CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Integraal Huisvestingsplan Voortgezet Onderwijs 25 11 20

Raadsvergadering 29 juni 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: IHP Voortgezet onderwijs18.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

2020/30063

Integraal Huisvestingsplan voortgezet onderwijs Opgesteld in samenwerking tussen gemeente en VO-scholen in de gemeente Zaanstad

Opdrachtgever VO Schoolbesturen en gemeente Zaanstad Datum 3 december 2020 Project Integraal Huisvestingsplan Voortgezet Onderwijs in gemeente Zaanstad Referentie 1549102-0019.3.1 Auteur(s) mevrouw M. Mulder MSc de heer J.R.M. Heijltjes

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Statenlaan 8

Postbus 70501

T +31 (0)73 6 409 409

www.hevo.nl

ISO 9001-gecertificeerd

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

5223 LA 's-Hertogenbosch

5201 CB 's-Hertogenbosch

info@hevo.nl

www.rpmbyhevo.nl

2020/30063

Inhoudsopgave 1. 1.1. 1.2. 1.3.

Inleiding Doelstelling Aanpak Leeswijzer

3 3 4 4

2.

Voortgezet onderwijs in Zaanstad

5

3. 3.1. 3.2. 3.3.

Beleidskaders en beleidsambities Juridische kaders: wet- en regelgeving Beleidskaders: beleid gemeente Zaanstad Beleidsambities: de bouwstenen

6 6 9 11

4. 4.1. 4.2. 4.3.

Methoden Quickscans Capaciteitsanalyse Urgentiecriteria

18 18 18 19

5. Analyse en scenario’s voortgezet onderwijs 5.1. Leerlingenprognoses 5.2. Quickscan-scores 5.3. Inleiding analyse en scenario’s 5.4. Analyse en scenario Bertrand Russell College onderbouw 5.5. Analyse en scenario Bertrand Russell College bovenbouw 5.6. Analyse en scenario St. Michaël College 5.7. Analyse en scenario Blaise Pascal College 5.8. Analyse en scenario Zaanlands Lyceum 5.9. Analyse en scenario Saenredam College 5.10. Analyse en scenario Compaen VMBO 5.11. Analyse en scenario Praktijkschool De Brug 5.12. Analyse en scenario Trias VMBO 5.13. Analyse en scenario Orthopedagogisch didactisch centrum Saenstroom 5.14. Analyse en scenario Pascal Zuid (vmbo) 5.16. Analyse en scenario Zuiderzee College (vmbo)

Referentie: 1549102-0019.3.1.

5.17. Analyse en scenario Praktijkschool De Faam 5.18. Prioritering scenario’s

36 37

6. 6.1. 6.2.

38 38 44

Financiële uitgangspunten, ambitieniveaus en financiële vertaling Uitgangspunten Randvoorwaarden bij uitvoering IHP

Bijlagen Bijlage I: gedetailleerde capaciteitsanalyse met referentie 1653061-0017 Bijlage II: leerlingenprognose VO Zaanstad van PVG d.d. 2019 Bijlage III: quickscan-rapportages per school met diverse referenties Bijlage IV: waardenwijzer met referentie 1653061-0072 Bijlage V: HEVO kostenconfigurator VO 2020 Bijlage VI: kwaliteitskader HEVO, december 2019 Bijlage VII: overzicht afschrijving per onderwijsgebouw

46

20 20 21 22 23 24 25 27 28 29 30 31 32 33 34 35

Pagina 2 van 47

2020/30063

1. Inleiding ‘Elk kind heeft recht op goed en passend onderwijs, los van zijn of haar sociaaleconomische achtergrond, zodat ieder kind vanuit een gelijkwaardige positie op de arbeidsmarkt dezelfde kansen krijgt. We zien in goed onderwijs in het algemeen een belangrijke motor om de kansenongelijkheid tegen te gaan en de talentontwikkeling van kinderen te stimuleren’. Dit citaat is afkomstig uit het Coalitieakkoord 2020-2022 met de titel ‘De molen op de wind zetten’. Voor het Zaanstad van morgen is goede onderwijshuisvesting een randvoorwaarde: om de schoolbesturen eigentijds onderwijs te laten verzorgen van hoog niveau, om invulling te geven aan de verduurzaming van de gemeente, om nieuwbouwwijken te voorzien van passende maatschappelijke voorzieningen en om kansen te creëren voor passend onderwijs, met aansluiting op jeugdzorg en preventie. Het Strategisch Huisvestingsplan (hierna: SHP) beoogt om als beleidskader deze randvoorwaarde in te vullen, waarbij ‘samenwerking als basis’ centraal staat: op het gebied van onderwijshuisvesting wordt nu en in de toekomst door gemeente, schoolbesturen en kinderopvang intensief samengewerkt. Dit Integraal Huisvestingsplan (hierna: IHP) heeft een strategisch karakter, waarbij vanuit visie en beleid strategische keuzes zijn gemaakt. Er is beleid ontwikkeld dat verder reikt dan de huidige wet- en regelgeving.

Dit plan heeft betrekking op welke voorzieningen er nodig zijn bij een uitbreidende stad en hoe die nieuwe projecten daaraan gerelateerd worden. Dit op wijkniveau maar ook op stedelijk niveau. Ook zal binnenkort een strategisch voorzieningenplan worden opgesteld, waaraan de onderwijsprojecten gerelateerd worden. De gemeente Zaanstad en de schoolbesturen hebben hierdoor zicht op de benodigde toekomstige investeringen in onderwijshuisvesting. Dit IHP is, nadat eerst een SHP door de drie schoolbesturen is opgesteld, een door de gemeente en de drie schoolbesturen gedragen document.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Door nu een IHP te ontwikkelen spelen de gemeente en de schoolbesturen in op, onder andere, de volgende nationale ontwikkelingen:  De aangekondigde wettelijke status van IHP’s waarbij deze een meer verplichtend karakter moeten krijgen en renovatie c.q. levensduurverlenging als een voorziening in de huisvesting in de wet wordt verankerd (naar aanleiding van het voorstel van de VNG, de VO-raad en de PO-raad).  De eis dat alle nieuwe gebouwen in Nederland vanaf 1 januari 2021 bijna energieneutrale gebouwen (BENG) dienen te zijn en de verdere ambities die voortvloeien uit het klimaatakkoord.  De druk die is ontstaan op de bekostiging van onderwijshuisvesting, door weeffouten in het stelsel op het gebied van de scheiding tussen investering en exploitatie (TCO-gedachte). Zie hiervoor paragraaf 3.1.8.

1.1. Doelstelling Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Zaanstad, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting. Dit in de context van een stad die groeit en verdicht. In tegenstelling tot de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, wordt in het IHP uitgegaan van een proactief onderwijshuisvestingsbeleid. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen. Het IHP:  Stelt de gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren.  Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings)beleid kan worden afgestemd. Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 20202035. Het IHP wordt elke 4 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment.

