CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan Oliehandel van Megen

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Bp Oliehandel van Megen14.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2021/24638

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het Zijkanaal G verbindt het Noordzeekanaal met de rivier De Zaan. Aan de westzijde van dit kanaal loopt de Havenstraat. Ter hoogte van huisnummer 109 R ligt het bunkerstation van Oliehandel Anton van Megen. Dit station bestaat uit enkele afgemeerde schepen, waaronder het bunkerstation waar binnenvaartschepen (zowel beroeps- als pleziervaart) kunnen bunkeren. In het geldende bestemmingsplan "Havenstraat - Hemkade" (vastgesteld op 28 mei 2019) is het bunkerstation met een voorlopige bestemming bestemd, gericht op een toekomstige verplaatsing van de Oliehandel. De voorlopige bestemming vervalt na 10 jaar of eerder bij een duurzame beëindiging. De bestemming ter plaatse is dan 'Water - 1'. Binnen deze bestemming is de bedrijfsvoering van de Oliehandel niet meer rechtstreeks geborgd. Deze voorlopige bestemming is opgenomen, omdat het bunkerstation niet paste in de ambitie voor het Hembrugterrein dat de komende jaren zal transformeren naar een woon-werkgebied, en omdat verplaatsing op korte termijn niet mogelijk was. De eigenaar wil het bedrijf graag duurzaam voortzetten. Daarom zijn haalbaarheidsstudies uitgevoerd naar mogelijke locaties voor het bedrijf. Uit deze haalbaarheidsstudies naar alternatieve locaties is gebleken dat een aanpassing van het bunkerstation op de huidige locatie toch het meest haalbaar blijkt.

Daarom is besloten het bunkerstation op deze locatie te behouden en een definitieve status (permanente bestemming) te geven. Op 17 december 2020 is de raad akkoord gegaan met dit voorkeursscenario. De bedrijfsvoering wordt zodanig aangepast dat geluids- en verkeersoverlast zoveel mogelijk worden beperkt en de kade een meer open en toegankelijkere uitstraling krijgt. Ook wordt het bunkerstation vergroot, deze uitbreiding is opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. In haar besluit heeft de raad het college drie randvoorwaarden meegegeven bij de ontwikkeling: de veiligheid van de nieuwe inrichting wordt aangetoond in de daarvoor benodigde rapporten; het aantal tankautobewegingen wordt teruggebracht van 10 naar 1 à max 2 per week; de kade van de Havenstraat meer openbaar en beleefbaar wordt. Onderhavig bestemmingsplan zorgt voor de juridisch-planologische verankering van het bunkerstation op deze locatie conform de voorwaarden die de raad heeft gesteld in haar besluit d.d. 17 december 2020.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied betreft Oliehandel Anton van Megen aan de Havenstraat 109 R. Het plangebied ligt deels in het Zijkanaal G (Voorzaan). Het plangebied is groter dan het bunkerstation, omdat ook de bij het bunkerschip behorende geluid- en veiligheidszones in het plangebied zijn meegenomen. Deze nieuwe zones moeten immers eveneens met het bestemmingsplan worden geborgd. De zones liggen voor het overgrote deel buiten de inrichtingsgrenzen van het bunkerstation.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

5

2021/24638

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Arcgis luchtfoto 2020)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse is 'Havenstraat - Hemkade', vastgesteld op 28 mei 2019. Op de gronden van het bedrijf ligt de bestemming 'Water - Scheepvaartvoorzieningen Voorlopig'. Daarnaast geldt ter plaatse de bestemming 'Water - 1', 'Verkeer en verblijf' en 'Waterstaat - Waterkering'. Een klein gedeelte aan de oostzijde van het plangebied ligt binnen het bestemmingsplan 'Achtersluispolder'. Ter plaatse geldt de bestemming 'Water'.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

6

2021/24638

Figuur 1.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Havenstraat - Hemkade' met in rood het plangebied aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen de bestemming 'Water - Scheepvaartvoorzieningen - Voorlopig' zijn de gronden bestemd voor: a. water(berging), waterstaatkundige werken en waterhuishoudkundige voorzieningen; b. beroeps- en recreatievaart; c. afmeerlocatie voor de in- en verkoop van vaartuigen kleiner dan 22 meter ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - 1'; d. een bunkerstation, met ondergeschikte detailhandel en maximaal drie bij de inrichting behorende leurboten, ten behoeve van de scheepvaart ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - 2'; met de daarbij behorende: e. f. g. h. i.

steigers en andere werken ten behoeve van waterrecreatie en beroepsmatig varen; kaden; op- en overslag, palen, laad- en losplaatsen en andere oevervoorzieningen; scheepvaartverkeerstekens en andere nautische verkeersvoorzieningen; overige voorzieningen ten behoeve van deze bestemming.

Deze voorlopige bestemming geldt voor een periode van maximaal 10 jaar vanaf het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. De voorlopige bestemming vervalt in ieder geval op het moment dat de bedrijfsactiviteiten feitelijk en duurzaam zijn beëindigd. Vanaf dat moment zijn de gronden bestemd als 'Water - 1' en is de bedrijfsvoering van de Oliehandel niet meer rechtstreeks geborgd (deze kan uitsluitend onder het overgangsrecht worden voortgezet). Tot slot gelden aan de westzijde van het plangebied de gebiedsaanduidingen 'geluidzone industrie 1', 'geluidzone - industrie 2' en de 'wetgevingszone - wet geluidhinder'. Deze gelden ter plaatse zonder enkelbestemming.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

7

2021/24638

1.4 Verbrede reikwijdte en optimale leefomgevingskwaliteit Voor het bestemmingsplan maakt de gemeente Zaanstad gebruik van de volgende onderdelen uit de Crisis- en herstelwet: planperiode 20 jaar; vaststelling hogere waarden (uitsluitend voor de bedrijfswoningen en zonder toepassing van de Zeehavennorm).

