Bijlage 6 Natuur
Tekst van het document
Figuur 4.1
Begrenzing van de bebouwde kom Houtopstanden (paars) en de globale ligging van het plangebied (rood). Het oostelijk deel van het plangebied valt buiten de bebouwde kom (interactieve kaart provincie Noord-Holland).
35 (48)
2021/24866
5
Natuurbeleidskaders
5.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: x Provinciaal beleid: q Natuurnetwerk Nederland (NNN); q gebieden buiten het NNN (weidevogelleefgebieden, ganzenfoerageergebieden). x Gemeentelijk beleid. 5.2
Natuurnetwerk Nederland
5.2.1 Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) (februari 2019). De afweging voor ingrepen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In onderstaand schema (figuur 5.1) is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
In het kader van een volledige afweging is het wel aan te bevelen de effecten hierop te beschrijven, indien bestemmingswijziging niet van toepassing is.
Figuur 5.1
Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.
36 (48)
2021/24866
5.2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie NoordHolland. Uit de interactieve kaart natuurbeheerplannen blijkt dat het dichtstbijzijnde gebied, behorend tot de NNN, op een afstand van circa 1,7 kilometer ten noorden van het plangebied ligt, zie figuur 5.2.
Figuur 5.2
Ligging plangebied (rood) ten opzichte van NNN-gebieden (groen).
37 (48)
2021/24866
5.2.3 Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet in een NNN-gebied gelegen en externe werking is niet van toepassing op NNN-gebieden in Noord-Holland. Daarom zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Het is niet noodzakelijk om een 'nee, tenzij-toets uit te laten voeren. 5.3
Gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland
5.3.1 Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van de gebieden buiten het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Deze gebieden voor provincie Noord-Holland zijn vastgelegd in Artikel 25 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) (februari 2019). De afweging voor ingrepen in deze gebieden gaat volgens het ‘Nee, tenzij-principe’. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een weidevogelleefgebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. 5.3.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van beschermde gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie Noord-Holland. Uit de interactieve kaart blijkt dat het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied zich op 165 meter ten oosten van het plangebied bevindt, zie figuur 5.3. Het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied ligt op een afstand van 7,4 kilometer oostelijk. De dichtstbijzijnde ecologische verbinding bevindt zich op 3,9 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied, zie figuur 5.2.
5.3.3 Analyse en toetsing effecten Het plangebied ligt buiten alle beschermde gebieden op minstens 165 meter afstand, waardoor effecten als oppervlakteverlies van habitat niet aan de orde zijn. Verstoring door geluid en/of optische verstoring aan weidevogelleefgebied zijn ook niet aan de orde. Er is al een drukke weg aanwezig op dezelfde afstand, evenals de snelweg A8 iets verderop. De werkzaamheden aan de westkant van de A8 zullen bovendien minder ingrijpend zijn. Gelet op de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot de overige beschermde gebieden buiten NNN, zijn effecten op deze gebieden op voorhand uitgesloten. Het doorlopen van een aanvullende procedure is niet noodzakelijk.
38 (48)
2021/24866
Figuur 5.3
Plangebied (rood) ten opzichte van ecologische verbindingen (groen), ganzenfoerageergebied (roze) en weidevogelleefgebieden (geel).
39 (48)
2021/24866
6
Gemeentelijk beleid bomenkap
Het plangebied ligt in drie gemeentes, namelijk Amsterdam, Zaanstad en Oostzaan, zie figuur 6.1. Indien bomen gekapt gaan worden binnen de bebouwde kom Houtopstanden, gelden regels van de betreffende gemeenten waar de bomen staan. Die regels worden hieronder beschreven.
Bebouwde kom Houtopstanden
Bebouwde kom Houtopstand enLandsmee r
Bebouwde kom Houtopstanden
Figuur 6.1
De globale ligging van het plangebied (rood), ten opzichte van de bebouwde kommen Houtopstanden (blauw).
6.1 Gemeente Amsterdam Binnen de bebouwde kom Houtopstanden in gemeente Amsterdam is een (kap)vergunning nodig wanneer: x bomen en struiken gekapt, gesnoeid (bij meer dan 20%) en geknot (eerste keer) gaan worden; x bomen en struiken verwijderd en verplaatst gaan worden; x mogelijke schade aan bomen en struiken wordt aangebracht door bijvoorbeeld bouwen, uitbreiden of kabels en leidingen verleggen en daardoor een beschadiging kan plaatsvinden aan de boom of de wortels.
40 (48)
2021/24866
Een vergunning is nodig als de dikte van de stam op 1,30 meter hoogte een omtrek heeft van minimaal 31 centimeter. Dit geldt ook voor dode bomen. Voor elke gekapte boom moet bovendien een nieuwe boom geplant worden. Is opnieuw planten op dezelfde locatie niet mogelijk of niet gewenst, dan mag het ook elders in de stad. Wanneer dit niet gaat, wordt de waarde in geld van de gekapte boom gestort in het gemeentelijk herplantfonds. Dit fonds gebruikt de gemeente voor het aanplanten van nieuwe bomen (Gemeente Amsterdam, 2014). Bovendien is er een kaart van monumentale bomen en ander waardevol groen in Amsterdam (https://maps.amsterdam.nl/monumentaal_groen/). De te kappen bomen staan binnen de bebouwde kom van Amsterdam, hebben een omtrek groter dan 31 centimeter en komen niet voor op de kaart monumentale bomen en ander waardevol groen. Een vergunning voor bomenkap dient daarom aangevraagd te worden bij gemeente Amsterdam en de gekapte bomen dienen gecompenseerd te worden. 6.2 Gemeente Zaanstad Voor bomenkap binnen de bebouwde kom Houtopstanden in gemeente Zaanstad gelden diverse regels. Gemeente Zaanstad heeft een gemeentelijke lijst van waardevolle bomen opgesteld. Voor de kap van bomen op deze lijst is een vergunning nodig. Voor alle bomen die op openbare grond, staan is ook een vergunning nodig (www.zaandstad.nl/mozard/).
