CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan Techniekcampus Zaandam

Raadsvergadering 16 september 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bestemmingsplan Techniekcampus Zaandam18.283 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De bedrijfsactiviteiten staan een goed verblijfsklimaat ter plaatse van de techniekcampus niet in de weg en de bedrijven worden niet beperkt in de bedrijfsactiviteiten. Voor het bedrijf Dorjee is specifiek akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.8). Uit dit onderzoek volgt dat sprake is van een acceptabel verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied en dat bedrijven niet in de belangen worden geschaad.

4.14 Luchthavenindelingsbesluit Het Luchthavenindelingbesluit (LIB) bevat beperkingen aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. Het besluit dient als toetsingskader in samenhang met de Provinciale Ruimtelijke Verordening in Noord-Holland. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen. In het Luchthavenindelingbesluit zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Binnen het beperkingengebied worden weer verschillende deelgebieden (zones) onderscheiden met specifieke regels. Betek enis voor het project Het plangebied ligt binnen het hoogtebeperkingengebied van Schiphol. Bouwplannen die hoger zijn dan 146 meter zijn in dit beperkingengebied niet toegestaan. Aangezien het

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

26

2021/14772

beoogde onderwijsgebouw onder deze bouwhoogte valt, wordt aan deze maximale bouwhoogte voldaan en is hoogtebeperkingengebied niet relevant voor deze ontwikkeling.

4.15 Elektromagnetische straling Met betrekking tot de lange termijn effecten van hoogspanningsverbindingen op de gezondheid is op rijksniveau beleid ontwikkeld. Dit beleid is gebaseerd op het Europese voorzorgbeginsel. Bij brief van de toenmalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) van 3 oktober 2005, is een advies aan gemeenten en provincies gezonden met betrekking tot de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen in de nabijheid van gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's. Het advies houdt in dat moet worden voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). In de brief wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de specifieke zone. Bij hoogspanningsleidingen ligt de 0,4 µT-contour op 119 meter vanaf het hart van het hoogspanningsnetwerk. Betek enis voor het project Elektromagnetische velden rond de hoogspanningslijnen Het plan betreft realisatie van een school. De planlocatie ligt niet binnen de 0,4 tesla contour van een hoogspanningslijn. De elektromagnetische straling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Elektromagnetische straling van telecom antenne-installaties In de buurt van de projectlocatie zijn geen telecom-antennes aanwezig. Blootstelling aan elektromagnetische straling van telecom antennes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.16 Lichthinder Het voorkomen van lichthinder bij omwonenden draagt bij aan een goede leefomgeving. Betek enis voor het project Woningen zijn op meer dan 100 meter van het plangebied aanwezig. Er zal bij de school geen sprake zijn van toepassing van licht dat ver buiten het plangebied uitstraalt. Het aspect lichthinder vormt geen belemmering voor de realisatie van de technische school.

4.17 M ilieueffectrapportage (M ER) In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Betek enis voor het project De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarnaast volgt uit het natuuronderzoek, zoals beschreven in paragraaf 4.12, dat de ontwikkeling naar verwachting geen invloed heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een 'stedelijk ontwikkelingsproject', is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

27

2021/14772

milieueffectrapport (Mer). In het kader van het bestemmingsplan voor de woningbouwontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld (zie bijlage Aanmeldnotitie m.e.r.). Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet leidt tot relevante milieueffecten. Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordelinq is niet noodzakelijk.

4.18 T rillingshinder Voor de beoordeling van trillingen is in Nederland geen wetgeving van toepassing. Wel heeft de SBR (Stichting Bouwresearch) richtlijnen uitgebracht op het gebied van trillingen (meet- en beoordelingsrichtlijnen). Dit zijn landelijk geaccepteerde richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingen in gebouwen. De SBR richtlijn – deel A "schade aan gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft grenswaarden met betrekking tot schade. De SBR richtlijn – deel B "Hinder voor personen in gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft streefwaarden met betrekking tot hinder. De SBR richtlijn – deel C "Storing aan apparatuur" geeft een procedure voor het meten van trillingen aan opgestelde apparatuur en geeft streefwaarden met betrekking tot het voorkomen van storingen aan deze apparatuur. Betek enis voor het project In verband met de naastgelegen spoorlijn is het gebouw door middel van een trillingsonderzoek (zie bijlage Onderzoek trillingsmetingen) getoetst aan de streefwaarden van de SBR richtlijn deel B. Op basis van de meetresultaten is geconstateerd dat de gemeten trillingen tussen 8 jan en 15 januari 2021 de streefwaarden uit de SBR-B richtlijn slechts op één dagdeel van de meetperiode overschrijden.

Direct na plaatsing zijn daar afwijkende resulaten gemeten welke veroorzaakt zijn door lopen in het pand en als gevolg van de installatie inclusief instructie aan gebruikers van het pand. Nadere analyse heeft uitgewezen dat deze trillingen niet veroorzaakt zijn door weg- of treinverkeer. De pieken in de meetwaarden zijn namelijk niet zichtbaar op de begane grond maar alleen op de verdieping. Tevens sluiten de pieken niet aan op de intensiteit van het treinverkeer. De massa van de nieuwbouw is ongeveer 3x zo hoog dan de massa van het bestaande gebouw. Tevens komt er een zeer stijve fundering onder het gebouw. Dit heeft een zeer gunstige invloed op de trillingen. Uit bovenstaand kan geconcludeerd worden dat de streefwaarde voor trillingen voor onderwijs en kantoorgebouwen voor de nieuwbouw van de Zaancampus aan de Aris van Broekweg 3 niet zal worden overschreden. Het aspect trillingshinder staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.19 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is de Grondexploitatiewet opgenomen. In deze wet is het verplichte kostenverhaal van plankosten door de gemeente geregeld. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Kostenverhaal is aan de orde en dient te worden verzekerd indien op grond van een bestemmingsplan rechtstreeks nieuwe bouwplannen (als genoemd in artikel 6.2.1 Bro) mogelijk worden gemaakt (artikel 6.2.3 t/m 6.2.5 Bro). Voor een wijzigingsbevoegdheid wordt kostenverhaal pas verplicht bij het vaststellen van het wijzigingsplan. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Bijvoorbeeld doordat met alle grondeigenaren hiertoe een overeenkomst is gesloten of als de gemeente volledig zelf het grondeigendom heeft. Beoordeling Voor het ontwikkelingsgebied is met het Centrum voor Technische Bedrijfsopleidingen B.V. een anterieure overeenkomst (koop- en ontwikkelovereenkomst) gesloten. CTBO B.V. neemt de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling, financiering en het beheer van het plangebied. Het kostenverhaal is daardoor, voor zover noodzakelijk, anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Het bestemmingsplan maakt een kwalitatieve herontwikkeling van het gebied mogelijk. De nieuwe bebouwing komt in plaats van een reeds gesloopt pand.

