CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

17.b UenH strategie regio Utrecht 2026 definitieve versie 15 juli 2025.pdf

Raadscommissie 13 januari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken29.440 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoe zetten we vergunningverlening in?  Ecologische aspecten worden betrokken bij vooroverleg.  Initiatiefnemers worden tijdig gewezen op verplicht uit te voeren onderzoeken en aan te vragen toestemmingen.  Voorschriften opnemen in vergunningen ter compensatie van de ingreep en verdere verslechtering van biodiversiteit voorkomen.  Rekening houden met cumulatie van negatieve effecten door ingrepen in natuur en landschap. Hoe zetten we toezicht in?  Toezicht op basis van risicogerichte analyses.  Toezicht op basis van signalen van medeoverheden, partners en inwoners over (mogelijke) overtredingen.  Toezichthouders en Boa’s zijn aanspreekpunt voor inwoners en ondernemers (informeren). Andersom signaleren en melden inwoners en ondernemers toezichthouders over overtredingen en trends.  Toezicht in gebieden prioriteren op basis van kwetsbaarheid en erkend waardevol en als zodanig aangewezen in de Omgevingsvisie provincie Utrecht. Hoe zetten we advisering in?  Advisering op aangevraagde evenementen.  Advisering op in ontwerp zijnde projecten.  Ondersteuning bij de toepassing van soorten management plannen ( SMP’s).

Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit?

Oppakken in 2026:  Onderzoek of de aanhaakplicht voor natuur teruggebracht kan worden, op zijn minst regionaal.  Een (al dan niet indirecte) lobby voor de terugkeer van de wettelijke aanhaakplicht van natuuractiviteiten. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027:  De capaciteitsbehoefte ecologie in beeld brengen en indien nodig de beschikbare capaciteit vergroten.  Kennisbijeenkomsten voor ecologen organiseren om hiermee kennisdeling en ontwikkeling op gang te brengen.  Bevoegdheden en taken in de vergunning- en toezichtprocessen beschrijven. Wie doet wat en wanneer? Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is)  Inventariseer van beschikbare (basis)gegevens (Zaaksystemen, NDFF, Geoloket etc.)  Overzicht van informatiebehoefte bij en van ketenpartners.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

30

Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is)  Ontwikkelen van een Meldingsapp , waarbij de ODU aanjager hiervan is.

Samenwerking. Met wie werken we samen?

Samenwerking en communicatie tussen OD, provincie, waterschap en gemeenten.

Monitoring. Hoe meten we dit?

 

Dossiercontrole op tijdige en inhoudelijk volledige advisering bij evenementen en in ontwerp zijnde projecten (minimaal 25 dossiers). Het aantal vooroverleggen waar natuur een rol speelt en in hoeverre ecologie daadwerkelijk is betrokken. Het aantal aanvragen waarbij natuur een rol speelt en in hoeverre initiatiefnemers zijn gewezen op de verplicht uit te voeren onderzoeken en aan te vragen toestemmingen.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

31

Milieucriminaliteit Wat willen wij bereiken?

Bijdragen aan de bestrijding van milieucriminaliteit op landelijke geprioriteerde thema’s: afvalverwerking, asbest, gewasbeschermingsmiddelen en zeer zorgwekkende stoffen.

Hoe zetten we ons instrumentarium in?

Hoe zetten we vergunningverlening in?  Medewerkers informeren initiatiefnemers vroegtijdig (preventief) over wettelijke (on) mogelijkheden en gezonde(re) alternatieven bij de toepassing van stoffen.  Aanvragen worden getoetst aan het gemeentelijk en provinciaal BIBOB-beleid (BIBOB = Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). Hoe zetten we toezicht in?  Er wordt “afvalstoffen balansonderzoek” gedaan in de ketens van de geprioriteerde thema’s.  Samen met de ketenpartners projectmatig ketentoezicht uitvoeren.  De uitkomsten van toezichtacties worden geanalyseerd om inzicht te krijgen in waar crimineel gedrag zich voordoet. Hoe zetten we advisering in?  Er wordt aan de opdrachtgevers geadviseerd over het op te stellen (en te voeren) BIBOB-beleid.

Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit?

Oppakken in 2026:  Prioritering per landelijk thema, omdat het niet mogelijk is om alle onderwerpen tegelijk aan te pakken.  BIBOB-beleid voor vergunningen opstellen dat regionaal wordt toegepast.  Afspraken maken over uniforme uitvoering van de BIBOBtoets door gemeenten en de ODU.  Een kwartiermaker aanstellen die het ketentoezicht gaat inrichten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de aanwezige kennis bij Omgevingsdienst Rivierenland (ODR),  Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) en Milieu- en Omgevingsdienst Rijnmond (DCMR).  Afstemmen met gemeentelijke communicatieafdelingen over publicaties met aansprekende voorbeelden. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027:  Onderzoeken of- en in hoeverre lokale regels bijdragen aan het voorkomen van milieucriminaliteit en ondermijning.  Opstellen van een communicatiekalender over het voorkomen van milieucriminaliteit.  Gegevensuitwisseling mogelijk maken met behulp van de handreiking informatiedeling van het IBP-VTH en DPIA (DPIA = data protection impact assessment).  Toezichthouders opleiden met het oog op het herkennen van milieucriminaliteit(thema’s).  Toezichthouders en opsporingsambtenaren opleiden ten aanzien van de afstemming tussen bestuursrecht en strafrecht.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

32

 

Onderzoeken of lokale regels bijdragen aan het voorkomen van ondermijning en milieucriminaliteit (bijvoorbeeld regels voor horeca) en het delen van inzichten hierover. Onderzoeken welke uitrusting toezichthouders voor welke taken nodig hebben (persoonlijk beschermingsmiddel ofwel PBM). Een centraal overleg en meldpunt inrichten waar signalen en meldingen samenkomen. Een regionaal team opzetten voor ketentoezicht, zoals bij DCMR, om onze regio beter te bedienen.

Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is)  Aansluiten bij het platform Veilig Ondernemen.  Werken aan bewustwording rondom het voorkomen van ongewenste informatielekken via sociale media.  Bijeenkomsten organiseren om van elkaar te kunnen leren en kennis uit te wisselen om zo brede en diepgaande expertise te ontwikkelen bij toezichthouders en Boa’s (buitengewoon opsporingsambtenaren). Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is)  Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen?

Samen met Openbaar Ministerie (en andere partners, zie onder), analyseren wat de meest effectieven ketenaanpak is. Provincie, gemeenten, ondernemers, waterschappen, politie, DCMR (Milieuen Omgevingsdienst Rijnmond), CCV (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid), Riec (Regionale Informatieen Expertisecentra), EZ (ministerie van Economische Zaken), NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit), IL&T, Landelijke Bijeenkomst Afstemming (LBA), Inlichtingen- en opsporingsdienst van de Inspectie leefomgeving en transport (ILTIOD).

Monitoring. Hoe meten we dit?

   

In elk dossier is vastgelegd hoe is beoordeelt of BIBOBtoetsing relevant is (representatieve steekproef). Het aantal screenings dat wordt uitgevoerd binnen de BIBOBtoets. Het aantal projectmatig uitgevoerde ketentoezichtsacties en het resultaat hiervan. Het aantal verstrekte adviezen aan deelnemers over BIBOBbeleid.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

33

Duurzaamheid

Circulaire economie

Wat willen wij bereiken?

De ODU stimuleert circulariteit (grondstofbesparing en afvalpreventie), zolang dat op een veilige en gezonde manier kan.

Hoe zetten we ons instrumentarium in?

