CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota tot wijziging van de Welstandsnota Zaanstad 2013

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Wijziging Welstandsnota Zaanstad 201312.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

21

2021/8233 functie. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. De voorkeur gaat uit naar plaatsing aan de achterkant. Onderstaande criteria zijn vooral richtinggevend, omdat de mogelijkheden om een installatie vergunningsvrij te plaatsen zeer ruim zijn. Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van generieke welstandscriteria verbonden met de ordewaarderingen. Zonnecollectoren of wel PV panelen geheel zwart met zwarte rand en in regelmatig patroon. Plaatsing • indien zichtbaar vanaf de openbare ruimte slank vormgeven (een minimum aan dwarssprieten kan hiertoe bijdragen) • achter de voorgevellijn • bij gestapelde woningbouw - op het platte dak plaatsen - op of aan het balkon plaatsen binnen het verticale en horizontale vlak van het balkon en niet aan de gevel of kozijn Vormgeving • materialen en kleuren onopvallend (zoals gegalvaniseerd, antraciet of grijs) • installaties en bijbehorende voorzieningen (zoals mast, bedrading en tuidraden) als één geheel vormgeven • beperken van aantal tuidraden, geen tuidraden bij bevestiging aan gevel Isolatiewerkzaamheden Voor wat de duurzaamheidsmaatregelen betreft zoals kozijnwijzigingen, buitengevelisolatie, ventilatieroosters, dakisolatie een voorkeur voor binnenisolatie; bij buitenisolatie is door mogelijke aanwezigheid van siermetselwerk op hoeken, daklijsten, op muurdammen,

enz. toepassing van ceramische steenstrips maatwerk. Een isolatiepakket is toelaatbaar als de voor de karakteristiek belangrijke bouwkundige elementen zoals lateien, metselwerk, onderdorpels, raamlijsten niet onevenredig wordt aangetast. Het belang van deze elementen is afhankelijk van de karakteristiek van de aanwezige bebouwing en de stedenbouwkundige context. Bij dakislolatie dienen dakranden, daklijsten, boeidelen en nokpannen als bindend element te functioneren. Het bestaande beeld is uitgangspunt. Kozijnen in principe conform oorspronkelijke detaillering en indeling. Voor achterkant geldt de excessenregeling Orde 3: basisorde Stedenbouwkundige opzet: Voor de als basis gewaardeerde buurten of wijken geldt dat de architectonische continuïteit moet worden gehandhaafd, ook met betrekking tot vormgeving stedelijke ruimtes zoals dat tot uitdrukking komt in verhouding straatbreedte-bouwhoogte, afwisseling in morfologie, vernauwingen en verwijdingen en straat- en pleinprofielen; stedenbouwkundige ingrepen mogen geen afbreuk doen aan het bestaande straatbeeld. Architectuur: In de aanpak van voorgevels en gevels, grenzend aan openbaar gebied, geldt dat de oorspronkelijke karakteristiek het uitgangspunt vormt.

Afwijking van de oorspronkelijke gevelelementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur zijn denkbaar, als deze niet leiden tot een visuele verstoring van de architectuureenheid als geheel en van het straat- en/of gevelbeeld. Voor bouwwerken die ensembles vormen geldt als uitgangspunt een gezamenlijke aanpak van de daartoe behorende bouwwerken. Bij isolatie aan buitenzijde toepassing van steenstrips mogelijk al is vanwege mogelijke aanwezigheid siermetselwerk maatwerk nodig. Voor kleine bouwplannen op orde 3 panden gelden de criteria uit hoofdstuk 3 Kleine plannen

2.