De voorgaande bestemming vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

28

2021/14772

was Bedrijventerrein. Derhalve wordt het risico op planschade niet aannemelijk geacht.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

29

2021/14772

Hoofdstuk 5 5.1

Participatie

Overleg met overheden en diensten

Ten behoeve van het vaststellen van het omgevingsplan doorloopt de gemeente Zaanstad niet alleen het reguliere bestemmingsplan-traject, waarin overheden en belangenorganisaties geraadpleegd worden conform artikel 3.1.1 Bro en belanghebbenden de gelegenheid krijgen om zienswijzen in te dienen. De gemeente Zaanstad hecht waarde aan deze bredere consultatie, ook vanuit het gedachtegoed van de Omgevingswet en de wijze waarop plannen vanuit deze wetgeving vormgegeven zullen moeten worden. Voor de participatie wordt daarom een bredere consultatie opgezet, waarin verschillende partijen en belanghebbenden op en rondom het terrein worden gevraagd input te leveren ten behoeve van het plan. In de onderstaande paragrafen worden de verschillende vormen van participatie toegelicht. Tevens worden de verschillende groepen aangehaald met wie contact geweest is in deze periode. 5.1.1

Wettelijke overlegpartners

Ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan verschillende instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn. Het bestemmingsplan is op 31 augustus 2020 toegestuurd aan de volgende instanties met het verzoek om voor 28 september 2020 een reactie te geven: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) Zaanstreek-Waterland Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Veiligheidsregio Zaanstreek – Waterland PWN Waterleidingleidingbedrijf Noord-Holland KPN Tennet Gasunie Alliander ProRail Kontakt Milieubeheer Zaanstad Provincie Noord-Holland Van het HHNK, de GGD, ProRail en de provincie Noord-Holland is een inhoudelijke reactie ontvangen die hieronder is samengevat en van beantwoording is voorzien. Door de Veiligheidsregio Zaanstreek – Waterland is aangegeven dat er geen noodzaak is om advies uit te brengen. Tennet heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan. Van de overige overlegpartners is geen reactie ontvangen. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) De planlocatie ligt helemaal bovenstrooms in de Zaandammerpolder. De bestaande waterloop aan de zuidzijde van het plangebied heeft een waterpeil van circa NAP-1,25 meter.

Op de kop van de waterloop aan de zuidzijde van het plangebied is een belangrijke waterinlaat aanwezig. Het exacte tracé van de inlaat is niet precies bekend bij het hoogheemraadschap. Deze inlaat vanuit polder Westzaan zorgt voor de wateraanvoer en doorstroming naar de Zaandammerpolder en dient door de ontwikkeling niet verstoord te worden. Bij de verdere uitwerking van het plan dient het leiding tracé in beeld te worden gebracht om te voorkomen dat deze beschadigd raakt (door bijvoorbeeld een heipaal). In de nieuwe situatie zal er een afname van verharding plaatsvinden t.o.v. de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat er geen compenserende waterberging noodzakelijk is. Door de stedelijke omgeving is het vanuit klimaatadaptatie positief dat er binnen het

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

30

2021/14772

plangebied meer openbaar groen wordt gerealiseerd. Door de aanleg van de groenstrook langs de Houtveldweg ontstaan er echter wel mogelijkheden om de maaiveldinrichting klimaatadaptief te ontwerpen en de groenstrook in extreme neerslagsituaties bijvoorbeeld als waterberging te kunnen laten functioneren voor afstromende verharding. De riolering dient gescheiden afgevoerd te worden. Waarbij het afstromende regenwater (vertraagd) afgevoerd kan worden op de waterloop aan de zuidzijde van het plangebied. Het DWA dient aangesloten te worden op het gemeentelijke rioolsysteem. In de digitale watertoets werd aangegeven dat de projectlocatie het waterkering belang raakt. Bij het nader inzoomen hierop kan echter worden gesteld dat de planlocatie in de beschermingszone B van de nabij gelegen waterkering is gelegen. Voor deze zone B gelden geen beperkingen op de voorgenomen bouwontwikkeling op deze locatie. Reactie gemeente De initiatiefnemer zal op de hoogte worden gesteld van de aanwezige inlaat en de noodzaak om hier in het planuitwerking rekening mee te houden. Tevens wordt de initiatiefnemer op de hoogte gesteld van de wens voor een klimaatadaptieve inrichting van het openbaar groen. Hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en zal direct naar de sloot achter het pand afgevoerd worden.

Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) Zaanstreek-Waterland De GGD adviseert om de nota's uit het sociale domein (gezondheidsbeleid, jeugdbeleid, wmo) op te nemen bij de beschrijving van het gemeentelijk beleid. Daarnaast adviseert de GGD in de milieu- en omgevingsaspecten ook gezondheid te laten meewegen. Reactie gemeente De gemeente is bezig met de ontwikkeling van de Omgevingsvisie Zaanstad. Gezondheid en kansengelijkheid vormen naast de thema's veiligheid, verstedelijking, economie en duurzaamheid de strategische opgaven waarvoor de kaders bepaald gaan worden. Wanneer de Omgevingsvisie is vastgesteld zullen de thema's nader uitgewerkt en ingekleurd worden in sectoraal beleid. In de toelichting is het op dit moment meest actuele ruimtelijk, economisch, milieutechnisch en sociale beleidskader beschreven. De gemeente hecht veel waarde aan de gezondheid van haar bewoners. Bij de planontwikkeling wordt hiermee zoveel als mogelijk rekening gehouden. Onderwerpen zoals verkeer, luchtkwaliteit, geluid, geurhinder, bodem en duurzaamheid worden dan ook in dit bestemmingsplan behandeld. Voor zover daarvoor maatregelen nodig zijn, voldoen deze aan de wettelijke eisen. Wel merken wij op dat het advies van de GGD verder gaat dan de gemeente wettelijk als maatregel kan opleggen. Conclusie is desalniettemin dat deze planontwikkeling ook uit gezondheidsoogpunt verantwoord is.