Hoe zetten we vergunningverlening in?  Er wordt getoetst of bedrijven voldoen aan het Bbl ten aanzien van herbruikbare materialen.  Het hergebruiken van afval wordt wel overwogen en risicogericht toegestaan d.m.v. proefnemingen.  Het stimuleren van grondstoffenbeperking (in vergunningen) door middel van voorschriften.  Circulair ontwerp opnemen in vergunningen, zodat bedrijven verplicht zijn circulaire principes toe te passen bij hun activiteiten en ontwikkelingen.  Het actualiseren van vergunningen is gebaseerd op sectoren/of specifieke grondstofstromen, zodat de vergunningen altijd relevant blijven voor de geldende situatie en eisen. Hoe zetten we toezicht in?  Toezicht op de KPI’s die door bedrijven uitgevoerd moeten worden, mits daar duidelijke voorschriften voor geformuleerd zijn.  Het toezicht sluit aan op circulaire materialenplannen, zodat het beleid en de uitvoering goed op elkaar afgestemd zijn.  Er is een risicoanalyse voor bodemenergiesystemen en gebieden t.b.v. VTHA. Hoe zetten we advisering in?  De ODU draagt bij aan de totstandkoming van regionaal beleid waardoor eerlijke verdeling van energie en water voor alle gebruikers mogelijk wordt.  Advisering draagt bij het beter informeren van initiatiefnemers.  Advisering richt zich op het stimuleren van circulaire ideeën bij ondernemingen.

 Adviseren van de opdrachtgevers over proefnemingen en experimenten, waarbij rekening wordt gehouden met landelijke voorbeelden, de financiële draagkracht van initiatiefnemers en eigen ervaring.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

34

Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit?

Oppakken in 2026:  Een overzicht opstellen van grondstoffen en afvalstromen (bijvoorbeeld de effecten van de naleving op de MPG).  Een inventarisatie uitvoeren naar kansen en knelpunten binnen de regelgeving, waarbij er ook gekeken wordt naar de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt.  Training en opleiding van medewerkers. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027:  Toezichthouders trainen en begeleiden in de taak en verantwoordelijkheid om zowel te controleren als te registreren,  zodat de naleving van de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) normen gewaarborgd is.  Een monitorings- en evaluatielogica opstellen. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is)  Definiëren hoe de resultaten (zoals CO2-reductie) gemeten en gerapporteerd worden, met de nadruk op output die direct relateert aan impact. Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is)  Niet van toepassing

Samenwerking. Met wie werken we samen?

Provincie, gemeenten, Omgevingsdienst, waterschappen, VRU, GGDrU.

Monitoring. Hoe meten we dit?

 

Aantal geactualiseerde vergunningen dat is gebaseerd op sector- en/of specifieke grondstofstromen. Controle of systemen voor MPG-monitoring die worden ingevoerd goed gekoppeld zijn aan de bestaande systemen van gemeenten. Aantal bedrijven dat is gecontroleerd op de voorschriften (KPI's) opgenomen in vergunningen en het aantal overtredingen dat daarbij is geconstateerd. Het effect van toezicht .

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

35

Duurzaamheid

Energiebesparing

Wat willen wij bereiken?

  

Hoe zetten we ons instrumentarium in?

Een zo groot mogelijke bijdrage aan energiebesparing bij bedrijven. Een zo groot mogelijke bijdrage aan de vermindering van CO2-uitstoot door bedrijven als gevolg van energiecontroles. Bijdragen aan het verduurzaming van energiegebruik.

Hoe zetten we vergunningverlening in? De vergunningplicht komt slechts in zeer beperkte mate voor. Dat is maatwerk, om die reden wordt er geen algemene tactiek voor geformuleerd. Hoe zetten we toezicht in?  Toezicht bij bedrijven op verduurzaming van het energiegebruik.  Toezicht op koudemiddelen en stookinstallaties.  Toezicht op de energielabelverplichtingen.  Toezicht op de inrichting van duurzame energievoorzieningen zoals OBES en GBES.  Toezicht op persoonsgebonden mobiliteit.  Toezicht op de Europese richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPDB IV). Hoe zetten we advisering in?  De ODU informeert bedrijven over het nemen van (bovenwettelijke) energiebesparende maatregelen, verbruiken van energie buiten de ‘spits’, verduurzaming van vervoer en het inrichten van duurzame energievoorzieningen.  De ODU geeft bedrijven met innovatieve ideeën voor duurzame energieopwekking de ruimte om deze toe te passen, ook al levert dat op korte termijn (2 jaar) nauwelijks besparing op.  De ODU verzorgt presentaties bij scholen/universiteiten (de ondernemers van de toekomst).

Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit? Monitoring. Hoe meten we dit?

Oppakken in 2026:  Definieer de nul situatie voor energieverbruik en Co2emissie.  Breng de top 3 knelpunten in beeld ten aanzien van betrouwbare data.  De regio Utrecht organiseert een competitie voor het meest duurzame bedrijf en zet ondernemers die het goed doen in het zonnetje. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027:  Er is een overzicht welke werkafspraken er per opdrachtgever gelden ten aanzien van vooroverleg bij bedrijfsmatige ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven bij bedrijven. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is)  Maak werk- en procesafspraken over welke data op welke wijze geregistreerd wordt en beschikbaar wordt gemaakt. VTH systemen worden aangepast op basis van de afspraken.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

36

Landelijk benchmarken.

Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is)  Er is een overzicht van de informatiebehoeften van alle stakeholders binnen de driehoek (Omgevingsdienst, Provincie en Gemeenten). Daaruit komt een algemeen databasissysteem met een dashboard voor het delen en analyseren van relevante informatie. Samenwerking. Met wie werken we samen?

Omgevingsdiensten/ODNL, Ministerie, RVO, Gemeenten Provincie (Team energietransitie & Team duurzaamheid), Installateurs, Stedin.

Monitoring. Hoe meten we dit?

De ODU onderzoekt of het gebruik van een dashboard, waaruit realtime blijkt hoeveel energiebesparing er gerealiseerd is dankzij de uitvoering van energiecontroles, kan worden toegepast. In dit dashboard wordt de besparing uitgedrukt in gemiddeld energieverbruik of CO2 equivalent per huishouden per jaar. Dit wordt uitgedrukt in zowel bespaarde- KWH als Co2 uitstoot. Het dashboard is gebaseerd op een landelijk model. De ODU het aantal controles, aantal geconstateerde en type/ soort overtredingen en het berekende besparingspotentieel.

Duurzaamheid

Bodemenergie

Wat willen wij bereiken?

 Hoe zetten we ons instrumentarium in?

Bijdragen aan het behouden van een juiste balans tussen het beschermen en benutten van het Utrechtse bodemenergiesysteem. Bijdragen aan een eerlijke verdeling van energie en water voor alle eindgebruikers.

Hoe zetten we vergunningverlening in?  Er wordt getoetst of de verdeling van energie en water evenredig is.  De van negatieve invloed op drinkwatervoorzieningen wordt zo veel mogelijk beperkt dan wel voorkomen.  Kwetsbare gebieden worden beschermd door het voorkomen van onnodige doorboring van kleilagen.  In vergunningen worden voorschriften opgenomen over monitoring van bodemenergiesystemen.  Bij het toetsen van aanvragen en bij vooroverleg wordt beoordeeld of er eventueel bij een alternatieve inrichting (collectief systeem) kan worden aangesloten. Hoe zetten we toezicht in?  Toezicht wordt ingezet om de bestaande GBES (Gesloten Energie Systeem)- en OBES-systemen (Open Bodem Energie Systeem) te controleren, waarbij rekening wordt gehouden met het verschil tussen een optimale en een werkende inrichting.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

37

  

Er wordt verder gekeken dan enkel de vergunningvoorschriften. Het doelmatig gebruik staat voorop. Toezichthouders informeren initiatiefnemers over regels en voorschriften. Niet (goed) werkende bodemenergiesystemen in kaart brengen. De ODU houdt toezicht op de boring van lussen t.b.v. warmtepompen bij aanleg.

