problemen door stikstof op dit moment beperkt. Niets doen is echter geen optie, omdat toekomstige uitdagingen dan alsnog te groot worden. We willen voorkomen dat er vertraging komt in procedures of dat ze mogelijk zelfs vastlopen. De depositie op de stikstofgevoelige Gelderse Natura 2000-gebieden is voor het grootste deel afkomstig van de bronnen landbouw. Daarna volgen mobiliteit en bouw en daarna de industrie (zie figuur hieronder). Deze verhoudingen kunnen per gebied verschillen. Zo is de depositie van stikstof in de Rijntakken bijvoorbeeld in grotere mate afkomstig van landbouw buiten Gelderland. De regio moet tevens voldoen aan de Europese Kader Richtlijn Water. Het doel hiervan is om de kwaliteit en kwantiteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. Een aantal gebieden in de regio heeft de status ontoereikend. 2. Monoculturen Agribusiness is veelal een monocultuur. Vanuit het streven om efficiënt te werken, is het verleidelijk om omringend groen op te offeren. Hierdoor komt de biodiversiteit onder druk te staan. Die staat ook onder druk door de hoge stikstofdepositie. Door heel Nederland wordt teveel stikstof uitgestoten, waardoor de natuur wordt aangetast.
De uitspraak van de Raad van State dat hier actie op moet worden ondernomen, heeft gevolgen voor de (woning)bouw, voor mobiliteitsplannen en voor de agribusiness in het gebied. Biodiversiteit moet een integraal onderdeel zijn bij onze manier van werken en alles wat we doen in de regio. Daarom zouden we ook buiten de typische natuurgebieden moeten zorgen voor groenblauwe netwerken.
Figuur 6. Beschermde gebieden in de regio (PBL, 2020, Atlas van de regio)
3. Ruimte voor natuur In de regio nemen economische activiteiten, zoals agricultuur, logistiek en vestigingsklimaat, de nodige ruimte in met bedrijventerreinen en aan- en afvoerwegen. Bovendien is de regio bekend om de belangrijke doorvoercorridors voor Nederland. Netwerken van biodiversiteit zijn belangrijk voor een ecologische balans in de regio. Er is spanning tussen de inzet op economische kracht en innovatie in de verschillende economische sectoren en de ruimtelijke gevolgen voor de natuur in deze regio. 3.6.3. Bestaande initiatieven In het Gelders akkoord is vastgelegd dat in 2030 75% van de biodiversiteitsdoelen behaald moeten zijn. Niet alleen door focus op losse projecten, maar integraal en domeinoverstijgend, zoals natuurinclusieve landbouw; natuur én landbouw. Op die manier is de kans ook groter om subsidie te krijgen vanuit de overheid. Nu ligt de focus op het scheidingsniveau: natuur is voor de natuur, landbouw focust op landbouw. Regionale samenwerking is inmiddels gestart, maar staat nog in de kinderschoenen. Via bestaand beleid en de uitvoering daarvan wordt op dit moment stevig ingezet op het behouden en verbeteren van de biodiversiteit in de regio.
Figuur 5. Ecologische waterkwaliteit volgens de Atlas van de Regio (PBL, 2020)
24 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
Het waterschap werkt aan de verbetering van de natuurvriendelijke inrichting van (KRW)-watergangen. Dat doet zij door natuurvriendelijke oevers, klimaatbuffers en nevengeulen aan te leggen. Ook worden gemalen en stuwen in belangrijke vismigratieroutes passeerbaar gemaakt voor vissen. Samen met de provincie Gelderland werkt het waterschap aan de versterking van Ecologische Verbindingszones (EVZ’s) zoals de Linge, Capreton en Diefdijk-Noord.
Denk hierbij aan de aanleg van groene corridors langs watergangen met wat grotere stapstenen gecombineerd met bosschages en poelen. Binnen het DAW-rivierenlandplan nemen agrariërs met meerdere partijen effectieve maatregelen om de emissie van nutriënten te verminderen in gebieden die prioriteit hebben, zoals de Tielerwaard en de Neder-Betuwe. De acht gemeenten van Rivierenland hebben een Landschapsen Biodiversiteitsplan laten maken. De visie is vertaald naar een zogenaamde Kansenkaart. Het uitwerken van een BlauwGroen Netwerk biedt kansen voor het verbeteren van de biodiversiteit. 3.6.4. Aanvullende regionale oplossingsrichtingen 1. Aansluiten bij het stikstofbeleid De provincie heeft beleid opgestart om te komen tot een pakket met Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS). Dit om te zorgen dat, naast woningbouw, ook grotere projecten en initiatieven door kunnen gaan. Dit kan namelijk pas wanneer bij een negatief effect op Natura2000-gebieden er sprake is van compensatie. Beleidsmatig pakt Regio Rivierenland dit sinds 2021 integraal op via het PFO Ruimtelijke Kwaliteit met als doel: een gebiedsgerichte aanpak per regio om een structurele stikstofdaling voor verschillende regionale beleidsthema’s te realiseren, zoals economie, wonen of mobiliteit.