ProRail ProRail vraagt aandacht voor trillingshinder voor de toekomstige gebruikers van de school als gevolg van treinverkeer. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder dient het aspect trillingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten wel te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. ProRail verzoekt om het aspect trillingsonderzoek te onderzoeken en af te wegen en verwijst hierbij naar de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Reactie gemeente De initiatiefnemer heeft een trillingsonderzoek laten uitvoeren. De resultaten zijn opgenomen in paragraaf 4.18. Provincie Noord-Holland

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

31

2021/14772

De provincie geeft aan dat de locatie is gelegen binnen een milieucontour van provinciaal belang. Tegen de beoogde functieverandering van de locatie heeft de provincie in beginsel geen bezwaren zolang het passend is binnen deze milieucontour. Wij adviseren om in de toelichting te onderbouwen dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de milieucontour van provinciaal belang. Reactie gemeente Er is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van het geluidgezoneerd industrieterrein Westpoort. In paragraaf 4.8 zijn de resultaten beschreven. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel verblijfsklimaat en dat bedrijven niet in de belangen worden geschaad. 5.1.2

Belanghebbenden

Belanghebbenden zijn op verschillende manieren betrokken bij de voorbereiding van de ontwikkeling van de techniekcampus aan de Aris van Broekweg. Vertegenwoordigers vanuit bedrijven, onderwijs en overheid hebben hierover met elkaar gesproken in vijf rondetafelbijeenkomsten op 25 september 2018, 11 december 2018, 25 maart 2019, 9 juli 2019 en 31 januari 2020. In juli 2019 is het “Plan van aanpak Zaancampus: samen sterk voor techniek” door de partijen bekrachtigd, inclusief het voorstel voor de beoogde nieuwe locatie voor de Techniekcampus. Eind januari 2020 is de voortgang met ongeveer 80 stakeholders gedeeld en bevestigd. Bedrijven onderschrijven de visie op de nieuwe locatie van de Techniekcampus. Begin 2019 is de werkgroep 'fysieke campus' opgericht met vertegenwoordigers van bedrijven, onderwijs en overheid om een oplossing uit te werken voor het herhuisvestingvraagstuk van Tetrix Techniek en FPTC in relatie tot de ambities van de Techniekcampus Zaandam. De werkgroep heeft de onderliggende analyse en voorstellen uitgewerkt. Op 30 oktober 2019 zijn de omwonenden bijgepraat op de ledenvergadering van de buurtvereniging Westzanerdijk. De visie voor het gebied is in algemene zin positief ontvangen. Op 22 september 2020 zijn bewoners van woningen in de directe omgeving van het plangebied via videobellen geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling.

Tijdens dit overleg is het toekomstige gebruik en het ontwerp van het gebouw gepresenteerd. Het ontwerp van het gebouw is door de bewoners positief ontvangen. Wel zijn er zorgen geuit over parkeren. Door de gemeente is aangegeven dat ruimschoots wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Tevens is aandacht gevraagd voor de verkeersveiligheid op het kruispunt Houtveldweg – Aris van Broekweg, de voorzieningen in de wijk en de gebiedsontwikkeling in de omgeving van het plangebied. De vragen zijn van reactie voorzien maar staan los van de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

5.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 8 april 2021 gedurende zes weken (dus tot en met 19 mei 2021) voor een ieder op het gemeentehuis ter inzage gelegen en was tevens digitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl en de website van de gemeente Zaanstad. De samenvatting en beantwoording van de zienswijze is opgenomen in de 'Nota van beantwoording zienswijze' (zie Bijlage Nota beantwoording zienswijze). Tevens is in deze nota aangegeven welke wijzigingen in het bestemmingsplan zijn doorgevoerd naar aanleiding van de ontvangen zienswijze.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

32

2021/14772

Hoofdstuk 6 6.1

T oelichting op bestemmingsplan

Algemeen

Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit een toelichting, regels en verbeelding. De regels en verbeelding zijn de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan en de toelichting vormt de uitleg en onderbouwing van de in de verbeelding en regels vastgelegde mogelijkheden, verplichtingen en verboden. Het digitale bestemmingsplan 'Techniekcampus Zaandam' is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten, vervat in een GML-bestand (NL.IMRO.0479.STED3889BP-0301) met bijbehorende regels. Het is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar via de website www.ruimtelijkeplannen.nl. De digitale versie van het bestemmingsplan gaat boven de analoge versie. De analoge verbeelding omvat één kaartblad. Onderhavig bestemmingsplan gaat uit van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Ook is de Standaard 2018 van Zaanstad gebruikt die gebaseerd is op eerder genoemde SVBP. Verbeelding De verbeelding geeft de bestemming van de gronden aan. Deze bestemmingen corresponderen met de artikelen in de regels, zoals hieronder beschreven. Op de verbeelding staan de symbolen en maatvoeringen waarbij in de planregels is opgenomen wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn. Regels De regels zijn gegroepeerd in vier hoofdstukken: 1.

Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die van belang zijn voor een juiste interpretatie van begrippen en bepalingen die in de overige regels zijn opgenomen; 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk is in de regels per bestemming opgenomen welk gebruik is toegestaan en welke bouwmogelijkheden er zijn; 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de algemene regels opgenomen die gelden voor alle bestemmingen en andere onderdelen van het bestemmingsplan. Het gaat onder ander om algemene gebruiks(on)mogelijkheden en afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden; 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk staat, naast enkele algemene slotbepalingen, opgenomen welk overgangsrecht geldt ten aanzien van het bestaand gebruik en bebouwing. Toelichting In de toelichting is in de voorgaande hoofdstukken een uitleg, onderbouwing en verantwoording gegeven van de keuzes die in dit bestemmingsplan zijn vastgelegd. In de volgende paragraaf worden enkele algemene uitgangspunten weergegeven die bij dit bestemmingsplan zijn gehanteerd. Daarna wordt in paragraaf 6.2 per bestemming samengevat wat er beoogd is met het toekennen van die bestemming. De toelichting behoort niet tot het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan en heeft daarom geen directe rechtskracht.