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 komt de ruimtelijke analyse van het plangebied aan de orde en wordt het plan beschreven. Vervolgens wordt de ontwikkeling in hoofdstuk 3 aan het actuele beleidskader getoetst dat relevant is voor het plangebied. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten en de bijbehorende onderzoeken beschreven. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 5. Ten slotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

8

2021/24638

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Oliehandel Anton van Megen B.V. is een bedrijf dat in hoofdzaak brandstoffen, smeermiddelen en scheepsbenodigdheden voor de binnenvaart levert. Om de brandstoffen en overige artikelen te kunnen ontvangen, op te slaan en af te kunnen leveren aan de schepen beschikt Van Megen over een bunkerstation aan de Havenstraat in Zaandam. Een bunkerstation is een drijvend tankstation voor de binnenvaart (zowel voor beroeps- als recreatievaart). Belangrijk onderdeel van het bunkerstation is het bunkerschip. Hierin wordt brandstof opgeslagen en gedistribueerd. Schepen leggen hierbij aan. Leurboten zijn bij een bunkerstation behorende vrij varende boten, die varende schepen bevoorraden. De huidige inrichting bestaat uit meerdere (drijvende) objecten zoals het bunkerschip "Voorzaan", een winkel-ponton, een GTL-ponton, een waterboot (een schip dat water levert aan binnenvaartschepen), een werksteiger met opslagcontainers, en drie leurboten. Het bunkerstation is voorzien van een winkel met artikelen voor de scheepvaart. Ook bevindt zich op het bunkerschip (De Voorzaan) een bedrijfswoning. Het bunkerschip wordt door middel van een brede steiger verbonden met de kade. Op deze steiger staan containers ten behoeve van opslag voor het bunkerstation. Daarnaast bevinden zich binnen de inrichting twee museale schepen, de Albatros en Adjudant.

Deze zijn toegankelijk via een losse steiger aan de zuidzijde van het bunkerstation. Ten noorden van de huidige inrichting ligt een verkoophaven van de Firma Produo. Deze is in onderstaande figuur aan de linkerzijde aangegeven.

Figuur 2.1: Huidige indeling bunkerstation met links de huidige verkoophaven van Firma Produo Laden en lossen In de huidige situatie zijn een tankwagen met benzine (1 keer in de twee weken), een tankwagen met diesel (één keer per twee weken) en tankwagens met gasolie (8 keer per week) vergund. De tank- en/of vrachtwagens die komen leveren, maken gebruik van de keerlus en rijden achteruit het terrein van de inrichting op. Voor de overige goederen geldt dat de vrachtwagens in de huidige situatie zo veel als mogelijk op eigen terrein parkeren, de motor uitschakelen en de goederen lossen.

2.2

Beoogde ontwikkeling

Na de participatie die plaatsvond in het kader van de vaststelling van het Omgevingsplan Hembrug e.o. is besloten om de Oliehandel een tijdelijke bestemming toe te kennen. Tegelijkertijd is door het college onderzocht of er een alternatieve locatie kon worden gevonden voor de Oliehandel. Er zijn locatiestudies uitgevoerd naar de best mogelijke locatie voor de Oliehandel. De voor- en nadelen van een verplaatsing en uitbreiding van de inrichting op de huidige locatie zijn in overweging genomen. Hieruit blijkt dat de huidige locatie met aanpassing vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

9

2021/24638

van de bedrijfsvoering de voorkeur heeft. De inrichting krijgt daarom in het onderhavige bestemmingsplan een definitieve status (permanente bestemming) Het plangebied grenst aan het onderdeel 'De Enclave' van het Hembrugterrein. 'De Enclave' wordt ontwikkeld naar een gemengde woon-werklocatie. De uitbreiding van de inrichting mag de ontwikkeling van Hembrugterrein niet beperken. Dit is een belangrijk uitgangspunt voor het bunkerstation In de nieuwe situatie wordt aan het bunkerstation het bunkerschip AVO toegevoegd. Naast de bestaande Voorzaan en de 3 leurboten zal het bunkerstation dus uitgebreid worden. Het grotere bunkerstation is een vereiste om gasolie over het water (per tankschip) te kunnen leveren. Daardoor neemt het aantal tankwagens per week af naar maximaal 1 á 2 per week en vermindert de overlast van de zware tankauto's ten opzichte van de huidige situatie. De vergroting van het bunkerstation zorgt niet voor een verandering in het aantal afnemers van brandstof voor de scheepvaart. Met de komst van het nieuwe bunkerschip (AVO) is het mogelijk om de brandstof die voor beroepsvaart wordt gebruik (gasolie) over het water aan te leveren in plaats van over de weg, middels tankwagens. De opslagcapaciteit is niet direct bepalend voor de marktvraag en het aanbod, maar hangt met name samen met de wijze van bevoorraden.

Het grotere bunkerschip biedt dus de kans om het aantal verkeersbewegingen op land te beperken. De brandstof die wordt gebruikt voor de recreatievaart is een andere dan voor de beroepsvaart en kan - gelet op de kleine hoeveelheden - niet per schip worden aangeleverd. Deze brandstof blijft via de weg worden aangevoerd. Er zal een vergunning worden verleend om 1 á 2 keer per week een tankauto te laten bevoorraden. De overige - museale - schepen hebben een historisch karakter en zullen niet bedrijfsmatig ten behoeve van de inrichting worden gebruikt. De schepen zijn dan ook niet toegankelijk voor bezoekers. Het zijn wel schepen die nog volledig in de vaart zijn. Deze schepen zijn geregeld te vinden op tentoonstellingen, shows, evenementen etc. Wanneer de schepen afgemeerd liggen, zijn ze niet toegankelijk voor publiek. De jachthaven (zie de linkersteiger op figuur 2.1) verdwijnt en maakt plaats voor (een deel van) de historische schepen (zie figuur 2.2). Deze ruimtelijke uitbreiding biedt de kans de schepen wat minder compact neer te leggen. Dit komt de ruimtelijke uitstraling ten goede. Op het nieuwe bunkerschip AVO zijn twee bedrijfswoningen aanwezig en op de Voorzaan één bedrijfswoning. De bedrijfswoningen zijn benodigd in verband met veiligheid en toezicht. De aanwezigheid van drie bedrijfswoningen garandeert het wettelijke verplichte 24 uurs toezicht.

