Bijlage 6 Natuur
Tekst van het document
2021/24866
Rapport Projectnummer: 368983 Referentienummer: SWNL0253738 Datum: 10-12-2019
Verkennend natuuronderzoek AVANT Thorbeckeweg (N516) te Zaandam Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Definitief
Opdrachtgever: Vervoerregio Amsterdam Jodenbreestraat 25 1011 NH AMSTERDAM Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V.
Daisy de Vries
Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
T +31 88 811 50 92 M +31 6 10 38 63 84
2021/24866
Verantwoording Titel
Verkennend natuuronderzoek AVANT Thorbeckeweg (N516) te Zaandam
Subtitel
Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
368983
Referentienummer
SWNL0253738
Revisie
D1.0
Datum
10-12-2019
Auteur
Daisy de Vries
E-mailadres
daisy.devries@sweco.nl
Gecontroleerd door
Maikell Verkade
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Mike Smit
Paraaf goedgekeurd
2 (48)
2021/24866
Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 5 1
Inleiding .................................................................................................................. 7
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 7
1.2
Doelstelling .............................................................................................................. 7
1.3
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 7
1.4
Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten .................................................... 8
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden .............................................. 10
2.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 10
2.2
Methode ................................................................................................................. 10
2.3
Analyse van mogelijke effecten ............................................................................. 12
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 13
3.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 13
3.2
Methode ................................................................................................................. 16
3.2.1
Bronnenonderzoek..............................................................................................................16
3.2.2
Habitatgeschiktheidsbeoordeling ........................................................................................ 16
3.2.3
Analyse en toetsing mogelijke effecten ...............................................................................16
3.3
Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 16
3.4
Vaatplanten............................................................................................................ 24
3.5
Vogels .................................................................................................................... 24
3.6
Vleermuizen ........................................................................................................... 27
3.7
Grondgebonden zoogdieren .................................................................................. 29
3.8
Amfibieën ............................................................................................................... 31
3.9
Reptielen ................................................................................................................ 32
3.10
Vissen .................................................................................................................... 32
3.11
Ongewervelden...................................................................................................... 32
4
Houtopstanden .................................................................................................... 34
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 34
4.2
Analyse en toetsing effecten ................................................................................. 35
5
Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 36
5.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 36
5.2
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 36
5.2.1
Toetsingskader ...................................................................................................................36
5.2.2
Inventarisatie.......................................................................................................................37
5.2.3
Analyse en toetsing effecten ...............................................................................................38
3 (48)
2021/24866
5.3
Gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland .................................................... 38
5.3.1
Toetsingskader ...................................................................................................................38
5.3.2
Inventarisatie.......................................................................................................................38
5.3.3
Analyse en toetsing effecten ...............................................................................................38
6
Gemeentelijk beleid bomenkap .......................................................................... 40
6.1
Gemeente Amsterdam .......................................................................................... 40
6.2
Gemeente Zaanstad .............................................................................................. 41
6.3
Gemeente Oostzaan ............................................................................................. 42
7
Kansen / wensen ecologie .................................................................................. 43
8
Conclusies en aanbevelingen ............................................................................ 44
8.1
Wet natuurbescherming ........................................................................................ 44
8.1.1
Natura 2000-gebieden ........................................................................................................44
8.1.2
Soortenbescherming ...........................................................................................................44
8.2
Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 46
8.2.1
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................46
8.2.2
Gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland ..................................................................46
8.2.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................46
8.2.4
Kansen / wensen ecologie ..................................................................................................46
Bronnen ............................................................................................................................... 47
Bijlage A Bijlage A
Kansen- / wensenkaart ecologie deel 1 Kansen- / wensenkaart ecologie deel 2
4 (48)
(cat. 5) broedvogels
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis
Vernietiging nesten
Ooievaar (cat. 3)
Broedvogels
Vleermuizen
Mogelijke verstoring nest
NNN
Natuurnetwerk Nederland
Vernietiging of verstoring verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute
Geen
Stikstofdepositie
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske (meest nabijgelegen; ook van toepassing voor gebieden op grotere afstand)
Natura 2000-gebieden
Effecten
Gebied(en)/Soort(en)
Gebied/Soortgroep
Samenvattende tabel
Artikel 3.1
Artikel 3.1
Artikel 3.1
Geen
Artikel 2.7
(Mogelijke) overtreding verbodsbepalingen
Mogelijk
Nee
Nee
Nee
Mogelijk
5 (48)
Vergunning/ ontheffing noodzakelijk?
Rekening houden met verlichting
Aanvullend onderzoek vleermuizen (boomcamera kan hele jaar; aanvullend van mei tot oktober 2020)
Indien mogelijk werken buiten broedseizoen, anders ecologische inspectie. Broedvogelseizoen algemene indicatie: 15 maart – 15 augustus
Alle werkzaamheden rondom Vijfhoekvijver buiten nesteltijd ooievaar opstarten: maart en april
Geen
AERIUS-berekening
Actie/ Maatregelen
Onderstaand is een samenvattende tabel opgenomen met daarin mogelijke effecten of overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, ook wordt aangegeven of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Samenvatting
2021/24866
Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker
Alle soorten
Iepenpage en sleedoornpage
Verstoring of vernietiging
Rugstreeppad
Amfibieën
Ongewervelden
Kolonisatie plangebied
Aardmuis, bosmuis, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn en vos.