Als laatste is ook een vergunning nodig voor bomenkap die op de Gebiedenkaart staan. Bij houtopstand waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd, wordt uit gegaan van: x Hakhout : één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. x Houtwal : lijnvormige beplanting op een kunstmatige aarden verhoging of bomen. x Boom : een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van minimaal 10 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de dikste stam gemeten. Bij het verlenen van een vergunning voor kap dienen er (minstens) evenveel bomen nieuw worden geplant als dat er worden gekapt. De herplant vindt in principe plaats in de directe omgeving van de gekapte boom, dit staat in de vergunning aangegeven. Als dit niet kan, dan vindt de herplant op een andere locatie plaats. Gemeente Zaanstad houdt een overzicht bij van de verleende vergunningen voor kap met de herplantplicht. Voor de herplant geldt standaard een termijn van twee jaar. Dit houdt in dat als de vergunning is afgegeven, er uiterlijk binnen twee jaar na de afgegeven vergunning een nieuwe boom geplant moet worden (gemeente Zaanstad, 2019). Het is waarschijnlijk dat de te kappen bomen een diameter van meer dan 10 centimeter hebben.
Ook kan een deel van de ondergroei die gepland staat om verwijderd te worden, vallen onder houtwal waardoor ook daar een vergunning voor nodig is. De mogelijk te kappen bomen staan niet op de lijst van waardevolle bomen. Een aantal mogelijk te kappen bomen staan op de voorgestelde gebiedenkaart (figuur 6.5). Indien inderdaad bomen gekapt gaan worden die op de gebiedskaart staan of een diameter hebben die groter is dan 10 centimeter, dan dient een vergunning aangevraagd te worden bij gemeente Zaanstad. Ook dient herplant binnen twee jaar na de kap plaats te vinden.
41 (48)
2021/24866
Figuur 6.5
De voorgestelde gebiedenkaart met in rood de globale ligging van het plangebied (https://zaanstad.nieuws.nl/actueel/38648/herinvoering-kapvergunning-voor-grotepercelen-met-veel-bomen/).
6.3 Gemeente Oostzaan Binnen de grenzen van de bebouwde kom Houtopstanden in gemeente Oostzaan gelden de volgende regels voor bomenkap. Onder vellen wordt verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Een vergunning is nodig voor het vellen van een houtopstand met een diameter van 0.30 meter of groter, waarbij een houtopstand is: x Hakhout : een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; x Een houtwal; x Een boom : een houtachtig, overblijvend gewas dat één of meer stammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken. De dwarsdoorsnede van de stam, of bij meer stammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, is minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. De vergunning kan worden geweigerd op grond van de natuurwaarde van de houtopstand, de landschappelijke waarde van de houtopstand, de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon, de beeldbepalende waarde van de houtopstand, de cultuurhistorische waarde van de houtopstand. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften (gemeente Oostzaan, 2016). Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van gemeente Oostzaan.
Daarom hoeft voor kap van bomen geen vergunning aangevraagd te worden bij gemeente Oostzaan.
42 (48)
2021/24866
7
Kansen / wensen ecologie
Het voorgenomen plan biedt mogelijke meekoppelkansen voor de ecologie. Om de wensen en kansen voor de ecologie in beeld te brengen, zijn twee workshops gehouden met groenbelanghebbenden van gemeente Zaanstad, gemeente Oostzaan, Natuur en Milieufederatie Noord-Holland, Kontakt Milieubeheer Zaanstreek en GROENzaans. Op basis van deze workshops is een kansen- / wensenkaart ecologie opgesteld, zie bijlage A. De kansen/wensen zijn ook weergegeven in tabel 7.1. Wij kunnen adviseren hoe in het ontwerp rekening te houden met de ecologie en staan u hierbij graag bij. Tabel 7.1 1
Kansen / wensen ecologie
Groene geluidsschermen met diverse vegetatie om de biodiversiteit te stimuleren
2
Bomen over het kruispunt met de N516 doortrekken en groen op het dek van de onderdoorgang Vijfhoek.
3
Bij verplaatsen van het tankstation, de vrijgekomen ruimte groener maken/bomen planten en mooie entree creëren. Bij het doortrekken van de watergang tot de Zuidervaart een natuurvriendelijke oever creeëren
4 5
8
Duiker tussen de Braak en de Zuidervaart doorvaarbaar en ecologische duiker met loopmogelijkheid voor niet zwemmende soorten (faunaplank) Ter plaatse van vliegroutes voor vleermuizen hop-overs over de weg realiseren middels bomen (locatie nog te bepalen). Bij het verplaatsen van het tankstation moet deze zoveel mogelijk worden ‘afgedekt’, zo min mogelijk opvallen in het park, mogelijk een wal, liefst helemaal van vegetatie met bijvoorbeeld takken ertussen; daarnaast horeca ook toegankelijk maken voor parkbezoekers. Locatie voor bomencompensatie?
9
Bomen toevoegen in het ontwerp.
10 11
Bestaande bomen op het busstation handhaven en anders verplaatsen. De wens is nadrukkelijk om deze bomen niet te kappen. Bermen in zaaien met kruidige vegetatie om insecten te stimuleren (hele projectgebied).