Hoe zetten we advisering in?  Advisering gaat uit van een helikopterview (breed belangen afwegen).  Er wordt geadviseerd over de ordening van bodemenergiesystemen onderling t.o.v. andere ondergrondbelangen (positie bodemenergie in bronnenmix warmtetransitie).  Initiatiefnemers wordt geadviseerd om meer gebruik te maken van één collectief systeem in plaats van meerdere losse systemen.  Er wordt geadviseerd over het voorkomen van netcongestie en voorkomen een onterecht grote claim op de ondergrond.  Advisering wordt ingezet om de informatievoorziening voor initiatiefnemers te verbeteren (BasisRegistratieOndergrond). Wat is hiervoor nodig en welke acties voeren we daarvoor uit?

Oppakken in 2026:  De basis is op orde, dat omvat in ieder geval: - Er is een overzicht wat wel en niet onder bodemenergie valt (definiëring). - Er is een overzicht van bevoegdheden ten aanzien van bodemenergie, I&LT is hier ook bij betrokken. - Er is een geografisch overzicht /afbakening van kwetsbare gebieden, verbodsgebieden, beperkingengebieden en aandachtsgebieden voor bodemenergie. - Er is een overzicht van bestaande en nieuw aangevraagde bodemenergiesystemen en hun belangrijkste kenmerken. - Er is een overzicht van beschikbare databronnen.  Er is een sanctietabel voor in ieder geval: - Het overtreden van regels rondom het doorboren en afsluiten van kleilagen. - Het toevoegen van verboden stoffen in gesloten systemen. - Het inschakelen van niet-gecertificeerde bedrijven. - Het overtreden van de regels rondom grondwater beschermingsgebieden.  Gestructureerde informatievoorziening.  Onderzoek welke data ten aanzien van bodemenergiesystemen nodig is om het zaaksysteem op in te richten. Budgetteren en plannen voor 2026 en 2027:  Er is een risicoanalyse voor bodemenergiesystemen en gebieden t.b.v. VTHA.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

38

VTHA draagt bij aan de totstandkoming van regionaal beleid waardoor eerlijke verdeling van energie en water voor alle gebruikers mogelijk wordt.

Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien eerder omdat er momentum is)  Niet van toepassing Op de back log voor 2028 & 2029 (misschien eerder omdat er momentum is)  Niet van toepassing Samenwerking. Met wie werken we samen?

Naast de samenwerking tussen gemeenten, ODU en provincie, wordt de taakverdeling met IL&T afgestemd. De ODU is vertegenwoordigd in verschillende overlegvormen: het platform bodem, het kennisnetwerk bodemenergie (landelijk, provincie en gemeenten), het kennisnetwerk bodemenergie (branche- en ketennetwerken), het Vakberaad bodemenergie, de warmtetafels van de RES en de Club Groot Merwede.

Monitoring. Hoe meten we dit?

  

De ODU controleert minimaal 5 % van de dossiers bodemenergie op evenredige verdeling, bescherming van kwetsbare gebieden en drinkwatervoorzieningen en opgenomen voorschriften. Het werkproces bevat een instructie waarin deze inhoudelijke toetsingscriteria zijn opgenomen. Het aantal door toezicht geconstateerde onbekende bodemenergiesystemen. Het aantal uitgevoerde controles, aantal geconstateerde overtredingen en het toezichtseffect.

B. Evaluatie U&H-strategie 2022-2025 Wat ging er goed en blijft behouden?  Alle bevoegde gezagen en de omgevingsdiensten hebben de neuzen dezelfde kant op.  De basis is beter op orde.  Samen werken aan kwalitatieve doorontwikkeling op basis van de subdoelen. Wat ging er goed, maar gaat nu beter?  Samenspel tussen regievoerders en VTH-adviseurs. - Beide rollen waren voldoende betrokken, maar het kan altijd beter. In het proces dat nu gevolgd is, zijn beide rollen veel vaker geïnformeerd en nadrukkelijker in positie gebracht door het regionale kernteam.  Doelen stellen. - De abstracte doelen zijn uitgewerkt in concrete subdoelen, waarmee de vraag ’wat is ervoor nodig om het doel te bereiken?’ beantwoord wordt. - De doelen zijn gebaseerd op maatschappelijke opgaven, waardoor de relevantie van doelen en de impact van het werk van de ODU zichtbaar worden gemaakt. Hierdoor maakt de ODU een stap vooruit in het werken onder de Omgevingswet. - De doelen en subdoelen zijn letterlijk met en door de hele regio opgesteld en getoetst bij alle bevoegde gezagen, waardoor er breed draagvlak is. - De subdoelen zijn realistisch en scherp in beeld, hoe groot de opgave ook is.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

39

De U&H-strategie 2022-2025 is door het Interbestuurlijk Toezicht van de provincie Utrecht officieus beoordeeld. De verbeterpunten zijn grotendeels verwerkt in de nieuwe U&H- strategie.

Wat moest er echt beter?  Communicatie In plaats van de communicatie te beperken tot ’need to know’ en communicatie via centrale contactpersonen bij de bevoegde gezagen, is er nu een brede communicatiestrategie opgesteld, inbegrepen deze onderdelen: - stakeholderanalyse; - identificatie doelgroepen; - analyse boodschap (meeweten, meedenken, meedoen); - inzet van een nieuwsbrievenapplicatie; - redactie van communicatieadviseurs; - bestuurlijke roadshows door het regionale kernteam; - bezoeken door het regionale kernteam van diverse overleggen, waaronder die van de regievoerders, ambtelijk- en bestuurlijk PSO, RHBO, MT- vergaderingen van de omgevingsdiensten, coördinatoren overleggen bij de omgevingsdiensten, vergaderingen van de Algemeen Besturen van de omgevingsdiensten, afstemming met de VTHportefeuillehouders van de omgevingsdiensten en een door het regionale kernteam georganiseerd VTH-event met de U&H- strategie als onderwerp. 

Voortgangsrapportage U&H-strategie 2022- 2025 De monitoring en evaluatie van de (sub)doelen zijn opgenomen in voortgangsrapportages. Er zijn er inmiddels twee met de bevoegde gezagen gedeeld. De eindrapportage is eind 2025 opgesteld en ter informatie met de bevoegde gezagen gedeeld.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

40

C. Missie en visie van de OD Missie Een gezonde, veilige en duurzame provincie Utrecht; nu en in de toekomst. Dat is waar de ODU voor staat. Visie “Dagelijks werkt de ODU aan een veilige, gezonde, schone en duurzame leefomgeving in de hele provincie Utrecht. Dit gebeurt samen met en voor gemeenten en provincie, in contact met regiopartners en ten behoeve van inwoners en bedrijven. Er wordt bijgedragen aan de realisatie van plannen, met voortdurende focus op de impact ervan op de leefomgeving. Dit gebeurt toetsend aan wet- en regelgeving, in het belang van natuur en milieu. ODU stimuleert betrokkenheid van jong en oud op het gebied van milieu, natuur en duurzaamheid. De ODU is een impactgedreven werkgever. ODU fungeert als stuwende en verbindende kracht in de regio en geldt als autoriteit binnen het werkgebied. De organisatie faciliteert samenwerking tussen partijen bij opgaven die gemeentegrenzen en domeinen overstijgen. Dankzij de centrale positie in het speelveld, in combinatie met kennis en ervaring, neemt ODU een proactieve, adviserende en soms prikkelende rol in bij het signaleren en oplossen van lokale en regionale maatschappelijke opgaven. ODU adviseert, verleent vergunningen, houdt toezicht en handhaaft waar nodig. Deze taken worden in mandaat uitgevoerd met professionaliteit, integriteit en kwaliteit.