Grondgebonden zoogdieren
Verstoring of vernietiging
Verstoring of vernietiging verblijfplaatsen of leefgebied
Verstoring of vernietiging verblijfplaatsen
Boommarter
Grondgebonden zoogdieren
Effecten
Gebied(en)/Soort(en)
Gebied/Soortgroep
Vervolg samenvattende tabel
2021/24866
Artikel 3.1
Artikel 1.11
Mogelijk
Nee
Nee
Nee
Artikel 1.11
Artikel 3.1
Mogelijk
6 (48)
Vergunning/ ontheffing noodzakelijk?
Artikel 3.1
(Mogelijke) overtreding verbodsbepalingen
Zorgplicht
Aanvullend onderzoek ongewervelden (sleedoornpage van januari 2020 tot en met maart 2020, iepenpage van juni tot en met augustus 2020)
Melden vrijgestelde soorten bij bevoegd gezag (Omgevingsdienst NHN)
Afzetten bouwmateriaal, dagelijks dempen regenwaterplassen
Melden vrijgestelde soorten bij bevoegd gezag (Omgevingsdienst NHN)
Aanvullend onderzoek boommarter (boomcamera kan hele jaar; aanvullend tussen mei en augustus 2020)
Actie/ Maatregelen
2021/24866
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Vervoerregio Amsterdam werkt samen met projectpartners gemeente Zaanstad, gemeente Oostzaan, provincie Noord-Holland en Rijkswaterstaat om de doorstroming van het openbaar vervoer, wegverkeer en fietsverkeer op en nabij de Thorbeckeweg – N516 te verbeteren. In het project Aanpak Verkeersdruk Ambacht N516 Thorbeckeweg (AVANT) dat zich in de planuitwerkingsfase bevindt, worden verschillende maatregelen getroffen om de doorstroming te verbeteren, zoals uitbreiding van wegen, een fietsbrug, een fietstunnel en een onderdoorgang voor het wegverkeer ter hoogte van de Wibautstraat. Tevens wordt een bestaand tankstation verplaatst langs de N516 en wordt bij de Poelenbrug een nieuw kruispunt aangelegd. Ter hoogte van de kruising N516 en Wibautstraat zal de N516 verdiept worden om een ongelijkvloerse kruising van het oost-west verkeer met het noord-zuid verkeer op de Wibautstraat te realiseren. In de Planvoorbereidingsfase is een voorkeursalternatief vastgesteld. Dit voorkeursalternatief is het meest kansrijk, biedt de meeste voordelen, heeft een breed draagvlak onder omgevingspartijen en het is het enige alternatief dat een robuuste oplossing biedt voor het kruispunt Vijfhoek. Het biedt tevens de beste inpassingsmogelijkheden voor de HOV-maatregelen en heeft de hoogst gemiddelde snelheden voor OV en het wegverkeer.
In de Planuitwerkingsfase wordt de technische en financiële haalbaarheid van het project nader onderzocht. Sweco Nederland B.V. (vanaf nu Sweco genoemd) werkt in opdracht van Vervoerregio Amsterdam aan de planuitwerking van het project door onder andere het opstellen van een Referentie Ontwerp en het uitvoeren van alle benodigde onderzoeken om de technische en financiële haalbaarheid van het project te onderzoeken. 1.2 Doelstelling In het kader van de planuitwerkingsfase heeft Sweco een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Toetsing heeft plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. In het rapport worden de mogelijke vervolgstappen besproken die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. 1.3 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen getoetst te worden aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: x Wet natuurbescherming: q Natura 2000-gebieden; q Soortenbescherming; Houtopstanden. x Provinciaal beleid: q Natuurnetwerk Nederland (NNN); q Andere gebieden (buiten het NNN): weidevogelleefgebieden; ganzenfoerageergebieden. x Gemeentelijk beleid.
7 (48)
2021/24866
1.4 Ligging plangebied en voorgenomen activiteiten De Thorbeckeweg N516 ligt in Zaandam Zuid. Het traject start ongeveer 400 meter ten westen van het kruispunt Vijfhoek en loopt tot circa 100 meter ten oosten van de kruising van de Thorbeckeweg en de Verlengde Stellingweg. De plannen zijn ook gericht op een deel van de Wibautstraat en de Verlengde stellingstraat. Het plangebied wordt omringd door de Havenbuurt (west), het Vijfhoekpark (zuid), Zuideinde (oost) en Poelenburg, de Bomenbuurt en bedrijventerrein de Ambacht (noord). Oostelijk door het plangebied heen loopt de snelweg A8. Om de doorstroming van de weg, betere fietsverbindingen en versnelling van het openbaar vervoer te realiseren, wordt de weg aangepakt, zie figuur 1.1 en 1.2. Werkzaamheden omvatten het uitbreiden van het wegprofiel. Hiervoor dienen bomen gekapt te worden en de onderbegroeiing en een grasveld te worden verwijderd. Het is nog niet exact bekend hoeveel en welke bomen gekapt gaan worden. Definitieve bomenkap en struweelverwijdering zal beschreven worden in het Groenplan.
Figuur 1.1
Impressie van een onderdeel van de toekomstige weg (www.horbeckeweg.zaanstad.nl).
8 (48)
2021/24866
Figuur 1.2
Ligging van het plangebied.
9 (48)
2021/24866
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden en zo ja wat de benodigde vervolgstappen zijn.
2.2 Methode Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de N2000-kaart, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Uit deze database blijkt dat de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van circa 1,3 kilometer ten noordoosten van het projectgebied is gelegen. Dit betreft Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske (zie figuur 2.1). Verder ligt noordwestelijk op 2,7 kilometer afstand het Natura2000-gebied Polder Westzaan en op een afstand van 4,7 kilometer noordelijk de Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder. In alledrie de gebieden liggen stikstofgevoeilige habitattypen, in beiden zijn dat vochtige heiden, ruigten en zomen, overgangs- en trilvenen en hoogveenbossen.
