Nota tot wijziging van de Welstandsnota Zaanstad 2013
Tekst van het document
2021/8233
Nota tot wijziging van de Welstandsnota Zaanstad 2013 De hoofdstukken uit de Welstandsnota Zaanstad 2013 die ten behoeve van de Sociale Woningbouwwijken zijn gewijzigd, zijn hieronder integraal opgenomen. De passages die zijn gewijzigd zijn rood gemarkeerd. De overige hoofdstukken worden genoemd.
Vaststelling en citeertitel Deze nota is vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Zaanstad op ....... en kan worden aangehaald onder de naam ‘Welstandsnota Zaanstad 2013’. Deze nota vervangt de Welstandsnota Zaanstad 2008. Op een aanvraag om vergunning, ontheffing of toestemming anderszins en op verzoek om handhaving, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze beleidsregels van kracht worden en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de Welstandsnota Zaanstad 2008 (in werking getreden op 13 maart 2008) van toepassing, zoals deze luidden vóór de vaststelling van de onderhavige beleidsregels, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de onderhavige regels worden toegepast. Eerste wijziging welstandsnota Zaanstad 2013 De gemeenteraad heeft de eerste wijziging van de Welstandsnota Zaanstad 2013 in de vergadering van 4 september 2014 vastgesteld, inhoudende: a. Technische wijziging van het praktijkvoorbeeld op pagina 9 van de nota b. Technische wijziging van de tekstpassage onder het kopje ‘wel standsniveaus’ op pagina 23. Tweede wijziging welstandsnota Zaanstad 2013 De gemeenteraad heeft de tweede wijziging van de Welstandsnota 2013 in de vergadering van …. 2021 vastgesteld, inhoudende: a) Toevoeging Waarderingskaarten Sociale Woningbouw 1900-1945.
b) Aanpassing kaart Welstandniveaus met betrekking tot de met een orde 1 en orde 2 gewaardeerde buurten c) Toevoeging object Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 aan Hoofdstuk 4 Welstand objecten waarin opgenomen de criteria die bij renovatie van toepassing zijn op de met een orde 1, 2 en 3 gewaardeerde panden in deze wijken en de richtlijnen die van toepassing zijn op vervangende nieuwbouw in deze wijken Deze wijziging geldt vanaf ………(de dag na die van bekendmaking)
1
2021/8233
Inhoud • Vaststelling en citeertitel 2 • Voorwoord De identiteit van Zaanstad 5 • Hoofdstuk 1 Inleiding Stroomschema welstandsnota 8 Uitgangspunten 9 Gebruik van de nota 9 Leeswijzer 10 • Kaart 1 Hoofdroutes en aanvullend beleid 12 • Hoofdstuk 2 Welstand op hoofdlijnen Grondslag welstand 13 De ruimtelijke kwaliteit van Zaanstad 14 Afwijkende plannen (excessen/projecten/algemene criteria) 19 • Kaart 2 Welstandsniveaus 22 • Hoofdstuk 3 Welstand kleine plannen Vergunning 27 Trendsetter 27 Voor- en achterkant 27 - Aangebouwd bijbehorend bouwwerk (1) 28 - Vrijstaand bijbehorend bouwwerk (2) 29 - Kozijn- en gevelwijzigingen (3) 30 - Dakkapellen en dakramen (4) 31 - Erfafscheidingen (5) 34 - Dakterrassen (6) 35 - Dakopbouwen (7) 36 - Installaties (8) 38 - Reclame (9) 39 • Hoofdstuk 4 Welstand objecten Objecten 47 Niveaus 47 - Zaanse huizen 48 - Boerderijen 52 - Molens 56 - Zaanse nijverheid 60 - Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 … • Kaart 3 Welstandsgebieden 62 • Hoofdstuk 5 Welstand gebieden Gebieden 67 Niveaus 67 - Centrum Zaandam - Inverdan (1) 68 - Zaanlint (2) 74 - Landelijk lint (3) 80 - Vroege uitbreidingen (4) 86 - Woongebieden vanaf 1950 (5) 90 - Bedrijventerreinen (6) 94 - Groen en parken (7) 98 - Buitengebied (8) 100 • Hoofdstuk 6 Welstand en erfgoed Toepassing 107 Waarde 107 • Bijlagen Begrippenlijst 111 Algemene criteria 117 Straatnaamregister 121 Aanvullend tijdelijk
beleid 143 Colofon De welstandsnota Zaanstad 2013 werd opgesteld in opdracht van de Gemeente Zaanstad door Architectenwerk Twan Jütte te Delft.
2
2021/8233
De identiteit van Zaanstad Voorwoord Ongewijzigd
Inleiding Hoofdstuk 1 Ongewijzigd
Kaart 1Hoofdroutes en aanvullend beleid Ongewijzigd
Welstand op hoofdlijnen Hoofdstuk 2 3
2021/8233 Ongewijzigd
Kaart 2 Welstandsniveaus
De hier afgebeelde kaart wordt aangepast voor wat betreft Vissershop, Talmabuurt, Westzanerdijk, deel Havenbuurt, Delftse rij, Bomenbuurt (Zaandam), Burgemeestersbuurt en deel IJdenbergbuurt, Apolloplantsoen, Rosmolenwijk Zuid en Midden, Oud Rooswijk, Rode Buurt, Boerejonkerbuurt, deel Oud Koog en Zuiderkerkstraat, Indische buurt (groot deel), Bomenbuurt (Wormerveer), Zeeheldenbuurt, Het Blok, Oranjeplein e.o., Prins Hendrikstraat e.o.) Deze buurten worden rood gekleurd voor ‘gewogen bijzonder’. Voor de gehele gemeente is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. De niveaus zijn eenvoudig en gewogen (bijzonder en gewoon). Eenvoudig Een deel van de bebouwing heeft een eenvoudig welstandsniveau. In deze gebieden wordt ruimte geboden voor vernieuwing en experimenten, met behoud van sturing op primaire kwaliteiten. De lichte toetsing richt zich op voor-, zij- en achterkanten van een gebouw en heeft betrekking op zowel erf, gevel als dakvlak. Gewogen Andere gebieden hebben een gewogen welstandsniveau, waarbij er onderscheid is gemaakt in gewone en bijzondere gebieden. In de gewone welstandsgebieden is het regime wat strenger dan in eenvoudige gebieden. Bouwplannen in gewogen gebieden doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte.
Aan achterkanten kunnen bouwplannen vanwege hun beperkte invloed op de openbare ruimte veelal soepeler beoordeeld worden. In de bijzondere welstandsgebieden zoals het centrum, de linten en Dorpskernen en de Sociale Woningbouwwijken 1900-1945, gewaardeerd met een orde 1 of 2 is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Aanduiding tijdelijk regime
4
2021/8233 Op enkele locaties is een aanduiding opgenomen. Hier geldt tijdelijk een ander welstandsniveau. Zie hiervoor de kaart in Bijlage 4. Eventueel aanvullend beleid, voortkomend uit een beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld door de raad en opgenomen in bijlage 4 van de nota. Ook zijn er gebieden waar een welstandsvrij regime geldt voor een proefperiode van vier jaar. Bouwplannen in deze gebieden die geen betrekking hebben op een monument worden in deze periode niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Ook niet achteraf op excessen. Na deze periode zal de proef geëvaleerd worden
Hoofdstuk 3 Welstand kleine plannen Ongewijzigd
Hoofdstuk 4 Welstand objecten
In dit hoofdstuk worden de objectgerichte welstandscriteria genoemd voor de bouwwerken, die specifiek zijn voor Zaanstad. Waar de meeste grotere bouwplannen worden beoordeeld aan de hand de karakteristiek van de gebieden zoals het bebouwingspatroon en de verschijningsvorm van de gebouwen, zal bij de objecten vooral gebruik worden gemaakt van het karakter van het object. Objecten De Zaanse huizen, boerderijen, Zaanse nijverheid en molens en de sociale woningbouwwijken uit de periode 1900-1945 zijn benoemd als bouwwerken en structuren die niet altijd met het gebiedsgerichte beleid kunnen worden beoordeeld en waarvoor een beoordelingskader met ‘eigen’ welstandscriteria op zijn plaats is. Per objecttype en in het geval van de sociale woningbouwwijken ook de structuur van de buurt en wijk is een beschrijving opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, een typering van de bouwwerken, het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Deze beschrijving wordt gevolgd door de uitgangspunten voor de welstandsbeoordeling en criteria. Deze criteria zijn onder meer gebaseerd op historische karakteristieken en architectonische eigenschappen. Dit betekent niet dat bij ingrepen aan deze bouwwerken om imitatie van historische elementen wordt gevraagd, juist een eigentijdse vormgeving kan de karakteristieken benadrukken.