Dit gebeurt op een realistische, doelmatige, effectieve en efficiënte wijze. Gedreven en deskundige professionals handelen objectief, zelfstandig en ona ankelijk. Er wordt risicogericht gewerkt, op basis van feiten, data en objectieve waarnemingen. Tegelijkertijd is er kennis van de lokale situatie en ontwikkelingen in het werkgebied. Transparantie, consequent handelen en duidelijkheid richting alle belanghebbenden staan centraal. ODU blijft voortdurend vernieuwen om de dienstverlening optimaal te laten aansluiten op de toenemende complexiteit van toekomstige vraagstukken. Dit zijn wij. De Omgevingsdienst Utrecht, de omgevingsdienst van de toekomst.”

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

41

D. Probleem/ omgevingsanalyse Werkingsgebied regionale Uitvoerings- en Handhavingsstrategie De U&H-strategie ziet op het gehele werkgebied van de ODU. Deze is gelijk aan het grondgebied van de provincie Utrecht, met daarin de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunnik, Bunschoten, De Bilt, De Ronde Venen, Eemnes, Houten, Leusden, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Renswoude, Rhenen, Soest, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Vij eerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Woudenberg, IJsselstein en Zeist. Karakteristiek van de provincie Utrecht1 Utrecht vervult als centraal gelegen provincie een belangrijke functie binnen ons land. De mix van historische steden en dorpen en gevarieerd landschap, erfgoed en natuur op korte afstand van elkaar maakt onze provincie uniek. Zij fungeert als draaischijf en verbindt de Randstad met de rest van ons land. Deze draaischijffunctie heeft betrekking op het wegen- en spoornet Nederland en op het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek. De provincie Utrecht wordt aan de zuidzijde grotendeels begrensd door het Rivierengebied en heeft een belangrijke rol in de zoetwatervoorziening van West-Nederland. Het Groene Hart, de Hollandse Waterlinies en het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug zijn in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) door het Rijk benoemd als waardevolle landschappen.

De Hollandse Waterlinies (Nieuwe Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam) en de NederGermaanse Limes zijn UNESCO Werelderfgoed. En de Grebbelinie ligt als waterlinie tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Deelgebieden en kenmerken De provincie Utrecht bestaat uit een aantal deelgebieden die verschillen in kenmerken en karakteristiek. De te onderscheiden deelgebieden zijn: 1.

Stadsgewest Utrecht In het stadsgewest Utrecht is sprake van de grootste dynamiek binnen de provincie. Het is ook een van de snelst groeiende regio’s van Nederland. Het gebied kenmerkt zich door:  de centrale ligging in Nederland;  een in het algemeen plezierig woon-, werk- en lee limaat;  een groot aantal kennisinstellingen;  een hoog opgeleide beroepsbevolking;  veel werkgelegenheid in de zakelijke en financiële dienstverlening;  de vele infrastructuur die hier bij elkaar komt, weg, spoor en water;  de grote verscheidenheid aan aantrekkelijke en cultuurhistorische landschappen in en om het stadsgewest;  een hoogwaardig aanbod van cultuur en erfgoed;  een sterke groeibehoefte voor wonen en werken.

Een deel van deze kenmerken is niet uniek, maar deelt het stadsgewest met de rest van de provincie. 1.

Kromme Rijngebied, Langbroekerwetering en de Utrechtse Heuvelrug Dit betreft het landelijk gebied met enkele grotere kernen aan de oostzijde van het stadsgewest Utrecht. Het omvat 3 delen: 

de Utrechtse Heuvelrug. Die ligt in alle drie de deelgebieden van de Omgevingsvisie. Het centrale deel ervan ligt grotendeels in de regio Amersfoort. In de U16 bevindt zich de Stichtse Lustwarande, een aaneengesloten zone met historische buitenplaatsen; het Kromme Rijngebied. Hier heeft de landbouw een belangrijke positie. Het Kromme Rijngebied kent goede productieomstandigheden voor met name de fruitteelt;

1 Bron: Omgevingsvisie provincie Utrecht

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

42

2.

de Langbroekerwetering. Dit is een cultuurhistorisch waardevol gebied met diverse landgoederen en buitenplaatsen, waar landbouw en natuur duurzaam samengaan.

Utrecht West Dit is het landelijk gebied aan de westzijde van het stadsgewest Utrecht dat in het landschap van het Groene Hart ligt, evenals het Noorderpark en Vij eerenlanden die onderdeel van het stadsgewest Utrecht zijn. Het Groene Hart loopt door in Noord- en Zuid-Holland, het is de centrale open ruimte in de Randstad. Utrecht-West heeft uitgestrekte (veen)weidegebieden, doorsneden door de Vecht, Oude Rijn en Hollandsche IJssel met kenmerkende natuurgebieden, dorpen en historische stadjes. Langs de Vecht bevinden zich veel historische buitenplaatsen. De landbouw bestaat voornamelijk uit grondgebonden melkveehouderij. De stedelijke dynamiek concentreert zich van oudsher langs de Vecht en de Oude Rijn. Door het gebied heen lopen twee infrastructuurbundels: de A12 met de spoorverbinding Utrecht – Den Haag en de A2 met de spoorverbinding Utrecht – Amsterdam en het Amsterdam-Rijnkanaal. In het gebied liggen diverse plassen, rivieren, kanalen en weteringen die onderdeel zijn van een waternetwerk dat eveneens doorloopt in Noord- en Zuid-Holland en van groot belang is voor natuur, recreatie, toerisme en watersport. Aan de westzijde van de U16 ligt het veenweidegebied. Dit is een waterrijk gebied met een weids en open karakter en een kenmerkende historische verkavelingsstructuur. Het is een belangrijk gebied voor natuur, rust en recreatie.

Van oorsprong was het hele gebied bedekt met veen en nog steeds is op veel plekken in de bodem veen te vinden. Het typische patroon van smalle weiden en sloten laat de geschiedenis van de ontwatering en veenontginning zien. Ontwatering maakte het land geschikt als akker- of weidegrond, maar het leidde ook tot daling van de bodem. Op sommige plaatsen is deze daling vanaf de ontginning wel 5 tot 6 meter geweest. In dit landschap speelt het vraagstuk van het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit terwijl er invulling wordt gegeven aan de transities in energie en landbouw en de opgaven van klimaatadaptatie en bodemdaling.

3.

Eemland Het deelgebied bestaat uit het laaggelegen veenweidegebied, de flanken van de Utrechtse Heuvelrug en het stuk van de Gelderse Vallei dat ligt in de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten-Spakenburg, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg. De Eempolder ligt in het noordoosten van de provincie, aan weerszijden van de rivier de Eem. De Eempolder maakt deel uit van het Nationale Landschap Arkemheen-Eemland. Het is een open, vlak veenweidegebied met slagenverkaveling (smalle stroken) en is vooral in gebruik als landbouwgebied met melkveehouderij. De ondergrond bestaat uit klei op veen. De Eempolder is ook één van de beste weidevogelgebieden in Nederland.

