CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

2.c Convenant-Toekomstbestendig-Bouwen-2.0-4-oktober-2024.pdf

Gemeenteraad 30 oktober 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken12.057 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Convenant Toekomstbestendig Bouwen

Versie 2.0 4 oktober 2024

Inhoudsopgave 1.

Inleiding .......................................................................................................................................... 3

1.1.

Opzet van het convenant .......................................................................................................... 4

1.2.

Totstandkoming van het convenant ......................................................................................... 4

1.3.

Gebruik van het convenant ....................................................................................................... 4

1.4.

Evaluatie .................................................................................................................................... 5

1.5.

Leertraject ................................................................................................................................. 5

2.

Deel 1 – Overwegingen, afspraken en slotbepalingen ................................................................... 7

2.1.

Overwegingen ........................................................................................................................... 7

2.2.

Afspraken .................................................................................................................................. 8

2.3.

Slotbepalingen......................................................................................................................... 10

3.

Deel 2 – Het toetsingskader ......................................................................................................... 11

3.1.

Thema Energie......................................................................................................................... 11

3.2.

Thema Circulariteit .................................................................................................................. 12

3.3.

Thema Duurzame mobiliteit ................................................................................................... 12

3.4.

Thema Klimaatadaptatie ......................................................................................................... 14

3.5.

Thema Natuurinclusiviteit en biodiversiteit ............................................................................ 16

3.6.

Thema Gezonde leefomgeving................................................................................................ 17

4.

Bijlage 1: Het toetsingskader – Toelichting ................................................................................. 11

4.1.

Thema Energie......................................................................................................................... 18

4.2.

Thema Circulariteit .................................................................................................................. 21

4.3.

Thema Duurzame mobiliteit ................................................................................................... 24

4.4.

Thema Klimaatadaptatie ......................................................................................................... 27

4.5.

Thema Natuurinclusiviteit en biodiversiteit ............................................................................ 32

4.6.

Thema Gezonde leefomgeving................................................................................................ 35

5.

Bibliografie ................................................................................................................................... 39

2

1. Inleiding Voor u ligt versie 2.0 van het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Vertrekpunt van dit convenant is om duurzaamheidsambities makkelijker en tegen lagere kosten onderdeel te maken van de grote woningbouwopgave. Nederland staat namelijk voor een flinke bouwopgave. In de periode tot en met 2030 is de ambitie om totaal 900.000 woningen te realiseren. Dat betekent concreet: zo snel mogelijk, zo veel mogelijk woningen realiseren, maar dan wel woningen die passen bij de woonwensen van gebruikers én die ’toekomstbestendig’ zijn in termen van de grote maatschappelijke opgaven zoals klimaat, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Dit convenant brengt de belangrijkste duurzaamheidsthema’s samen. Het biedt een kader voor opdrachtgevende en opdrachtnemende partijen om de duurzaamheidsambities in de woningbouwopgave te integreren. De thema’s waar dit convenant zich op richt zijn: energie, circulariteit, duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en biodiversiteit, en gezonde leefomgeving. Uitgangspunten zijn de landelijke en Europese doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, circulariteit, natuur(herstel) en de energietransitie. Het convenant verwijst daarnaast naar andere initiatieven zoals ‘Afspraken klimaatadaptief bouwen’ en ‘Samen Versnellen: Het Nieuwe Normaal’.

Al deze initiatieven zijn net als dit convenant gericht op een samenleving die gebaseerd is op een circulaire economie in een gezonde, klimaatrobuuste en kwalitatief goede leefomgeving, waarin we zo min mogelijk fossiele energiebronnen gebruiken. Dit convenant is een initiatief dat voortkomt uit een samenwerking tussen marktpartijen, provincies, gemeenten, en diverse kennispartners. Bij het tot stand komen van het convenant zijn waterschappen en vertegenwoordigers uit bouwketens in de regio nadrukkelijk betrokken. Tijdens het afstemmingstraject werden de volgende doelstellingen en effecten onderschreven:

3

+

Duidelijkheid en een gelijk speelveld creëren richting de markt.

+

Handvatten bieden voor toekomstbestendige woningbouw.

+

Beter gebruik van het innovatievermogen van de markt.

+

Kostenvoordeel door schaalvergroting in de toepassing van oplossingen.

+

Versnelling van het proces en daarmee de woningbouw.

1.1 Opzet van het convenant Dit convenant bestaat uit twee delen: 1) de overwegingen, afspraken en slotbepalingen die de ondertekenaars onderschrijven, en 2) het toetsingskader inclusief toelichting. In het convenant zijn de afspraken, de intenties en het bijbehorend handelingsperspectief opgenomen. Om zoveel mogelijk gezamenlijk op te kunnen trekken, doet het convenant recht aan de verschillen in ambities van betrokken partijen. Die kunnen uiteenlopen van ‘het halen van de wettelijke norm is al een uitdaging’ tot aan ‘de ambities moeten zo uitdagend mogelijk zijn en de lat moet hoog liggen’. Dit convenant doet zoveel mogelijk recht aan beide behoeften, daarom introduceren we één kader waarbinnen ruimte is voor de ambitieniveaus ‘brons’, ‘zilver’ en ‘goud’. Bij brons is het ambitieniveau in bijna alle gevallen bovenwettelijk en bij zilver en goud neemt het ambitieniveau stapsgewijs toe. Deel 2 geeft het totaaloverzicht van het actuele toetsingskader met in bijlage 1 een nadere toelichting (per onderwerp wordt beschreven wat het doel is, welke indicatoren daar onderdeel van uitmaken en welke ambitieniveaus passen bij brons, zilver en goud). Het platform Toekomstbestendig Bouwen beoogt een leertraject te bieden om de toepassing van het convenant in de praktijk te ondersteunen.

1.2 Totstandkoming van het convenant Dit convenant is tot stand gekomen met de input van een brede samenstelling aan partijen. In de loop van 2021 zijn een nulmeting en haalbaarheidstoets gedaan door het organiseren van diverse bestuurlijke overleggen en interviews. Hieruit werd geconcludeerd dat er behoefte was aan een breed gedragen convenant met concretisering van meerdere actuele maatschappelijke thema's, onder de voorwaarde dat het zo goed mogelijk zou aansluiten bij de bestaande kaders en afspraken. Het benoemen van de thema's en indicatoren is in samenspraak gedaan met zowel publieke als private partijen.

1.3 Gebruik van het convenant Het staat eenieder vrij dit convenant voor eigen gebruik en naar eigen inzicht toe te passen. Het is geen eigendom van één of meerdere partijen. Wel wordt een beroep gedaan op partijen die het gebruiken om het mede te ondertekenen, gericht op aantoonbaar draagvlak. Hoe meer partijen het – zichtbaar – gebruiken hoe groter de beoogde effecten: sneller, betaalbaar en toekomstbestendige (woning)bouw. Ook wordt aan alle partijen gevraagd actief bij te dragen aan het voortdurend actualiseren en verbeteren van het convenant; zie ook onder Evaluatie.

4

1.4 Evaluatie Het Toetsingskader (Deel 2) moet zo goed mogelijk aansluiten op de actuele maatschappelijke uitdagingen én op de mogelijkheden bij marktpartijen daaraan invulling te geven. Het is een voortdurend afwegen tussen wenselijk en haalbaar. Met de snelheid van de ontwikkelingen, zowel maatschappelijk als technisch, vereist dat een regelmatige update van het kader. Hiertoe is input van alle betrokken partijen gewenst. Om die input op te halen worden onder andere thematische kennissessies georganiseerd. Deskundigen worden uitgenodigd daaraan deel te nemen. Interesse kan via de website worden gemeld. Ook los van kennissessies kan op elk moment op elk onderwerp input geleverd worden via de website. Deze wordt dan meegenomen in de kennissessies of in de jaarlijkse evaluatie. De teksten voor de nieuwe versie komen in consensus tot stand. De bijgewerkte conceptversie wordt enige tijd op de website ter inzage gepubliceerd zodat iedereen daarop nog input kan leveren. Na de inzage-periode en eventueel laatste aanpassingen wordt de definitieve versie vastgesteld door de bestuurlijke kerngroep die bestaat uit een brede vertegenwoordiging van betrokken partijen.