Wel kan het eventuele onduidelijkheid bij de interpretatie van de regels wegnemen omdat in de toelichting de achtergronden en intentie van de regeling is opgenomen.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

33

2021/14772

6.2

Begrippen en Wijze van meten

Begrippen algemeen In dit bestemmingsplan is terughoudend omgegaan met het opnemen van begripsbepalingen. Enkel wanneer een begrip gebruikt wordt in de regels en wanneer de 'Dikke van Dale' uitleg van dat begrip onvoldoende rechtszekerheid biedt, is een begripsbepaling opgenomen. Als een begrip in dit plan geen begripsbepaling kent, dan wordt dat begrip gebruikt zoals opgenomen in de Dikke van Dale en de beperktere versie daarvan zoals die benaderbaar is op de website www.vandale.nl. Wijze van meten In de Wijze van meten is aangegeven hoe bepaalde maten dienen te worden berekend.

6.3

Bestemmingen

De functieomschrijving van een bestemming kent 3 varianten van gebruik. De hoofdfunctie, het gebruik dat bij het hoofdgebruik moet horen ('daarbij behorend') en het gebruik dat ondergeschikt aan het hoofdgebruik moet zijn ('daaraan ondergeschikt'). Ondergeschik t gebruik in relatie tot de hoofdfunctie Ondergeschikt gebruik hoeft niet te horen bij de hoofdfunctie. Neem bijvoorbeeld nutsvoorzieningen. Deze hebben een groot verzorgingsgebied en zijn vaak niet gekoppeld aan slechts één functie. Nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en andere functies die als ondergeschikt zijn aangemerkt zijn daarom toegestaan binnen meerdere bestemming, ook als er geen directe relatie is met het hoofdgebruik. De ondergeschikte functies mogen echter qua omvang nooit groter zijn dan de hoofdfunctie, er moet sprake blijven van ondergeschiktheid. De ondergeschikte functies die binnen het gehele bestemmingsplan zijn toegestaan, zijn opgenomen in artikel 6.2. In de functieomschrijving van de bestemmingsregel zijn alleen de ondergeschikte of bijbehorende functies opgenomen voor zover die aanvullend zijn op artikel 6.2. Voorrangsregeling gebruiks- en bouwregels De bestemmingsregels kennen een opbouw van hoofdregel naar specifieke regels. Zo beginnen de bouwregels met de hoofdregels voor het bouwen van gebouwen/hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde.

Daarna worden regels gesteld ten aanzien van specifieke bouwwerken, zoals bijvoorbeeld erfafscheidingen. De gebruiksregels kennen een vergelijkbare opbouw. In de aanhef van de specifieke regel is bepaald of de regels 'in aanvulling op' of 'in afwijking van' werken op de rest van het artikel. Deze voorrangsregeling in de aanhef van de specifieke regels heeft alleen betrekking op de relatie tot de andere regels in het artikel (de bestemming), niet in relatie tot de algemene regels in artikelen Algemene bouwregels en Algemene gebruiksregels. De algemene regels gelden altijd, tenzij ze nadrukkelijk zijn uitgesloten.

6.4

Gemengd

Bestemming Gemengd (artikel 3) Functieomschrijving (lid 3.1) Hoofdgebruik Omdat er in de toekomstige situatie in het plangebied zowel beroepsvormende praktijk in een proeffabrieksituatie plaatsvindt als onderwijsactiviteiten, is gekozen voor het opnemen van een gemengde bestemming. De bestemming Gemengd biedt ruimte voor een breed scala aan bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Woningbouw / wonen is binnen deze bestemming niet toegestaan. vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

34

2021/14772

Definitie bedrijf Er is voor gekozen om het begrip 'bedrijf' of 'bedrijven' niet nader te definiëren in de begripsbepalingen van het plan. De gangbare definitie wordt aangehouden: een bedrijf is een onderneming. De uitsluitingen van branches en activiteiten zijn opgenomen in de bestemmingsregels en de algemene gebruiksregels. Categorie functiemeningslijst (lid 3.3.2) Bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn alleen toegestaan indien: de activiteit is benoemd in Staat van Bedrijfsactiviteiten - Functiemenging van de regels; de categorie van de activiteit overeenkomt met de functieaanduiding of lager is. De wijze van toedelen van categorieën is verder toegelicht in de Toelichting op de Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Afwijken van de functiemengingslijst of categorie (lid 3.4.1) Soms is een activiteit niet nadrukkelijk benoemd in de functiemengingslijst, maar is deze wel inpasbaar op de betreffende locatie. In dat geval is het belangrijk dat de aard, omvang en invloed op de omgeving van de aangevraagde activiteit overeenkomen met de aard, omvang en invloed op de omgeving van een activiteit die wél is toegestaan op de betreffende locatie. Die afweging zal voornamelijk plaatsvinden op basis van de specifieke bedrijfsinrichting die initiatiefnemer voor ogen heeft.

6.5

Anti-dubbeltelregel

Algemene regel - Anti-dubbeltelregel (artikel 4) In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat bestemmingsplannen een anti-dubbeltelregel moeten bevatten. In Artikel 4 is deze bepaling opgenomen. Doel van deze regel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog een keer meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis kan worden gesteld.

