CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan Oliehandel van Megen

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bp Oliehandel van Megen14.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Randvoorwaarden Hogere waarden Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van meerdere geluidbronnen. Voor het bepalen van de geluidbelasting is een akoestische berekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd (bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt dat voor een aantal delen van de voorziene bedrijfswoningen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor deze overschrijding kan een hogere waarde worden vastgesteld. Wanneer de wettelijke voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard, kan - onder voorwaarden - een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Het industrielawaai is de dominante geluidbron op het plangebied. Het wegverkeerslawaai en het luchtvaartlawaai zijn daaraan ondergeschikt. Gebleken is dat het treffen van maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoet. De gecumuleerde geluidsbelasting van alle bronsoorten is aanvaardbaar. Voor de woningen kan daarom een hogere waarde voor geluid als gevolg van het industrielawaai worden vastgesteld. Deze hogere waarden worden in de regels van dit bestemmingsplan toegewezen.

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

30

2021/24638

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijk e stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Onderzoek

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

31

2021/24638

Figuur 4.4: Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied rood gemarkeerd

De bedrijfswoningen liggen in het invloedsgebied van het zuidelijke gelegen Noordzeekanaal. Het invloedsgebied van het Noordzeekanaalgebied bedraagt namelijk 1.070 meter en de afstand van het Noordzeekanaal tot het plangebied bedraagt circa 655 meter. Doordat de afstand groter is dan 200 meter, heeft de ontwikkeling geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Door de afstand zullen slechts de gevolgen van een toxische wolk tot het plangebied komen. De effecten van een incident met een brand tot gevolg zullen niet tot het plangebied reiken. Voorts vindt er vervoer van gevaarlijke stoffen plaats ten zuiden van het plangebied over het spoortraject Amsterdam Singelgracht - Amsterdam Westhaven. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich met een afstand van circa 1,7 kilometer in dit invloedsgebied. Over de noordelijke gelegen N516 worden eveneens gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van deze weg bedraagt 355 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van 296 meter. Omdat het plangebied voor alle transportroutes op een grotere afstand dan 200 meter is gelegen, hoeven volgens het Basisnet geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Wel dient vanwege de ligging in het invloedsgebied nader te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in een beknopte verantwoording. De beoogde ontwikkeling is een relevante risicobron, omdat binnen de inrichting onder andere dieselolie, gasolie, benzine en gasflessen worden opgeslagen. In de VNG-brochure staat voor gevaar een richtafstand van 200 meter opgenomen. Omdat dit echter om algemene afstanden gaat, kan er afgeweken worden wanneer dit nader onderzocht wordt. Om te bepalen wat de externe veiligheidseffecten zijn, is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Deze is toegevoegd in Bijlage 3. Hieruit blijkt het volgende:

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is niet van toepassing op het bunkerstation.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

32

2021/24638

De grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar wordt bepaald door de levering van benzine aan de pleziervaart en ligt enkele meters rond het afleverpunt. De grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt niet overschreden ter plaatse van kwetsbare objecten, zoals woningen of woon-werkeenheden. Het bunkerstation heeft geen groepsrisico. Figuur 4.5 toont het effectgebied, wanneer het zou worden berekend volgens het voorgeschreven stappenplan. Het brandaandachtsgebied ligt ca. 35 m op de oever. Met het brandaandachtsgebied wordt een gebied bedoeld waar bij een incident op het bunkerstation een warmtestraling groter dan 10 kW/m2 kan optreden. Het brandaandachtsgebied is de omhullende contour van de effectgebieden van alle scenario's. Deze afstand wordt bepaald door de overslag van benzine. Binnen het effectgebied liggen geen kwetsbare objecten. De beoogde bedrijfswoningen horen bij de inrichting en kennen daarmee geen beperkingen.

Figuur 4.5: Brandaandachtsgebied van Megen (10 kW/m2 contour)

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

33

2021/24638

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Havenstraat en via het water. De Havenstraat wordt sluit aan op het verdere wegennetwerk van Zaandam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, zo kan ook te voet naar het zuiden deel van de Havenstraat gevlucht worden. Hierdoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal het bunkerstation worden uitgebreid en worden drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zijn allen zelfredzaam. Mochten er in de bedrijfswoningen kinderen en ouderen aanwezig zijn, dan wordt bij deze groepen ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een explosie zijn miniem doordat bij explosie sprake is van een kortdurend incident. Een explosie kan leiden tot een brand of toxische wolk. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten bij een brand. Als gevolg van een incident bij de beoogde ontwikkeling en op het Noordzeekanaal met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen.

Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het brandaandachtsgebied is als 'veiligheidszone - brandstofopslag' opgenomen op de verbeelding. Binnen deze zone zijn geen kwetsbare objecten toegestaan.

4.9

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

34

2021/24638

Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek Richtlijnen VNG-brochure bedrijven en milieuzonering In de beoogde situatie worden twee bunkerschepen, drie 'leurboten' en drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie uitgebreid en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk bedrijfs- en woonbestemmingen, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. De beoogde ontwikkeling valt onder de categorie 'groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen met een opslagcapaciteit van minder dan 100.000 m3' uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.

De bijbehorende milieucategorie betreft 4.1 met een richtafstand van 200 meter voor gevaar en 30 meter voor geur en geluid in een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemming bevindt zich op circa 38 meter (de vergunde woningen van de Enclave). Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor geur en geluid. Geluidruimte Activiteitenbesluit Naast de VNG richtlijnen is er de geluidsruimte op basis van het Activiteitenbesluit. Deze wordt over het algemeen bepaald op basis van de afstand tot de dichtstbijzijnde woning. Figuur 4.6 geeft de geluidzone van het bedrijf weer. Deze zone is op de verbeelding opgenomen als 'geluidzone - bedrijfshinder'. De grens van de geluidszone is gelegen op een afstand van 50 meter van de inrichting. Binnen deze zone mogen geen nieuw of uitbreiding van bestaande geluidgevoelige objecten worden opgericht tenzij met een akoestisch onderzoek is aangetoond dat het geluidgevoelige object niet tot gevolg heeft dat de nieuwe inrichting van Oliehandel Anton van Megen niet meer kan voldoen aan: a. de algemene regels over geluidhinder als bedoeld in Afdeling 2.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; of b. een vastgesteld maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

35

2021/24638

Figuur 4.6: Contour geluidzone - bedrijfshinder Deze zone valt ook (gedeeltelijk) over drie gebouwen van de Enclave heen. Enkele woningen in de Enclave zijn met dove gevels uitgevoerd. Deze gevels hoeven op grond van het Activiteitenbesluit niet te worden getoetst. Op de overige relevante gevels is wel getoetst. Om te bepalen wat de geluidbelasting is op de gevels van de dichtstbijzijnde (reeds vergunde) woningen binnen bouwplan 'De Enclave' ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten, is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 2. Bij deze beoordeling is gekeken of aan de normen uit het Activiteitenbesluit c.q. de richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening wordt voldaan. Met het voldoen aan deze normen en waarden kan men ook spreken van een goed woon- en leefklimaat. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de geluidwaarden uit het Activiteitenbesluit ter hoogte van de gebouwen van de Enclave. Hierbij is uitgegaan van de vergunde situatie (de gebouwen zijn (gedeeltelijk) met dove gevels c.q. vliesgevels uitgevoerd). Deze dove c.q. vliesgevels moeten in stand gehouden worden om aan de norm te kunnen blijven voldoen. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen hoogstens 49 dB(A) in de dagperiode, 44 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode.

Hiermee wordt voldaan aan de geluidwaarden uit het Activiteitenbesluit (50-45-40 dB(A) in de dag-avond-nachtperiode). De geluidbelasting op de relevante zonebeheerpunten ligt minimaal 15 dB onder de vastgestelde MTG-waarden (Maximaal toelaatbare Geluidsbelasting) op deze punten. Het maximale geluidniveau (piekniveaus) op de dichtstbijzijnde woningen bedraagt hoogstens 70 dB(A) in de dagperiode en 57 dB(A) in de avond- en nachtperiode bedraagt. Hiermee wordt eveneens aan de geluidwaarden uit het Activiteitenbesluit (70-65- 60 dB(A) in de dag-avond-nachtperiode) voldaan. Er kan op de getoetste gevels dus worden voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit voor geluidbelasting. Dat betekent dat ook na de realisatie van de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt een goed woon- en leefklimaat binnen de woningen kan worden gegarandeerd. Ten slotte kan voor wat betreft de indirecte hinder (verkeersaantrekkende werking van de