1.5 Leertraject Voor het realiseren van de in dit convenant beschreven ambities en het ondersteunen van betrokken partijen wordt een leertraject aangeboden dat uit een aantal onderdelen bestaat. Inspireren en leren Voor het uitwisselen van kennis en het uitdiepen van diverse thema’s op het gebied van inhoud, proces en/of monitoring zullen bijvoorbeeld inspiratie- en werksessies worden georganiseerd voor betrokken partijen. Tijdens deze sessies komen vraagstukken uit de praktijk aan bod en worden inspirerende voorbeelden gedeeld, eventueel ondersteund door externe deskundigen. Er zal worden bekeken welke ondersteuning voor deelnemende partijen gewenst is om de toepassing van het convenant tot een succes te maken. Kennis en toepasbaarheid Het leertraject zal ingaan op details van de indicatoren en de integraliteit tussen de verschillende thema’s door inzicht te geven in hoe sommige maatregelen meerdere thema’s tegelijk kunnen raken. Ook wordt opgenomen hoe om te gaan met privaat versus publiek bezit van grond, en hoe de realisatie van de ambities gemonitord kan worden. Gedeelde vraagstukken zullen worden opgepakt.

5

Monitoring Monitoren heeft als doel om te beoordelen of de in dit convenant beschreven gewenste effecten van het convenant worden behaald. De precieze invulling hiervan moet nog nader worden uitgewerkt. Resultaten van de monitoring en eventuele maatregelen zullen in de bestuurlijke kerngroep worden besproken.

6

2. Deel 1 – Overwegingen, afspraken en slotbepalingen 2.1 Overwegingen Met het ondertekenen van dit document onderschrijven de ondertekenaars de onderstaande overwegingen: +

De ondertekenaars zijn gecommitteerd aan de woningbouwopgave in Nederland.

+

De ondertekenaars streven ernaar om nieuwe woningbouwprojecten en gebiedstransformatieprojecten met sloop/nieuwbouw binnen Nederland op een toekomstbestendige manier te realiseren. Daarbij worden de kwaliteit van de leefomgeving, het milieu, en technische-, financiële- en economische- aspecten meegenomen en dit wordt zoveel mogelijk met behoud van betaalbaarheid, volume en snelheid van de woningbouwopgave gedaan.

+

De ondertekenaars hebben te maken met onder andere klimaatveranderingen en grondstoffenschaarste, en de gevolgen daarvan hebben een grote impact op de maatschappij. Ondertekenaars willen daarom toekomstbestendig bouwen en daarbij gezamenlijk optrekken om te leren en te versnellen. De ondertekenaars volgen hiermee het klimaatakkoord van Parijs, andere EU-richtlijnen, het Nederlandse klimaatakkoord, het Nederlandse grondstoffenakkoord, de besluitvorming als onderdeel van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en andere nationale en internationale afspraken waar men zich in Nederland aan heeft gebonden.

+

Door samen op te trekken creëren de ondertekenaars massa en een gelijk speelveld zodat ketenpartners kostenefficiënter kunnen investeren en innoveren op de benodigde maatregelen.

+

Door ambities op verschillende thema’s (zoals klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit) integraal te benaderen, kunnen duurzaamheidsambities effectiever en goedkoper gerealiseerd worden.

7

+

Om bij te dragen aan een uniformering op landelijk niveau en eventuele bouwsectorbrede afspraken en normen, worden de bevindingen die ontstaan binnen de context van dit convenant zoveel mogelijk gedeeld.

+

De indicatoren van het convenant zijn ambities, geen eisen; met uitzondering van de ambities bij niveau brons die gelijk zijn aan de desbetreffende wettelijke verplichting.

+

Het convenant heeft als doel om zoveel mogelijk een gelijk speelveld te organiseren door eenduidigheid te creëren in de uitvraag van gemeenten en andere opdrachtgevers, waarna wederzijdse afspraken worden gemaakt over de realisatie.

2.2 Afspraken Met het ondertekenen van dit document spreken de ondertekenaars het volgende af: +

De ondertekenaars streven naar een integrale aanpak op het gebied van de in het toetsingskader opgenomen thema’s, in relatie tot nieuwbouw.

+

De ondertekenaars nemen het ambitieniveau brons als vertrekpunt voor alle thema’s, onderwerpen en indicatoren. Partijen zijn vrij per indicator te kiezen voor een hoger ambitieniveau.

+

De ondertekenaars spannen zich in om de inhoud van het convenant te integreren en te borgen in de eigen processen en procedures, zodat het toetsingskader kan worden toegepast bij ontwerp, uitvragen, vergunningverlening en/of realisatie van nieuwbouwprojecten en gebiedsontwikkelingen.

+

De ondertekenaars hanteren de in het convenant gemaakte afspraken bij nieuwe woningbouwprojecten. Bij al lopende projecten wordt aansluiting gezocht waar dat redelijkerwijs mogelijk is.

+

De in het toetsingskader vermelde indicatoren en bijbehorende ambitieniveaus zijn een middel om de hoofddoelen per onderwerp te behalen en zo toekomstbestendig mogelijk te bouwen. Het is ondersteunend aan de visie op het te ontwikkelen gebied, ongeacht grootte, ligging of onderhandelingspositie.

8

Daarom passen de ondertekenaars het principe ‘Comply or Explain’ toe. Waar nodig en mogelijk kunnen de doelen ook op andere manieren gehaald worden. In dat geval onderbouwen de ondertekenaars nut en noodzaak van afwijkende keuzes. +

De ondertekenaars dragen bij aan instrumenten, zoals toelichtingen en voorbeelden, om de toepassing van de afspraken in het convenant voor medewerkers en betrokkenen in de bouwketen te verduidelijken.

+

De ondertekenaars trekken in een zo vroeg mogelijk stadium met betrokken partijen op bij de ontwikkeling van een gebied of gebouw, om daarmee tot optimale en kosteneffectieve oplossingen te komen.

+

De ondertekenaars gebruiken het convenant zowel bij publiek als bij privaat grondbezit.

+

De ondertekenaars passen bij ieder nieuwbouwproject en iedere gebiedstransformatie met sloop/nieuwbouw in principe alle thema’s en bijbehorende onderwerpen en indicatoren toe op minimaal prestatieniveau brons. Aanvullend wordt gestreefd naar het halen van een hoger ambitieniveau (zilver of goud) per zelf te kiezen thema of indicator.

+

De ondertekenaars zoeken actief de samenwerking op en dragen bij aan de structurele verbetering van de afspraken in het convenant en het toetsingskader via de route van evaluatie en monitoring als onderdeel van het leertraject.

+

Minimaal één keer per jaar wordt het convenant opnieuw geëvalueerd. Hierbij wordt de verbinding met marktpartijen, corporaties en landelijke programma’s gezocht. Op basis van deze afweging wordt beoordeeld of aanpassing van het convenant nodig en wenselijk is. Bij elke lancering van een nieuwe versie van het convenant committeren partijen zich aan het zo spoedig mogelijk toepassen bij nieuwe projecten.

9

2.3 Slotbepalingen +

Nakoming van de bepalingen van dit convenant is niet in rechte afdwingbaar.

+

Dit convenant wordt aangegaan voor de periode vanaf de datum van ondertekening voor minimaal 1 jaar. Per jaar wordt deze stilzwijgend verlengd.

+

Het convenant geldt voor alle nieuwbouwprojecten van deelnemende partijen met brons als minimum ambitieniveau.

+

Toetreding tot en ondertekening van het convenant staat open voor gemeenten, woningcorporaties, bouwbedrijven, waterschappen, waterbedrijven, architecten, installateurs, hoveniers, en alle andere partijen die betrokken zijn bij de woningbouwopgave en de afspraken van het convenant willen onderschrijven.

+

Elke partij kan dit convenant na het eerste jaar op ieder moment schriftelijk opzeggen. Daarbij blijft het convenant voor de overblijvende partijen in stand. Partijen zullen in dit verband over en weer niets (ook geen schadevergoeding) van elkaar te vorderen hebben.

+

Integraal onderdeel van het convenant is Deel 2 met daarin het toetsingskader (inclusief indicatoren en ambitieniveaus) en de nadere toelichting daarop.

+

Dit convenant kan worden aangehaald als het ‘Convenant Toekomstbestendig Bouwen’.

+

Partners die voorheen het convenant Duurzame Woningbouw of het convenant Toekomstbestendige Woningbouw hebben ondertekend, passen de naam waar nodig aan naar Toekomstbestendig Bouwen. Een verwijzing naar het convenant Duurzame Woningbouw of het convenant Toekomstbestendige Woningbouw betekent automatisch een verwijzing naar de nieuwere versies van het voorliggende convenant.