Niveaus Voor elk object is in de tekst het gewenste welstandsniveau aangegeven.
Object 1 Zaanse huizen Zaanse huizen zijn typerend voor de historische dorpen en het buitengebied in de Zaanstreek. Ook komen ze in het stedelijk gebied voor, met name aan de oude lintstructuren. De oorsprong van het type ligt in de houtbouw met gevels voorzien van planken en soms baksteen en daken voorzien van eenvoudige plannen. Beschrijving Het Zaanse huis is een historisch type, waarop in de loop der tijd naar gelang de beschikbaarheid van geld en mode in de architectuur is gevarieerd van eenvoudig tot rijk.
5
2021/8233
Historische Zaanse huizen In het (voormalig) landelijk gebied en Haaldersbroek bijvoorbeeld zijn de meeste huizen eenvoudig van uitvoering met een beperkte versiering. Lijsten, makelaars en andere ornamenten zijn ondergeschikt. Dat is heel anders bij de rijke Zaanse huizen in historische linten als Zaandijk en Westzaan. Deze panden hebben net als de eenvoudige huizen in de regel een eenvoudige hoofdvorm, maar ze zijn uitgevoerd met allerlei ornamenten. Versieringen als lijsten en borden zijn minder ondergeschikt. Soms hebben de bouwers van de rijke huizen zich laten inspireren door bijvoorbeeld klokgevels, andere keren is gebruik gemaakt van classicistische vormen zoals pilasters of zuilen. De orde van de versieringen is zo, dat de op de belangrijkste openbare ruimte gerichte voorgevel de nadruk krijgt. Daarnaast zijn soms op de hoeken van de voorgevel kapiteinsramen geplaatst, ramen onder een hoek van vijfenveertig graden die breed uitzicht bieden. De huizen hebben in principe een logische, door constructie bepaalde basisvormgeving: een met planken betimmerde houten constructie, die aan de voorzijde ook wel eens schuilgaat achter een stenen gevel. Het dak is gedekt met pannen. Meestal hebben de gebouwen een onderbouw van één laag met een rechthoekige plattegrond en een bovenbouw bestaande uit een steil zadeldak.
De scheiding tussen onder- en bovenbouw is sterk, niet alleen door de overgangen in materiaal maar ook door de nadrukkelijke aanwezigheid van de goot. Ook de scheiding tussen de overige vlakken is duidelijk aanwezig in de detaillering. Langs de opgaande randen van het dak bijvoorbeeld zijn windveren te vinden. Bij directe ontmoetingen van vlakken voert het meest belangrijke vlak de boventoon, zoals bij de hoek van een stenen voorgevel: de houten zijwand sluit achter aan en toont de dikte van de stenen muur. Het onderscheid tussen constructieve elementen van het hoofdvolume en toevoegingen is sterk. Aanbouwen en opbouwen zijn losse elementen en blijven binnen de grenzen van het vlak waaraan ze raken. De verticale raamopeningen zijn meestal midden in het vlak geplaatst, maar kunnen ook aansluiten op de onderste lijn van de goot. Daarnaast zijn soms op de hoeken van de voorgevel kapiteinsramen geplaatst onder een hoek van vijfenveertig graden. Versieringen als lijsten en borden zijn op dezelfde manier ondergeschikt aan de vlakken van het volume. De orde van de versieringen is zo, dat de op de belangrijkste openbare ruimte gerichte voorgevel de nadruk krijgt. Soms hebben de bouwers van de rijke huizen zich laten inspireren door bijvoorbeeld klokgevels, andere keren is gebruik gemaakt van classicistische vormen zoals pilasters of zuilen.
De gebruikte materialen zoals baksteen en houten beschot worden gekenmerkt door textuur. Gladde vlakken komen niet voor. Lijsten en andere belijningen zijn uitgevoerd met profilering, maar zonder dwarsnaden. Bekende kleuren zijn donkere groentinten voor de grote houten vlakken, gebroken wit voor de details en oranjeroodgebakken dakpannen. De stenen gevels zijn rood getint. Daarnaast komen ook grijze gevelvlakken voor en andere traditionele kleuren als dofblauw (een en ander in te passen in de directe omgeving van het gebouw). Moderne Zaanse huizen De rijkdom aan vormen en mogelijkheden van het Zaanse huis blijven aantrekkelijk. Ook tegenwoordig worden ze gebouwd. Dit zijn geen panden in de historiserende stijl, maar eigentijdse varianten waarbij gebruik wordt gemaakt van de vormen en mogelijkheden van het type. Bij het ontwerp worden deze traditionele elementen van de
6
2021/8233 Zaanse bouwwijze op een moderne wijze met gebruik van eigentijdse details en heldere lijnen gecombineerd. Het zijn geen letterlijke citaten van oude gebouwen of standaardwoningen uitgevoerd met een houten topgevel en witte kozijnen, maar ontwerpen waarmee de logica van de traditionele bouwwijze een nieuwe invulling krijgt. Zaanse huizen zijn gewogen welstandsobjecten met een bijzondere beoordeling. Ze zijn beeldbepalend voor met name de linten en de (voormalig) buitengebieden. Een deel van de panden is aangewezen als monument. Uitgangspunt voor welstand is het karakter van het gebouw zoals dat samenhangt met de bouwwijze van de Zaanse huizen. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht geschonken worden aan de eigen architectuur van het pand. Bij de historische huizen zal aanvullend aandacht worden geschonken aan het behoud van de hoofdvorm van het gebouw en, indien aanwezig, de afwisseling tussen materialen en de ornamentiek van de gevels. De nadruk ligt op het zicht op de bouwwerken vanuit de openbare ruimte. Bouwplannen aan achterkanten zonder invloed op het straatbeeld worden beperkt getoetst.
Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: • Zaanse huizen zijn individuele panden: - de voorgevel is gericht op de meest belangrijke openbare ruimte - de huizen staan vrij of zijn vlak tegen elkaar aangebouwd - bijgebouwen staan op de achtergrond • Het huis heeft een goed herkenbare hoofdvorm: - de huizen hebben een onderbouw van één laag (rijke huizen bij uitzondering soms twee lagen) en daarboven een steil zadeldak - de scheiding tussen onderbouw en dak is een doorgaande horizontale lijn - op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element • De architectonische uitwerking en detaillering zijn gevariëerd en passen bij het traditionele karakter van het houten Zaanse huis: - eenvoudige Zaanse huizen hebben een terughoudende architectuur en een bescheiden hoeveelheid ornamenten in de vorm van lijsten of een makelaar - rijke Zaanse huizen hebben een meer weelderige architectuur met een aanzienlijke hoeveelheid ornamenten zoals kapiteinsramen en kroonlijsten - eigentijdse Zaanse huizen maken op samenhangende wijze een combinatie tussen de elementen van de Zaanse bouwwijze in een eigentijdse uitwerking met heldere lijnen - dakkapellen, erkers en andere toevoegingen vormgeven als zelfstandige elementen - de detaillering
is fijn uitgevoerd met profileringen en kleine elementen als gootklossen - de scheidingen tussen vlakken krijgen in de detaillering nadruk - bijgebouwen hebben een bescheiden detaillering - raamopeningen zijn in beginsel verticaal • Materialen en kleuren afstemmen op de traditionele bouwwijze van de houten Zaanse huizen (zie voor inspiratie de Zaanse kleurenwaaier voor houtbouw): - hout is geschilderd: kleuren voor grote vlakken zijn donkere groentinten, grijzen en andere historische Zaanse kleuren, terwijl kleinere elementen gebroken wit geschilderd kunnen zijn
7
2021/8233 - daken uitvoeren met rode pannen (gebakken en zonder glazuur) - grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur zoals houten beschot en metselwerk in rode (of gele) baksteen
Object 2 Boerderijen Beschrijving Op het grondgebied van Zaanstad zijn zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillende soorten boerderijen te vinden. De meeste boerderijen bestaan uit een vrijstaand woonhuis met daarachter de bijgebouwen, maar er zijn ook stolpen en incomplete stolpen te vinden met wonen en werken onder één dak. Voor woningen die zijn uitgevoerd als Zaans huis wordt verwezen naar het daarvoor opgenomen objecttype. Boerderijen Een boerderij is een agrarisch bedrijf met in de regel een woning en stallen en schuren. Het woongedeelte staat gewoonlijk voor op het erf en is met de voorgevel gericht op de weg. Stallen, schuren, hooibergen en andere bijgebouwen staan achter op een ruim erf. De bijgebouwen zijn functioneel geordend en meestal gericht op de naastgelegen sloot, die de verbinding vormt met het vaarland. De hoofdvormen zijn in het algemeen eenvoudig en praktisch met een rechthoekige plattegrond. De meeste bouwvolumes bestaan uit één laag met kap. Waar de woning als hoofdgebouw nog wel eens een bijzondere kapvorm heeft, is bij de bijgebouwen het zadeldak standaard. Meestal zijn woon- en werkdeel vooral in de architectuur onderscheiden. De woningen hebben een zorgvuldige detaillering met verzorgde details. De gevels zijn veelal opgebouwd uit bruine baksteen en een enkele keer gepleisterd.
De plint of onderbouw is meestal van een ander materiaal of andere kleur. Daken zijn merendeels gedekt met keramische pannen. De overwegend houten kozijnen zijn meestal geschilderd in een lichte kleur, evenals de meeste andere houten elementen als de windveer. Het raamhout is vaak juist in een donkere, meestal donkergroene kleur geschilderd. De bijgebouwen zoals de stallen en schuren hebben een met het hoofdgebouw vergelijkbaar eenvoudig hoofdvolume, maar zijn in architectuur en detaillering soberder. De detaillering is in de regel direct en weinig nadrukkelijk, wat geheel in lijn is met de wens de gebouwen op een terughoudende manier te plaatsen in hun omgeving. De kleuren zijn gedekt. Stolpen In Zaanstad zijn verschillende oude stolpen te vinden. Een aantal heeft nog een agrarische functie, andere hebben deze functie verloren. De stolp dankt zijn kenmerkende vorm aan het hooihuis (het ‘vierkant’) in het midden, met vier stijlen op de hoeken die het pyramidevormige dak dragen. Om het vierkant heen liggen de stallen en de deel (de ruimte waar de wagens ingereden konden worden en het vee werd binnengevoerd). Het woonhuis is òf onder het pyramidedak gesitueerd òf als een apart volume tegen de stolp aangeschoven. De deeldeur (grote schuurdeur) is aangebracht binnen het volume waardoor een verhoging in het schuine dak ontstaat.
In de gemetselde buitenwanden van de stolp zitten ter plaatse van de deel en de stallen kleine(re) vensters. Het woonhuis heeft soms een topgevel, baksteen al dan niet in combinatie met hout, die representatief en rijk bewerkt is. Ook de ingangspartij en de vensters van het woonhuis zijn vaak fraai bewerkt. Het dak is bedekt met dakpannen, al dan niet in combinatie met riet. Soms heeft het dak een ‘spiegel’, wanneer in het
8
2021/8233 naar de weg gekeerde dakvlak het riet als decoratieve uitsparing is weggelaten, en is ingevuld met dakpannen. De stolp is, althans visueel, een zeer compact boerderijtype. Alle functies zitten in principe onder een dak. Uitbouwen, ook van het woonhuis, komen echter vaak voor. Op dit punt vertoont de stolp veel variatie. Ook de ornamentiek en de vorm van de ramen en topgevels variëren sterk. Bij (vervangende) nieuwbouw kan de vorm van de historische stolp aantrekkelijk zijn. Hierbij is het van belang voldoende aan te sluiten op het traditionele type. Met name de kenmerkende opbouw van het volume met een vierkante plattegrond, een lage goot en een hoog gesloten pyramidedak is van belang. Kapbergen Een kapberg is een historische typologie, die op een aantal plekken voorkomt in de historische linten van de gemeente Zaanstad. Bij historische boerderijen die een woonfunctie hebben gekregen, is de kapberg vaak onderdeel van die woonfunctie geworden. Het is mogelijk op een aantal plekken, waar dat ruimtelijk gezien wenselijk is, nieuwe varianten van de kapberg te realiseren. Dit moet wel zorgvuldig gebeuren. Hier moet wel een bepaalde noodzaak of ruimtelijke kwaliteitsverbetering aan ten grondslag liggen. De kwaliteitsverbetering kan bijvoorbeeld het opruimen van oude opstallen zijn, waardoor het lint opener wordt naar het achterland.
Het kan ook zo zijn dat een karakteristiek pand behouden kan blijven door een uitbreiding. Het kan dan eventueel mogelijk zijn om met een kapberg de woning uit te breiden. Goede voorbeelden van de transformatie van een kapberg naar een woninguitbreiding zijn niet of nauwelijks te vinden. Het gesloten karakter van de kapberg kan niet worden behouden bij een woonfunctie. De kapberg heeft een vrij beperkte voetprint. Deze is voor het maken van een kamer vaak net niet groot genoeg. De maat van de voetprint wordt dan aangepast waardoor een te plomp volume ontstaat. Als deze bij een kleine woning wordt gezet, dan is de relatie met de historie niet meer aanwezig. Het is daarom vaak niet wenselijk de kapberg te gebruiken als uitbreiding van een woonhuis.
Plannen op plekken waar wél eventueel een kapberg kan worden geplaatst, moeten aan stedenbouwkundige randvoorwaarden voldoen: • Alleen aan historische linten met agrarisch karakter • De oorspronkelijke woning moet een historische uitstraling hebben • De kapberg levert een positieve bijdrage aan de openbare ruimte • De kavel moet van voldoende grootte zijn • Een verbinding tussen kapberg en hoofdvolume kan worden gemaakt in één bouwlaag aan de achterkant van het hoofdgebouw als deze wordt uitgevoerd als smalle gang met uitsluitend een verkeersfunctie Uitgangspunten Boerderijen en stolpen zijn met inbegrip van bijgebouwen zoals kapbergen bijzondere welstandsobjecten. Ze zijn beeldbepalend voor de identiteit van de streek en voor een deel aangewezen als monument. De waarde wordt voor een groot deel bepaald door de inrichting van het erf, waarbij de woning op de weg en de bijgebouwen op het achterland en het water gericht zijn. Uitgangspunt voor welstand is de herkenbaarheid van de oorspronkelijke architectuur en massa in samenhang met de plaats in de (landelijke)
9
2021/8233 structuur. De gebouwen zijn kenmerkend voor het landschap in de Zaanstreek. De nadruk ligt op het zicht op de bouwwerken vanuit de openbare ruimte met inbegrip van het landschap, de functionele ordening van het erf en het onderscheid in architectuur tussen woning en bijgebouwen. Het ouder maken van een boerderij of stolp door het toevoegen van elementen of details die horen bij een voorbije stijlperiode is niet gewenst. Eventuele aanpassingen aan een traditioneel pand zoveel mogelijk op één plaats concentreren en daarbij het silhouet behouden. Voor oude stolpen is verder het behoud van de structuur en de hoofdkarakteristieken van het gebouw uitgangspunt. Daaronder wordt in ieder geval verstaan de hoofdvorm, het representatieve verschil tussen het open woonhuisgedeelte en de gesloten stallen/vierkant en die elementen die verwijzen naar de agrarische geschiedenis van het bouwwerk, zoals de deeldeur en stal/deelvensters. Ook de inrichting van het erf en het behoud van de solitaire positie van de stolp is belangrijk. Aangezien een behoorlijk deel van de boerderijen geen agrarische functie meer heeft, komen er veel aanvragen voor aanpassingen. Daarbij verschuift het karakter naar wonen. De gemeente wenst het utilitaire karakter van de agrarische bebouwing te handhaven.
