CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

2.c Convenant-Toekomstbestendig-Bouwen-2.0-4-oktober-2024.pdf

Gemeenteraad 30 oktober 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken12.057 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Maatregelen gevolgbeperkingen overstromingen (bron: www.klimaateffectatlas.nl)

29

Voor vitale en kwetsbare voorzieningen en infrastructuur zijn aanvullende ambitieniveaus opgenomen. Voor dergelijke voorzieningen kan een overstroming meer impact hebben. Het is daarom wenselijk om hier eerder maatregelen voor te nemen en aanleg van deze functies in gebieden met grote overstromingsdiepten zo veel mogelijk te voorkomen of deze afdoende te beschermen. Wat deze maatregelen zijn, is afhankelijk van de objecten. Een belangrijke maatregel is bijvoorbeeld het hoger plaatsen van vitale elektrische installaties als verdeelkasten, transformatoren en generatoren. Droogte De hoeveelheid neerslagtekort is maatgevend voor droogte. Als gedurende het groeiseizoen (1 april tot 30 september) de referentieverdamping hoger is dan de neerslag, is er onvoldoende vocht voor optimale groei. We spreken dan van een neerslagtekort. Het neerslagtekort dat nu eens per 10 jaar voorkomt, zal in de toekomst in het hoge scenario duidelijk vaker voorkomen. In 2050 bedraagt het neerslagtekort gemiddeld 300 mm met een kans van eens in de tien jaar optreden. Momenteel is dat 225 mm (zie Kennisportaal Klimaatadaptatie). De kans op schade aan groen, verslechtering van de waterkwaliteit, verzilting of uitzakkend grondwater neemt bij dergelijke tekorten aanzienlijk toe.

Ter illustratie: in de MRA wordt in geval van droogte uitgegaan van een neerslagtekort van 300 mm, eens per 10 jaar (bron: Basisveiligheidsniveau Klimaatbestendige nieuwbouw 3.0). Hitte Uitgangspunt is dat tijdens hitte de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving biedt. Het gaat daarbij om het ontwikkelen van een aantrekkelijke leefomgeving, ook wanneer het voor een langere tijd warm is. De voorschriften richten zich op de aanwezigheid van voldoende schaduw, koele plekken (in de openbare ruimte en gebouwde plekken) en materialisering om hittestress tegen te gaan, waaronder voldoende groen. Bij hitte moet er rekening gehouden worden met de tijdelijke en beoogde situatie. Schaduw is afhankelijk van de grootte van bomen en de aanwezige bebouwing. De schaduw in het gebied verandert dus naarmate een ontwikkeling vordert. Er moet daarom ook rekening gehouden worden met de tijdelijke situatie, waarin bomen niet volgroeid zijn en/of niet alle bebouwing gerealiseerd is. Indien schaduw wordt gecreëerd met schaduwdoeken, moeten er tevens voldoende openingen aanwezig zijn, zodat warmte het gebied ook weer kan verlaten. Lange periodes van hitte kunnen tot hittestress leiden.

Om de potentiële toekomstige risico’s zo goed mogelijk in beeld te brengen, wordt in stresstesten uitgegaan van de KNMI’23 klimaatscenario’s (zie hiervoor https://www.knmi.nl/kennis-endatacentrum/achtergrond/knmi-23-klimaatscenario-s). Voor het uitvoeren van hittestresstesten dient de maatgevende dag – 1 juli 2015 – als uitgangspunt (RIVM-besluit), omdat deze dag wordt gezien als de representatieve 1 op 1000 hittedag voor de zomerperiode april tot en met september. Dit komt overeen met een kans van 1 op 5,5 jaar voor het huidige klimaat.