Bedrijvenbestand in onze regio Het bedrijvenbestand in de regio Utrecht is pluriform. Er is veel bedrijvigheid in de vorm van kantoren, veehouderijen, lichte en zwaardere milieu categorie bedrijven tot en met (lichte) industrie en een aantal Seveso bedrijven. Er zijn geen zware industriële complexen binnen de regiogrenzen zoals Pernis en Chemelot, maar wel meerdere industriegebieden. Er zijn meer dan 30.000 milieu relevante bedrijven waarvan ongeveer 1000 vergunningplichtige bedrijven. Maatschappelijke opgaven en thema's De Omgevingswet is gebaseerd op vier pijlers: duurzaamheid, volksgezondheid, veiligheid en omgevingskwaliteit. Om het VTH-instrumentarium maximaal te laten bijdragen aan de doelen van de Omgevingswet en de uitdagingen waar de regio Utrecht voor staat, is er in deze U&H-strategie voor gekozen de klassieke methode van doelen stellen aan te vullen en te verrijken met 5 belangrijke maatschappelijke opgaven waar de deelnemers in de regio Utrecht voor staan.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

43

De vijf maatschappelijke opgaven die centraal staan: 6. Gezonde leefomgeving 7. Bodem en water 8. Duurzaamheid 4 9. Toekomstbestendige natuur 10. Milieucriminaliteit De opgaven zijn gebaseerd op de doelen van de Omgevingswet. Zij zijn gedestilleerd uit de omgevingsvisies van de provincie én de gemeenten. Daardoor zijn de opgaven breed erkend en gedragen. De opgave “milieucriminaliteit” komt voort uit de aanbeveling uit het rapport van de Commissie Van Aartsen om de afstemming tussen bestuursrecht en strafrecht te versterken. In de praktijk betekent dit dat de deelnemers de regio verbinden aan landelijke prioriteiten en programma’s op het vlak van dit thema. Binnen elke opgave is gekeken op welke thema’s de ODU de meeste impact kan maken. Het zijn herkenbare thema’s voor alle gemeenten en de provincie, de opgaves van nu: van luchtkwaliteit tot omgevingsveiligheid en van bodem tot geur en geluid. Inzet van de omgevingsdienst op deze thema's draagt bij aan de maatschappelijke opgaven in de regio. Overige taken Naast de inzet op de opgaven en thema's die hiervoor zijn genoemd zet de ODU ook in op reguliere taken waarvoor al regionale en/of provinciale kaders bestaan en waar er op basis van een risicoanalyse prioriteiten gesteld zijn.

Dit zijn de volgende taken:  Asbest  Vuurwerk  Luchtvaart  Zwemwater  Bodemsaneringen  Toepassing van grond  Grondwateronttrekkingen Voor deze taken geldt dat ze geen onderdeel uitmaken van de opgaven en thema's maar wel tot het VTH-takenpakket van de ODU behoren. Soms is er een relatie aan te wijzen met de opgaven, omdat de inzet van VTHA op deze taken ook bijdraagt aan de opgave. Op deze taken zijn echter geen specifieke regionale doelen geformuleerd omdat dit niet of nauwelijks van toegevoegde waarde is boven op het wettelijke kader van deze taken. De uitgangspunten en strategieën uit deze U&Hstrategie zijn wel op deze taken van toepassing. Specifiek voor het onderwerp Bodem geldt dat de ODU een Kennisagenda ontwikkelt, gefinancierd met subsidie vanuit de VNG. Wanneer blijkt dat voor dit onderwerp “BIG-8 gesprekken” en specifiekere doelen voor de bestaande wet-en regelgeving meerwaarde hebben, kan dit in de implementatiefase van de U&H-strategie vorm krijgen. Bouwen De ODU voert ook taken uit op het gebied van bouwen. Dat doet zij voor drie gemeenten en de provincie. Er is geen specifieke strategie voor deze taak opgenomen in deze U&H-strategie, de uitgangspunten zijn wel van toepassing. De vier deelnemers die bouwtaken door de ODU laten uitvoeren werken aan een uniforme strategie voor deze taken.

Deze strategie is uiterlijk in 2026 gereed en zal de basis zijn voor alle deelnemers die in de toekomst bouwtaken dor de ODU uit wil laten voeren. Zo ontstaat er ook op dat gebied een meer “level playing field” en ligt er een kader dat bijdraagt aan een uniforme- en effectieve werkwijze door de ODU.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

44

E. Regionale doelen en prioriteiten Regionale doelen In de U&H-strategie staan doelen die focus aanbrengen binnen verschillende thema’s, die allemaal onderdeel zijn van een maatschappelijke opgave. Op deze manier wordt er maximaal impact gemaakt voor de belangrijkste maatschappelijke opgaven die de deelnemers met elkaar in de regio hebben gedefinieerd. De inzet van VTHA-instrumenten draagt bij aan het bereiken van deze doelen. Voor elk van deze thema’s is er met meer dan 200 experts van binnen en buiten de regio geformuleerd waar de ODU met de inzet van het VTHA-instrumentarium aan bijdraagt en wat ervoor nodig is om dat waar te kunnen maken. Hierdoor is er een transparant en vrijwel volledig beeld ontstaan van de opgaven die er liggen. Het heeft geresulteerd in 11 productbladen waarin per thema de doelen voor VTHA staan, inclusief de acties die nodig zijn om deze te bereiken. De uit te voeren acties zijn beoordeeld op basis van zowel urgentie, als op de tijd en capaciteit die nodig zijn om deze te realiseren. Dit levert vier categorieën op, die gebruikt worden om acties te agenderen vanaf 2026. Tabel: Weergave van de wijze waarop acties geprioriteerd zijn.

Toelichting op de prioritering van acties

Resultaat

Laaghangend fruit Direct oppakken (2026)

Lage kosten en urgent

Urgent, maar vraagt om een investering. Budgetteren en plannen voor 2026 & 2027

Hoge(re) kosten en urgent

Niet het allerbelangrijkste, maar eenvoudig uit te voeren. Op de back log voor 2027 & 2028 (misschien wel doen omdat er momentum is)

Hoge(re) kosten en belangrijk

Prioriteiten Regionale basis Artikel 1.3 Omgevingswet geeft een opgave aan ieder bestuursorgaan, namelijk het in onderlinge samenhang van beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. Dat moet gebeuren met inachtneming van in ieder geval: ‘veiligheid’, ‘gezondheid’ en ‘omgevingskwaliteit’. De ODU zet in op deze thema's in de fysieke leefomgeving om de naleving van wet- en regelgeving op die thema's te controleren en te bevorderen en uitvoering te geven aan de (wettelijk) opgedragen taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving en advisering. De opgaven en thema’s zijn onderling niet geprioriteerd. Voor alle thema’s geldt een wettelijke basis. Wel verschilt de aanpak van de diverse thema’s, maar er is geen thema belangrijker dan het andere. Binnen de thema’s zelf wordt wel geprioriteerd. Per thema zijn de benoemde acties, die ook als subdoelen gezien worden, gerangschikt. Dit alles is per thema in een productblad uitgewerkt. De productbladen zijn opgenomen in bijlage A. Regionale ambitie Op een groot deel van de thema's wordt al jaren ingezet en is een stevige basis gelegd. Deze thema's, zoals geur en energiebesparing, hebben heldere wettelijke kaders en toegepaste strategieën voor de inzet van de VTH-instrumenten. Dat wil niet zeggen dat het niet beter kan en soms ook moet.

Daar waar winst te behalen is voor de leefomgeving zet de ODU extra in, bijvoorbeeld door scherper te vergunnen en te zorgen dat op basis van geactualiseerde vergunningen beter kan worden gehandhaafd op zeer zorgwekkende stoffen.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

45

Op de wat nieuwere thema's Waterkwaliteit en Milieucriminaliteit liggen kansen om met de inzet van VTHA veel meer impact te maken dan nu. Het grootste potentieel zit hem in het versterken van (boven) regionale samenwerking. Samenwerking is belangrijk om de inzet van VTHA goed af te stemmen en zo effectiever te maken. Daar ligt de prioriteit voor de ODU, maar ook voor de partners in de regio. Op het gebied van waterkwaliteit bijvoorbeeld, hebben waterschappen als kennishouder, de gemeenten als bevoegd gezag en de provincie als regisseur gezamenlijk veel meer potentie dan wanneer deze partijen individueel te werk gaan of in kleine(re) coalities samenwerken. Vanzelfsprekend wordt er ook landelijk kennis opgehaald en naar goede voorbeelden gekeken. Op het gebied van de bestrijding van milieucriminaliteit zit de winst in het, samen met het Openbaar Ministerie, verbinden van landelijke strategische doelen op geprioriteerde thema’s met de regionale verschijningsvormen binnen die thema’s. Dat bevordert de programmatische aanpak en is een voorwaarde voor de tijdige toekenning van capaciteit. De thema's Biodiversiteit en Circulaire economie staan de afgelopen jaren steeds meer in de belangstelling. Voor circulaire economie zijn de wettelijke kaders en beleidskaders op deze terreinen nog niet volledig ontwikkeld.