Inzet voor het beleid zijn het behoud van de structuur van het gebouw met de daarmee samenhangende inrichting van het erf en het bedrijfsmatig karakter. Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: • De ordening van het erf is landelijk en (agrarisch) functioneel: - de bebouwing staat parallel aan de weg of aan het slotenpatroon - de rooilijnen van de boerderijen liggen niet op één lijn - de boerderij ligt met de voorgevel van het woongedeelte gericht op de belangrijkste openbare ruimte - de hoeveelheid uitbreidingen aan het hoofdvolume is beperkt, de voorkeur gaat uit naar het realiseren van ondergeschikte bijgebouwen - bijgebouwen staan vrij op het erf, in beginsel achter het hoofdgebouw • De bouwmassa is evenwichtig en afgestemd op het landelijk karakter: - boerderijen hebben een eenvoudige hoofdvorm - boerderijen hebben in principe een onderbouw van één laag met daarop een steil dak, stolpen hebben een vierkante plattegrond en een lage goot met daarboven pyramidedak (helling 45 graden) - dakkapellen en aanbouwen zijn bij stolpen in beperkte mate mogelijk en afgestemd op de symmetrie van de oorspronkelijke gevel, dakkapellen in beginsel alleen in het dakvlak boven de voorgevel - bij stolpen en kapbergen zijn aan- en opbouwen niet op hun plaats, met uitzondering van aanbouwen in
traditionele staartvorm • De architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig, gevarieerd en zorgvuldig: - de voorgevel is rijker uitgevoerd dan de zijgevels - aandacht voor reliëf bij onder meer negges, kozijnen en lijsten - elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen - raamopeningen zijn verticaal en beperkt in grootte - vlakke dakramen hebben een staande diagonaal en dienen horizontaal te lijnen (geen strookramen) - goten, lijsten en andere horizontale lijnen niet onderbreken - bijgebouwen zijn eenvoudiger gedetailleerd dan de hoofdmassa - wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op
10
2021/8233 hoofdvolume - eventuele nieuwbouw is wat betreft de architectuur bij voorkeur niet historiserend maar herkenbaar eigentijds • Materialen en kleuren zijn traditioneel en passen in het landschap (zie voor inspiratie de Zaanse kleurenwaaier voor houtbouw): - bij aanpassingen traditionele materialen en kleuren toepassen zoals rode baksteen en houten beschot - grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur (bijvoorbeeld baksteen of houten beschot) - daken dekken met matte (rode) pannen - hout schilderen: kleuren voor grote vlakken zijn donkere groentinten, grijzen en andere historische Zaanse kleuren, kleinere elementen kunnen gebroken wit zijn - plaatmaterialen zijn niet als zodanig herkenbaar (met uitzondering van moderne bijgebouwen als stallen)
Object 3 Molens Beschrijving Op het grondgebied van Zaanstad zijn zowel binnen als buiten de bebouwde kom verschillende soorten molens te vinden. Bij de molens staat veelal een eenvoudige schuur en soms een woonhuis. Historie De Zaanstreek staat bekend om zijn molens. In de afgelopen eeuwen hebben meer dan 1000 molens hun wieken laten zwaaien over het vlakke Zaanse land. De vroegst bekende molen werd in 1321 in Jisp gebouwd. Dit was een meelmolen. In de eeuwen daarna werden verscheidene meel- en watermolens in de Zaanstreek opgericht. In de tweede helft van de 16de eeuw bloeiden de scheepsbeschuitbakkerijen in Wormer en Jisp en verrezen in deze twee dorpen minstens twaalf meelmolens die voor de beschuitbakkerijen werkten. Dit zijn de eerste industriemolens in de Zaanstreek. Zij werkten niet voor de burgers, zoals de traditionele meelmolens, maar produceerden op grote schaal meel voor de toenmalige beschuitindustrie. In 1592 vond Cornelis Cornelisz in Uitgeest de houtzaagmolen uit. Hij zag na een paar jaar geen brood meer in zijn uitvinding en verkocht de molen aan een Zaandammer. In 1596 werd ‘het Juffertje’, zoals de eerste houtzaagmolen heette, van Uitgeest naar Zaandam overgebracht en daarmee begon de definitieve opbloei van de Zaanstreek en ontwikkelde het gebied zich tot het eerste grote industriegebied ter wereld.
Vijftig jaar na aankomst van ‘het Juffertje’ stonden er in de Zaanstreek al 52 houtzaagmolens en in 1731 zelfs 256. Ter vergelijking: Amsterdam had in 1653 nog geen enkele houtzaagmolen en in 1731 slechts 30. Naast houtzaagmolens, watermolens en korenmolens werden allerlei andere soorten molens gebruikt. Het zijn voornamelijk industriemolens en dat betekent dat elke molen een eigen specifieke taak verricht. De belangrijkste waren de olie-, pel- en papiermolens. Daarnaast hebben er nog tientallen andere molens gestaan, zoals onder andere verfmolens, cacaomolens, specerijmolens, schelpzandmolens, blauwselmolens, slijpmolens, volmolens (om wollen stoffen tot vilt te stampen), mosterdmolens, snuifmolens, hennepkloppers (voor de touwslagerijen), krijtmolens, cement- of trasmolens, runmolens tot zelfs een steenzaagmolen aan toe. De stoommachine ontwikkelde zich in de 19de eeuw tot een concurrent van de windmolen. Vooral na 1880 nam het aantal molens snel af. In 1925 werd de Vereniging De Zaansche Molen opgericht om de resterende molens voor de toekomst te behouden.
11
2021/8233
De huidige molens Momenteel zijn in Zaanstad zeventien molens te vinden en bijna alle zijn nog in bedrijf. Vereniging De Zaansche Molen is actief betrokken bij de herbouw van de houtzaagmolen het Jonge Schaap op de Zaanse Schans. Molens op en nabij de Zaanse Schans: • oliemolen de Bonte Hen, 1693, tot stellinghoogte gesloopt in 1936, herbouwd in 1975 (Kalverringdijk 39, rijksmonument) • oliemolen de Os, 1663 (?), kap en wieken verwijderd in 1916 (Kalverringdijk 33-35, rijksmonument) • oliemolen de Zoeker, 1673 (?) (Kalverringdijk 31, rijksmonument) • verfmolen de Kat, 1646 (Kalverringdijk 29, rijksmonument) • houtzaagmolen de Gekroonde Poelenburg, 1866 (Kalverringdijk 27, rijksmonument) • mosterdmolen de Huisman, 1786 (Kalverringdijk 23, rijksmonument) • watermolen de Hadel, 1879 (?) (Zeilenmakerspad, bij nr. 5) • biksteen en slijpmolen de Windhond (De Kwakels achter nr. 2) • watermolen (windmotor) Hercules, 1922 (Kalverpolder, rijksmonument) • oliemolen de Ooievaar, 1622 (Diederik Sonoyweg 19 (terrein Duyvis), rijksmonument) • meelmolen de Bleeke Dood 1655 (Lagedijk 28-28a Zaandijk, rijksmonument) • Klaverblad, 2006 (Kalverringdijk) • Jonge Schaap, 2007 (Kalverringdijk) Molens in Westzaan: • papiermolen de Schoolmeester, 1692 (Guispad 3, rijksmonument) • pelmolen het Prinsenhof, 1722 (J.J.