Welstandscriteria voor vervangende nieuwbouw in sociale woningbouwwijken 1900-1945

Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria:

22

2021/8233 • Het dorpse karakter van het gebied behouden: - voorgevels richten op de belangrijkste openbare ruimte - rooilijnen volgen de weg en verspringen - samenhangende clusters, rijen en complexen maken in principe deel uit van een stedenbouwkundig patroon • De bouwmassa is evenwichtig en in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op de oorspronkelijke bebouwingskenmerken van het gebied (hoofdvorm en nokrichting): - gebouwen zijn afwisselend en hebben in beginsel een eenvoudige rechthoekige plattegrond - de individuele woning binnen een rij of ensemble is deel van het geheel - goed zichtbare uitbreidingen als aanbouwen en dakkapellen vormgeven als ondergeschikt element of in samenhang met de compositie van het woningblok - gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm • De architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig, gevarieerd en zorgvuldig: - aan voorkanten de differentiatie behouden (en indien van toepassing de aanwezige herhaling) - elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen - kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren - wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op Hoofdvolume • Materialen en kleuren afstemmen op de directe

omgeving en zijn aan voorkanten per stedenbouwkundige eenheid in samenhang.

Welstand gebieden Hoofdstuk 5 Gebied 1 t/m 3 ongewijzigd

Gebied 4 Vroege uitbreidingen Beschrijving De vroege uitbreidingen van Zaanstad vormen een schil rond het Zaanlint. Het gebied bestaat uit gemengde, kleinschalige (Zaanse) bebouwing uit diverse periodes. De basis is het individuele pand met een dorps karakter en een eenvoudige uitwerking. Uitzondering hierop zijn enkele samenhangende ensembles met het karakter van een tuindorp, die een aparte beschrijving hebben gekregen. Aangezien de bebouwing op meerdere plaatsen in elkaar overloopt, zijn de (deel) gebiedsgrenzen niet helemaal goed te trekken. Gemengd Zaans Haaks op het Zaanlint, evenwijdig aan het onderliggende landschapspatroon, ligt een padenstructuur met voornamelijk eenvoudige kleinschalige woonbebouwing. Het overgrote deel van de oude dwarspaden en gedempte sloten is oorspronkelijk en staat vermeld op de cultuurhistorische waardenkaart. In het gebied overheerst een smal straatprofiel waarin de huizen met de voorgevel in een doorgaande rooilijn veelal direct aan het trottoir staan. Hier en daar is ruimte voor een (bescheiden) voortuin. De achterterreinen bestaan in de regel uit tuinen met een aanzienlijke hoeveelheid aanbouwen en bijgebouwen. Aan het stratenpatroon ligt meestal geen overkoepelend ontwerp ten grondslag. De bebouwing bestaat overwegend uit kleinschalige woningen van één of twee lagen met kap.

Deze zijn veelal gebouwd als individueel pand of in een bescheiden serie. De opbouw van de bouwmassa is divers. Er is een grote variatie in met name kapvorm en nokrichting, maar ook in erkers, balkons, torentjes en dakkapellen is er veel

23

2021/8233 onderscheid. Naast woningen komen in het gebied ook enkele bedrijven voor. Baksteen is het verbindend element in de architectuur van het gebied. Hiermee is op allerlei wijzen gevarieerd. De meeste woningen zijn gebouwd in eclectische stijl met staande ramen, sierlijsten, spekbanden, trapgevels of stucornamenten zoals gebruikelijk aan het eind van de negentiende eeuw. In de loop der tijd zijn veel panden verbouwd of aangepast aan de eisen van een andere tijd. Raampartijen zijn vergroot, aanbouwen geplaatst, dakkapellen vervangen en gevels gestuct. Het straatbeeld is hiermee nog meer variatie gaan vertonen. De gevels zijn overwegend van roodbruine baksteen met toevoegingen in de vorm van plinten, banden, vensters, siermetselwerk en ornamenten. Een aantal gevels zijn voorzien van lichtkleurig stucwerk of overgeschilderd in verschillende kleuren. Ook geschilderd hout komt voor, zoals bij de Zaanse huisjes. De daken zijn veelal voorzien van keramische dakpannen in oranjerood of donkergrijs. Tuindorpen Een deel van de vroege uitbreidingen bestaat uit samenhangende woningensembles uit de jaren ‘20 en ’30. Denk aan de Bloemenbuurt en de Indische buurt en de bebouwing aan en rond de Govert Flinkstraat, Pieter Latensteinstraat, Burgemeester Smitstraat en Herderstraat.