Om aan te sluiten bij de provinciale GMS-doelstellingen wordt hierbij niet alleen gekeken naar de speerpunten, maar naar alle sectoren in de regio die een structurele vermindering van emissie-uitstoot (op de langere termijn) kunnen waarmaken. Regionaal gezien zijn er met behulp van innovatie bijvoorbeeld mogelijkheden in de binnenvaart, veehouderij en glastuinbouw.
25
2. Circulariteit, kringlooplandbouw, biobased economy Rondom circulariteit komen concepten als kringlooplandbouw en biobased economy samen. In de regio is er de intentie om meer projecten te ontwikkelen op circulariteit, kringlooplandbouw en/of biobased economy, met impact op de biodiversiteit binnen de verschillende pacten. Deze zullen ook worden verkend op de mogelijke economisch haalbaarheid. 3. Versterken agrotoerisme en beleving biodiversiteit We willen het platteland vitaliseren door: agribusiness met recreatie & toerisme te koppelen, de biodiversiteit te versterken en de bekendheid en het imago van de regio te optimaliseren bij de doelgroepen inzichtzoeker, rustzoeker en verbindingszoeker. We focussen ons gezamenlijk op de verhaallijn, de ontwikkeling van klompenpaden en inpassing van streekproducten (bijvoorbeeld met een streekproductenroute naast de bestaande laanboomroute). Dit sluit ook aan bij de opgave rondom het versterken van de streekidentiteit. 4. Versterken groenblauwe verbindingen van komgronden Tot ver in de vorige eeuw had elk dorp zijn eigen dorpspolder omgeven door kades. Tussen de dorpspolders liggen vanouds moerassige gebieden. Door deze boezemgebieden werden weteringen gegraven om water naar de rivieren af te voeren.
Dit landschap van dorpspolders met daartussen boezems speelt een belangrijke rol in de uitdagingen van vandaag: klimaatadaptatie, biodiversiteitsverbetering en energietransitie. Met het project Gonzend Rivierenland wordt in de oude komgronden weer ruimte gecreëerd voor hooilanden en grienden voor meer natuur en water(berging). Deze gebieden verbinden we met de dorpen door houtwallen, bermen, heggen en struwelen. Die natuurlijke verbindingen vormen 10% van het landschap.
3.7. Verbeteren en behouden van benodigde regionale mobiliteit in een regio met een relatief lage bevolkingsdichtheid 3.7.1. Context en autonome veranderingen De regio Rivierenland ligt centraal in Nederland en is daardoor in trek bij bedrijven en (potentiële) inwoners. Snel-, spoor- en vaarwegen verbinden de regio met belangrijke economische kernen zoals Utrecht, ’s-Hertogenbosch, Arnhem en Nijmegen. Sinds 2018 wordt intensief samengewerkt op het dossier Mobiliteit, en met succes. Dankzij de bijdrage van de gemeenten hebben wij sinds 2019 de mobiliteit en de bereikbaarheid in de regio gezamenlijk kunnen verbeteren. De mobiliteitsopgaven voor onze regio zijn divers, gemeente- en regiogrensoverschrijdend en vragen om een verscheidenheid aan oplossingen. We hebben regionaal onze krachten gebundeld en werken onder andere samen met aanliggende regio’s, provincies, het Rijk en onze vervoerders. Dit met één gezamenlijk doel: goede en veilige oplossingen voor een duurzaam bereikbare, vitale regio. Mobiliteit ondersteunt veel andere functies en draagt bij aan de groei van andere sectoren in de regio. Denk bijvoorbeeld aan de bereikbaarheid van onderwijsinstellingen/campussen en werkgevers vanuit de woongebieden binnen en buiten de regio. Maar ook aan fietsen voor een gezondere levensstijl of de bereikbaarheid van vrienden en familie voor goede sociale contacten.
Regionaal kunnen we ook bijdragen aan de landelijke ambities en brede welvaart. Denk hierbij aan het verbeteren van de A15 als onderdeel van de Rhine-Alphine goederencorridor of aan het verduurzamen van onze mobiliteit om bij te dragen aan de afspraken in het klimaatakkoord. Mobiliteit is breed en vraagt daarom dus ook om een integrale aanpak.