Pagina 3 van 47

2020/30063

De gemeente Zaanstad en de drie schoolbesturen, OVO Zaanstad, St. Michaël College en Zaam, willen graag gezamenlijk voorsorteren op deze ontwikkelingen. De kern van de komende wetswijziging is dat op een natuurlijk moment een integrale afweging wordt gemaakt over de toekomst van een schoolgebouw. Kan de levensduur van het gebouw met minimaal 25 jaar worden verlengd? Of is vervangende nieuwbouw de meest verstandige oplossing? En wanneer is het natuurlijk moment voor een upgrading en levensduurverlenging c.q. nieuwbouw aan de orde?

1.2. Aanpak De basis van dit IHP is het SHP dat door de schoolbesturen is opgesteld. De schoolbesturen hebben intensief en constructief geparticipeerd in het SHP-traject. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen:  Stap 1: om te komen tot een gezamenlijke visie en beleidsuitgangspunten is in een bijeenkomst met de drie schoolbesturen gesproken over de toekomst van de onderwijshuisvesting. De uitkomsten van deze kick-off zijn vastgelegd in de ‘Bouwstenennotitie Zaanstad’.  Stap 2: het gebouwenbestand van de onderwijshuisvesting in de gemeente Zaanstad is in beeld gebracht. Voor ieder schoolgebouw is een capaciteitsanalyse en een kwaliteitsanalyse uitgevoerd.  Stap 3: op basis van de bouwstenen en de integrale beoordeling van het gebouwenbestand zijn door de schoolbesturen in gezamenlijkheid en openheid scenario’s ontwikkeld.  Stap 4: de scenario’s zijn financieel vertaald.

1.3. Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 het voortgezet onderwijs (hierna: VO) in Zaanstad. Hoofdstuk 3 gaat in op de beleidskaders en beleidsambities. Hoofdstuk 4 introduceert de gehanteerde methoden voor de analyse en scenarioontwikkeling die in hoofdstuk 5 wordt gepresenteerd. Hoofdstuk 6 voorziet de scenario’s uit hoofdstuk 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In de bijlagen zijn de gedetailleerde capaciteitsanalyse, de leerlingenprognose, de quickscan-rapportages inclusief waardenwijzer, de HEVO kostenconfigurator en het kwaliteitskader HEVO opgenomen.

Het IHP is vervolgens tot stand gekomen door de gemeentelijke beleidskaders en visie van de gemeente te verwerken. In een aantal besprekingen is gesproken over de gezamenlijke missie en visie van het IHP en de daarbij behorende kaders, uitgangspunten en doelen. Het gezamenlijke proces heeft geleid tot dit IHP, waarin zowel de kaders, uitgangspunten en visie van de gemeente en schoolbesturen zijn verwoord als de huidige en toekomstige situatie van de onderwijsgebouwen zijn omschreven.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 4 van 47

2020/30063

2. Voortgezet onderwijs in Zaanstad Dit hoofdstuk beschrijft het onderwijsaanbod van het VO in de gemeente Zaanstad, waarvoor de gemeente een zorgplicht heeft op het gebied van onderwijshuisvesting.

Het leerlingenaantal 2020 betreft het leerlingenaantal op 1 oktober 2019 conform de prognose van PVG d.d. 2019. Dit IHP is gebaseerd op de leerlingenprognose van PVG uit 2019. Bij de uitwerking van een daadwerkelijk project dient de leerlingenprognose opnieuw berekend te worden om te bepalen voor hoeveel leerlingen gebouwd, vernieuwbouwd of gerenoveerd gaat worden. Zie ook paragraaf 6.2.

Het scholenlandschap van Zaanstad voor VO is divers. Er zijn verschillen in opleidingen, onderwijsconcepten en omvang. Er zijn 3 schoolbesturen voor VO in Zaanstad gevestigd. Gezamenlijk hebben de schoolbesturen 12 scholen verspreid over 13 locaties. Ze verzorgen het VO voor 9.235 leerlingen. De Voortgezet Speciaal Onderwijs-school (het Altra College) is niet meegenomen in dit IHP. Deze wordt meegenomen in het IHP PO.

Schoolnaam

Leerlingen aantal 2020

Leerlingen % 2020

Bertrand Russell College

1186

12,8%

Compaen VMBO

795

8,6%

De Brug

130

1,4%

De Faam

154

1,7%

OPDC Saenstroom

164

1,8%

Pascal Pascalstraat

920

10,0%

Pascal Zuid

541

5,9%

Saenredam College

652

7,1%

St. Michael College

1349

14,6%

Trias VMBO

1253

13,6%

Zaanlands Lyceum

1471

15,9%

Zuiderzee College

620

6,7%

9235

100%

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 5 van 47

2020/30063

3. Beleidskaders en beleidsambities Dit hoofdstuk behandelt de beleidskaders en de beleidsambities van dit IHP. Er wordt eerst ingegaan op de wettelijke taak van de gemeente en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen. Daarna worden de beleidsambities van de schoolbesturen benoemd: de bouwstenen van beleid. Deze bouwstenen zijn vastgesteld met de schoolbesturen VO.

3.1. Juridische kaders: wet- en regelgeving 3.1.1 Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO). De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld.

3.1.2 Verordening De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), Wet op het primair onderwijs (artikel 102), Wet op de expertisecentra (artikel 100) en Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen. De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. De VVHO1 (Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Zaanstad) is voor het laatst vastgesteld op 10 augustus 2015. De gemeente Zaanstad heeft een IHP opgesteld voor het PO en dit geactualiseerd in 2018 naar aanleiding van de door de VNG voorgestelde wijzigingen. Voor het VO is geen IHP opgesteld.

3.1.3 Ontwikkeling klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2arme gebouwenvoorraad. Afgelopen periode heeft HEVO deze doorrekening gedaan. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouwgebonden CO2-productie en anderzijds op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast. Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: 1. Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990, hetgeen overeenkomt met 44% ten opzichte van de situatie in 2017. En: 2. Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990. Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin geboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim.

Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen. De doelstellingen zijn als volgt: Doelstelling CO2-reductie 2030 CO2-productie 2030 CO2-reductie 2050 CO2-productie 2050

Referentiejaar 1990 49,0% 51,0% 95,0% 5,0%

Referentiejaar 2017 44,0% 56,0% 94,5% 5,5%

1 https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/Zaanstad/298727/298727_2.html

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 6 van 47

2020/30063

Dit betekent dat ten opzichte van de huidige CO2-uitstoot, representatief gesteld voor referentiejaar 2017, het einddoel per 2050 gesteld wordt op 94,5% CO2-reductie ten opzichte van dat referentiejaar. Het doel voor 2030, 44% reductie ten opzichte van 2017, is door het rijk als doelstelling geformuleerd. Op basis van de verhoudingen voor de doelstelling per 2030 is de doelstelling per 2050 ten opzichte van 2017 bepaald.