10

3. Deel 2 – Het toetsingskader Onderstaande tabellen geven voor de zes thema's de diverse onderwerpen en bijbehorende indicatoren weer, uitgesplitst naar de ambitieniveaus brons, zilver en goud. In geval een bijbehorende wettelijke verplichting geldt, is deze ook opgenomen in de tabel. En per indicator is aangegeven of de gestelde ambitie betrekking heeft op woning/gebouwniveau (W) en/of gebiedsniveau (G). Volgens de afspraken is bij toepassing van dit toetsingskader ambitieniveau brons het vertrekpunt voor alle thema’s, onderwerpen en indicatoren. Partijen zijn vrij om in onderlinge afspraak hogere ambitieniveaus te kiezen per indicator. Daar waar het ambitieniveau van zilver en goud gelijk is aan het ambitieniveau brons, staat vermeld ‘idem brons’. Daar waar het ambitieniveau bij zilver en/of goud aanvullend is op brons en/of zilver wordt naast de vermelding van ‘brons’ of ‘zilver’ alleen het aanvullende ambitieniveau genoemd.

3.1 Thema Energie Onderwerp

Indicator/wettelijk

Energiebehoefte (BENG 1)

• Maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling in kWh / m2 / jaar

W/G W

• BBL § 4.4.1 Energiezuinigheid (Tabel 4.148A) Primaire-fossiele energie (BENG 2)

• Maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh / m2 / jaar

• Minimaal aandeel hernieuwbare energie in %

• BBL § 4.4.1 Energiezuinigheid (Tabel 4.148A)

11

Zilver

Goud

Grondgebonden: ≤ 55 Gestapeld: ≤ 65

Grondgebonden: ≤ 52,5 Grondgebonden: ≤ 50 Gestapeld: ≤ 60 Gestapeld: ≤ 55

Grondgebonden: ≤ 55 Gestapeld: ≤ 65

W

• BBL § 4.4.1 Energiezuinigheid (Tabel 4.148A) Aandeel hernieuwbare energie (BENG 3)

Brons

Grondgebonden: ≤ 0 Gestapeld: ≤ 35

Grondgebonden: ≤ 0 Gestapeld: ≤ 17,5

Grondgebonden: ≤ 0 Gestapeld: ≤ 0

Grondgebonden: ≥ 125 Gestapeld: ≥ 80

Grondgebonden: ≥ NoM Gestapeld: ≥ 100

Grondgebonden: ≤ 30 Gestapeld: ≤ 50

W

Grondgebonden: ≥ 100 Gestapeld: ≥ 60 Grondgebonden: ≥ 50 Gestapeld: ≥ 40

3.2 Thema Circulariteit Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Milieuprestatie Gebouw (MPGscore)

• Schaduwkosten in € MKI / m2 BVO / jaar

W

Grondgebonden: ≤ 0,45 Grondgebonden: ≤ 0,40 Grondgebonden: ≤ 0,30 Gestapeld: ≤ 0,50 Gestapeld: ≤ 0,45 Gestapeld: ≤ 0,35

• BBL § 4.4.2; Artikel 4.159

Zilver

Goud

Woningbouw: ≤ 0,8

Herkomst materialen

• Massapercentage in % is hernieuwbaar, hergebruikt, gerecycled.

W

Grondgebonden: ≥ 25 Gestapeld: ≥ 20

Grondgebonden: ≥ 45 Gestapeld: ≥ 40

Grondgebonden: ≥ 55 Gestapeld: ≥ 50

Materiaalgebonden CO2-uitstoot

• In kg CO2-eq / m2 BVO (Rekenprotocol Paris Proof Embodied Carbon)

W

Grondgebonden: ≤ 200 Grondgebonden: ≤ 126 Grondgebonden: ≤ 75 Gestapeld: ≤ 220 Gestapeld: ≤ 139 Gestapeld: ≤ 83

Losmaakbaarheid

• % losmaakbaarheid (Meetmethodiek Circular Buildings 2.0)

W

Grondgebonden: ≥ 55 Gestapeld: ≥ 50

Grondgebonden: ≥ 75 Gestapeld: ≥ 70

Grondgebonden: ≥ 90 Gestapeld: ≥ 85

Aanvullende indicatoren (HNN)

• Materiaalgebonden CO2-opslag • Adaptief vermogen • Hergebruikpotentie • Gezonde materialen • Omgang restmaterialen bouw

W

Geen aanvullende indicator wordt meegenomen.

Op materiaalgebonden CO2-opslag wordt gerapporteerd.

Zilver. En minimaal 1 aanvullende indicator wordt meegenomen.

3.3 Thema Duurzame mobiliteit Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Zilver

Goud

Lopen en fietsen

• Nabijheid essentiële voorzieningen per fiets en/of te voet • Tijdsduur bereikbaarheid

G

De meest essentiële voorzieningen die dagelijks nodig zijn (waaronder zorg, supermarkten, onderwijs en OV), zijn binnen 15 minuten te bereiken per fiets vanuit het plangebied.

Alle essentiële voorzieningen die dagelijks nodig zijn (waaronder zorg, supermarkten, onderwijs, OV en sport), zijn binnen 15 minuten te bereiken te voet of per fiets vanuit het plangebied.

Alle essentiële voorzieningen die dagelijks nodig zijn (waaronder zorg, supermarkten, onderwijs, OV en sport), zijn binnen 10 minuten te bereiken te voet of per fiets vanuit het plangebied.

• Loop- en fietsroutes • Type verkeersdeelnemer

G

Er zijn toegankelijke, aantrekkelijke, logische, vindbare en veilige loop- en fietsroutes van en naar scholen, OV-haltes, winkels en - indien van toepassing parkeervoorzieningen op afstand.

Brons. En fietsers hebben prioriteit in het plangebied.

Zilver. En wandelaars hebben prioriteit in het plangebied.

• Vloeroppervlakte stallingsruimte • Type gebruiker • Aantal laadpunten

W

Woongebouwen hebben in de stallingsruimte voldoende fietsparkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers; met een vloeroppervlakte van minimaal 5 m2.

Brons. En voldoende laadpunten voor bewoners.

Zilver. En voldoende laadpunten voor bezoekers.

• BBL § 4.5.5; artikel 4.172

12

Idem brons

(vervolg Duurzame mobiliteit)

Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Zilver

Goud

Openbaar vervoer en deelmobiliteit

• Aanwezigheid • Aantrekkelijkheid

G

Openbaar vervoer en deelmobiliteit zijn in het plangebied aanwezig.

Openbaar vervoer en deelmobiliteit vormen een aantrekkelijk alternatief voor de eigen auto.

Openbaar vervoer en deelmobiliteit maken het bezit van eigen vervoersmiddelen overbodig.

• Aantal OV-haltes met stallingsruimte • Type vervoermiddel • Aantal laadpunten

G

Er zijn OV-haltes in het plangebied op loop- of fietsafstand met stallingsruimte voor (deel)fietsen en reisinformatie.

Brons. En stallingsruimte voor overige deelmobiliteit.

Zilver. En met bijbehorende laadpunten.

• Dekkingsgraad passend en betaalbaar aanbod van deelmobiliteitsconcepten (in de vorm van een hub op centrale plekken in het plangebied) (in % bewoners)

G

≥ 25

≥ 40

≥ 50. En deelmobiliteit is de aantrekkelijkste vervoersoptie na lopen en fietsen.

• Verlaging parkeernorm in relatie tot afstand tot OVknooppunt; als aanknopingspunt voor het vaststellen van een passende verlaging (in %)

G

≤ 90

≤ 75

≤ 60

• Bereikbaarheid • Beschikbaarheid parkeerruimtes • Inzetbaarheid parkeerruimtes

G

Het plangebied is bereikbaar voor bestemmingsverkeer en voor de auto is beperkt parkeerruimte in de openbare ruimte.

Zilver. En in verhouding is meer parkeerruimte beschikbaar voor zeroemissie auto's.

• Toekomstbestendige publieke laadinfrastructuur • Type gebruiker • Bijdrage aan energiesysteem

G

• Beschikbaarheid openbare laadpalen

G

Het meegroeien van de publieke laadinfrastructuur voor ook gebruikers anders dan de bewoners wordt voorzien bij de ontwikkeling. Inwoners zonder eigen parkeerplaats kunnen een openbare laadpaal aanvragen.