In onderstaand figuur 2.2 is de beoogde steigerstructuur ingetekend. De afstand tussen de wal en de "Voorzaan" is circa 13, 7 m en de afstand tussen de wal en de "AVO" is circa 16,2 m. Het bestaande bunkerschip de "Voorzaan" komt in de nieuwe situatie iets noordelijker te liggen. Uit de risico analyse (Bijlage 3) blijkt dat voornoemde positionering van de bunkerschepen voldoen aan de veiligheidseisen: "De grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt niet overschreden ter plaatse van kwetsbare objecten, zoals woningen of woon-werkeenheden."

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

10

2021/24638

Figuur 2.2: Beoogde indeling Onderdeel van de beoogde ontwikkeling is de herinrichting van de faciliteit. De containers ten behoeve van opslag die in de huidige situatie op de steiger staan, worden in de toekomstige situatie op het grotere bunkerschip opgeslagen. De opslagcontainers op de huidige steiger kunnen daarmee komen te vervallen. Deze brede steiger wordt vervangen door twee smalle loopbruggen. Dit zorgt voor een verbetering van de beleving van het water en de openheid van de kade. Tevens verbeteren de zichtlijnen over het water, omdat er in de toekomstige situatie minder schepen per m2 aanwezig zijn.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

11

2021/24638

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het voor het plangebied relevante ruimtelijke beleidskader. De ontwikkeling is in overeenstemming met het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

De ruimtelijke consequenties van het rijksbeleid voor Schiphol zijn geformuleerd in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB). In dit besluit is een beperkingengebied opgenomen waarbinnen beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidsbelasting. Toetsing Op gronden die op basis van het LIB binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid vallen mogen geen nieuwe geluidgevoelige functies worden mogelijk gemaakt. Bedrijfswoningen worden als geluidsgevoelige functies aangemerkt. Figuur 3.1 geeft dit gebied in het geel weer. Het plangebied ligt niet in het beperkingsgebied van LIB 5. Het LIB heeft dus geen gevolgen voor de ontwikkeling, het is dus niet nodig een nadere afweging te maken ten aanzien van de bedrijfswoningen vanwege het LIB.

Figuur 3.1: Uitsnede LIB kaart 3 LIB bijlage 3 - Beperking bebouwing (bron: ruimtelijke plannen.nl) 3.2.2

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer integrale keuzes

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

12

2021/24638

worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen Toetsing Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De bestaande Oliehandel kan blijven bestaan en het bedrijf duurzaam voortzetten door de uitbreiding van het bunkerstation. Tegelijkertijd wordt daarmee de bestaande verkeers- en geluidsoverlast voor de omliggende bewoners verminderd. Op deze manier wordt een gezonde en veilige fysieke leefomgeving bevordert. De vrije doorvaart voor de scheepvaart wordt niet belemmerd. De belangen zoals genoemd in de NOVI vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van andere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en bevat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. In het gebied gelden geen rechtstreeks doorwerkende belangen.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

13

2021/24638

3.2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 2012, actualisering 2017)

Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe te borgen is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor binnenstedelijke projecten moet de behoefte in de relevante regio worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat een ontwikkeling met een (extra) ruimtebeslag van minder dan 500 m2 bvo niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling Toetsing Het ruimtebeslag van de nieuwe bouwmogelijkheden bedraagt minder dan 500 m2 in totaal. Daarnaast betreft de beoogde ontwikkeling geen zodanige functiewijziging dat om die reden sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075).

Gelet hierop is de beoogde ontwikkeling geen nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor een laddertoets noodzakelijk is.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie NH 2050 (2018)

De Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 (november 2018) zet nadrukkelijk in op het stimuleren van knooppuntontwikkeling in de stationsgebieden. De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Nabijheid van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. Daarbij wordt in het ontwerp rekening gehouden met voldoende afvoermogelijkheden van (regen)water, voldoende groen in en om de stad, en optimale verkeersontsluiting met multimodale knooppunten Wonen en werken worden zoveel mogelijk binnenstedelijk gerealiseerd en geconcentreerd. De metropool ontwikkelt zich snel. De vraag naar woningen en ruimte voor bedrijven houdt aan, evenals de ruimtevraag voor recreatie en andere functies. Tegelijkertijd wil de provincie de landschappen in de metropool sparen. De bebouwingsopgave moet dan ook zoveel mogelijk binnen de bestaande kernen plaatsvinden, met een voorkeur voor knooppunten van openbaar vervoer. Verdichting vraagt steeds meer inventiviteit en bestuurskracht. De bebouwde omgeving wordt steeds intensiever gebruikt, de plancapaciteit binnenstedelijk blijkt door een andere kijk op stad en stedelijkheid een stuk groter te zijn dan lang is gedacht.

En zowel bij bestaande bouw als nieuwbouw moet worden ingezet op besparing van energie, een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting en bij nieuwbouw ook op circulair bouwen. Dit alles moet samen gaan met de verdere verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij onderkent de provincie dat verdichting in de kernen leidt tot toenemende druk op het landschap. Wonen en werken worden binnenstedelijk geconcentreerd (transformeren, bundelen, verdichten). Hierbij houdt de provincie oog voor behoud en versterking van de leefbaarheid in bestaande en nieuwe gebieden. De provincie houdt ook een vinger aan de pols voor wat betreft de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van de vraag. Regionale afspraken over stedelijke ontwikkelingen moeten bij de vraag blijven aansluiten. Uitgangspunt is – en daarop zal het verkeers- en vervoersnetwerk worden geoptimaliseerd – dat men zich effectief, veilig en efficiënt kan verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Daarbij heeft men zo veel mogelijk keuzevrijheid in het bepalen van zijn of haar vervoerswijze. vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

14

2021/24638

Toetsing De provinciale Omgevingsvisie staat de ontwikkeling niet in de weg. Verdere vertaling van de omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening. 3.3.2

Omgevingsverordening NH2020

Bij de Omgevingsvisie hoort een Provinciale Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening zijn de regels vastgelegd waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen. De Omgevingsverordening stelt algemene regels aan bestemmingsplannen met als doel het veiligstellen van de provinciale belangen. Industrieterrein van provinciaal belang Het plangebied valt binnen de milieucontour van een industrieterrein met provinciaal belang. Ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, indien er geen beperkingen optreden voor de bestaande milieugebruiksruimte voor geluid, geur of omgevingsveiligheid voor bedrijven op het industrieterrein van provinciaal belang. De uitbreiding van de Oliehandel zorgt niet voor een beperking voor de bestaande milieugebruiksruimte.