3.1.4 Klimaatneutrale en circulaire gemeente De gemeente Zaanstad wil in 2040 al klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat de gemeente als stad wil helpen de verandering van het klimaat te voorkomen. De verandering van het klimaat, instabiliteit in wereldhandel en de eindigheid van fossiele energiebronnen maken de komende jaren een energietransitie noodzakelijk. Dat wil de gemeente Zaanstad om in de toekomst haar energie klimaatneutraal te op te wekken, en te gebruiken. Om in de toekomst over schone en betaalbare energie te beschikken en de groeiende stad leefbaar te houden, moeten overheid, bedrijven en inwoners op een andere manier omgaan met hoeveel energie wordt verbruikt en hoe die energie wordt opgewekt en getransporteerd naar afnemers. Dit betekent ook dat de gemeente Zaanstad energieneutrale onderwijsgebouwen wil realiseren. Dit is het uitgangspunt in dit IHP. Naast energieneutraliteit wil de gemeente daarnaast op een circulaire manier bestaande gebouwen slopen. De redenen hiervoor zijn dat grondstoffen niet oneindig zijn en dat de gemeente graag haar CO2-uitstoot vermindert.

3.1.5 Het natuurlijk moment Bij de keuze voor levensduurverlenging, renovatie of nieuwbouw dient een integrale aanpak gekozen te worden om een duurzaam, toekomstbestendig en onderwijskundig functioneel passende huisvesting te realiseren. Voorop staat dat de levensduurverlenging, renovatie of nieuwbouw dient plaats te vinden op een natuurlijk moment. Dit natuurlijk moment hangt nauw samen met de staat van het binnenmilieu, energieverbruik, de onderwijskundige functionaliteit en de investeringen in het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) (zie afbeelding).

Referentie: 1549102-0019.3.1.

3.1.6 Eigendom Schoolbesturen hebben het (juridisch) eigendom, dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw valt het gebouw in (juridisch) eigendom terug aan de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente gebouw en ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in medegebruik geven (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel. Verhuren is mogelijk (bijvoorbeeld aan een commerciële partij) indien de gemeente daar toestemming voor geeft.

Pagina 7 van 47

2020/30063

3.1.7 Doordecentralisatie Er is een uitzondering op het bovenstaande. Gemeenten kunnen met een of meerdere schoolbesturen overeenkomen dat het schoolbestuur zelf geheel verantwoordelijk is voor de onderwijshuisvesting, dus ook voor nieuwbouw en uitbreiding (artikel 111 Wet op het primair onderwijs en artikel 76 Wet op het voortgezet onderwijs). Met andere woorden: de taken en verantwoordelijkheden worden van de gemeente overgedragen aan het schoolbestuur. Daarvoor ontvangt een schoolbestuur jaarlijks een bedrag van de gemeente. Dit wordt doordecentralisatie genoemd. De gemeente behoudt hierbij wel de (uiteindelijke) zorgplicht; de eindverantwoordelijkheid voor de realisatie van voldoende en veilige onderwijshuisvesting. Primair wordt de verantwoordelijkheid bij doordecentralisatie volledig bij de schoolbesturen neergelegd. Gemeente en schoolbesturen maken bij overeenkomst afspraken over het monitoren van de overeenkomst en hoe verantwoording wordt afgelegd. Doordecentralisatie is op dit moment niet aan de orde in de gemeente Zaanstad en ook geen principieel uitgangspunt voor de gemeente Zaanstad noch voor de schoolbesturen.

3.1.8 Huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont gebreken. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven onverantwoord te beperken. Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. Daarbij komt dat een aantal zaken niet geregeld zijn, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen, waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie. De middelen vanuit het rijk voor onderwijshuisvesting zijn structureel ontoereikend.

3.1.9 Wetsvoorstel stelselwijziging Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Op 9 mei 2018 is het verder uitgewerkte voorstel gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Inmiddels is het voorstel ook formeel door de VNG goedgekeurd. Het voorstel is in 2018 formeel aan de huidige minister aangeboden. Deze heeft laten weten dat de besluitvorming c.q. wetswijziging staat gepland voor de tweede helft van 2022. Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 8 van 47

2020/30063

Belangrijke elementen uit het voorstel zijn:  De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar.  De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar (bij voorkeur 40 jaar).  Het investeringsverbod voor het PO en SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs (de positie van het VO). PO- en SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren.  De concretisering van het huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan verhogen dan wel het moment van investeren kan vervroegen.

Met de ontwikkeling van dit IHP lopen de gemeente Zaanstad en de VOschoolbesturen binnen de kaders van de vigerende wetgeving vooruit op dit wetsvoorstel.

Opmerking: noch het wetsvoorstel (zie paragraaf 3.1.9), noch de verhoging van de normbedragen is door de rijksoverheid vertaald naar extra inkomsten voor gemeente (Gemeentefonds) en schoolbesturen (mi-vergoeding).

3.2. Beleidskaders: beleid gemeente Zaanstad 3.2.1 Coalitieakkoord 2020-2022 ‘Elk kind heeft recht op goed en passend onderwijs, los van zijn of haar sociaaleconomische achtergrond, zodat ieder kind vanuit een gelijkwaardige positie op de arbeidsmarkt dezelfde kansen krijgt. We zien in goed onderwijs in het algemeen een belangrijke motor om de kansenongelijkheid tegen te gaan en de talentontwikkeling van kinderen te stimuleren. Een duurzame huisvesting van onze nieuwe generatie. Voor onderwijshuisvesting van vooral het primair onderwijs zijn goede leerlingenprognoses essentieel. We zien daar de laatste jaren veel verbeteringen in. Met het oog op de stedelijke verdichting is zorgvuldigheid vereist bij de planning van onderwijshuisvesting. Tijdelijke huisvesting en noodlokalen moeten echt een noodoplossing zijn en na gebruik worden noodlokalen verwijderd. In het IHP moet voldoende ruimte zijn voor het realiseren van de duurzaamheidsdoelstellingen. Bij het opstellen van het vervolg van het IHP maken we nieuwe afspraken met de schoolbesturen over energieneutrale maatregelen. Wanneer de schoolbesturen hierin een actieve bijdrage leveren, stellen wij hiervoor extra geld beschikbaar.’ Het IHP VO is een middel om ook de strategische doelstellingen van het VO te formuleren en vast te stellen.

3.1.10 Verhoging normbedragen VNG In maart 2018 heeft de VNG geadviseerd om de normbedragen voor nieuwbouw te verhogen met 40%. De aangekondigde verhogingen gelden vanaf 2019. De reden hiervoor is dat de jaarlijkse indexering van de normbedragen over de afgelopen jaren de werkelijke prijsontwikkelingen in de markt niet goed blijkt te hebben gevolgd. In deze bijgestelde normbedragen zijn de financiële gevolgen van de verplichting om vanaf 2020 bijna energieneutrale gebouwen te realiseren nog niet meegenomen.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 9 van 47

2020/30063

3.2.2 Omgevingsvisie ‘MAAK.Zaanstad’ Naast het Coalitieakkoord werkt de gemeente Zaanstad aan een omgevingsvisie2. De uitkomsten van het IHP dragen bij aan de realisatie van de doelstellingen van de omgevingsvisie: 1. Compactheid van de stad - openbare ruimte en langzaam verkeer. 2. Aanjagers voor kwaliteit - bestaande kwaliteit, speldenprikken, groeiassen en aanloopstraten. 3. Duurzame stad - duurzaamheid, klimaat en milieu. 4. Aantrekkelijke stad - investeren in sport, recreatie, groen en scholing. 5. Veranderende economie - transformatie en modernisering bedrijventerreinen. 6. Bereikbaarheid van de stad en ontsluiting van gebieden. Zaanstad zal de komende jaren aanzienlijk groeien. Er komen tot 2040 15.000 tot 20.000 woningen bij. De groei vindt zowel in de bestaande stad en wijken plaats als in nieuwe transformatiegebieden als Hembrugterrein en Achtersluispolder. De bevolkingsgroei heeft uiteraard ook effect op het aantal leerlingen in het VO. De komende periode gaan schoolbesturen en gemeente met elkaar kijken hoe de groei ook voor de onderwijshuisvesting geaccommodeerd kan worden en welke kansen daarbij kunnen ontstaan.

