Bijlage bij beantwoording TV IS VAB_RFV_beleid_Regio_FoodValley_functieveranderingsbeleid_2016.pdf
Tekst van het document
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
2
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
Deelnemende gemeenten Regio FoodValley
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
3
Inhoudsopgave 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Samenwerkende gemeenten ................................................................................................... 5
1.3
Opgave .................................................................................................................................... 6
1.4
Doelstelling .............................................................................................................................. 7
1.5
Gemeentelijke doorwerking ..................................................................................................... 8
1.6
Leeswijzer ................................................................................................................................ 8
2. Beleidskader ..................................................................................................................................... 9 2.1 Omgevingsvisie/-verordening provincie Gelderland ...................................................................... 9 3. Landschappelijke kwaliteiten regio .............................................................................................. 11 4. Algemene voorwaarden functieveranderingen ........................................................................... 14 5. Sloopmeters en (inter)gemeentelijke sloopregistratie ............................................................... 17 5.1 Van ‘sloopmeters’ naar ‘inzetbare sloopmeters’ ......................................................................... 17 5.2 Registratie van sloopmeters ........................................................................................................ 18 5.2.1
Werkwijze registratie van sloopmeters ........................................................................... 19
5.2.2
Werkwijze voor het inzetten van sloopmeters ................................................................ 19
5.3 Intergemeentelijke inzet sloopmeters en registratie .................................................................... 20 5.4 Geldigheidsduur geregistreerde sloopmeters en beëindiging beleid .......................................... 21 6. Mogelijkheden functieveranderingen ............................................................................................ 22 6.1 Functieverandering naar Wonen ................................................................................................. 22 6.1.1
Mogelijkheden functieverandering naar wonen .............................................................. 22
6.1.2
Bredere inzet sloopmeters voor woonfuncties ............................................................... 24
6.2 Functieverandering naar Werken ............................................................................................... 28 6.2.1
Functieverandering naar werken ................................................................................... 28
6.2.2
Uitbreiding niet-agrarisch bedrijf .................................................................................... 32
6.2.3
Omzetting gebiedsgebonden bedrijf naar gebiedspassend bedrijf .............................. 33
6.2.4
Brede inzet sloopmeters voor werkfuncties ................................................................... 33
7 Overgangsregeling ......................................................................................................................... 35
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
4
1. Inleiding 1.1 Aanleiding In april 2008 is de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten” vastgesteld met regionale beleidsafspraken over hoe de betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van leegstand van agrarische bedrijfsgebouwen. Het beleid stelt agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze te beëindigen. Daarnaast leidt het tot kwaliteitsverbetering in het buitengebied door de sloopverplichting van overtollige bebouwing en landschappelijke inpassing bij hergebruik / nieuwbouw ten behoeve van nieuwe woonfuncties of niet- agrarische bedrijfsfuncties. Dit regionale beleid is destijds tot stand gekomen als uitwerking van het provinciale functieveranderingsbeleid vanuit het Streekplan 2005. In 2012 is een “Nadere invulling” van de “Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten” opgesteld om een nadere uitwerking en aanvulling te geven van de beleidskaders en om in uitzonderingsgevallen maatwerk te kunnen toepassen in het verlengde van de beleidskaders. Vanuit de ervaringen van de regionale coördinatiegroep functieverandering en jurisprudentie van de Raad van State is de wens ontstaan om de beide beleidskaders samen te voegen en te actualiseren. Het voorliggende beleidsdocument is primair geen nieuw beleid.
Wel wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om op een aantal onderwerpen enkele beleidsaanpassingen door te voeren. De beleidsuitgangspunten uit de voornoemde beleidskaders blijven in hoofdzaak in stand, evenals de in dit beleid aangegeven waarborgen voor ruimtelijke kwaliteit zoals de landschappelijke inpassing en de verevening. De hoofdlijnen van de aanpassingen in dit beleidsdocument zijn als volgt. - Samenvoeging en actualisering van de beleidsdocumenten uit 2008 en 2012; - Vereenvoudiging van de systematiek voor afroming/korting van sloopmeters; - Een toekomstbestendige en flexibele basissystematiek voor functieverandering naar wonen/werken, met onder meer het ‘woningrecht’ en het ‘bedrijfsrecht’ als basis voor functieverandering naar wonen en/of werken. Deze biedt de regio een tool/knop voor bijsturing op beleid (verhoging/verlaging van benodigde sloopmeters) zonder aanpassing van de systematiek; (Lichte) stijging van de benodigde compensatie van sloopmeters voor functieverandering naar wonen en werken om in te spelen op de trend en ontwikkeling dat meer agrarische bedrijven zullen stoppen en dat meer (voormalige) agrarische bebouwing vrijkomt;
1.2 Samenwerkende gemeenten Het regionale beleid voor functieverandering en nevenactiviteiten is opgesteld vanuit de samenwerking tussen de gemeenten in het Gelderse gedeelte van de regio FoodValley en de gemeente Putten. Het gebied waarop het regionale beleid van toepassing is wordt begrensd door de gemeenten Nijkerk, Putten, Barneveld, Scherpenzeel, Ede en Wageningen.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
5
Gebiedsafbakening van de regiogemeenten waarbinnen het regionale beleid van toepassing is.
1.3 Opgave Het functieveranderingsbeleid heeft het sinds 2008 bijgedragen aan de op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze van beëindiging van vele agrarische bedrijven. Van deze bedrijven is de bedrijfsbebouwing is gesloopt of hergebruikt. Ook bij reeds gestopte agrarische bedrijven heeft het functieveranderingsbeleid gezorgd voor mogelijkheden om de overtollige bebouwing te kunnen slopen of te hergebruiken. Daarvoor in de plaats zijn met deze gesloopte bebouwing als zijnde ‘sloopmeters’, onder meer nieuwe woningen gebouwd en niet-agrarische werkfuncties gerealiseerd en zijn deze voorzien van een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast zijn de ‘sloopmeters’ via het regionale sloopmeterregistratiesysteem intergemeentelijk uitwisselbaar, waarbij de markt is vergroot voor de inzetbaarheid van sloopmeters. Hierdoor heeft het beleid al gezorgd voor een kwaliteitsverbetering in de buitengebieden van de gemeenten. Toch staat de regio nog voor een enorme opgave als het gaat om het behouden van de kwaliteit van het landelijk gebied. Zoals te zien op de kaart ‘Vrijkomende agrarische bebouwing per gemeente tot 2030’ behoren de gemeenten in de regio FoodValley tot een van de regio’s waar een hoge prognose geldt voor agrarische bebouwing die vrijkomt in de komende 15 jaar. Globaal verliest in de regiogemeenten zo’n 30 – 40% van de agrarische bebouwing haar functie.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
6
Prognose vrijkomende agrarische bebouwing per gemeente tot 2030 in m² en als percentage (bron: Alterra rapport ‘Vrijkomende agrarische bebouwing, 2014) Functieverandering is een belangrijk instrument om aan de problematiek die daardoor ontstaat tegemoet te komen, maar kan niet de enige oplossing blijven. Voortzetting van het huidige functieveranderingsbeleid in combinatie met het zoeken naar nieuwe mogelijkheden zal daar een antwoord op moeten geven. Het voorliggende beleidsdocument ziet alleen op de mogelijkheden voor functieverandering. De nieuwe mogelijkheden zullen via een apart proces worden onderzocht en vallen buiten dit beleidskader.