6.6

Algemene bouwregels

Algemene bouwregel - Parkeren (lid 5.1) Het systeem dat hierbij gehanteerd wordt is dat van de dynamische verwijzing. In de regels wordt verwezen naar de inhoudelijke parkeernormen zoals die geformuleerd zijn in de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016 en de hierbij geldende aanvullende beleidsregels of zoals deze nadien worden gewijzigd. Dat betekent dat indien de Parkeernota na de vaststelling van het bestemmingsplan wordt gewijzigd, de daarin opgenomen nieuwe normen moeten worden toegepast. De tekst van de dynamische bepaling is afgestemd op de voorbeeldtekst van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 9 september 2015). Algemene bouwregel - Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen of waterhuishoudkundige voorzieningen (lid 5.3) Nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn op grond van de algemene gebruiksregels binnen vrijwel alle bestemmingen toegestaan, mits de voorziening ondergeschikt is aan het hoofdgebruik. Om die reden is het ook wenselijk om gebouwen ten behoeve van die voorzieningen toe te staan. Denk hierbij aan een trafohuisje of een gemaal. Vergunningsvrij zijn deze gebouwen reeds toegestaan tot een bouwhoogte van 3 meter, maar het komt ook voor dat trafohuisjes tussen de 3 en 4 meter hoog zijn. In die gevallen is het onwenselijk om voor elk trafohuisje dat hoger is dan 3 meter, maar kleiner is dan 4 meter, af te

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

35

2021/14772

wijken van het bestemmingsplan. Volledigheidshalve benoemen wij dat er nog andere regels gelden voor het plaatsen van gebouwen voor nutsvoorzieningen. Zo moet er voor het plaatsen van een trafohuisje ook een vergunning worden aangevraagd op grond van de Algemene verordening infrastructuur Zaanstad (AVOI).

6.7

Algemene gebruiksregels

Algemene gebruiksregels - uitgesloten gebruik (lid 6.1) Een aantal gebruiksvormen zijn binnen het hele bestemmingsplan uitgesloten. Aspecten zoals een toename van de parkeerdruk, verandering van de sociale dynamiek of een te grote belasting van het openbaar gebied spelen hierbij een rol. Enkele vormen van een bedrijf zijn uitgesloten, zogeheten 'Bevi-inrichtingen' en 'geluidzoneringsplichtige inrichtingen'. Dit zijn inrichtingen waarvoor op basis van de milieuregelgeving zwaardere eisen gelden ten opzichte van de omliggende functies. Voor deze inrichtingen moet per gebied worden afgewogen of het ruimtelijk gezien wenselijk is de inrichtingen toe te staan. Indien dit het geval is, dan kan van de algemene uitsluiting worden afgeweken door een specifiek gebied aan te wijzen waarbinnen deze wél zijn toegestaan. Algemene gebruiksregels - toegestaan ondergeschikt gebruik (lid 6.2) Een aantal functies zijn wenselijk binnen vrijwel alle bestemmingen, mits dit gebruik ondergeschikt blijft aan het hoofdgebruik. Denk aan nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, etc. Het hoofdgebruik is geregeld in de bestemmingen. De ondergeschiktheid van gebruik is in grote mate afhankelijk van de schaal en omvang van het hoofdgebruik. Dit is niet te begrenzen met een maximaal oppervlakte, maar moet gerelateerd worden aan de omvang van het hoofdgebruik.

Daarbij mag een ondergeschikt gebruik nooit een omvang krijgen die het hoofdgebruik onmogelijk maakt.

6.8

Algemene aanduidingsregels

Gezoneerd industrieterrein Wet geluidhinder (lid 7.1) Sommige inrichtingen kunnen dermate veel geluid produceren, dat de wetgever heeft bepaald dat rond deze inrichtingen een geluidzone opgenomen moet worden ter bescherming van het bedrijf en het omliggende gebied. Die zone moet ervoor zorgen dat er geen geluidgevoelige objecten dichter bij de inrichting ontwikkeld worden. Dit artikel bestaat uit 2 aanduidingen. De eerste aanduiding bepaalt de locatie(s) waar geluidzoneringsplichtige inrichtingen gevestigd mogen worden. Daarbuiten geldt het algemene verbod. De tweede aanduiding regelt de geluidruimte voor die inrichtingen, de geluidzone waarbinnen geen nieuwe geluidgevoelige objecten ontwikkeld mogen worden. Op die laatste regel kan worden afgeweken, wanneer blijkt dat de geluidbelasting (als gevolg van de inrichting) op de gevels van het geluidgevoelig object niet te hoog zijn (de voorkeurgrenswaarde in de Wet geluidhinder), of wanneer het bevoegd gezag een hogere grenswaarde voor het object heeft vastgesteld. Luchtvaartverkeerzone (lid 7.2) Doel van deze regel is te voorkomen dat de maximale bouwhoogte voor gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals opgenomen in het Luchthavenindelingsbesluit wordt overschreden ter bescherming van de belangen van de luchtvaart.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

36

2021/14772

6.9

Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingen (lid 8.1) De algemene afwijkingsregels bevatten een aantal mogelijkheden om het doelmatig grondgebruik te bevorderen. Enerzijds is het mogelijk om van de bestemmingsgrenzen af te wijken als dat in de feitelijke situatie logischer is. Dit kan toegepast worden wanneer bijvoorbeeld blijkt dat de bestemmingsgrens op de verbeelding niet overeenkomt met de werkelijke situatie, terwijl er geen aanleiding is aan te nemen dat dit opzettelijk is gebeurd. Daarnaast is het mogelijk om met 10% af te wijken van de maten in het plan. Deze afwijking is niet beoogd om meteen in het tekenen van het bouwplan bij de maximum maten te betrekken. Deze regeling is een vangnet voor afwijkingen van de bouwmaten die tijdens de realisatie kunnen ontstaan. Tenslotte biedt het artikel ook de mogelijkheid om gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toe te staan die groter zijn dan de regels voor het vergunningsvrije bouwen. Soms worden trafohuisjes gecombineerd, waardoor een bestaand huisje vervalt en een ander bestaand huisje wordt uitgebreid. Omdat het veelal gebouwen in de openbare ruimte betreft ligt het niet voor de hand deze gebouwen rechtstreeks toe te staan. Via deze afwijkingsmogelijkheid heeft het bevoegd de mogelijkheid om grotere gebouwen voor een nutsvoorziening toe te staan, maar kan het bevoegd gezag tevens de ruimtelijke wenselijkheid afwegen.

Algemene wijzigingen (artikel 9) In dit de algemene wijzigingsregels is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor kleine overschrijdingen van de bestemmingsgrenzen.