2

https://maak.zaanstad.nl/system/attachments/files/000/001/460/original/Einddocument_Vaststelling_M AAK.Zaanstad.pdf

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 10 van 47

2020/30063

3.3. Beleidsambities: de bouwstenen

2.

Samenwerking tussen schoolbesturen en de gemeente is essentieel en belangrijk. Bij deze samenwerking wordt de huisvestingsverordening gevolgd, die helder en duidelijk is voor alle partijen. Partijen houden zich aan de inhoud van de huisvestingsverordening. In de huisvestingsverordening is standaard opgenomen dat de schoolbesturen zich moeten houden aan de gemeentelijke aanbestedingsregels. Het bouwheerschap is aan de scholen. De gemeente ondersteunt de scholen bij het bestemmingsplan c.q. ruimtelijke ordening, verkeersmaatregelen etc.

3.

Het IHP vormt een strategisch kader voor de langere termijn, waarin de benodigde investeringen zijn geraamd aan de hand van normbedragen, prijspeil 1 januari 2020. Deze normbedragen worden na vaststelling van het IHP opgenomen in de jaarschijven van het Meerjaren Investeringsplan (MIP) van de gemeente. Met dit kader kunnen nog geen definitieve bedragen worden vastgesteld, aangezien de geraamde bedragen moeten worden vertaald naar concrete uitvoeringsbudgetten. Uit een per project uit te voeren haalbaarheidsonderzoek volgen het definitieve scenario (afweging nieuwbouw/renovatie, locatiekeuze bij nieuwbouw, bouwkostenniveaus, bijdrage schoolbestuur, e.d.) en de bijkomende kosten (locatie specifieke kosten, interim voorzieningen, gymnastiekvoorzieningen, e.d.). Door vaststelling van het IHP zijn de prioritering en planning voor uitvoering van projecten vastgelegd wat zekerheid biedt aan zowel schoolbesturen als de gemeente. De definitieve bepaling van bijkomende kosten bepaalt daarmee niet of een project wel of niet wordt uitgevoerd conform de planning in het IHP. Het voorliggende IHP geldt voor een periode van minimaal 16 jaar en wordt om de 4 jaar geactualiseerd. Met de vaststelling van het IHP committeert de gemeente zich met de projecten en onderzoeken die voor de eerstkomende 5 jaar zijn benoemd (zie 5.18).

Op het moment dat de aanvraag voor de projecten verder zijn uitgewerkt en de concrete maatregelen bekend zijn, zullen gemeente en schoolbestuur gezamenlijk een voorstel voor krediet aan de gemeenteraad voorbereiden. Bij de actualisering van het IHP over 4 jaar zullen we, afhankelijk van de definitieve uitwerking van de wetswijziging, bespreken via welk proces het krediet voor de projectbudgetten kan worden verkregen.

4.

In de onderwijsverordening is geregeld dat het bouwheerschap bij de schoolbesturen ligt. De wet biedt de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en het

Als onderdeel van het IHP is met de gemeente Zaanstad en de drie schoolbesturen een gezamenlijke visie ontwikkeld op de onderwijshuisvesting voor het VO in Zaanstad. Er zijn in gezamenlijkheid beleidsuitgangspunten en ambities geformuleerd: de bouwstenen van beleid. In dit IHP zijn deze bouwstenen gezamenlijk geformuleerd door de gemeente Zaanstad en de drie schoolbesturen. Het IHP is er namelijk op gericht om, binnen de randvoorwaarden van de gemeente (financieel, ruimtelijk, zorgplicht) en schoolbesturen (veiligheid, financieel en qua organisatie), deze bouwstenen zoveel als mogelijk te realiseren. Onderstaande bouwstenen zijn geen harde afspraken, maar geven de richting van de gemeente en de drie schoolbesturen aan op het gebied van onderwijshuisvesting. Bouwsteen 1: regie en samenwerking Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting. 1.

De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud, aanpassing en de exploitatie van schoolgebouwen. Het beheer van gebouwen is bij wet geregeld. In het geval de school bouwheer is, draagt de school zorg voor een financiële verantwoording bij afronding van het project. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en de diversiteit daarvan. Tussen de gemeente en de schoolbesturen (OOGO) vindt de afstemming van deze verantwoordelijkheden plaats door middel van gezamenlijk overleg. Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de verordening onderwijshuisvesting. Voor het onderwijshuisvestingsbeleid wordt daarom in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de verordening. Deze wijze van samenwerking kan, in afwachting van de wettelijke regeling, juridisch vastgelegd worden.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 11 van 47

2020/30063

college overeenkomen dat het College van B&W de voorziening tot stand brengt. Voor de start van het project moet duidelijk vaststaan of het schoolbestuur gebruik maakt van de mogelijkheid dat de gemeente Zaanstad bouwheer is. De gemeente stelt financiering beschikbaar en toetst de planontwikkeling. Om deze rollen helder en professioneel in te richten, maken schoolbesturen en gemeente procesafspraken. Die zien er als volgt uit:  Op basis van het IHP stelt de gemeente financiering beschikbaar en leveren schoolbesturen per project een eigen bijdrage voor ‘extra’s’.  Bij de start van het project wordt door gemeente en schoolbestuur gezamenlijk een kaderbrief opgesteld waarin gemaakte afspraken over inhoud, proces, planning en financiën (voorbereidingskrediet ten behoeve van kosten definitiefase plus bevoorschotting bouwheer) worden vastgelegd.  Het schoolbestuur stuurt op basis van de afspraken in de kaderbrief de bouwplanontwikkeling aan en kan daarbij -in overleg- gebruik maken van de expertise van de gemeente (bijvoorbeeld op het gebied van aanbesteden (inkoop) of bouwkunde (ingenieursbureau)). De gemeente vervult hierin een adviesrol.

 Per projectfase (definitiefase, VO-fase, DO-fase, voorbereidingsfase en tijdens de uitvoeringsfase periodiek) stelt het schoolbestuur een fasedocument ter beschikking aan de gemeente waarin wordt gerapporteerd over de aspecten die zijn benoemd in de kaderbrief.  De gemeente toetst het bestek, de bestektekeningen, de afwerkstaten en de directieraming. De gemeente toetst: o De aangeleverde stukken aan alle vanuit de wet en de gemeente gestelde eisen. o Het bouwplan aan de gemeentelijke planning en de gemaakte afspraken. o De begroting aan de genormeerde vergoeding. Dit kan marginaal zolang de begrote kosten binnen de genormeerde vergoeding blijven. o Of de feiten en omstandigheden ingrijpend zijn gewijzigd ten opzichte van gemaakte uitvoeringsafspraken. Daarnaast zorgt de gemeente dat een bouwkundige toets wordt uitgevoerd door een interne/externe bouwkundige.  Het schoolbestuur legt het resultaat van de aanbesteding ter goedkeuring voor aan de gemeente. Bij goedkeuring geeft de gemeente toestemming voor uitvoering. Dit is het enige moment in het project waarop eventueel bijstelling

Referentie: 1549102-0019.3.1.