3.7.2. Uitdagingen Via bestaand beleid en de uitvoering daarvan wordt op dit moment stevig ingezet op duurzame en optimale mobiliteit voor iedereen. Toch zijn er aandachtspunten: 1. Bijdrage mobiliteit aan prettig wonen en leefbaarheid (o.a. veerverbindingen) De komende jaren zijn er duizenden nieuwe woningen nodig om te kunnen blijven voorzien in de vraag. De regio heeft de ambitie om minimaal 12% extra woningen bij te bouwen tot 2030. In deze gebiedsontwikkelingen speelt mobiliteit een belangrijke rol: hoe organiseren we dat in de schaarse ruimte de bereikbaarheid voldoende op orde, passend en veilig is? Hoe kunnen mobiliteit en het mobiliteitssysteem eraan bijdragen dat inwoners deelnemen aan de samenleving? Hoe kan mobiliteit bijdragen aan levensgeluk, gezondheid en brede welvaart? Hoe stimuleren we duurzame en slimme mobiliteit? Dit vraagt om een multimodaal mobiliteitsaanbod en een transitie in reisgedrag. Leefbaarheid kent in onze regio vele gezichten. Van veilig naar school kunnen fietsen tot de mogelijkheid om - ook als je ouder wordt - naar de winkel in het dorp verderop te kunnen gaan. De relatief lage bevolkingsdichtheid maakt het moeilijk om een goed openbaar vervoernetwerk (inclusief veerdiensten) in stand te houden. Of duurzame vervoersalternatieven: snelfietspaden, deelmobiliteit of veerdiensten.
Deze veerverbindingen staan onder druk door beëindiging van het verenfonds. We hebben veel oeververbindingen. Diverse voorzieningen (scholen, werklocaties, zorg) liggen voor veel inwoners aan de andere kant van een rivier. Daarom is het behoud en verbeteren van deze veerverbindingen essentieel om plezierig te wonen, werken en recreëren in onze regio. Tegelijkertijd komt het voorzieningenniveau in de regio in gevaar door verdere vergrijzing. Een andere uitdaging voor de leefbaarheid is het sluipverkeer op het onderliggend wegennet en de bijkomende milieueffecten, waaronder geluid, trillingen en fijnstof. Een goed mobiliteitsnetwerk beperkt negatieve gezondheids- en klimaateffecten en versterkt de toegankelijkheid, sociale veiligheid en bereikbaarheid van voorzieningen. 2. Fileknelpunten op de A2, A15 en Rijnbrug Rhenen De vele files op de A2, A15 en de Rijnbrug Rhenen tasten de bereikbaarheid en verkeersveiligheid van de regio aan. Dit is een aandachtspunt. Met de toekomstige verstedelijkingsopgaven in en rondom de regio (Randstad, Noord-Brabant, regio FoodValley en Arnhem en Nijmegen) komt de bereikbaarheid nog verder onder druk te staan. Het verkeer over deze wegen verschilt van aard; op de A2 bestaat 75% uit verkeer van buitenaf en is slechts 25% regionaal verkeer, terwijl de A15 vooral belast wordt door vrachtverkeer, wat 20% van het verkeer is. 3.
Verduurzaming mobiliteit Zoals we eerder schreven, hebben we in het klimaatakkoord nationaal afgesproken om onze CO2-uitstoot te verminderen met 55% in 2030 en met 95% in 2050. Ook wij moeten hiermee
26 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
aan de slag in de regio. Mobiliteit heeft veel impact op het milieu: 20% van de totale uitstoot komt van onze mobiliteit en ongeveer 60% van de uitstoot van het wegverkeer is afkomstig van personenauto’s. Het autobezit in Rivierenland is hoog. Dat is niet verrassend als je kijkt naar het karakter van de regio. Desondanks zien wij volop kansen om stappen te zetten op het gebied van verduurzaming, gericht op en passend bij de regio. Mobiliteitshubs, deelmobiteit, carpoolplekken en gedragscampagnes moeten we nog verder uitrollen om onze inwoners, bezoekers en werknemers duurzamer en slimmer in of naar de regio te laten reizen. Als het gaat om het terugdringen van de stikstofuitstoot, dan leidt het transport van goederen (over weg en water) in de gehele Rhine-Alpine goederencorridor, in combinatie met de toekomstige eisen aan duurzaamheid en digitalisering van de logistiek, tot een grote uitdaging voor de regio. 3.7.3. Bestaande initiatieven Op dit moment geeft het Uitvoeringsplan Mobiliteit 2019-2022 en het Mobiliteitsfonds invulling aan de gezamenlijke mobiliteitsstrategie van de regio. Deze regionale samenwerking is succesvol gebleken. Daardoor is bestuurlijk de ambitie uitgesproken om ook op het gebied van mobiliteit te blijven samenwerken in een nieuw plan voor 2023-2026.
