14. Bijlage B - Begroting VRU 2027 en geactualiseerde begroting VRU 2026
Tekst van het document
00,- 4.3.2 Stichting Risicobeheer Veiligheidsregio’s en Stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio’s De stichtingen, het Expertisebureau Risicobeheer en het Waarborgfonds Veiligheidsregio’s zijn met instemming van alle 2 veiligheidsregio’s opgericht in 2022 en 202 . er januari 2024 zijn de stichtingen operationeel. 58 Belang et doel van de stichtingen is een bijdrage te leveren aan het ‘goed werkgeverschap’ van de veiligheidsregio’s als hun medewerkers onverhoopt te maken krijgen met een dienstongeval. Hieraan wordt invulling gegeven door te ondersteunen bij de uitvoering en financiering van de Landelijke regeling aanspraken na dienstongevallen (LRD). De LRD is een regeling die in overleg binnen de veiligheidsregio’s en de vakbonden tot stand is gekomen en per januari 2024 in werking is getreden. Governance Het Expertisebureau Risicobeheer beschikt over een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Tevens staat het Expertisebureau onder toezicht van een Raad van Advies, bestaande uit algemeen directeuren/commandanten en directeuren bedrijfsvoering van de veiligheidsregio’s. Het Waarborgfonds is vrijgesteld van toezicht door De Nederlandsche Bank (DNB) onder de voorwaarde dat een Raad van Toezicht wordt geïnstalleerd. De Raad van Toezicht is ingesteld en voorziet in de noodzakelijke specifieke deskundigheid die daarmee in het Waarborgfonds is geborgd.
Daarnaast zijn er beperkingen gesteld aan de financiële omvang van het fonds. Financiële informatie De 2 veiligheidsregio’s dragen gezamenlijk zorg voor de financiering van de RD. Dit geschiedt door deelname aan beide stichtingen. Het Waarborgfonds geeft dekking voor aanspraken voor zover deze niet verzekerd zijn. Een deel van de aanspraken is nog verzekerd via een collectieve ongevallenpolis. De kosten van het Expertisebureau Risicobeheer en de inleg in het Waarborgfonds worden betaald uit de premies die de veiligheidsregio’s eerder betaalden voor hun ongevallenverzekering. Het Waarborgfonds heeft als doel om binnen 5 jaar een reserve aan te leggen van € 5 miljoen euro. Hiermee is er voldoende financiële zekerheid voor de toekomst. In het eerste jaar (2024) heeft het Waarborgfonds een reserve opgebouwd van ruim € 2,6 miljoen euro. De verwachting is dat het streefkapitaal van € miljoen binnen 5 jaar wordt bereikt. Daarnaast is gewerkt aan het inrichten van de schadeafhandeling en bedrijfsvoering van de stichting ERVRS en het Waarborgfonds.
Financiële informatie stichting Risicobeheer Veiligheidsregio's Eigen vermogen voor bestemming 2024: € 175.700,- Vreemd vermogen 2024: € 463.500,- Jaarresultaat 2024: € 286.900,- Bijdrage veiligheidsregio Utrecht 2026: € 194.400,- Financiële informatie stichting Waarborgfonds Veiligheidsregio's Eigen vermogen inclusief resultaat 2023/ 2024: € 2.610.500,- Vreemd vermogen 2023/ 2024: € 4 2.000,- 59 4.4 Onderhoud kapitaalgoederen Ten aanzien van de in de BBV genoemde kapitaalgoederen zijn de gebouwen, inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal van toepassing op onze organisatie. 4.4.1 Kapitaalgoederen Conform artikel 59 van de BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar opvolgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat activering plaatsvindt vanaf € 0.000 per object. In de Nota Activabeleid VRU zijn alle uitgangspunten opgenomen. De VRU heeft drie brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kosten voor rente en afschrijving worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen.
Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteren wij een meerjarig investeringsplan (MIP) dat jaarlijks wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag (structureel budget) opgenomen voor kapitaallasten, dat jaarlijks wordt geïndexeerd om de vervangingswaarde van de activa te waarborgen. De werkelijke kapitaallasten fluctueren. Tezamen met het MIP is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. De egalisatiereserve kapitaallasten heeft naast de egalisatiefunctie ook een dekkingsfunctie. De dekkingsfunctie heeft vooral betrekking op vaste activa met een incidenteel karakter, waarvoor de kapitaallasten uit de kapitaallastenreserve worden gedekt. Deze items zijn in het MIP als incidenteel aangemerkt en hiervoor zijn geen vervangingsinvesteringen opgenomen. Deze activa-items kennen dus geen structurele kapitaallast. Dit betekent dat voor incidentele lasten in de exploitatie die direct gerelateerd zijn aan (geplande) investeringen een onttrekking aan de egalisatiereserve kapitaallasten is geraamd. Bij besluitvorming wordt getoetst of de reserve gedurende de afschrijvingstermijn toereikend is. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting.