30

Bodemdaling Uitgangspunt is dat bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar blijven. Dat betekent dat de natuurlijke draagkracht van de bodem mede sturend is bij functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied. Met andere woorden: in hoeverre is de bebouwing en infrastructuur binnen het plangebied afgestemd op de natuurlijke draagkracht van de bodem. De bodemdaling wordt hiermee zoveel mogelijk gemitigeerd en beperkt, zodat bodemdaling nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar blijft. Hierbij is het van belang dat bebouwing en infrastructuur geconcentreerd is op de draagkrachtigste bodem, het (grond)waterpeil gelijk blijft of hoger wordt en het ontwerppeil en de bouwwijze zijn afgestemd op bodemtype en verwachte restzetting. Daarnaast dient te worden aangetoond dat over de levensduur de meest (maatschappelijk) kosteneffectieve ontwerppeilen van bebouwing, infrastructuur en groen en bijbehorende maatregelenset voor openbaar en privaat terrein is gekozen. De maatregel- en materiaalkeuze wordt afgestemd op de natuurlijke draagkracht van de bodem ter plekke om (de gevolgen van) bodemdaling zoveel mogelijk te mitigeren en te beperken.

Bij de keuze moet de gehele levensduur (bijvoorbeeld 60 jaar voor de riolering) worden betrokken, inclusief de beheerfase, zodat de kosten niet afgewenteld worden op bewoners en beheerders. De restzetting wordt berekend over een periode van 30 jaar na oplevering. Drinkwaterbedrijven hanteren het uitgangspunt van restzetting van 10 cm in 30 jaar. Parameters worden gemonitord over een periode van 10 jaar. Betrokken partijen leggen verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden vooraf vast (bron: Landelijke Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving). Drinkwater In versie 2.0 is het thema Drinkwater toegevoegd vanwege het toenemende belang, en vooruitlopend op toekomstige wetgeving. Binnen enkele jaren kan een tekort aan schoon drinkwater ontstaan. Drinkwaterbedrijven kost het in toenemende mate moeite om voldoende drinkwater te kunnen leveren, omdat voorraden uitgeput raken, met name in de droge en hete zomers. Door de bouwopgave neemt ook het aantal huishoudens en dus het gebruik in absolute zin toe. De gemiddelde Nederlander verbruikt op dit moment 128,1 liter drinkwater per persoon per dag (p.p.p.d.) (CBS, 2022). Het ministerie van I&W heeft daarom als beleidsdoel om in 2035 30 liter waterbesparing p.p.p.d. te realiseren. Bij het bereiken van het ambitieniveau 'brons' binnen de indicator zit men op het beoogde beleidsdoel.

Wat betreft de te nemen maatregelen is het aan opdrachtgever en opdrachtnemer om daarin keuzes te maken, en om af te spreken hoe de resultaten worden vastgesteld. Bij maatregelen kan gedacht worden aan het gebruik van grijswater en/of hemelwater bij toiletspoeling en wasmachinegebruik. Ook recirculatiedouches besparen drinkwater en, indien uitgerust met warmteterugwinning, tevens energie. De opstellers van het convenant zijn zich ervan bewust dat sommige van deze maatregelen extra grondstoffen vragen (bijvoorbeeld een apart grijs-/hemelwater-buizenstelsel) en daarmee de milieubelasting door grondstoffengebruik doet toenemen. Dit kan met name

31

het geval zijn als men voor een besparing van meer dan 30 liter wil gaan ('een score van zilver' of 'goud' binnen de indicator). Er is dan ook overwogen dit onderwerp bij het thema Circulariteit te voegen, maar uiteindelijk is door de partners gekozen voor het thema Klimaatadaptatie om de wateronderwerpen bijeen te houden. Doorontwikkeling klimaatadaptatie | Leertraject en het belang van (drink)water De focus op het onderwerp (drink)water zal de komende periode toenemen. Hierbij zal onderzoek gedaan worden naar mogelijke effecten van de beoogde besparingen voor onder meer de afvoer (afschot houdt rekening met bepaalde doorstroom), riolering (minder instroom is minder verdunning, dus hogere concentraties), potentie tot terugwinnen van nutriënten uit grijs- en zwartwater en infiltratie van hemelwater (neemt af als een deel wordt opgevangen en in huis gebruikt). Ook kunnen er gezondheidsrisico’s optreden bij onjuiste aansluiting van gescheiden systemen; hier dient extra aandacht voor te zijn. Per project zullen deze afwegingen gemaakt moeten worden. Uiteindelijk zal in toekomstige versies van het convenant worden toegewerkt naar een systemische benadering van alle waterstromen in en om de woning en in het gebied.