Niet alleen in de regio zetten we ons in om de bereikbaarheid te verbeteren, ook provincie Gelderland en het Rijk bepalen met beleid hoe vraagstukken op mobiliteit worden opgepakt. Zo is er de Visie op een bereikbaar Gelderland voor verbinding, verandering en vergroening. Het Rijk heeft het stikstofbeleid, dat invloed heeft op de MIRT-trajecten. En om te stimuleren dat mensen anders en/of niet reizen, is vrachtwagen- en kilometerheffing ingevoerd. 3.7.4. Aanvullende regionale oplossingsrichtingen 1. Een aantrekkelijke regio met een robuust en compleet netwerk We willen een aantrekkelijke regio met een robuust en compleet netwerk creëren. Dit begint bij het deelnemen aan bovenregionale trajecten ten behoeve van ons netwerk. De A2, A15 en de Rijnbrug Rhenen zijn de slagaders van onze regio. Een goede doorstroming is essentieel om onze woonambities te realiseren, maar ook voor de bedrijvigheid in het gebied. Files zorgen voor economische schade. Daarnaast moet ook het regionaal autonetwerk op orde zijn. Als regio lobbyen we voor een betere bereikbaarheid van Rivierenland op de wegen waar onze gemeenten geen wegbeheerder zijn. De basis hiervoor is het in kaart brengen van knelpunten in de bereikbaarheid en veiligheid op deze regionale wegen. Denk hierbij aan gevaarlijke kruispunten van lokale en provinciale wegen of het saneren van spoorwegovergangen.
Voor een compleet netwerk is het landelijk gebied ook belangrijk. Daarom verkennen we hoe we ketenmobiliteit kunnen bevorderen om mobiliteit tot in de haarvaten van de regio mogelijk te maken.
27
2. Een leefbare regio voor jong en oud Met een leefbare regio voor jong en oud richten wij ons op een beter autonetwerk en zetten wij ons in voor het stimuleren van andere modaliteiten en voor het verhogen van de verkeersveiligheid. Als regio ondersteunen we de gemeenten bij de verkenningen naar verbeterde fietsroutes langs de A2 en A15. Met gedragscampagnes stimuleren we onze inwoners actief om de fiets te pakken. Voor een betere bereikbaarheid van het openbaar vervoer zetten we ons in voor een verdere doorontwikkeling van ons spoornetwerk en signaleren wij voor de gemeenten de ontwikkelingen rondom de nieuwe openbaar vervoerconcessie. Daarbij blijven wij vooral actief lobbyen voor het belang van kleinschalig, vraaggestuurd vervoer. Als de verkeersveiligheid verbetert, komt dit ook de leefbaarheid ten goede. Een gezamenlijke risicogestuurde aanpak helpt onze regiogemeenten om het aantal verkeersslachtoffers te minimaliseren. Samen met het voeren van een gezamenlijke campagne op thema’s die daaruit voortkomen. 3. Slimmer reizen in duurzame regio Slimmer reizen in een duurzame regio wordt steeds belangrijker. Wij inspireren de werknemers, inwoners en recreanten om hun reis zo duurzaam en slim mogelijk te maken. Als regio verkennen we mogelijkheden om als proeftuin voor innovatieve pilots te fungeren, zeker voor het landelijk gebied waar de auto vaak essentieel is.
Naast slimmer, is ook duurzamer reizen nodig om onze CO2-uitstoot te verminderen. We onderstrepen de belangen van schone mobiliteit door het thema integraal te vertegenwoordigen binnen alle dossiers die raakvlakken hebben met mobiliteit, zoals woningbouw en ruimtelijke ordening. Door samen het gesprek aan te gaan, kan iedereen wat doen; slimme en duurzame woningbouwlocaties, fietsen naar het werk, carpoolen of met een deelauto naar een afspraak.