12
Locatie voor bomencompensatie?
13
Nieuwe fietsbrug natuurinclusief bouwen en/of groener maken
14
16
Aantal stenen verwijderen onder het viaduct van de A8 en daar groen laten groeien , mits dit mogelijk is met natuurlijk zonlicht Bomen die gekapt worden gebruiken onder het viaduct van de A8 om een ecologische verbinding te maken en schuilmogelijkheden te creëren. Rekening houden met diersoorten in het verlichtingsplan (gehele projectgebied).
17
Bestaande busbrug natuurinclusiever en/of groener maken
18 19
Wibautstraat groener maken, bomen plaatsen of als dat niet mogelijk is ander groen zoals bijvoorbeeld blauwe regen aan palen Locatie bomen compensatie? (op het gras langs zuiddijk)
20
Middenberm groen maken.
21
Meer gelaagdheid in het groen: meer struiken (bijvoorbeeld sleedoorn) buiten obstakel vrije zone PNH (gehele projectgebied). Inheemse struiken en bomen aanplanten die aantrekkende werking hebben voor insecten en vogels (gehele projectgebied). Voorkeur voor bomen die sneller geschikt zijn voor vleermuizen (zachte houtsoorten) (gehele projectgebied, daar waar mogelijk).
6 7
15
22 23
43 (48)
2021/24866
8
Conclusies en aanbevelingen
8.1
Wet natuurbescherming
8.1.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied, behorende tot Natura 2000, is gelegen op circa 1,3 kilometer afstand. Dit betreft het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske. Op 4,7 kilometer ligt bovendien het Natrura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder. Tijdens de aanlegfase en mogelijk ook in de gebruiksfase zal er waarschijnlijk sprake zijn van een toename van emissies. Een AERIUS-berekening dient uitgevoerd te worden om te bepalen of de stikstofemissie zal toenemen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Deze AERIUSberekening wordt op het moment van schrijven uitgevoerd. 8.1.2 Soortenbescherming Om verstoring van de ooievaar te voorkomen, dienen werkzaamheden rondom het nest worden opgestart buiten de maanden maart en april. Kapwerkzaamheden dienen buiten de algemene broedperiode van 15 maart tot 15 augustus uitgevoerd te worden. Belangrijk om aan te geven is dat juridisch gezien geen vaste broedperiode bestaat, maar dat van belang is of een broedende vogel aanwezig is. De gegeven periodes dienen gebruikt te worden als leidraad waarin de kans op broeden het grootst is.
Mocht buiten deze periode kappen niet mogelijk zijn en mochten andere werkzaamheden starten in deze periode, dan dient een ecologische controle (vrijgave) op het werkgebied uitgevoerd te worden kort voorafgaand aan de werkzaamheden. Indien in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, dient een ecoloog te bepalen of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden gestart mogen worden. Effecten van de werkzaamheden op vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten. Er bevinden zich mogelijk verblijfplaatsen in de te kappen bomen en in het te slopen tankstation, maar ook in de directe omgeving, welke verstoord kunnen worden door extra lichtinval. Verder bevinden zich mogelijk vliegroutes en foerageergebied in en rondom het plangebied. Aanvullend onderzoek dient aan te tonen of zich verblijfplaatsen in en in de directe omgeving van het plangebied bevinden en of foerageergebieden en vliegroutes essentieel zijn. Hiervoor dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden conform het Vleermuisprotocol 2017. Dit onderzoek bestaat uit vijf veldbezoeken in de periode van mei tot eind september rond zonsopgang of zonsondergang.
Mocht één van de bovenstaande aspecten inderdaad aangetoond worden, dan dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd (aanvraagtermijn is 20 weken) en dient een activiteitenplan te worden opgesteld met daarin mitigerende en compenserende maatregelen die genomen gaan worden. Een ontheffing wordt op voorhand verleenbaar geacht en staan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Effecten van de werkzaamheden op verblijfplaatsen van de boommarter kunnen niet worden uitgesloten. De te kappen bomen en omgeving kunnen mogelijk verblijfplaatsen bevatten van de soort. Een aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd om te onderzoeken of de te kappen bomen verblijfplaatsen van de boommarter bevatten. Met een boomcamera kan bepaald worden of de holtes geschikt zijn voor de boommarter. De holtes die geschikt zijn, kunnen vervolgens met behulp van cameravallen onderzocht worden voor één maand in de periode tussen mei en augustus.
44 (48)
2021/24866
Mochten verblijfplaatsen inderdaad aangetoond worden, dan dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd (aanvraagtermijn is 20 weken) en dient een activiteitenplan te worden opgesteld met daarin mitigerende en compenserende maatregelen die genomen gaan worden. Een ontheffing wordt op voorhand verleenbaar geacht en staan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Door de werkzaamheden zal er tijdelijk open losgrondig zand aanwezig komen in de omgeving van het plangebied. Om afwezigheid van de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te garanderen, is het daarom aan te raden om ontstane regenplassen in het plangebied in het voorjaar en zomer direct te dichten. In en in de omgeving van het plangebied komen de waardplant/boom van de iepenpage en de sleedoornpage voor. Indien iepen gekapt of sleedoorns verwijderd worden, dient een aanvullend onderzoek te inventariseren of de soorten hierop voorkomen. (Definitieve bomenkap en struweel verwijdering zal beschreven worden in het Groenplan.) De sleedoornpage kan het best geïnventariseerd worden in de winter of het voorjaar (januari tot maart), wanneer de eitjes duidelijk zichtbaar zijn gelegd. De iepenpage is aanwezig van juni tot en met augustus en dient daarom in deze periode op aanwezigheid te worden onderzocht.