Allanstraat 384, rijksmonument) • molentje met diverse functies de Jonge Dirk, 1908 (Westzijderveld, gemeentelijk monument) Molens elders in Zaanstad: • houtzaagmolen de Held Jozua, 1719 (Held Jozuapad 4 Zaandam, rijksmonument) • oliemolen het Pink, 1620 (Pinkstraat 12 Koog a/d Zaan, rijksmonument) • watermolen de Woudaap, 1651 (Woudaappad 1 en 2 Krommeniedijk, rijksmonument) Uitgangspunten Molens zijn samen met de bijbehorende bouwwerken bijzondere welstandsobjecten. Het zijn beeldbepalende objecten met in de regel een grote cultuurhistorische waarde. Van belang is de (historische) ruimtelijke en functionele eenheid van de molen, de inrichting van het erf en bijhorende schuren. De gemeente wenst de oospronkelijke functie van de molens zoveel mogelijk te handhaven. Uitgangspunt voor welstand is het behoud van het eigen karakter van het gebouw in samenhang met de inrichting van het erf en de bedrijfsmatige eigenschappen. Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: • De molen is herkenbaar en zichtbaar als molen: - de molen vertoont een authentieke verschijning, waardoor een visuele verwijzing naar het verleden behouden blijft.
- bij (vervangende) nieuwbouw, verbouwingen of renovatie wordt aangesloten op de verkaveling, positie en oriëntatie van de oorspronkelijke of reeds aanwezige bebouwing. - vrije ligging blijft behouden
12
2021/8233 - in de molenbiotoop geen bouwwerken plaatsen die de directe omgeving aantasten • De hoofdvorm van de molen behouden: - bij (vervangende) nieuwbouw, verbouwingen of renovatie dient aangesloten te worden op de bouwmassa, gevelkarakteristiek en hoofdvorm van de oorspronkelijke of reeds aanwezige bebouwing. • De architectuur afstemmen op de karakteristieke technieken en bouwmethoden van traditionele molens: - (vervangende) nieuwbouw, verbouwingen of renovatie aansluiten op de architectonische uitwerking van de oorspronkelijke of reeds aanwezige bebouwing - de molen en detaillering zoals de baard, de staart, de vangstok of wieken behouden in oorspronkelijke vorm - kenmerkende kleine ramen in het molenlichaam behouden • Materialen en kleuren afstemmen op het traditionele karakter van de Zaanse molens (zie voor inspiratie de Zaanse kleurenwaaier voor houtbouw): - (vervangende) nieuwbouw, verbouwingen of renovatie aansluiten op het kleur- en materiaalgebruik van de oorspronkelijke of reeds aanwezige bebouwing - het kleurgebruik voor het houtwerk zoals kozijnen beperken tot wit en de veel toegepaste aardkleuren zoals roodbruin, (donker)groen, bruin en zwart - molenlichaam en onderbouw uitvoeren in roodbruine baksteen of riet (voor de onderbouw eventueel ook geteerd gepotdekseld hout) - kappen uitvoeren in hout bedekt met riet
Object 4 Zaanse nijverheid Beschrijving Zaanstad staat bekend als een gebied, waarvan oudsher veel nijverheid te vinden is. Naast de bekende molens zijn loodsen, pakhuizen en fabrieken getuigen van de ondernemingsgeest in het gebied langs de Zaan. Het zijn bouwwerken, die onverbrekelijk deel uitmaken van de identiteit van de streek. Houten pakhuizen en loodsen Pakhuizen en loodsen lijken in veel opzichten op eenvoudige Zaanse huizen. De meeste pakhuizen stonden langs de Zaan of in het achterland in de buurt van sluizen. Vaak is de fundering uitgevoerd in baksteen of beton. De constructie daarboven is van hout. Op een rechthoekig of trapeziumvormig grondvlak is een houten skelet met jukken geplaatst. De gevels zijn betimmerd met houten beschot. De hellende daken zijn voorzien van pannen. Een aantal van deze gebouwen heeft een gemetselde voorgevel. De afwerking van de gebouwen is eenvoudig. Ramen zijn er meestal nauwelijks. Het hout is soms geschilderd, maar in het algemeen geteerd. Houtloodsen zijn een bijzonder type. Deze bouwwerken hebben veelal geen gevelbeschot, maar ver overstekende dakranden om de stapels hout te beschermen tegen de regen en ze toch goed door te luchten. De pakhuizen en loodsen dienden voor de opslag en bewerking van handelsgoederen en grondstoffen zoals hout en granen uit het oostzeegebied en specerijen en rijst uit Indië.
De gebouwen vervulden een belangrijke functie in het economisch verkeer. Een deel ervan wordt nog steeds gebruikt voor opslag of als werkplaats, een ander deel is verbouwd tot woning.
13
2021/8233 De houten pakhuizen en loodsen zijn praktische gebouwen, die niet alleen vroeger werden gebouwd maar ook tegenwoordig nog worden gerealiseerd of aangepast aan veranderende behoeften. In hun typologie bouwen deze nieuwe panden voort op de houten loodsen uit het verleden, waarbij soms modernere materialen met een vergelijkbare profilering worden gebruikt. Van belang voor deze gebouwen is het utilitaire karakter. Als ze op een zorgvuldige wijze worden ontwerpen als een logisch onderdeel van het landschap hebben ze een vergelijkbare waarde als de oudere loodsen.
Stenen pakhuizen en fabrieken In Zaanstad staan veel stenen fabrieken uit de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw. In deze periode onderging het industrielandschap langs de Zaan een ingrijpende wijziging. Onder invloed van nieuwe productieprocessen en organisatievormen deed schaalvergroting zijn intrede. De fabrieken zijn in het algemeen georiënteerd op de belangrijkste aan- en afvoerroute, wat in de genoemde periode meestal het water was. De objecten zijn functioneel van opzet. De plattegrond van de gebouwen is in het algemeen rechthoekig. De massa is veelal plat en uitgestrekt of smal en hoog. De daken zijn plat of licht hellend. Opvallend is de veelal in de architectuur benadrukte ritmiek, die zijn oorsprong vindt in de herhalingen van de constructieve opzet. In de loop der tijd zijn veel pakhuizen en fabrieken aangepast en uitgebreid om tegemoet te komen aan veranderende ruimtebehoefte of productieprocessen. Uitgangspunten De pakhuizen, loodsen en fabrieken zijn bijzondere welstandsobjecten. Ze zijn beeldbepalend voor de identiteit van de streek en voor een deel aangewezen als monument. Uitgangspunt voor welstand is de herkenbaarheid van de oorspronkelijke architectuur en massa in samenhang met de plaats in de (stedelijke) structuur. De gebouwen zijn kenmerkend voor het industrielandschap langs de Zaan.
Belangrijk punt bij aanpassingen is het voorkomen van aantasting van de ritmiek van de gebouwen. De nadruk ligt op het zicht op de bouwwerken vanuit de openbare ruimte met inbegrip van het water. Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: • Pakhuizen, loodsen en fabrieken zijn individueel of maken deel uit van een industrieel complex met een sterk functionele plaatsing binnen het bebouwingspatroon van het gebied • De gebouwen met een eenvoudige hoofdmassa met een rechthoekige plattegrond, eventueel tegen elkaar aan gebouwd of voorzien van ondergeschikte aanbouwen: - houten pakhuizen en loodsen hebben in beginsel een rechthoekige onderbouw van één laag en een hellend dak - stenen pakhuizen en fabrieken hebben in het algemeen een rechthoekige plattegrond en een plat dak of lichthellende kap • De architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig met aandacht voor de ritmiek van de gevels: - elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen - de gebouwen zijn voornamelijk geleed door middel van structurele
14
2021/8233 ornamenten, die bijvoorbeeld samenvallen met de beuk- en traveematen van de constructie of het raamritme (een uitzondering als de adelaar op de voormalige zeepziederij is een ornament dat de regel bevestigt) - wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume • Materialen en kleuren afstemmen op het karakter van het gebouwtype: - gevels uitvoeren in hout of baksteen - hellende daken dekken met (matte) keramische pannen - kleuren afstemmen op wat in de omgeving gebruikelijk is - houtwerk schilderen in traditionele kleuren (zoals de Zaanse kleurenwaaier)
Object 5 Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 De sociale woningbouwwijken uit de periode 1900-1945 zijn onlosmakelijk verbonden met de industrialisatie van de Zaanstreek aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Ze hebben veelal de opzet van een tuindorp, maar zijn soms ook nauw verweven met de dijken, paden en lintenstructuur van een wijk. De buurten en de woningen uit die prediode maken onverbrekelijk deel uit van de identiteit van de streek. Beschrijving Woningen in de Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 zijn gelegen in het gebied dat wordt aangeduid met Vroege uitbreidingen (hoofdstuk 5, deel 4). Ze maken deel uit van samenhangende ensemble zoals de Bloemenbuurt en Indische buurt, het volkswoningbouwcomplex aan de Belgische straat en de bebouwing aan en rond de Pieter Latensteinstraat, Burgemeester Smitstraat en Herderstraat. Ook de nieuwe buurten en blokken in vergelijkbare bouwstijl, zoals Vissershop en de aan de overkant van de Zaan gelegen Havenbuurt, maken deel uit van dit gebied. De bebouwingsstructuur is gebaseerd op herhaling van de woning als basiseenheid, waarbij verbijzonderingen in de openbare ruimte vertaald worden in accenten in de massa en vormgeving van hoeken en kappen. De bebouwing bestaat uit zowel vrijstaande woningen, twee onder één kap woningen en korte rijtjes. Ze vormt samenhangende clusters in gedifferentieerde composities.