3.8. Behouden en optimaliseren van de ruimtelijke kwaliteit bij een toenemende druk op de ruimte door onder andere woon- en transitieopgaven 3.8.1. Context en autonome veranderingen Rivierenland is een landelijke en centraal gelegen regio die steeds meer omringd zal worden door verstedelijking. Hierdoor zullen ook steeds meer mensen in het gebied willen wonen, werken, recreëren (en zich verplaatsen). Omdat de regio centraal gelegen is, is deze zeer aantrekkelijk voor logistieke bedrijven die grote distributiecentra willen bouwen en voor de glastuinbouw met haar toekomstige ruimtevraag. Terwijl het behoud van de belevingswaarde van het landschap van groot belang is voor de vrijetijdseconomie. Voor een toekomstbestendige ontwikkeling zijn integrale ruimtelijke keuzes nodig. De regio ligt laag en grote rivieren doorkruisen hem. Klimaatadaptatie zal aanpassingen gaan vragen aan de manier waarop de ruimte wordt gebruikt. Water en bodem worden leidend bij de inrichting. Enerzijds zullen de waterlopen natuurlijker worden ingericht, anderzijds vraagt het ook aanpassingen waar en hoe huizen en bedrijven kunnen worden gebouwd en hoe landbouw wordt bedreven. Tenslotte leggen de duurzaamheidsopgaven een steeds grotere claim op de ruimte.
Een toekomstgerichte energievoorziening vraagt om aanpassingen in de ruimte voor bijvoorbeeld windmolens, zonnepanelen, onderstations en onze warmtevoorziening. In de RES 1.0 zijn hierover afspraken gemaakt op basis van een landschappelijke afweging en principes als dubbel ruimtegebruik, het benutten van daken en restgronden langs de snelwegen. Dit alles zorgt voor een steeds groter spanningsveld tussen de ambities en belangen van verschillende partijen. Daardoor is de puzzel steeds lastiger te leggen.
3.8.2. Uitdagingen Deze bestaande initiatieven zijn onvoldoende om een goede belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit te bereiken. Kaders zijn goede instrumenten om de beschikbare ruimte te verdelen, maar bieden onvoldoende handvatten om deze ruimte ook slim te gebruiken. Op lokaal niveau vindt inpassing plaats, maar de mogelijkheden op dat schaalniveau zijn te beperkt om de nationale tot lokale opgaven en belangen in elkaar te vlechten. Naast slimme oplossingen voor effectief ruimtegebruik zullen er op regionaal niveau ook gewoon keuzes gemaakt moeten worden over wat wel en niet kan in de beperkte ruimte. We hebben gezamenlijke op lokaal, regionaal en provinciaal niveau een puzzel te leggen. Doen we dat niet, dan zullen we in toenemende mate merken dat we cruciale ambities niet kunnen verwezenlijken omdat de ruimte niet beschikbaar is. Dit kan leiden tot conflicten tussen belanghebbenden. Tenslotte is er binnen de huidige initiatieven beperkte aandacht voor de belevingswaarde voor Rivierenlanders op bovenlokaal niveau, waardoor die ondergesneeuwd dreigt te raken in het totaal. 3.8.3. Bestaande initiatieven De landelijke en provinciale overheid geven de kaders aan waarbinnen nieuwe initiatieven moeten passen. Op lokaal niveau hebben de gemeenten via bestemmingsplannen de regie genomen op het gebruik van de ruimte.
Daarnaast wordt via gebiedsontwikkelingsprojecten steeds meer gekeken hoe verschillende behoeften in dezelfde ruimte slim gecombineerd kunnen worden. Zo wordt bijvoorbeeld bij de uitvoering van Hollandse Waterlinie zowel gekeken naar klimaatadaptatiemaatregelen, als naar mogelijkheden voor recreatie en verbetering van de woonbeleving. 3.8.4. Aanvullende regionale oplossingsrichtingen De concrete ambitie is om in de komende tien jaar via de opgavetafel Ruimtelijke Kwaliteit de mogelijkheden te signaleren voor ruimtelijke inpassing en het versterken van de belevingswaarde van de omgeving. Dit gebeurt in samenspraak met de andere opgavetafels. Concreet vertaalt zich dit naar de volgende oplossingsrichtingen:
2. Het uitwerken van een gebiedsarrangement (binnen de Gelderse Puzzel) Zoals we eerder aangaven, moeten we een Gelderse Puzzel leggen. Hiervoor kunnen we concrete en mogelijk ook creatieve oplossingen bedenken op regionaal niveau. Dit kunnen we doen door met de verschillende opgavetafels de opgaven en ambities te vertalen naar benodigde ruimte. En door samen de knelpunten in kaart te brengen. Centraal hierbij staat dat de regio toekomstbestendig (o.a. klimaatadaptief) moet zijn. Denk bijvoorbeeld aan multifunctionele inrichtingsoplossingen, zoals het telen van zacht fruit onder lichtdoorlatende zonnepanelen, zodat we zuinig kunnen omgaan met de beschikbare ruimte. Of het goed gebruiken van warmte uit oppervlaktewater voor de verwarming van onze woningen. Waar multifunctionele oplossingen niet mogelijk zijn, zullen we moeten prioriteren in onze ambities. Uiteraard zal de besluitvorming over prioritering in de ruimte daar liggen waar de wettelijke taken zijn belegd. 3. Bevorderen van kennisuitwisseling Uiteraard is het altijd belangrijk om slimme oplossingen op te schalen die elders goed werken. Zo voorkomen we dat we het wiel opnieuw moeten uitvinden. Daarom willen we onderzoeken hoe we ideeën en concepten beter kunnen identificeren en uitwisselen tussen onze regionale partners. 3.9.
