CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Verordening leerlingenvervoer gemeente Zaanstad 2021

Raadsvergadering 25 maart 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Verordening Leerlingenvervoer18.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

2021/2502

Verordening leerlingenvervoer gemeente Zaanstad 2021 Vooraf Deze verordening is opgesteld op basis van de verordening leerlingenvervoer die Zaanstad in 2019 heeft vastgesteld. Daarin zijn de beleidswijzigingen waarvoor de uitgangspunten tijdens de begroting werden vastgesteld, verwerkt. De nieuwe modelverordening van de VNG (december 2020) wordt niet integraal overgenomen, maar waardevolle elementen worden wel overgenomen. De verordening bepaalt het “wat”: de rechten en plichten van inwoners op hoofdlijnen. De verdere uitwerking is aan het college. Stelt de raad bijgaande verordening vast, dan neemt het college vervolgens op korte termijn een besluit houdende nadere regels (verdere invulling van rechten en plichten) en beleidsregels (instructies voor een betrouwbare en effectieve uitvoering). Dit zijn de huidige beleidsregels.

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

2/39

gemeente Zaanstad

Tekst van de regeling Intitulé Verordening leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2021 De raad van de gemeente van de Gemeente Zaanstad gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, 4 van de Wet op de expertisecentra en 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs; besluit vast te stellen de Verordening leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2021: Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: a) aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi; b) afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, gemeten volgens een door het college aangewezen routeplanner; c) begeleider: ouder of persoon die door de ouder(s) wordt ingezet om de leerling te brengen en halen; d) brengen en halen: het samen met de leerling naar school reizen en samen met de leerling de terugreis maken, ongeacht de wijze van verplaatsing; e) college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad; f) commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra; g) commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra; h) eigen vervoer: vervoer per eigen

motorvoertuig of fiets; i) gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; j) inkomen: inkomensgegeven(s) van ouder(s), pleegouder(s), voogd(en), verzorger(s) van de leerling of van de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is, als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; k) leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel; l) ondersteuningsplan: 1. voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, of 2. voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; m) OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; n) opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

3/39

gemeente Zaanstad

o) openbaar vervoer: voor iedereen openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto; p) opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; q) ouders: ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling; r) reistijd: a. heenreis: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, rekening houdend met een wachttijd van 10 minuten, die niet bij de reistijd wordt opgeteld; b. terugreis: de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning dan wel opvangadres, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; s) reizen: onder ‘reizen naar school’ en vergelijkbare formuleringen worden zowel de heenreis als de terugreis verstaan, tenzij uit de bepaling duidelijk anders blijkt; t) samenwerkingsverband: 1. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, of 2. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; u) school: 1. basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2.

school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, of 4. kernschool: voorziening binnen het regulier basisonderwijs waar kinderen heen gaan die de Nederlandse taal nog niet spreken; wordt gezien als dichtstbijzijnde tijdelijke reguliere basisschool; v) schoolsoort: een type onderwijs waarop de leerling is aangewezen. Binnen primair onderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs worden verschillende schoolsoorten erkend; w) stage: praktische leertijd in het voortgezet (speciaal) beroepsonderwijs welke is opgenomen in de schoolgids. De stageplaats wordt gezien als schoollocatie; x) symbiose: de mogelijkheid voor een leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs om les te krijgen in het regulier onderwijs via een symbiose-overeenkomst.

De symbiose-locatie wordt gezien als schoollocatie; y) toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen op grond van de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van een school voor openbaar of bijzonder onderwijs; z) toelaatbaarheidsverklaring: verklaring afgegeven door een samenwerkingsverband voor de toelaatbaarheid van een leerling tot een school voor speciaal (voortgezet)onderwijs; aa) vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning, opvangadres dan wel de opstapplaats en de school, dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; bb) vervoersvoorziening: 1. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van (openbaar) vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider 2. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, of

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

4/39

gemeente Zaanstad

gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; cc) woning: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. 3.

Artikel 1.2 De vervoersvoorziening 1. Ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen zijn verantwoordelijk voor het naar school gaan van hun kinderen. In bepaalde situaties, geregeld in deze verordening, kent het college ouders op aanvraag een vervoervoorsziening toe. Daarbij kan van de ouders een eigen bijdrage gevraagd worden. 2. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling en wordt in deze verordening voor ouders gelezen: de leerling. 3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning, opvangadres dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weg gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich meebrengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 5. Een voorziening kan deels worden toegekend en deels worden geweigerd, voor zover aanspraak bestaat voor een deel van het aangevraagde vervoer maar niet voor het geheel. Bijvoorbeeld wanneer de ouders de leerling wel kunnen brengen naar school, maar niet kunnen ophalen van school. 6.

Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.