Voor drie aanvullende thema’s, te weten de soortenbescherming, gebiedsbescherming en bos en landschap zijn de opgaven en verantwoordelijkheden in wetgeving vastgelegd en uitgewerkt in beleidskaders, maar de vertaalslag in een gerichte inzet van VTHA is vooralsnog onvoldoende gebleken. Bij circulaire economie zetten we daarom vooral in op het leveren van een bijdrage aan de verdere ontwikkeling van wettelijke kaders en beleidskaders, vanuit het perspectief van VTHA (uitlegbaar, uitvoerbaar en handhaa aar én gericht op kansen). Het thema Biodiversiteit zal in samenspraak moeten worden aangevuld met de hiervoor genoemde opgaven (nieuwe thema’s) en gericht moeten zijn op een bijdrage aan het halen van deze wettelijke (provinciale) doelstellingen. Dit moet in concrete doelen worden geformuleerd vanuit het perspectief van de natuur- en bosopgave. Lokale ambitie Individueel kunnen deelnemers hogere (boven wettelijke) ambities hebben op thema’s. De U&Hstrategie biedt de mogelijkheid deze hogere ambities te vertalen in het gemeentelijk of provinciaal uitvoeringsprogramma. Zo is er ruimte voor lokale accenten. De ODU kan deelnemers adviseren over de mogelijkheden om bestuurlijke wensen voor hogere ambities op thema's te vertalen naar de uitvoering.

Landelijk geprioriteerde risicovolle thema’s De ODU zet zich, naast de in deze U&H- strategie uitgewerkte thema’s, vanzelfsprekend ook in op de landelijke (klassieke) risico thema’s bodem (milieu), asbest, brandveiligheid opslag gevaarlijke stoffen en risicovolle milieubelastende activisten. Deze landelijke thema’s komen ook terug in de thema’s van de producten- en diensten catalogus van de ODU. Per thema worden er uren begroot in het uitvoeringsprogramma voor de uitvoering van de programmering op deze thema’s.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

46

F. Informatiegestuurd- risicogericht werken De ODU werkt voor een groot deel informatiegestuurd en risicogericht. Dit betekent dat beslissingen in de uitvoering van de VTHA-taken worden genomen op basis van betrouwbare data en objectieve waarnemingen, waarbij de focus ligt op efficiëntie, effectiviteit en transparantie. Risicogericht werken Risicogericht werken houdt in dat beschikbare data en informatie worden gebruikt om risico's in te schatten en prioriteiten te stellen. Dit verhoogt de efficiëntie en helpt bij het maken van bewuste keuzes over de inzet van middelen. Het doel is om de kans en het effect van (milieu)risico’s te verlagen en om beleidsdoelen te realiseren door strategische, tactische en operationele analyses. Het risicogericht werken is onder te verdelen in drie niveaus:  Strategisch niveau: Landelijke of regionale omgevingsanalyses van maatschappelijke thema's en opgaven, met focus op veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Prioriteiten stellen tussen en binnen thema's zoals lucht, licht, bodem, energie, geluid, geur en water.  Tactisch niveau: Gerichte probleem- en doelgroepanalyses en benoemen van interventies. Hierbij is ook aandacht voor de redenen voor niet naleving van wet- en regelgeving. Focus aanbrengen in bepaalde (sub)branches/sectoren/groepen en locaties, zoals ketentoezicht.

 Operationeel niveau: Object- en subjectanalyses om te bepalen waar capaciteit en welke interventies worden ingezet, zoals het uitvoeren van controles of informeren. Dit kan zich richten op verschillende aspecten of een enkel aspect, zoals transportcontroles of branchegericht toezicht. Informatiegestuurd werken Informatiegestuurd werken is een continu proces waarbij ruwe data worden verzameld, geanalyseerd en toegepast als informatie in besluitvormingsprocessen. Dit verbetert de prestaties van de organisatie en zorgt voor meer inzicht voor de organisatie zelf en transparantie naar opdrachtgevers en belanghebbenden. Het informatiegestuurd werken is onder te verdelen in 3 niveaus:  Dataverzameling en analyse: Het verzamelen van ruwe data en deze analyseren om bruikbare informatie te verkrijgen. Dit omvat onder andere het gebruik van “business intelligence tools” met data uit het zaaksysteem, data uit bronsystemen van andere organisaties, bodemkwaliteitskaarten het ontwikkelen van GIS-kaarten en risicomodellen.  Toepassing in besluitvorming: De geanalyseerde data wordt na bewerking en/of verrijking als informatie gebruikt om beslissingen te nemen die de prestaties van de organisatie verbeteren.

Voorbeelden zijn het gebruik van PowerBrowser voor interne rapportages en BI dashboards, externe rapportages zoals Inspectieview en het LMA en het toepassen van strafrecht volgens de LHSO.  Toepassing in informatieproducten: Van de data en informatie waar de organisatie over beschikt, kunnen informatieproducten gemaakt worden die relevant zijn voor bijvoorbeeld inwoners, bedrijven of publieke partners van de organisatie. Bijvoorbeeld een kaart met alle locaties voor gasopslag in de provincie. Of een risicobeeld van een sector. De ODU werkt op dit moment al deels informatiegestuurd en risicogericht. In hoeverre en op welke wijze verschilt per milieuthema nog sterk. Goede voorbeelden hiervan zijn:  de “RGT-systematiek” voor milieucontroles bij bedrijven en brancheplannen;  business intelligence tools voor het ontdekken van trends en het automatiseren van de werkverdeling;  rapportages uit het zaaksysteem voor de monitoring van de datakwaliteit en;  het knooppunt bodeminformatie dat gegevens vanuit de hele provincie verzamelt en via een kaart beschikbaar stelt.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

47

De toepassing en (door)ontwikkeling van dergelijke systemen en methodieken kent een aantal algemene uitdagingen:  Datakwaliteit en integriteit: Betrouwbare data zijn essentieel om verkeerde conclusies te voorkomen. Het belang van betrouwbare data wordt benadrukt. De “zelfevaluatie datavolwassenheid”, die vanuit het IBP VTH is ontwikkeld, draagt bij aan een analyse voor de verbetering hiervan binnen de ODU.  Capaciteit: Beperkte middelen vereisen efficiënte werkwijzen. Er is een grote noodzaak om efficiënt te werken binnen de beschikbare capaciteit. Het is belangrijk om te beseffen dat risicogericht werken vooral moet leiden tot kwaliteitsverbeteringen en inzet daar waar de impact het grootst is.  Weerstand op technologie: Weerstand tegen automatisering en kunstmatige intelligentie (AI) is een fenomeen dat binnen organisaties voorkomt, zoals bij alle veranderingen en innovaties. Het is belangrijk om deze weerstand te overwinnen door bewustwording en training waardoor de hele organisatie wordt meegenomen in de mogelijkheden die deze toekomstige ontwikkelingen kunnen bieden voor ons werk.  Samenwerking: Verbeterde interne en externe samenwerking is noodzakelijk. Dit omvat bijvoorbeeld intensievere samenwerking ten behoeve van ketentoezicht en de verbetering van waterkwaliteit.