Integrale regionale oplossingen In de bovenstaande paragrafen hebben wij de afzonderlijke opgaven en oplossingsrichtingen geïdentificeerd. Deze opgaven zijn gemeente-overstijgend en/of vereisen een integrale aanpak. Via de regionale samenwerking kunnen wij de gewenste integrale/gemeente-overstijgende aanpak realiseren. Om deze integrale samenhang te bewaken, wordt vaak een kruistabel gebruikt (bijlage 3). Deze brengt overzichtelijk in beeld hoe de oplossingsrichtingen bijdragen aan meerdere opgaven. Ook laat het zien welke oplossingsrichtingen elkaar kunnen tegenwerken. Deze tabel wordt in de komende tijd verder uitgewerkt. Dat gebeurt in lijn met de verdere uitwerking van de integrale oplossingsrichtingen en de SMART-doelen, in het vervolgproces van de Gebiedsagenda samen met de partners.
1. Vernieuwen van de Ruimtelijke Strategische Visie en het versterken van de belevingswaarde De regionale Ruimtelijke Strategische Visie is in 2019 opgesteld. Hij laat zien waar er binnen de regio ontwikkelruimte is voor de economische sectoren logistiek & bedrijven, agribusiness en recreatie & toerisme. De visie gaan we vernieuwen en uitbreiden met de opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, energietransitie, klimaatadaptatie en mobiliteit. Zo identificeren we waar we de belevingswaarden in de regio het beste kunnen verbeteren. Vervolgens kunnen we zoeken naar slimme oplossingen.
28 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
29
4. De samenwerking 4.1. Samenwerkingsstructuur De samenwerkingsstructuur is dusdanig opgezet dat het de werkwijze van de partners (de 5 O’s) ondersteunt om - vanuit een gezamenlijke visie - te werken aan de integrale opgaven in het gebied. Deze structuur biedt ruimte om strategisch op te treden en bij te sturen waar dat nodig is. En ook om dilemma’s te bespreken en te zorgen voor gezamenlijke oplossingen.
Voor de bemensing van de gremia sluiten we zoveel mogelijk aan bij bestaande gremia om bestuurlijke drukte te voorkomen. In het kader van learning by doing hebben we gekozen om de periode tot januari 2024 te gebruiken om stapsgewijs te komen tot implementatie van de werkwijze en gaandeweg te kijken wat wel en wat niet werkt.
De organisatiestructuur van de Gebiedsagenda bouwt voort op bestaande samenwerkingsstructuren en bestaat uit de volgende elementen:
Het Pentahelix-overleg Samenstelling: Bestuurlijke vertegenwoordigers vanuit relevante stakeholders (alle 5 O’s)
Taken: Visie: Het Pentahelix-overleg stemt elke vijf jaar de richting van de visie en de doelstellingen met elkaar af. De besluitvorming vindt vervolgens plaats bij de betrokken stakeholders. Voor provincie Gelderland is dat GS en voor gemeenten is dat via de gemeenteraden. Opgaven: Stelt jaarlijks de opgaven vast. De betrokken stakeholders leggen het besluit vast in hun achterban. Voor provincie Gelderland is dat GS en voor gemeenten zijn dat de colleges of het Algemeen Bestuur van Regio Rivierenland. Oplossingen: Stelt halfjaarlijks vast welke oplossingen het uitvoerende team moet uitwerken nadat de opgavetafels en het uitvoerende team deze oplossingen hebben geïdentificeerd.
Opgavetafels Samenstelling: Partners met een bestuurlijk relevante kennis van de opgave. De precieze samenstelling van de opgavetafel is afhankelijk van de opgave.
Taken: Opgaven: Dragen bij aan de diagnoses van de huidige situatie en het identificeren van aandachtspunten in samenspraak met het uitvoerend team. Oplossingen: Identificeren oplossingsrichtingen in samenspraak met het uitvoeringsteam.