Tijdens het leertraject zal dit specifieke onderwerp – naast de overige relevante onderwerpen met betrekking tot klimaatadaptatie – dan ook een nadere verdieping en verbreding krijgen.

4.5 Thema Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Doel Natuurinclusief ontwikkelen is een vorm van toekomstbestendig bouwen waarbij zodanig gebouwd en ingericht wordt, dat een bouwwerk en de omliggende openbare ruimte bijdragen aan de lokale biodiversiteit en algemene natuurwaarden. Natuurinclusief bouwen is daarmee gericht op het behoud, verbeteren en uitbreiden van biodiversiteit in de gebouwde omgeving door het versterken en creëren van geschikte habitats voor soortencategorieën en groenblauwe structuren. Daarbij kunnen stad, buitengebied en natuurgebieden niet los van elkaar gezien worden. Het thema natuurinclusiviteit en biodiversiteit is daarom nauw verbonden met: +

Klimaatadaptatie. Een natuurinclusieve omgeving draagt bij aan het klimaatadaptieve vermogen door tegengaan van hittestress in de stad.

+

Gezonde leefomgeving. Een groene omgeving in of nabij een wijk, utiliteitsgebouw of werkplek draagt bij aan het welzijn en ‘positieve gezond’ van mensen. Mensen voelen zich gezonder, hebben aantoonbaar minder stress en komen minder vaak bij de huisarts. Niet alleen vanwege frisse lucht, maar ook door de positieve werking van natuur.

32

+

Duurzame mobiliteit en energie zorgen voor vermindering van uitstoot. Duurzame mobiliteit biedt bovendien meer ruimte voor groen en woningbouw. Deze ruimte, langs nieuwe bebouwing, kan benut worden voor een ecologisch netwerk aan ecosystemen, waardoor soorten zich in de stad kunnen verspreiden en er meer genetische uitwisseling plaatsvindt en daarmee sterkere populaties.

Regionale afspraken klimaatadaptief bouwen In de eerdergenoemde landelijke Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving, waar vele publieke en private partijen aan hebben gewerkt waaronder de MRA en de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, is ook met elkaar vastgesteld wat wordt verstaan onder klimaatadaptief bouwen gelet op natuurinclusiviteit en biodiversiteit. In het toetsingskader is dit – samen met de aanbevelingen vanuit het Rapport ‘Actieteam Natuurinclusief bouwen’ van het ‘Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA)’ en de doelstellingen conform ‘Agenda Natuurinclusief 2.0’ van het ‘Natuurinclusief Nationaal Overleg (NiNO)’ – zoveel mogelijk meegenomen en geharmoniseerd met de onderwerpen die in het convenant Toekomstbestendig Bouwen reeds waren opgenomen. De 3 onderwerpen zijn: +

Ecologische oplossingen

+

Hoogwaardige habitats

+

Groenblauwe structuren

Ecologische oplossingen Het is essentieel om aan te sluiten bij de natuurlijke processen van het bodem-, water- en ecosysteem op een ontwikkellocatie, omdat het bijdraagt aan een gezonde en toekomstbestendige gebiedsontwikkeling. Dit houdt in dat er bij een ontwerp altijd eerst gekeken moet worden naar welke natuurgebaseerde oplossingen in een gebied passen. Een bovengrondse groene oplossing heeft in principe de voorkeur boven een (ondergrondse) technische oplossing; ook wel ‘grijze’ oplossing genoemd. Door maatschappelijke prestaties en kosten in beeld te brengen, is een onderbouwde keuze mogelijk. Interessante bronnen voor concrete maatregelen en oplossingen zijn onder andere Bouwnatuurinclusief.nl en Checklist Groen Bouwen.