Ook is het essentieel om te monitoren wat de effecten van bepaalde risico gerichte of informatie gestuurde keuzes zijn voor de hele productieketen. Zo kunnen bijvoorbeeld prioriteiten in het toezicht leiden tot een toename van meldingen voor vergunningverlening en vice versa. Toekomstvisie De toekomstvisie is om gefaseerd steeds meer data en informatie op interactieve kaarten te verwerken (kaartgericht werken). Kaartgericht werken geeft medewerkers een vollediger beeld van diverse belangen en risico’s. Het helpt ook bij het in beeld brengen van zogeheten “blinde vlekken” (potentieel risicovolle activiteiten die niet gemeld of vergund zijn). Dit is belangrijk omdat het criterium van onlosmakelijkheid onder de Omgevingswet los is gelaten. De koppeling van kaarten met het zaaksysteem verlaagt de administratieve last en verkleint de kans op fouten. Medewerkers krijgen een vollediger beeld van hun zaken en kunnen ze beter in context plaatsen. Zo kunnen potentiële risico’s in beeld komen. Kaartgericht werken geeft ook de mogelijkheid om nieuwe informatie inzichtelijk te maken en hierop direct te in te spelen. Tot slot biedt het de kans om informatie direct te verwerken via koppelingen met het zaaksysteem. Andere tools, zoals dashboards en rapportages worden ook steeds meer samengebracht en ontsloten in overzichtelijke rapportages.

Ambitie De ambitie van de ODU op informatiegestuurd en risico gericht werken is onder te verdelen in een aantal pijlers:  Datakwaliteit: - Monitoring - Blinde vlekken (validatie) - Analyses - Aansluiting op landelijke standaarden en uitwisseling met externe bronnen - Vastlegging/borging  Automatisering: - Verlagen administratieve last - Verminderen foutgevoeligheid - Optimaliseren en versnellen processen  Methodieken: - Vraag gestuurd werken ook op basis van risicogerichte prioritering en informatie gestuurde werkwijzen

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

48

Risicogericht planbare systematiek voor toezicht, prioritering in de actualisatie van vergunningen  Tools: - Integrale GIS-applicaties - Business intelligence toepassingen (dashboards, rapportages) Zo wil de ODU-processen versoepelen door automatisering toe te passen waar mogelijk (denk bijvoorbeeld aan bepaalde administratieve werkzaamheden). -

Vervolg De ambitie wordt verder uitgewerkt in een plan van aanpak voor de komende jaren. Aanvullende ontwikkelingen Voor meer vraaggestuurd werk, zoals vergunningverlening en advisering, kan door middel van het samenbrengen van verschillende relevante informatiebronnen een meer informatiegestuurde uitvoering worden bereikt. Er kan een prioritering worden ontwikkeld voor het actualiseren van vergunningen gebaseerd op risico of thema uit deze U&H- strategie. Ook wil de ODU een toename van de data uitwisseling faciliteren met ketenpartners. Het raadplegen van externe bronnen en aanhaken op landelijke standaarden en ontwikkelingen maakt het mogelijk om hierin actief voorstellen te doen. Dit om van alle beschikbare data zoveel mogelijk noodzakelijke en nuttige informatie (ook op kaart) te maken voor onze opdrachtgevers, inwoners en bedrijven om integrale afwegingen en samenwerking te vergroten. Daarnaast is het borgen en continue monitoren van de interne datakwaliteit van de systemen van groot belang, omdat hier veel applicaties en toepassingen van risicogericht werken (RGW) op draaien. Betrouwbare data en de borging hiervan is de basis en noodzakelijk voor risico gericht en informatie gestuurd werken. Randvoorwaardelijk voor al deze innovaties is het meenemen van het thema Mens en Organisatie.

Voor het slagen van de ambitie zijn medewerkers vereist met een nieuwe houding, vaardigheden en kennis om de ontwikkeling voort te zetten. Ook de samenwerking met andere organisaties kan nodig zijn om bijvoorbeeld de juiste data te delen en analysecapaciteit geconcentreerd in te zetten voor zo veel mogelijk gebruikers.

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

49

G. Reguleringstrategie Scope In deze strategie wordt onder regulering verstaan:  het verlenen, (gedeeltelijk) weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een omgevingsvergunning mogelijk als onderdeel van een legalisatietraject;  het afdoen van de informatieplicht  het behandelen van een melding;  het opstellen en/of het intrekken van een maatwerkvoorschrift en/ of gelijkwaardigheid;  het nemen van een besluit over het al dan niet vereisen van een milieueffectrapportage (m.e.r.beoordeling);  het actualiseren van een vergunning;  het afgeven van advies in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Uitgangspunten Uitgangspunten van de vergunningenstrategie zijn:  toepassen van het ‘ja, mits’ principe;  kernwoorden zijn integraliteit, uniformiteit waar mogelijk, vergelijkbaar in vergelijkbare situaties;  vergunningen zijn begrijpelijk geschreven en openbaar en digitaal beschikbaar dan wel opvraagbaar;  vergunningentrajecten eindigen met een oplevering naar toezicht;  vergunningen zijn handhaa aar;  voorschriften zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken (BBT) met primair toepassing van zogenoemde doelvoorschriften;  vergunningen/meldingen worden per bedrijf overzichtelijk vastgelegd, zodat alle verplichtingen van het bedrijf op ieder moment inzichtelijk zijn.

Maatwerkvoorschriften Besluiten voor activiteiten die bij niet naleven schade kunnen veroorzaken aan leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur worden intensiever behandeld en bevatten meer maatwerkvoorschriften. De aanvraag (wat wordt precies gevraagd), het besluit (wat wordt toegestaan) en de voorschriften (wat zijn de exacte condities) worden in detail geformuleerd. Maatwerkvoorschriften gelden wanneer landelijke voorschriften onvoldoende helder zijn in de toepassing op een specifieke situatie en/of bij sprake van slecht naleefgedrag. Maatwerkvoorschriften geven het bedrijf ten opzichte van doelvoorschriften minder speelruimte en meer duidelijkheid, ook voor toezicht en handhaving. Inzet van maatwerkvoorschriften Veel (milieubelastende) activiteiten vallen onder algemene rijksregels, wat betekent dat initiatiefnemers aan voorschriften moeten voldoen zonder dat een vergunning nodig is om de activiteit te mogen verrichten. Er kan wel een informatie- of meldingsplicht gelden. Daarnaast is het vaak mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen. Deze maatwerkvoorschriften kunnen worden ingezet om daarmee bij te dragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet en de doelen in deze U&H-strategie. Scherper vergunnen De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om resultaatgerichte emissiegrenswaarden te stellen.

Het bevoegd gezag krijgt in de Omgevingswet diverse instrumenten om op maat emissiegrenswaarden te kunnen stellen:  streng op basis van de regel dat alle passende preventieve maatregelen moeten worden getroffen tegen verontreiniging van het milieu;

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

50

      

streng op basis van de regel dat alle passende preventieve maatregelen moeten worden getroffen ter bescherming van de gezondheid; streng bij het stellen van een emissiegrenswaarde op basis van de toepassing van BBT; streng om significante verontreiniging te voorkomen, ook in relatie tot de regels in het gemeentelijke omgevingsplan om de functies van de leefomgeving evenwichtig toe te delen; streng op basis van aanvullende provinciale regels in de omgevingsverordening; streng op basis van de concretisering van de specifieke zorgplicht van iedere milieubelastende activiteit (MBA); streng op basis van effecten die in beeld komen door een milieueffectrapportage; streng op basis van de oplossingen die deelnemers inbrengen tijdens participatieprocessen.

Het huidige gebruik van de beslissingsruimte om bepaalde emissiegrenswaarden te stellen, is mede gebaseerd op de interpretatie van die beslissingsruimte in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarin ligt de nadruk op de toepassing van BBT en minder op de andere maatstaven uit het beoordelingskader. Hierdoor is het stellen van emissiegrenswaarde die zich richten op het doel dat in de U&H-strategie wordt gesteld lastig. Dat komt ook doordat bedrijven in de praktijk vaak leidend zijn bij het kiezen van een BBT in hun vergunningaanvraag en bij het doen van voorstellen voor een bepaalde mate van milieubescherming door middel van de maatregelen die zij wensen te nemen2. De ODU gaat – mede in het licht van de actualisatie van vergunningen (zie hieronder) onderzoeken op welke manier strenger vergunnen kan worden ingezet, zodat maximaal wordt bijgedragen aan de opgaven op het gebied van (met name) schone lucht. De resultaten hiervan worden voorgelegd aan de deelnemers en na besluitvorming betrokken bij de vergunningverlening en het programma Actualisatie.