10 (48)
2021/24866
Figuur 2.1
Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het Natura 2000-gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske, Polder Westzaan en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (rood).
11 (48)
2021/24866
2.3 Analyse van mogelijke effecten Om een indicatie te krijgen van mogelijke effecten op nabijgelegen beschermde gebieden, is gebruik gemaakt van de effectenindicator van het ministerie van Economische Zaken. Bij de toetsing van mogelijke effecten is als activiteit ‘weg’ gebruikt. Uit de effectenindicator blijkt dat de volgende verstorende effecten op de beschermde gebieden kunnen optreden: 1. Oppervlakteverlies. 2. Versnippering. 3: Verzuring van N-depositie uit de lucht. 4: Vermesting door N-depositie uit de lucht. 7. Verontreiniging. 8: Verdroging. 13. Verstoring door geluid. 14. Verstoring door licht. 15. Verstoring door trilling. 16. Optische verstoring. 17. Verandering in populatiedynamiek. Effecten 1,2 en 17 zijn niet van toepassing, doordat de weg niet door een N2000-gebied ligt en ook niet komt te liggen. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten of een verandering in populatiedynamiek. Alle overige effecten met uitzondering van 3 en 4 reiken tot enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn deze negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen daarom uitgesloten. De werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met emissie van stikstof.
Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren, wordt gebruik gemaakt van verschillend materieel. Deze machines zullen mogelijk onder andere stikstof uitstoten wat uiteindelijk neer zal dalen (stikstofdepositie). Ook tijdens de gebruiksfase zal de stikstofemissie mogelijk veranderen, ofwel in positieve zin door bijvoorbeeld betere verkeersstroming ofwel in negatieve zin bijvoorbeeld door een aantrekkende werking. De emissie kan zich vrij gemakkelijk over grotere afstand verplaatsen en zodoende van invloed zijn op de drie genoemde Natura 2000-gebieden Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske, Polder Westzaan en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder. Al deze gebieden liggen binnen vijf kilomer afstand van het plangebied en bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Om de hoeveelheid en de locatie(s) van de stikstofdepositie te bepalen, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Hieruit kan naar voren komen dat het uitvoeren van een project specifieke beoordeling noodzakelijk is. Deze AERIUS-berekening wordt op het moment van schrijven uitgevoerd.
12 (48)
2021/24866
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij onderscheiden we drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1. e.v.) x Lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. x Lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. x Lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. x Lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. x Lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Soorten bijlage IV Habitatrichtlijn, bijlage I Verdrag van Bern (artikel 3.5 e.v.) x Lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
x Lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. x Lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. x Lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. x Lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (artikel 3.10 e.v.) x Lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: q onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; q onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of q onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
13 (48)
2021/24866
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. Onderzoeken naar het voorkomen vanuit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn hebben een geldigheidsduur van drie jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de Andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Onderzoeken naar het voorkomen van Andere beschermde soorten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd.
Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen. Met artikel 4 van de verordening van provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 3.1. In artikel 5 van deze verordening is de meldings- en rapportageplicht opgenomen. Deze zijn opgenomen, zodat er een goed beeld gehouden kan worden op welke manier er van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt en de vrijstelling niet zorgt voor een verslechtering van de desbetreffende soort. Ook zijn hier een aantal artikelen opgenomen die helderheid verschaffen over wie de vrijstelling mag gebruiken en wordt de link met het Faunabeheerplan vastgelegd. Voordat er tot uitvoering van de vrijstelling overgegaan mag worden, moet de intentie tot uitvoering aan de provincie worden gemeld. Dit zodat het bevoegd gezag op de hoogte is van het gebruik van de door hen verleende vrijstelling en de mogelijkheid heeft tot (steekproefsgewijze) controle.
In de melding zal de eigenaar, de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15 zevende lid van de wet, toestemming is verleend, aangeven wanneer er waar uitgevoerd zal worden op grond van de vrijstelling. Eventuele latere wijzigingen van dit voornemen moeten ook worden doorgegeven. Ter controle op de gunstige staat van instandhouding van de soort en in verband met de evaluatie van de toegepaste werkwijze is het van belang dat de grondgebruiker aan het einde van de periode van uitvoering rapporteert (provincie Noord-Holland, 2016). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de wet. Er is dan geen ontheffing nodig.
14 (48)
2021/24866
Tabel 3.1
Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2016)
Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) x lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. x lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: q onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat dan wel, q onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen of q onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. x lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
15 (48)
2021/24866
3.2 Methode Om effecten op de voorkomende beschermde soorten te kunnen bepalen en om te bepalen of nader onderzoek nodig is, zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: x bronnenonderzoek; x habitatgeschiktheidsbeoordeling. 3.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: x Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2014 – 2019. x NDFF Verspreidingsatlas. x Interactieve kaarten gemeente Amsterdam1. 3.2.2 Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 17 en 21 oktober 2019 door een deskundige ecoloog2 van Sweco (Daisy de Vries). 3.2.3 Analyse en toetsing mogelijke effecten Vervolgens is bepaald in hoeverre effecten op mogelijk voorkomende beschermde soorten kunnen optreden door de voorgenomen activiteiten. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groep)en nader onderzoek nodig is.