Jaarlijks wordt in mei de investeringsbegroting bijgesteld op basis van de reële verwachting. Vervolgens wordt bepaald wat de financieringsbehoefte is en welke renteomslag binnen de kaders van BBV kan worden toegepast. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. Aan de geactiveerde investeringen wordt voor geactualiseerde begroting 2026 een omslagrente van 2,65% toegerekend. De fluctuaties van de kapitaallasten ten opzichte van het structureel budget voor kapitaallasten worden beschouwd als incidentele baten en lasten. In bijlage 6.7 is een overzicht opgenomen van de geplande investeringen en de begroting van de kapitaallasten. 60 4.4.2 Onderhoud gebouwen en installaties Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het Provinciehuis en dit betreft huur. Het onderhoud voor deze locatie is daarmee onderdeel van de servicekosten die wij naast de huursom aan de provincie Utrecht betalen. De kosten voor het beheer en onderhoud van de decentrale huisvestingen en de brandweerkazernes zijn voor rekening van de gemeenten. 4.4.3 Onderhoud materieel Preparatie Brandweer is ingericht binnen het organisatieonderdeel Brandweer. Hiermee borgen we dat we beschikken over vakbekwaam repressief personeel en daarnaast over voldoende en inzetbaar materieel en gereedschappen voor de uitvoering van onze operationele taak.
Onderhoud van het materieel vindt regionaal plaats door de afdeling Materieel & Logistiek. 4.5 Financiering 4.5.1 Financieringsportefeuille Wij zijn externe financiering overeengekomen bij: ▪ Gemeente Amersfoort (onderhandse lening) ▪ Bank Nederlandse gemeenten (BNG Bank) ▪ De Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank) In tabel 30 wordt het verloop en de omvang van de huidige leningen weergegeven. Tabel 30 Leningenportefeuille dr x € 1.000 Type lening Saldo 31-12- 2025 Saldo 31-12- 2026 Saldo 31-12- 2027 Saldo 31-12- 2028 Saldo 31-12- 2029 Saldo 31-12- 2030 13-10-1997/30 jr 6,05% lineair 7 3 0 0 0 0 14-07-1999/30 jr 5,43% lineair 212 159 106 53 - - Onderhandse lening Gemeente Amersfoort 218 159 106 53 - - BNG lening 40.106325 667 - - - - - BNG lening 40.106326 6.400 6.000 5.600 5.200 4.800 4.400 BNG lening 40.116478 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 BNG lening 40.116479 9.500 9.000 8.500 8.000 7.500 7.000 Onderhandse lening Bank BNG 24.567 22.000 20.100 18.200 16.300 14.400 NWB Bank lening NK/1-29713 13.000 12.000 11.000 10.000 9.000 8.000 NWB Bank lening NK/1-30919 13.600 12.750 11.900 11.050 10.200 9.350 Lening Nederlandse Waterschapsbank 26.600 24.750 22.900 21.050 19.200 17.350 Totale vaste schulden 51.385 46.909 43.106 39.303 35.500 31.750 61 Bij BNG Bank is een rekening-courantfaciliteit beschikbaar ter grootte van € miljoen om te voorzien in de kortlopende
financieringsbehoefte. De financieringsbehoefte voor de langere termijn betreft de financiering van nieuwe (vervangings-)investeringen. Zie bijlage 6.7 voor een overzicht van de geplande investeringen in 2026 en 2027. De VRU past een renteomslagmethodiek toe die wordt voorgeschreven vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Door middel van deze methodiek worden aan investeringen de gemiddelde rentekosten toegerekend die voortvloeien uit de opgenomen geldleningen en/of eigen middelen waarmee zij zijn gefinancierd. In onderstaande tabel is het verwachte financieringsresultaat weergegeven aan de hand van het rekenschema zoals voorgeschreven vanuit BBV. Tabel 31 Renteschema 4.5.2 Risicobeheer Om de risico’s van het treasurybeleid te beheren zijn er normen vastgesteld in de Wet ido. Deze normen bestaan uit een: - Kasgeldlimiet - Renterisiconorm Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximum bedrag zien waarop een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. Deze norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming. Voor 2026 bedraagt de limiet 8,2% van € 146 miljoen (omvang begroting) = € 12 miljoen. De liquide middelen bestaan uit rekening-courant tegoeden en deposito’s. er kwartaal controleren wij de kasgeldlimiet.
De ruimte die de kasgeldlimiet biedt, wordt zoveel mogelijk benut. De reden hiervoor is dat kort geld aanzienlijk goedkoper is dan lang geld. Indien nodig worden langlopende leningen aangegaan om een overschrijding van de kasgeldlimiet tegen te gaan. De huidige financiële positie geeft geen aanleiding om op korte termijn maatregelen voor te stellen. dr x € 1.000 Realisatie Begroting Begroting Renteschema 2025 2026 2027 Totale rentelasten 1.567 1.519 1.479 Rentebaten die zijn toe te rekenen aan investeringen in activa -89 - Saldo rentelasten en rentebaten 1.478 1.519 1.479 Doorbelaste rente projectfinanciering/ maatwerk -45 -33 -32 Totaal aan taakvelden toe te rekenen integrale rente (A): 1.433 1.485 1.447 De aan taakvelden toegerekende rente (omslagrente) 1.669 1.632 1.865 Aan taakvelden toegerekende rente via renteomslag (B): 1.669 1.632 1.865 Renteresultaat op taakveld Treasury (B-A) 236 147 419 62 Tabel 32 Kasgeldlimiet Renterisiconorm De renterisiconorm wil het renterisico bij herfinanciering beheersen. Dat houdt in, dat de jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. De renterisiconorm zal binnen het vastgestelde percentage van 20% blijven. In onderstaande tabel is het verwachte renterisico weergegeven.