33

Hoogwaardige habitats Afhankelijk van de schaalgrootte van het nieuwbouwproject dient een hoogwaardige habitat te worden gecreëerd voor één of meerdere soortencategorieën; verdeeld in vijf hoofdgroepen: +

Gebouw bewonend

+

Boom bewonend

+

Aan struweel gebonden

+

Aan bloemrijk grasland gebonden

+

Aan water en oevers gebonden

De soortencategorie ‘Gebouw bewonend’ is het meest hoogwaardig en is dan ook bewust opgenomen als ambitieniveau bij brons. Voor de indeling van de schaalgrootte van de projecten wordt aangesloten bij het Programma van Eisen (Bijlage A1) van Bouwadaptief. Voor kleinschalige projecten is het ambitieniveau dat er een habitat gecreëerd wordt voor gebouw bewonende soorten, voor middelgrote projecten ook een andere soortencategorie en voor grootschalige projecten wordt er een habitat geambieerd voor tenminste 3 soortencategorieën. Footprint

Hoogte

Kleinschalig project

< 500 m2

en ≤ 5 m

Middelgroot project

< 2.000 m2

en/of 15-30 m

Grootschalig project

> 2.000 m

en/of > 30 m

2

Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden die eisen van een soortencategorie bedoeld waar men redelijkerwijs op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kan voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een soortencategorie die lokaal gerealiseerd kunnen worden, samengevat in de 5 V’s: Voedsel, Veiligheid, Voortplantingsmogelijkheden, Variatie en Verbinding. Groenblauwe structuren Groenblauwe structuren zijn in te zetten om een divers, kenmerkend en robuust ecologisch systeem te bereiken en in stand te houden (bron: Handreiking Groen in en om de Stad, Ministerie van BZK en Ministerie van LNV, mei 2024). De indicator van het percentage groen is een maatstaf voor vergroening op buurtniveau. Privaat en openbaar terrein tellen mee in het te berekenen groenoppervlak en percentage. Ook de boomkronen tellen mee in het groenoppervlak. Voor de bepaling van het boomkroonoppervlak wordt rekening gehouden met orde grootte van bomen (1e, 2e of 3e orde) en de kroonomvang van de boomsoort als deze volgroeid is.

34

Het groenoppervlak geldt zowel horizontaal als verticaal. Het gaat namelijk niet alleen over biodivers en hoogwaardig groen (inclusief boomkroonbedekking) – lees: horizontale groenoppervlak –, maar ook over gelaagdheid in vegetatie en water (inclusief boomkroonoppervlakte) – lees: verticale groenoppervlak. De indicator ‘biodivers en hoogwaardig groen (inclusief boomkroonbedekking)’ is een zogenaamde kwaliteitsindicator. De hoogte van de ambitieniveaus bij brons, zilver en goud (in %) zijn gebaseerd op het overzicht van de berekende groenpercentages per wijktype uit het bovengenoemde rapport ‘Handreiking Groen in en om de Stad’ (pagina 30). De indicator ‘gelaagdheid in vegetatie en water (inclusief boomkroonoppervlakte)’ is een zogenaamde kwantiteitsindicator. Denk hierbij aan lage vegetatie zoals bloemen en planten (tot 0,5m) en middelhoge vegetatie zoals struweel (0,5m – 2,5m). Deze tweede kwantiteitsindicator is een belangrijke aanvulling in versie 2.0, omdat juist dit ‘verticale groenoppervlak’ significant bijdraagt aan het versterken van de biodiversiteit. De hoogte van de genoemde percentages is op basis van de analyse van de Groene Stad Challenge, die vervolgens is geverifieerd door de Wetenschappelijke Raad van Advies van NL Greenlabel; met instemming van Cecil Konijnendijk (grondlegger van de 3-30-300 regel).