 

 

5.

van het projectbudget uit dit IHP plaatsvindt. De eventuele bijstelling vindt plaats na goedkeuring door de raad. De bijstelling van het budget mag in ieder geval niet meer zijn dan 15% (moet minder zijn dan 15%) aangezien er anders wegens een wezenlijke wijziging opnieuw dient te worden aanbesteed. Het schoolbestuur stuurt op basis van dit taakstellende budget het bouwproces aan. Het is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om ervoor te zorgen dat eventuele tegenvallers in het project binnen budget worden opgevangen. Alleen bij ernstige, niet voorziene omstandigheden treden schoolbestuur en gemeente in overleg over het budget. Op basis van het termijnschema van de uitvoerende partijen wordt het betaalschema vastgesteld tussen gemeente en schoolbestuur. De werkwijze is als volgt: op basis van het termijnschema van de aannemer dient het schoolbestuur als bouwheer de factuur van aannemer goed te keuren en te voorzien van handtekening. Deze factuur wordt ter betaling naar de gemeente Zaanstad gestuurd. Na oplevering van het project vindt afrekening plaats conform (de termijnen genoemd in) de beschikking. Werkzaamheden voor het beschikbaar stellen van een bebouwbare kavel voor de school vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, inclusief communicatie hierover.

Denk hierbij aan het opnemen van de school in een stedenbouwkundig plan en communicatie met de buurt hierover, maar ook het uitvoeren van en de communicatie over bouwrijp maken van een kavel. De gemeente ondersteunt actief bij het doorlopen en goedkeuren van vergunningsaanvragen. Werkzaamheden voor de bouwplanontwikkeling op de kavel vallen onder de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, inclusief communicatie hierover. Denk hierbij aan het voeren van gesprekken met omwonenden over hoe de school en de buitenruimte eruit komen te zien.

Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. Het IHP geldt voor een periode van minimaal 16 jaar en wordt om de 4 jaar geactualiseerd. Ieder jaar wordt de voortgang van het IHP besproken. De termijnen waarbinnen levensduurverlenging (vernieuwbouw) of nieuwbouw plaatsvindt hangen onlosmakelijk samen met de leeftijd en het MJOP van het gebouw. Daarnaast worden jaarlijkse huisvestingsvragen opgenomen in

Pagina 12 van 47

2020/30063

het Onderwijshuisvesting Plan (OHP) van de gemeente Zaanstad. Hiervoor stelt de gemeente Zaanstad, naast dit IHP, een procesvoorstel en een format op die gedeeld worden met de schoolbesturen teneinde duidelijkheid te hebben over de procedure van huisvestingsaanvragen. 6.

Schoolbesturen en gemeente hebben tijdens het IHP-traject de principes van Total Cost of Ownership (TCO) verkend. Bij TCO dragen schoolbesturen mogelijk bij aan een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of vernieuwbouw-/ renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede. Schoolbesturen kunnen daarvoor gebruik maken van de vergoeding voor materiële instandhouding die zij ontvangen van het rijk. Met de schoolbesturen is verkend dat een maximale bijdrage van circa 8-10% bij zowel vernieuwbouw/renovatie met levensduurverlenging 40 jaar als nieuwbouw een plek heeft gekregen in dit IHP (zie hoofdstuk 6). Het betreft een dialoog tussen de gemeente en schoolbesturen, waarin maatwerk belangrijk is.

7.

In dit IHP is rekening gehouden met de prognose van teldatum 1 oktober 2019. Deze prognose vormt het uitgangspunt voor de capaciteitsbehoefteberekeningen. Echter blijkt uit de praktijk dat de prognose afwijkt van het daadwerkelijk aantal leerlingen. Zoals ook verwoord in hoofdstuk 2punt 7 hierna wordt de leerlingenprognose herijkt bij de daadwerkelijke uitvoering van een project.

8.

Vanwege veranderende omstandigheden in het onderwijsveld, vooral op het gebied van leerlingenaantallen of andere omstandigheden, worden opgaven op het moment van uitvoering/beschikking opnieuw geanalyseerd en getoetst aan de dan geldende prognoses. Deze analyse leidt vervolgens tot afspraken.

9.

Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven, waarbij gebouwelijke samenwerking idealiter volgt op de inhoudelijke samenwerking. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling, Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren en biedt exploitatievoordelen (delen van ruimten). Op dit moment vindt er reeds inhoudelijke samenwerking plaats tussen de VO-scholen en de verschillende schoolbesturen. Belangrijk is dat iedere vorm van samenwerking maatwerk is en specifiek per casus op dat moment uitgewerkt dient te worden.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

1.

De schoolbesturen VO Zaanstad werken in gezamenlijkheid aan de maatschappelijke opdracht om tot een regionaal dekkend, kwalitatief hoogstaand en divers onderwijsaanbod te komen. Bij de samenwerking is van belang dat de eigen identiteit van de scholen behouden blijft.

2.

Schoolbesturen streven naar samenwerking tussen VO en overige maatschappelijke partners (arbeidsmarkt, sportorganisaties, jeugdhulp etc.): a. Samenwerking biedt ruimte voor verbreding van het onderwijs(aanbod). b. Er wordt tegemoetgekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk/omgeving/stad. Deze functie kan per wijk en per school anders worden ingevuld. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie. c. Het creëren van broedplaatsen, pilotprojecten en labs.

3.

Schoolbesturen zien mogelijkheden in samenwerking tussen verschillende schoolsoorten, bijvoorbeeld tussen het PO en het VO en tussen het vmbo en het mbo.

Pagina 13 van 47

2020/30063

Daarbij zijn enkele randvoorwaarden en uitgangspunten geformuleerd: a. Samenwerking tussen PO en VO kan bijdragen aan een betere overgang tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Dit dient verder onderzocht te worden. b. Er wordt rekening gehouden met identiteit, onderwijsconcept en doelgroepen. c. Onderling gebruik van ruimten, zoals speciale technieklokalen op VOscholen. Dit vergt maatwerk. Er wordt ook een IHP PO opgesteld. In dit proces is het een kans om een gezamenlijke sessie te organiseren om de samenwerking tussen het PO en het VO te bespreken. Bouwsteen 2: vraag en aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen. Ook wordt aangegeven hoe de scholen omgaan met groei en krimp van leerlingenaantallen. Kenmerkend voor het scholenlandschap van Zaanstad is dat circa 90% van de leerlingen op de scholen afkomstig is uit de gemeente Zaanstad. Dit betekent dat er nauwelijks leerlingen afkomstig zijn uit de omliggende gemeenten Amsterdam en Purmerend. Op dit moment heeft Zaanstad geen agrarisch onderwijs. Zaanstad heeft categorale scholen en de uitdaging is om (verdere) segmentatie te voorkomen. De trend is dat er suburbanisatie vanuit Amsterdam optreedt, deze trend wordt ook verwoord in de omgevingsvisie van de gemeente Zaanstad.