Figuur 3.1: Uitsnede kaart 12 Omgevingsverordening NH2020 Industrieterrein van regionaal belang Een klein deel van het plangebied valt door de op de verbeelding opgenomen aanduidingen binnen kaart 13 onder 'Industrieterreinen van regionaal belang Wet geluidhinder'. De inrichting zelf valt buiten deze zone. Dit zijn industrieterreinen als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder. Dit heeft geen gevolgen voor de beoogde ontwikkeling.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

15

2021/24638

Figuur 3.2: Uitsnede kaart 13 Omgevingsverordening NH2020 Regionale waterkeringen Het plangebied bevindt zich binnen een regionale waterkering. Ter plaatse van het werkingsgebied Regionale waterkering voorziet het ruimtelijk plan in bescherming van de waterkerende functie door op deze functie toegesneden bestemmingen en regels. In de regels en op de verbeelding is dit opgenomen door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

Figuur 3.3: Uitsnede kaart 29 Omgevingsverordening NH2020 vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

16

2021/24638

Conclusie Het beleid uit de Provinciale Omgevingsverordening vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.3.3 Visie Noordzeekanaalgebied 2040 "Duurzame ontwikkeling van een economische motor" (2013) De visie Noordzeekanaalgebied 2040 richt zich op keuzes die nodig zijn om de belangrijke waarden in het gebied te versterken. De uitdaging is om de schaarse fysieke en milieuruimte in het Noordzeekanaalgebied optimaal in te zetten voor het creëren van de juiste vestigingsvoorwaarden voor bedrijvigheid die economische waarde en werkgelegenheid toevoegt en voor het huisvesten van talent (vanwege het aantrekken van internationaal concurrerend kwalitatief arbeidsaanbod). Daarbij hoort een leefbare omgeving met voldoende groen en recreatieruimte. Het Noordzeekanaalgebied is onderverdeeld in diverse gebieden. Het Hembrugterrein is hier één van. Toetsing Het plangebied valt binnen het Hembrugterrein. Dit terrein is geschikt voor bijzondere woon- en werkmilieus naast de nu aanwezige bedrijven op het gebied van zakelijke dienstverlening en creatieve bedrijvigheid. Het Hembrugterrein kan geleidelijk transformeren van werk- naar gemengde woonwerkgebieden.

Daarbij zal vaak sprake zijn van een tussenfase waarin het oorspronkelijke werkgebied met haven gebonden en industriële bedrijvigheid steeds meer verkleurt naar stedelijk getinte economische activiteiten (handel en dienstverlening, horeca, detailhandel, andere consumentgerichte activiteiten). Het gebruik van de gronden voor de inrichting vormt geen belemmering voor de transformatie van het Hembrugterrein. De toekomstige woningen van de Enclave tussen de Havenstraat 103 tot en met 114 liggen op voldoende afstand (zie ook Bijlage 2 en Bijlage 3). 3.3.4

Provinciale Woonvisie 2010 - 2020 "Goed wonen in Noord-Holland"

Voor de Metropoolregio (de regio's in Noord-Holland Zuid, aangevuld met het zuidelijk deel van Flevoland), waar Zaanstad deel van uitmaakt, is vastgelegd dat in de periode 2010-2020 netto 100.000 woningen worden toegevoegd, waarvan ongeveer 75.000 voor Noord-Holland Zuid. De ambitie van de Metropoolregio Amsterdam is een hoogwaardig en duurzaam leef- en woonmilieu te bieden, waar bedrijven, bewoners en bezoekers zich graag willen vestigen. Toetsing De ontwikkeling betreft de doorontwikkeling van een bestaande inrichting. De realisatie van de drie bedrijfswoningen heeft geen volkshuisvestelijke basis en daarmee geen directe raakvlakken met de Provinciale Woonvisie.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Zichtbaar Zaans - Ruimtelijke structuurvisie 2020 (2012)

De structuurvisie geeft een overzicht van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020. Daarvoor zijn vier ruimtelijke opgaven tot 2020 gedefinieerd. Tot 2020 werkt Zaanstad haar ruimtelijke ambities uit aan de hand van vier ruimtelijke ontwikkelopgaven: 1. verbinden (verbeteren van de lokale en regionale bereikbaarheid) 2. intensiveren en transformeren (verstedelijking door middel van slim, veranderend en meervoudig ruimtegebruik); 3. herstructureren en revitaliseren (verbeteren van de kwaliteit van een aantal woonbuurten en

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

17

2021/24638

bedrijventerreinen); 4. beheren en versterken (op peil houden en verbeteren van het bestaande stedelijke en resterende landelijke gebied). Toetsing Het plangebied ligt in het gebied 'Zaan-IJ oevers', waar de gemeente als doelstelling heeft de kwaliteiten van deze oevers beter te benutten. De beoogde ontwikkeling draagt bij een betere beleefbaarheid van de oever door minder verrommeling van de kade en een grotere afstand (13 meter) tussen de kade en het bunkerschip. Door de herindeling bevinden zich in de toekomstige situatie minder schepen per vierkante meter. Dit verbetert de zichtlijnen vanaf de kade over het water en verbetert de beleving. Gelet hierop is de ontwikkeling in lijn met de Ruimtelijke Structuurvisie. 3.4.2

Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016

Voldoende parkeerruimte is een randvoorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente stelt daarom als voorwaarde bij ruimtelijke ontwikkelingen dat er in afdoende mate in parkeerruimte wordt voorzien. Het parkeerbeleid is uitgewerkt in de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016. Deze nota beschrijft in detail hoe de gemeente bouwplannen en gebruikswijzigingen toetst op het parkeren van auto’s en fietsen. De Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016 vervangt de Parkeernota Zaanstad 2013. Toetsing In de regels is een dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid opgenomen. In paragraaf 4.3 wordt het aspect parkeren behandeld. 3.4.3

Ontwikkelingsplan Zaan/IJ (2012)

Zaanstad ziet als opgave voor de toekomst een duurzame en evenwichtige verstedelijking, waaronder de waterfrontontwikkeling van de Zaan- en IJ-oevers van Zaanstad en Amsterdam. De kernbegrippen daarbij zijn intensivering en transformatie. Met 30 kilometer waterfront biedt Zaanstad bijzondere mogelijkheden voor nieuwe karaktervolle woon- en werkgebieden aan het water. De Amsterdamse IJ en Zaanse Zaanoevers vormen het regionale verstedelijkingsproject Zaan/IJ. Totaal gaat het om de bouw van circa 40.000 woningen en het creëren van meer dan 20.000 arbeidsplaatsen. Binnen Zaanstad gaat het om ruimte voor ongeveer 7.000 woningen en 450.000 m2 vloeroppervlak voor bedrijven en voorzieningen. Het Ontwikkelingsplan is een staalkaart van mogelijke ontwikkelingen langs het totale waterfront van Zaanstad. Het plan maakt de kansen en de belemmeringen zichtbaar en stippelt een ontwikkelingsstrategie uit voor duurzame verstedelijking van de Zaan- en IJ-oevers. Toetsing Het plangebied valt onder het gebied Zaanmond in het Hembrugterrein. Vanwege de grote omvang zijn er veel kansen voor dit gebied. Een ontspannen en gefaseerde herontwikkeling van het voormalige artillerieterrein tot industrieel landgoed. Gedacht wordt aan gemengde bestemmingen met op langere termijn ook wonen. Met de vergroting van het bunkerstation worden de verkeersbewegingen van tankwagens verminderd.

Dit is een verbetering voor de aanwezige woonkwaliteit en voor de toekomstige ontwikkeling naar gemengd gebied. Gelet hierop vormt het Ontwikkelingsplan Zaan/IJ geen belemmering voor het onderhavige plan. 3.4.4

Actieplan geluid 2013-2018 en beleidsregel hogere waarden

Het actieplan geluid 2013-2018 en de beleidsregel hogere waarden beschrijven het gemeentelijke beleid ten aanzien van geluid en de wijze waarop de gemeente zich inzet om de geluidsituatie in de gemeente te verbeteren. In de beleidsregel is opgenomen op welke wijze getoetst kan worden of een hogere waarde verleend kan worden. Daarvoor wordt naast de hogere waarde zelf ook rekening gehouden met de gecumuleerde geluidbelasting.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

18

2021/24638

Toetsing Binnen het plangebied worden drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Wonen is een geluidsgevoelige functie. In hoofdstuk 4 zijn de bedrijfswoningen daarom akoestisch getoetst.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

19

2021/24638

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante omgevingsaspecten beschreven.

4.2

M ilieueffectrapportage

Toetsingskader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de betreffende activiteiten die niet aan de drempelwaarden voldoen, dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie In dit bestemmingsplan worden twee bunkerschepen, drie 'leurboten' en drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten' (D17.1) en en 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een haven voor de binnenscheepvaart' m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een opslagcapaciteit van 100.000 ton of meer of betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling heeft een opslagcapaciteit van circa 1.400 ton en heeft betrekking op een oppervlakte van circa 3.404 m2. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. In Bijlage 1 is de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

4.3

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

20

2021/24638

Voldoende parkeerruimte is een randvoorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. De gemeente stelt daarom als voorwaarde bij ruimtelijke ontwikkelingen dat er in afdoende mate in parkeerruimte wordt voorzien. Het parkeerbeleid is uitgewerkt in de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016. Deze nota beschrijft in detail hoe de gemeente bouwplannen en gebruikswijzigingen toetst op het parkeren van auto's en fietsen. De Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016 vervangt de Parkeernota Zaanstad 2013. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan is een dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid opgenomen.

Beoordeling Verkeer De Oliehandel is direct ontsloten op de Havenstraat. De verkeersbewegingen ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten nemen niet toe ten opzichte van de huidige situatie. De verkeersbewegingen van de tankwagens nemen af naar maximaal 2 keer per week (ten opzichte van de huidige 10 tankwagenbewegingen per week). Wel worden drie bedrijfswoningen mogelijk gemaakt (twee op de AVO en één op de Voorzaan). Op basis van de CROW-publicatie 381 wordt worst-case een verkeersgeneratie van 8,6 mvt/etmaal per woning aangehouden. Voor de twee extra woningen komt dit uit op een toename van de verkeersgeneratie met 25,8 mvt/etmaal. Dit extra verkeer wikkelt zich af via de Havenstraat. Gelet op de geringe toename van het verkeer zal dit niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

Parkeren Op grond van de Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016 wordt de opgave om parkeerruimte te realiseren alleen bepaald op basis van de toename van de parkeervraag (het zogenaamde principe 'oud voor nieuw'). Oud voor nieuw is alleen van toepassing als er al bestaande vraag is, bijvoorbeeld bij functiewijziging of vervangende nieuwbouw. Het principe van oud voor nieuw houdt ook in dat bestaande parkeerplaatsen die komen te vervallen, worden gecompenseerd. Toepassen van oud voor nieuw wordt altijd toegestaan: Indien de toename van de parkeerdruk kleiner is of gelijk aan drie parkeerplaatsen; Bij verbouwing en/of functiewijziging; Bij een toename van de parkeerdruk van meer dan drie parkeerplaatsen, wanneer de aanvrager aannemelijk maakt – bijvoorbeeld met een parkeertelling – dat de parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de buurt Er zijn 10 personen in dienst bij de Oliehandel. Overdag zijn er tegelijkertijd maximaal 9 personen bij de Oliehandel aanwezig (1 bewoner van de bedrijfswoningen en 8 overig personeel). In de avond en gedurende de nacht zullen er tegelijkertijd maximaal 5 personen aanwezig zijn (1 bewoner van de bedrijfswoningen en 4 overig personeel). Dit betekent dat er in een worst case scenario - overdag - 11 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn (3 bewoners van de bedrijfswoningen en 8 overig personeel).