Artikel 1.3 Doelstelling Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling vanaf de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Het uitgangspunt is dat leerlingen zo zelfstandig mogelijk naar school reizen en dat ouders de leerling zoveel mogelijk zelf brengen en halen. Artikel 1.4 Algemene weigeringsgronden Er wordt in ieder geval geen vervoersvoorziening toegekend: 1. indien er sprake is van een tijdelijke beperking (korter dan drie maanden); 2. wanneer de afstand van de woning tot de school kleiner is dan 6 kilometer, tenzij het gaat om een gehandicapte leerling; 3. ten behoeve van incidenteel vervoer buiten schooltijden dan wel tijdens structureel afwijkende schooltijden die niet zijn aangekondigd in de schoolgids; 4. naar een andere locatie dan woning, opvangadres, opstapplaats, school of stageplaats; 5. indien de ouder geen toestemming aan de gemeente verstrekt om de voor de aanvraag benodigde informatie op te vragen en de ouder de betreffende, door de gemeente

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

5/39

gemeente Zaanstad

gevraagde informatie niet zelf aanlevert binnen de gestelde termijn. Hieronder valt ook een weigering om de leerling desgevraagd medisch te laten keuren; Er wordt in ieder geval geen voorziening voor aangepast vervoer toegekend: 6. voor zover ouders de leerling zelf kunnen brengen en halen of voor zover het brengen en halen kan worden verzorgd door andere thuiswonende gezinsleden of door personen uit het netwerk van het gezin; 7. voor zover de ouders aan de werkgever kunnen vragen om aanpassing van werktijden, zodanig dat iedere ouder op tenminste twee momenten in de week zelf één of meerdere kinderen kan brengen en halen; 8. indien de leerling in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment van de aanvraag tweemaal de toegang tot het aangepast vervoer is ontzegd wegens het gedrag van de leerling of het gezin in en rond het voertuig. 9. Het college kan nadere regels stellen over de genoemde weigeringsgronden. Artikel 1.5 Doorgeven van wijzigingen 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan burgemeester en wethouders. 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop.

Burgemeester en wethouders delen het besluit schriftelijk mede onder het al dan niet opnieuw toekennen van een vervoersvoorziening. 3. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en burgemeester en wethouders een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststellen, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kennen burgemeester en wethouders al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Burgemeester en wethouders delen het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Artikel 1.6 Intrekking vervoersvoorziening 1. De vervoersvoorziening kan worden ingetrokken: a. indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest. b. Indien de voorziening voorwaardelijk wordt toegekend en de ouders zich zonder aantoonbare geldige reden niet aan de voorwaarden houden. 2.

Bij weigering of nalatigheid in de betaling van de eigen bijdrage kan de vervoersvoorziening worden ingetrokken. Artikel 1.7 Ontzegging vervoersvoorziening

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

6/39

gemeente Zaanstad

Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzeggen indien bij herhaling is gebleken dat de leerling of een gezinslid door agressief gedrag of op een andere wijze de orde in de bus verstoort of de veiligheid tijdens of rondom het vervoer in gevaar brengt. 2. Alvorens over te gaan tot een ontzegging worden de volgende stappen ondernomen: a. indien er sprake is van één klacht of meerdere klachten dan wel aanhoudende klachten maakt de vervoerder melding van de klachten bij de gemeente Zaanstad en wordt er een onderzoek gestart; b. in het kader van het onderzoek als bedoeld onder a zal de gemeente in gesprek gaan met de vervoerder, de chauffeur, ouders en/ of school; c. indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of het gezinslid volgt er een eerste waarschuwingsbrief aan de ouders; d. indien het verwijtbaar gedrag aanhoudt, volgt er een tweede waarschuwingsbrief. Voorts zorgt het college in deze fase voor een extra zitplaats in de taxi om brengen en halen van de leerling door één van de ouders of begeleider, niet zijnde het overlast veroorzakende gezinslid, mogelijk te maken. De kosten voor een begeleider zijn voor rekening van de ouders; e.

indien de klachten en het verwijtbaar gedrag na ontvangst van de tweede waarschuwingsbrief alsnog aanhouden, kan per direct een schorsing volgen voor een periode van een volle schoolweek; f. indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan na de eerste waarschuwingsbrief aan de ouders, per direct schorsing volgen voor een periode van een volle schoolweek. In dat geval ontvangen ouders geen tweede waarschuwingsbrief; g. indien na schorsing het aangepast vervoer wordt hervat en de klachten en het verwijtbaar gedrag aanhouden, kan de leerling worden uitgesloten van het vervoer met een minimum van 3 maanden (exclusief vakanties) en maximaal tot het einde van het schooljaar; h. indien de veiligheid van de inzittenden en de chauffeur ernstig in het geding is dan wel zich andere omstandigheden voordoen waardoor voortzetting van het aangepast vervoer ten opzichte van de inzittenden en de chauffeur niet aanvaardbaar is, kunnen de stappen onder c t/m e worden overgeslagen en kan er afhankelijk van de ernst van het verwijtbaar gedrag direct worden overgegaan tot schorsing van een volle week dan wel uitsluiting met een minimum van 3 maanden en maximaal tot het einde van het schooljaar. 3. Bij een uitsluiting van het vervoer als bedoeld onder g en h van dit artikel zal de vervoersvoorziening schriftelijk worden ingetrokken. 1.