Brons. En parkeerruimtes in de openbare ruimte worden zoveel mogelijk ingezet voor dubbelgebruik met andere functies (zoals evenementen). Brons. En extra laadlocaties worden ingericht voor gebruikers anders dan de bewoners.

Idem brons

Idem brons

• Aanwezigheid laadinfrastructuur voor nieuwbouwwoning

W

Iedere nieuwbouwwoning met een oprit heeft loze leidingen voor het aanleggen van een laadpunt.

Idem brons

Idem brons

• Aanwezigheid laadinfrastructuur voor woongebouw

W

Een woongebouw met een parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan 10 parkeervakken, heeft leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak. Idem brons

Idem brons

Idem brons

Automobiliteit

• BBL § 4.4.3; artikel 4.160b

13

Zilver. En de publieke laadinfrastructuur draagt positief bij aan het energiesysteem van het plangebied.

3.4 Thema Klimaatadaptatie Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Zilver

Goud

Wateroverlast

• Schade door neerslag

G

In het plangebied treedt geen schade op bij een bui die 1 x per 100 jaar voor kan komen. Vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen blijven beschikbaar en bereikbaar bij een bui die 1 x per 250 jaar voor kan komen.

Idem brons

Idem brons

• Waterberging privaatterrein

W

Een groot deel van de neerslag (50 mm) op privaat terrein wordt geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen in voorzieningen op privaat terrein.

Idem brons

Idem brons

• Waterneutraal

W en G

De ontwikkeling gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en hergebruikt in het plangebied.

Idem brons

Idem brons

• Natuurlijke afwatering

G

Het regenwater kan bovengronds zijn weg vinden naar een watergang of laagte in het plangebied waar het tijdelijk geborgen kan worden. Dit om overlast te voorkomen bij een bui die 1 x per 100 jaar voor kan komen.

Idem brons

Idem brons

• Risico-afweging bepaalt relevantie indicatoren

W en G

Een risico-afweging van de plaatselijke overstromingskans, evacuatietijd en optredende waterdiepte op maaiveld bepaalt of een of meerdere van de volgende indicatoren van toepassing zijn of dat het risico wordt geaccepteerd.

Idem brons

Idem brons

• Schade voorkomen

W en G

Schade voorkomen (waterdiepte <0,2 meter): bij overstromingen mag er geen schade optreden aan gebouwen en elektrische installaties in de openbare ruimte en blijven hoofdwegen begaanbaar.

Idem brons

Idem brons

• Schade beperken

W en G

Schade beperken (waterdiepte <0,50 meter): er dienen maatregelen genomen te worden om schade te beperken in geval van een overstroming, mits deze doelmatig zijn.

Idem brons

Idem brons

• Vitale en kwetsbare functies beschermen

W en G

Beschermen vitale functies (waterdiepte <2,0 meter): bij overstromingen zijn vitale functies beschermd en blijven functioneren, mits de maatregelen hiervoor doelmatig zijn gezien het regionaal of nationaal belang.

Idem brons

Idem brons

• Schuilen en evacueren

W en G

Schuilen en evacueren (waterdiepte >2,0 meter): Er moeten maatregelen getroffen worden om te evacueren in het geval van een overstroming en als de evacuatietijd te kort is, om veilig te schuilen.

Idem brons

Idem brons

• (Natuurlijk) watersysteem

G

De grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid zijn sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied.

Idem brons

Idem brons

• Infiltratieneutraal en -positief

W en G

De inrichting van het plangebied is infiltratieneutraal bij uitbreidingslocaties en infiltratiepositief bij herontwikkeling (minimaal 50 % van de jaarneerslagsom, afhankelijk van bodemtype).

Idem brons

Idem brons

• Drinkwater, regenwater en waterkwaliteit

G

De inrichting van het plangebied wordt zodanig ontworpen dat geen drinkwater nodig is voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte, en wordt ingezet op regenwaterbenutting en verbetering van de waterkwaliteit.

Idem brons

Idem brons

• Vitale en kwetsbare functies

W en G

Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte.

Idem brons

Idem brons

Overstromingsrisico

Droogte

14

(vervolg Klimaatadaptatie)

Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Zilver

Goud

Hitte

• Schaduw

G

≥ 40% schaduw in het plangebied voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst en ≥ 30 % schaduw op buurtniveau (tijdens de hoogste zonnestand op 21 juni).

Idem brons

Idem brons

• Koele plekken

G

Koele, schaduwrijke verblijfsplekken zijn op loopafstand (≤ 300 meter) aanwezig en openbaar toegankelijk.

Idem brons

Idem brons

• Horizontale en verticale oppervlakten

G

≥ 40% van alle horizontale en verticale oppervlakten wordt warmtewerend of verkoelend ingericht, mits dit geen negatief heeft op de gevoelstemperatuur op verblijfsplekken en langzame verkeersroutes.

Idem brons

Idem brons

• Binnentemperatuur

W

De koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimte in de directe omgeving.

Idem brons

Idem brons

• Vitale en kwetsbare functies

W en G

Vitale en kwetsbare functies en groenvoorzieningen in de openbare ruimte moeten bestand zijn tegen de hitte.

Idem brons

Idem brons

• (Natuurlijk) bodemsysteem

G

De natuurlijke draagkracht van de bodem is mede sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied.

Idem brons

Idem brons

• Schade beheersbaar

W en G

Schade door bodemdaling blijft beheersbaar door gebiedsspecifieke keuze van díe restzettingseis waarvoor de maatregelenset over de ontwerplevensduur het meest kosteneffectief is.

Idem brons

Idem brons

• Aantal liter per persoon per dag (in L)

W

≤ 100

≤ 70

≤ 50

Bodemdaling

Drinkwater

15

3.5 Thema Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Zilver

Goud

Ecologische oplossingen

• Ecologische oplossingen en oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen

G

Ecologische oplossingen en oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen hebben altijd de voorkeur boven technische oplossingen.

Idem brons

Idem brons

Hoogwaardige habitats

Het plangebied creëert, afhankelijk van de grootte, een hoogwaardige habitat voor één of meerdere soortencategorieën; verdeeld in vijf hoofdgroepen: • Gebouw bewonend • Boom bewonend • Aan struweel gebonden • Aan bloemrijk grasland gebonden • Aan water en oevers gebonden

W en G

Kleinschalig project: Hoogwaardige habitat voor tenminste gebouw bewonende soorten.

Brons. En een hoogwaardige habitat voor 1 andere soortencategorie.

Zilver. En een hoogwaardige habitat voor 1 andere soortencategorie.

Middelgroot project: Hoogwaardige habitat voor tenminste gebouw bewonende soorten en 1 andere soortencategorie.

Brons. En een hoogwaardige habitat voor 1 andere soortencategorie.

Zilver. En een hoogwaardige habitat voor 1 andere soortencategorie.

Grootschalig project: Hoogwaardige habitat voor tenminste gebouw bewonende soorten en 2 andere soortencategorieën.

Brons. En een hoogwaardige habitat voor 1 andere soortencategorie.

Zilver. En een hoogwaardige habitat voor 1 andere soortencategorie.

W en G

≥ 30

≥ 37,5

≥ 45

G

≥ 15% middelhoge vegetatie (0,5m-2,5m)

Brons. En ≥ 20% lage vegetatie (tot 0,5m) en ≥ 30% boomkroonoppervlak

Zilver. En ≥ 10% water

Groenblauwe structuren

16

Inrichting horizontale en verticale oppervlak in samenhang met groenblauwe structuren in plangebied: • biodivers en hoogwaardig groen op buurtniveau; inclusief boomkroonbedekking (in %) • gelaagdheid vegetatie en water; inclusief boomkroonoppervlak (in %)

3.6 Thema Gezonde leefomgeving Onderwerp

Indicator/wettelijk

W/G

Brons

Zilver

Goud

Toxiciteit in materialen

• Toegepaste materialen is vrij van giftige stoffen (in %)

W

≥ 90

≥ 95

100

Hitte in de woning

• Voorkomen temperatuuroverschrijding (TOjuli)

W

≤ 1,2

Idem brons

Idem brons

Idem brons

Idem brons

• BBL § 4.4.1 Energiezuinigheid; Artikel 4.149b

Geluidskwaliteit in de woning

• Geluidsbelasting op de gevel (in Lden)

Idem brons

W

• Wet geluidhinder; artikel 83 lid 5

Luchtkwaliteit in de woning

Groen om de woning

17

Iedere woning heeft een geluidsbelasting op de gevel van zo min mogelijk hoeveelheid geluid gemiddeld per etmaal. ≤ 70 dB Lden

• Jaargemiddelde PM2,5 (fijnstof) concentratie in de woning (in microgram / m3)

W

In iedere woning is de jaargemiddelde PM2,5 concentratie zo laag mogelijk.