De bestaande overlegstructuren worden als volgt uitgebreid tot (of geformeerd als) opgavetafels: Figuur 7: Organogram van voorgestelde werkwijze
30 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
1. Behouden en versterken van het innovatievermogen van krachtige regionale sectoren
Uitbreiden integraal speerpuntenberaad Economie met andere partners
2. Inspelen op veranderingen op de arbeidsmarkt door transitieopgaven, robotisering en automatisering
Bestuurlijk overleg RW-POA Rivierenland
3. Inspelen op de groeiende vraag naar woningen en daarbij rekening houden met de woningbehoefte van inwoners, inclusief aandachtsgroepen
Uitbreiden portefeuille-overleg Wonen met andere partners
4. Beschermen van Rivierenlanders voor toekomstige risico’s als gevolg van klimaatverandering, zoals overstromingsgevaar, hittestress en droogte
Stuurgroep RAS
5. Versnellen van de energietransitie in de regio en het verminderen van de CO2-uitstoot met 55% in 2030
Stuurgroep RES
6. Behouden en verbeteren van de biodiversiteit in de regio
Nieuw pentahelix-gremium
7. Verbeteren en behouden van de benodigde regionale mobiliteit in een regio met een relatief lage bevolkingsdichtheid
Uitbreiden portefeuille Mobiliteit met andere partners
8. Behouden en optimaliseren van de ruimtelijke kwaliteit bij een toenemende druk op de ruimte door onder andere woon- en transitieopgaven
Uitbreiden portefeuille Ruimtekwaliteit met andere partners
31
Uitvoerend team Gebiedsagenda Samenstelling: Team van uitvoerders met mensen van betrokken stakeholders
Taken: Monitoring: Adviseert over de wijze van monitoren en voert de monitoring uit. Opgaven: Identificeert jaarlijks de opgaven en aandachtspunten. Financiering: Identificeert continu en afhankelijk van het project de mogelijkheden voor financiering en stelt een investeringsagenda op. Oplossingen: Identificeert halfjaarlijks de oplossingen in samenspraak met de opgavetafels. Projectteams: Mobiliseren de partners die nodig zijn om een oplossing uit te voeren. Hierbij sturen zij op de haalbaarheid van de oplossing en het draagvlak bij de beoogde partners.
5.
6.
Projectteams Samenstelling: Projectafhankelijk 7. Taken: Oplossingen: Werken oplossingen uit in samenwerking met het uitvoerende team.
Achterbannen Samenstelling: Afhankelijk van de geïdentificeerde opgave en oplossingen.
Taken: Mandaat en draagvlak: Stemmen af met hun vertegenwoordigers in de verschillende gremia.
8.
9.
Regels en afspraken: Hoe zorgen we voor een evenwichtige verdeling van risico’s, kosten en opbrengsten? Welke afspraken zijn er mogelijk? Ook: de afzonderlijke organisaties zijn gebonden aan wetgeving, formele afspraken en informele verwachtingen van hun achterbannen. Ook dit moet voor iedereen helder zijn, zodat een partij op tijd kan terugkoppelen naar zijn/ haar achterban en ook het interne besluitvormingstraject in gang kan zetten. Besluitvorming: Hoe worden besluiten genomen binnen de verschillende onderdelen van de gebiedsplanorganisatie (Pentahelix-overleg, Opgavetafels, Uitvoerend team Gebiedsagenda, Projectteams)? Besluiten kunnen bijvoorbeeld worden genomen op basis van de meerderheid van stemmen, unanimiteit, maar ook bij consensus of afwezigheid van zwaarwegend bezwaar. Planning: Welke mijlpalen zien we in de samenwerking? Wat zijn daarvan de consequenties? Hoelang blijft de samenwerking actief? Leren: Hoe richten we een effectief monitorings- en evaluatieproces in dat bijdraagt aan het samen leren met alle partners én de samenleving. Zodat we niet alleen leren, maar onze aanpak ook adaptief kunnen wijzigen. Communicatie: Wanneer treden we naar buiten met de partners richting de pers? Wie is het eerste aanspreekpunt? Hoe communiceren we gezamenlijk richting mogelijke financiers en andere partijen?
Enkele elementen zijn in beperkte mate al nader uitgewerkt:
4.2. Werkwijze Samenwerken in de regio is een randvoorwaarde om complexe integrale opgaven te realiseren. Willen we daarin resultaten boeken, dan moeten we de manier waarop we samenwerken organiseren en structureren. Dit noemen we onze werkwijze. Bij deze werkwijze benoemen partijen in de regio de opgaven. Dat doen zij vanuit een gezamenlijke visie. Ook maken zij afspraken over hoe zij deze opgaven effectiever kunnen oppakken. Dat doen we integraal, dus over beleidsvelden en verantwoordelijkheden van individuele partijen heen. Zo komen we tot doelmatige acties en projecten. We ontwikkelen gaandeweg de werkwijze die het best past voor het opstellen én uitvoeren van deze Gebiedsagenda. Het advies is om in dit stadium nog geen formeel proces in te richten voor de bemensing van de pentahelix, maar om komend jaar eerst te ervaren hoe de samenwerking in de praktijk werkt. Vervolgens kunnen we kijken naar het definitieve besluitvormingsproces, de rol, de bijdragen van partners, de functie en de bemensing van het pentahelix-overleg. Hierdoor geven we onszelf de ruimte om een aantal elementen van de werkwijze nader uit te werken.