In sommige van deze clusters zijn bijzondere functies opgenomen, zoals scholen en kerken. Deze hebben een afwijkende massa, opbouw en vorm, maar komen in detaillering, materiaal- en kleurgebruik overeen met de clusters. Deze gebieden hebben ondanks de smalle straten veelal een groen karakter door voortuinen en groenvoorzieningen als gazons en parkjes. De bebouwing vormt samenhangende clusters. De panden zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte. De rooilijn is per cluster in samenhang en verspringt regelmatig. Bij stedenbouwkundige aanleidingen komen onder andere hoogteverschillen in de massa, nokverdraaiingen en rooilijnverspringingen voor. De woningen hebben een rechthoekige plattegrond, zijn één tot twee lagen hoog met een nadrukkelijke kap. De dakvormen variëren van zadeldak en mansardekappen. Platte daken komen vrijwel niet voor. De opbouw varieert van een eenvoudig tot gedifferentieerd met elementen als erkers, aanbouwen, topgevels en balkons. De gevels hebben een horizontale geleding met verticale accenten. De overgang tussen privé en openbaar gebied is zorgvuldig vormgegeven door middel van bijvoorbeeld luifels, nissen en tuinmuurtjes. De voorgevel is representatief en de overige in het zicht staande gevels ook. De detaillering is zorgvuldig en per cluster in samenhang. De rand van het dak is meestal benadrukt door een uitkragende dakgoot.
Grote dakoverstekken zijn uitgetimmerd. Raamvlakken zijn veelal onderverdeeld met stijl en regels en soms voorzien van roeden. In vroeg 20ste eeuwse wijken bestaat een sterke samenhang tussen stedenbouwkundige opzet, bebouwing, openbare ruimte en groen. De wijken kennen een hiërarchische stratenstructuur met brede en smallere zij- en parallelstraten. Straten met een recht verloop en knikken in het stratenverloop wisselen elkaar af. Knikken en krommingen in het stratenverloop en bajonetkruisingen zorgen voor gesloten straatbeelden. Zichtlijnen van straten kunnen afgesloten worden door een accent; toegangen zij met hoekaccenten gemarkeerd. Het profiel wisselt tussen een eenvoudig indeling van trottoirs aan weerszijden van rijweg en straten met voortuintjes en/of boombeplanting. Soms is ook een plantsoenstrook in het straatprofiel aanwezig. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel en per cluster in samenhang. Gevels zijn grotendeels van baksteen met accenten en soms gestuct in lichte tinten. Hellende daken zijn in het algemeen gedekt met keramische pannen veelal in de kleur oranje. Kozijnen zijn van hout en in een lichte tint geschilderd.
15
2021/8233
De sociale woningbouwwijken 1900-1945 in Zaanstad Uitgangspunten De woningen in de Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 zijn bijzonder welstandsobjecten. Ze zijn als onderdeel van vaak planmatig ontworpen ensembles beeldbepalend voor de identiteit van de Zaanstreek. In 2021 heeft de gemeente Zaanstad waarderingskaarten vastgesteld voor de Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 die belangrijke getuigen zijn van de sociaal-economische geschiedenis van de Zaanstreek. Dit is gedaan om ervoor te zorgen dat ook zorgvuldig wordt omgegaan met waardevolle panden en buurten binnen deze wijken die niet wettelijk beschermd zijn. Hierin worden de buurten en woningen daarbinnen in hun samenhang en onderlinge verscheidenheid met elkaar vergeleken en gewaardeerd. De buurten en de bebouwing daarbinnen zijn vervolgens op buurt en pandniveau gewaardeerd in drie ordes opklimmend van orde 3 (basis), via orde 2 (positief) naar orde 1 (hoog). De buurten als geheel zijn ook gewaardeerd omdat de stedenbouwkundige waardering eveneens een rol spelen bij de beoordeling van plannen. Op die manier is bij welstandbeoordeling duidelijk of de te beoordelen plannen in een hoog of een laag gewaardeerde buurt staan. De buurten die gewaardeerd zijn met
16
2021/8233 een orde 1 en orde 2 hebben een gewogen welstandsniveaumet een bijzondere beoordeling. Buurten die gewaardeerd zijn met een orde 3 hebben een gewogen welstandsniveau met een gewone beoordeling. Welstandscriteria Bij de beoordeling van de bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst. Bij de bouwaanvragen voor plannen in deze deze wijken wordt een onderscheid gemaakt tussen 1. Criteria voor renovatie, wijzigingen en uitbreidingen aan bestaande panden 2. Criteria voor plannen voor vervangende nieuwbouw Voor de eerste categorie gelden de criteria die gekoppeld zijn aan de met een orde gewaardeerde panden. Welke waardering een pand binnen de Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 heeft is te vinden op de waarderingskaarten Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 (zie bijlage) Voor plannen voor vervangende nieuwbouw gelden de criteria die ook zijn geformuleerd onder het hoofdstuk Hoofdstuk 5 Vroege uitbreidingen (gebied 4). Voor de volledigheid zijn ze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Kleine bouwplannen als bijbehorende bouwwerken aangebouwd en vrijstaand, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, dakramen, dakterrassen, dakopbouwen, erfafscheidingen, installaties en reclame aan woningen in Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 zijn deels vergunningvrij.
Dat betekent dat een deel van deze plannen niet vooraf wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Indien een bouwwerk niet vergunningvrij is, is een welstandstoets nodig. Het bestemmingsplan en het vrijstellingenbeleid treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft plaatsing en afmetingen. Omdat bij kleine bouwplannen in Sociale Woningbouwwijken altijd sprake is van een bijzonder situatie wordt bij beoordeling gebruik gemaakt van de criteria Welstand objecten Sociale Woningbouwwijken 1900-1945. Bij deze criteria is er onderscheid in de voor- en de achterkant van de woningen. Voorkanten zijn gericht naar de openbare ruimte, terwijl achterkanten vaak niet of nauwelijks waarneembaar zijn vanuit de openbare ruimte. In bepaalde situaties kunnen achterkanten ook zodanig prominent in beeld zijn dat ze eigenlijk als een voorkant moeten worden beschouwd. • Onder voorkant wordt ten eerste verstaan het voorerf, de voorgevel en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw en ten tweede het zijerf, de zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied.