Wanneer de soorten voorkomen, dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden (aanvraagtermijn is 20 weken) en dient een activiteitenplan te worden opgesteld met daarin mitigerende en compenserende maatregelen die genomen gaan worden. Een ontheffing wordt op voorhand verleenbaar geacht en staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Voor aanvang van de werkzaamheden dient bij het bevoegd gezag, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, een melding te worden gedaan van de aanwezige vrijgestelde beschermde soorten binnen het plangebied. Deze melding kan digitaal worden gedaan3. Wij verwachten op basis van het aanwezige habitat de volgende vrijgestelde soorten binnen het plangebied: aardmuis, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker en vos. Om te voldoen aan de zorgplicht, dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Deze kunnen bestaan uit het uitvoeren van de werkzaamheden vanaf één kant, de werkzaamheden rustig opstarten en bij het aantreffen van dieren deze de gelegenheid te geven om het plangebied te kunnen verlaten. Op basis van de zorgplicht is het af te raden om de ondergroei langs de weg te verwijderen vanwege meer lichtinval en daarmee mogelijke verstoring van de watervleermuis.
Gezien de grootschaligheid van de werkzaamheden, wordt aangeraden om een ecologisch werkprotocol op te stellen. In een ecologisch werkprotocol wordt vastgelegd hoe tijdens de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met de natuurwaarden. Door dergelijk protocol is bovendien aantoonbaar dat er verantwoord en binnen de voorwaarden van ontheffingen wordt gewerkt.
3
https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Meldingsformulier_vrijgestelde_soorten
45 (48)
2021/24866
8.2
Natuurbeleidskaders
8.2.1 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het voorgenomen plan heeft geen effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabijgelegen NNN-gebied. Er is geen nader veldonderzoek nodig en er is geen nader effectonderzoek noodzakelijk. Ook zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. 8.2.2 Gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland zijn uit te sluiten. Het doorlopen van een aanvullende procedure is niet noodzakelijk. 8.2.3 Gemeentelijk beleid Indien inderdaad bomen gekapt gaan worden binnen de bebouwde kom van de gemeentes Amsterdam en Zaanstad dan moet een vergunning voor bomenkap bij de gemeentes worden aangevraagd. Ook moeten de gekapte bomen gecompenseerd worden, liefst in de directe omgeving van het plangebied. Definitieve bomenkap en compensatie worden beschreven in het Groenplan. 8.2.4 Kansen / wensen ecologie Voor het plangebied en de omgeving zijn meerdere inpassingsmogelijkheden voor de ecologie. Denk hierbij aan het ontsnipperingsmaatregelen als het aanleggen van een ecologische duiker, eco-dynamische verlichting en natuurinclusief bouwen van kunstwerken. Wij kunnen adviseren hoe in het ontwerp hiermee rekening te houden en staan u hierbij graag bij.
46 (48)
2021/24866
Bronnen BIJ12a (2017). Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf op 29 november 2019. BIJ12b (2017). Kennisdocument ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, juli 2017. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-018-KennisdocumentRuige-dwergvleermuis-1.0.pdf op 29 november 2019. BIJ12c (2017). Kennisdocument watervleermuis Myotis daubentonii. Versie 1.0, juli 2017. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-020-KennisdocumentWatervleermuis-1.0.pdf op 29 november 2019. BIJ12d (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, juli 2017. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004-KennisdocumentGewone-dwergvleermuis-1.0.pdf op 29 november 2019. BIJ12e (2017). Kennisdocument rugstreeppad Bufo calamita. Versie 1.0, juli 2017. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-017-Kennisdocument-Rugstreeppad-1.0.pdf op 29 november 2019. Bouwens (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill. 2011. Vleermuizen, Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Uitgevers BV Utrecht - Zoogdiervereniging Nijmegen. FLORON Verspreidingsatlas Vaatplanten.
Onderdeel van NDFF-verspreidingsatlas, www.verspreidingsatlas.nl/ ingezien op 29 november 2019. Gemeente Amsterdam (2016). Bomenverordening 2014. Gemeenteblad 2016, 137183. Gemeente Amsterdam. Monumentale bomen en ander waardevol groen. Ingezien van Gemeente Oostzaan (2016). Algemene plaatselijke verordening (APV) Oostzaan 2017. Gemeenteblad 2017, 559. Gemeente Zaanstad (2019). Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013. Gemeenteblad 2019, 262459. La Haye, M., Dijkstra, V., Huizinga, N., Westra, S., Liefting, Y. (2017). NEM Verspreidingsonderzoek Bunzing en Boommarter: inventariseren met cameravallen. Zoogdiervereniging. Ingezien via: https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0verigen/img/Handl eiding%20NEM%20Meetnet%20BUBO_2017.pdf op 3 december 2019. Nationale Flora en Fauna Databank (NDFF). Ecogrid. Uitvoerportaal. Ingezien van https://maps.amsterdam.nl/monumentaal_groen/ op 3 december 2019. https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul op 29 november 2019. Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (2017). Handreiking wezel, hermelijn en bunzing. Provincie Noord-Holland (2016). Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland. Provinciaal Blad Nr. 6151. Provincie Noord-Holland (2016b). Verordening houtopstanden Noord-Holland. Provinciaal Blad Nr. 6106. Provincie Noord-Holland (2019).
Provinciale Ruimtelijke Verordening (februari 2019). Provincie Noord-Holland. Ganzenfoerageergebieden. Ingezien van https://maps.noordholland.nl/GeoWeb51HTML5/index.html?viewer=ganzenfoerageergebieden op 29 november 2019.