Artikel 1.8. OOGO met het samenwerkingsverband 1. Burgemeester en wethouders nemen het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met de samenwerkingsverbanden. Dit zijn tenminste de samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs en voor voortgezet (speciaal) onderwijs in de Zaanstreek. 2. Burgemeester en wethouders spannen zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de wijze waarop het college adviezen van deskundigen en andere informatie betrekt in de beoordeling van aanvragen, zoals bedoeld in artikel 2.3 (Onderzoek);

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

7/39

gemeente Zaanstad

c.

de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door burgemeester en wethouders worden verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid; 3. Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in: het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b. de wijze waarop kan worden bereikt dat de dichtstbijzijnde school van de soort waarop een leerling is aangewezen daadwerkelijk toegankelijk is voor de leerling, ook als voor deze leerling een specifieke onderwijskundige ondersteuning noodzakelijk is waardoor een verder weg gelegen school eerder als passend wordt overwogen; c. de invulling van gesprekken over zelfstandigheid en zelfredzaamheid zoals bedoeld in artikel 2.2 en de rol die scholen hierbij kunnen vervullen.

Paragraaf 2 Aanvraag, onderzoek en beoordeling Artikel 2.1 Algemene procedure aanvraag 1.

2.

3.

4.

5.

6. 7.

Voorafgaande aan een eerste aanvraag voor leerlingenvervoer voor een bepaalde leerling neemt de ouder contact op met de gemeente voor een gesprek over de mogelijkheden en voorwaarden van leerlingenvervoer en over het aanvraagproces. Doel van dit gesprek is: a. dat de gemeente beter zicht krijgt op de feitelijke situatie van de leerling en het gezin; b. dat de ouder geïnformeerd wordt over de mogelijkheden en voorwaarden van het leerlingenvervoer; c. dat de ouder goed voorbereid wordt op de aanvraag; Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan door indiening bij het college van een volledig ingevulde digitale aanvraag. Het college stelt het digitale aanvraagformulier vast. Indien de aanvraag onjuist of onvolledig is ingediend, wordt de aanvraag opgeschort. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de aanvraag aan te vullen. Indien in deze gestelde termijn van vier weken geen volledig te beoordelen aanvraag is ontvangen, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld, tenzij de ouder heeft aangegeven meer tijd voor de aanvraag nodig te hebben. In dat geval wordt de aanvraag aangehouden gedurende een in overleg met ouders nader te bepalen termijn. Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. Ook in dat geval wordt de aanvraag aangehouden.

Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 2.2 Gesprekken in het kader van zelfstandigheid en zelfredzaamheid

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

8/39

gemeente Zaanstad

1. De gemeente kan de ouders en de leerling uitnodigen voor een gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Het gesprek kan worden gepland naar aanleiding van een aanvraag of tijdens de looptijd van de voorziening. Ouders kunnen het gesprek ook aanvragen. 2. Doel van het gesprek kan zijn: a. Om in samenspraak met ouders en leerling mogelijkheden te bespreken voor de leerling om zelfstandig(er) te gaan reizen. b. Om na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor de ouders om te zorgen dat de leerling gebracht en gehaald wordt. c. Om afspraken te maken over het gebruik van de genoemde mogelijkheden en de inzet van ouders. 3. Als onderdeel van de afspraken kan de gemeente ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. 4. Wanneer de leerling en/of het gezin bekend zijn bij de gemeente in het kader van jeugdhulp, kan het gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid plaatsvinden in het kader van contacten tussen ouders en gemeente over de jeugdhulp. 5. Als de leerling naar een school voor SBO, SO, VSO of Praktijkonderwijs (PrO) gaat, kan het ontwikkelingsperspectief dat door school is vastgesteld betrokken worden om in te schatten wat de ontwikkelmogelijkheden zijn van een leerling. 6. Zo nodig kan de gemeente advies vragen over de ontwikkelmogelijkheden van een leerling aan een onafhankelijk medisch deskundige.