• Onder achterkant wordt ten eerste verstaan het achtererf, de achtergevel en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw en ten tweede het zijerf, de zijgevel en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied. Trendsetter Een trendsetter is een plan, dat is aangewezen om te herhalen. Daarnaast zijn er niet aangewezen plannen die in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kunnen worden. Ook als deze enigszins afwijken van de criteria op de volgende bladzijden. Het zijn plannen die navolging verdienen, waarbij met name een gelijke uitvoering van belang is. Van belang daarbij zijn de architectonische verhoudingen, materiaal en kleur. Een trendsetter of ander te herhalen plan is van toepassing op een blok, cluster, straat of een groter gebied. Niet ieder bouwwerk komt in aanmerking om herhaald te worden. De commissie oordeelt of dit het geval is in de betreffende situatie. 1.
De welstandcriteria voor renovatie, wijziging en uitbreiding van panden met een orde waardering
Bij de beoordeling van renovatie van woningen in Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 en van wijziging of uitbreiding daarvan wordt in samenhang met de beschrijving en uitgangspunten getoetst aan de hand van de volgende criteria: De ordewaarderingen zijn bepaald op basis van stedenbouwkundige en architectonische waarden. Ondersteunende criteria als zeldzaamheid en gaafheid speelden daarbij een belangrijke rol. De omschrijving van deze waarden is te vinden in bijlage 6. De hoogte van de waarderingen is gebaseerd op de volgende overwegingen:
17
2021/8233 Orde 1: hoge waarde (rood) Buurt of wijk waarvan de stedenbouwkundige opzet en architectuur van de bebouwing een hoge stedenbouwkundige, architectonische en/of cultuurhistorische waarde1bezit. Orde 1: Stedenbouwkundig - De stedenbouwkundige opzet is of gebaseerd op een voor de periode hoogwaardige stedenbouwkundig ontwerp, of een voor de periode zeer herkenbaar ensemble dat is ingebed in de voor de Zaanstreek kenmerkende stedenbouwkundige structuur. Daarbij is de samenhang tussen stedenbouwkundige opzet en architectuur bepalend voor de vormgeving van de stedelijke ruimte zoals dat tot uitdrukking komt in verhouding straatbreedte-bouwhoogte, straatprofiel, beplanting en afwisseling in morfologie bebouwing. Orde 1: Architectuur - De architectuur heeft een voor de periode bijzondere, hoogwaardige architectonische vormgeving en/of typologie. De architectuur van de bebouwing is in hoofdvorm, materialisering en detaillering nog zeer goed herkenbaar.
Orde 2: positieve waarde (oranje) Buurt of wijk waarvan de stedenbouwkundige opzet en architectuur van de bebouwing een positieve waarde bezit. Orde2: Stedenbouw - In de stedenbouwkundige opzet is het oorspronkelijk stedenbouwkundige plan of de oorspronkelijk relatie met de historische omgeving nog herkenbaar, ook in de sterke samenhang tussen stedenbouwkundige opzet en de vormgeving van de stedelijke ruimte zoals dat tot uitdrukking komt in verhouding straatbreedte-bouwhoogte, straatprofiel, beplanting en afwisseling in morfologie bebouwing. . Orde 2: Architectuur - De architectuur heeft een voor de periode karakteristieke architectonische vormgeving en/of typologie, die nadrukkelijke meerwaarde heeft. Het oorspronkelijk ontwerp is in hoofdvorm en materialisering van de bebouwing nog goed herkenbaar. Orde 3: basis (geel) Buurt of wijk waarvan de stedenbouwkundige opzet en architectuur van de bebouwing een basiswaarde bezit. Orde 3: Stedenbouw - In de stedenbouwkundige opzet is het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan of het als ensemble aangelegde buurt en de samenhang met de vormgeving van de stedelijke ruimte nog enigszins herkenbaar of door latere ingrepen verloren gegaan.
Orde 3: Architectuur - De bebouwing bezit een voor de periode standaard architectonische vormgeving en/of typologie of waarvan de oorspronkelijke kwaliteit door ingrijpende wijzigingen verloren is gegaan. De orde waarderingen leiden tot de volgende welstandscriteria: Orde 1: hoog Stedenbouwkundige opzet: Voor de hooggewaardeerde stedenbouwkundige opzet geldt handhaving en restauratieve aanpak van de ruimtelijke structuur en architectuur. Uitgangspunt is handhaving en indien nodig herstel van de kwaliteit van het oorspronkelijke stedenbouwkundig concept en van de aanwezige samenhang met de vormgeving van de stedelijke ruimte. Architectuur: Bij de hooggewaardeerde architectuur is behoud en restauratie uitgangspunt. Dat komt neer op handhaven en herstellen van het beeld zoals dat tot uitdrukking komt in de oorspronkelijke elementen van vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur van de architectuur. In geval van storende verminkingen is waar mogelijk reconstructie van de oorspronkelijke bouwmassa aan te bevelen. Voor bouwwerken die ensembles vormen geldt als uitgangspunt een gezamenlijke aanpak van de daartoe behorende bouwwerken. Bij isolatie bij voorkeur aan de binnenzijde; kozijnen conform oorspronkelijke detaillering en indeling. Bij buitenisolatie is door mogelijke aanwezigheid van siermetselwerk op hoeken, daklijsten, op muurdammen, enz.
toepassing van ceramische steenstrips maatwerk.
18
2021/8233 Bij isolatiemaatregelen is het te restaureren beeld altijd het uitgangspunt. Orde 2: positief Stedenbouwkundige opzet: Voor de als positief gewaardeerde buurten of wijken is voor wat de stedenbouwkundige opzet en de samenhang met de vormgeving van de stedelijke ruimte betreft, handhaving van de ruimtelijke structuur en van het historische straatbeeld het uitgangspunt. De architectonische continuïteit moet worden gehandhaafd; stedenbouwkundige ingrepen mogen geen afbreuk doen aan het bestaande straatbeeld. Architectuur: Voor de aanpak van gevels en kapbedekking van de bebouwing grenzend aan openbaar gebied geldt als uitgangspunt het zoveel mogelijk handhaven van de oorspronkelijke elementen in vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur. Veranderingen hierin zijn denkbaar als deze overeenstemmen met de oorspronkelijke karakteristiek. Het gebruik van niet-oorspronkelijke materialen is niet uitgesloten mits dit visueel overeenkomt met de oorspronkelijke vorm, maat, detaillering, verhouding en kleur. Voor bouwwerken die ensembles vormen geldt als uitgangspunt een gezamenlijke aanpak van de daartoe behorende bouwwerken.