Aangezien deze trend nog niet feitelijk is te vatten, zijn ook de gevolgen voor de leerlingenprognoses moeilijk in te schatten. 1.

De analyse en de scenario-ontwikkeling in het IHP richten zich voor het VO op het gemeente-overstijgend niveau. De leerlingen komen voornamelijk uit de gemeente Zaanstad. Daarna volgen de gemeenten Wormerland en Oostzaan. Een klein aantal leerlingen komt van buiten de streek ( ivm grensverkeer en de AZjeugdopleiding).

Referentie: 1549102-0019.3.1.

2.

Het streven is vitale en toekomstbestendige scholen. De minimale grootte per onderwijsniveau is bij voorkeur niet lager dan de nationale opheffingsnorm. Het bereiken van de nationale opheffingsnorm is echter niet aan de orde in Zaanstad.

3.

Ruimtetekorten en ruimteoverschotten: sinds een aantal jaren worden ieder jaar de vraag en het aanbod op elkaar afgestemd. Hierbij geldt dat de capaciteit van het gebouw het kader is voor het leerlingenaantal. Door loting vindt er gestructureerde plaatsing van leerlingen plaats.

Pagina 14 van 47

2020/30063

4.

5.

6.

7.

Als in de loop van de tijd blijkt dat het aanbod van schoolsoorten bijgesteld moet worden in relatie tot de onderwijsvraag vanuit de stad, dan zijn schoolbesturen en gemeente gezamenlijk in het OOGO bereid om te kijken welke onderwijshuisvesting daarbij passend is en welke maatregelen en kosten gemoeid zijn bij eventuele aanpassing van onderwijshuisvesting ten behoeve van bijstelling aanbod schoolsoorten. De meest in het oog springende ontwikkeling in de metropool Amsterdam, en dus ook Zaanstad, is de trek naar de stad. Steeds meer mensen komen naar de stad. Mensen zoeken een plek in de metropoolregio en laten hun blik ook op Zaanstad vallen. De druk op de Zaanse woningmarkt neemt toe. De verwachting is dat er tussen nu en 2040 in de metropoolregio Amsterdam tussen de 200.000 en de 300.000 woningen moeten worden gebouwd om iedereen die hier wil blijven of komen wonen van een woning te voorzien3. In Zaanstad zullen er dan tussen de 15.000 en 20.000 woningen bij moeten komen. Deze groep betreft vooral jonge, hoogopgeleide ouders uit Amsterdam.

8.

Het ideale schoolgebouw is multifunctioneel. Het gebouw wordt niet alleen voor onderwijs gebruikt. Voorbeelden: aula gebruiken als theater, avondlessen in de school. In een verdichte stad is een efficiënt multifunctioneel ruimtegebruik/ medegebruik belangrijk.

Bouwsteen 3: kwaliteit en duurzaamheid Deze bouwsteen geeft aan welke duurzaamheids- en kwaliteitsambitie de gemeente en schoolbesturen nastreven op het gebied van onderwijshuisvesting. 1.

De schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het leefklimaat voor de toekomstige generaties. Scholen leiden leerlingen op tot bewuste wereldburgers. Het IHP sluit aan bij de duurzaamheidseisen op het gebied van energie die gesteld worden vanaf 1 januari 2021 en gaat zelfs nog een stap verder. Het IHP gaat daarmee, bij nieuwbouw, uit van de realisatie van energieneutrale gebouwen die gasloos zijn. Bij renovatie wordt beoogd om zoveel mogelijk te voldoen aan deze eisen. Echter vormt het bestaande gebouw met zijn esthetische, bouwkundige en installatietechnische vormfactoren het uitgangspunt. Voor ieder project dient een nadere studie uitgevoerd te worden waarin wordt onderzocht welke mogelijkheden het bestaande gebouw biedt en wat de maximale ambitie kan zijn.

Naast de grootte en de onderwijssoort van de scholen, zijn de locatiekeuze en de spreiding van de scholen een uitdaging. Dit hangt samen met de locatie van de woningbouwontwikkelingen. In de plannen van MAAK.Zaanstad is vastgelegd dat woningbouwontwikkelingen plaatsvinden in Zaandam-centrum, midden, ZaanstadNoord, Hembrugterrein en Achtersluispolder. In een vooronderzoek wordt bepaald wat de locatie wordt van het nieuw te bouwen onderwijsgebouw. Hier zal ook in de planning van het specifieke project rekening mee gehouden moeten worden (wanneer start de voorbereiding).

2.

Zoals bij bouwsteen 1 verwoord, zijn er kansen om de samenwerking met de arbeidsmarkt en de technieksector te versterken en te verbeteren. Zaanstad is bij uitstek een omgeving waar veel werkgelegenheid en bedrijvigheid in de technieksector is. Dit heeft consequenties voor het aanbod aan onderwijs in de regio.

Gemeente en schoolbesturen streven naar een kwaliteitsambitie van Frisse Scholen klasse B. Daarbij is de kwaliteit van het binnenmilieu (naast luchtkwaliteit ook temperatuur) van groot belang. Een gezond binnenklimaat is heel belangrijk, waarbij de ramen open moeten kunnen en niet extreem grote ventilatiesystemen noodzakelijk zijn. Koeling is ook een vereiste.

3.

Naast bouwkundige kwaliteit van schoolgebouwen is er in het IHP expliciet aandacht voor andere (strategische) kaders voor vastgoedbeleid: uitstraling,

3

https://maak.zaanstad.nl/system/attachments/files/000/001/505/original/Einddocument_Vaststelling_M AAK.Zaanstad.pdf

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 15 van 47

2020/30063

binnenmilieu, exploitatie en onderwijskundige functionaliteit. Schoolbesturen en gemeente zijn het er over eens dat de ambitie energieneutraal moet zijn. Schoolbesturen en gemeente bepalen gezamenlijk wat qua total cost of ownership gedachte de gunstigste duurzaamheidsmaatregelen zijn, rekening houdend met het feit dat het gebouw faciliterend dient te zijn aan de onderwijsvisie ten behoeve van de leerlingen in Zaanstad. 4.

5.

Duurzaamheidsprincipes worden toegepast bij nieuwbouw/renovatie van schoolgebouwen. Daarbij bieden de principes van Trias Energetica houvast: a. Voorkomen van onnodig energieverbruik (bijvoorbeeld isolatie). b. Gebruik van duurzame energiebronnen (bijvoorbeeld zonnepanelen). c. Indien nodig, efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld gas). Het gebruik van hout als duurzaam materiaal wordt als ambitie geformuleerd. Echter dient dit wel binnen de beschikbare, beperkte onderwijsbudgetten te vallen. Dit dient verder per project uitgewerkt te worden bij de totstandkoming van een ontwerp.

6.

Het IHP geeft de schoolbesturen inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw of renovatie en te koppelen aan terugverdientijden.

7.