Hierop zijn de uitgangspunten voor (medisch) onderzoek bij de aanvraag zoals opgenomen in artikel 2.3 van toepassing. 7. Na afloop van het gesprek bevestigt de gemeente schriftelijk de met ouders gemaakte afspraken. De afspraken maken automatisch deel uit van opvolgende besluiten op aanvragen voor een vervoervoorziening. 8. Het college kan nadere regels stellen over de gesprekken en de ondersteuning door de gemeente als bedoeld in dit artikel. Artikel 2.3 Onderzoek 1.

2.

3.

4.

Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer zo nodig adviezen van deskundigen alsmede andere relevante informatie die voor de beoordeling van die aanvraag van belang is. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag afspraken die met ouders zijn gemaakt in het kader van eerder toegekende voorzieningen, inclusief informatie over de naleving van deze afspraken. Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college een medische of orthopedagogische verklaring opvragen. Ouders zijn verplicht hieraan mee te werken. Het college kan hierover nadere regels stellen. Het college kan met betrekking tot adviezen van deskundigen en andere relevante informatie nadere regels stellen over: a. de onderwerpen waarover de adviezen en informatie worden betrokken; b. de personen en organisaties waarbij de adviezen en informatie worden betrokken; c. de van ouders en de leerling vereiste inspanningen in het kader van het verwerven van de benodigde informatie; d. de wijze waarop de adviezen en informatie wden betrokken in de beoordeling van de aanvraag; e. het opvragen van de adviezen en informatie door gemeente dan wel door ouders zelf.

Artikel 2.4 Toekenning

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

9/39

1.

2.

3.

gemeente Zaanstad

Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. Indien de toegekende vervoersvoorziening een bekostiging is geldt deze met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de toegekende vervoersvoorziening aangepast vervoer betreft, gaat het vervoer in zodra de vervoerder dit kan inplannen, op of na de door de ouders verzochte datum.

Artikel 2.5 Duur van de voorziening 1.

De voorziening wordt in beginsel toegekend voor de duur van maximaal één schooljaar. Een meerjarige voorziening kan worden verstrekt wanneer door ouders ten behoeve van het college genoeglijk wordt aangetoond dat er in de betreffende meerjarige periode van de leerling en het gezin geen ontwikkeling naar meer zelfredzaamheid verwacht kan worden. Het college kan nadere regels stellen over meerjarige voorzieningen.

Paragraaf 3: Reguliere voorzieningen Artikel 3.1 Afstandsgrens 1.

Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciale basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of c. speciaal onderwijs (inclusief voortgezet speciaal onderwijs) meer bedraagt dan zes kilometer.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen.

Artikel 3.2 Vervoer naar dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. 2. 3. 4.

Er bestaat uitsluitend aanspraak op een vervoervoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Een voor de leerling toegankelijke school is een school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen. Onderwijs op basis van een opvoedingsidee of onderwijsmethode wordt niet als aparte onderwijssoort beschouwd. Ouders kunnen bij de aanvraag een schriftelijke verklaring voegen over een schoolkeuze op grond van hun godsdienst of levensbeschouwing. In dit geval ontstaat aanspraak op een vervoervoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de door ouders gekozen richting

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

10/39

5. 6.

7.

gemeente Zaanstad

De in lid 4 genoemde erkende richtingen zijn de richtingen zoals vastgesteld door de minister van onderwijs. Wanneer het samenwerkingsverband een specifieke school voor (voortgezet) speciaal onderwijs heeft geadviseerd als de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling, volgt het college dit advies tenzij er zwaarwegende redenen zijn om af te wijken. Als het samenwerkingsverband geen advies kan afgeven kan advies worden ingewonnen van een deskundige conform artikel 2.3 over de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling. Het college stelt nadere regels over onderwijssoorten en de dichtstbijzijnde toegankelijke school en adviezen van het samenwerkingsverband.

Artikel 3.3 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school groter is dan 6 kilometer, verstrekken burgemeester en wethouders aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van burgemeester en wethouders, al dan niet met brengen en halen, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekken burgemeester en wethouders de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De bekostiging van het vervoer per fiets bedraagt 9 cent per kilometer. Artikel 3.4 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1. Burgemeester en wethouders verstrekken bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als: a. de leerling gehandicapt is, of b. de leerling jonger dan tien jaar is én door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. 2.