1.4 Doelstelling Het toenemende aantal vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen leidt tot de wens en noodzaak om de mogelijkheden van het instrumentarium van functieverandering optimaal te benutten, zodat voor een zo groot mogelijke oppervlakte aan sloopmeters een ruimtelijk verantwoorde inzet gevonden wordt en een kwaliteitsverbetering van het buitengebied plaatsvindt. Uitgangspunten daarbij zijn een goede ruimtelijke kwaliteit en een duurzaam economisch perspectief, met behoud van een sterke agrarische structuur. De voorliggende actualisering van de voorgaande beleidsdocumenten voor functieverandering en nevenactiviteiten uit 2008 en 2012 biedt een actualisering van de mogelijkheden die de regiogemeenten daarvoor zien. Naast deze hoofddoelstelling zijn hierbij ook de volgende doelen van belang: de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit vindt naast de sloop van (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing tevens plaats door middel van verbetering van publieke functies zoals ontwikkeling van landschap en natuur. Dit kan door versterking van de kenmerken van het oorspronkelijke landschap, bijdragen aan recreatieve routes, bijdrage aan waterberging en dergelijke op plaatsen waar dit wenselijk is. Functieverandering is dus geen doel op zich, maar moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied;
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
7
Hergebruik van bestaande bebouwing voor nieuwe functies indien dit mogelijk is. Het gebruik van bestaande bebouwing wordt gestimuleerd. Als de bestaande bebouwing van een te slechte (beeld)kwaliteit is om voor de nieuwe functie hergebruikt te worden, is vervangende nieuwbouw, die goed landschappelijk is ingepast in zijn omgeving, mogelijk; versterking van de economische en sociale vitaliteit van het buitengebied door onder voorwaarden niet aan het buitengebied gebonden functies toe te staan als nieuwe economische dragers en onder voorwaarden ook ruimte te bieden voor uitbreiding van deze functies.
1.5 Gemeentelijke doorwerking De mate waarin en de wijze waarop gemeenten de mogelijkheden voor functieverandering uit dit beleidsdocument willen toepassen, kan verschillen als gevolg van diverse factoren, zoals de historie van lokaal ruimtelijk beleid of lokale beleidskeuzes die mogelijk zijn of worden gemaakt. Er kan daarom verschil zijn tussen gemeenten en/of deelgebieden in de mate waarin toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden. De basisregelingen voor functieveranderingen die worden aangegeven zijn regionale afspraken over de werkwijze en/of de maximale benutting. De verdere mogelijkheden die worden aangegeven en waarover regionaal afspraken zijn gemaakt, is een optielijst, waarbij de gemeenten afzonderlijk kunnen aangeven of zij deze opties wel of niet willen gebruiken en in welke mate. Het functieveranderingsbeleid richt zich op (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing en voorziet niet in het slopen en inzetten van gebouwen vanuit (voormalige) andersoortige functies. Voor die situaties waar het functieveranderingsbeleid niet op toeziet, kunnen gemeenten wel volgens de gedachte van het functieveranderingsbeleid maatwerk mogelijk maken.
1.6 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in gegaan op het provinciale beleidskader van de provincie Gelderland. In hoofdstuk 3 wordt een korte analyse weergegeven van de landschappelijke kenmerken van de regiogemeenten en de visie op de landschappelijke inpassing voor functieveranderingen. In hoofdstuk 4 wordt weergegeven wat de algemene voorwaarden zijn voor de functieveranderingen. Hoofdstuk 5 geeft weer hoe sloopmeters worden omgezet naar inzetbare sloopmeters, wat de voorwaarden en afspraken zijn voor de sloopregistratie en hoe de registratie en het inzetten van sloopmeters werkt. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 de functieveranderingsmogelijkheden voor nieuwe woon- of werkfuncties en de voorwaarden daarbij uiteengezet. Tot slot geeft hoofdstuk 7 de overgangsregeling van het voorgaande beleid op dit geactualiseerde beleid weer.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
8
2. Beleidskader 2.1 Omgevingsvisie/-verordening provincie Gelderland In de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland geeft de provincie haar visie, ambitie en rol weer met betrekking tot de onderwerpen ‘Wonen en werken in het 'buitengebied' en de ‘Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking’ met betrekking tot functieverandering. “De Gelderse regio's kregen met het Streekplan 2005 de mogelijkheid voor een regionale invulling van het beleidskader voor functieverandering van agrarische gebouwen. Deze invulling werd door het college van Gedeputeerde Staten geaccordeerd. De provincie kiest voor een andere rol. Zij vraagt geen apart beleidskader om door de provincie vast te stellen, maar juicht toe dat hierover beleid en afspraken in regionaal verband zijn gemaakt of verder worden gemaakt. De provincie draagt graag bij aan de evaluatie van dit beleid.” Hieronder zijn de betreffende passages uit de Omgevingsvisie weergegeven, die als het nieuwe kader geldt voor het regionale beleid voor functieverandering. Paragraaf 3.1.3.2 ‘Wonen en werken in het 'buitengebied' De provincie en haar partners streven samen naar een vitaal buitengebied: met behoud van levendigheid; met een verbetering van de kwaliteit van wonen, werken en vrijetijdsbesteding; rekening houdend met grote verschuivingen door schaalvergroting in de landbouw, energietransitie en urbanisatie de komende jaren.
Provinciale ambitie en rol De provincie stelt bij initiatieven voor functieverandering dat deze de aanwezige en te ontwikkelen economie en gebiedskwaliteiten moeten versterken. Dit kunnen initiatieven zijn voor wonen en werken. Bijvoorbeeld bij functieverandering of nieuwe landgoederen. Dat betekent: initiatieven koesteren als kans; niet vooraf ontwikkelingen uitsluiten; mogelijkheden zoeken. Daarvoor dragen in eerste instantie de initiatiefnemers de verantwoordelijkheid. De provincie voert een beperkte regie op wonen en werken in het buitengebied, namelijk door: kwalitatieve proceskaders aan te geven om te komen tot locatiekeuzes; ondersteuning te bieden in de vorm van kennis, begeleiding en inspiratie; daarbij geldt voor een initiatief in het buitengebied dat het 'nieuwe rood' in het buitengebied een kwaliteitsverbetering moet zijn in het gebied.
Daarnaast geeft de provincie in haar Omgevingsvisie aan dat voor nieuw ‘rood’ in het buitengebied geldt dat afgewogen moet worden of dit qua aard en schaal passend is in het buitengebied. Ook wordt aangegeven wat onder ‘functieverandering’ wordt verstaan.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
9
Paragraaf 1.3 Rood in het buitengebied en de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik Zowel bij functieverandering naar wonen of werken als bij nieuwe landgoederen of andere functies die bijdragen aan de Groene Ontwikkelzone moet de vraag gesteld worden of de nieuwe situatie qua aard en schaal passend is. D.w.z. dat de nieuwe situatie zich geruisloos in het karakter van het betreffende buitengebied laat passen. Als de nieuwe situatie qua omvang (aantallen woningen of oppervlaktes) of qua effecten (milieuhinder, verkeersaantrekkende werking e.d.) dusdanig is dat de aard van het betreffende buitengebied qua karakter verandert, is er sprake van een grootschalige ontwikkeling. In die gevallen is een afweging op grond van de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik aan de orde.De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij grotere initiatieven voor functieverandering nagaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling die afgewogen moet worden. Steeds grotere agrarische bedrijven zullen hun functie verliezen waardoor functieverandering effect kan gaan hebben op de vitaliteit van de bestaande kernen. Voorkomen moet worden dat er zoveel woningen en bedrijven via functieverandering worden gerealiseerd dat dit op gespannen voet komt te staan met de vitaliteit van de kernen en bedrijventerreinen.
