CConstaterende datZaltbommel
Koppel je AI →
Document · PDF

01-Poederoijen, Egter van Wissekerkeweg 14 toelichting-VS

Raadsvergadering 16 maart 2023, gemeente ZaltbommelBij agendapunt: Bestemmingsplan Poederoijen12.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de Wgv is verankerd welke geurbelasting een voor geurgevoelig object mag ondervinden. De Wgv beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In 2010 heeft de gemeenteraad de geurverordening gemeente Zaltbommel vastgesteld. Hierin is per deelgebied het maximaal toegestane niveau van geurbelasting vastgelegd. Planspecifiek In de directe omgeving liggen geen agrarische bedrijven in de vorm van veehouderijen. Het initiatief ligt volgens het gemeentelijk geurbeleid niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf. Het plangebied is gelegen binnen een zone waar een goed leefklimaat heerst. Conclusie Vanuit het aspect geur(hinder) van (agrarische) bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief. 4.2.4 Geluid verkeer Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient inzichtelijk te worden gemaakt of de geluidsinvloed van omliggende wegen en spoorlijnen voldoet aan de grenswaarden die zijn gesteld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh hanteert de volgende hoofdindeling van geluidgevoelige gebouwen: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven); • Geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Planspecifiek Het plangebied ligt wel in de geluidszone van een weg of spoorweg. Daarom is voor het initiatief door Ingenieursburo Ulehake een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage d.d. 12 januari 2022 met nummer 17111-01.

27

De gebouwen zijn gelegen binnen de zone van de Burgemeester Posweg, Egter van Wissekerkeweg, Hoekseweg en Maarten van Rossumweg. De geluidbelasting ten gevolge van deze wegen is bepaald. Uit het onderzoek blijkt dat de hoogste berekende geluidbelasting 45 dB bedraagt., inclusief de aftrek volgens artikel 110g Wgh ten gevolge van de Egter van Wissekerkestraat. Dit betekent dat er voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Aanvullende maatregelen zijn niet benodigd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.5 Bodem Bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op projectomgevingsvergunningsprocedures die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie, in dit geval voor de functie wonen. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn door Verhoeven Milieutechniek b.v. bodemonderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de rapportage d.d. 20 januari 2020 met projectnummer B19.7639.

Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief asbest) ten behoeve van de nieuwbouw naast Egter van Wissekerkeweg 14 te Poederoijen, naar het oordeel van Verhoeven Milieutechniek in voldoende mate vastgesteld. In de bovengrond worden de indexen van 0,5 plaatselijk overschreden voor cadmium, koper en/of lood, waardoor formeel gezien een nader grondonderzoek noodzakelijk is. Op basis van de volgende argumenten is naar het oordeel van Verhoeven Mileutechniek een nader grondonderzoek niet noodzakelijk: • Op basis van de resultaten van het uitgebreide aanvullend analytisch onderzoek ter plaatse van de 19 afzonderlijke boringen is vastgesteld dat in de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond voor diverse zware metalen. Gemiddeld genomen liggen de gehalten ruim onder de index van 0,5, aangezien slechts bij 3 van de 19 boringen de indexen van een 0,5 worden overschreden voor enkele metalen; • In de bovengrond is geen sprake van ernstige grondverontreinigingen met metalen, waardoor humane risico’s niet aan de orde zijn; • In de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond, waarbij de index van 0,5 eveneens niet wordt overschreden; • Aangezien geen sterke grondverontreinigingen zijn aangetroffen, zijn wettelijk gezien geen sanerende maatregelen van toepassing.

De aangetroffen oliegeuren ook niet tot een ernstige bodemverontreiniging. Wel wordt geadviseerd om in de toekomst, bij beëindiging van de bodembedreigende activiteiten, in de werkruimte een eindsituatie onderzoek uit te voeren. Op basis van de bovenstaande argumenten zijn naar het oordeel van Verhoeven Milieutechniek geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb en bestaan er derhalve geen bezwaren tegen de voorgenomen nieuwbouw. Geadviseerd wordt om, na verwijdering van de momenteel aanwezige belemmering op het maaiveld, nog aanvullend een maaiveldinspectie naar asbest uit te voeren om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de contactzone. Conclusie Op basis van de bekende bodemgegevens kan worden geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen functiewijziging. 28