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

36

2021/24638

inrichting) worden geconcludeerd dat aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Cumulatie geluidbelasting Wet geluidhinder én Activiteitenbesluit Cumulatie van geluid is in de sectorale milieuwetgeving slechts gedeeltelijk geregeld. Zo bevat de Wet geluidhinder in artikel 110f een regeling voor de toetsing van cumulatieve geluidhinder op het moment dat een hogere waarde is vastgesteld. Dit artikel heeft echter slechts betrekking op de cumulatie van wegverkeerslawaai, spoorlawaai en het geluid van inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen. Geluid dat niet onder de werking van de Wet geluidhinder valt, blijft buiten beschouwing. De goede ruimtelijke ordening vereist echter dat onderzoek wordt gedaan naar de totale geluidbelasting op de relevante geluidsgevoelige gebouwen. Deze geluidbelasting bepaalt immers de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Gelet hierop dient de cumulatieve geluidbelasting op grond van de Wet geluidhinder én het Activiteitenbesluit te worden onderzocht. Vervolgens moet de aanvaardbaarheid van deze cumulatieve geluidbelasting worden onderbouwd. Om te bepalen wat de cumulatieve geluidbelasting is op de gevels van de relevante, bestaande geluidsgevoelige gebouwen, is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 6.

Hieruit blijkt dat Oliehandel Van Megen niet significant bijdraagt aan het aanwezige achtergrondgeluid. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale gecumuleerde geluidbelasting op grond van de Wet geluidhinder én het Activiteitenbesluit 60 dB(A) bedraagt, zie ook onderstaande tabel.

Tabel 3.1 Gecumuleerde geluidbelasting (Wgh + Activiteitenbesluit) bestaande geluidsgevoelige gebouwen Voor het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de dichtstbijzijnde (reeds vergunde, maar nog niet in gebruik genomen) woningen binnen bouwplan 'De Enclave', kan aansluiting worden gezocht bij de besluiten hogere waarden voor de gebouwen M6, M7 respectievelijk A11 d.d. 25 september 2020 (kenmerken O20200598, O20200599 en O20200596). In deze besluiten is de gecumuleerde geluidbelasting op grond van de Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai, spoorlawaai en het geluid van inrichtingen op gezoneerde industrieterreinen) op de gebouwen M6, M7 en A11 berekend, zie ook onderstaande tabel.

Adres

Gecumuleerde geluidbelasting LVL,cum/LIL,cum (dB(A))

M6

55

M7

56

A11

57

Tabel 3.2 Gecumuleerde geluidbelasting (Wgh) gebouwen M6, M7 en A11

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting op grond van de Wet geluidhinder op de gebouwen M6, M7 en A11 lager is dan die op de gebouwen Havenstraat 102 en 103 (59,8 respectievelijk 59,4 dB(A)). In combinatie met het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van M6, M7 en A11 (hoogstens 44 dB(A), zie Bijlage 2), bedraagt de cumulatieve geluidbelasting op grond van de Wet geluidhinder én het Activiteitenbesluit ter hoogte van de gebouwen M6, M7 en A11 derhalve minder dan 60 dB(A). Voor de verlening van hogere waarden heeft de gemeente in het beleid (Actieplan vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

37

2021/24638

omgevingslawaai 2019-2023 en beleidsregel hogere waarde gemeente Zaanstad) vastgelegd dat de gecumuleerde geluidbelasting voor de te verlenen hogere waarden niet hoger mag zijn dan de maximaal toelaatbare geluidbelasting plus 3 dB. Uitgaande van een maximale cumulatiewaarde van 60 dB(A) is deze niet hoger dan de maximale toelaatbare geluidbelasting (60dB(A) voor bestaande woningen) plus 3 dB. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bedrijfswoningen De bedrijfswoningen zijn gevoelige functies en moeten getoetst worden aan milieubelastende functies in de omgeving. Aan de overzijde van het water bevindt zich een categorie 5.1 bedrijf 'scheepsbouw- en reparatiebedrijven voor metalen schepen groter of gelijk aan 25 m en/of proefdraaien motoren groter of gelijk aan 1 MW'. Milieucategorie 5.1 heeft een richtafstand van 500 meter voor geluid, 100 meter voor stof en geur en 50 meter voor gevaar. Gelet op de ligging in de geluidzone industrie kan echter worden uitgegaan van een 'gemengd gebied' en betreffen de richtafstanden 200 meter voor geluid, 50 meter voor stof, geur en gevaar. De afstand van het bedrijf tot de bedrijfswoningen bedraagt circa 90 meter. Enkel voor het aspect geluid wordt hier niet aan voldaan. Dit aspect is onderzocht door middel van akoestische berekeningen. Dit is toegelicht in paragraaf 4.7.