Voor beoordeling van kleine bouwplannen met betrekking tot de orde 1 en 2 gewaardeerde panden geldt: Aangebouwd bijbehorend bouwwerk: Aantal en plaats ▪ aanbouwen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een achterkant van een hoofdgebouw ▪ aanbouwen vormen per gevel één geheel ▪ aanbouwen direct tegen de hoofdmassa plaatsen of een bestaande aanbouw vergroten Vorm ▪ één bouwlaag met een rechthoekige of afgeschuinde plattegrond ▪ vormgeving afstemmen op oorspronkelijk pand met een bescheiden en tegelijk zorgvuldige detaillering ▪ gevels grenzend aan openbaar gebied hebben in beginsel vensters ▪ plat afdekken (eventueel als groen dak), voorzien van een flauw hellend serredak of een kapvorm gelijk aan het hoofdgebouw ▪ dakvlak hoofdgebouw niet doortrekken over aanbouw ▪ boeidelen zijn bescheiden in maat ▪ onder de goot van het hoofdgebouw en in hoogte afstemmen op de verdiepingshoogte van de begane grond Materiaal en kleur ▪ duurzame materialen gebruiken zoals steen, hout of glas ▪ een aanbouw op de erfgrens heeft zijgevels, waarop belendingen kunnen aansluiten Bijgebouwen ▪ bijgebouwen zijn een ondergeschikte toevoeging bij een hoofdgebouw ▪ bijgebouw in stijl, maat, schaal en detaillering zorgvuldig afstemmen op hoofdgebouw en straatbeeld of binnengebied Aantal en plaats ▪ in plaatsing, geleding en uitvoering afstemmen op hoofdgebouw ▪ integreren in de erfafscheiding als het
bijgebouw op de grens van openbaar toegankelijk gebied staat ▪ geen secundaire overkapping, bijvoorbeeld aan een bestaande aan of uitbouw Vorm ▪ bescheiden vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond of aangepast aan de vorm van het kavel ▪ vormgeving afstemmen op het hoofdgebouw met een bescheiden detaillering ▪ gevels grenzend aan openbaar toegankelijk gebied hebben in beginsel Vensters ▪bijgebouw plat afdekken, voorzien van een licht hellend dak (eventueel uitgevoerd als groen dak) dak of voorzien van een kapvorm vergelijkbaar aan de kap van het hoofdgebouw
19
2021/8233 Materiaal en kleur ▪ duurzame materialen gelijk aan hoofdgebouw of afstemmen op het tuinkarakter zoals baksteen, hout, pannen zink of een vegetatiedak ▪ kleuren onopvallend en afgestemd op het hoofdgebouw Kozijn en gevelwijzigingen Bij orde 1 en 2 panden in Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 geldt altijd overeenkomstig oorspronkelijk kozijn, inclusief neggen. Voor kozijnwijzigingen in ordepanden geldt bovendien voor gevels grenzend aan openbaar toegankelijk gebied herstel in of naar de oorspronkelijke karakteristiek met in beginsel de oorspronkelijke detaillering. Daarbij geldt ook: ▪ kozijnen, deuren, serres, veranda’s en erkers in beginsel handhaven (eventueel vernieuwen in overeenstemming met de oorspronkelijke architectuur en de bestaande gevel met aandacht voor vorm, geleding, verhoudingen en materiaal) Samenhang in de gevel bewaren en daarbij oorspronkelijke maatvoeringkozijn en ramen behouden ▪ het veranderen van een onderpui is geen op zichzelf staande ontwerpopgave, maar heeft relatie met het bovenliggende gevelvlak ▪ uitvoering voor wat betreft de plaatsing, vorm, maatvoering, materiaalgebruiken kleur in beginsel gelijk uitvoeren aan eerdere wijzigingen in dezelfde rij of hetzelfde ensemble ▪ gevelopeningen transparant invullen (oorspronkelijke gevelpanelen uitgezonderd) ▪ de dimensionering en profilering van de oorspronkelijke kozijnen en gevelopeningen
overnemen met inbegrip van de negge ▪ ventilatievoorzieningen integreren in gevelmateriaal of opnemen in de detaillering van de bovendorpel van gevelkozijnen ▪ de dimensionering en profilering van de oorspronkelijke kozijnen overnemen ▪ bij het vervangen van kozijnen en ramen het materiaal in beginsel handhaven (bestaande stalen kozijnen eventueel vervangen door aluminium met een vergelijkbaar profiel) Voor gevelwijzigingen van orde 1 en 2 panden geldt : ▪ passend binnen de samenhang en ritmiek van de straatwand en het bouwblok met aandacht voor de verschillen tussen panden en ensembles onderling (afzonderlijke panden en ensembles herkenbaar houden) ▪ gevels met inbegrip van de gevelbeëindiging en oorspronkelijke architectonische elementen handhaven en herstellen in de oorspronkelijke karakteristiek ▪ bouwbeeldhouwkunst, glas in lood, mozaïeken, siersmeedkunst, tegeltableaus, behouden als deel van het architectonisch ontwerp en waar nodig restaureren ▪ metselwerk inclusief voegwerk uitvoeren gelijk aan oorspronkelijk en afwijkende reparaties vervangen ▪ gevelreiniging is alleen mogelijk als dat de oorspronkelijke karakteristiek en het gevelmateriaal niet aantast (behoud van patina is daarbij een aandachtspunt) ▪ ventilatievoorzieningen bij geluidbelaste gevels integreren in gevelmateriaal en daarbij plaats, type en kleur van eventuele roosters in overleg bepalen (of opnemen in
de detaillering van gevelkozijnen) ▪ metselwerk, natuursteen en bouwkeramiek alleen schilderen als deze oorspronkelijk geschilderd waren kleur in beginsel handhaven afgestemd op de oorspronkelijk karakteristiek: - bij panden in orde 1 en 2 zijn in overleg eventueel andere historisch verantwoorde kleuren te gebruiken ▪ dak, dakranden, dakbedekking en goten in beginsel handhaven of herstellen in oorspronkelijke staat ▪ hemelwaterafvoeren handhaven en herstellen op oorspronkelijke plaats (bij panden orde 2 eventueel nieuw uitvoeren in oorspronkelijk materiaal)
Dakkapellen (uit criteria kleine bouwplannen) • een dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan een gebouw: • meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden) • dakkapel op een meerlaags kap in de onderste laag plaatsen • minstens 0,50 m dakvlak naast en boven de dakkapel • tussen 0,50 m en 1,00 m dakvlak onder de dakkapel
20
2021/8233 • dakkapellen raken de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel of als onderdeel van de straatwand • dakramen (en zonnepanelen) in schuine daken vlak aanbrengen met dezelfde hoek als het dak • aanvullende criteria per kapvorm: - Zadeldak met hellingshoek > 35° (0) De algemene criteria voor dakkapellen zijn hier van toepassing. Hiervoor gelden dus geen aanvullende criteria. - Zadeldak met wolfseind (2) De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. - Zadeldak met vliering (4) De basismaat van de vliering is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing in dit dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op dakvlak. - Mansardedak (Geknikt dakvlak) (6) Een daktoevoeging is toegestaan in het onderste deel van het dak vlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. Bij een plat afgedekte dakkapel dient de bovenaansluiting met het dakvlak onder de knik van het dakvlak plaats te vinden. Een schuin afgedekte dakkapel aankappen op de knik in de kap, met de dakhelling gelijk aan die van het bovenste dakvlak. Bij deze dakvorm is een dakkapel geplaatst in de goot denkbaar. De gootlijn van het hoofdgebouw wordt hierbij gerespecteerd.
Plaatsing en aantal (uit aanvullende criteria voor gewogen gebieden) • dakkapel in mansardekap met de bovenzijde aansluiten op de knik • op individueel pand centreren in dakvlak of lijnen aan geleding gevel • aan voorkanten hoogstens twee dakkapellen per woning per dakvlak Vorm en maat • bescheiden detailleren zonder nadrukkelijke ornamenten • plat afdekken of bij een dakhelling van meer dan 45 graden aankappen • zijwangen donker, wit, zinkgrijs of in kleur van de rest van de dakkapel • kleuren kozijnen afstemmen op kozijnen hoofdgebouw • voorvlak grotendeels invullen met glas (panelen zijn ondergeschikt) Erfafscheidingen en hekwerken ▪ in vormgeving en afwerking ondergeschikt aan de omgeving ▪ in vormgeving afstemmen op de architectuur van het hoofdgebouw, erfafscheidingen van belendende percelen en op het straatbeeld ▪ voor de voorgevellijn hoogte maximaal 1,00 m en daarachter maximaal 2,00 m (dit is in lijn met het vergunningvrij bouwen) ▪ eenduidige vormgeving afgestemd op erfafscheidingen van belendende percelen ▪ erfafscheidingen die zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied en geen onderdeel vormen van een gesloten straatwand voor minstens 75% transparant vanaf 1,00 m hoogte ▪ erfafscheidingen over een lange lengte hebben visuele onderbrekingen door bijvoorbeeld afwisseling in hoogte, geleding, materialen of penanten ▪ duurzame materialen als metselwerk,
hout, spijlen of te begroeien gaaswerk gebruiken, aansluitend op erfafscheiding naastgelegen percelen Dakterrassen ▪ dakterrassen bij monumenten en orde 1 alleen indien deze de architectuur van het pand niet aantasten, dit vereist altijd een gewogen oordeel Dakopbouwen Dakopbouwen bij orde 1 en 2 alleen als deze de architectuur van het pand niet aantasten, dit vereist altijd een gewogen oordeel Installaties Installaties zoals spriet-, staaf- of schotelantennes en units voor airconditioning kunnen vrijstaand worden geplaatst of op of aan een bouwwerk worden aangebracht. De waarde van installaties is vooral gelegen in de