4.2.6 Externe Veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Risicovolle bedrijven Binnen de beoogde bestemming "wonen" passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid en een specifieke beoordeling van de Omgevingsdienst Rivierenland blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid niet relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, het spoor of de weg. Het plagebied ligt namelijk buiten het invloedsgebied van dergelijke transportroutes, waar personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische of brandbare stoffen. Buisleldingen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat de projectlocatie niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt wel/ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.7 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm). Het doel is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De implementatie van de kaderrichtlijn en dochterrichtlijnen is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt. 29

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De Wet luchtkwaliteit en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien: • de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; • de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% verstaan; • de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; • gevoelige bestemmingen (waaronder woningen, scholen en zorginstellingen) niet binnen 300 meter van een rijksweg en 50 meter van een provinciale weg worden gerealiseerd (of indien binnen deze zones geen sprake is van een (dreigende) overschrijding). Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet wordt overschreden, te weten: 1.

Woningbouw: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 2. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Tevens is in het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het projectgebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Planspecifiek Het initiatief betreft een ontwikkeling waarbij huisvesting wordt gerealiseerd voor 48 personen. Dit betekent dat de ontwikkeling ruim onder de NIBM-grenzen valt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.8 Besluit milieueffectrapportage Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd.

De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In algemene zin komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op die op de D-lijst zijn vermeld volgt óf een m.e.r.-beoordelingsplicht óf een motivering dat een m.e.r.(beoordeling) niet noodzakelijk is. Hierbij is de bij de activiteit behorende 30

drempelwaarde onder andere van belang. Om te bepalen of een activiteit m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, conform het aangepaste Besluit m.e.r., is het type plan en het soort ontwikkeling van het plan van belang, zoals opgenomen in de Structuurvisie Ruimte (SVIR). Onderhavig bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsplan. De activiteiten die door dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt behoren niet tot de C-lijst, waardoor er geen directe m.e.r.plicht is. De voorgenomen ontwikkeling, behoort echter wel tot de D-lijst, namelijk onder nummer 11.2 ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterrein’. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling is opgenomen in lijst D van het besluit m.e.r.. Voor projecten groter dan 75 hectare en meer dan 2000 woningen dient altijd een m.e.r.- beoordeling plaats te vinden. De omvang van de beoogde huisvestingsvoorziening is zodanig beperkt dat er geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarden.

Planspecifiek Gelet op de geringe omvang van het project, de in het kader van dit bestemmingsplan uitgevoerde analyses en onderzoeken (zie ook de voorgaande paragrafen) én het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit (vanaf 75 ha.), kan geconcludeerd worden dat bij de vaststelling van dit bestemmingsplan geen onevenredige nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van de m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Conclusie De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het plangebied is gelegen en het gebied waarop het effect zou kunnen hebben. 4.3 Wet Natuurbescherming Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet vormt het belangrijkste juridische kader voor natuurbescherming en regelt de bescherming van flora en fauna, gebieden en bossen. Ook geeft de wet invulling aan de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn via de aanwijzing van Natura 2000gebieden. In de nieuwe Wet Natuurbescherming zijn drie bestaande wetten samengevoegd, te weten de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet.

Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Zaltbommel liggen de Natura 2000-gebieden 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en 'Uiterwaarden Waal'. Het natuurgebied Munnikenland en Loevestein dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied 'Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem' ligt in het westen van de gemeente Zaltbommel. Het Natura 2000-gebied 'Kil van Hurwenen', dat deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Waal' ligt in het oosten van de gemeente Zaltbommel en, voor het overgrote deel, op het grondgebied van de gemeente Maasdriel. Voor Natura 2000-gebieden kan sprake zijn van externe werking. Dat betekent dat ontwikkelingen buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelen binnen de Natura 2000-gebieden. Gebiedsbescherming Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient te worden onderzocht of het plangebied in of bij een speciale beschermingszone (sbz) als bedoeld in de Wet Natuurbescherming ligt. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten mogen niet worden aangetast. Er is nagegaan of het plangebied zich in, of in directe omgeving van, beschermd natuurgebied bevindt.