3.3 Voorkomende ecotopen Het plangebied bestaat voor een deel uit een verharde N-weg met daaromheen en in het midden bermen met kort gemaaid grasland. Hierin staan algemene soorten als weegbree, duizendblad, kruiskruid, zachte witbol, rode klaver en roodzwenkgras en op locaties in de buurt van water riet. Aan beide kanten staan bomenrijen met diverse boomsoorten als (canada)populier, eik, els en esdoorn en divers struweel als meidoorn, braam, schietwilg en vlier. Langs de straat Poelenburg (nabij de Vlinderbrug) staan platanen. Naast de Vijfhoekkruising staat een tankstation. Figuren 3.1 tot en met 3.14 geven een visueel overzicht van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied ligt het Vijfhoekpark, een volledig ecologisch beheerd park, met een grote vijver. Daarnaast ligt sportpark Poelenburg. Ten noorden achter de bomen en struikenrij ligt de Zuidervaart, een brede watergang. Daarnaast ligt bedrijventerrein de Ambacht. Oostelijk van de snelweg A8 ligt het talud welke begroeid is met veel en divers struweel als meidoorn, haagbeuk, rode kornoelje en vlier evenals riet op de vochtige plaatsen.
1
Gemeente Amsterdam heeft de beschikking over een interactieve kaart met beschermde flora en fauna, dit betreft middels Flora- en faunawet beschermde soorten. Deze wet is inmiddels vervangen door de Wet natuurbescherming met deels andere beschermde soorten). 2 Onder een ecologisch deskundige wordt een persoon verstaan die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van soort specifieke ecologie doordat deze: op HBO- of universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie, en/of als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of werkzaam is voor een terrein beherende organisatie zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties, en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming
16 (48)
2021/24866
Figuur 3.1
Het oostelijke deel van het plangebied: het talud.
Figuur 3.2
Het noordoostelijke punt waar de fietsbrug komt te liggen.
17 (48)
2021/24866
Figuur 3.3
Het zuidoostelijk deel van het plangebied, waar de fietsbrug zal starten.
Figuur 3.4
De platanen bij de Vlinderbrug.
18 (48)
2021/24866
Figuur 3.5
De Thorbeckeweg.
Figuur 3.6
Deel van de sportvelden waar het nieuwe tankstation zal komen (zuidmidden).
19 (48)
2021/24866
Figuur 3.7
De sloot en de bomenrij met onderbegroeiing aan de rand van het Vijfhoekpark (zuidmidden).
Figuur 3.8
De groenstrook ter hoogte van het jachthaventje (noordmidden).
20 (48)
2021/24866
Figuur 3.9
Een deel van de bomenrij in het Vijfhoekpark met op de achtergrond het te slopen benzinestation (zuidwest).
21 (48)
2021/24866
Figuur 3.10
Deel van de berm met boom, ondergroei en sloot (west).
Figuur 3.11
De groenstrook en bomenrij aan de noordwestkant van de Thorbeckeweg (oostelijk van de Wibautstraat).
22 (48)
2021/24866
Figuur 3.12
De Wibautstraat
Figuur 3.13
De bomenrij langs de Thorbeckeweg, zuidwestelijk van de Vijfhoekkruising.
23 (48)
2021/24866
Figuur 3.14
De bomenrij langs de Thorbeckeweg, noordwestelijk van de Vijfhoekkruising.
3.4 Vaatplanten Volgens de NDFF zijn geen waarnemingen van vaatplanten in de omgeving van het plangebied, deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Het plangebied bestaat uit soortenarm, voedselrijk grasland wat intensief beheerd wordt (grote grazers). Hierdoor ontbreken geschikte groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten. In verband met het niet voorkomen van geschikt leefgebied voor de beschermde vaatplanten en afwezigheid in verspreidingsdata, kunnen effecten op beschermde vaatplantsoorten worden uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.5 Vogels Volgens de NDFF zijn acht vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen in de omgeving van het plangebied, waarvan de buizerd territorium indicerend gedrag vertoonde.
24 (48)
2021/24866
De havik, buizerd en sperwer broeden het liefst in de kruinen van hoge bomen, waarbij havik en buizerd een voorkeur voor de rand van uitgestrekte bossen hebben en sperwers graag in dichte bossen broedt. Tegenwoordig broedt de havik echter ook vaak in polderbos, de buizerd in rijbeplanting en de sperwer zelfs in meer stedelijk gebied. Daarnaast hebben ze een voorkeur voor open land waar makkelijk gejaagd kan worden (Vogelbescherming). De omgeving van het plangebied bevat bossen en heeft wat open land (Vijfhoekpark en het bos langs de Oostzanerdijk), waardoor de kans aanwezig is dat deze soort in de omgeving van het plangebied nestelt. Er zijn tijdens de veldbezoeken echter geen nesten van buizerd, havik of sperwer waargenomen in de mogelijk te kapen bomen en de directe omgeving. Verstoring door de voorgenomen werkzaamheden op deze roofvogelsoorten is daarom uit te sluiten. De gierzwaluw broedt vooral in steden en dorpen waar hij nestelt in donkere holtes in ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen en in kerktorens. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn (Vogelbescherming; BIJ12a, 2017).