Doorontwikkeling natuurinclusiviteit en biodiversiteit | Leertraject In het leertraject zal het thema natuurinclusiviteit en biodiversiteit worden geëvalueerd en waar nodig en waar mogelijk worden verdiept en verbreed, als relevante input voor de nieuwe versie van het convenant. Belangrijk onderwerp is de zogenaamde gidssoorten benadering. Gidssoorten zijn specifiek gekozen diersoorten omdat hun aan- of afwezigheid inzicht geeft in de kwaliteit van het leefgebied, het type leefgebied en andere meer algemene diersoorten die daarin voorkomen. Door deze benadering kan in hoogstedelijke omgevingen meer integraal worden nagedacht over het te behalen doel, wat ook iets zegt over de ecologische functionaliteit die tot een basiskwaliteit dient te worden gebracht. Hierbij kan vervolgens een koppeling worden gemaakt met de 5 V’s (voedsel, voortplanting, veiligheid, variatie en verbinding) die in een gebied nodig zijn voor een volwaardig habitat voor een gidssoort. Dit is bijvoorbeeld gedaan in het rapport ‘Bouwstenen voor natuurinclusief bouwen en ontwerpen’ van de gemeente Utrecht. Een ander interessant onderwerp (uit de laatste feedbackronde) is een mogelijke ambitie ten aanzien van openbare verlichting, die de ecologie zo min mogelijk verstoort (door middel van bijvoorbeeld lage kleurtemperatuur en lage verlichtingssterkte).

4.7 Thema Gezonde leefomgeving Doel Het uitgangspunt van het thema gezonde leefomgeving is om gezonde woningen en gebieden te realiseren met een prettig (binnen-)klimaat, vrij van schadelijke stoffen en stimulerend voor het naleven van een gezonde leefstijl. Het thema gezonde leefomgeving is nauw verbonden met andere thema’s en onderwerpen, waaronder:

35

+

Thema Klimaatadaptatie | Onderwerp Hitte Extreme, langdurige hitte vermindert het functioneren van mensen en kan schadelijk zijn voor de gezondheid. De indicator hitte bij het thema klimaatadaptatie stelt ambities voor de hoeveelheid schaduw, het aantal koele plekken, en de binnentemperatuur.

+

Thema Circulariteit | Onderwerp Herkomst materialen Het gebruik van hernieuwbare/biobased materialen als bouwmaterialen zorgt vanwege het vochtregulerende vermogen in veel gevallen voor een gezonder binnenklimaat. De indicator voor biobased materialen bij het thema circulariteit draagt dus ook bij aan een gezonde woning.

+

Thema Natuurinclusiviteit en biodiversiteit | Onderwerpen Hoogwaardige habitats en Groenblauwe structuren Een groene omgeving in of nabij een wijk, utiliteitsgebouw of werkplek draagt bij aan het welzijn en ‘positieve gezondheid’ van mensen. Mensen voelen zich gezonder, hebben aantoonbaar minder stress en komen minder vaak bij de huisarts. Niet alleen vanwege frisse lucht, maar ook door de positieve werking van natuur.

De 5 onderwerpen zijn: +

Toxiciteit in materialen

+

Hitte in de woning

+

Geluidskwaliteit in de woning

+

Luchtkwaliteit in de woning

+

Groen om de woning

Toxiciteit in materialen Het doel is het uitsluiten van giftige stoffen en materialen binnen een project. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de ‘Banned list of Chemical C2C CertifiedTM Product Standard V3.1’. Deze lijst van verbannen chemicaliën en substanties kan gebruikt worden aan het begin van de ontwerpfase, maar ook als naslagwerk om te controleren of gekozen materialen geen giftige stoffen bevatten. Daarnaast is het mogelijk om KPI’s op te stellen aan de hand van deze lijst. Wanneer kan worden aangetoond dat giftige stoffen en materialen zijn uitgesloten, kan een Cradle to Cradle Certificaat worden verkregen. Hitte in de woning Het uitgangspunt voor het thema temperatuuroverstijging in de woning is TOjuli. Dit verwijst naar het voorkomen van een maximum temperatuuroverstijging in de woning in de maand juli, wanneer de kans op oververhitting het grootst is. Hiermee wordt het risico op oververhitting verminderd en thermische comfort in gebouwen vergroot. De TOjuli geeft aan in hoeverre een gebouw gevoelig is voor oververhitting in de maand juli. Het