Lichthinder Om de werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren, zal de inrichting verlicht zijn. De steigers zullen voorzien zijn van lage verlichting die voor de omgeving geen hinder op zal leveren. Op de kopse kanten van de steigers zal verlichting met bewegingssensor worden geplaatst om veilig af te kunnen meren. Deze verlichting zal dus uitsluitend bij beweging worden geactiveerd en zal zeer plaatselijk zijn, waardoor de omgeving hier geen hinder van zal ondervinden. Aan boord van de bunkerschepen zal alleen aan de waterkant gebruik worden gemaakt van gerichte verlichting die uitsluitend ingeschakeld zal worden op het moment dat er daadwerkelijk verlichting benodigd is. De leurboten zijn voorzien van de minimaal verplicht aanwezige verlichting om in het donker te mogen varen. Deze verlichting zal pas worden ingeschakeld op het moment dat dat wettelijk noodzakelijk is. Op het moment dat vracht- en/of tankwagens komen lossen, zullen de motoren van de voertuigen uit staan en daarmee ook de verlichting. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect lichthinder geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gelet op het bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura 2000-gebieden vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

38

2021/24638

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

39

2021/24638

In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied bevindt zich op circa 2,29 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied IJperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske, circa 2,59 kilometer van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Polder Westzaan en op circa 6,6 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Wormer- en Jiskerveld & Kalverpolder. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN betreft tevens Polder Westzaan. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Polder Westzaan, Wormer- en Jiskerveld & Kalverpolder en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske voor de aanlegfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr ten gevolge van de ontwikkeling. Een toename van stikstofdepositie op Natura-2000 gebied in de aanleg- en gebruiksfase is derhalve uitgesloten.

Het plan is derhalve uitvoerbaar, binnen het kader van de Wet natuurbescherming is geen vergunning is vereist.

Soortenbescherming Met de beoogde ontwikkeling vinden geen sloopwerkzaamheden plaats. Effecten op broedvogels, zoogdieren (waaronder vleermuizen), planten, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden zijn uitgesloten.

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

40

2021/24638

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoek De beoogde ontwikkeling leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeers- of scheepvaartbewegingen met 2 per maand. Dit aantal is dermate beperkt, dat er geen sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Ter vergelijking, er kunnen dagelijks 150 vrachtwagens toegevoegd worden zonder dat dit leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de toename van 2 scheepsvaartbewegingen per maand is een negatief effect op de luchtkwaliteit dan ook uitgesloten. Daarnaast worden drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt die verkeer genereren. Het effect van de toename van (afgerond) 26 mvt/etmaal is echter zo gering dat de luchtkwaliteit ter plaatse niet verslechterd. De realisatie van de beoogde ontwikkeling valt onder het besluit Niet In Betekenende Mate. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Dr. J.M. den Uylweg (N516), direct ten noorden van het plangebied.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat voor de prognose in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 26,3 µg/m³ voor NO2, 20,3 µg/m³ voor PM10 en 11,1

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

41

2021/24638

µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 8 dagen. Deze concentraties vallen binnen de grenswaarden zoals genoemd in tabel 4.1. Hierdoor is ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De aanpassing in de bedrijfsvoering heeft geen effect op de luchtkwaliteit. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.12 Kabels en leidingen Toetingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. b. c. d.

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor het aspect kabels en leidingen.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

42

2021/24638

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Met dit bestemmingsplan wordt het bunkerstation voorzien van een definitieve bestemming. Als uitgangspunt is de vigerende bestemming genomen. Zo wordt aangesloten op de systematiek van het geldende bestemmingsplan.

5.2

Algemeen

Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Verkeer - Verblijfsgebied Bij 'Verkeer - Verblijfsgebied' gaat het om wegen en gebieden met verblijfsfunctie en ontsluitingswegen. Ook parkeerplaatsen en groenvoorzieningen worden met dit artikel mogelijk gemaakt.