Functieveranderingen op basis van de regionale regelingen die zijn opgesteld naar aanleiding van het Streekplan 2005 zullen over het algemeen kleinschalig van aard zijn, zodat een expliciete afweging met de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik niet aan de orde is. De provincie verstaat onder functieverandering: het hergebruik van vrijkomende (agrarische) bebouwing in het buitengebied waarbij al dan niet vervangende nieuwbouw plaatsvindt, ruimtelijke kwaliteitswinst ontstaat door sloop van gebouwen, landschappelijke inpassing en eventueel aanvullende investeringen in ruimtelijke kwaliteit, de vervangende nieuwbouw in verhouding staat tot het te slopen oppervlak, de nieuwe functies qua aard en schaal passend zijn in het buitengebied. Specifiek voor functieverandering naar werken geldt dat hergebruik van vrijkomende gebouwen het uitgangspunt moet zijn. Bij vervangende nieuwbouw zal altijd de vraag beantwoord moeten worden waarom het nieuwe bedrijfspand niet op een lokaal bedrijventerrein kan worden opgericht. Relatie met woningbouwprogrammering Woningen worden gebouwd om te voorzien in een woonbehoefte. Dat geldt ook voor woningen die gebouwd worden in het kader van functieverandering of nieuwe landgoederen. Deze woningen voorzien in de behoefte aan landelijk wonen.
Dit betekent dat: alle nieuwe woningen in de Regionale woonprogrammering of Woonagenda moeten passen, er een aangetoonde (regionale) behoefte moet zijn en dat er in de binnen-regionale programmering de afspraak is dat de betreffende gemeente (een deel van) de behoefte gaat accommoderen.
Het functieveranderingsbeleid is een voortzetting van het beleid dat in 2008 is opgesteld als regionale uitwerking van de functieveranderingsregeling van het Streekplan 2005. Het betreft dan ook over het algemeen kleinschalige ontwikkelingen die qua aard en schaal passend worden bevonden in het buitengebied. De definiëring van functieverandering zoals de provincie die geeft in de Omgevingsvisie is de leidraad voor de regionale invulling van het functieveranderingsbeleid. Deze definiëring was in de voorgaande beleidsdocumenten en is in het voorliggende beleidsdocument dan ook overgenomen als basis.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
10
3. Landschappelijke kwaliteiten regio Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit van het buitengebied staat bij het beleid voor functieverandering voorop. Het slopen van de overtollige (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen is daar een goede invulling van. Het realiseren van nieuwe functies in het buitengebied, zoals een woning of een niet-agrarisch bedrijf, voegt nieuwe bebouwing toe, indien hergebruik niet mogelijk is. De meeste ontwikkelingen vinden plaats op concrete locaties in het kader van functieverandering, waarbij gebouwen een nieuwe functie krijgen, of waarbij gebouwen worden gesloopt en er nieuwbouw plaatsvindt (al dan niet op de slooplocatie of elders) ten behoeve van een nieuwe functie. Juist in zo’n situatie liggen er kansen om de kenmerkende kwaliteiten van het landschap van de regio FoodValley te versterken. Daarbij stellen we voorop dat de nieuwe functie(s) de gebiedskwaliteiten moet versterken en op een zorgvuldige wijze landschappelijk moet worden ingepast. De regio FoodValley bevat delen van twee stuwwallen – de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug – en de tussenliggende vallei, de Gelderse Vallei. Met als resultaat een landschap met veel gradiënten van hoog naar laag, van droog naar nat, doorsneden door een flink aantal beken, dat van oost naar west loopt.
Het zuidelijk deel van de regio is rivierengebied en het noordelijk deel een oude Zuiderzeepolder. Dit alles vormt een divers en afwisselend landschap. De stuwwallen zijn ontstaan in de IJstijd toen grote hoeveelheden landijs de grond opstuwden en tot de huidige hoogteverschillen in landschap hebben geleid. De beide stuwwallen zijn hooggelegen gebieden, die nu nog vooral bestaan uit bos, heide en plaatselijk enkele zandverstuivingen. Verspreid door het gebied heen liggen agrarische percelen. Het gebied van de regio FoodValley kent dan ook verschillende typen landschappen zoals; kampenlandschap, heide- en broekontginningen, esdorp- en brinkenlandschap, slagenlandschap, polderlandschap, boslandschap en beekdalen. Daarin komen zeer diverse landschappelijke kenmerken voor zoals openheid, beslotenheid, hoogteverschillen en verschillende cultuurhistorische en ecologische kwaliteiten. De kwaliteit van het landschap in de regio loopt sterk uiteen. In sommige gebieden zijn de landschappelijke kenmerken duidelijk aanwezig. In grote delen van de regio zijn de kenmerken minder sterk aanwezig. Opvallend is de sterke verstening van het buitengebied.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
11
Verschillende landschapstypen in de regio FoodValley (bron: Atlas landschapstypen, provincie Gelderland, 2016) Visie op landschappelijke inpassing In de regio wordt gestreefd naar het behoud en de versterking van de landschappelijke kwaliteiten. Het buitengebied is continu in ontwikkeling door schaalvergroting en functieverandering van agrarische bedrijven, nieuwbouw in de dorpsranden, aanleg van infrastructuur, het verbeteren van de waterhuishouding en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben hun impact op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en de verstening neemt toe. Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van onze mooie regio. De noodzaak om de herkenbaarheid en de (streek)eigenheid van het landschap onze regio te versterken wordt steeds groter. Bouwinitiatieven vormen de katalysator voor landschapsverbetering: minder planmatig, maar meer op organische wijze en met een wervend toekomstperspectief (een ‘koers’) als leidraad. De individuele initiatiefnemer realiseert eigen plannen, maar verbetert ook het landschap. Dit leidt tot verbetering van de eigen leefomgeving.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
12
Om bij de verschillende ontwikkelingen richting te kunnen geven hoe er in een bepaald landschapstype aan het landschap kan worden gebouwd zijn in de regio beeldkwaliteitsplannen opgesteld. Het gaat onder meer om het Beeldkwaliteitsplan Gelderse Vallei (2008) en het Beeldkwaliteitsplan Agrarische Enclave (2008). Verschillende gemeenten hebben deze nota’s verwerkt in eigen toetsingskaders, zoals bijvoorbeeld de nota ‘Bouwen aan het landschap op de tussenschaal (2013)’. De functie van het beeldkwaliteitsplan is om de ambities ten aanzien van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bij onder meer functieveranderingen weer te geven ( erfbeplanting, oriëntatie en plaatsing bebouwing op het erf, architectuur, materiaalgebruik e.d. ). Het is de bedoeling dat initiatiefnemers aan de hand van het beeldkwaliteitsplan hun plannen voor functieverandering verder vorm geven. Uitgangspunt is dat per geval zorgvuldig wordt gekeken naar het erf en het omliggende landschap. Bebouwing en landschappelijke aanleg vormen in het beeld van het buitengebied een onlosmakelijk geheel. De inrichting van het erf en de vormgeving van het landschap in de omgeving dragen in belangrijke mate bij aan de inpassing van de bebouwing in het landschap.