36

ambitieniveau brons, zilver en goud zijn met een waarde van 1.2 gelijk aan het wettelijk minimum. De gewogen temperatuursoverschrijdingsuren (GTO) als aparte indicator om oververhitting in de woning tegen te gaan is niet opgenomen in versie 2.0. Het is een complexe en kostbare maatregel, die alleen door externe expertisebureaus kan worden uitgevoerd. Marktpartijen geven aan dit in de praktijk weinig of niet toe te passen. Om aan de TOjuli-eis te voldoen, wordt de projectontwikkelaar/bouwer geadviseerd om passieve koeling toe te passen door maatregelen te treffen die zoninstraling beperken zoals zonwering, zonwerend glas, beschaduwing en/of kleine ramen (<0,2*schiloppervlak). Geluidskwaliteit in de woning Het uitgangspunt voor het thema geluid is geluidsbelasting in de woning. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen geluid overdag en in de avond en nacht. In de avond- en nachturen worden geluiden die normaal als minder storend worden beschouwd, nu als belastend ervaren. Dit betekent dat geluiden in de avond- en nachturen meer invloed kunnen hebben op het welzijn van mensen dan overdag. Geluidsoverlast verstoort dan ook de nachtrust en zorgt voor stress. Dit kan leiden tot overlast en gezondheidsproblemen zoals slaapverstoring, angst en zelfs depressie. Om deze reden zou geluid tot een minimum beperkt moeten worden.

De hoeveelheid geluid wordt uitgedrukt in Level Day-Evening-Night (Lden), het gemiddelde in decibel (dB) per etmaal (24 uur). Deze maat houdt rekening met het tijdstip van de dag waarop het geluid zich voordoet, waarbij geluiden die zich voordoen tijdens de avond- en nachturen zwaarder wegen. Dit is bedoeld om geluidshinder te beoordelen en maatregelen te nemen om de impact ervan op de bevolking te verminderen, vooral tijdens de rustige periodes van de dag waarin mensen ontspanning zoeken. Bij nieuwbouwprojecten dient iedere woning zo min mogelijk geluidsbelasting te hebben op de gevel. Dit verschilt per woningtype. Een meer concreet ambitieniveau ontbreekt aangezien het nader onderzoek vraagt. Luchtkwaliteit in de woning (vanuit buiten en binnen) Het uitgangspunt voor het thema luchtkwaliteit binnen de woning is fijnstof (PM2,5). Een goede luchtkwaliteit in de woning is de basis voor een goede gezondheid. Hierbij kan gekeken worden naar de concentratie CO2, luchtverversing, fijnstof en meer. Het inademen van fijnstof is al in kleine concentraties schadelijk voor de gezondheid van de mens, doordat de kleine deeltjes diep in de longen terechtkomen. Dit kan bijdragen aan het ontstaan en verergeren van longziekten, hart- en vaatziekten en mogelijk ook hersenziekten. Een aanzienlijk deel (60%) van de fijnstofconcentratie is afkomstig van externe factoren buiten de woning.

Om de luchtkwaliteit in de woning te waarborgen, is een goede ventilatie van de buitenlucht van belang. Het andere deel van de fijnstofconcentratie (40%) is afkomstig uit de woning zelf. De oorzaak hiervan ligt met name bij koken, en in mindere mate bij het branden van bijvoorbeeld kaarsen. De maatregel voor het thema luchtkwaliteit binnen de woning is daarom ook gelegen bij de keukenafvoer (UrbanSync, 2023).

37

Bij nieuwbouwprojecten dient iedere woning een zo hoog mogelijke afvoercapaciteit van de kookafzuiging te hebben. Een meer concreet ambitieniveau ontbreekt aangezien het nader onderzoek vraagt. Groen om de woning Het uitgangspunt voor het onderwerp ‘Groen om de woning’ is de 3-30-300 regel. Dit verwijst naar een toekomstsituatie waarin iedereen vanuit huis, school of werk minimaal 3 bomen moet kunnen zien (zichtbaar binnen 35m), de buurt minimaal 30% bladerdek (boomkronen en middelhoge vegetatie 0.5-2.5m) moet hebben, en er een groene ruimte van minimaal 1 hectare binnen 300 meter van huis moet zijn (dat kan dus ook net buiten het plangebied zijn; vandaar de toevoeging + 300 meter bij de oppervlakte van het plangebied). De aanwezigheid en toegankelijkheid van groen heeft algemeen bekende positieve effecten op zowel de fysieke als mentale gezondheid. De 3-30-300 regel is een geïntegreerde regel en dat pleit voor samenhang. In versie 2.0 is de 3-30-300 regel als indicator dan ook zodanig aangepast dat het ambitieniveau brons op zowel de 3-regel als de 30-regel en de 300-regel moet zijn gerealiseerd. Het gaat om een minimale oppervlakte van het plangebied (in %) wat voldoet aan alle drie de regels.