Idem brons

Idem brons

• Afvoercapaciteit van de kookafzuiging (in m3/uur)

W

In iedere woning is de afvoercapaciteit van de kookafzuiging zo hoog mogelijk.

Idem brons

Idem brons

• Oppervlakte van het plangebied (+300m m.b.t. de 300-regel) voldoet aan de 3-30-300 regel (in %)

W en G

≥ 33

≥ 66

100

4. Bijlage 1: Het toetsingskader – Toelichting In deze bijlage worden de indicatoren nader toegelicht. De doelen en indicatoren van het convenant zijn zo gekozen dat bestaande meetmethoden, normeringen en andere instrumenten goed bruikbaar blijven, zodat plannen hieraan kunnen worden getoetst in ontwerp en realisatie. Voor eenduidigheid en herkenbaarheid zijn alleen indicatoren opgenomen die voldoen aan de volgende criteria: +

Alle indicatoren zijn herleidbaar tot wet- en regelgeving, bestaande convenanten of andere afsprakenkaders, en/of best-practices.

+

Alle indicatoren zijn inhoudelijk getoetst door experts op juistheid en ambitieniveau.

+

Alle indicatoren zijn op haalbaarheid getoetst door de markt/overheden (ambitieniveau brons).

+

Alle indicatoren zijn getoetst op praktische uitvoerbaarheid door uitvoerende partijen.

+

Alle indicatoren kunnen indien nodig via de jaarlijkse evaluatie worden aangepast naar voortschrijdend inzicht.

Voor een aantal van de indicatoren bestaan wettelijke eisen. Dit convenant stelt op alle indicatoren een ambitie, uitgedrukt in brons, zilver en goud. De indicatoren en ambitieniveaus dienen als een instrument om de gewenste ambitie per nieuwbouwproject door de opdrachtgever zelf te kunnen opstellen en toetsen. Het is daarom geen certificeringsproduct, anders dan bijvoorbeeld GPR Gebouw en BREEAM-NL waar externe experts en assessoren de duurzaamheidsprestaties van ontwerp en realisatie onafhankelijk vaststellen.

4.1 Thema Energie Doel Het uitgangspunt voor het thema energie is de Klimaatwet. Op basis van de wet ‘Implementatie Europese klimaatwet’ zijn de reductiedoelen voor emissies van broeikasgassen in de Nederlandse Klimaatwet in overeenstemming gebracht met die in de

18

Europese Klimaatwet (Staatsblad 2023, 271). Het doel is om in 2030 een CO2-reductie te hebben bereikt van 55% t.o.v. 1990. En in 2050 moet Nederland klimaatneutraal zijn. De Trias Energetica-normen Op het gebied van energie is wettelijk relatief veel vastgelegd. De drie wettelijke normen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn gebaseerd op de principes van Trias Energetica: beperk eerst de energiebehoefte, maak daarna maximaal gebruik van hernieuwbare energie en gebruik fossiele energie zo efficiënt mogelijk. De drie normen zijn: +

De maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (BENG 1);

+

Het maximale primair fossiel energiegebruik in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (BENG 2);

+

Het minimale aandeel hernieuwbare energie in percentage van eigen energieverbruik (BENG 3).

De bovenstaande indicatoren houden rekening met het gebouwgebonden energieverbruik per m2 (BENG 1 en BENG 2) en in % (BENG 3). Hierbij wordt vervolgens onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en gestapeld. Het aantal bouwlagen bij gestapeld heeft invloed op het behalen van het ambitieniveau bij brons, zilver en goud. Net als bij de BENG-norm zelf is bij het betreffende ambitieniveau geen nader onderscheid gemaakt tussen het aantal bouwlagen. Risico is namelijk dat het betreffende aantal bouwlagen als een doel op zich wordt gebruikt. Het doel is om een zo groot mogelijk aandeel hernieuwbare energie te realiseren door innovatieve oplossingen toe te passen, zoals bijvoorbeeld PV-panelen op gevels en in ramen (naast PV-panelen op daken). Er geldt een aparte eis voor de buitenkant van een gebouw, de zogenoemde schil, om de energiebehoefte te beperken. Ook moet de energievraag van een gebouw zo veel mogelijk uit hernieuwbare energie bestaan. En tenslotte moet de resterende energiebehoefte zo efficiënt mogelijk worden opgewekt. Naast deze wettelijke normen is er wettelijk een grenswaarde vastgesteld voor de temperatuur-overschrijding in de woning (TOjuli). Dit is als indicator opgenomen bij het thema ‘Gezonde Leefomgeving’.

Aanscherpen van de normen bij BENG 1 Vanuit de Trias Energetica-gedachte is het terugbrengen van de energiebehoefte de eerste stap in het verduurzamen van een woning. In de praktijk pakt het sterk aanscherpen van de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling echter niet uit zoals we zouden verwachten, namelijk een lagere energievraag. Zowel uit onderzoek (Lenteakkoord, 2021) als uit ervaringen in de praktijk blijkt dat het sterk aanscherpen van de wettelijke norm bij BENG 1 een averechts effect heeft. Bij het aanscherpen van de wettelijke norm zonder rekening te houden met duurzame koeling, kiezen bouwpartijen (om te kunnen voldoen

19

aan de TOjuli grenswaarde) vaak voor actieve koeling met een luchtwarmtepomp. Deze installatie verhoogt echter het energieverbruik. Dat geldt – helaas - nog steeds voor de TOjuli-vrijstelling (wijziging per 1 juli 2024) waarbij het aanbod van ‘actieve koeling’ een minimale randvoorwaarde is. Beter is om vooral passieve koeling toe te passen om daarmee te kunnen voldoen aan de TOjuli grenswaarde. Dit kan door maatregelen te treffen die de zoninstraling beperken, zoals oriëntatie, zonwering, zonwerend glas, beschaduwing en/of kleine ramen (<0,2*schiloppervlak). Om vervolgens te kunnen voldoen aan de andere twee wettelijke normen, worden vaak extra zonnepanelen geplaatst. Dit resulteert onderaan de streep echter in een hogere CO2uitstoot bij de realisatie van de woning. Om deze redenen is de norm voor maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling voor versie 2.0 alleen op ambitieniveau zilver (-5%) en goud (-10%) aangepast. Aanscherpen van de normen bij BENG 2 en BENG 3 Het primaire fossiele energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie zijn sterk met elkaar verbonden. Bij een woning met een hoog percentage duurzaam opgewekte energie wordt direct minder gebruikgemaakt van energie uit fossiele bronnen.

Echter gaat de ene wettelijke norm uit van een hoeveelheid kWh fossiele energie (BENG 2) en de andere wettelijke norm uit van een aandeel % hernieuwbare energie (BENG 3). Het aandeel hernieuwbaar kan in sommige gevallen hetzelfde blijven, maar de energievraag kan wel naar beneden door bijvoorbeeld betere isolatie, of zuinigere installaties zonder direct PV-panelen toe te voegen. Hierdoor zorgen we voor een extra prikkel om niet alleen het aandeel hernieuwbare energie te vergroten, maar ook het verbruik in de woning naar beneden te brengen. Doorontwikkeling energie | Leertraject en landelijke ontwikkelingen Bij gebiedsontwikkeling en nieuwbouwprojecten gaat het om het ontwerpen van een geïntegreerd energiesysteem op wijkniveau, waarbij het energieverbruik (op basis van de BENG-normen) en het beschikbare energie-aanbod (op basis van duurzame bronnen) optimaal in balans worden gebracht door middel van slimme energiebeheersystemen. Dit is van groot belang om niet alleen de CO2-uitstoot te verminderen, maar ook om het probleem van toenemende netcongestie zo goed mogelijk op te lossen.