Het is daarom zaak dat bij veranderingen op een erf in het kader van functieverandering als eerste zorgvuldig wordt gekeken naar de waarden van het landschap, cultuurhistorie, natuur en architectuur. Vanuit een analyse van deze landschappelijke context moet een nieuwe situatie worden ontworpen, die goed aansluit op de specifieke kenmerken van het ter plaatse karakteristieke landschap. In bijzondere situaties kan er ook voor worden gekozen om een contrasterend element te maken in het landschap. Daarbij streeft de regio er naar dat waardevolle kenmerken behouden blijven, maar ook dat er ruimte ontstaat voor nieuwe architectonische en landschappelijke kwaliteiten.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
13
4. Algemene voorwaarden functieveranderingen Voor de toepassingsmogelijkheden voor functieverandering hebben de gemeenten in de regio een aantal meer algemene voorwaarden geformuleerd die meewegen bij de beoordeling van elke specifieke situatie. Ook de voorwaarden vanuit de Omgevingsvisie van de provincie zijn daarbij meegenomen. De algemene voorwaarden die worden gesteld voor de mogelijkheden voor functieveranderingen zijn als volgt. Ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit - Functieverandering vindt in eerste instantie plaats als hergebruik van bestaande bebouwing, indien de bestaande bebouwing ongeschikt is voor hergebruik is vervangende nieuwbouw mogelijk; - de functieverandering wordt ingepast in het omringende landschap, bijvoorbeeld door de aanleg van natuur- en landschapselementen. Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij de bestaande plannen voor natuur en landschap, zoals ook in hoofdstuk 3 is aangegeven.
De initiatiefnemer levert hiervoor een landschappelijk inrichtingsplan aan; - de functieverandering moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke en economische vitaliteit door middel van sloop van bebouwing al dan niet in combinatie met verbetering van publieke functies zoals natuurontwikkeling, bijdragen aan recreatieve routes of waterberging en dergelijke op plaatsen waar dit wenselijk is; - vanwege de ruimtelijke en/of landschappelijke kwaliteit kan het wenselijk zijn dat realisering van functieverandering naar wonen of werken niet op de slooplocatie plaatsvindt, maar op een daarvoor meer passende locatie; - er moet sprake zijn van clustering van gebouwen volgens het één-erf principe, waarbij de vorm van de nieuwe bouwvlakken is afgestemd op zowel het omringende landschap, als op de belangen van derden; - indien sprake is van vervangende nieuwbouw en verbouw, zal de gemeentelijke welstandsnota als toetsingskader gelden; - de functieverandering wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak; - functieverandering mag niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling, mocht dit zich voordoen dan is het veroorzakersbeginsel van toepassing; - opslag van materieel/materiaal buiten gebouwen is niet toegestaan, tenzij onder zeer strenge voorwaarden en met inzet van sloopmeters; - detailhandel wordt niet
toegestaan, tenzij sprake is van verkoop van zelf geteelde of geproduceerde agrarische producten en op beperkte schaal aanverwante artikelen, eventueel aangevuld met agrarische producten afkomstig van bedrijven uit de directe omgeving ;
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
14
Sloop van (voormalige) bedrijfsgebouwen - Functieverandering is van toepassing op fysiek bestaande, vrijgekomen en vrijkomende, legale (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen die zijn gelegen in het buitengebied; - een (voormalig)bedrijfsgebouw is inzetbaar het voldoet aan de eisen die gelden voor een gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; indien een gebouw in een zodanige staat verkeerd dat het door gedeeltelijke vernieuwing als bedoeld in het overgangsrecht nog in stand kan worden gehouden als gebouw, telt het nog mee als inzetbaar gebouw; - onder fysiek bestaande, vrijgekomen en vrijkomende, legale (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen worden ook verstaan bedrijfsgebouwen die onder het bouwovergangsrecht vallen, niet zijn gewraakt, waartegen handhaafbaar optreden niet realistisch is en die zijn gerealiseerd vóór de peildatum van de betreffende gemeente; - in geval van sloop van bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen geldt als peildatum voor het aanwezig zijn van deze bebouwing: 2 jaar voor de datum dat de aanvraag voor functieveranderingen wordt ingediend en waarbij geldt dat de bebouwing aantoonbaar in gebruik moet zijn geweest voor agrarische activiteiten; - alle bedrijfsbebouwing op het betreffende perceel waar functieverandering plaatsvindt dient te worden gesloopt,
tenzij het een gebouw betreft dat wordt ingezet voor hergebruik, of dat een functie krijgt conform het gemeentelijk beleid als toegestaan bijgebouw bij de woning, met uitzondering van monumentale gebouwen. Monumentale gebouwen tellen wel mee in de berekening van de sloopoppervlakte; - in beginsel dienen de sloopmogelijkheden op het betreffende perceel van de functieverandering eerst volledig te worden benut, vervolgens mag de sloopoppervlakte van meerdere locaties worden meegerekend om aan de vereiste sloopoppervlakte te komen (salderen); - de te slopen gebouwen moeten zijn gelegen binnen de buitengebieden van de deelnemende gemeenten van het functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016; - voor functieverandering in het gebied ‘Veluwe’, zie kaart met begrenzing van het gebied ‘Veluwe’, mogen in principe alleen sloopmeters worden ingezet uit ditzelfde gebied. De sloopmeters uit dit gebied mogen wel worden ingezet in het overige buitengebied; - verzekerd moet zijn dat bebouwing niet eerder is ingezet voor functieverandering; - verzekerd moet zijn dat herbouw van de gesloopte gebouwen niet mogelijk is; - bij de berekening van de sloopoppervlakte wordt de bestaande (bedrijfs-) woning inclusief de per gemeente conform het gemeentelijk beleid toegestane maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning, buiten beschouwing gelaten.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
15
Goede ruimtelijke ordening - De functieverandering of nevenactiviteit mag de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig schaden. - er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de milieusituatie, waaronder ook wordt verstaan dat de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van (niet-) agrarische bedrijven in de omgeving niet mag worden belemmerd; - bij de functieverandering moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat; - in geval van vrijgekomen gebouwen van een stoppend of reeds gestopt agrarisch bedrijf of agrarische activiteit, moet de milieuvergunning worden ingetrokken; Kaart met begrenzing van het gebied ‘Veluwe’.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
16
5. Sloopmeters en (inter)gemeentelijke sloopregistratie Bij een stoppend of gestopt agrarisch bedrijf bestaat meestal de keuze of een ruimtelijke ontwikkeling op de eigen locatie of elders plaats gaat vinden of dat de sloopmeters worden verkocht en ingezet elders. Om de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te bevorderen is het sinds 2012 mogelijk om sloopmeters uit te wisselen tussen de locaties. Dit kan eventueel ook tussen locaties van de andere deelnemende gemeenten. Om ervoor te zorgen dat sloopmeters niet twee keer worden ingezet voor ontwikkelingen en om een helder overzicht te behouden worden sloopmeters door de gemeenten geregistreerd.