De geschiedenis van de sociale woningbouwijken is nauw verweven met de Zaanse sociaal-economische geschiedenis. Voor deze wijken is een eigen waarderingssystematiek ontwikkeld. Om die reden heeft deze categorie wijken, buurten en woningbouw een eigen object beschrijving gekregen onder hoofdstuk 4. Op deze kaart is aangegeven om welke buurten het gaat:

24

2021/8233

Voor de wijken en buurten anders dan de Sociale Woningbouwwijken gelden onderstaande criteria. De bebouwingsstructuur is van buurten als de Schildersbuurt in Zaandam en vele vooroorlogse uitbreidingen in Krommenie zijn net als veel sociale woningbouwwijken uit deze periode gebaseerd op herhaling van de woning als basiseenheid, waarbij verbijzonderingen in de openbare ruimte vertaald worden in accenten in de massa en vormgeving van hoeken en kappen. De bebouwing bestaat uit zowel twee onder één kap woningen en korte rijtjes. Ze vormt samenhangende clusters in gedifferentieerde composities. In sommige van deze clusters zijn bijzondere functies opgenomen, zoals scholen en kerken. Deze hebben een afwijkende massa, opbouw en vorm, maar komen in detaillering, materiaal- en kleurgebruik overeen met de clusters. Deze gebieden hebben ondanks de smalle straten veelal een groen karakter door voortuinen en groenvoorzieningen als gazons en parkjes. De bebouwing vormt samenhangende clusters. De panden zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De rooilijn is per cluster in samenhang en verspringt regelmatig. Bij stedenbouwkundige aanleidingen komen onder andere hoogteverschillen in de massa, nokverdraaiingen en rooilijnverspringingen voor. De woningen zijn één tot twee lagen hoog met een nadrukkelijke kap.

De opbouw varieert van een eenvoudig tot gedifferentieerd met elementen als erkers, aanbouwen, topgevels en balkons. De gevels hebben een horizontale geleding met verticale accenten. De overgang tussen privé en openbaar gebied is zorgvuldig vormgegeven door middel van bijvoorbeeld luifels, nissen en tuinmuurtjes. De voorgevel is representatief en de overige in het zicht staande gevels ook. De detaillering is zorgvuldig en per cluster in samenhang. De rand van

25

2021/8233 het dak is meestal benadrukt door een uitkragende dakgoot. Grote dakoverstekken zijn uitgetimmerd. Raamvlakken zijn veelal onderverdeeld met stijl en regels en soms voorzien van roeden. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en per cluster in samenhang. Gevels zijn grotendeels van baksteen met accenten en soms gestuct in lichte tinten. Hellende daken zijn in het algemeen gedekt met keramische pannen veelal in de kleur oranje. Kozijnen zijn van hout en in een lichte tint geschilderd. Overig Het gemengd gebied is een gegroeid gebied. Naast bovengenoemde hoofdtypen, komen in het gebied ook clusters seriematige woningbouw voor uit de tweede helft van de 20e eeuw. Ook is een deel van de oorspronkelijke bebouwing vervangen. Voorbeelden zijn de rechte rijen Rederstraat en omgeving en de recente inbreidingen aan de Klamperstraat, Grote Belt en het zuidelijke deel van de Oostzijde. Hier en daar staat ook een appartementenblok. Deze bebouwing vertoont met name kenmerken van de rechte wijken en thematische uitbreidingen. Uitgangspunten De vroege uitbreidingen van Zaanstad zijn gewogen welstandsgebied met een gewone beoordeling. De waarde ligt in de historische relatie tussen de paden en de dijk langs de Zaan in combinatie met de afwisselende, kleinschalige bebouwing.