Tabel 33 Renterisiconorm Tabel 32 dr x € 1.000 Kasgeldlimiet 2026 2027 2028 2029 2030 Norm % begrotingstotaal 8,2% 8,2% 8,2% 8,2% 8,2% Kasgeldlimiet 12.083 11.431 11.711 11.704 11.734 Tabel 33 dr x € 1.000 Renterisiconorm 2026 2027 2028 2029 230 omvang begroting 147.350 139.399 142.811 142.735 143.097 Renterisiconorm (20% begroting) 29.470 27.880 28.562 28.547 28.619 Aflossingen van leningen 4.473 3.806 3.803 3.803 3.750 Ruimte onder renterisiconorm 24.997 24.074 24.759 24.744 24.869 63 4.5.3 Verloop reserves Tabel 34 geeft een overzicht met het verloop van de reserves zoals dit tot en met ultimo 2027 wordt voorzien.
Tabel 34 Reserves 2026 en 2027 dr x € 1.000 Boekwaarde 31-12-2025 Resultaat- bestemming 2025 Toevoeging 2026 Onttrekking 2026 Boekwaarde 31-12-2026 Toevoeging 2027 Onttrekking 2027 Boekwaarde 31-12-2027 Bedrijfsvoeringsreserve 2.641 1.850 - 1.487 3.004 - - 3.004 Algemene reserves 2.641 1.850 - 1.487 3.004 - - 3.004 Egalisatiereserve kapitaallasten 23.596 4.208 817 26.987 2.442 355 29.074 Egalisatiereserve FLO overgangsrecht 1.279 54 - 1.333 516 - 1.849 Egalisatiereserve tweede loopbaan 1.551 247 - 1.798 197 - 1.995 Ontwikkel- en egalisatiereserve 1.119 150 120 1.243 146 - - 146 Bestemmingsreserve incidentele crisistaken 895 1.978 535 2.338 - 111 2.227 Bestemmingsreserve meldkamer 63 - 63 0 - - 0 Bestemmingsreserves 28.503 150 6.607 2.659 32.602 3.155 466 35.291 Totaal reserves 31.144 2.000 6.607 4.146 35.606 3.155 466 38.295 64 4.5.3.1 Bedrijfsvoeringsreserve Door het aanhouden van een reserve is de VRU in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct gevolgen heeft voor de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. De schommelingen die optreden kunnen worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de benodigde weerstandscapaciteit (zie § 4.6). Het weerstandsvermogen is net toereikend om de geïnventariseerde risico’s af te dekken.
De omvang van de bedrijfsvoeringreserve met 1,03% van het begrotingsvolume valt net binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). 4.5.3.2 Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Jaarlijks wordt in mei de prognose van de kapitaallasten geactualiseerd en opgenomen in de (geactualiseerde) begroting. Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke kapitaallasten en - baten zijn geweest. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Via de egalisatiereserve kapitaallasten creëren we rust in de VRU-begroting en voorkomt dit sterke mutaties in de gemeentelijke bijdragen. 4.5.3.3 Egalisatiereserve FLO-overgangsrecht De egalisatiereserve ‘ O-overgangsrecht’ wordt ingezet om de kosten voor het O- overgangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren.
Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO-overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. Ten opzichte van het structureel beschikbare budget wordt op begrotingsbasis bepaald welke lasten wij voor het FLO-overgangsrecht kunnen verwachten. Indien er voor het begrotingsjaar nog geen Cao-akkoord is vastgesteld, wordt de verwachte loonontwikkeling geraamd door middel van een stelpost. Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke lasten en baten voor het FLO-overgangsrecht zijn geweest. Tekorten op de begrote baten en lasten worden aan deze reserve onttrokken en overschotten worden aan deze reserve gedoteerd. 4.5.3.4 Egalisatiereserve tweede loopbaanbeleid Vanwege het wegvallen van het O voor repressief brandweerpersoneel is ‘tweede loopbaanbeleid’ geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd. In de begroting is structureel budget beschikbaar voor de kosten voor onder andere om-/bijscholing en vervanging. De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks bij aan het einde van het boekjaar met deze reserve verrekend.
65 Vanwege een vierjarig landelijk onderzoek naar de duurzame inzetbaarheid van mensen in een repressieve brandweerfunctie, mede in het licht van het tweede loopbaanbeleid verwachten wij voor 2026 geen significante stijging van de kosten voor het tweede loopbaanbeleid. 4.5.3.5 Ontwikkel- en egalisatiereserve Het algemeen bestuur heeft bij aanvang van de vorige beleidsperiode een besluit genomen om een ontwikkel- en egalisatiereserve in te stellen die gevoed kan worden met positieve rekeningresultaten. De ontwikkel- en egalisatiereserve heeft tot doel om fluctuaties en (incidentele) verhogingen van de gemeentelijke bijdragen zoveel als mogelijk te voorkomen (egalisatiefunctie). Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en in de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: - Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids-)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit de bestuursagenda of structurele efficiencyvoordelen te realiseren; - Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren.