6.10 Overgangs- en slotregels Overgangsregels (artikel 10) De overgangsregels hebben ten doel een rechtstoestand te creëren voor situaties die afwijken van de in het plan opgenomen bepalingen. In principe mogen deze situaties worden gehandhaafd. Indien het gaat om afwijkingen van de bebouwingsregels mag het bouwwerk zelfs worden verbouwd. Alleen als ze door een calamiteit verloren gaan, mogen ze geheel worden herbouwd. Slotregel (artikel 11) De slotregel bepaalt hoe de regels van dit bestemmingsplan genoemd moet worden.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

37

2021/14772

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

38

2021/14772

Bijlagen

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

39

2021/14772

Bijlage 1 Beleidskaders Hoofdstuk 1 1.1

Algemene nationale beleidskaders

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’). Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Daarnaast zijn er voor verschillende regio’s en gebieden gerichte opgaven geformuleerd. In dit geval zijn dat gebiedsgerichte opgaven voor Noord-Holland. Buiten deze 13 belangen en gebiedsgerichte opgaven hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk stelt met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regels die doorwerken naar andere overheidslagen.Om de samenhang tussen de verschillende nationale opgaven inzichtelijk te maken, worden in de SVIR de rijksopgaven gebiedsgericht beschreven. Zaanstad behoort tot de regio Noordwest-Nederland. Dit gebied beslaat de provincies Noord-Holland en Flevoland en het IJsselmeergebied. Binnen dit gebied is de Metropoolregio Amsterdam de grootste stedelijke regio. Het gebied van en rond de Metropoolregio Amsterdam kent een grote ruimtedruk. De regio krijgt de komende jaren te maken met een forse woningbouwopgave.

Niet enkel de opgave om extra woningen bij te bouwen speelt, maar tegelijkertijd is er de opgave om woningen die niet meer voorzien in de behoefte te vervangen. De Metropoolregio Amsterdam heeft internationaal een sterke economische positie. De stedelijke regio van mainport Schiphol staat bekend als één van de regio’s met de sterkste concentratie van topsectoren. Van belang is dat internationaal opererende bedrijven niet alleen in Nederland blijven, maar dat er zich ook meer bedrijven, ondernemers en internationale kenniswerkers blijvend vestigen. Om een aantrekkelijk vestigingsklimaat in stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren te behouden is het nodig om te beschikken over een voldoende voorraad (kwalitatief en kwantitatief) woningen, bedrijventerreinen, kantoren en andere voorzieningen. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling past binnen de hoofddoelstellingen zoals opgenomen in de Structuurvisie. Met de ontwikkeling wordt de ruimtelijke-economische structuur op lokaal niveau versterkt. Hierbij wordt een leefbare en veilige omgeving gewaarborgd met behoud van natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De verantwoordelijkheid voor deze opgave bevindt zich echter primair op lokaal niveau.

Dit beleid, en het andere rijksbeleid met betrekking tot de ruimtelijke ordening, heeft zijn doorwerking in het, meer specifieke, provinciale en gemeentelijke beleid gekregen, bijvoorbeeld in de nieuwe Omgevingsvisie NH2050 en de gemeentelijke structuurvisie. Dit provinciale en gemeentelijke beleid wordt in de volgende paragrafen besproken.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

40

2021/14772

1.2

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte bevat en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, een motivering is opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Beoordeling Met de onderhavige ontwikkeling vindt een herontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Zoals in hoofdstuk 2 van de toelichting is aangegeven is er een duidelijke behoefte aan een techniekcampus. Er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik, passend binnen de voorwaarden van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De juridische borging van de nationale belangen vindt plaats in het Barro. In het Barro zijn onder andere de regelingen met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), Rijksbufferzones, Nationale Landschappen, de Waddenzee en militaire terreinen opgenomen. Een aantal regelingen is ‘getrapt’ vastgelegd. Provincies en gemeenten zijn verplicht het beleid nader uit te werken, wanneer de regeling getrapt is. Wanneer een van deze regelingen geldt voor het plangebied, moeten deze in het bestemmingsplan verplicht worden uitgewerkt. Beoordeling Het Barro bevat geen verplichtingen specifiek voor dit plangebied. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de voorschriften uit het Barro.

Hoofdstuk 2 2.1

Algemene regionale beleidskaders

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050

Op 19 november 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De provincie wil dat de kwalitatieve en kwantitatieve vraag en aanbod van werken woonlocaties met elkaar in overeenstemming zijn en streeft naar behoud en versterking van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de provinciale Omgevingsvisie waarbij wordt ingezet op een herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. De provincie Noord-Holland stimuleert campussamenwerkingen in de hele provincie, vanuit het belang van de arbeidsmarkt.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

41

2021/14772

2.2

Omgevingsverordening NH2020

Het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is, voor zover het een bindende werking moet hebben, opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020. Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De Omgevingsverordening NH2020 is gebaseerd op de huidige wet- en regelgeving. Met deze omgevingsverordening loopt de provincie bewust vooruit op de Omgevingswet. Door 21 verordeningen samen te voegen wordt alvast gewerkt in de geest van de Omgevingswet. Beoordeling Het plangebied behoort gelet op de bestemming, het huidige gebruik en de locatie tot het bestaand stedelijk gebied. De herontwikkeling van de locatie is niet in strijd met de regels van de Omgevingsverordening.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders Stedenbouwkundige / Landschappelijke waarden 3.1

Structuurvisie Zichtbaar Zaans

Op 7 juni 2012 heeft de gemeenteraad de Ruimtelijke structuurvisie 'Zichtbaar Zaans' vastgesteld. De structuurvisie geeft een overzicht van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020. Belangrijk element hierin is de verbinding met Amsterdam en de positie in de Metropoolregio. Dit heeft veel consequenties voor Zaanstad op het gebied van de aansluiting op het openbaar vervoer, de verstedelijkingsopgave en de ontwikkeling van de economie. Ook in Zaanstad zelf zijn veel ontwikkelingen gaande op het gebied van onder andere knooppunten van openbaar vervoer, herstructurering van bedrijventerreinen, industrieel erfgoed en de woningbouwopgave. Het behoud van de kernkwaliteiten van het landschap is een belangrijk onderdeel van de structuurvisie, evenals de wens om de milieubelasting in het gebied terug te brengen. Zaanstad heeft geen uitbreidingsmogelijkheden meer in het landelijk gebied (vanwege beschermde natuurgebieden). Ook in het regionaal ruimtelijk beleid is uitbreiding in de vorm van uitleg niet aan de orde. Voortaan kan alleen nog maar binnen bestaande stedelijke contouren gebouwd worden.