Kruisbestuiving tussen het onderwijs en duurzaamheid is belangrijk. Duurzaamheid is ook een leerdoel. Daarom dienen de maatregelen bij voorkeur zichtbaar te zijn in het interieur en exterieur van de schoolgebouwen. De scholen en schoolgebouwen hebben een voorbeeldfunctie naar leerlingen en in de wijk. Duurzame schoolgebouwen zorgen ervoor dat kinderen en hun ouders kennis maken met duurzaamheid. Voorbeelden van (zichtbare) duurzaamheidsmaatregelen zijn: a. Groene gevels en daken. b. Groene schoolpleinen. c. Duurzame mobiliteitsfaciliteiten (elektrische laadpalen, deelauto’s etc.).

8.

Het is van belang dat de duurzaamheid op projectniveau intensief wordt afgestemd op de mogelijkheden in de wijk en omgeving. Daarbij is te denken aan

Referentie: 1549102-0019.3.1.

geothermie, restgebruik van warmte (onder andere door middel van een warmtenet) of het toevoegen van extra zonnepanelen voor het leveren van energie aan omliggende woningen. 9.

Het faciliteren van verandering in onderwijsconcepten is in de huidige praktijk vaak lastig vanwege het statische karakter van de schoolgebouwen. Om te zorgen dat de schoolgebouwen in de toekomst toch een ander onderwijsconcept kunnen faciliteren zetten de gemeente en de schoolbesturen in op flexibiliteit van het gebouw. Hierbij gaat het om interne flexibiliteit, maar ook om transformatiemogelijkheden van het vastgoed.

10. Er wordt vanuit kostenoogpunt gestreefd naar permanente huisvesting. Een prognoseperiode van 15 jaar geldt hiertoe als criterium voor permanente huisvesting. De scholen/schoolbesturen hebben de vrijheid om met de gelden voor de tijdelijke huisvesting permanente huisvesting te realiseren. 11. Renovatie en vernieuwbouw zijn duurzame oplossingen met het oog op hergebruik van bestaande gebouwen en het voorkomen van het produceren van afval. Bij deze varianten dienen wel onderwijskundige concessies gedaan te worden door de schoolbesturen, omdat gerenoveerd/vernieuwbouwd gaat worden met de kaders vanuit de bestaande huisvesting. Per project wordt te zijner tijd een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd naar de best passende variant voor levensduurverlenging, waarbij onderwijskundige functionaliteit een basisvoorwaarde is bij een besluit over renovatie of nieuwbouw. Bouwsteen 4: onderhoud, renovatie en vervangende nieuwbouw Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen omgaan met onderhoud, renovatie en vervangende nieuwbouw. 1.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, schoolbesturen zijn in alle situaties verantwoordelijk voor het goed onderhouden en exploiteren van gebouwen. Schoolbesturen dienen zich te gedragen als goed ‘huisvader’ en het onderwijsgebouw goed te onderhouden. Om elkaar te versterken en gebruik te maken van elkaars expertise kan het wenselijk zijn om, afhankelijk van de behoefte van het schoolbestuur en de gemeente, regulier overleg met elkaar te

Pagina 16 van 47

2020/30063

hebben over de staat van onderhoud en ingrepen. Hierover worden maatwerkafspraken tussen het schoolbestuur en de gemeente gemaakt. Bij einde gebruik van het gebouw als onderwijsgebouw wordt de verordening gevolgd, waarin is opgenomen dat het college vaststelt of sprake is van achterstallig onderhoud en of een staat van onderhoud opgesteld dient te worden. Over het gebruik van de bevoegdheden worden door middel van dit plan goede afspraken gemaakt. Bij teruggave van een gebouw uit dit IHP, dat door nieuwbouw wordt vervangen, is het van belang dat als het gebouw gesloopt wordt hier geen harde eisen aan worden gesteld. Dat hangt ook nauw samen met de bijdrage van de besturen in de nieuwbouw, immers, hoe meer geld in de oude gebouwen wordt gestoken (eisen overdracht) des te minder de besturen kunnen bijdragen in de nieuwbouw. 2.

Renovatie (lees: vernieuwbouw) is wettelijk nog niet geregeld. Renovatie kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG en wordt vooruitgelopen op de wetswijziging. a. Renovatie wordt opgenomen als voorziening. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (artikel 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. b. Renovatie is daarbij een integrale levensduur verlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. Levensduurverlenging met 40 jaar wordt vernieuwbouw genoemd. c. Uitgangspunt bij renovatie/vernieuwbouw is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar voor rekening komen van de gemeente, aangezien in juni 2020 het wetsvoorstel in behandeling is genomen door Arie Slob (minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media) en is voorgesteld aan de Tweede Kamer om renovatie als voorziening in de wet op te nemen. Hiermee zal renovatie binnen de geldende wet- en regelgeving tot de verplichting/verantwoordelijkheid gaan behoren van de gemeente.

Scholen dienen ook in alle redelijkheid hun onderhoudsreservering (20- en 40-jarige cyclus) en besparing op TCO in te zetten voor zowel vernieuwbouw als

Referentie: 1549102-0019.3.1.

nieuwbouw projecten, afhankelijk van het kwaliteitsniveau en de mogelijke besparingen TCO. 3.

Bij investeringsopgaven in het kader van het IHP wordt de mogelijkheid van renovatie onderzocht. Daarbij wordt beoogd om de gedefinieerde duurzaamheidseisen (ENG en kwaliteitseisen (Frisse Scholen klasse B)) zoveel mogelijk te realiseren. Dit zal per project maatwerk zijn, gezien de kaders van het bestaande gebouw.

4.

Per situatie wordt een afweging gemaakt (bijvoorbeeld in een haalbaarheidsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is voor de betreffende school. Daarbij worden de volgende aspecten meegenomen in de afweging: a. Er wordt rekening gehouden met een goede bezetting van gebouwen na renovatie. Er wordt niet gerenoveerd voor leegstand. b. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. c. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde. d. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met mogelijkheden om de gestelde duurzaamheidsambities (zie bouwsteen 3) te behalen. e. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie.

Pagina 17 van 47

2020/30063

4. Methoden Dit hoofdstuk behandelt de gehanteerde methoden voor de analyse en scenarioontwikkeling. Hoofdstuk 5 gaat in op de analyse en scenario-ontwikkeling van het VO.

4.1. Quickscans Op basis van de VVHO (huisvestingsverordening) is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom gekeken naar meer dan alleen de bouwkundige staat. Er is ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn kaders voor strategisch vastgoedbeleid.

De quickscan-scores zijn input voor de scenario-ontwikkeling. Bij het besluit tot nieuwbouw/renovatie bij de scenario-ontwikkeling wordt ook gekeken naar andere belangrijke factoren zoals leeftijd van het gebouw en overige urgentiecriteria. Er is onderscheid gemaakt tussen het uitvoeren van een quickscan en een quickscanlight. De keuze voor een quickscan of de light-versie is gemaakt aan de hand van de leeftijd van de gebouwen. De relatief jonge gebouwen zijn beoordeeld aan de hand van de quickscan-light. De quickscan is uitgevoerd op basis van een bezoek aan de scholen door HEVO. De quickscan-light is uitgevoerd op basis van een in te vullen enquête door de scholen of het schoolbestuur en een kritische blik van HEVO op deze enquête. Beide methoden hebben het doel om de huidige staat van het gebouw inzichtelijk te maken en na te gaan binnen welke termijn nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie dient plaats te vinden.