De bekostiging van het vervoer per fiets voor de begeleider bestaat uit een kilometervergoeding zoals beschreven in artikel 3.3. 3. De bekostiging van het openbaar vervoer voor de begeleider bestaat uit vergoeding of verstrekking van het goedkoopste ov-abonnement tweede klas, of een vergoeding voor reizen op saldo wanneer dit voordeliger is. Artikel 3.5 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1)

Burgemeester en wethouders verstrekken een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.3 of 3.4 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan 60 minuten onderweg is. b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.3 of 3.4 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van burgemeester en wethouders al dan niet met brengen en halen gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

11/39

gemeente Zaanstad

c.

aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 3.4 en door de ouders ten behoeve van burgemeester en wethouders genoegzaam wordt aangetoond dat brengen en halen van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, ook met brengen en halen niet in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken. 2) De norm voor de maximale reistijd enkele reis in het voertuig is 60 minuten binnen de gemeentegrens en 90 minuten buiten de gemeentegrens. Het college kan nadere regels stellen over de maximale reistijd in specifieke situaties. Artikel 3.6 Bekostiging van vervoer van een begeleider in het aangepast vervoer 1. Wanneer naar het oordeel van het college begeleiding noodzakelijk is in aangepast vervoer bekostigen burgemeester en wethouders ook het vervoer van een begeleider. 2. De bekostiging van het vervoer van de begeleider betreft uitsluitend het deel van de reis waarin de begeleider en de leerling samen reizen in het aangepast vervoer. 3. Er wordt geen vergoeding of tegemoetkoming gegeven voor de tijd, inzet, arbeid of gederfde inkomsten of enige andere kosten van de begeleider. Artikel 3.7 Bekostiging van eigen vervoer 1.

Ouders die aanspraak maken op aangepast vervoer kunnen op aanvraag in plaats daarvan in aanmerking komen voor bekostiging van eigen vervoer. Het college stelt hierover nadere regels. 2. Eigen vervoer betreft het brengen en halen van de leerling met een eigen fiets of auto tegen een kilometervergoeding afhankelijk van de afstand en de vervoerwijze. 3. De kilometervergoeding voor brengen en halen met de eigen auto komt overeen met het belastingvrije kilometerbedrag voor woon-werkverkeer zoals geregeld in de Wet op de loonbelasting, artikel 31a lid 2 onder a. 4. De kilometervergoeding voor brengen en halen met de eigen fiets is 9 cent per kilometer. 5. Het college stelt nadere regels over de berekening en betaling van de kilometervergoeding wanneer meerdere leerlingen samen worden gebracht en gehaald. artikel 3.8 Stimuleren van zelfstandig reizen en brengen en halen Het college kan nadere regels stellen die vergoedingen voor aanvullende onkosten bieden in relatie tot zelfstandig reizen door de leerling of brengen en halen van de leerling. Artikel 3.9 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kunnen burgemeester en wethouders na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. 2.

Bij het bepalen of de voorziening goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer, kunnen de kosten van het openbaar vervoer over een periode van maximaal drie jaar cumulatief gerekend worden, voor zover aannemelijk is dat ouders in die periode voor de leerling aanspraak zullen hebben op een vervoersvoorziening. 3. Wordt een andere passende voorziening toegekend op basis van voordeligheid over een periode langer dan een jaar, dan kunnen ouders gedurdende dezelfde periode geen aanspraak meer maken op een andere vervoersvoorziening, tenzij sprake is van onvoorziene gewijzigde omstandigheden.

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

12/39

gemeente Zaanstad

4. Het college stelt nadere regels over het verstrekken van een andere passende voorziening.

Paragraaf 4: Specifieke voorzieningen Artikel 4.1 Vervoersvoorziening naar de Kernschool Leerlingen die geplaatst zijn op de Kernschool kunnen een toekenning krijgen voor de duur van het schooljaar. Deze toekenning kan betrekking hebben op verschillende vervoersvoorzieningen, gedurende de periode waarop de beschikking betrekking heeft. 2. Leerlingen van de Kernschool die in aanmerking komen voor een toekenning voor openbaar vervoer met brengen en halen, ontvangen aangepast vervoer voor de duur van de eerste zes weken indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Deze overbruggingsperiode stelt ouder en kind in staat om te leren met het openbaar te reizen. 3. De aanvragen voor een vervoersvoorziening met betrekking tot de Kernschool worden met voorrang behandeld. 1.

Artikel 4.2 Vervoersvoorziening naar stage 1.

2.

3.

4. 5.

Op verzoek kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor het bezoeken van een stage indien er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening. Er dient hiervoor een afzonderlijke aanvraag te worden ingediend. De vervoersvoorziening voor een stage wordt slechts toegekend indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage dient onderdeel te zijn van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de scholengids of in het stagecontract; b. de stagetijden sluiten aan op de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op 1 adres; d. de reistijd voor de leerling is niet meer dan 90 minuten enkele reis; Bij een voorziening voor aangepast vervoer geldt een norm voor de maximale reistijd in het voertuig van 60 minuten enkele reis naar een stageadres binnen de gemeente en 90 minuten buiten de gemeente. Het college kan nadere regels stellen over de maximale reistijd naar stage in specifieke situaties. Er bestaat alleen aanspraak op een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke stageplaats vanaf de locatie vanwaar de leerling naar de stageplaats gaat. Indien leerlingen van Dynamica onderwijs stage lopen kan er ook zonder een reeds bestaande aanspraak op een vervoersvoorziening, een vervoersvoorziening aan deze leerlingen worden toegekend.