Aangezien de soort afhankelijk is van gebouwen om in te broeden en geen geschikte gebouwen aanwezig zijn (het tankstation bevat geen geschikte openingen), kunnen effecten van de voorgenomen werkzaamheden op de gierzwaluw worden uitgesloten. De boomvalk broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen. De boomvalk jaagt in open en halfopen land, zoals parklandschappen waar de soort kleine vogels, libellen en andere vliegende insecten eet. De omgeving van het plangebied zou geschikt zijn voor de soort om te broeden, maar er zijn tijdens de veldbezoeken geen nesten van de boomvalk waargenomen in de mogelijk te kappen bomen en in de directe omgeving. Verstoring door de voorgenomen werkzaamheden op deze soort is daarom uit te sluiten. Voor een broedplek maakt de ooievaar vaak gebruik van kunstmatige nestgelegenheden, zoals ook in het Vijfhoekpark. Dit nest staat op 150 meter afstand van het plangebied, noordwestelijk naast de Vijfhoekpark vijver, zie figuur 3.15. De ooievaar is geen verstoringsgevoelige soort, regelmatig wordt de soort broedend naast wegen, sporen en in woonwijken gevonden, echter tijdens de nesteling kan verstoring wel aan de orde zijn. Daarom moet voorkomen worden dat werkzaamheden rondom het nest worden opgestart wanneer de ooievaars gaan nestelen (maart/april).
Wanneer de ooievaars eenmaal eieren hebben gelegd, trekken ze zich van verstoring weinig meer aan en kunnen de werkzaamheden starten (Vogelbescherming). Wanneer buiten de maanden maart en april gestart wordt met werkzaamheden in de buurt van het nest, worden effecten op de ooievaar uitgesloten. De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, waaronder open bos, bosranden en parken. De ransuil jaagt bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op plekken met kaalslag in bos. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden. De omgeving van het plangebied is daarmee bij uitstek geschikt voor de soort. De nestplek van de soort is bekend en ligt op ruim 400 meter afstand van het plangebied. Onder de te kappen bomen bevinden zich bovendien geen naaldbomen en tijdens het veldbezoek zijn bovendien geen sporen van nest- of roestplekken van de ransuil gevonden rondom het plangebied. De werkzaamheden zullen niet plaatsvinden nabij het open veld, waardoor effecten van werkzaamheden op zowel nest-, roest-, als foerageerplekken van de ransuil uitgesloten kunnen worden.
25 (48)
2021/24866
Een belangrijke voorwaarde die de grote gele kwikstaart stelt aan zijn leefgebied is dat er snel stromend water aanwezig is, de soort broedt en foerageert uitsluitend aan de oever van stromend water. In het plangebied of de directe omgeving daarvan ontbreekt een snel stromend waterlichaam, waardoor nesten en daarmee verstoring van de grote gele kwikstaart kunnen worden uitgesloten. De waargenomen individuen moeten daarom overwinteraars of doortrekkers zijn geweest. Er zijn een aantal grote nesten waargenomen in de bomen bij de Vlinderbrug, een nest in het noordoostelijk deel van het vijfhoekpark, dicht bij de weg, en één helemaal in het oosten van het plangebied, figuur 3.16. Deze zijn afkomstig van de ekster of de kraai, beiden vogels met categorie 5 beschermde nesten. Dit zijn nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is niet het geval, er zijn in de omgeving voldoende alternatieve bomen om in te nestelen aanwezig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Kapwerkzaamheden dienen buiten de algemene broedperiode van 15 maart tot 15 augustus uitgevoerd te worden. Belangrijk om aan te geven is dat juridisch gezien geen vaste broedperiode bestaat, maar dat van belang is of een broedende vogel aanwezig is. De gegeven periodes dienen gebruikt te worden als leidraad waarin de kans op broeden het grootst is. Mocht werken buiten deze periode niet mogelijk zijn, dan dient een ecologische check op het werkgebied uitgevoerd te worden, kort voorafgaand aan de werkzaamheden. Indien in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, mogen werkzaamheden niet starten.
Figuur 3.15
De rode ster geeft de locatie van de ooievaarsnestpaal weer.
26 (48)
2021/24866
Figuur 3.16
Twee van de grote nesten.
3.6 Vleermuizen Uit de NDFF en andere verspreidingsdata blijkt dat rondom het plangebied de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de watervleermuis zijn waargenomen. Functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen zijn: verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebied. Vleermuizen zijn wat hun keuze voor verblijfplaatsen betreft, globaal in te delen in twee typen vleermuizen: gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen. Binnen het plangebied zijn veel bomen aanwezig. Een flink deel van de bomen is aan het inrotten wat zorgt voor geschikte scheuren, gaten en loszittend bast, zie figuur 3.18. Voor de boombewonende watervleermuis en ruige dwergvleermuis zijn de bomen mogelijk geschikt voor verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomerverblijf-, paarverblijf- en kraamverblijfplaats (BIJ12b, 2017; BIJ12c, 2017, Dietz et al., 2011). Een aantal van deze bomen zal gekapt worden wat betekent dat verblijfplaatsen vernietigd kunnen worden. Ook het verstoren van verblijfplaatsen is niet toegestaan. Verstoring kan bijvoorbeeld plaatsvinden wanneer een verblijfplaats (meer) verlicht wordt en daardoor verlaten wordt. \ Het aanwezige tankstation is potentieel geschikt voor de gewone dwergvleermuis. Het gebouw bevat openstootvoegen en de daklijst is niet overal goed aangesloten, zie figuur 3.19.
Dit tankstation zal gesloopt worden wat betekent dat zomer- en paarverblijfplaatsen vernietigd kunnen worden.
27 (48)
2021/24866
Figuur 3.18
Figuur 3.19
Holen in de bomen.
Het tankstation met open stootvoegen en niet compleet aansluitende daklijsten.