Onderwerpen zoals collectieve warmtesystemen, elektriciteitsnetwerken, lokale opslagsystemen (zoals bijvoorbeeld een buurtbatterij), multi-directionele beheersystemen en de samenhang met andere thema’s waaronder duurzame mobiliteit en publieke laadinfrastructuur zijn belangrijke onderwerpen die zullen worden meegenomen in het leertraject. Dat geldt ook voor het onderwerp ‘differentiatie ambitieniveau gelet op aantal bouwlagen bij gestapeld’. Deze onderwerpen zullen waar mogelijk en waar nodig een plek krijgen in de volgende versie van het convenant.

20

4.2 Thema Circulariteit Doel De Rijksoverheid heeft zich ten doel gesteld dat Nederland in 2050 volledig circulair is. Dit houdt in dat er geen nieuwe, primaire abiotische grondstoffen aan de economie worden toegevoegd, wel biotische (van natuurlijke oorsprong). Met andere woorden: alle grondstoffen die dan aanwezig zijn moeten ‘oneindig’ worden hergebruikt en er kunnen alleen nog nieuwe biobased grondstoffen worden toegevoegd. Een nationaal tussendoel is 50% minder primaire abiotische grondstoffen gebruiken in 2030 (Rijksoverheid, Nederland circulair in 2050, 2021). Aangezien de winning en verwerking van grondstoffen tot veel CO2-uitstoot leidt (ca. 40% van de totale mondiale uitstoot), leidt een circulaire economie tot CO2-reductie. Het Nieuwe Normaal Verschillende (rijks)overheden en bouwbedrijven hebben samengewerkt aan ‘Het Nieuwe Normaal’ om te komen tot een gezamenlijke taal en ‘norm’ voor de gebouwde omgeving gebaseerd op feitelijke prestaties (Cirkelstad, Het Nieuwe Normaal). Voor de indicatoren in dit convenant is Het Nieuwe Normaal de meest relevante bron. Actualisaties van Het Nieuwe Normaal worden meegenomen bij evaluaties en aanpassingen van het convenant. Om maximaal te harmoniseren met Het Nieuwe Normaal (HNN) is ervoor gekozen om de indicatoren zowel in naam, als in niveauwaarde, bij niveau brons gelijk te trekken met die van HNN Gebouw 1.0: Nieuwbouw.

De eerste vier indicatoren zijn gelijk aan de zogenaamde ‘Standaard’-indicatoren van HNN Gebouw 1.0: Nieuwbouw. Bij deze ‘Standaard’-indicatoren is een prestatieniveau vastgesteld waarbij de meet- of bepalingsmethode duidelijk en breed geaccepteerd is en voldoende data uit de praktijk beschikbaar is. Daarnaast is er een vijfde indicator voor circulariteit toegevoegd; namelijk ‘Aanvullende indicatoren (HNN)’. Dit zijn relevante indicatoren die nog onvoldoende breed geaccepteerd zijn en waarbij nog niet voldoende data uit de praktijk beschikbaar is. Hierbij staat rapporteren, leren en vertrouwd raken met de betreffende indicatoren centraal. De 5 onderwerpen zijn: +

Milieuprestatie Gebouw (MPG-score)

+

Herkomst materialen

+

Materiaalgebonden CO2-uitstoot

+

Losmaakbaarheid

+

Aanvullende indicatoren (HNN)

Milieuprestatie Gebouw (MPG-score) De Milieuprestatie Gebouw (MPG-score) is een indicator van de milieu-impact van de materialen in een gebouw. Per materiaal is deze impact gevat in een Milieu Kosten Indicator

21

(MKI). De MKI’s van materialen kan je vinden in de Nationale Milieudatabase. De milieubelasting op gebouwniveau bestaat uit een optelling van de MKI’s van alle in het gebouw toegepaste materialen. Door de totaal MKI vervolgens te delen door de bruto vloeroppervlakte (in m2) en de levensduur van het gebouw (in jaren), kom je tot een MPGscore uitgedrukt in € MKI / m2 BVO / jaar. Een MPG-score is verplicht bij een omgevingsvergunning. Per 1 juli 2021 geldt een landelijke grenswaarde van maximaal 0,80 voor nieuwe woningen. Deze wordt naar verwachting per 1 juli 2025 aangescherpt en gaat voor woningen van 0,8 naar 1,0. Dat lijkt een versoepeling, maar is in werkelijkheid een aanzienlijke aanscherping. Dat komt door herzieningen in de onderliggende bepalingsmethode. Bij gebruik van de huidige bepalingsmethode zou de MPG-score voor woningen aangescherpt worden van 0,8 naar 0,5. Bij gebruik van de herziene bepalingsmethode nemen echter de MKI-waardes en de MPG gemiddeld een factor 2 toe. Dat komt allereerst door wijzigingen in de weegset van de milieueffect-categorieën waarin het CO2-deel ongeveer 50% zwaarder gaat wegen. Tegelijkertijd neemt echter ook het aantal milieueffectcategorieën sterk toe: van 11 naar 19. Ook dat leidt tot nieuwe, hogere waarden. Het convenant (versie 2.0) is op deze aanscherping niet aangepast.

Herkomst materialen De indicator Herkomst materialen draagt bij aan een lagere milieu-impact door de inzet van materialen met een circulaire oorsprong. De herkomst van materialen is uitgedrukt in een massapercentage, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen: +

Nieuw: materiaal geproduceerd uit primaire grondstoffen.

+

Hergebruikt: materiaal dat deel uitmaakt van een samengesteld(e) bouwcomponent, -product of -element dat als geheel opnieuw wordt gebruikt voor dezelfde functie na een eerdere toepassing.

+

Gerecycled: materiaal dat na gebruik een recyclingproces heeft ondergaan en opnieuw wordt toegepast in een bouwcomponent, -product of -element.

+

Hernieuwbaar: materiaal afkomstig van levende organismen dat op een menselijke tijdschaal wordt geteeld, natuurlijk wordt aangevuld of natuurlijk wordt gereinigd.

De indicator Herkomst materialen is de som van het percentage Hergebruikt, Gerecycled en Hernieuwbaar. De herkomst van materialen wordt inzichtelijk gemaakt in een levenscyclusanalyse (LCA). Ook komt deze terug in onder meer de Material Circularity Indicator (MCI) van de EllenMacArthur Foundation. Platform CB ’23 definieert de biologische cyclus door indicatoren toe te voegen over hernieuwbaar materiaal. HNN sluit zich aan bij deze definitie vanuit CB’23 (leidraad Meten van Circulariteit). Daarbij wordt het percentage uitgedrukt in massa (kg).

22

Materiaalgebonden CO2-uitstoot Bij materiaalgebonden CO2-uitstoot ligt de focus op het eerste deel van de levenscyclus: de productie- en bouwfase. Daarmee ontstaat inzicht in de CO2-uitstoot, van grondstofwinning tot en met realisatie. Deze materiaalgebonden CO2-uitstoot in de productie- en bouwfase wordt ook de embodied carbon genoemd. Dit is onderdeel van de totale milieuprestatie van een gebouw. In de verduurzaming van de bouw wordt steeds sterker gestuurd op de inperking van de CO2-uitstoot op de korte termijn. Dit helpt de opwarming van de aarde te remmen. In lijn met het Klimaatakkoord van Parijs zien we de CO2-budgetten richting 2030 jaarlijks verder teruglopen om zo onder de grens van 1,5-graad opwarming te kunnen blijven. Voor opdrachtgevers, bouwers en ontwikkelaars is de CO2-uitstoot van de productiefase (van bouwmaterialen) en de realisatiefase (van gebouwen) het meest eenvoudig te beïnvloeden. De CO2-uitstoot voor de bouw- en productiefase wordt inzichtelijk gemaakt met het Rekenprotocol Paris Proof Materiaalgebonden Emissies, dat is ontwikkeld door de Dutch Green Building Council (DGBC) en NIBE. Losmaakbaarheid De losmaakbaarheid van onderdelen is belangrijk voor de tussentijdse aanpassing van een gebouw, om onderhoud te vereenvoudigen én om toekomstig hergebruik mogelijk te maken.