Artikel 4.3 Vervoersvoorziening van en naar opvangadres 1. Op verzoek kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer tussen school en een opvangadres vóór en/of na schooltijd, anders dan het woonadres. 2. Het vervoer van of naar een opvangadres komt in de plaats van het vervoer vanaf school naar het woonadres en/of van het woonadres naar school. Indien wordt gekozen voor vervoer naar of van het opvangadres, dan zijn de ouders verantwoordelijk voor het vervoer tussen opvangadres en het woonadres. 3. De vervoersvoorziening van en naar het opvangadres wordt slechts toegekend indien er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

13/39

gemeente Zaanstad

a. de leerling bezoekt een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal (voortgezet) onderwijs; b. de leerling heeft een vervoersvoorziening voor aangepast vervoer; c. het betreft maximaal twee opvangadressen per schooljaar, waarbij geldt maximaal één opvangadres vóór schooltijd en één extra adres na schooltijd; d. het opvangadres ligt binnen de gemeentegrens van de gemeente Zaanstad; e. het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere begin- of eindtijd van de school volgens de schoolgids; f. de leerling bezoekt het opvangadres op vaste dagen en tijden; g. op de locatie is iemand aanwezig die de verantwoordelijkheid draagt voor de leerling vanaf het moment dat de leerling het vervoer verlaat; 4. Bij een voorziening voor aangepast vervoer naar opvangadres geldt een norm voor de maximale reistijd in het voertuig van 60 minuten. Het college kan nadere regels stellen over de maximale reistijd in specifieke situaties. 5. Indien het vervoer naar het opvangadres leidt tot individueel vervoer of om andere redenen leidt tot hogere kosten dan vervoer naar het woonadres behoudt het college zich het recht voor om geen vervoersvoorziening toe te kennen voor het vervoer naar het opvangadres. Artikel 4.4 Vervoersvoorziening hoogbegaafdheid 1.

Op verzoek kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer van een hoogbegaafde leerling als wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de leerling kan als gevolg van een beperking niet zelfstandig reizen en is aangewezen op een school op een afstand van meer dan zes kilometer van de woning, opvangadres dan wel opstapplaats, of b. de dichtstbijzijnde basisschool heeft (nog) geen passend aanbod voor de hoogbegaafde leerling en de leerling moet verder reizen naar een voor hem eerst volgende dichtstbijzijnde toegankelijke school die wel een passend aanbod kan bieden. 2. De hoogbegaafdheid van de leerling moet op basis van een intelligentie-onderzoek worden gestaafd en er dient vanuit de dichtstbijzijnde school een toelichting te worden gegeven waarom er geen passend aanbod is voor de desbetreffende leerling. Het samenwerkingsverband wordt hierbij ingeschakeld. Artikel 4.5 Vervoersvoorziening tijdelijke beperking Op verzoek kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer van een leerling met een tijdelijke beperking die langer duurt dan 3 maanden. 2. Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening als bedoeld in het eerste lid van dit artikel dient een medische verklaring van een specialist te worden overlegd. 3. De vervoersvoorziening wordt toegekend voor de duur van het herstel en/of revalidatie.

Als de noodzaak voor het vervoer eindigt, heeft de leerling geen recht meer op vervoer. 1.

Artikel 4.6 Vervoersvoorziening Time-Out procedure 1.

Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan leerlingen voor wie thuiszitten dreigt en die tijdelijk niet meer op een school te handhaven zijn en daardoor aanspraak maken op een time-out plaatsing in het speciaal (basis) onderwijs.

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

14/39

gemeente Zaanstad

De periode van een time-out plaatsing is maximaal 12 weken. Gedurende deze periode vervalt de eigen bijdrage. 3. Bij het toekennen van de voorziening betrekt het college het advies dat ten aanzien van het vervoer gegeven wordt door de ontvangende school en/of het samenwerkingsverband. 4. De aanvragen voor een vervoersvoorziening met betrekking tot de Time-out procedure worden met voorrang behandeld. 2.

Artikel 4.7 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente Als een leerling die gebruik maakt van het aangepast vervoer door een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft en zijn eigen school blijft bezoeken, dan kan het college een vervoersvoorziening voor de duur van maximaal 6 weken voortzetten en blijven bekostigen op basis van de eigen verordening. Indien het verblijf een langere periode in beslag neemt, wordt geen vergoeding meer verstrekt. Er kan in dat geval een nieuwe aanvraag voor leerlingenvervoer worden ingediend bij de gemeente waar het kind gedurende die periode verblijft. Artikel 4.8 Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders 1.

2.

3.

4.

5.