De ambitieniveaus bij brons, zilver en goud zijn respectievelijk minimaal 33% van de oppervlakte van het plangebied, 66% van de oppervlakte van het plangebied en 100% van de oppervlakte van het plangebied (Wetenschappelijke Raad van Advies NL Greenlabel). Doorontwikkeling gezonde leefomgeving | Leertraject In het leertraject zal het thema gezonde leefomgeving worden geëvalueerd en waar nodig en waar mogelijk worden verdiept en verbreed. Interessant voorbeeld uit de laatste feedbackronde is een mogelijke aanscherping met betrekking tot het onderwerp Geluidskwaliteit in de woning en de verhouding tussen ‘geluidsbelasting op de gevel’ en ‘geluidscomfort in de woning’.

38

5. Bibliografie BZK, M. en LNV, M. (2024). Handreiking Groen in en om de Stad. http://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/05/31/handreiking-groen-in-enom-de-stad CBS. (2022). Nederland in cijfers 2021: Hoeveel water gebruiken we? https://longreads.cbs.nl/nederland-in-cijfers-2021/hoeveel-water-gebruiken-we/ Cirkelstad. (2024). Het Nieuwe Normaal. https://www.hetnieuwenormaal.nl CROW. (2023). Staat van de deelmobiliteit 2023. EZK, M. (2019). Klimaatakkoord. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/06/28/klimaatakkoord I&W, M. (2023). Mobiliteitsvisie 2050 Hoofdlijnennotitie. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/03/17/bijlagehoofdlijnennotitie-mobiliteitsvisie-2050 Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM). (2023). Mobiliteit en bereikbaarheid in stedelijk en ruraal Nederland. https://www.kimnet.nl/publicaties/publicaties/2023/04/03/deontwikkeling-van-de-mobiliteit-en-bereikbaarheid-in-stedelijk-en-ruraal-nederland Koninkrijksrelaties, M. (2023). Normering circulair bouwen en standaardisatie uitvraag duurzame woningbouw. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/10/04/kamerbrief-overnormering-circulair-bouwen-en-standaardisatie-uitvraag-duurzame-woningbouw Lenteakoord 2.0. (2021). Scherpere eis voor BENG 1 heeft wisselende effecten.

https://www.lente-akkoord.nl/kennisbank/scherpere-eis-voor-beng-1-heeft-wisselendeeffecten#:~:text=In%20samenwerking%20met%20de%20themagroep,het%20kan%20ook%2 0averechts%20werken. Natuurinclusief Nationaal Overleg (NiNO) (2023). Agenda Natuurinclusief 2.0. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/11/03/agenda-natuurinclusief-20 Overleg Standaarden Klimaatadaptatie (OSKA). (2023). Rapport Actieteam Natuurinclusief bouwen. https://klimaatadaptatienederland.nl/actueel/actueel/nieuws/2023/oska-puntensysteemnatuurinclusief/ Rijksoverheid. (2021). Nederland circulair in 2050. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/circulaire-economie/nederland-circulair-in-2050

39

Rijksoverheid. (2023). Schoon en Emissieloos Bouwen. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/11/27/bijlage-3-routekaartschoon-en-emissieloos-bouwen Rijksoverheid. (2023). Zero Emissie Stadslogistiek. https://www.opwegnaarzes.nl/over-zes/doel UrbanSync. (2023). Adviesrapport aanscherping thema gezonde leefomgeving.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3268/documents/68957