5.1 Van ‘sloopmeters’ naar ‘inzetbare sloopmeters’ Voor een overzichtelijke inzet van sloopmeters is het wenselijk om uiteindelijk één soort sloopmeter te hebben, ongeacht wat de oorsprong is of waar het wordt ingezet. In het voorgaande beleid zijn sloopmeters inzetbaar op de eigen locatie, maar pas na afroming – als restmeter of vanaf een bepaalde oppervlakte - inzetbaar op een andere locatie. Daarnaast is gebleken dat de systematiek ervoor zorgde dat een verschil aanwezig was tussen de inzet van sloopmeters op de eigen locatie of elders. Dit stimuleerde in feite de inzet op de eigen locatie. Om dit te vereenvoudigen en om alle sloopmeters gelijkwaardig te maken, worden sloopmeters als eerste stap in het proces vóór gebruik of verkoop ‘omgezet’ naar een ‘inzetbare sloopmeters’. Bij hergebruik van bestaande bebouwing geldt ditzelfde. De oppervlakte van de te hergebruiken bebouwing wordt eerst berekend als ‘sloopmeters’, waarna de omzetting plaatsvindt naar ‘inzetbare sloopmeters’. Voor het omzetten van de sloopmeters naar inzetbare sloopmeters wordt een korting toegepast (voorheen was dit de afroming), afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. In de afgelopen jaren zijn steeds meer grotere locaties aan bod gekomen waar de (voormalige) agrarische bebouwing wordt gesloopt. Ook voor de toekomst wordt een voortzetting van deze trend voorzien.
Vergelijkbaar met de systematiek uit het beleid van 2008 en 2012 willen de regiogemeenten voorzien dat de grotere locaties naar rato niet evenveel nieuwe functies kunnen toevoegen dan de kleinere locaties en dat de waarde van de sloopmeters naar verhouding afneemt. Dit om de juiste balans te waarborgen tussen de agrarische functie en de overige functies. De korting op de sloopmeters zorgt ervoor dat grotere vrijkomende locaties niet evenredig veel nieuwe mogelijkheden toevoegen voor andere functies zoals de kleine vrijkomende locaties.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
17
Rekening houdend met de vereenvoudiging, trends en ontwikkelingen is een korting als volgt opgezet, waarbij een grotere beschikbaarheid van sloopmeters een relatief lagere beschikbaarheid betekent van inzetbare sloopmeters. In te zetten sloopmeters Kortingspercentage 0 – 1000m² Geen korting 1.000 – 2.000m² 25% korting >2.000m² 50% korting Voor de berekening van inzetbare sloopmeters worden de in te zetten sloopmeters in deze eerste stap door middel van wel/geen toegepaste korting omgezet. De inzetbare sloopmeters zijn vervolgens inzetbaar voor de in hoofdstuk 5 omschreven toepassingsmogelijkheden. Bijzondere situaties Gemeenten kunnen ervoor kiezen om in bepaalde gebieden binnen de gemeente waar het bereiken van milieuwinst of ruimtelijke kwaliteitswinst zwaar weegt, sloop van (voormalige) bedrijfsgebouwen te stimuleren door een hogere waarde aan de te slopen bebouwing toe te kennen, namelijk 125% van de waarde die regulier geldt. Voor de berekening van de ‘inzetbare sloopmeters’ uit dergelijke aangewezen gebieden geldt dat eerst een berekening naar 125% ‘sloopmeters’ moet worden gemaakt en vervolgens de berekening naar ‘inzetbare sloopmeters’ met toepassing van wel/ of geen korting wordt gemaakt. Deze sloopmeters kunnen in dat geval alleen worden ingezet binnen de eigen gemeentegrenzen.
Voor de inzet van (voormalige) bedrijfsbebouwing afkomstig van kassen, nertsensheds en/of andere daarmee vergelijkbare bebouwing geldt een andere sloopeis waarbij 3m² van dergelijke bebouwing gelijk staat aan 1m² ‘sloopmeter’. Voor de berekening van de ‘inzetbare sloopmeters’ geldt dat eerst een berekening naar 1/3 ‘sloopmeters’ moet worden gemaakt en vervolgens de berekening wordt gemaakt naar ‘inzetbare sloopmeters’ met toepassing van wel/of geen korting. Voor het vervolg in dit beleidsdocument geldt dat daar waar ‘sloopmeters’ worden genoemd, dit gaat om inzetbare sloopmeters. Voor de inzet van (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing afkomstig van locaties met een ‘zeer grote’ oppervlakte aan bedrijfsgebouwen kan in bijzondere situaties door gemeenten maatwerk worden toegepast.
5.2 Registratie van sloopmeters Het registreren en het vervolgens inzetten van sloopmeters door gemeenten gebeurt via een aantal stappen. Deze worden hierna omschreven. Voor een goede registratie en voor het inzetten van sloopmeters worden een aantal voorwaarden gesteld. Deze zijn als volgt. De feitelijke sloop van de geregistreerde sloopmeters moet gerealiseerd of gegarandeerd zijn; terugbouw van de sloopmeters moet planologisch zijn uitgesloten; de inzet van geregistreerde sloopmeters voor wonen en/of werken moet geborgd plaatsvinden, zodat sloopmeters niet dubbel worden ingezet; in principe hebben gemeenten geen ‘makelaarsfunctie’ voor sloopmeters.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
18
5.2.1 Werkwijze registratie van sloopmeters Stap 1. Bevestiging omvang sloopmeters en evt. omzetten naar inzetbare sloopmeters In veel gevallen is het niet direct duidelijk welke bebouwing kan worden meegeteld, bijvoorbeeld als er veel zonder vergunning gebouwde bebouwing op het perceel aanwezig is. Om die reden begint de registratie van sloopmeters met het verzoek van de initiatiefnemer om een bevestiging van de omvang van de te slopen (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Een initiatiefnemer kan hiervoor een eigen inventarisatie aanleveren. De gemeente controleert of de bebouwing op het perceel voldoet aan de eisen van inzetbaarheid en past indien van toepassing vervolgens de kortingsregeling toe voor de omzetting naar ‘inzetbare sloopmeters’. De omvang van het aantal inzetbare sloopmeters wordt per brief of email aan de initiatiefnemer bevestigd. Het gaat hier niet om de daadwerkelijke sloopregistratie. Wanneer de sloopmeters daadwerkelijk voor een plan worden ingezet, wordt het aantal sloopmeters nogmaals gecontroleerd, dit kan immers in de tussentijd gewijzigd zijn. Stap 2. Wijziging bestemming (indien nodig) In veel gevallen zal de bestemming van een voormalige agrarische bedrijf moeten worden gewijzigd, zodat de sloopmeters inzetbaar gemaakt kunnen worden. Een initiatiefnemer doet hiervoor een verzoek bij de gemeente.
Bij slooplocaties wordt doorgaans de bestemming gewijzigd in een reguliere woon- of bedrijfsbestemming. Bij de bestemmingswijziging worden naast de bouwmogelijkheden, ook de omvang van het bouwvlak of bestemmingsvlak verkleind. In gevallen waarbij de bebouwing al onder het overgangsrecht is gebracht, is een wijziging van de bestemming niet nodig. Als de sloopmeters worden ingezet voor een locatie binnen de eigen gemeente, kan de eventuele wijziging van de bestemming van de slooplocatie worden meegenomen in de bestemmingsplanprocedure die loopt voor de bouwlocatie. Stap 3. Sloop van de bebouwing De bebouwing die (later) wordt ingezet voor de functieverandering moet worden gesloopt. In veel gevallen is hiervoor een sloopmelding of -vergunning noodzakelijk. Er is een grote kans op het voorkomen van beschermde flora- en/of faunasoorten (zoals vleermuizen en vogels) in de bebouwing. Om te kunnen voldoen aan natuurwetgeving is daarom veelal ecologisch onderzoek noodzakelijk, voordat er kan worden overgegaan tot sloop. Stap 4. Daadwerkelijke registratie De daadwerkelijke registratie van sloopmeters begint met een verzoek van de initiatiefnemer aan de gemeente of registratie van de sloopmeters mogelijk is. Op dat moment wordt gecontroleerd of is voldaan aan de voorwaarden voor de inzetbaarheid ervan.