Met inachtneming van artikel 3.2 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Paragraaf 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de norm voor toekenning van aangepast vervoer bij lange reistijden met openbaar vervoer zoals verwoord in artikel 3.5, eerste lid, aanhef en onder a. Het college stelt nadere regels over het weekeinde- en vakantievervoer.

Paragraaf 5 Eigen bijdragen Artikel 5.1 Drempelbedrag Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 27.000,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 3.1 bepaalde afstand van 6 km te boven gaan. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor 1.

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

15/39

gemeente Zaanstad

basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 3.1 bepaalde afstand van 6 km, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000,-. 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, worden berekend volgens een wijze die het college bij nadere regels vaststelt. 4. Het bedrag van € 27.000,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.000,-. 5. Deze bepaling is niet van toepassing op de gehandicapte leerling. Artikel 5.2 Bijdrage naar draagkracht Indien de afstand van de woning dan wel opvangadres naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2.

In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen en de afstand van de woning dan wel opvangadres naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen zijn als volgt: 1.

Inkomen in euro’s

Eigen bijdragen in euro’s

0-35.000

Nihil

35.000-42.000

150

42.000-48.500

630

48.500-55.000

1180

55.000-62.500

1725

62.500-69.000

2270

69.000 en verder

Voor elke extra €5500: € 560 erbij

4.

De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2019 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. De wijziging geldt voor het daaropvolgende schooljaar.

5.

De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2019 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

16/39

gemeente Zaanstad

opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. De wijziging geldt voor het daaropvolgende schooljaar. 6. Deze bepaling is niet van toepassing op de gehandicapte leerling. Paragraaf 6 Slotbepalingen Artikel 6.1 Peildatum leeftijd leerling Voor het toekennen van een vervoersvoorziening is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft. Artikel 6.2 Andere vergoedingen De aanspraak op een vergoeding via een andere weg, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Artikel 6.3 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 6.4 Afwijken van bepalingen Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders of de leerling afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 6.5 Nadere regels Het college kan alle bepalingen in deze verordening uitwerken in nadere regels. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening beleidsregels vaststellen.

Artikel 6.6 Overgangsbepalingen Deze verordening is van toepassing op vervoersaanvragen die zijn ingediend na de inwerkingtreding van deze verordening. 2. De Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2019 blijft van toepassing op vervoersaanvragen die betrekking hebben op het schooljaar 2020/2021. 1.

Artikel 6.7 Intrekking oude regeling De Verordening Leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2019 wordt ingetrokken. Artikel 6.8 Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.

Deze verordening treedt in werking op 1 april 2021. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Zaanstad 2021.

OCUMENTNUMMER

2021/2502

PAGINA

gemeente Zaanstad

17/39

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering ... dd 25 maart 2021

Voorzitter,

~ !~2 $_~~

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

18/39

gemeente Zaanstad

Toelichting Verordening leerlingenvervoer gemeente Zaanstad 2021 Algemeen

Leerlingenvervoer is een vergoeding van schoolvervoer. Het is bedoeld voor leerlingen die niet dichtbij huis naar school kunnen of door een beperking niet zelfstandig naar school kunnen reizen. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding kunnen ouders (hiermee worden ook voogden, pleegouders of verzorgers bedoeld) een aanvraag Leerlingenvervoer indienen. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling die ruimte heeft en het juiste onderwijs biedt. Bij de beoordeling van een aanvraag staan het stimuleren van zelfstandig (leren) reizen van leerlingen en het brengen en halen door ouders centraal. Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een vergoeding en dat de ouder mogelijk zelf ook kosten maakt. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente doet verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter altijd passend te zijn. Eerste uitgangspunt van de regeling is dat de leerling zelfstandig naar school reist met de fiets, met openbaar vervoer of op andere wijze. Afhankelijk van afstand en andere omstandigheden kan daarbij wel of niet recht bestaan op een vergoeding.

Tweede uitgangspunt van de regeling is dat ouders de leerling zoveel mogelijk zelf brengen en halen, of hiervoor iemand anders inschakelen (andere gezinsleden, opa en oma, etc). Afhankelijk van afstand, vervoerwijze en andere omstandigheden kan hierbij recht op een vergoeding bestaan. Vaak kunnen ouders vanwege hun werk de leerling niet vijf dagen per week zelf brengen en halen, maar wel één of twee dagen. Ouders vragen dan een voorziening aan voor het deel van het vervoer dat zij niet zelf kunnen organiseren. Derde uitgangspunt van de regeling is dat kinderen continu groeien en leren en dat iets wat vorig jaar niet mogelijk was, dit jaar misschien wel lukt. Kinderen die eenmaal zelfstandig leren reizen bloeien vaak ook in andere opzichten op. De gemeente wil dit zoveel mogelijk stimuleren. Om hieraan passende aandacht te geven kan de gemeente met ouders en leerling een ‘gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid’ organiseren, waarin mogelijkheden worden besproken, ondersteuning wordt aangeboden en afspraken worden gemaakt. Daarnaast heeft het uitgangspunt van zelfstandig reizen ook aandacht in de samenwerking met het onderwijs. Artikelsgewijze toelichting Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijving - afstand