32 Gebiedsagenda 2.0 - 21 oktober 2022
In een goede werkwijze zijn in ieder geval de volgende elementen beschreven: 1. Partijen en achterban: Wie zijn de deelnemende partijen en wie vertegenwoordigen zij? Wie kunnen deelnemen en onder welke voorwaarden? Hoe kunnen ze ook weer uittreden uit de samenwerking? Hoe wordt ruimte gegeven aan de achterban? 2. Belangen: Helderheid over de individuele belangen bij de samenwerking is het uitgangspunt. Door te werken vanuit belangen in plaats van standpunten ontstaat er ruimte om samen oplossingsrichtingen te onderzoeken en uit te werken. Het belang van de deelnemende partijen in en de bijdrage aan de samenwerking bepaalt ook de samenwerkingsvorm. 3. Bijdragen: Wat zijn de bijdragen die elke partij kan leveren aan een samenwerking? Onder welke voorwaarden en wanneer? 4. Rollen en verantwoordelijkheid: Wat zijn de verwachtingen over ieders taken (wat doet iedereen)? Want de samenwerking is vrijwillig, maar niet vrijblijvend. Wat zijn de verschillende belangen, mandaten en verantwoordelijkheden van de afzonderlijke partners? Immers, zij zijn het die uiteindelijk het resultaat bepalen. Dit beschrijven we ook voor FruitDelta Rivierenland, in haar rol als coördinator van de Gebiedsagenda.
Partijen: Het uitgangspunt is dat deelnemers die een positief of negatief belang hebben bij de opgave en/of een bijdrage kunnen leveren, kunnen deelnemen aan de samenwerking. Welke partijen dat precies zijn, moet nader worden bekeken. Voor een gebalanceerde inbreng kunnen partijen worden gezocht per geleding. Ook moet in ogenschouw worden genomen dat deelnemers mede namens een achterban aan tafel zitten. Dit betekent dat deelnemer en achterban overeenstemming hebben over het mandaat en de inbreng die de deelnemer levert. Heeft de deelnemer overeenstemming bereikt, dan is dat bindend, na terugkoppeling met de achterban. In het proces zal altijd gelegenheid worden gegeven voor deze terugkoppeling. In de nadere uitwerking van de werkwijze zal mandaat en besluitvorming aandacht krijgen. Rollen en verantwoordelijkheid: Alle partijen aan tafel zijn gelijkwaardig. Dat wil zeggen dat zij een even grote stem hebben. Tegelijkertijd is de bijdrage die een ondernemer kan leveren anders dan die van een overheidspartij. Echter, zodra een partij deelneemt, neemt zij ook de verantwoordelijkheid voor het proces om zich in te spannen om er met elkaar uit te komen.
Besluitvorming: Afhankelijk van het onderwerp bestaan er momenteel verschillende modellen voor besluitvorming binnen de huidige opgavetafels of overlegstructuren. Regels en afspraken: De leidende principes voor de samenwerking zijn het eerste startpunt voor gezamenlijke regels en afspraken. Deze principes zijn opgesteld in het kader van de Gebiedsagenda 1.0: • Gelijkwaardigheid: samenwerken op basis van gelijkwaardigheid met respect voor ieders belangen, rol en verantwoordelijkheid. • Vertrouwen: we leggen niet alles (juridisch) vast, omdat we met elkaar in vertrouwen werken aan het gezamenlijke belang. Onze afspraken binnen de werkwijze geven voldoende houvast. • Leren met elkaar: we werken aan complexe uitdagingen waar soms gewoon gestart moet worden om tot de oplossing te komen. • Adaptief: de Gebiedsagenda is niet statisch, maar een werkwijze die ons in staat stelt om continu te kunnen anticiperen op veranderingen in de omgeving. • Missiegericht en integraal: het Doel is leidend voor de oplossingen die we bedenken. Dus niet de structuur of de belangen van individuele partijen. • Geen bestuurlijke drukte: we maken zoveel mogelijk gebruik van de bestaande gremia. Communicatie: Via gerichte communicatie kunnen we de opgaven in de regio onder de aandacht brengen bij de provincie, het Rijk en de EU. Daarbij spelen we in op provinciale, landelijke en Europese doelstellingen.