Artikel 4 Water - Scheepvaartvoorzieningen Het bunkerstation en de bijbehorende schepen zijn bestemd als Water Scheepvaartvoorzieningen. Binnen deze bestemming is het bunkerstation toegestaan, bestaande uit maximaal twee bunkerschepen en drie leurboten. Op het bunkerstation zijn tevens maximaal drie bedrijfswoningen toegestaan. De bunkerschepen (de AVO en de Voorzaan) worden gezien als een bouwwerk. De positie van de bunkerschepen zijn nader aangeven op de verbeelding met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bunkerstation'. Artikel 5 Water - 1 Het deel van de Zaan dat buiten het bedrijf valt en onderdeel van de vaarweg is, is bestemd als Water - 1. De zone 'veiligheidszone - brandstofopslag' en de 'geluidzone - bedrijfshinder' vallen buiten de inrichting. Deze worden vergroot ten opzichte van de bestaande situatie. Om deze goed te borgen in het bestemmingsplan, is een deel van het water buiten de inrichting meegenomen in dit bestemmingsplan. deze gronden hebben de bestemming 'Water - 1'.

Artikel 6 Waarde - Archeologie Binnen het plangebied is de bestemming ‘Waarde - Archeologie’ opgenomen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden in de gronden. Binnen deze dubbelbestemming is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 4' opgenomen. Binnen deze aanduiding geldt dat archeologisch onderzoek niet nodig is bij werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 50 m2 of die niet dieper gaan dan 80 cm. Deze regels hebben voorrang op de regels van de andere op de gronden voorkomende bestemmingen. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

43

2021/24638

Artikel 7 Waterstaat - Waterkering Voor de in het plangebied aanwezige regionale waterkering is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de belangen van de waterkering.

5.4

Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Artikel 9 Algemene bouwregels Dit artikel bevat de verwijzing naar de gemeentelijke beleidsregels waarmee het voldoen aan het parkeerbeleid geborgd is.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een opsomming van het strijdig gebruik.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels 11.1 geluidzone - bedrijfshinder Binnen deze zone mogen ten gevolge van de activiteiten van de oliehandel geen nieuwe geluidgevoelige objecten worden opgericht of bestaande worden uitgebreid. Dit is wel mogelijk indien met een akoestisch onderzoek is aangetoond dat (al dan niet met het treffen van maatregelen) voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde.

11.2 geluidzone - industrie Voor de industrieterreinen Achtersluispolder-Westerspoor Zuid ('geluidszone - industrie 1') en Westpoort ('geluidszone - industrie 2'). Rond deze industrieterreinen, waar zich bedrijven bevinden of zijn toegestaan die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zijn volgens artikel 41 van de Wgh geluidzones vastgesteld. Buiten de zone mag de geluidbelasting, als gevolg van het industrieterrein niet hoger zijn dan 50 dB(A). Binnen deze beide geluidszones zijn nieuwe geluidgevoelige objecten en functies van derden slechts toegestaan indien wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde dan wel een hogere grenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder.

11.3 Veiligheidszone - brandstofopslag Rondom het bunkerstation ligt een veiligheidszone. Het is niet toegestaan binnen deze zone kwetsbare objecten en functies van derden te realiseren.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

44

2021/24638

Artikel 13 Overige regels In dit artikel zijn de hogere waarden opgenomen.

5.5

Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 13.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 13.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 15 Slotregel De slotregel beschrijft op welke wijze de regels aangehaald moeten worden. De slotregel beschrijft op welke wijze de regels aangehaald moeten worden.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

45

2021/24638

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer heeft voldoende financiële middelen om de ontwikkeling mogelijk te maken.

Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Voor dit plan wordt een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd.

6.2

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier zijn doorlopen. Op 16 september 2020 is een bewonersbijeenkomst georganiseerd om het draagvlak te onderzoeken. Hiervoor hadden zich 35 mensen aangemeld onder wie bewoners van de Havenstraat, toekomstige bewoners van de Enclave, belanghebbenden op het Hembrugterrein en raadsleden. Tijdens deze bijeenkomst werden aanwezigen geïnformeerd over de scenariostudie. Vervolgens konden bewoners vragen stellen naar aanleiding van de presentatie. Deze vragen zijn beantwoord en waar nodig is de ontwikkeling nader toegelicht. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. De ingekomen reacties zijn samengevat en toegevoegd in Bijlage 7. Ontwerp Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. De binnengekomen zienswijzen zijn in Bijlage 9 samengevat en van een beantwoording voorzien. Daarnaast zijn enkele ambtshalve aanpassingen verwerkt. Deze aanpassingen zijn aangegeven in Bijlage 8.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10747177/1