Aan de overzijde van de weg bevinden zich 7 parkeerplaatsen. Figuur 4.1 geeft de locatie van de parkeerplaatsen weer. De Oliehandel huurt tevens een stuk grond aan de zuidkant van de toekomstige inrichting (zie ook onderstaande afbeelding). Dit stuk grond heeft volgens de huurovereenkomst een omvang van circa 54 m2 en kan worden gebruik ten behoeve van parkeren. De breedte van de rijweg inclusief de diepte van de stelconplaten ter hoogte van het stuk grond bedraagt bij elkaar opgeteld circa 10,5 meter. Dit betekent dat de strook grond op grond van de uitvoeringsnota Ruimte voor parkeren 2016 kan worden ingezet voor haaksparkeren. Uitgaande van een diepte van de stelconplaten van circa 5 meter (2,5 plaat), bedraagt de totale breedte van het stuk grond circa 10,8 meter (totaal 54 m2). Op grond van de uitvoeringsnota Ruimte voor parkeren

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

21

2021/24638

2016 moet elk parkeervak een breedte hebben van minimaal 2,42 meter. Met 4 parkeerplaatsen komt dat neer op 9,68 meter. Dit past binnen de totale breedte van het stuk grond (10,8 meter). In totaal zijn er dus 11 parkeerplaatsen aanwezig en daarmee wordt rechtstreeks voorzien in de parkeerbehoefte voor de bewoners en het personeel. In de nabijheid van de nieuwe inrichting (binnen een straal van 250 meter) bevinden zich bovendien voldoende openbare parkeerplaatsen ten behoeve van de ene bezoekersparkeerplaats.

Figuur 4.1: Strook parkeerplaatsen

Figuur 4.2: Locatie parkeerplaatsen zuidkant inrichting De uitbreiding van het bunkerstation vindt plaats in verband met het vergroten van de opslagcapaciteit van brandstof om dit via het water te kunnen laten aanleveren. De uitbreiding van de inrichting zorgt niet voor extra parkeerbehoefte. Conclusie

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

22

2021/24638

De aspecten verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verantwoordelijk voor het waterkwantiteit & en waterkwaliteitsbeheer.

Toetsingskader Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Waterschapsbeleid In het waterprogramma 2016 - 2021 presenteert het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die in deze periode worden uitgevoerd. Met dit Waterprogramma geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Hierin wordt antwoord gegeven op de vragen: Hoe zorgt het hoogheemraadschap in de toekomst voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering worden daarvoor gekozen? En welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? De klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van keuzes in het waterbeleid. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.

Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen van het hoogheemraadschap grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk.

Huidige situatie Het plangebied behoort tot de Noordzeekanaal-, (NZK/ARK-boezem) en is gelegen in Zijkanaal G.

Amsterdam/Rijnkanaal-boezem

Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Het beheerpeil van dit oppervlaktewater is NAP-0,40 m. vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

een

23

2021/24638

Waterkwantiteit Het plangebied is deels in oppervlaktewater gelegen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.

Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich in een beschermings- en kernzone van een regionale waterkering. Voor werkzaamheden binnen een beschermingszone dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is niet aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.

Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bestaande bunkerstation. Het bunkerstation zal bestaan uit twee bunkerschepen (AVO en Voorzaan), drie leurboten en drie bedrijfswoningen (2 op de AVO en 1 op de Voorzaan).

Waterkwantiteit De ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een drijvend bunkerstation. Er wordt geen invloed verwacht op de waterkwantiteit. Wel vinden werkzaamheden plaats in het oppervlaktewater, denk hierbij aan het realiseren of verplaatsen van aanlegplaatsen. Omdat er werkzaamheden plaatsvinden in oppervlaktewater, is een watervergunning noodzakelijk.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Vanuit de inrichting wordt afvalwater van huishoudelijk aard en niet verontreinigd hemelwater direct geloosd op het oppervlaktewater 'Zijkanaal G'. In beginsel zijn directe lozingen in het oppervlaktewater verboden, tenzij vrijstelling is verleend. De vrijstelling is verleend voor de inrichting, er wordt aan de gestelde eisen voldaan.

Veiligheid en waterkeringen De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling bevindt zich in een beschermingsen kernzone van een regionale waterkering. Voor de werkzaamheden aan de waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden om een negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving uit te sluiten. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

24

2021/24638

een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Het bunkerstation en de bedrijfswoningen worden aangesloten op het riool.

Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het plangebied. Er vinden werkzaamheden plaats in oppervlaktewater en in de beschermingszone van een regionale waterkering. Om negatieve effecten op het waterhuishoudkundige systeem, oppervlaktewaterkwaliteit en waterveiligheid uit te kunnen sluiten, is het noodzakelijk om aan de eisen van de watervergunning te voldoen.

4.5

Bodem

Toetsingskader Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosystemen vervolgens onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering. Als geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan sanering worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit goed genoeg is om te bebouwen ten behoeve van de toegekende bestemming (bodemgeschiktheids-verklaring): er mag pas worden gebouwd als de bodem schoon genoeg is bevonden. In het kader van de bouwplannen zal - afhankelijk van de aan te vragen activiteit - de bodem ter plaatse nader worden onderzocht. Indien nodig zal de bodem voorafgaand of tijdens de bouw geschikt gemaakt worden op basis van de nota "Naar een gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid in provincie en stad".