31

Soortbescherming Een ander doel van de Wet Natuurbescherming is het in stand houden van in het wild voorkomende plant- en diersoorten. Beschermde diersoorten zijn onder andere bijna alle zoogdieren, vogels, amfibieën en reptielen die van nature in het wild in Nederland voorkomen. De bescherming wordt geregeld op drie manieren. Ten eerste via het verbieden van handelingen die de instandhouding van soorten direct in gevaar kunnen brengen. Ten tweede kunnen kleine objecten (bijv. grot, fort) of terreinen worden aangewezen als beschermd gebied als het gebied van groot belang is voor het voortbestaan van een soort. En ten derde moet voor ingrepen, waarbij soorten of objecten zijn betrokken die vallen onder de Wet Natuurbescherming, een ontheffing worden aangevraagd. Bescherming houtopstanden De oude Boswet kende twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten. Dit instrumentarium blijft behouden. Provincies gaan bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Planspecifiek Blom Ecologie heeft de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden.

Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Blom Ecologie d.d. 15 februari 2022 met nummer 2022-0150. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling naast Egert van Wissekerkeweg 14 niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Volledigheidshalve is een nadere verantwoording opgesteld over de vraag of als gevolg van de bouwen sloopwerkzaamheden en het gebruik van de beoogde huisvesting significante negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. In dat verband is door Hedgehog Company B.V. met toepassing van de AERIUS-Calculator een stikstofberekening van de aanleg- en gebruiksfase gemaakt. Uit het memo d.d.

16 januari 2023 met projectcode 2023.019 en de daarbij behorende berekeningen blijkt dat de bouw en het gebruik van de huisvesting voor internationale werknemers op Egert van Wissekerkeweg 14 niet leidt tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Het genoemde memo en de bijbehorende bijlagen zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.4. Niet-gesprongen Conventionele Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en munitie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen.

Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens ARBO32

wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen onze gemeente. Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Planspecifiek Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juni 2016 bevindt de projectlocatie zich in ‘onverdacht’ gebied. Er zijn geen feitelijk aanwijzingen voor de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in (en in de directe omgeving van) de projectlocatie. Het projectgebied kan als zodanig worden beschouwd als onverdacht op de aanwezigheid van CE. De voorgenomen werkzaamheden kunnen zonder extra maatregelen met betrekking tot explosieven worden uitgevoerd. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd.

Uitsnede Explosievenkansenkaart Bommelerwaard

Conclusie Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locaties noodzakelijk. 4.5 Water en riolering Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen

33

van een beschrijving in de ruimtelijke onderbouwing van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf gaat daar nader op in. Via de ‘De Digitale Watertoets’ (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. Verharding Voor plannen waarbij verharding toeneemt, is compenserende waterberging nodig. In de bestaande situatie is het terrein onverhard. Wel zal in verband met de ontwikkeling een bestaande kas c.q. bedrijfsruimte worden gesloopt. Als gevolg van de ontwikkeling zal de oppervlakte aan verharding en bebouwing per saldo toenemen. Deze toename is in onderstaande tabel gespecificeerd Beschrijving Oppervlakte bebouwing Ontsluiting en paden Parkeerplaatsen (300 m2 / 50% ivm halfverharding) Totaal Sloop bestaande kas/bedrijfsruimte Netto toename verharding

Oppervlakte 600 m2 725 m2 150m 2 1.475 m2 149 m2 1.326 m2

Voor berekening van de benodigde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen is in principe de bui T=10+10% maatgevend. Daarbij geldt als vuistregel dat er 436 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. In dit geval bedraagt de toename van de verharding 1.326 m2. De compensatieberekening ziet er in deze situatie als volgt uit: 1.326*0,0436 m3 = 57,8 m3 waterberging nodig. Dat komt overeen met een wateroppervlak van circa 192,3 m2 op zomerwaterpeil (57,8 m3/ 0,3m peilstijging). De initiatiefnemer heeft ten oosten van het plan, eveneens aan de Egert van Wissekerkerweg, gronden in eigendom. Binnen dit eigendom bevinden zich diverse watergangen. Ten behoeve van de benodigde watercompensatie zullen deze watergangen worden verbreed. De betreffende locatie is weergegeven op onderstaande uitsnede van de vastgestelde legger wateren. Deze watergangen liggen in hetzelfde peilgebied als het plangebied. De locatie van de watergang zijn weergegeven op de afbeelding op de volgende pagina. De wijze waarop de watercompensatie in dit gebied zal plaatsvinden, wordt in overleg met het waterschap uitgewerkt. Watergangen en status watergangen In de nabijheid van de planlocatie bevinden zich geen watergangen. Verder voorziet de ontwikkeling niet in de aanleg van nieuwe watergangen.