In de tuindorpen ligt de waarde in het pittoreske beeld van de stedenbouwkundige opzet in samenhang met de overwegend zorgvuldig vormgegeven woningen. De groene voortuinen en groenvoorzieningen versterken dit beeld. Uitgangspunt voor welstand is behoud van de historische stedebouwkundige structuur met bijbehorende kleinschalige bebouwing. Behoud van het gegroeide en afwisselende beeld staat centraal, zonder wijzigingen en nieuwbouw onmogelijk te maken. Binnen de tuindorpen is welstand gericht op het beheer van een samenhangend beeld, de herhaling van de woning met accenten ter plaatse van stedenbouwkundige aanleidingen, de gedifferentieerde opbouw met nadrukkelijke kap, zorgvuldige detaillering en het gebruik van traditionele materialen en kleuren. De nadruk ligt in alle vroege uitbreidingen op het zicht op de bouwwerken vanuit de openbare ruimte.

Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: • Het dorpse karakter van het gebied behouden: - voorgevels richten op de belangrijkste openbare ruimte - rooilijnen volgen de weg en verspringen - samenhangende clusters, rijen en complexen maken in principe deel uit van een stedenbouwkundig patroon • De bouwmassa is evenwichtig en in harmonie met het gebiedskarakter en afgestemd op de oorspronkelijke bebouwingskenmerken van het gebied (hoofdvorm en nokrichting): - gebouwen zijn afwisselend en hebben in beginsel een eenvoudige rechthoekige plattegrond - de individuele woning binnen een rij of ensemble is deel van het geheel - goed zichtbare uitbreidingen als aanbouwen en dakkapellen vormgeven als ondergeschikt element of in samenhang met de compositie

26

2021/8233 van het woningblok - gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm • De architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig, gevarieerd en zorgvuldig: - aan voorkanten de differentiatie behouden (en indien van toepassing de aanwezige herhaling) - elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen - kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren - wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op Hoofdvolume • Materialen en kleuren afstemmen op de directe omgeving en zijn aan voorkanten per stedenbouwkundige eenheid in samenhang. Gebied 5 t/m 8 ongewijzigd

Hoofdstuk 6 Welstand en erfgoed Zaanstad heeft een aanzienlijke hoeveelheid cultureel erfgoed, waaronder historische panden aan de linten, Zaanse huizen, (stolp)boerderijen, sociale woningbouwwijken uit de periode 1900-1945 en bijzondere objecten als kerken, kapbergen en molens. Naast monumenten aangewezen door het Rijk zijn er gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden. De beschermde gezichten zijn als geheel monumentaal en zijn besproken bij de gebieden in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk wordt een handreiking gedaan voor de kleinere objecten. Het is de wens van de gemeente deze losse objecten te koesteren. Doel van dit hoofdstuk is de voor welstand relevante eigenschappen van het monument of karakteristiek pand bij de weging mee te kunnen nemen. Dit geldt zowel voor bouwplannen aan een monument of karakteristiek pand als voor bouwplannen binnen de invloedssfeer van deze objecten. Hoe ver de invloedssfeer reikt, verschilt per situatie. Toepassing De onderstaande toelichting en overwegingen dienen als kader voor de welstandstoets van cultureel erfgoed (monumenten en karakteristieke panden). Daarbij zal, anders dan de monumententoets, worden gekeken naar de verschijningsvorm van het bouwplan in relatie tot het monument en de plaatsing ten opzichte van openbare ruimte, landschap en ensemble zoals aangegeven in de gebiedsbeschrijvingen.

Daarnaast kunnen de monumentale waarden ook van invloed zijn op bouwplannen in de directe omgeving. De inpassing van bouwplannen aan en binnen de invloedssfeer van cultureel erfgoed is altijd maatwerk, waarbij de oorspronkelijke karakteristieken van het object of ensemble een randvoorwaarde zijn. Daarom is het op voorhand lastig om aan te geven hoe ver de invloedssfeer van erfgoed reikt. Zo heeft een monumentale zichtlijn doorgaans meer invloed op de omgeving dan een geveldetail. Bij de afweging dient de commissie hier oog voor te hebben. Waarde Van belang voor cultureel erfgoed is allereerst de waarde van het object op zich. Elk pand of bouwwerk heeft een eigen architectuur en daarmee wat betreft de vormgeving een eigen logica, zeker in de