47 (48)
2021/24866
Provincie Noord-Holland. Weidevogelleefgebieden. Ingezien van https://maps.noordholland.nl/GeoWeb51HTML5/index.html?viewer=weidevogelleefgebieden op 29 november 2019. Provincie Noord-Holland. Natuurbeheerplan. Ingezien van https://maps.noordholland.nl/GeoWeb51HTML5/index.html?viewer=nbp op 29 november 2019. Vogelbescherming, informatie over boomvalk, buizerd, ekster, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, kraai, ooievaar, ransuil en sperwer. Ingezien van: http://www.vogelbescherming.nl op 29 november 2019. Wytema, S.C. (2019). Vleermuisinventarisatie bomen N516 te Zaandam. Van der Goes en Groot rapport 2019-100. Zoogdiervereniging, informatie over bunzing, eekhoorn, hermelijn en marter. Ingezien van: http://www.zoogdiervereniging.nl op 13 november 2019.
48 (48)
Bijlage A Kansen- / wensenkaart ecologie deel 1
2021/24866
Bijlage A Kansen- / wensenkaart ecologie deel 2
2021/24866
2021/24866
Aanvullend onderzoek Sleedoornpage Thorbeckeweg, Zaandam Onderwerp: Aanvullend onderzoek Sleedoornpage Thorbeckeweg, Zaandam Projectnummer: 368983 Referentienummer: SWNL0258639 Datum: 24-03-2020
1
Inleiding
1.1 Projectbeschrijving Vervoerregio Amsterdam werkt samen met de projectpartners gemeente Zaanstad, gemeente Oostzaan, provincie Noord-Holland en Rijkswaterstaat om de doorstroming van het openbaar vervoer, wegverkeer en fietsverkeer op en nabij de Thorbeckeweg – N516 te verbeteren. In het project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT) dat zich in de planuitwerkingsfase bevindt, worden verschillende maatregelen getroffen om de doorstroming te verbeteren, zoals uitbreiding van wegen, een fietsbrug, een fietstunnel en een onderdoorgang voor het wegverkeer ter hoogte van de Wibautstraat. Tevens wordt een bestaand tankstation verplaatst langs de N516 en wordt bij de Poelenbrug een nieuw kruispunt aangelegd. Ter hoogte van de kruising N516 en Wibautstraat zal de N516 verdiept worden om een ongelijkvloerse kruising van het oost-west verkeer met het noord-zuid verkeer op de Wibautstraat te realiseren. In de planvoorbereidingsfase is een voorkeursalternatief vastgesteld. Dit voorkeursalternatief is het meest kansrijk, biedt de meeste voordelen, heeft een breed draagvlak onder omgevingspartijen en het is het enige alternatief dat een robuuste oplossing biedt voor het kruispunt Vijfhoek. Het biedt tevens de beste inpassingsmogelijkheden voor de HOV-maatregelen en heeft de hoogst gemiddelde snelheden voor OV en het wegverkeer.
In de planuitwerkingsfase wordt de technische en financiële haalbaarheid van het project nader onderzocht. Sweco Nederland B.V. (vanaf nu Sweco genoemd) werkt in opdracht van Vervoerregio Amsterdam aan de planuitwerking van het project door onder andere het opstellen van een Referentie Ontwerp en het uitvoeren van alle benodigde onderzoeken om de technische en financiële haalbaarheid van het project te onderzoeken. 1.2 Aanleiding en doel Door Sweco is ten behoeve van de planuitwerking een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (de Vries, 2019). Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat in het plangebied sleedoorns voorkomen en dat aanwezigheid van de beschermde vlindersoort sleedoornpage niet kan worden uitgesloten binnen het plangebied. Om vast te stellen dan wel uit te sluiten of genoemde soort binnen het plangebied voorkomt, is aanvullend veldonderzoek noodzakelijk en uitgevoerd. Doel van het aanvullend veldonderzoek is om vast te stellen dan wel uit te sluiten of de sleedoornpage aanwezig is en of het voorgenomen plan een negatief effect heeft op genoemde soort waardoor een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. 1.3 Ligging van het plangebied en voorgenomen werkzaamheden De Thorbeckeweg N516 ligt in Zaandam Zuid (figuur 1). Op twee plaatsen binnen het plangebied staan een aantal sleedoornstruiken (figuur 2a en 2b).
Ter plaatste van het tankstation (Shell) op het kruispunt Wibautstraat – Thorbeckeweg is een kleine hoeveelheid sleedoorn waargenomen (circa 2-5% van totale vakken; figuur 2a), ter plaatste van de duiker Zuidervaart -Braak is ook een kleine hoeveelheid sleedoorn tegengekomen (circa 2Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V.
Daisy de Vries
Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
T +31 88 811 50 92 M +31 6 10 38 63 84 1 (10)
2021/24866
5% van totale vakken; figuur 2b) (Verbon, Noordman en de Vries, 2019). De sleedoorns op het kruispunt zullen gehandhaafd blijven, de struiken bij de duiker zullen verwijderd worden. Deze twee locaties zijn in dit aanvullende onderzoek bekeken.
Figuur 1. Ligging van het plangebied.
2 (10)
2021/24866
Afbeelding 2a. Onderzoeksgebied waarin de sleedoorns bij het kruispunt Wibautstraat -Thorbeckeweg aanwezig zijn.
Afbeelding 2b. Onderzoeksgebied waarin de sleedoorns bij de duiker Zuidervaart - Braak staan.
2
Wettelijk kader
2.1 Wet natuurbescherming: soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij onderscheiden we drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: · soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1. e.v.); · soorten bijlage IV Habitatrichtlijn, bijlage I Verdrag van Bern (artikel 3.5 e.v.); · andere soorten (artikel 3.10 e.v.).