Een aanvullend onderzoek dient aan te tonen of in de te kappen bomen of in het te slopen tankstation zich inderdaad verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Er kan voor gekozen worden met een boomcamera te bepalen welke holtes geschikt zijn voor de vleermuis. Geschikte holtes dienen vervolgens onderzocht te worden conform het Vleermuisprotocol 2017. Mochten verblijfplaatsen aanwezig zijn, dan dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Naast verblijfplaatsen zijn foerageergebieden en vliegroutes ook van belang voor vleermuizen. Vliegroutes en foerageergebieden die van belang zijn voor het voortbestaan van een populatie zijn jaarrond beschermd. Verschillende soorten vleermuizen maken voor hun vliegroute gebruik van lijnvormige elementen in het landschap, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen om te navigeren en als beschutting tegen wind.
28 (48)
2021/24866
Routes die door meerdere individuen worden gebruikt, wordt een vliegroute genoemd. Vliegroutes zijn nodig om te kunnen verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden en vice versa. Dergelijke elementen zijn in of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Mogelijk wordt de bomenrij langs de Thorbeckeweg gebruikt als vliegroute voor minder lichtgevoelige soorten als de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het plangebied wordt noordelijk afgekaderd door een brede watergang, de Zuidervaartsloot. Deze vaart wordt mogelijk gebruikt als vliegroute voor de lichtgevoelige watervleermuis (BIJ12C, 2017). Het voorgenomen plan om ondergroei te verwijderen, zal zorgen voor extra lichtverstoring vanaf de weg wat kan leiden tot verstoring van de vliegroute van de watervleermuis. Aanvullend onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2017 zal moeten uitwijzen of de landschapselementen essentiële vliegroutes zijn. Mocht dit het geval zijn, dan dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. De directe omgeving van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Enige afstand tussen de bomen en het water van het Vijfhoekpark maken dat de directe omgeving van het plangebied goed als foerageergebied kan fungeren. Zo zijn diverse watervleermuizen foeragerend waargenomen boven de vijver van het Vijfhoekpark.
Deze soort staat bekend als lichtgevoelig (BIJ12C, 2017). Het voorgenomen plan om bomen te kappen en ondergroei te verwijderen, zal zorgen voor extra lichtverstoring vanaf de weg wat kan leiden tot verstoring van het foerageergebied van deze en andere vleermuissoorten. Aanvullend onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2017 zal moeten uitwijzen of het Vijfhoekpark essentieel onderdeel is van een foerageergebied van de watervleermuis. Mocht dit het geval zijn, dan dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Doordat de soort niet veel voorkomt in Europa, is ondergroei verwijderen sowieso at te raden op basis van de zorgplicht. Rondom de Vlinderbrug is reeds een aanvullend onderzoek vleermuizen uitgevoerd (Wytema, 2019). Hierin staat dat in het onderzochte gebied alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen zijn waargenomen. “Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet vastgesteld. De aanwezige foeragerende vleermuizen in dit deel worden door de werkzaamheden niet in betekenende mate beïnvloed en kunnen gemakkelijk uitwijken naar vergelijkbaar of beter foerageergebied in de omgeving.
De in het onderzoek vastgestelde noord-zuid vliegroute door het plangebied is op grond van de daar gevonden aantallen vleermuizen niet ‘essentieel’, er zijn er rondom het plangebied voldoende andere bomenrijen in dezelfde richting die als vliegroute kunnen fungeren.” Op te merken dient te worden dat het onderzoek alleen heeft gekeken naar het gebied rondom de Vlinderbrug. In het rapport wordt aangegeven dat er voldoende alternatieve foerageergebieden en vliegroutes in de omgeving aanwezig zijn. Deze gebieden en de afstand ertoe vanaf het plangebied worden echter niet aangegeven. Het is daarom mogelijk dat de alternatieve gebieden ook aangetast worden door de werkzaamheden (zoals hierboven beschreven). Dat kan er voor zorgen dat de conclusies ten aanzien van de foerageergebieden en vliegroutes gemaakt in het genoemde vleermuisinventarisatie rapport veranderen wanneer de hele omgeving in ogenschouw wordt genomen. 3.7 Grondgebonden zoogdieren In de NDFF is één waarneming van grondgebondenzoogdieren in de omgeving van het plangebied, het gaat hier om de hermelijn in het stuk oostelijk van de A8. Op een afstand van 1 kilometer is een boommarter waargenomen. De overige soorten grondgebonden zoogdieren zijn op grote afstand van het plangebied waargenomen, met snelwegen of brede watergangen (vaarten) ertussen.
29 (48)
2021/24866
De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. In Nederland komt de boommarter in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol, maar passen een bestaand nest aan. Zijn eten bestaat uit insecten (waaronder hommel- en wespenbroed), vogels en eieren, kleine zoogdieren (van muis tot konijn), aas en af en toe een eekhoorn. In de nazomer en herfst eet de boommarter veel bessen en vruchten. Boommarters kunnen goed zwemmen. De dieren leven solitair; enkel in de paartijd zijn mannetjes en vrouwtje een paar dagen tezamen. Het leefgebied van een mannetje is circa 1000 hectare groot en overlapt (deels) dat van meerdere vrouwtjes. ’s Nachts worden afstanden van 2 tot 7 kilometer afgelegd. Boommarters zijn tamelijk ongevoelig voor verstoring door mensen en wegen (Zoogdiervereniging).