4.2. Capaciteitsanalyse Als onderdeel van de quickscans is ook de capaciteit van de schoolgebouwen geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van een school wordt bepaald door de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de VVHO). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo).

Op basis van de door HEVO ontwikkelde ‘Waardenwijzer’ (opgenomen in bijlage IV bij dit IHP) is elk schoolgebouw op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score. De totaalscore geeft daarmee op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot nieuwbouw of een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit:  Bij <57 punten: binnen 0-5 jaar (rood).  Bij 57 - 63 punten: binnen 5-10 jaar (oranje).  Bij 63 - 69 punten: binnen 10-20 jaar (lichtgroen).  Bij 69> punten: over meer dan 20 jaar (donkergroen).

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefte berekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefte berekeningen. Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang, omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen, en niet op basis van het aantal m² in een school. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente.

Pagina 18 van 47

2020/30063

Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de VVHO) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand.

4.3. Urgentiecriteria Met de drie schoolbesturen zijn urgentiecriteria bepaald. Aan de hand van de urgentiecriteria zijn de scenario’s geformuleerd (hoofdstuk 5) en is in overleg beoordeeld of een scenario aansluit bij de visie en ambitie van zowel de schoolbesturen als de gemeente (de bouwstenen). Het gaat om de volgende urgentiecriteria (willekeurige volgorde):  Quickscan-score (uitgangspunt).  Passende huisvesting: Permanente huisvesting (bij voorkeur geen noodunits). Reductie van ruimtetekorten/ruimteoverschotten.  Leerlingenaantallen en leerlingenprognose.  Clustering, rekening houdend met identiteit en opleidingen.  Aansluiting op demografische ontwikkelingen (noord en zuid Zaanstad).  Kansen benutten voor inhoudelijke samenwerking. Daarnaast is het belangrijk dat rekening wordt gehouden met het behoud van de eigen identiteit van alle scholen, inclusief de sfeer, cultuur en de locatie van de scholen.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 19 van 47

2020/30063

5. Analyse en scenario’s voortgezet onderwijs Dit hoofdstuk behandelt de analyse van de onderwijshuisvesting voor het VO. Er wordt respectievelijk ingegaan op de leerlingenprognoses, de quickscan-scores van de gebouwen en de analyse en voorkeursscenario’s per school. Ten slotte worden de voorkeursscenario’s voorzien van een prioritering.

5.1. Leerlingenprognoses Onderstaande grafiek visualiseert de leerlingenprognoses van het VO in de gemeente Zaanstad.

Grafiek: ontwikkeling aantal leerlingen voortgezet onderwijs in gemeente Zaanstad, 2020-2036.

De leerlingenaantallen zijn afkomstig uit de prognose van PVG uit 2019. Het leerlingenaantal in de gemeente Zaanstad vertoont een stijging op de lange termijn. De daadwerkelijke ontwikkeling van de leerlingenaantallen en de verspreiding van de leerlingen over de scholen hangt nauw samen met de verdere ontwikkeling van de gemeente Zaanstad.

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Pagina 20 van 47

Referentie: 1549102-0019.3.1.

Leeftijd

Bertrand Russell College Krommenie onderbouw

1975

45

Blaise Pascal College tijdelijke huisvesting

2010

Zaandam

Schoolbestuur

Type quickscan

1

3

1

2

2

3

Totaalscore

Onderwijskundige functionaliteit

Bouwjr

Exploitatie

Kern

Binnenmilieu

Schoolnaam

Veiligheid

Voortgezet Onderwijs

Bouwkundige staat

5.2. Quickscan-scores

Uitstraling gebouw

2020/30063

OVO Zaanstad

regulier

5,5

4

5,5

4

5

5

56,0

ZAAM

regulier

5

4

5,5

5

5,5

5

58,5

Bertrand Russell College Krommenie bovenbouw

1988

32

OVO Zaanstad

regulier

5,5

5

6

4

5

5

59,5

St. Michael College

Zaandam

1965

55

Onderwijs stichting St. Michaël

regulier

5,5

4

6

5

5,5

5

59,5

Zaanlands Lyceum

Zaandam

1963

57

OVO Zaanstad

regulier

6

4

6

5

5,5

5

60,0

Blaise Pascal College

Zaandam

1966

54

ZAAM

regulier

5

4,5

5,5

5,5

5,5

5

61,0

Saenredam College

Zaandijk

1996

24

OVO Zaanstad

light

6

6,5

5,5

4,5

6

5

67,0

Compaen VMBO

Zaandam

1985

35

OVO Zaanstad

regulier

6

5,5

6

4

5

7

67,5

Praktijkschool De Brug

Assendelft

2009

11

OVO Zaanstad

light

7

7

6

5

6

6

74,0

Trias VMBO

Krommenie

2005

15

OVO Zaanstad

light

7

7

6

5,5

6

6

75,0

St. Michael College

Zaandam

2003

17

Onderwijs stichting St. Michaël

regulier

6

7

6

5

5,5

7

75,0

St. Michael College

Zaandam

2008

12

Onderwijs stichting St. Michaël

regulier

6

7

6

5,5

5,5

7

76,0

Orthopedagogisch didactisch centrum Saenstroom

Wormerveer

2009

11

Stichting Saenstroom

light

7

7

6

6

6

6,5

77,5

Compaen VMBO

Zaandam

2000

20

OVO Zaanstad

regulier

7

7

6

6

6

7

79,0

Pascal Zuid (VMBO)

Zaandam

2010

10

ZAAM

light

8

7

6

5,5

7

7

81,0

Zuiderzee College (VMBO)

Zaandam

2013

7

OVO Zaanstad

light

8

8

7

5,5

7

6

82,0

Praktijkschool De Faam

Zaandam

2014

6

ZAAM

light

8

8

7

5,5

8

6

84,0

Pagina 21 van 47

2020/30063

De tabel op de vorige pagina geeft een eerste indruk van de vervangingsopgave (zie paragraaf 4.1 voor de toelichting op de scores) voor de onderwijshuisvesting VO in Zaanstad wanneer deze uitsluitend gebaseerd zou zijn op de scores van de quickscans van de schoolgebouwen (de scores zijn gebaseerd op de Waardenwijzer, bijlage IV).

De grafieken maken duidelijk dat een kwart van het gebouwenbestand in Zaanstad bestaat uit gebouwen uit de jaren 1961-1980. Dit is de periode waarin landelijk gezien de meeste schoolgebouwen zijn gerealiseerd en die nu ruim over de levensduur van 40 jaar zijn.

Puur kijkend naar de quickscan-scores blijkt een vervangingsopgave van één school binnen 0-5 jaar aan de orde en vier scholen in de periode van 5-10 jaar. In Zaanstad zijn ook relatief veel scholen gerealiseerd in de periode vanaf 2000, waarmee de helft van het gebouwenbestand voorlopig nog niet in aanmerking komt voor levensduurverlengende renovatie of nieuwbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10083081/1