3 (10)
2021/24866
Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en waarvoor de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, dient een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Een uitgebreidere toelichting over het soortenbeschermingsregime is te vinden in de bijlage 2.2 Beoordelingskader Uit de Wet natuurbescherming volgt dat het zonder ontheffing of vrijstelling niet is toegestaan om verbodsbepalingen ten aanzien van vogels (art. 3.1), Habitatrichtlijn Bijlage IV soorten (hieronder vallen onder andere alle vleermuissoorten) (art. 3.5) en andere beschermde soorten (art. 3.10) te overtreden. Om te voorkomen dat verbodsbepalingen worden overtreden, kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen. Indien deze mitigerende maatregelen tijdig functioneel zijn en zodanig dat daardoor geen sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, dan kunnen werkzaamheden doorgang vinden zonder ontheffing.
Indien deze mitigerende maatregelen niet tijdig functioneel zijn, is sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming en dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. In dat geval moet (veelal) compensatie plaatsvinden om de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort(en) te kunnen garanderen.
3
Methode
De sleedoornpage is sterk afhankelijk van zijn waardplant (sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten). Aangezien de vlinders vrij onopvallend zijn en ze vrij verborgen leven, kan de aanwezigheid van de sleedoornpage het beste worden vastgesteld door de eitjes van de soort te zoeken. De soort overwintert als ei. De eitjes zijn wit en plat - zie figuur 3 - en hebben een ribbelpatroon: een soort golfballetje en zijn vooral in de winter en het vroege voorjaar te vinden (wanneer nog geen blad aanwezig is), in oude sleedoorns die zonnig staan, op de grens van oud en jong hout in de oksels van sleedoorntakken tussen 50 en 170 cm van de grond (Bos et al., 2006).
Figuur 3. Voorbeeld van sleedoornpage-eitjes (Foto: Peter Hoppenbrouwers, www.vlinderstichting.nl).
4 (10)
2021/24866
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op donderdag 27 februari 2020 door een deskundig ecoloog1. Op dit moment was nog geen sprake van uitbundige bladgroei aan de struiken, waardoor het hout goed bekeken kon worden. Het veldbezoek is uitgevoerd in de ochtend en vroege middag. De weersomstandigheden tijdens dit bezoek waren 4°C, droog, 7/8 bewolkt met een windkracht van 3 Bft uit het zuidwesten.
4
Resultaten
Binnen het plangebied zijn op twee plaatsen sleedoorns aangetroffen. Er zijn geen eitjes van de sleedoornpage aangetroffen op de sleedoorns binnen de twee onderzoeksgebieden. Een impressie van de onderzoeksgebieden wordt weergegeven in figuur 4 en 5.
Figuur 4. Een impressie van het onderzoeksgebied bij het kruispunt Wibautstraat -Thorbeckeweg.
1 Onder een ecologisch deskundige wordt een persoon verstaan die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van soort specifieke ecologie doordat deze: op HBO- of universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie, en/of als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of werkzaam is voor een terrein beherende organisatie zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties, en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming
5 (10)
2021/24866
Figuur 5.
5
Een impressie van het onderzoeksgebied bij de duiker Zuidervaart - Braak.
Conclusie
Er zijn binnen het plangebied geen eitjes van de sleedoornpage aangetroffen. Effecten van de werkzaamheden op de sleedoornpage zijn daarom uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming voor de sleedoornpage is niet noodzakelijk. Aangezien sleedoornpages over de jaren heen op verschillende struiken eitjes leggen, is het van belang om de sleedoorns te verwijderen voor de volgende eilegperiode: dat is voor half augustus (Bos et al., 2006). Is dit niet mogelijk, dan dient opnieuw onderzoek naar sleedoornpage-eitjes op de te verwijderen sleedoorns te worden uitgevoerd.
Bronnen Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D. van Swaay, C., Wynhoff, I. (2006). Sleedoornpage Thecla betulae. In: Nederlandse Fauna 7 - De dagvlinders van Nederland. KNNV uitgeverij, blz. 148-151. Provincie Noord-Holland (2016). Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland. Provinciaal Blad Nr. 6151. Verbon, Noordman en de Vries (2019). Groenplan AVANT D1.0. Sweco rapport referentienummer: Groenplan Avant_D1.0. Vries, D. de (2019). Verkennend natuuronderzoek AVANT Thorbeckeweg (N516) te Zaandam. Sweco rapport referentienummer: Aanvullend onderzoek Sleedoornpage Thorbeckeweg.docx. Vlinderstichting. Laatst geraadpleegd via www.vlinderstichting.nl op 12 maart 2020.
6 (10)
2021/24866
Bijlage In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij onderscheiden we drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1. e.v.) · Lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. · Lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. · Lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. · Lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. · Lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten bijlage IV Habitatrichtlijn, bijlage I Verdrag van Bern (artikel 3.5 e.v.) · Lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
· Lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. · Lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. · Lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. · Lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (artikel 3.10 e.v.) · Lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. Onderzoeken naar het voorkomen vanuit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, hebben een geldigheidsduur van drie jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd.
7 (10)
2021/24866
Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de Andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Onderzoeken naar het voorkomen van Andere beschermde soorten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen. Met artikel 4 van de verordening van provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1.