Bij het instellen van de reserve zijn de volgende spelregels vastgesteld over de besteding en verantwoording van de middelen: ▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (beleids)activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ Bij uitloop van een project, het doorschuiven van een project naar een volgend boekjaar, of in het geval van meerjarige projecten zal het niet bestede budget teruggestort worden in de egalisatiereserve voor besteding aan dat project in een volgend boekjaar; ▪ De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze ontwikkel- en egalisatiereserve zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; ▪ Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en wat de totale omvang van de reserve is per balansdatum (maximaal € ,8 miljoen).
66 Tabel 35 Inzet middelen ontwikkel- en egalisatieserve Resultaatbestemmingsvoorstel 2025 Bij de voorlopige jaarstukken 2025 is voorgesteld om € 0k van het voordelig rekeningresultaat te bestemmen voor activiteiten in het kader van goed werkgeverschap, die gefinancierd worden via een MDIEU-subsidie (Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden). Deze subsidie is in 2025 toegekend, maar een deel van de activiteiten loopt door in 2026. Zo kan het resterende subsidiebedrag alsnog worden besteed aan het doel waarvoor het is toegekend. Prognose vanuit eerste bestuursrapportage 2026 Op basis van een voorlopige prognose voor de eerste bestuursrapportage 2026 wordt een bedrag van € 20k aan programmagelden die specifiek door het rijk zijn toegekend voor de versterking van crisisbeheersing gereserveerd. Eerdere besluitvorming Besluitvorming over de inzet van deze middelen voor genoemde activiteiten heeft eerder plaatsgevonden (€ 228k).
dr x € 1.000 Resultaat bestemming Ontwikkel- en egalisatiereserve 2026 2027 2025 Beginsaldo (1-1-2026) 1.119 - Toevoeging vanuit rekeningresultaat 2025 150 - 150 Toevoeging vanuit prognose eerste bestuursrapportage 2026 120 - - Totaal toevoegingen 270 - 150 Onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming BrandVeiligLeven -38 - Vakbekwaamheid brandweer -190 - - Subtotaal onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming -228 - Onttrekkingen voor doorlopende activiteiten 202 → 202 Programma Veerkracht -560 Gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing -145 Digitale Veiligheid -98 Versterking crisisbeheersing (activiteiten gedekt uit taakgelden BDUR) -62 - - Subtot o ttr kk voor door op d ct v t t 2025 → 2026 -865 - Onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming 2025 Inzet MDIEU-subsidie voor uitvoering programma 'Great Place to work' -150 -150 Diverse posten - Subtotaal onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming -150 - -150 Totaal onttrekkingen -1.243 - -150 Eindsaldo (31-12) 146 146 - 67 Doorlopende activiteiten Enkele activiteiten die volgens de begroting in 2025 gepland waren, lopen door in 2026. De doorschuif van middelen (€ 8 k) heeft betrekking op taakgelden die specifiek beschikbaar zijn gesteld voor vastgestelde programma- en projectactiviteiten.
4.5.3.6 st mm sr s rv ‘Incidentele crisistaken’ In de afgelopen jaren heeft de VRU, op verzoek van het Rijk en de gemeenten, extra crisistaken uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de VRU-opvangsupport. Crises zijn vaak onvoorspelbaar en vragen om een hoge mate van flexibiliteit. Het algemeen bestuur heeft in 2024 het besluit genomen om de organisatie zo in te richten dat snel en effectief op- en afgeschaald kan worden, met een zogenaamde waakvlam-stand. Deze structuur zorgt ervoor dat de VRU snel kan worden geactiveerd wanneer nodig, terwijl de reguliere taken zo min mogelijk worden verstoord door extra crisistaken. Om deze flexibiliteit te waarborgen, wordt een kernbezetting in stand gehouden die de komende jaren door het Rijk wordt gefinancierd. Deze kernbezetting zorgt ervoor dat waardevolle kennis, vaardigheden en ervaring die de afgelopen jaren binnen de VRU zijn opgebouwd, behouden blijven. De rijksfinanciering voor deze kernbezetting wordt over een periode van vijf jaar ingezet t/m 2029). Om te waarborgen dat deze middelen beschikbaar blijven gedurende de volledige vijf jaar is besloten om hiervoor een bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken' in te stellen. De komende vijf jaar zullen de kosten voor het in stand houden van de kernbezetting, gefinancierd vanuit het Rijk, uit deze reserve worden gedekt.
Bij het aanvragen en vaststellen van de bijdragen is rekening gehouden met de verwachte loon- en prijsontwikkelingen voor de komende jaren. Dit maakt het mogelijk om de kernbezetting op een stabiele manier te financieren zonder dat dit van invloed is op de gemeentelijke bijdrage. We hanteren de volgende spelregels voor de reserve ‘ ncidentele crisistaken’. ▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (formatiegerelateerde) activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze reserve voor ‘ ncidentele crisistaken’ zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; ▪ Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en wat de totale omvang van de reserve is per balansdatum. 68 Tabel 36 Inzet middelen reserve ‘Incidentele crisistaken’ De CNO-overheadvergoeding voor 2026 is nog onzeker, aangezien de duur van de opvang op verschillende locaties nog niet is vastgesteld en de bijbehorende begroting nog kan wijzigen en moet worden afgestemd met het COA.