Dit gegeven, in combinatie met de verspreidingsdata van de soort, de grote afstanden die kunnen worden afgelegd door de soort en het aanwezige biotoop, maken dat de soort niet kan worden uitgesloten in en in de directe omgeving van het plangebied. De te kappen bomen en omgeving kunnen mogelijk verblijfplaatsen bevatten van de soort. Het gebied kan bovendien ook gebruikt worden als overig leefgebied voor de boommarter. Grote delen van het Vijfhoekpark zijn echter geschikt als foerageergebied, waardoor kan worden uitgesloten dat de te kappen bomen essentieel leefgebied (met uitzondering van verblijfplaatsen) van de soort vormen. Een aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd om te onderzoeken of de te kappen bomen verblijfplaatsen van de boommarter bevatten. Met een boomcamera kan bepaald worden of de holtes geschikt zijn voor de boommarter. De holtes die geschikt zijn, kunnen vervolgens met behulp van cameravallen onderzocht worden voor één maand in de periode tussen mei en augustus (La Haye et al., 2017). Mochten verblijfplaatsen van de boommarter worden gevonden in of rondom de te kappen bomen of de te verwijderen ondergroei, dan dient een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
De hermelijn zoekt graag dekking op van bijvoorbeeld bosschages, houtstapels en heggen (Bouwens, 2017; Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, 2017; Zoogdiervereniging) en bewoont vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed worden met veren of haren van prooidieren (Bouwens, 2017; Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, 2017; Zoogdiervereniging). In het gebied, oostelijk van de A8 waar de hermelijn was waargenomen, zijn geen oude holen, al dan niet bekleed met veren of haren waargenomen. Effecten van de werkzaamheden aan de oostkant van de A8 op verblijfplaatsen van de hermelijn zijn daarom uitgesloten. Het is daarom aan te nemen dat het plangebied en de directe omgeving ervan onderdeel is van het leefgebied van de waargenomen hermelijn. Meer oostelijk in directe verbinding ligt echter meer geschikt habitat voor de hermelijn, kleine weilandjes met slootjes en af en toe wat beschutting. De werkzaamheden zullen daarom geen effect hebben op het essentiële leefgebied van de hermelijn aan de oostkant van de A8. Uit het veldbezoek is gebleken dat (ook de rest van) het landschap potentieel geschikt is voor de bunzing, hermelijn en wezel. Zo zijn houtstapels aanwezig in het Vijfhoekpark, evenals oude holen, maar niet in de directe omgeving van of in het plangebied zelf.
Deze plekken kunnen door de bunzing, hermelijn en wezel als schuilplaatsen gebruikt worden (Bouwens, 2017; Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, 2017; Zoogdiervereniging).
30 (48)
2021/24866
Oude holen van muizen, konijnen en ratten, bekleed met haren van prooidieren, zijn niet waargenomen in het plangebied en de omgeving. Verbindingszones met het buitengebied zijn niet goed aanwezig, een snelweg, de N-weg of brede watergangen (vaarten) moeten worden overgestoken om in het plangebied te belanden. Concluderend zijn het plangebied en de rechtstreekse omgeving potentieel geschikt als leefgebied van de bunzing, hermelijn en wezel, maar de wijdere omgeving (Vijfhoekpark en weilanden westelijk) zijn daar meer geschikt voor. Aangezien de directe omgeving en het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen voor de soorten bevat en in de omgeving voldoende alternatief leefgebied is, kunnen effecten van de werkzaamheden op deze soorten worden uitgesloten. Het plangebied en de omgeving is ook potentieel geschikt bevonden voor de eekhoorn. Zo is hun leefgebied, gemengd bos en houtwallen aanwezig, evenals bomen met noten en/of bessen. Eekhoorns bouwen nesten in bomen die vooral in de winter, wanneer er geen blad aan de bomen zit, goed waarneembaar zijn. Het nest is bolvormig, zo groot als een voetbal en heeft een doorsnede van 30 tot 50 cm. Het wordt op minstens 5 meter boven de grond gebouwd. Tijdens de veldbezoeken zijn geen nesten waargenomen van de soort. Daarom kunnen effecten van de werkzaamheden op deze soort worden uitgesloten.
Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor wat betreft bunzing, eekhoorn, hermelijn en wezel is niet noodzakelijk. Volgens het beleid van provincie Noord-Holland dienen vrijgestelde zoogdiersoorten die binnen het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden, bij het bevoegd gezag – Omgevingsdienst Noord-Holland Noord – digitaal te worden gemeld; zie het meldingsformulier vrijgestelde soorten. Op basis van het aanwezige biotoop worden de volgende soorten verwacht: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, en vos in (de directe omgeving) van het gebied. Voor deze soorten dient wel de zorgplicht in acht genomen te worden. Hiertoe moeten maatregelen genomen worden die beschadiging van individuen zoveel mogelijk voorkomen. Gedacht kan worden aan het werken in één richting en het rustig opstarten van werkzaamheden, zodat mogelijk aanwezige individuen kunnen vluchten. 3.8 Amfibieën Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën waargenomen. Op basis van verspreidingsgegevens in Nederland kunnen alle niet-vrijgestelde soorten worden uitgesloten, met uitzondering van de rugstreeppad.
Uit de NDFF blijkt dat in de wijde omgeving van het plangebied waarnemingen van de rugstreeppad zijn gedaan (op 2 kilometer afstand), hiervoor dienen echter drukke N-wegen, snelwegen en/of brede vaarten worden overgestoken. Het veldbezoek toonde aan dat het water binnen het plangebied niet geschikt is als voortplantingswater voor de soort. De oevers zijn te steil, te begroeid en/of te diep. Ook ontbreken losgrondige zandige bodems in het gebied, aanwezige zand is te bereden of bevat te veel stenen en is daardoor te hard om in te graven (BIJ12e, 2017). Aangezien de rugstreeppad het plangebied zeer moeilijk/niet kan bereiken en geen geschikt land- en voortplantingswateren aanwezig zijn in het gebied, kunnen effecten van de werkzaamheden op de soort uitgesloten worden. Een ontheffing voor deze soortgroep hoeft daarom niet te worden aangevraagd.