In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. Deze zijn opgenomen, zodat er een goed beeld gehouden kan worden op welke manier er van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt en de vrijstelling niet zorgt voor een verslechtering van de desbetreffende soort. Ook zijn hier een aantal artikelen opgenomen die helderheid verschaffen over wie de vrijstelling mag gebruiken en wordt de link met het Faunabeheerplan vastgelegd. Voordat er tot uitvoering van de vrijstelling overgegaan mag worden, moet de intentie tot uitvoering aan de provincie worden gemeld. Dit zodat het bevoegd gezag op de hoogte is van het gebruik van de door hen verleende vrijstelling en de mogelijkheid heeft tot (steekproefsgewijze) controle. In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar uitgevoerd zal worden op grond van de vrijstelling. Eventuele latere wijzigingen van dit voornemen moeten ook worden doorgegeven. Ter controle op de gunstige staat van instandhouding van de soort en in verband met de evaluatie van de toegepaste werkwijze is het van belang dat de grondgebruiker aan het einde van de periode van uitvoering rapporteert (provincie NoordHolland, 2016).
Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de wet. Er is dan geen ontheffing nodig.
8 (10)
2021/24866
Tabel 1
Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016)
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht, zie hieronder. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: Zorgplicht (artikel 1.11) · lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. · lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. · lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
9 (10)
2021/24866
Verantwoording Titel
Aanvullend onderzoek Sleedoornpage Thorbeckeweg, Zaandam
Projectnummer
368983
Referentienummer
SWNL0258639
Revisie
D1.0
Datum
24-03-2020
Auteur
Daisy de Vries
E-mailadres
daisy.devries@sweco.nl
Gecontroleerd door
Maikell Verkade
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Johan Vreugdenhil
Paraaf goedgekeurd Klik o f tik om t ekst i n te vo ere n.
10 (10)
2021/24866
Rapport Projectnummer: 368983 Referentienummer: SWNL0268183 Datum: 03-11-2020
Soortenonderzoek project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT) te Zaandam Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en boommarter in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Concept
Opdrachtgever: Vervoerregio Amsterdam Jodenbreestraat 25 1011 NH AMSTERDAM
Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Daisy de Vries Adviseur Ecologie M +31 6 10 38 63 84 daisy.devries@sweco.nl
2021/24866
Verantwoording Titel
Soortenonderzoek project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT) te Zaandam
Subtitel
Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en boommarter in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
368983
Referentienummer
SWNL0268183
Revisie
C1.0
Datum
03-11-2020
Auteur
Daisy de Vries
E-mailadres
daisy.devries@sweco.nl
Gecontroleerd door
Maikell Verkade
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (27)
2021/24866
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Inleiding ................................................................................................................... 4
1.2
Doel ......................................................................................................................... 4
1.3
Afkadering ................................................................................................................ 4
2
Wettelijk kader ....................................................................................................... 6
2.1
Wet natuurbescherming .......................................................................................... 6
2.2
Beoordelingskader ................................................................................................... 8
3
Methodiek ............................................................................................................... 9
3.1
Inleiding ................................................................................................................... 9
3.2
Vleermuizen ............................................................................................................. 9
3.3
Kleine marterachtigen en boommarter .................................................................. 11
4
Resultaten veldonderzoek .................................................................................. 13
4.1
Vleermuizen ........................................................................................................... 13
4.1.1
Shell ....................................................................................................................................13
4.1.2
Esso ....................................................................................................................................13
4.1.3
RWZI ...................................................................................................................................13
4.1.4
Vijver Vijfhoekpark ..............................................................................................................13
4.1.5
Noordelijke sloot Vijfhoekpark .............................................................................................13
4.1.6
Zuidervaart ..........................................................................................................................13
4.2
Kleine marterachtigen en boommarter .................................................................. 14
5
Effecten en toetsing ............................................................................................ 17
5.1
Vleermuizen ........................................................................................................... 17
5.1.1
Shell ....................................................................................................................................17
5.1.2
Esso ....................................................................................................................................17
5.1.3
RWZI ...................................................................................................................................17
5.1.4
Vijver Vijfhoekpark ..............................................................................................................17
5.1.5
Noordelijke sloot Vijfhoekpark .............................................................................................17
5.1.6
Zuidervaart ..........................................................................................................................18
5.2
Kleine marterachtigen en boommarter .................................................................. 18
6
Conclusie en aanbevelingen .............................................................................. 19
6.1
Conclusie ............................................................................................................... 19
6.2
Aanbevelingen ....................................................................................................... 19
Bronnen .............................................................................................................................. 20 Bijlage 1 Waarnemingen ..................................................................................................... 21
3 (27)
2021/24866
1
Inleiding
1.1 Inleiding Vervoerregio Amsterdam (VRA) werkt samen met de projectpartners gemeente Zaanstad, gemeente Oostzaan, provincie Noord-Holland en Rijkswaterstaat om de doorstroming van het openbaar vervoer, wegverkeer en fietsverkeer op en nabij de Thorbeckeweg – N516 te verbeteren. In het project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT), dat zich in de Planuitwerkingsfase bevindt, worden verschillende maatregelen getroffen om de doorstroming te verbeteren, zoals uitbreiding van wegen, een fietsbrug, een fietstunnel en een onderdoorgang voor het wegverkeer ter hoogte van de Wibautstraat. Tevens wordt een bestaand tankstation verplaatst langs de N516 en wordt bij de Poelenbrug een nieuw kruispunt aangelegd. Ter hoogte van de kruising N516 en Wibautstraat, wordt de N516 verdiept om een ongelijkvloerse kruising van het oost-west verkeer met het noord-zuid verkeer op de Wibautstraat te realiseren. In de planvoorbereidingsfase is een voorkeursalternatief vastgesteld. Dit voorkeursalternatief is het meest kansrijk, biedt de meeste voordelen, heeft een breed draagvlak onder omgevingspartijen en het is het enige alternatief dat een robuuste oplossing biedt voor het kruispunt Vijfhoek. Het biedt tevens de beste inpassingsmogelijkheden voor de Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV)-maatregelen en heeft de hoogst gemiddelde snelheden voor OV en het wegverkeer.