De losmaakbaarheid van een gebouw is de mate waarin objecten demontabel zijn op alle mogelijke gebouwniveaus, zonder afbreuk te doen aan de functie van het object (of omliggende objecten) om zo de bestaande waarde te beschermen. Losmaakbaarheid is een randvoorwaarde om circulair bouwen mogelijk te maken: een onlosmaakbaar object kan immers niet geoogst worden en dus niet (hoogwaardig) worden hergebruikt. De meetmethode voor de losmaakbaarheidsindex is in detail uitgewerkt in het rapport Circular buildings: Een meetmethodiek voor losmaakbaarheid v2.0. (Van Vliet, van Grinsven, & Teunizen, 2021). Van ieder product is de losmaakbaarheidsindex (LI) berekend door de losmaakbaarheidsfactoren ‘Type Verbinding’, ‘Toegankelijkheid van de verbinding’, ‘Randopsluiting’ en ‘Doorkruisingen’ te beoordelen. De losmaakbaarheidsindex illustreert hoe losmaakbaar een product of element is, met als laagste score 0,10 (niet losmaakbaar) en als hoogste score 1,00 (zeer gemakkelijk losmaakbaar). Aanvullende indicatoren (HNN) De aanvullende indicatoren van HNN Gebouw 1.0: Nieuwbouw zijn: Materiaalgebonden CO2-opslag, Adaptief vermogen, Hergebruikpotentie, Gezonde materialen en Omgang restmaterialen bouw. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de website van HNN.

23

Doorontwikkeling circulariteit | Leertraject (actuele wijzigingen en materialenpaspoort) Een aantal wijzigingen is te verwachten zoals ‘andere weging’, ‘meer milieu-effecten moeten worden meegenomen’, ‘correctie-factoren voor kleinere gebouwen’ en ‘veranderende grenswaarden’. Deze zullen worden meegenomen in het leertraject en in de nieuwe versie van het convenant. Dat geldt ook voor het onderwerp ‘materialen- of grondstoffenpaspoorten’. Dit zijn belangrijke gegevensdragers voor toekomstig hergebruik van (bouw)materialen. Het is vooralsnog niet als indicator opgenomen, maar aangezien het ook als 'bewijslast’ kan dienen bij oplevering én bij evaluatie van het thema Circulariteit in dit convenant, wordt aanbevolen om dit op gebouw- en eventueel op gebiedsniveau uit te vragen.

4.3 Thema Duurzame mobiliteit Doel en het STOMP-principe De basis voor het thema duurzame mobiliteit is de inrichting van het plangebied/de wijk volgens het STOMP-principe. Dit staat voor: Stappen (lopen), Trappen (fietsen), Openbaar Vervoer, Maas (Mobility as a Service, zoals deelmobiliteit) en Privéauto. Dit principe is een afgeleide van: +

De Klimaatwet waarin als doel is opgenomen om in 2030 een CO2-reductie te bereiken van 55% t.o.v. 1990. En in 2050 moet Nederland klimaatneutraal zijn.

+

De Mobiliteitsvisie 2050 (I&W, 2023) waarbij bereikbaarheid in de bredere context van mobiliteit, nabijheid en connectiviteit wordt geplaatst.

Het uitgangspunt voor het thema duurzame mobiliteit is het balanceren tussen bereikbaarheid en economie met gezondheid, leefmilieu en klimaat. Centraal daarbij is het hoofdstuk mobiliteit van het klimaatakkoord (Klimaatakkoord, 2019). Op de verschillende mobiliteitsonderwerpen zijn afspraken gemaakt die gezamenlijk tot het reductiedoel moeten leiden. De regio's hebben de opdracht gekregen om Regionale Mobiliteitsprogramma's op te stellen o.b.v. de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. Het opstellen van Mobiliteitsprogramma’s van Eisen (MPvE’s) geeft daar bij gebiedsontwikkelingen invulling aan. In MPvE’s worden eisen en wensen voor mobiliteit vroegtijdig in het planvormingsproces vastgelegd. Een deel van de principes van het MTB is ook terug te vinden in principes van het mobiliteitsprogramma van U Ned voor de metropoolregio Utrecht (Noord-Holland, 2023). 'Inzet op nabijheid' en 'vraag naar mobiliteit afremmen en spreiden' komen hierin terug en de principes uit dit mobiliteitsprogramma vormen daarmee ook de basis voor de indicatoren voor duurzame mobiliteit. Bij gebiedsontwikkelingen vindt inzet op mobiliteit in deze volgorde plaats; volgens het eerdergenoemde STOMP-principe. Actieve, duurzame en ruimtebesparende vervoerswijzen krijgen prioriteit boven de (privé)auto. De paragraaf Duurzame Mobiliteit in

24

dit convenant maakt concreet hoe dat eruitziet. Het is belangrijk om per gebiedsontwikkeling een realistische afweging te maken van haalbare ambities, gebaseerd op het type gebied, de ligging en de schaalgrootte van het gebied. Voor de klimaatdoelstellingen zijn het verminderen van het aantal reiskilometers, het overstappen naar elektrisch personenvervoer, het verminderen van het aantal autovoertuigen en het stimuleren van duurzame vormen van vervoer, van belang (conform het STOMP-principe). Met deze doelen wordt de daling van stikstof in woonwijken bevorderd, wat gunstig is voor de natuur. Uitstoot door fossiele brandstof is namelijk de voornaamste bron van stikstof. Bovendien zorgt het voor meer verkeersveiligheid en leefbaarheid van de wijken. De 3 onderwerpen zijn: +

Lopen en fietsen

+

Openbaar vervoer en deelmobiliteit

+

Automobiliteit

Lopen en fietsen Een sterk verband blijkt te bestaan tussen de afstand die mensen moeten afleggen en de vervoerwijze. De meeste mensen lopen bijvoorbeeld niet verder dan 1000 meter naar een belangrijke voorziening zoals een supermarkt. Hoe groter de afstand tot een voorziening, hoe minder duurzaam de gebruikte vervoerwijze zal zijn. Dus hoe meer mensen lopen en fietsen naar een voorziening, hoe duurzamer dat is (bron: www.crow.nl). Bij de indicator ‘nabijheid’ zijn de ambitieniveaus dan ook gericht op type voorzieningen en bereikbaarheid binnen een bepaalde tijdsduur. De genoemde tijdsduur van 10 en 15 minuten is afkomstig van het stedenbouwkundige concept ‘de 15-minuten stad’, waarbij alle dagelijkse en essentiële voorzieningen te voet of per fiets binnen 15 minuten vanaf huis te bereiken zijn. Ook zijn voorbeelden te noemen van steden die de grens van 10 minuten hanteren. In het KiM-rapport ‘Mobiliteit en bereikbaarheid in stedelijk en ruraal Nederland' (2023) wordt ook gesproken over het concept ’10 of 15 minuten stad’. Bij Lopen en Fietsen zijn de ambitieniveaus gericht op de inrichting van toegankelijke, aantrekkelijke, logische, vindbare en veilige loop- en fietsroutes en voldoende fietsparkeerplaatsen en laadpunten voor bewoners en bezoekers.

Openbaar vervoer en deelmobiliteit Twee van de vier indicatoren zijn (1) de dekkingsgraad van een passend en betaalbaar aanbod van deelmobiliteitsconcepten (in de vorm van een hub) op centrale plekken in het plangebied (in %) en (2) de parkeernorm in relatie tot de afstand tot een OV-knooppunt. Met betrekking tot de dekkingsgraad van een passend en betaalbaar aanbod van deelmobiliteitsconcepten zijn de genoemde ambitieniveaus qua hoogte percentage gebaseerd op het rapport ‘Staat van de deelmobiliteit 2023’ (CROW, februari 2024).

25

Met betrekking tot de parkeernorm – hetgeen per gemeente verschilt – is ervoor gekozen om de parkeernorm wel op te nemen, maar de procentuele aanscherping van de prestatieniveaus achterwege te laten (als compromis tussen de voorheen MRA- en Utrechtse convenanten). Uit de verschillende sessies die zijn geweest, is geconcludeerd dat het logisch is de parkeernorm te koppelen aan het aanbieden van deelmobiliteit. Bovendien is het een aanknopingspunt voor het leertraject. Automobiliteit Bij gebiedsontwikkeling en nieuwbouwprojecten is het van groot belang om voldoende ruimte te reserveren voor toekomstbestendige publieke laadinfrastructuur, inclusief voldoende beschikbaarheid van (openbare) laadpalen. Bij woongebouwen met meer dan 10 parkeervakken op hetzelfde terrein, is het sinds maart 2020 landelijk verplicht om voor elk parkeervak leidinginfrastructuur (loze leidingen) aan te leggen voor de aanleg van laadpunten. Dit geldt voor nieuwe woongebouwen en voor bestaande woongebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd (BBL Afdeling § 4.4.3; artikel 4.160b). Boven op deze wettelijke verplichting voor woongebouwen werkt dit convenant met zowel een prestatieniveau voor publieke (multi-directionele) laadinfrastructuur als een prestatieniveau voor eigen laadpunten bij woningen voor bewoners die in het bezit zijn van een elektrische auto.