Actualisatie vergunningen Artikel 5.38 van de Omgevingswet schrijft voor dat het bevoegd gezag regelmatig beziet of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Geactualiseerde vergunningen voldoen aan de actuele wet- en regelgeving met daarin de laatste inzichten over normstelling en best beschikbare technieken. Daarmee zijn actuele vergunningen van belang voor een optimale bescherming van het milieu en inwoners. Daarnaast wordt hierdoor voorkomen dat er ongelijkheid ontstaat in de verplichtingen voor bedrijven als gevolg van verouderde vergunningen en/of voorschriften. De aanleidingen voor actualisatie zijn als volgt:  naar aanleiding van gewijzigde BBT-conclusies of BAT Reference documents (BREF's);  naar aanleiding van een nieuw en/of gewijzigd afvalbeheerplan;  naar aanleiding van nieuwe Nederlandse BBT documenten;  naar aanleiding van beleidsambities en regionale aspecten;  naar aanleiding van gedateerde vergunningen;  naar aanleiding van handhavings- of incidentbevindingen;  naar aanleiding van jurisprudentie. De ODU beoordeelt doorlopend welke BBT gewijzigd zijn en of als gevolg hiervan vergunningen moeten worden geactualiseerd.

Daarnaast vindt eens per 5 jaar een algehele actualisatietoets plaats. De selectie van de te actualiseren bedrijven wordt gedaan via een risicomatrix, met scores op meerdere criteria. De volgende onderwerpen wegen zwaarder: handhaa aarheid en gedateerdheid. Tijdens het vaststellen van de uitvoeringsprogramma's wordt jaarlijks, op basis van het actualisatieprogramma, bepaald welke middelen er beschikbaar (moeten) zijn voor het uitvoeren van de actualisatie.

2 Bron: Rapport KokxDeVoogd, Ontdek de staat van morgen, 8 februari 2021

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

51

Intrekken vergunningen De Omgevingswet geeft mogelijkheden voor het intrekken van vergunningen om te voorkomen dat er onnodig milieugebruiksruimte vergund blijft. Een vergunning komt voor intrekken in aanmerking als de activiteit in strijd is met de beoordelingsregels:  bij niet of niet volledig gebruikmaken van de omgevingsvergunning;  op verzoek van de vergunninghouder;  bij intrekken van een samenhangende wateractiviteit;  op verzoek van een instemmingsorgaan;  als toepassen beste beschikbare technieken niet mogelijk blijkt;  bij een gesloten stortplaats;  als het doelmatig beheer afvalstoffen onvoldoende is;  als preventieve maatregel ter bescherming van de gezondheid;  in het kader van handhaving. De ODU voert een actief intrekkingsbeleid en overlegt met de deelnemers vóórdat een intrekkingstraject start. Uitvoeren vergunningverlening Voor veel activiteiten die plaatsvinden in de fysieke leefomgeving is toestemming nodig van het bevoegd gezag. Deze toestemming van het bevoegd gezag gaat gepaard met het toetsen van de aanvraag aan de wettelijke kaders (voorschriften). Vergunningverlening is voor het bevoegd gezag een belangrijk instrument om het beleid vorm te geven in concrete afwegingen, kaders en voorschriften. De vergunningenstrategie beschrijft hoe dit instrument wordt toegepast bij de geldende wet- en regelgeving.

Deze strategie levert daarmee een belangrijke bijdrage in de ontwikkeling en vaststelling van het uitvoeringsbeleid van het bevoegd gezag om de doelen voor de omgeving en de uniforme uitvoering daarvan te bereiken. De vergunningenstrategie is een ondersteunend model bij het komen tot een bij de omgeving passend kader bij elk besluit. Door ieder bevoegd gezag dezelfde uitgangspunten te laten vastleggen in de U&H-strategie ontstaat meer uniformiteit in de besluitvorming. De strategie maakt de a andeling van zaken reproduceerbaar en eenduidig, dat wil zeggen dat in het dossier het procesverloop en de beslissingen in het belang van de omgeving genomen, terug te vinden zijn. De uniformiteit in de besluitvorming en reproduceerbare a andeling van vergelijkbare zaken draagt bij aan de transparantie van het besluitvormingsproces voor bedrijven, inwoners en andere instanties. Het niveau van beschikken op een vergunningaanvraag kan langs twee assen worden gelegd. Deze assen zijn de technisch-inhoudelijke complexiteit; en de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de situatie, die klein of groot kunnen zijn. De assen worden als volgt beschreven: Technisch-inhoudelijke complexiteit Elke vergunning bestaat uit een mix van standaard- en specifieke voorschriften.

Als de technischinhoudelijke complexiteit van de specifieke situatie (de activiteit in kwestie en/of het gebied waar de activiteit plaatsvindt) klein is, ligt het accent vooral op standaardvoorschriften en minder op specifieke voorschriften. Omgekeerd ligt het accent vooral op specifieke voorschriften en minder op standaardvoorschriften als de technisch-inhoudelijke complexiteit van de situatie activiteit en/of omgeving) groot is. Sociaal-maatschappelijke complexiteit De omgeving wordt ingedeeld naar objectieve en subjectieve kwetsbaarheid. De objectieve kwetsbaarheid van de omgeving wordt bepaald door de aanwezigheid van kwetsbare objecten op korte afstand. Dit is belangrijker naarmate de potentiële impact van een bedrijf groter is. Daarnaast

Gemeenschappelijk uitvoeringskader regio Utrecht 2026

52

moet worden geïnventariseerd of er sprake is van weerstand in de omgeving. Het kan zijn dat er veel klachten zijn of dat er een actiegroep actief is. Hier betreft het de subjectieve typering van de omgeving. Wanneer de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de omgeving gering is, kan het proces van tot stand brengen van een vergunning eenvoudig zijn. Als de sociaal-maatschappelijke complexiteit van de omgeving daarentegen groot is, ligt het totstandbrengingproces gecompliceerder. Bijvoorbeeld vanwege de impact van de activiteiten, een eventuele voorgeschiedenis of economisch belang en/of aanwezige belangenorganisaties die zich roeren. In dit geval moet de bestuurlijke afwegingsruimte worden ingevuld en is het proces minstens zo belangrijk als de inhoud; afstemming, overleg en/of samenwerking zullen noodzakelijk zijn tussen het bevoegd gezag (ambtelijk en bestuurlijk) en bijvoorbeeld de omgevingsdienst, de initiatiefnemer in kwestie en belanghebbende derden. NB: Hier ligt ook een link met de LHSO, waarin verschillende typen normadressaten worden onderscheiden (belanghebbende personen of organisaties en bedrijven waarvoor de regels gelden). Een vergelijkbare werkwijze is gebruikt in deze strategie, in de as sociaal-maatschappelijke complexiteit.

De beoordeling op sociaal-maatschappelijke complexiteit kan worden bepaald via:  internet en andere open bronnen (bedrijf/naam aanvrager);  klachtenregistratie;  de accounthouder;  personen met gebied specifieke kennis/branche kennis;  andere afdeling of overheid. Vier typen vergunningen en meldingen Er zijn vier typen vergunningen en meldingen. Eerst wordt ingegaan op de vergunningentypen. Daarna volgen de meldingen. Vergunningen In combinatie leiden beide assen tot vier typen vergunningen (zie figuur 1): 1. Vergunning eenvoudig 2. Vergunning specifiek 3. Vergunning eenvoudig+ 4. Vergunning specifiek+ Toelichting op de vier typen vergunningen: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4253/documents/71997