Onderzoek en conclusie Voor de beoogde ontwikkeling worden twee extra meerpalen geplaatst. De overige meerpalen worden verzet. Dit zal geen negatief effect hebben op de bodemkwaliteit. Verder komt er geen contact met de bodem. Bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.6

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

25

2021/24638

meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2022 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.

Nota archeologie Zaanstad In de Nota Archeologie Zaanstad 2009 staat dat de gemeente in haar bestemmingsplannen de gebieden van archeologische waarde aan gaat geven. Aan omgevingsvergunningen voor projecten die binnen deze gebieden vallen, verbindt de gemeente voorwaarden om archeologische vindplaatsen in de bodem te beschermen. Is dit niet mogelijk dan zal de aanvrager van de vergunning de vindplaatsen op moeten laten graven. Dergelijke eisen worden ook opgenomen in projectbesluiten en ontheffingen van het bestemmingsplan. Onderzoek en conclusie Archeologie Het gemeentelijk archeologiebeleid is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan “Havenstraat - Hemkade” door middel van dubbelbestemmingen: ter plaatse van het plangebied gelden de archeologische dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" en "specifieke vorm van waarde - 4". Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer bodemingrepen dieper reiken dan 80 centimeter beneden maaiveld en die tevens een oppervlakte groter dan 50 m² hebben. Bovenstaande dubbelbestemmingsplan zijn in het onderhavige bestemmingsplan overgenomen. Met de beoogde ontwikkeling vinden er geen bodemingrepen plaats met een oppervlakte groter dan 50 m² waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Cultuurhistorie Binnen en in de nabije omgeving van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Verder maakt het plangebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Het aspect archeologie en cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

26

2021/24638

4.7

Geluid

4.7.1

Geluidbelasting als gevolg van industrielawaai

De gemeente heeft laten onderzoeken in hoeverre het bunkerstation akoestisch gezien geschikt is voor bedrijfswoningen. Wonen – ook ten behoeve van het bedrijf - is een geluidsgevoelige functie waarvoor het volgende beoordelingskader geldt. De voorkeurswaarde voor industrielawaai is 50 dB(A), de wettelijke grenswaarde voor industrielawaai is 55 dB(A). Voor nieuwe woningen kan van de voorkeurswaarde middels een hogere waarde worden afgeweken tot aan de grenswaarde van 55 dB(A). Binnen het plangebied zijn drie nieuwe (bedrijfs)woningen voorzien. Rondom deze woningen zijn twee industrieterreinen aanwezig: 'Achtersluispolder-Westerspoor Zuid' en 'Westpoort'. Uit een akoestische berekening (bijlage 5) blijkt dat de maximale geluidbelasting op de woningen als gevolg van het industrieterrein 'Westpoort' niet hoger is dan de maximaal toe te kennen hogere grenswaarde van 55 dB(A). Voor dit industrieterrein kunnen derhalve hogere waarden worden vastgesteld, hetgeen in de planregels is gebeurd. De maximale geluidbelasting als gevolg van industrieterrein 'Achtersluispolder' bedraagt echter meer dan 55 dB(A), zijnde 57 dB(A). Hiervoor kunnen dus geen hogere waarde worden vastgesteld, althans niet voor die delen van de woningen waar de maximale geluidwaarde van 55 dB(A) wordt overschreden.

Voor die delen van de woningen die wel aan de maximale geluidwaarde van 55 dB(A) voldoen, zijn in de planregels hogere waarden vastgesteld. Gelet op het bovenstaande is in de planregels opgenomen dat de bedrijfswoningen als gevolg van industrielawaai worden uitgevoerd met een dove gevel of een vliesgevel, tenzij is aangetoond dat dat ter plaatse van (het betreffende deel van) die gevel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, dan wel aan vastgestelde hogere waarden. Onder een dove gevel wordt in dit concrete geval verstaan: Een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak: waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A); waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Onder een vliesgevel (geluidwerend vlies) wordt in dit concrete geval verstaan: Een bouwkundige constructie aangebracht aan de buitenzijde van een gevel met het doel een geluidsreductie op deze gevel te bewerkstelligen als gevolg waarvan voldaan wordt aan het gestelde in de Wet geluidhinder, en waarbij de afstand tussen geluidwerende vlies en gevel tenminste 0,5 meter is en waarbij er tussen geluidwerende vlies en gevel sprak e is van buitenlucht, met openingen ten behoeve van de luchtverversing met een capaciteit van tenminste 6 dm³ per seconde per m² vloeroppervlak van de achterliggende woning(en).

Technische uitvoerbaarheid dove gevels en geluidsluwe zijde of geluidsluw te openen delen. Omdat er hogere waarden vastgesteld worden voor de drie bedrijfswoningen is het actieplan geluid en de beleidsregel “Hogere waarden Zaanstad" van toepassing. Op grond van de beleidsregel mag een woning niet meer dan één dove gevel hebben en dient een woning te zijn voorzien van geluidsluwe zijde of een zijde met geluidsluw te openen delen. Uit de berekeningen door Buro Bouwfysica ( Bijlage 5) blijkt dat aan deze eisen kan worden voldaan.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

27

2021/24638

Aan de noordoost georiënteerde gevels van de bedrijfswoningen is het geluid van bedrijventerrein Achtersluispolder bepalend. Dit veroorzaakt op de gevel een niveau van ten hoogste 57 dB(A). Deze gevels moeten als dove gevel worden uitgevoerd of worden voorzien van een vliesgevel. Aan de zuidwest georiënteerde gevels is het geluid van bedrijventerrein Westpoort bepalend. Dit veroorzaakt op de gevel een niveau van ten hoogste 54 dB(A). De te openen delen in deze gevels moeten geluidsluw worden uitgevoerd om aan de eis van een geluidsluwe zijde te kunnen voldoen. Te openen delen zijn geluidluw tot 50 dB(A). Met b.v. voorzetramen die een geluidreductie van circa 10 dB(A) geven kan dit gerealiseerd worden. Gedurende de fase van de omgevingsvergunning zal worden getoetst of hieraan wordt voldaan en of met de geluidwering van de bedrijfswoningen de binnengrenswaarde van 35 dB(A) niet wordt overschreden. Een geluidwering van 22 dB(A) is daarvoor voldoende en uitvoerbaar. Voor de omgevingsvergunning moet een akoestisch rapport worden ingediend waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de beleidsregel "Hogere waarden Zaanstad" en het Bouwbesluit 2012 voor wat betreft gevelisolatie en spuivereisten.