Doorontwikkeling duurzame mobiliteit | Leertraject en landelijke ontwikkelingen Gedurende het leertraject is gebleken dat er op het thema duurzame mobiliteit nog een verdieping gemaakt moet worden; aansluitend op de landelijke ontwikkelingen. Zoals bijvoorbeeld de SEB (Rijksoverheid, Schoon en Emissieloos Bouwen, 2023) en de ZES (Rijksoverheid, Zero Emissie Stadslogistiek, 2023). Logistiek is een significant onderdeel van mobiliteit (in termen van emissies ongeveer 36% van alle mobiliteitsemissies) en daarmee ook van de emissies die gepaard gaan met mobiliteit. Met name zwaar en licht vrachtvervoer over de weg veroorzaken ongeveer 80% van de emissies van logistiek (Noord-Holland, 2023). In de logistiek is een grote winst te behalen zowel bij de logistiek die nodig is voor de bouw als bij de logistiek die gegenereerd wordt door de nieuwe woningen. Daarom zijn voor bouwlogistiek en materieel in onder andere het klimaatakkoord ook afspraken gemaakt om te werken naar Zero Emissie. Het invoeren van Zero Emissie zones, onder andere voor stadslogistiek, heeft de CE-Delft berekend als een maatregel met een significant reductiepotentieel. Daarnaast is het belangrijk rekening te houden met voldoende ruimte in het plangebied voor zero-emissie logistiek en bijbehorende publieke (multi-directionele) laadinfrastructuur voor bijvoorbeeld pakketkluizen en logistieke hubs.

Deze onderwerpen worden meegenomen in het leertraject. En waar mogelijk en nodig worden deze doorvertaald in de volgende versie van het convenant.

26

4.4 Thema Klimaatadaptatie Doel Het uitgangspunt van het thema ‘Klimaatadaptatie’ is dat nieuwbouw zodanig wordt gepland, ontworpen en gebouwd dat de risico’s als gevolg van klimaatverandering zo veel mogelijk worden beperkt en/of beheersbaar blijven in relatie tot hevige neerslag, hittestress, langere periodes van droogte, grotere kans op grootschalige overstromingen en een stijging van de zeespiegel. Daarmee samenhangend wordt ook beoogd invulling te geven aan het beperken en/of beheersen van bodemdaling en de zorg over de wijze en de mate van drinkwaterverbruik. Regionale afspraken klimaatadaptief bouwen Publieke en private partijen binnen de Metropool Regio Amsterdam (MRA) en de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland hebben in dit kader afgelopen jaren afspraken gemaakt, doelen vastgesteld en ambitieniveaus ontwikkeld om klimaatadaptief te bouwen en in te richten. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Leidraad Klimaatadaptief Bouwen 2.0 en toegelicht in de landelijke Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Daar waar het gaat om nieuwbouw, is het integraal overgenomen in dit convenant.

Ambitieniveaus Vanuit het overkoepelende doel van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), namelijk dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht, kan nog niet worden aangegeven hoe en in hoeverre ‘klimaatadaptiever’ dan klimaatadaptief kan worden gebouwd. Dat betekent dat vooralsnog geen nadere invulling kan worden gegeven aan ‘zilver’ (klimaatadaptief op basis van klimaatscenario’s 2085) en ‘goud’ (klimaatadaptief op basis van klimaatscenario’s 2100). Met uitzondering voor het maximaal drinkwaterverbruik per persoon per dag; hetgeen in 2023 met verschillende publieke en private partners is afgestemd en gespecificeerd per ambitieniveau brons, zilver en goud. De 6 onderwerpen zijn: +

Wateroverlast

+

Overstromingsrisico’s

+

Droogte

+

Hitte

+

Bodemdaling

+

Drinkwater

Wateroverlast Als uitgangspunt voor wateroverlast wordt voorgeschreven dat hevige neerslag niet voor schade zorgt aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Hiervoor wordt een

27

stationaire bui van 1/100 jaar, 70 mm in een uur gebruikt als maatgevende ondergrens. Het tweede uitgangspunt heeft betrekking op vitale en kwetsbare functies. Er is hier gekozen voor een zwaardere bui van 1/250 jaar, 90 mm in een uur ter bescherming van vitale en kwetsbare voorzieningen als maatgevende ondergrens. En is gebaseerd op de referentienorm uit de Notitie ‘Standaarden voor de stresstest wateroverlast’ (opgesteld door het ministerie van I&W, STOWA en Stichting Rioned; 2018). De intensiteit van de neerslaggebeurtenissen is gebaseerd op de herhalingstijden in het huidige klimaat, de daaruit volgende intensiteiten en de door het KNMI / HKV Lijn in Water gehanteerde factoren voor de vertaling van het huidige klimaat naar het klimaat van 2050. Onderstaand tabel geeft de verwachte herhalingstijden voor neerslaggebeurtenissen voor het huidige klimaat en het klimaat in 2050. Voor wateroverlast in bebouwd gebied zijn de korte hevige buien (lokaal) van 1 uur veelal maatgevend. Dit zijn vaak onweersbuien in de lente of de zomer die de capaciteit van het rioolstelsel te boven gaan. Dit kan leiden tot water-op-straat, overlast en schade.

Herhalingstijden voor neerslaggebeurtenissen (bron: STOWA, 2015 & 2018, KNMI 2018 en tussentijdse berekeningen KNMI)

Overstromingsrisico Per gebied is bekend wat de kans op een overstroming is (plaatsgebonden overstromingskans) en de waterdieptes waarin dat resulteert. Dijken, sluizen en duinen zorgen voor bescherming tegen overstromingen, maar bieden geen honderd procent veiligheid. Een gebied kan door verschillende overstromingen worden getroffen vanuit zowel het hoofdwatersysteem (de Noordzee, grote rivieren, kanalen en IJsselmeer) als het regionale watersysteem (kleinere rivieren, kanalen, vaarten, e.d.). De plaatsgebonden overstromingskans geeft de totale kans weer van al deze overstromingen in een specifiek gebied. Inzicht in de plaatsgebonden overstromingskans is waardevol, omdat er binnen een gebied grote verschillen kunnen bestaan in overstromingskansen en optredende waterdieptes. Dit betekent dat ook de noodzaak en mogelijkheden voor gevolgbeperkende maatregelen lokaal sterk kunnen verschillen. De plaatsgebonden overstromingskans gaat over de kans dat een locatie in 1 jaar te maken krijgt met een overstroming. De overstromingskansen zijn gebaseerd op de veiligheidseis van de betreffende waterkering.

28

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bieden kansen om de gevolgen van een overstroming te beperken. De kansenkaarten gevolgbeperking en waterrisicoprofielen op klimaateffectatlas.nl geven meer informatie over overstromingsrisico’s. Welke gevolgbeperkende maatregelen in een gebied mogelijk zijn, hangt af van de waterdieptes die in dat gebied kunnen optreden. Hoe hoger de bijbehorende overstromingskans is hoe hoger de noodzaak om ook daadwerkelijk maatregelen te treffen. Inzicht in de kans op een overstroming, geeft aanknopingspunten om een afweging te maken over de haalbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen. Inzicht in de optredende waterdieptes is bepalend voor het type maatregelen die genomen kunnen worden. Bij kleine diepten kunnen effectief maatregelen genomen worden om schade aan gebouwen en infrastructuur te voorkomen en is een koppeling mogelijk met maatregelen om wateroverlast te voorkomen. Bij grotere diepten is het voorkomen van schade niet altijd mogelijk en moet vooral worden ingezet op het voorkomen van slachtoffers door goede schuilplekken en evacuatieroutes. Nieuwe ontwikkelingen kunnen ook bijdragen aan de veiligheid van eventuele omringende kwetsbare gebieden door het bieden van hoger gelegen schuilplekken. Onderstaande afbeelding illustreert mogelijke te nemen maatregelen op basis van de waterdiepte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3268/documents/68957