Het bedrag aan overhead voor 2026 dat niet direct wordt ingezet voor dekking van de kosten van de uitvoeringsorganisatie in 2026, wordt gereserveerd en gestort in de bestemmingsreserve ‘incidentele crisistaken’ voor de uitvoering van crisistaken na 2026. Bijlage 6.8 geeft inzicht in de begroting van de crisisprojecten. 4.6 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is erop gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. De bedrijfsvoeringreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogelijke toekomstige financi le tegenvallers) worden opgevangen.
dr x € 1.000 Rekening Totaal Bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken' 2025 2026 2027 2028 2029 2025-2029 Beginsaldo 368 895 2.338 2.227 2.113 287 Rijksbijdrage ministerie v.BZK - - - - - - Rijksbijdrage ministerie v.J&V- DG Oekraïne - - - - - - Rijksbijdrage ministerie v.J&V- DG Asiel - - - - - - Geoormerkte middelen voor kernbezetting - - - - - 82 Reservering CNO-overheadvergoeding 527 1.978 - - - 2.505 Totaal toevoegingen 527 1.978 - - - 2.587 Uitvoeringsorganisatie incidentele crisistaken - -535 -111 -114 -118 -878 Totaal onttrekkingen - -535 -111 -114 -118 -878 Eindsaldo (31-12) 895 2.338 2.227 2.113 1.995 1.995 Begroting 69 Tabel 37 Beschikbare weerstandscapaciteit Bij de kadernota VRU is voorgesteld om een deel van het verwachte positieve rekeningresultaat van 2025 in te zetten ter dekking van knelpunten in 2026 die gerelateerd zijn aan de toekomstscenario’s. Vooruitlopend hierop is een bedrag van € ,2 miljoen in 202 onttrokken aan de algemene reserve. Via het resultaatbestemmingsvoorstel 2025 vloeit dit bedrag weer terug naar de algemene reserve. Vervolgens is bij actualisatie van de risico’s gebleken dat het benodigde weerstandsvermogen ontoereikend is om alle risico’s af te dekken. Dit betekent dat de algemene bedrijfsvoeringreserve aanvullend moet worden opgehoogd met € 0, miljoen.
n de volgende tabel zijn de belangrijkste financi le risico’s weergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de begroting VRU 2027 en geactualiseerde begroting VRU 2026. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet waaruit de benodigde weerstandscapaciteit volgt. De risico’s worden vervolgens nader toegelicht. Tabel 38 Benodigde weerstandscapaciteit 4.6.1 Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging bouwen zijn per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de dr x € 1.000 Beschikbare weerstandscapaciteit 2026 2027 Bedrijfsvoeringsreserve per 1 januari 2.641 3.004 Onttrekking ter dekking van 10% BDuR korting* -287 Onttrekking ter dekking knelpunten 2026 * -1.200 Resultaatbestemming 2025 1.200 Subtotaal bedrijfsvoeringsreserve 2.354 Ophoging bedrijfsvoeringsreserve voor weerstandscapaciteit 650 Totaal weerstandscapaciteit 3.004 3.004 * conform kadernota VRU 2027 dr x € 1.000 Nr.
Risico Status Effect Kans 4.6.1 Omgevingswet/ wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) Bijgesteld pm pm pm pm 4.6.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel Bestaand 3.084 25% 771 771 4.6.3 Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO's) Bestaand 600+/jr 50% 613 938 4.6.4 Milieurisico PFAS- aansprakelijkheidsstelling Nieuw 250 50% 125 125 4.6.5 Vitaalverklaring veiligheidsregio's Nieuw pm 75% pm pm 4.6.6 Indexeringssystematiek (per 1%) Nieuw 900 50% 450 450 4.6.7 Overige (onvoorziene) exploitatierisico's Bestaand 1.300 50% 650 709 4.6.8 Bedrijfscontinuïteit/ stroomuitval Nieuw pm 50% pm pm Totaal 2.609 2.993 Bedrag risico 2026 Bedrag risico 2027 70 financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De minister heeft de gemeenten toegezegd naar oplossingen te zoeken als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien. Deze evaluatie is nog niet gereed. De veiligheids- regio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van deze stelselherziening. Omdat het uitgangspunt is dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk, is het risico voor onvoorziene kosten voor de VRU nihil. De implementatie en effecten van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zijn op dit moment nog onvoldoende duidelijk.