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

19/39

gemeente Zaanstad

De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De ouders worden bij de aanvraag geïnformeerd over de wijze waarop de afstand wordt gemeten. - begeleider Ouders zijn primair verantwoordelijk om de leerling te brengen en halen. Voor zover de ouders die verantwoordelijkheid in redelijkheid niet kunnen vervullen, kan door de gemeente worden overgegaan tot het aanbieden van aangepast vervoer. Ouders moeten aantonen dat zij er alles aan hebben gedaan om de begeleiding van hun kind te organiseren.. Een aantal kinderen woont in een instelling. Vanuit de instelling is er veelal geen tijd om begeleiding bij het vervoer te bieden. De verantwoordelijkheid van deze instellingen in het kader van het bieden van begeleiding is voor de toepassing van de verordening gelijkgesteld met ouders. - brengen en halen In de verordening wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de term “brengen en halen” (en zo min mogelijk van het woord ‘begeleiding’ dat in de modelverordening van de VNG veel voorkomt) omdat uit brengen en halen duidelijker spreekt dat deze taak in beginsel bij de ouders ligt - college Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Zaanstad. - gehandicapte leerling De term ‘gehandicapte leerling’ wordt gebruikt voor de leesbaarheid.

Het gaat hierbij niet om het hebben van een handicap in algemene zin, maar om het hebben van een beperking die verhindert dat de leerling zelfstandig reist met openbaar vervoer of fiets. - inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. - leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De toelatingsleeftijd voor kinderen voor het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de Wet op de expertisecentra (Wec). Voor cluster 1, 3 en 4 geldt een leeftijd van vier jaar, voor cluster 2 (dove of slechthorende kinderen) een leeftijd van drie jaar.

Vóór deze wettelijke toelatingsleeftijd vindt er geen bekostiging plaats van leerlingenvervoer, tenzij de inspecteur heeft toegestaan dat een kind eerder toegelaten wordt (Wec art.39 tweede lid). Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de verordening. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

20/39

gemeente Zaanstad

vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. - ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en dat leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt. Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en – voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of overplaatsing naar reguliere scholen.

Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient eerst in een op overeenstemming gericht overleg (hierna: OOGO) afstemming te hebben plaatsgevonden met het college van de gemeenten die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn gelegen (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO). -OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen. Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over:    

de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen; het leerlingenvervoer; de leerplicht; de onderwijshuisvesting.

Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. - opdc Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs. - openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. In de verordening is de begripsomschrijving uitgebreid met ‘veerdienst’. - opstapplaats Een van de mogelijkheden om ook bij aangepast vervoer meer zelfredzaamheid van ouders en leerling te vragen is om, is het instellen van opstapplaatsen (bijvoorbeeld bushaltes), van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. De leerling wordt in deze situatie dus niet thuis voor de deur opgehaald maar moet zelf naar de opstapplaats lopen of fietsen, al dan niet begeleid door de ouders. Ouders zijn verantwoordelijk

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

21/39

gemeente Zaanstad

dat de leerling tijdig op de opstapplaats is en zich daar gedraagt, zo nodig door hem of haar te brengen. Op de terugrit gelden dezelfde uitgangspunten. - ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. - reistijd De definitie van de heenreis is belangrijk bij (a) het bepalen of er recht is op een voorziening op grond van de reisduur met openbaar vervoer en (b) het bepalen of de geplande reistijd in het aangepast vervoer voldoet aan de norm van 60 minuten binnen de gemeentegrens en 90 minuten buiten de gemeentegrens die in artikel 3.1 wordt gesteld. - samenwerkingsverband Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 2: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

- school Speciaal onderwijs: In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. ●

●

De WEC onderscheidt de volgende clusters:Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps enCluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

DOCUMENTNUMMER

PAGINA

2021/2502

22/39

gemeente Zaanstad

Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. -Kernscholen: Voor anderstalige kinderen die recent in Nederland zijn gekomen en de Nederlandse taal niet beheersen, is het niet mogelijk om op de reguliere basisschool onderwijs te volgen. Deze kinderen stromen in op een kernschool in Zaanstad, die hen extra taalondersteuning biedt. -Voortgezet onderwijs: In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs (hierna: pro). Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. - stage Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids of is vastgelegd in het stagecontract, is het stageadres aan te merken als ‘school’. Voor de vergoeding van het stagevervoer wordt opnieuw beoordeeld wat passend vervoer is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9949775/1