In de Planuitwerkingsfase wordt de technische en financiële haalbaarheid van het project nader onderzocht. Sweco Nederland B.V. werkt in opdracht van de Vervoerregio Amsterdam aan de planuitwerking van het project door onder andere het opstellen van een Referentie Ontwerp en het uitvoeren van alle benodigde onderzoeken om de technische en financiële haalbaarheid van het project te onderzoeken. In het kader van de planuitwerkingsfase heeft Sweco in 2019 een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (de Vries, 2019). wat de basis vormt voor dit aanvullend natuuronderzoek. Het verkennend onderzoek wees uit dat er mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van verschillende op grond van de Wet natuurbescherming beschermde soorten vleermuizen, kleine marterachtigen en boommarter in het projectgebied aanwezig kunnen zijn. 1.2 Doel Het doel van het aanvullend onderzoek is om vast te stellen of een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is door vast te stellen of (vaste) rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn binnen het projectgebied. 1.3 Afkadering In deze rapportage wordt enkel het vleermuisonderzoek uitgevoerd door Sweco beschreven (figuur 1.1), evenals het onderzoek naar kleine marterachtigen en boommarter (figuur 1.2). Een deel van het vleermuisonderzoek is uitbesteed aan Natuurlijke Zaken.
Het onderzoek van Sweco richt zich op de gebouwen van de tankstations Shell aan de Thorbeckeweg 2 in Zaandam en de Esso aan de Westkolkdijk 8 in Oostzaan. Ook zijn de bomen binnen het terrein van de RWZI Zaandam-Oost onderzocht. Voor bovenstaande objecten (figuur 1.1, rode vierkanten) is het onderzoek dit jaar afgerond. Verder is voor de najaarsronde het foerageergebied en mogelijke vliegroutes rondom de vijver in het Vijfhoekpark onderzocht (figuur 1.1 rode cirkels), evenals de mogelijke vliegroute langs de Zuidervaart (rode pijl). Deze twee punten dienen voorjaar 2021 nogmaals onderzocht te worden, om het vleermuisonderzoek af te ronden.
4 (27)
2021/24866
Figuur 1.1
Onderzochte gebieden, rode vierkanten geven onderzochte mogelijke verblijfplaatsen weer in de tankstations en bomen bij de RWZI. Rode cirkels geven onderzocht foerageergebied en vliegroutes weer rondom de vijver in het Vijfhoekpark en de rode pijl geeft de onderzochte mogelijke vliegroute weer langs de Zuidervaart.
Figuur 1.2
Onderzochte gebied voor kleine marterachtigen en boommarter, de punten geven bomen aan, deze bomen en hun directe omgeving zijn onderzocht.
5 (27)
2021/24866
2
Wettelijk kader
2.1 Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij onderscheiden we drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1. e.v.) x Lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. x Lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. x Lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. x Lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. x Lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten bijlage IV Habitatrichtlijn, bijlage I Verdrag van Bern (artikel 3.5 e.v.) x Lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
x Lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. x Lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. x Lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. x Lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (artikel 3.10 e.v.) x Lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: q onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; q onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of q onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond.
6 (27)
2021/24866
Onderzoeken naar het voorkomen vanuit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn hebben een geldigheidsduur van drie jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de Andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Onderzoeken naar het voorkomen van Andere beschermde soorten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen.
Met artikel 4 van de verordening van provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 2.1. In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. Deze zijn opgenomen, zodat er een goed beeld gehouden kan worden op welke manier er van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt en de vrijstelling niet zorgt voor een verslechtering van de desbetreffende soort. Ook zijn hier een aantal artikelen opgenomen die helderheid verschaffen over wie de vrijstelling mag gebruiken en wordt de link met het Faunabeheerplan vastgelegd. Voordat er tot uitvoering van de vrijstelling overgegaan mag worden, moet de intentie tot uitvoering aan de provincie worden gemeld. Dit zodat het bevoegd gezag op de hoogte is van het gebruik van de door hen verleende vrijstelling en de mogelijkheid heeft tot (steekproefsgewijze) controle. In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar uitgevoerd zal worden op grond van de vrijstelling. Eventuele latere wijzigingen van dit voornemen moeten ook worden doorgegeven.
Ter controle op de gunstige staat van instandhouding van de soort en in verband met de evaluatie van de toegepaste werkwijze is het van belang dat de grondgebruiker aan het einde van de periode van uitvoering rapporteert (provincie NoordHolland, 2016). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de wet. Er is dan geen ontheffing nodig.
7 (27)
2021/24866
Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016)
2.2 Beoordelingskader Uit de Wet natuurbescherming volgt dat het zonder ontheffing of vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming niet is toegestaan om verbodsbepalingen ten aanzien van vogels (art. 3.1), Habitatrichtlijn Bijlage IV soorten (hieronder vallen onder andere alle vleermuissoorten) (art. 3.5) en andere beschermde soorten (art. 3.10) te overtreden. Om te voorkomen dat verbodsbepalingen worden overtreden, kunnen mitigerende maatregelen worden getroffen. Indien deze mitigerende maatregelen tijdig functioneel zijn en zodanig dat daardoor geen sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, dan kunnen werkzaamheden doorgang vinden zonder ontheffing. Indien deze mitigerende maatregelen niet tijdig functioneel zijn, is sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming en dient een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. In dat geval moet (veelal) compensatie plaatsvinden om de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort(en) te kunnen garanderen.