31 (48)
2021/24866
Door werkzaamheden zal er tijdelijk open losgrondig zand aanwezig komen in de omgeving van het plangebied. Dit kan geschikt zijn als landhabitat voor de beschermde rugstreeppad, indien er voortplantingslocaties in de directe nabijheid aanwezig zijn en/of geschikte landhabitat schaars is. Om voorkomen van de rugstreeppad ook tijdens de werkzaamheden uit te sluiten is het daarom aan te raden om plasdras situaties, zoals ontstaande regenplassen in het plangebied in het voorjaar, direct te dichten zodat geen geschikt voortplantingswater ontstaat. Volgens het beleid van provincie Noord-Holland dienen vrijgestelde amfibiesoorten die binnen het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden, bij het bevoegd gezag –Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord– digitaal te worden gemeld. Op basis van het biotoop verwachten we de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker binnen of in de directe omgeving van het plangebied. In het kader van de zorgplicht kunnen maatregelen genomen worden, zoals het werken in de richting van het doorlopende water en het rustig opstarten van werkzaamheden, zodat mogelijk aanwezige individuen kunnen vluchten. Bij het aantreffen van dieren, dienen deze de gelegenheid te krijgen om het plangebied te kunnen verlaten.
3.9 Reptielen Volgens de databank van de NDFF komen binnen en in de wijde omgeving van het plangebied geen reptielen voor. Gedurende het veldbezoek zijn ook geen reptielen of sporen hiervan waargenomen. Op basis van verspreidingsgegevens in Nederland kunnen alle soorten worden uitgesloten, met uitzondering van de ringslang. De steile oevers van het aangrenzende water en het ontbreken van verbindingszones met het buitengebied waar de ringslang wel voorkomt, maken het niet aannemelijk dat ringslangen in het plangebied aanwezig zijn. Werkzaamheden zullen daarom geen effect hebben op deze soortgroep. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor wat betreft reptielen is niet noodzakelijk. 3.10 Vissen Volgens de NDFF komen binnen en in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissen voor. Het veldbezoek toonde aan dat zich een aantal sloten binnen het plangebied bevinden, in de directe omgeving ligt bovendien de grote vijver van het Vijfhoekpark. Er bevindt zich een duiker ter hoogte van de vijver van het Vijfhoekpark onder de weg door. Deze duiker is echter dichtgestort. Hierdoor vindt geen beweging van het water plaats, wat ook te zien is aan een dikke laag blauwalg op het water.
De aanwezigheid van beschermde vissen binnen het plangebied kan door gebrek aan waarnemingen van beschermde soorten en de afwezigheid van snelstromend, helder water uitgesloten worden. Effecten op beschermde vissoorten binnen het plangebied zijn daarom uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Tijdens de werkzaamheden zal de nu verstopte duiker worden verwijderd en zal een bredere nieuwe duiker worden geplaatst. Hierdoor zal de waterdoorstroming van het water in het plangebied verbeteren, wat een positief effect zal hebben op het waterleven. 3.11 Ongewervelden Volgens de NDFF komen binnen en in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelden voor. Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen veelal een zeer specifiek habitat, zoals kruidenrijke vegetatie of stromend water.
32 (48)
2021/24866
In het plangebied is geen sprake van een dergelijke leefomgeving met de juiste leefomstandigheden voor deze soorten. Wel komen in en in de omgeving van het plangebied de waardplant/boom van de iepenpage en de sleedoornpage voor. Indien deze iepen gekapt of sleedoorns verwijderd worden, dient een aanvullend onderzoek te inventariseren of de soorten hierop voorkomen. De sleedoornpage kan het best geïnventariseerd worden in de winter of het voorjaar (januari tot maart) wanneer de eitjes duidelijk zichtbaar zijn gelegd. De iepenpage is aanwezig van juni tot en met augustus en dient daarom in deze periode op aanwezigheid te worden onderzocht. Wanneer de soorten voorkomen, dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
33 (48)
2021/24866
4
Houtopstanden
4.1 Toetsingskader Houtopstanden buiten de bebouwde kom Houtopstanden, bestaande uit een rij van tenminste 20 bomen of een oppervlakte van tenminste 10 are, bestaande uit boomvormers (stamdiameter tenminste 0,1 meter) zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. Deze bescherming geldt ook wanneer velling van een (klein) deel van dergelijke beplantingen beoogd wordt. Een ’kennisgeving van voorgenomen velling’ indienen bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Noord-Holland Noord) is nodig bij een velling van houtopstanden die zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. De eigenaar van grond waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen. Bovenstaand is niet nodig wanneer de houtopstanden vallen onder de volgende categorieën: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: i. wegbeplantingen; ii. beplantingen langs waterwegen, en iii.
eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: i. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; ii. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en iii. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van het verbod bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid van de wet: a. het kappen van verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan 3 maal de boomhoogte, met een maximum van 0,25 hectare en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel en vindt maximaal 1 keer per 4 jaar plaats; b. het vrijstellen van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; c. het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden bij vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen; d.
maatregelen die plaatsvinden ter realisatie van het beheertype zoals dat voor de betreffende locatie is opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 2.1 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer NoordHolland (Provincie Noord-Holland, 2016b).
34 (48)
2021/24866
4.2 Analyse en toetsing effecten Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de interactieve kaarten van provincie NoordHolland. Indien houtopstanden buiten het paarse vlak (figuur 4.1) worden gekapt die voldoen aan bovengenoemde beschrijving, dient een kennisgeving van voorgenomen velling te worden ingediend bij Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, bovendien dient dan ook herplant plaats te vinden.