Op landelijk niveau is nog geen volledig beeld voor welke gebouwtypen de Wkb zal gaan gelden. Dit zorgt voor onzekerheid in de uitvoeringspraktijk. Een mogelijk risico is dat bij onvoldoende functioneren van kwaliteitsborgers, de verantwoordelijkheid voor niet-gecertificeerde gebouwen alsnog bij gemeenten komt te liggen. Dit raakt ook onze organisatie, specifiek op het terrein van brandveiligheid. Dit kan leiden tot complexe hercontroles waarbij niet altijd kan worden vastgesteld of aan de brandveiligheidseisen is voldaan. Om deze situaties adequaat te kunnen afhandelen, is inzet van gespecialiseerde inspecteurs noodzakelijk. Dit brengt extra kosten met zich mee, waarvan de omvang en frequentie op dit moment niet zijn in te schatten. Gezien deze onzekerheden achten wij het op dit moment niet passend om dit risico al in de kadernota op te nemen. Om dit risico te blijven volgen hebben we de status aangepast en in de tabel opgenomen als pm. 4.6.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn).
Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers. In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: • 141 gekazerneerde vrijwilligers. • 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen. Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen. Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken. Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht.
Als dit door Europese regelgeving zou 71 moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € , miljoen per jaar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten. Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € , miljoen per jaar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € , naar € miljoen. Met het wegvallen van de huidige vergoedingen (€ , miljoen) zouden de meerkosten circa € 4, miljoen per jaar bedragen. Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is. Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bouwsteen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk.
Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting effect en kans Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deeltijdrichtlijn. De omvang van het risico wordt ingeschat op € , miljoen per jaar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst). 4.6.3 Overeenkomst van opdracht (OvO) Bij actualisatie van dit risico is gebleken dat het fiscale risico met betrekking tot de overeenkomst van opdracht (OVO’s) voor instructiewerkzaamheden per jaar in omvang toeneemt. Voor 202 is dit risico gekwantificeerd op € 0, miljoen maar inclusief indexatie is de omvang van dit risico tot en met 2027 opgelopen naar € 0,9 miljoen. Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s worden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er geconstateerd wordt dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben(6).
Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor 6 in het geval van een dienstbetrekking moet de werkgever loonheffingen en premies inhouden en afdragen. Daarnaast moet de werkgever loon doorbetalen bij ziekte en vakantie en zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing (zoals opbouw IKB en specifieke regels bij ontslag) en moet worden voldaan aan de arbeidstijdenwet. 72 OvO’s die worden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in 202 en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen medewerkers af te bouwen. Er is onderzocht of er een wijze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. De werkwijze met OvO’s wordt ook gehanteerd bij andere veiligheidsregio’s. In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid).
In de tussentijd blijven we een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s blijven bestaan. Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid in Nederland afgeschaft. Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. Vanaf 2025 worden er boetes opgelegd, mits bedrijven kunnen aantonen dat ze actief werken aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid. De omvang van dit risico neemt elk jaar (cumulatief) toe. De kans dat dit risico zich voordoet in 2026 is ingeschat op 50% (rekening houdend met een scherpere controle). 4.6.4 Milieurisico PFAS Het Veiligheidsberaad heeft de RCDV gevraagd de landelijke ontwikkelingen rond PFAS inzichtelijk te maken en te coördineren.
Voor veiligheidsregio’s liggen de belangrijkste risico’s op twee terreinen: gezondheidsrisico’s voor medewerkers door blootstelling via blusschuim en bluspakken, en mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging op (oefen)locaties door het gebruik van PFAS- houdend blusschuim. Een eerste landelijke verkenning laat zien dat dit vraagstuk complex is en zowel arbeidsomstandigheden als milieuschade raakt. Structurele middelen voor eventuele sanering of aanvullende beschermingsmaatregelen zijn nu niet beschikbaar. De huidige regionale situatie is dat de VRU aansprakelijk gesteld is door een grondeigenaar van een voormalige brandweerlocatie. Juridisch onderzoek wordt verricht naar de mogelijke verantwoordelijkheid van de VRU. Tegelijkertijd is de provincie Utrecht gestart met onderzoek naar 13 (voormalige) brandweerlocaties. Bestuurlijke afstemming vindt plaats over de wijze van omgaan met de huidige en de te verwachten toekomstige aansprakelijkheidstelling(en). Toelichting effect en kans Formeel kan de veiligheidsregio aansprakelijk worden gesteld voor sanering of herstel, omdat zij gebruiker is geweest van PFAS-houdend blusschuim. Tegelijkertijd is dit schuim jarenlang in 73 opdracht en conform landelijke normen toegepast. De omvang van het financiële risico is nog onzeker en afhankelijk van de uitkomsten van het landelijke onderzoek dat onder regie van de RCDV wordt uitgevoerd.
De kans dat veiligheidsregio’s met kosten worden geconfronteerd wordt vooralsnog ingeschat op middel (50%). Bij de begroting 2027 wordt dit risico opnieuw beoordeeld en opgenomen in de risicoparagraaf. 4.6.5 Vitaalverklaring veiligheidsregio’s Met de aanwijzing als vitale aanbieder (brief JenV 10 juli 2025) is de VRU primair verantwoordelijk voor de continuïteit van drie vitale processen: inzet brandweer, crisiscoördinatie en besluitvorming, en communicatie- en informatievoorziening met en tussen hulpdiensten en crisispartners. Uit een recente audit blijkt dat de VRU onvoldoende scoort op digitale veiligheid, terwijl van vitale aanbieders wordt verwacht dat zij structureel hun weerbaarheid op orde hebben. Het uitvoeren van de impacttoets zelf heeft geen directe financiële consequenties, maar de te treffen versterkingsmaatregelen kunnen leiden tot aanzienlijke structurele kosten waarvoor nu geen middelen beschikbaar zijn. Toelichting effect en kans De kans dat aanvullende investeringen noodzakelijk zijn wordt ingeschat als groot (75%). De omvang van het financiële risico is nog onzeker en wordt zichtbaar bij de uitkomsten van de impacttoets (2026). Dit risico wordt daarom opgenomen in de risicoparagraaf als pm en geactualiseerd bij het opstellen van de begroting 2027.