Wanneer dit het geval is, worden de sloopmeters bij de gemeente geregistreerd en ontvangt de initiatiefnemer een brief/of email met de bevestiging van de sloopregistratie en de hoeveelheid sloopmeters die elders kunnen worden ingezet.
5.2.2 Werkwijze voor het inzetten van sloopmeters Stap 1. Sloopmeters verwerven Voor het realiseren van een functieverandering gaat de initiatiefnemer van het plan zelf op zoek naar (aanvullende) sloopmeters die te koop worden aangeboden. Dit kunnen ook sloopmeters van meerdere locaties zijn. De initiatiefnemer kan bij de gemeente navragen of deze gevonden sloopmeters al in het sloopregistratiesysteem zijn opgenomen en inzetbaar zijn. De afspraken tussen koper en verkoper(s) worden privaatrechtelijk (in een overeenkomst) vastgelegd. De gemeente heeft hierin geen rol.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
19
Stap 2. Bestemmingsplanprocedure (principeverzoek) Meestal start een functieverandering met een verzoek bij de gemeente om het bestemmingsplan te herzien voor de nieuwe gewenste functie (wonen of niet-agrarische werkfunctie). De gemeente zal vervolgens voorwaarden stellen voor verdere medewerking aan het plan. Eén van de voorwaarden betreft de inzet van sloopmeters. Meestal zal bij het principeverzoek de concrete slooplocatie(s) moeten worden aangegeven. Om de afspraken tussen verkoper en koper te verifiëren wordt gevraagd om de overeenkomsten mee te zenden met het verzoek. De gemeente registreert voorlopig dat de meters van deze slooplocatie bestemd zijn voor het bouwplan. Tijdens de procedure kunnen de meters niet voor een ander plan worden ingezet. Mocht de ingezette bestemmingsplanwijziging voortijdig worden beëindigd, dan wordt deze voorlopige registratie weer ongedaan gemaakt. Stap 3. Inzetten sloopmeters Wanneer de bestemmingsplanprocedure voor het plan waarbij de sloopmeters zijn ingezet is afgerond, wordt de eigenaar van de sloopmeters geïnformeerd over de inzet van de sloopmeters en hoeveel meters er nog inzetbaar zijn. Als de locatie waarop de sloopmeters worden ingezet in een andere gemeente ligt, wordt dit gemeld aan die betreffende gemeente. De registratie van de sloopmeters is dan beëindigd, maar blijft opgeslagen in het registratiesysteem.
De sloopmeters kunnen niet meer worden ingezet voor een ander plan.
5.3 Intergemeentelijke inzet sloopmeters en registratie Het slopen van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt bevorderd door een regionale inzetbaarheid van de sloopmeters. Dit betekent dat er de mogelijkheid is om salderingslocaties te benutten die in een andere regiogemeente liggen dan de locatie waar de meters worden ingezet. De markt voor aankoop en/of verkoop van sloopmeters door marktpartijen is daarmee groter. De regiogemeenten zien graag een goed functionerende transparante markt van vraag en aanbod van sloopmeters. Dit draagt immers bij aan de doelen die met dit beleid worden beoogd. In regioverband zijn afspraken gemaakt over de registratie van sloopmeters voor een goede basis om transparant de sloopmeters te kunnen inzetten over de gemeentegrenzen heen. Voor de intergemeentelijke inzet van sloopmeters zijn de volgende afspraken gemaakt: Sloopmeters kunnen over de gemeentegrenzen heen worden ingezet, mits het gaat om ‘Gelderse’ gemeenten waar het ‘Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016’ wordt gehanteerd; iedere gemeente is zelf verantwoordelijk voor de registratie van de sloopmeters binnen de eigen gemeente, door middel van een regionaal opgezet format. In de registratie is inzichtelijk op welke locaties de sloopmeters beschikbaar zijn.
Ook is iedere deelnemende gemeente verantwoordelijk voor het borgen van de daadwerkelijke sloop van de bebouwing. Na de inzet van de sloopmeters wordt tevens bijgehouden voor welke locatie de sloopmeters zijn benut. de sloopmeters kunnen alleen intergemeentelijk worden ingezet als de daadwerkelijke sloop heeft plaatsgevonden; de registraties worden tussen de betreffende gemeenten uitgewisseld en gecontroleerd. iedere gemeente heeft daarvoor een contactpersoon, die ook bij de andere gemeenten als zodanig bekend is; de registratie wordt door de gemeente bijgehouden per adres.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
20
Het is van belang om de prijsontwikkeling van de sloopmeters, en de effecten ervan, actief te monitoren. Bij ongewenste effecten kunnen de gemeenten besluiten om bij te sturen, het beleid aan te passen of het beleid stop te zetten.
5.4 Geldigheidsduur geregistreerde sloopmeters en beëindiging beleid De geldigheidsduur voor de inzet van sloopmeters wordt bepaald door een eventuele beëindiging van het functieveranderingsbeleid. Bij het bevestigen van een registratie moet dit worden gemeld aan de eigenaar van de sloopmeters. De beëindiging van de inzetbaarheid van de sloopmeters kan echter niet samenvallen met het moment van het vervallen van het beleid. Het kan immers niet zo zijn dat iemand die zijn opstallen sloopt, en daarvoor kosten maakt, deze investering vervolgens volledig kwijt is, omdat de overheid de regeling heeft afgeschaft. In dat geval wordt een redelijke overgangsregeling geboden aan de eigenaren van sloopmeters.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
21
6. Mogelijkheden functieveranderingen 6.1 Functieverandering naar Wonen In het beleid voor functieverandering naar Wonen staat voor de regiogemeenten voorop, dat er sprake moet zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In dat kader wordt de functie ‘wonen’ gezien als een aantrekkelijke vervangende functie in geval van stoppende of gestopte agrarische bedrijven.
6.1.1 Mogelijkheden functieverandering naar wonen Voor functieverandering zal in eerste instantie het hergebruik van bestaande bedrijfsgebouwen worden onderzocht. De bebouwingskarakteristiek en de kwaliteit van vrijgekomen en vrijkomende bedrijfsgebouwen in deze regio is in veel gevallen echter zodanig, dat hergebruik vanuit bouwkundig en ruimtelijk oogpunt niet wenselijk is. De lage en kwalitatief slechte bebouwing van (voormalige) kalver-, varkens-, of pluimveestallen is vaak ongeschikt om er nieuwe woningen van te maken. In veel gevallen is het slopen van deze opstallen en nieuwbouw de enige optie. Als de bestaande bebouwing ongeschikt is voor het ombouwen naar woningen, dan is nieuwbouw van woningen mogelijk op de locatie of in de daarvoor door gemeenten aangewezen gebieden. De trend op het gebied van stoppende agrarische bedrijven is dat er naar verwachting nog een groot aantal zullen stoppen. Daarbij zal een groot potentieel aan sloopmeters in de gemeenten de komende jaren beschikbaar komen. Om de buitengebieden leefbaar en vitaal te houden zal het groeiende aantal stoppende agrarische bedrijven niet voor onbegrensde toevoeging van nieuwe woningen en/of niet-agrarische werkfuncties moeten zorgen. De agrarische functie moet ook toekomstbestendig zijn, wat vraagt om een juiste balans tussen de verschillende functies in het buitengebied.