De gemeentelijke strategie is tweeledig: In een aantal gebieden streeft de gemeente naar intensiveren door slim en meervoudig ruimtegebruik op basis van de bestaande functies en structuren; In andere gebieden wil de gemeente juist ingrijpende veranderingen tot stand brengen via transformatie. Beoordeling In de structuurvisie zijn de gebiedsprofielen voor heel Zaanstad weergegeven. Voor het plangebied betreft het beoogde karakter, het profiel 'Werkgebied - Gemengd werkgebied'. Dit profiel gaat uit van arbeidsintensieve werkgelegenheid; dienstverlening en kantoren zijn beperkt toegestaan. Binnen dit profiel is, afhankelijk van de geschiktheid van de locatie, ook woningbouw mogelijk.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

42

2021/14772

Afbeelding 3.1: Uitsnede kaart gebiedsprofielen

3.2

M AAK.Zaanstad

Op 30 juni 2016 is MAAK Zaanstad door de gemeenteraad vastgesteld. Binnen MAAK.Zaanstad is de gemeente Zaanstad met inwoners, ondernemers en organisaties in gesprek gegaan over de toekomst van Zaanstad. MAAK.Zaanstad is een toekomstbeeld en agenda en is eigendom van de stad. Het heeft tot doel met een investerings- en uitvoeringsagenda te komen die ervoor zorgt dat Zaanstad ook op de lange termijn een sociaal duurzame stad is, waar mensen zich thuis voelen en met plezier wonen en werken. MAAK.Zaanstad is een uitwerking van bestaande visies, zoals Zaans Evenwicht en de Economische en Ruimtelijke Structuurvisie. Deze visies zijn verrijkt met het gesprek met de stad en majeure ontwikkelingen, waaruit opgaven, richting en ambitie zijn gedestilleerd. De agenda van MAAK.Zaanstad loopt tot 2040, maar kijkt ook op korte termijn: wat moet er nu al gebeuren? Met MAAK.Zaanstad heeft de gemeenteraad een aantal maatregelen vastgesteld. Onder meer heeft de gemeenteraad bepaald dat (enkel de maatregelen relevant voor het onderhavig plan zijn opgenomen): Er binnen de stedelijke contouren wordt gebouwd. Bij gebiedsontwikkeling ruimte dient te worden gegeven aan (maatschappelijke) voorzieningen. Extra inzet op kwaliteit openbare ruimte nodig is om de stad schoon, heel, veilig én mooi te maken. Openbare ruimte tegelijkertijd bijdraagt aan de versterking van het toerisme.

Duidelijke en aantrekkelijke routes door de stad het toeristisch potentieel aan elkaar verbindt. Het toerisme zorgt voor werkgelegenheid en één van de dragers is voor een goed aanbod van horeca en winkels. Het inzetten op een “compacte” stad bijdraagt aan draagvlak voor voorzieningen en de stad zodoende sterker maakt. Naast het binnenstedelijk verdichten ingezet wordt op het verkorten en antrekkelijker maken van de (langzaam verkeers-) routes tussen de verschillende delen van de stad binnen de rode contouren; De stad een grote diversiteit en meer kwaliteit (duurzaam en met een goede fundering) aan bestaande en nieuwe woningen nodig heeft, waarbij speciale aandacht is voor bijzondere doelgroepen. Beoordeling Het onderhavig plan betreft de herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie naar een techniekcampus op een goed bereikbare locatie. Het plan draagt bij aan een kwalitatieve herontwikkeling van het gebied. Het bestemmingsplan draagt daarmee bij aan de doelstellingen van MAAK Zaanstad.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

43

2021/14772

3.3

Welstand

Eind 2013 is de nieuwe welstandsnota van Zaanstad vastgesteld, als resultaat van een discussie in de gemeenteraad over de te volgen welstandskoers. Het uitgangspunt daarbij was dereguleren en vereenvoudigen, maar met behoud van ruimtelijke kwaliteit in de stad. Het resultaat van de discussie in de raad is het uitgangspunt voor de Welstandsnota Zaanstad 2013: een gedifferentieerde aanpak met minder en eenvoudigere regels waar het kan en nauwkeurige welstandssturing waar het moet. Beoordeling Het plangebied kent het welstandsniveau "Gewogen - bijzonder". Hier is extra inspanning ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Het ontwerp van de techniekcampus is reeds op hoofdlijnen door het supervisieteam van de gemeente goedgekeurd.

Hoofdstuk 4 parkeren 4.1

Beleidskaders Verkeer, vervoer en

Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016

De Beleidsnota Ruimte voor parkeren is uitgewerkt in de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016. Deze uitvoeringsnota beschrijft in detail hoe de gemeente bouwplannen toetst op het parkeren van auto's en fietsen enz. De uitvoeringsnota is het document waarnaar verwezen wordt in de bouwverordening, bestemmingsplannen en het omgevingsplan en is daarmee onderdeel van het toetsingskader. Per 1 september 2020 zijn aanvullende beleidsregels vastgesteld. Het parkeerbeleid biedt veel mogelijkheden voor maatwerk bij stedelijke ontwikkeling. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om in uitzonderlijke gevallen, die nadrukkelijk niet zijn meegewogen in het onderhavige parkeerbeleid, af te wijken van de bepalingen van deze uitvoeringsnota. Beoordeling In de planregels van dit bestemmingsplan is geborgd dat zal worden voldaan aan de parkeernormen uit de Uitvoeringsnota 'Parkeren Zaanstad 2016'.