Afvalwater Het afvalwater wordt geloosd op de aanwezige persriolering. Hemelwater Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van panden uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.

34

Uitsnede vastgestelde legger wateren

Het hemelwater dat afkomstig is van het terrein zal worden afgevoerd naar de watergang aan de zuidzijde van de locatie Egert Wissekerkeweg. Daarbij zal ervoor zorg gedragen worden dat het hemelwater wordt gezuiverd. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de geplande ontwikkeling. 4.6 Leidingen

Planspecifiek Binnen het plangebied bevinden zich geen leidingen die planologisch relevant zijn. Conclusie Binnen dit bestemmingsplan zijn geen relevante leidingen met bijbehorende beschermingszones opgenomen. 4.7 Duurzaamheid De Wet Voortgang Energietransitie (VET) is aangenomen. Hierdoor hoeft nieuwbouw vanaf 1 juli 2018 niet meer verplicht aangesloten te worden op aardgas. Daarom zal de beoogde huisvestingsvoorziening gasloos worden gerealiseerd. Daarnaast zal de nieuwbouw voldaan aan de technische eisen van het Bouwbesluit (EPC-norm, isolatie, e.d.).

35

Duurzaamheid gaat echter niet enkel over de energieprestatie van de gebouwen. Ook de inrichting van de buitenruimte speelt hierbij een belangrijke rol. Daarom wordt rondom de nieuwe bebouwing zorggedragen voor landschappelijke inpassing, zodat de locatie in voldoende mate van beplanting wordt voorzien. Verder Voorkomen moet worden dat ernstige wateroverlast ontstaan door hoosbuien of verdroging door langdurige hitte voorkomen te worden. In verband met de nieuwbouw wordt daarom watercompensatie gerealiseerd. Deze watercompensatie wordt gerealiseerd in de nabijheid van de planlocatie. Eén en ander is nader uiteen gezet in paragraaf 4 7.

36

HOOFDSTUK 5: JURIDISCHE VORMGEVING

5.1 Algemeen Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten binnen het gebied van deze herziening Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) gehanteerd. Zo zijn de bestemmingen qua benaming en volgorde afgestemd op de SVBP 2012. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Wro en het Bro. Daarnaast zijn de op grond van de Bro verplicht gestelde regels voor het overgangsrecht en de antidubbeltelregel conform de daarvoor gestelde standaarden in de regels opgenomen. Ook de Wro biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot uit te werken. Het onderhavige bestemmingsplan is niet zeer gedetailleerd, en gebaseerd op het inrichtingsplan. Wat betreft de opzet van het bestemmingsplan is aangesloten bij de inhoud en systematiek van het Inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard (inclusief reparatieherziening). 5.2 Opzet Het bestemmingsplan voorziet in een aantal inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. Het wijzigingsplan bestaat uit: • een toelichting; • de regels; • een verbeelding. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden weergegeven.

Naast een bestemming worden er ook aanduidingen en dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Deze bestemmingen, aanduidingen en dubbelbestemmingen zijn nader uitgewerkt in de regels. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd hoe de keuze van de bestemmingen tot stand is gekomen en waarom de regels zijn opgenomen. De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: • Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Niet alle begrippen worden verklaard. Slechts die begrippen waarover interpretatiekwesties kunnen ontstaan en die daardoor een eenduidige toepassing van de regels kunnen verhinderen worden toegelicht. Ook is de wijze van meten in dit hoofdstuk bepaald (artikel 2). • Bestemmingsregels. In het tweede hoofdstuk zijn de bestemmingsregels opgenomen. Per bestemming is aangegeven welke functies tot de bestemming worden gerekend en wat de specifieke bouw- en gebruiksregels van de gronden zijn. • Algemene regels. Het derde hoofdstuk bevat bepalingen met een algemeen karakter. Hierin is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen, alsmede de algemene bouw- en gebruiksregels, en algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. • Overgangs- en slotregels.