4.6.6 Indexeringssystematiek De aanpassing van de indexeringsmethodiek van het gemeentefonds vormde voor een aantal gemeenten aanleiding om samen met de VRU een verkenning te starten naar een werkbare indexeringssystematiek. Deze zou beter moeten aansluiten op de inflatiecorrectie die gemeenten via het gemeentefonds van het Rijk ontvangen. In dit kader is een analyse gemaakt van zowel de indexeringsmethodiek van de VRU als die van het gemeentefonds. Laatstgenoemde methodiek is per 2024 van kracht geworden. Een eventuele aanpassing van de huidige indexeringssystematiek van de VRU — bijvoorbeeld ten aanzien van de gehanteerde indexen of de timing daarvan — brengt financi le risico’s met zich mee. De omvang van deze risico’s is afhankelijk van de mate waarin de aangepaste methodiek afwijkt van de daadwerkelijke loon- en prijsontwikkelingen binnen de VRU. Toelichting effect en kans Eén procent minder loonbijstelling ten opzichte van de werkelijke loonontwikkeling leidt tot een structureel tekort van € 0,9 miljoen.
agere prijsbijstellingen ten opzichte van de werkelijke prijsontwikkeling zijn nu niet in omvang bepaald maar zullen mogelijk tot een tekort leiden in de exploitatie met het risico dat deze kosten bij de jaarrekening door gemeenten gedragen moeten worden.7 7 n de bijdrageverordening van de VRU staat: “Na afsluiting van het boekjaar vindt de nacalculatie van de werkelijke realisatie van de kosten van de gezamenlijke basistakenpakket plaats. De nacalculatie, bedoeld in de vorige volzin wordt opgenomen in de jaarrekening, overeenkomstig artikel 4.5 van de GR VRU.” 74 4.6.7 Overige onvoorziene exploitatierisico’s De veiligheidsregio kan worden geconfronteerd met onvoorziene kosten binnen het begrotingsjaar als gevolg van exogene ontwikkelingen (zoals premiestijgingen, claims, kostenfluctuaties die samenhangen met incidenten en crises). In de begroting van de VRU zijn geen posten voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Toelichting effect en kans Als dit risico zich voordoet, zal bijsturing plaatsvinden via de begroting. Het geraamde risico gaat ervan uit dat het maximaal een jaar duurt voordat de maatregelen zijn geëffectueerd. Het geraamde risico wordt ingeschat op 0,5% van de totale kosten (exclusief dotatie reserves). 4.6.8 Bedrijfscontinuïteit/ stroomuitval Het risico op langdurige stroomuitval neemt toe door elektrificatie en netcongestie.
Dit kan leiden tot uitval van digitale systemen, communicatie en vitale processen, met grote gevolgen voor inwoners en organisaties. Als vitale organisatie moeten we de continuïteit van onze dienstverlening ook onder dit soort omstandigheden borgen. De VRU bereidt zich hierop voor via risicobeheersing, operationele planvorming en samenwerking met partners. Uit uitgevoerde analyses blijkt dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de continuïteit van vitale processen te borgen. Het gaat daarbij onder meer om maatregelen op het gebied van noodstroomvoorzieningen, communicatie, brandstofvoorziening, crisiscommunicatie en maatschappelijke weerbaarheid. Daarnaast vraagt langdurige uitval om de inzet van noodstroomvoorzieningen, noodverbindingen, extra crisiscommunicatie en de activering van lokale netwerken om maatschappelijke weerbaarheid te vergroten. Deze maatregelen vragen in de praktijk aanvullende personele inzet, logistieke middelen, ondersteunende voorzieningen en investeringen. Toelichting kans en effect De kans op langdurige stroomuitval wordt als middelmatig (50%) ingeschat, doordat elektrificatie en netcongestie de kwetsbaarheid van het elektriciteitsnet vergroten. De effecten kunnen aanzienlijk zijn, zoals uitval van digitale systemen, communicatievoorzieningen en vitale processen, waardoor continuïteit van de hulpverlening onder druk kan komen te staan.
Om deze risico's te beperken zijn aanvullende maatregelen en investeringen noodzakelijk. De omvang van de benodigde maatregelen en investeringen wordt de komende periode verder uitgewerkt. De exacte financiële consequenties zijn op dit moment nog niet volledig inzichtelijk. 4.6.9 Kengetallen Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen. 75 De kengetallen dienen te worden beoordeeld in samenhang met elkaar en met de financiële positie.