Hoofdstuk 5 5.1

Beleidskaders Water

Nationaal waterbeleid

Europese Kaderrichtlijn Water Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De belangrijkste doelstelling is het geven van een kader voor het beheer van oppervlaktewater en grondwater op basis van stroomgebieden en stroomgebieddistricten. De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan water gebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water. De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Waterbeleid voor de 21e eeuw'. De belangrijkste aanbevelingen waren: anticiperen in plaats van reageren, meer ruimte naast techniek en 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, heeft het vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

44

2021/14772

kabinet zijn standpunt bepaald in de nota 'Anders omgaan met water' (2000). Deze Nota benadrukt dat het antwoord op de problemen niet alleen ligt in technische oplossingen, maar vooral ook in het ruimte geven aan water (flexibel peilbeheer en ruimtelijke maatregelen in de vorm van calamiteitenberging, piekberging en voorraad-beheer, etc.). Daarnaast moet meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om water vast te houden. Als meer water vasthouden niet zomaar gaat, moeten er voorzieningen worden aangelegd om tijdelijk water te bergen. Pas als deze twee mogelijkheden, vasthouden en bergen, zijn gebruikt mag het overtollige water worden afgevoerd. Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht. De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor de komende jaren en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelf bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd-watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende vijf ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Beoordeling Onderdeel van het bestemmingsplan is de watertoets. In de watertoets is aangegeven wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding en op welke wijze water (regen-, afval- en oppervlaktewater) wordt ingepast in het plan. De watertoets wordt afgestemd met de betreffende waterbeheerder. In paragraaf 4.4 is hier nader op ingegaan.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

45

2021/14772

5.2 Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. In de Beleidsnota Waterkeringen 2012-2017 zijn het beheer en de eisen voor alle waterkeringen beschreven, zowel die aan de zeezijde als die langs alle binnenwateren. Centraal in deze nota staat de veiligheid. In de nota is het onderhoud beschreven (en de wijze waarop) en welke voorwaarden gelden voor andere functies die een nadelig effect kunnen hebben op een waterkering. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016.

Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Beoordeling Onderdeel van het bestemmingsplan is de watertoets. In de watertoets is aangegeven wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding en op welke wijze water (regen-, afval- en oppervlaktewater) wordt ingepast in het plan. De watertoets wordt afgestemd met de betreffende waterbeheerder. In paragraaf 4.4 is hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 6 6.1

Beleidskaders groen en openbare ruimte

Groen- en waterplan Zaanstad

De druk op het groen en water neemt toe. Vooral door de grote woningbouwopgave waarmee Zaanstad wil groeien tot 200.000 inwoners, waarbij de woningen binnenstedelijk moeten worden ingepast. Hierdoor neemt de druk op de stad, het ruimtegebruik, het groen en het water toe. Daarom is het belangrijk om het groen en water op een dusdanige manier in te passen, zodat de waarden behouden blijven, passend binnen de eisen en wensen van ecologie, recreatie en klimaat. Zaanstad wil kansen benutten binnen de Metropool Regio Amsterdam, waarbij de kwaliteit van de leefomgeving steeds belangrijker wordt voor het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie. De rol van de gemeente verandert en er moeten prioriteiten gesteld worden welke taken en rol de gemeente neemt bij ieder onderwerp. De ene keer is de gemeente aan zet om te ontwikkelen of te faciliteren en de andere keer de maatschappij en toetst de gemeente alleen. De gemeente heeft hier het kwadrantenmodel voor ontwikkeld. Hiermee geeft de gemeente ruimte aan partijen om initiatieven op te starten. Het klimaat verandert, dit heeft vooral gevolgen voor de stedelijke omgeving. Wateroverlast komt frequenter voor en piektemperaturen bij hittegolven worden langduriger. Het groen en water spelen een belangrijke rol in de stad voor het opvangen van water en het beheersen van het klimaat.

Bij de stedelijke verdichting zijn klimaatadaptieve maatregelen nodig om te voldoen aan veiligheidseisen bij de verwachte klimaatsverandering. Beoordeling

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

46

2021/14772

De bomenrij op de naastgelegen kavel steekt met de kruinen uit boven het plangebied en blijft gehandhaafd. Op de kavel van het gebouw ligt een groenstrook die grenst aan de Houtveldweg. Deze strook wordt ingericht met lage beplanting en/of gras. Naar mogelijkheden die de locatie en het ontwerp van het project toelaat, wordt zoveel als mogelijk bijgedragen aan de stedelijke groenstructuur. De parkeerplaats aan de zuidzijde van het gebouw wordt afgescheiden met een haag. Zoals in paragraaf 4.4 is aangegeven leidt het plan niet tot een toename van de verharding dat voor compensatie in aanmerking komt. Daarnaast is geen sprake van demping van water ten behoeve van de realisatie van het nieuwe gebouw.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

47

2021/14772

Bijlage 2 Communicatie Hoofdstuk 1

Vooroverleg (3.1.1 Bro)

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in overleg te treden met de besturen van bestuursorganen die betrokken en belanghebbend zijn bij een nieuw bestemmingsplan. Deze verplichting is beperkt tot bestuursorganen. Daarnaast zijn ook, in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het bestemmingsplan (artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht), enkele andere organisaties en partijen die bijzondere betrokkenheid hebben bij dit plangebied om advies gevraagd. Het voorontwerpbestemmingsplan is voor advies toegezonden aan verschillende instanties. In paragraaf 5.1 zijn de resultaten beschreven.

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

48

2021/14772

Bijlage 3 T oelichting op de Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging

vastgesteldbestemmingsplanTechniekcampusZaandam

49

2021/14772

1

Toelichting op Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging Regeling toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang: - geluid; - geur; - stof; - gevaar (met name brand- en explosiegevaar). Daarnaast kan de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf relevant zijn. Toepassing Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' Algemeen In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn een Richtafstandenlijst en twee VoorbeeldStaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk de 'VoorbeeldStaat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen' en de 'VoorbeeldStaat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging'.

De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' (SvB 'functiemenging') is gebaseerd op de tweede VoorbeeldStaat in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De SvB 'functiemenging' wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid liggen tussen woningen en/of andere gevoelige functies. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie (en de SvB 'functiemenging') bepaald met behulp van op deze situaties toegesneden toelatingscriteria. Functiemengingsgebieden In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Zoals in de VNG-publicatie reeds is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan: - stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; - horecaconcentratiegebieden; - zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; - (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.

Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar één of meer bedrijven aanwezig of gewenst zijn de SvB 'functiemenging' worden toegepast. Kenmerken van de activiteiten De activiteiten in dergelijke gebieden verschillen in het algemeen qua aard en schaal sterk van de activiteiten op een bedrijventerrein. Behalve in historisch gegroeide situaties gaat het in hoofdzaak om: - kleinschalige, meestal ambachtelijke bedrijvigheid; - bedrijven waarbij de productie en/of laad- en loswerkzaamheden noodzakelijkerwijs alleen in de dagperiode plaatsvindt; - activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10481321/1