In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en de slotbepaling opgenomen. Hoewel het hier ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Hieronder worden de regels, voor zover dat nodig is voor een juiste interpretatie van de juridische regeling in het plan, nader toegelicht.

37

5.3 Bestemmingen De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. Het voorliggende bestemmingsplan bevat 2 bestemmingen. Deze bestemmingen worden hierna besproken. Agrarisch-Tuinbouw Het gehele plangebied heeft de bestemming “Agrarisch-Tuinbouw” met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - huisvesting tijdelijke arbeidskrachten”. Binnen deze bestemming is een voorziening toegestaan ten behoeve van de huisvesting van internationale werknemers. In de gebruiksregels is aangegeven dat deze werknemers werkzaamheden dienen te zijn bij het glastuinbouw ter plaatse of bij bedrijven die gelieerd zijn aan het bedrijf ter plaatse. De bebouwing voor de huisvesting is toegestaan binnen het aangegeven bouwvlak. Binnen dit bouwvlak zijn maximaal 3 gebouwen toegestaan, waarin in totaal maximaal 48 personen gehuisvest mogen worden. In de bouwregels zijn de regels opgenomen ten aanzien van de situering en maatvoering van de gebouwen. Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan binnen de daarvoor op de verbeelding opgenomen aanduiding. In verband met open straatbeeld vanaf de Egter van Wissekerkeweg zijn bijbehorende bouwwerken toestaan achter de achtergevel van een appartemtengebouw en op gronden die liggen tussen het verlengde van de zijgevels van een appartementengebouw.

Situering van bijbehorende bouwwerken tussen de appartementengebouwen is stedenbouwkundig niet wenselijk omdat hierdoor het straatbeeld dicht kan slippen met hoofd- en bijgebouwen. In verband met milieuzonering is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die inhoudt dat de kassen die binnen afstand van 10 meter van de huisvestingsvoorziening staat, moet worden gesloopt. Ook is bepaald dat de bebouwing waarin zich nu een stookinstallatie aanwezig is, niet meer bedrijfsmatig mag worden gebruik. Dit gebouw mag alleen als bijgebouw bij de bedrijfswoning op Egert van Wisserkerkeweg 14 worden gebruikt. Verder is in de regels van de bestemming “Agrarisch-Tuinbouw” een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk kan maken dat de gebouwen in gebruiken genomen kunnen worden voor reguliere bewoning. Om deze bevoegdheid toe te kunnen passen, dient aangetoond te worden dat geen behoefte meer bestaat voor de huisvesting van internationale werknemers. Tevens moet bij een functieverandering van de bebouwing naar wonen rekening worden gehouden met de omliggende waarden en functies. Waarde-Archeologie De bestaande archeologische (dubbel)bestemming “Waarde-Archeologie 3” is overgenomen uit het inpassingsplan 'Tuinbouw Bommelerwaard'. Hierin worden geen wijzigingen aangebracht.

38

HOOFDSTUK 6: UITVOERBAARHEID 6.1 Economisch De gemeente is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om kostenverhaal toe te passen bij: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Het kostenverhaal is anderszins geregeld als de gemeente Zaltbommel met ontwikkelaar een anterieure overeenkomst heeft gesloten. De gemeente Zaltbommel en de initiatiefnemer hebben in het kader van dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot de financiële afhandeling van het plan.

In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt aangaande de realisatie van de plannen en het verhalen van ambtelijke kosten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet meer nodig; het kostenverhaal is namelijk anderszins verzekerd. 6.2 Maatschappelijk Draagvlak In december 2020 hebben de initiatiefnemers de omwonenden van de projectlocatie Egert Wissekerkeweg geïnformeerd over de plannen voor de bouw van de voorzieningen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De omwonenden hebben daarbij de draagvlakformulieren ingevuld. Deze formulieren zijn aan de gemeente toegestuurd. Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. Van het gevoerde vooroverleg is een verslag opgesteld dat als bijlagen bij dit bestemmingsplan zijn is opgenomen (bijlage invullen). Zienswijzen (later in de procedure invoegen) Met de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) begon de formele vaststellingsprocedure. Gedurende de periode van de tervisielegging (X) kon iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen op het plan of onderdelen daarvan inbrengen. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien.

Beroep (later in de procedure invoegen) Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12491825/1