Om in te kunnen spelen op de trend van het groter wordende aanbod van vrijkomende agrarische bebouwing is daarom een (lichte) stijging voorzien in de gevraagde compensatie voor functieverandering. Om er echter voor te zorgen dat deze stijging niet leidt tot een te grote stijging ten opzichte van de voorgaande systematiek uit het beleid van 2008 en 2012, is de compensatie voor de inhoud per m³ aangepast. Daarnaast lijkt het dat de mogelijkheid voor een woongebouw of voor twee woningen goedkoper is geworden. Echter doordat dit in de meeste situaties al sloopmeters zullen zijn waarop een korting is toegepast, is er in feite sprake van een lichte stijging van het benodigde aantal sloopmeters. Zie voor een uitwerking daarvan de bijlage met rekenvoorbeelden. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor functieverandering naar wonen lineair gemaakt. Dit betekent dat voor twee woningen, dezelfde compensatie nodig is als voor het realiseren van twee keer één woning. Dat verschil was wel aanwezig in de voorgaande systematiek. Functieverandering naar wonen is mogelijk volgens de onderstaande regeling die zowel flexibiliteit biedt als een standaard.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
22
Het systeem is opgezet volgens een basis, het ‘woningrecht’ aangevuld met compensatie van sloopmeters voor de gevraagde (standaard of flexibele) inhoud per m³ van de woning. Basisregeling Woningrecht Per 1m³ inhoud van de woning
Sloopmeters 300m² 1,5m²
Voor de gemeenten die kiezen om een standaard aan te houden voor de mogelijkheden voor functieverandering naar wonen kan deze er als volgt uitzien. Functieverandering
Basisregeling
Sloopmeters
1 woning
Woningrecht Inhoud 660m³*
300m² 990m²
Totaal sloopmeters 1.290m²
1 woongebouw
Woningrecht 2x 600m² 1.920m² Inhoud 880m³* 1.320m² *Per gemeente kan een verschillende inhoudsmaat gelden voor een woning of woongebouw. Daarbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden: Bij de voormalige agrarische bedrijfswoning wordt een bijgebouw toegestaan conform de volgens het gemeentelijke beleid toegestane maximale oppervlakte aan bijgebouw bij de woning; bij de nieuw te bouwen woning mag een bijgebouw toegestaan conform de volgens het gemeentelijk beleid toegestane maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning; het bestemmingsvlak voor de (voormalige bedrijfs-)woning en/of nieuw te bouwen woning(en) heeft een oppervlakte van maximaal 1.500m²; bij het realiseren van nieuwe woningen ter plaatse van de vrijgekomen bedrijfsbebouwing geldt een maximum van 2 woningen, tenzij de locatie op basis van een gemeentelijke gebiedsvisie/-uitwerking geschikt is bevonden voor een hoger aantal woningen; de algemene voorwaarden uit hoofdstuk 4 zijn eveneens van toepassing. Het woningrecht Het woningrecht (en het bedrijfsrecht voor functieverandering naar werken) biedt de regiogemeenten de mogelijkheid om in de toekomst in te kunnen spelen op structurele veranderingen in de markt van sloopmeters.
Het biedt de gemeenten een ‘tool’ of ‘knop’ om bij te sturen mocht dit nodig zijn (verhoging/verlaging van het aantal benodigde sloopmeters), zonder dat de systematiek als geheel moet worden aangepast. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als in de toekomst veel meer sloopmeters beschikbaar komen dan nu wordt verwacht, waardoor de waarde van sloopmeters dusdanig kan dalen dat het bouwen in het buitengebied goedkoper wordt dan in de bebouwde kom of zelfs minder tot niet rendabel. De markt van de sloopmeters zal door de regiogemeenten goed worden gemonitord. Salderen In de algemene voorwaarden van hoofdstuk 4 is aangegeven dat in beginsel eerst de sloopmogelijkheden op het betreffende perceel van de functieverandering (volledig) moeten worden benut. Vervolgens mag de sloopoppervlakte van meerdere locaties worden meegerekend om aan de vereiste sloopoppervlakte te komen (salderen).
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
23
Verplaatsing nieuwe woningen De nieuwe woning(en) kunnen ter plaatse van de vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing worden gerealiseerd. Gemeenten kunnen er voor kiezen dat het recht om een woning te bouwen verplaatst wordt naar daarvoor aangewezen gebieden, waar dit ruimtelijk aanvaardbaar is. Dit kunnen locaties zijn die in of nabij de bebouwde kom of bestaande bebouwingsclusters zijn gelegen, maar eventueel ook elders. Deze ontwikkeling is per definitie maatwerk, maar de richtlijnen van het functieveranderingsbeleid kunnen richtinggevend zijn voor de beoordeling van de plannen. Om hier nadere invulling aan te geven moeten gemeenten een gemeentelijk visie/gebiedsuitwerking opstellen. Ontwikkelingsfonds Platteland Functieverandering moet ook leiden tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Naast de landschappelijke inpassing moet daarom verevend te worden. Een deel van de verevening kan plaatsvinden door een bijdrage te leveren aan een door een gemeente in te stellen/of ingesteld Ontwikkelingsfonds Platteland/Landschapsontwikkelingsfonds. De gemeente moet de mogelijkheid voor dit fonds vastleggen in een structuurvisie, met een projectenlijst voor mogelijke initiatieven/projecten. De bijdrage die wordt gevraagd voor functieverandering naar wonen bedraagt € 10,- per m³ op te richten nieuwe woning.
De gelden van dit fonds worden gebruikt voor investeringen in de kwaliteit van het landelijk gebied.
6.1.2 Bredere inzet sloopmeters voor woonfuncties Naast de mogelijkheden voor nieuwe woningen kunnen sloopmeters ook worden ingezet als compensatie voor andere mogelijkheden bij woonfuncties. De mogelijkheden voor deze bredere inzet van sloopmeters zijn regionale afgesproken met betrekking tot de werkwijze en/of de maximale benutting. De mogelijkheden die worden aangegeven zijn een optielijst voor gemeenten. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om wel of geen gebruik te maken van deze mogelijkheden Het om de volgende mogelijkheden. 1) Grotere inhoud van de woning dan regulier is toegestaan; 2) Grotere oppervlakte aan bijgebouwen dan regulier is toegestaan; 3) Realiseren van een tweede wooneenheid binnen een woning; 4) Functieverandering van woning naar woongebouw; 5) Legaliseren dubbel bewoonde woning als woongebouw; 6) Overige mogelijkheid voor verbrede inzet van sloopmeters 1. Grotere inhoud van de woning dan regulier is toegestaan Bij woningen in het buitengebied is een maximale inhoudsmaat vastgesteld in het bestemmingsplan. Met compensatie van sloopmeters kan een grotere inhoudsmaat toe worden gestaan. Het vergroten van een woning geeft een aanzienlijk kleiner ruimtebeslag, dan wanneer met de betreffende sloopmeters een nieuwe (extra) woning mogelijk wordt gemaakt.