Conclusie en juridische borging In de bedrijfswoningen is, met inachtneming van de genoemde maatregelen, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voorts is in de planregels opgenomen dat de bedrijfswoningen uitsluitend kunnen worden gebouwd indien in de geluidgevoelige ruimtes dan wel verblijfsruimtes van de te bouwen bedrijfswoningen een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) – ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van industrieterreinen “Westpoort” en “Achtersluispolder, Westerspoor-Zuid” - wordt gewaarborgd. Dit ongeacht de geluidwaarde(n) op de gevel(s) van de bedrijfswoning(en). Met de combinatie van hogere waarden en voornoemde planregelingen is wat betreft het aspect industrielawaai een aanvaardbaar woonen leefklimaat gegarandeerd.

4.7.2

Wegverkeerslawaai

De Provinciale weg en de dr. J.M. Den Uylweg zijn geen autowegen of autosnelwegen, beide wegen kennen een vrij grote verkeersstroom en een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur. Hierdoor wordt het gebied binnen de geluidszones van deze wegen beschouwd als binnenstedelijk gebied. Voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen deze geluidszones geldt de voorkeurswaarde van 48 dB en een maximale grenswaarde van 63 dB. Uit een akoestische berekening (bijlage 5) blijkt dat de maximale geluidbelasting op de bedrijfswoningen als gevolg van wegverkeer maximaal 48 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en is wat betreft het aspect wegverkeerslawaai een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. 4.7.3

Luchtvaartlawaai

Het luchtvaartlawaai wijzigt niet door het vaststellen van het bestemmingsplan. Er worden bovendien geen woningen toegevoegd binnen de 20 Ke-contour. De geluidbelasting als gevolg van luchtvaartlawaai is in onderstaand figuur inzichtelijk gemaakt. Deze geluidwaarden zijn ondergeschikt aan de geluidbelasting afkomstig van de beide gezoneerde industrieterreinen rondom het bunkerstation.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

28

2021/24638

Geluidbelasting

Figuur 4.3: Geluidbelasting ten gevolge van luchtvaartverkeer 4.7.4

Cumulatie

Conform artikel 1.5 van het Besluit geluidhinder kan de gemeente alleen hogere waarden vaststellen als cumulatie van verschillende geluidsbronnen niet leidt tot onaanvaardbare geluidbelastingen. Het bevoegd gezag moet definiëren wanneer er sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting. In dit geval betreft het de cumulatie van wegverkeer-, industrie en luchtverkeerlawaai. Uit een akoestische berekening (zie bijlage 5) blijkt dat de maximale gecumuleerde geluidbelasting 58 dB(A) bedraagt. Voor het Hembrugterrein (waar het voorziene bunkerstation onderdeel van uitmaakt) is in het gemeentelijke geluidbeleid (Actieplan omgevingslawaai 2019-2023 en beleidsregel hogere waarde gemeente Zaanstad) een uitzondering gemaakt, waardoor de ruimte bestaat voor een nadere afweging ten aanzien van de geluidsituatie en de aanvaardbaarheid daarvan. Deze nadere afweging is opgenomen in paragraaf 4.9 van de toelichting op het onherroepelijke bestemmingsplan “Havenstraat – Hemkade”. De hoogst berekende cumulatieve geluidbelasting Lcum van ten hoogste 63 dB is daar aanvaardbaar geacht. Uitgaande van een maximale cumulatiewaarde van 58 dB(A) geldt dit mutatis mutandis voor het onderhavige bestemmingsplan. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

vastgesteldbestemmingsplanBestemmingsplanOliehandel Anton van Megen

29

2021/24638

4.7.5

Conclusie

De voorziene bedrijfswoningen maken deel uit van de geluidzone rondom industrieterreinen Achtersluispolder en Westpoort. Gebleken is dat de maximale geluidbelasting op de woningen wat betreft het bedrijventerrein Westpoort niet hoger ligt dan de maximaal toe te kennen hogere grenswaarde van 55 dB(A). Voor dit industrieterrein kunnen derhalve hogere waarden worden vastgesteld, hetgeen in de planregels is gebeurd. De maximale geluidbelasting als gevolg van industrieterrein 'Achtersluispolder' bedraagt echter meer dan 55 dB(A). Hiervoor kunnen dus geen hogere waarden worden vastgesteld, althans niet voor die delen van de woningen waar de maximale geluidwaarde van 55 dB(A) wordt overschreden. Gelet op het bovenstaande is in de planregels opgenomen dat de bedrijfswoningen als gevolg van industrielawaai worden uitgevoerd met een dove gevel of een vliesgevel, tenzij is aangetoond dat ter plaatse van (het betreffende deel van) die gevel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, dan wel aan vastgestelde hogere waarden. In het hogere waardenbesluit (in de regels van het bestemmingsplan) is de toegewezen hogere waarde voor de woningen beschreven. Deze waarden vallen binnen de maximaal toegestane waarde van 55 dB(A) en de geluidbelasting op de woningen neemt in werkelijkheid niet toe als gevolg van het plan.

Door middel van de genoemde planregelingen wordt geborgd dat de bedrijfswoningen - indien benodigd- worden voorzien van een dove en/of vliesgevel.Voorts is in de planregels geborgd dat in de geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van de bedrijfswoningen sprake moet zijn van een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A). Dit ongeacht de geluidwaarde(n) op de gevel(s) van de bedrijfswoning(en). Met de combinatie van hogere waarden en voornoemde planregelingen is wat betreft het aspect industrielawaai een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10747177/1