27

2021/8233 afwisselende context van de Zaanstreek. Daarnaast is er veelal sprake van ensemblewaarde, die voor (stolp)boerderijen een andere logica heeft dan voor een kerk met pastorie of de bebouwing bij een molen. Ten aanzien van de woningen in de Sociale Woningbouwwijken heeft de gemeente de wisselwerking tussen object en ensemble in waarderingskaarten gewaardeerd. De criteria in Hoofdstuk 4 Welstand objecten – Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 nemen deze waarden mee in de beoordeling. Om recht te doen aan de bijzondere waarde stelt de gemeente aanvullende eisen aan bouwplannen aan en binnen de invloedssfeer van cultureel erfgoed. De gemeente wenst de ontwikkeling in beginsel af te stemmen op de historische eigenschappen. De gemeente zet in op behoud dan wel versterking van het cultuurhistorisch karakter van de gebouwen in hun omgeving, waarbij voor kleine wijzigingen een gelijke architectuur uitgangspunt is maar voor grotere wijzigingen een meer eigentijdse architectuur eveneens passend kan zijn. Bij de beoordeling van kleinere wijzigingen zal onder meer de inpassing daarvan in de ordening op het erf en het karakter van het pand worden bekeken, waarbij onder meer aandacht zal worden geschonken aan de architectonische uitwerking met inbegrip van materiaal- en kleurgebruik.

Bij de beoordeling van eventuele grotere wijzigingen zal met name aandacht worden geschonken aan een grote mate van terughoudendheid met een nadruk op de plaatsing ten opzichte van enerzijds de openbare ruime met inbegrip van het landschap en anderzijds het object of ensemble op zich, een terughoudende vormgeving met inbegrip van materiaal- en kleurgebruik (zoals de Zaanse kleurenwaaier). Waarin wijzigingen en nieuwbouw mogelijk zijn, heeft behoud en herstel van historisch wenselijke eigenschappen prioriteit. Omdat cultureel erfgoed vraagt om een specifieke benadering zal bij de beoordeling eveneens kunnen worden teruggegrepen op het vakmanschap van de ontwerper zoals bedoeld en beschreven in de algemene criteria.

Plannen aan cultureel erfgoed of op het bijbehorende perceel Bij aanpassingen aan of in de directe nabijheid van cultureel erfgoed gelden de volgende algemene uitgangspunten: • wijzigingen hebben in beginsel een ondergeschikte rol in het aanzien van het object en zijn in stijl, maat, schaal en detaillering zorgvuldig afgestemd op (cultuurhistorische delen van) het object • bij aanpassingen blijft de hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar • het zicht op monumenten en karakteristieke panden niet onevenredig Aantasten Plannen binnen de invloedssfeer van erfgoed De invloed van een monument of karakteristiek pand gaat veelal verder dan het object zelf en het erf waar het op staat. Daarom geldt naast bovengenoemde uitgangspunten in de invloedssfeer van cultureel erfgoed, dat een bouwplan geen onevenredige afbreuk mag doen aan de historische waarden. Dit wordt gewogen aan de hand van de volgende criteria: • het bouwplan respecteert de historische context, waaronder de visuele waarden genoemd in de redengevende beschrijving van een monument • het bouwplan doet geen afbreuk aan de omgeving door onzorgvuldige detaillering, armoedig materiaalgebruik of contrasterende kleuren