Als hoofdlijn voor deze vergroting hanteert de regio een maximale inhoudsmaat van 1.000m³ voor alle typen woningen. Het is aan iedere gemeente afzonderlijk voorbehouden om deze of een lagere grens aan te houden en/of daarbij onderscheid te maken naar type woning. De regeling voor het vergroten van de woning is hieronder weergegeven. In uitzonderlijke gevallen kan een gemeente een grotere inhoud van de woning toestaan. Hiervoor wordt uitgegaan van een zwaardere sloopeis. Grotere inhoud van de woning Tot en met 1.000m³
Compensatie sloopmeters Per 1m³ vergroting > 1,5m² sloopmeters
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
24
2. Grotere oppervlakte aan bijgebouwen dan regulier is toegestaan De meeste gemeenten hebben een regeling voor de vergroting van de oppervlakte aan bijgebouwen bij de woonbestemming. Dit in ruil voor de inzet van sloopmeters op het betreffende perceel, of van elders. Voor dit principe geldt eveneens dat er kwaliteitswinst moet worden geboekt; er moet meer worden gesloopt dan dat er wordt teruggebouwd. Daarbij gelden de volgende voorwaarden: Inzet van sloopmeters van elders wordt niet mogelijk gemaakt als er op het betreffende perceel voldoende opstallen staan. Eerst moeten in beginsel alle (voormalige) bedrijfsgebouwen op het eigen perceel worden gesloopt voordat saldering van locaties elders mogelijk is; vanwege de gewenste ruimtelijke kwaliteit en om zoveel mogelijk ongewenst gebruikt te voorkomen, is het uitgangspunt dat vergrote bijgebouwen een maximale gezamenlijke oppervlaktemaat mogen hebben van 400m² per woning, tenzij door gemeenten een andere maximale oppervlakte wordt gehanteerd; het is aan iedere gemeente afzonderlijk voorbehouden om aanvullende voorwaarden te stellen. De regeling voor het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen, boven de in het bestemmingsplan opgenomen standaardmaat is als volgt. Grotere oppervlakte van het bijgebouw Tot en met 400m²
Compensatie sloopmeters Per 1m² vergroting > 2m² sloopmeters
3. Realiseren van een tweede wooneenheid binnen een woning Door een tegenprestatie te vragen in de vorm van sloopmeters kan het in sommige gevallen mogelijk zijn om mee te werken aan het realiseren van een bescheiden tweede wooneenheid binnen de bestaande reguliere inhoud van de woning. Daarmee wordt in feite een ‘appartement’ gecreëerd binnen de bestaande inhoud van de woning om mogelijkheden te bieden aan situaties van bijvoorbeeld (mogelijk toekomstige) mantelzorg. In dat geval ontstaat een praktische oplossing voor bijvoorbeeld bedrijfswoningen in het buitengebied, omdat het namelijk planologisch één woning blijft. Een tweede wooneenheid binnen de woning kan mogelijk worden gemaakt door middel van een woningrecht met compensatie door sloopmeters. De regeling van het toevoegen van het woningrecht is als volgt: Tweede wooneenheid 1 Woningrecht
Compensatie sloopmeters 300m² sloopmeters
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
25
4. Functieverandering van woning naar woongebouw Naast de functieveranderingen naar een vrijstaande woning of een woongebouw kan het in voorkomende situaties ook wenselijk zijn om een bestaande woning om te vormen naar een woongebouw. Bijvoorbeeld in situaties van mogelijk toekomstige mantelzorg kan het bijvoorbeeld wenselijk zijn om mee te werken aan het realiseren van een woongebouw. In dergelijke gevallen kan door middel van compensatie van sloopmeters een omzetting naar een woongebouw worden verdiend. Deze optie is in feite alleen toepasbaar bij woonbestemmingen in het buitengebied. Ook kan het mogelijk zijn om, als de bestaande inhoud van de woning niet toereikend is, de inhoud van de woning(en) te vergroten volgens de regeling ‘grotere inhoud van de woning dan regulier is toegestaan’. De regeling die kan worden gehanteerd is die van het toevoegen van een extra ‘woningrecht’, indien gemeenten de bestaande inhoud van de woning planologisch vastleggen. Indien gemeenten uitgaan van een vaste inhoudsmaat voor een woongebouw, of voor de woning een grotere inhoud wordt gevraagd door de initiatiefnemer, dan geldt dat bovenop het woningrecht aanvullende sloopmeters worden gevraagd voor het vergroten van de inhoud. Daarnaast wordt met het realiseren van de extra woning ook een bijgebouw gerealiseerd als recht bij de woning.
Voor het recht op het bijgebouw worden eveneens sloopmeters gevraagd. De regeling voor het omzetten van een woning naar een woongebouw is als volgt; Omzetten woning naar woongebouw 1 extra Woningrecht Inhoud woning bestaand vergund tot en met inhoud woongebouw Bijgebouw bij de extra woning
Compensatie sloopmeters 300m² sloopmeters Per 1m³ vergroting > 1,5m² sloopmeters Per 1m² bijgebouw > 2m² sloopmeters
5. Legaliseren dubbel bewoonde woning als woongebouw In het verleden is wel medewerking verleend aan het geschikt maken van een woning voor inwoning, op een wijze die naar de inzichten van nu gezien zou worden als medewerking aan het realiseren van een tweede woning binnen één woning (woongebouw). Doorgaans werd wel een tussendeur geëist, maar die kan al lang zijn verdwenen. In meerdere van deze gevallen heeft ook kadastrale splitsing plaatsgevonden. Handhavend optreden is in dergelijke situaties niet redelijk. Wel wordt consequent de lijn gehanteerd hier één woning te blijven bestemmen. Het is gewenst om dergelijke situaties te doorbreken en een weg te vinden om de feitelijke situatie van het woongebouw – indien gebaseerd op eerder gemeentelijke medewerking - positief te bestemmen. De regeling die hiervoor kan worden gehanteerd is die van het toevoegen van een extra ‘woningrecht’, indien gemeenten de bestaande inhoud van de woning planologisch vastleggen. Indien gemeenten uitgaan van een vaste inhoudsmaat voor een woongebouw, of voor de woning een grotere inhoud wordt gevraagd door de initiatiefnemer, dan geldt dat bovenop het woningrecht aanvullende sloopmeters worden gevraagd voor het vergroten van de inhoud. Legaliseren woongebouw 1 Woningrecht Inhoud woning bestaand vergund tot en met maximale inhoud woongebouw
Compensatie sloopmeters 300m² sloopmeters Per 1m³ vergroting > 1,5m² sloopmeters
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
26
6. Overige mogelijkheid voor verbrede inzet sloopmeters Naast de opties/mogelijkheden die hiervoor zijn uitgewerkt kan er de wens zijn om in hier niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Die situaties zijn nu niet allemaal te voorzien. Een gemeente kan er voor kiezen om bij gebleken behoefte voor een concrete situatie of voor een bepaalde categorie van situaties een dergelijke oplossing uit te werken. Een voorbeeld van dit laatste kan zijn dat een gemeente te maken heeft met een aantal solitaire recreatiewoningen waarvan in de praktijk permanente bewoning moeilijk te weren is en die staan op een locatie waar omzetting naar een reguliere woning in de visie van die gemeente ruimtelijk aanvaardbaar is. Een gemeente kan er dan voor kiezen om hieraan mee te werken door het beleid op dit punt voor de eigen gemeente uit te werken in lijn met en volgens de systematiek van dit beleid.
Functieveranderingsbeleid Regio FoodValley 2016
27
6.2 Functieverandering naar Werken In de buitengebieden van de regiogemeenten is functieverandering van (voormalige) agrarische bedrijven naar werken een aantrekkelijke vervangende functie. Nieuwe niet-agrarische werkfuncties in het buitengebied bieden naast wonen eveneens een goed alternatief als economische drager. Het buitengebied wordt daarmee een meer multifunctioneel buitengebied dat aantrekkelijk, vitaal en leefbaar blijft.