28

2021/8233 Bijlagen Bijlage 1 t/m 4 ongewijzigd Bijlage 5 Waarderingskaarten Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 Bijlage 6: omschrijving waarden waarop de toekenning van de orde waarderingen is gebaseerd: Stedenbouwkundig waarden: de stedenbouwkundige waarden hebben betrekking op de stedenbouwkundige opzet van de wijk en de vraag of hierin nog het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan herkenbaar en/of dat het gaat om een als ensemble aangelegde eenheid die is ingebed in het organisch gegroeide stadsweefsel. Hierbij wordt beoordeeld in hoeverre in de opzet een hiërarchie in de structuur van straten aanwezig is, in hoeverre de inrichting van de openbare ruimte in opbouw van straatprofiel en aanwezigheid en inrichting van het groen en beplanting een bijdrage levert aan een hoogwaardig stadsbeeld. Middelen waarbij in de compositie van het stadsbeeld van vroeg 20ste eeuwse wijken gebruik gemaakt is, zijn duidelijk ontworpen zichtlijnen, omsloten stedelijke ruimtes die zorgen voor beschutting in de stedelijke ruimte van de straat door het aanbrengen van knikken in het straatverloop, ritmering in straatwanden door toepassing van topgevels, verspringingen in als eenheid ontworpen woningbouwblokken, hoekaccenten bij toegang tot straten of symmetrisch tegen over elkaar vormgegeven straatwanden.

In de opzet van de vroeg 20ste -eeuwse wijken in de Zaanstreek zijn de volgende fasen herkenbaar: - het volgen van de oorspronkelijke dijken en paden structuur, door deze structuur als drager voor de bebouwing te nemen. - een civieltechnisch uitbreidingsplan/ stedenbouwkundig plan, gemaakt door een civieltechnisch ingenieur of architect vormt de basis voor de bebouwing. Aan de opzet van stratenplannen ontbreekt een duidelijk herkenbare stedenbouwkundige opvatting. - een uitbreidingsplan op basis van moderne stedenbouwkundige principes. Voor de vroeg 20ste -eeuwse wijken waren dat vaak de ontwerpprincipes van de tuindorpen, zoals deze eerst ontwikkeld werden in Engeland, en later ook in andere Europese landen. Architectonische waarden: Architectonische waarden hebben betrekking op de wisselwerking tussen typologie van de plattegronden en de vormgeving van het exterieur en de compositie van de gevels, de vormgeving van de daken en van de overgang tussen private en openbare ruimte. De rijkdom van de architectuur als het gaat om de toepassing van ornamentiek in de vorm van metselversieringen, opbouw van schoorstenen en profiel van daken, de vormgeving van dakkapellen en dakopbouwen, kan verschillen.

De architectuur is ook cultuurhistorisch bepaald omdat de woningtypologie terug te voeren is op de invoering van de Woningwet in 1901 en de daarmee gepaard gaande regels ter verbetering van leefomstandigheden van de arbeiders. De vormgeving is mede terug te voeren op de stichters van een buurtje, omdat in de verzuilde samenleving socialisten en verlichtte industriëlen andere architecten opdracht gaven dan de confessionele corporaties. Gaafheid: Gaafheid heeft betrekking op de mate waarin de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet en/of de oorspronkelijk architectonische vormgeving van de wijk of buurt nog herkenbaar is. Denk daarbij aan de herkenbaarheid van zichtlijnen, straatprofielen en hoogteaccenten of aan de aanwezigheid van de oorspronkelijke roedeverdeling in de ramen, profilering van dakgoten, deur en raamkozijnen en de ornamentiek in het metselwerk. Bij de hantering van dit criterium is meegenomen dat wijzigingen uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw in raamindelingen en het aanbrengen van de aan de vooroorlogse architectuur vreemde materialen als trespa en kunststof met

29

2021/8233 profielen die niet in overeenstemming zijn met de historische architectuur eenvoudig te wijzigen zijn. Zeldzaamheid: Zeldzaamheid heeft betrekking op de mate waarin een bepaalde stedenbouwkundige configuratie of bepaalde architectonische verbijzondering nog voorkomt in de vroeg 20ste -eeuwse sociale woningbouw. Denk daarbij aan een waaiervormig stedenbouwkundig plan, een hofjesstructuur als het om stedenbouw gaat of een rijk gedecoreerde gevelcompositie als het om de architectuur gaat. Hoe meer voorbeelden van sociale woningbouw verdwijnen, hoe zeldzamer zelfs de meest eenvoudig opgezette en vormgeven buurt of wijk wordt en de betekenis van dit criterium in de waardering belangrijker wordt.

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10082288/1