Tabel 39 Kengetallen Tabel 39 Kengetallen (vervolg) dr x € 1.000 Omschrijving A Eigen vermogen (cf.art.42 BBV) 33.891 35.606 38.295 B Balanstotaal 103.630 110.264 132.297 Solvabiliteit (A/B) x 100% 32,7% 32,3% 28,9% dr x € 1.000 Omschrijving Rekening 2025 Actualisatie 2026 Begroting 2027 A Totale structurele lasten 121.085 128.620 140.140 B Totale structurele baten 121.178 127.080 139.862 C Totale structurele toevoegingen aan de reserves 361 402 264 D Totale structurele onttrekkingen aan de reserves - - - E Totale baten (excl.projectfinanciering crisisprojecten & reserves) 128.072 131.135 138.847 Structurele exploitatieruimte ((B-A)+(D-C))/E x 100% -0,2% -1,5% -0,4% Rekening 2025 Actualisatie 2026 Begroting 2027 Structurele exploitatieruimte dr x € 1.000 Omschrijving Rekening 2025 Actualisatie 2026 Begroting 2027 A Vaste schulden (cf.art. 46 BBV) 51.385 56.412 75.606 B Netto vlottende schuld (cf.art. 48 BBV) 4.855 5.000 5.000 C Overlopende passiva (cf.art. 49 BBV) 12.543 12.500 12.500 D Financiële vaste activa (cf.art. 36 lid d, e en f) - - - E Uitzettingen < 1 jaar (cf.art. 39 BBV) 29.187 33.279 48.928 F Liquide middelen (cf.art. 40 BBV) 410 500 500 G Overlopende activa (cf.art. 40a BBV) 7.348 2.000 2.000 H Totale baten (cf.art. 17 lid c BBV, dus excl.
onttrekking reserves) 138.729 131.135 138.847 Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100% 23,0% 29,1% 30,0% dr x € 1.000 Omschrijving Rekening 2025 Actualisatie 2026 Begroting 2027 A Vaste schulden (cf.art. 46 BBV) 51.385 56.412 75.606 B Netto vlottende schuld (cf.art. 48 BBV) 4.855 5.000 5.000 C Overlopende passiva (cf.art. 49 BBV) 12.543 12.500 12.500 D Financiële vaste activa (cf.art. 36 lid d, e en f) 13 10 7 E Uitzettingen < 1 jaar (cf.art. 39 BBV) 29.187 33.279 48.928 F Liquide middelen (cf.art. 40 BBV) 410 500 500 G Overlopende activa (cf.art. 40a BBV) 7.348 2.000 2.000 H Totale baten (cf.art. 17 lid c BBV, dus excl. onttrekking reserves) 138.729 131.135 138.847 Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100% 23,0% 29,1% 30,0% Netto schuldquote gecorrigeerd voor leningen Netto schuldquote 76 5 Financiën 5.1 Baten en lasten 2026 & 2027 5.1.1 Baten en lasten per programma Tabel 40 Baten en lasten per programma Op basis van artikel 7 van het ‘ esluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten’ (BBV) is in de financiële begroting het volgende overzicht van baten en lasten opgenomen waarbij de kosten van overhead apart inzichtelijk worden gemaakt.
Tabel 41 Baten en lasten per programma met overheadspecificatie Bedragen x € 1.000 Programma VRU baten en lasten Rekening 2025 Begroting 2026 Actualisatie 2026 Begroting 2027 Lasten exploitatie 134.674 128.522 140.743 136.244 Storting reserves 4.561 948 6.607 3.155 Totaal Lasten 139.235 129.470 147.350 139.399 Baten exploitatie 138.729 127.596 143.204 138.933 Onttrekking reserves 3.253 1.875 4.146 466 Totaal Baten 141.982 129.470 147.350 139.399 Saldo 2.747 - - - dr x € 1000 Overzicht van baten en lasten lasten baten saldo lasten baten saldo lasten baten saldo Veiligheidsregio Utrecht 109.517 137.460 27.943 110.470 142.832 32.362 107.019 138.679 31.660 Overhead 25.157 1.269 -23.889 30.273 372 -29.901 29.225 254 -28.971 Saldo van baten en lasten 134.674 138.729 4.055 140.743 143.204 2.461 136.244 138.933 2.689 Mutaties in reserves saldo dotatie onttrekking saldo dotatie onttrekking saldo Veiligheidsregio Utrecht 3.478 2.285 -1.193 5.806 3.670 -2.135 2.720 378 -2.341 Overhead 1.083 968 -114 801 476 -326 436 88 -348 Saldo mutaties in reserves 4.561 3.253 -1.308 6.607 4.146 -2.461 3.155 466 -2.689 Totaal 139.235 141.982 2.747 147.350 147.350 - 139.399 139.399 - Actuele begroting 2026 Begroting 2027Rekening 2025 77 5.1.2 Baten en lasten per categorie Tabel 42 Baten en lasten per categorie De volgende mutaties zijn verwerkt: Mutaties met effect op de gemeentelijke bijdragen: -
Toepassing financieel kader (zie § 2.3) - Beleidsontwikkelingen (zie hoofdstuk 3) Mutaties zonder effect op de gemeentelijke bijdragen: - Mutaties in de reserves (zie § 4.5.3) - Overige technische saldoneutrale mutaties binnen en tussen categorieën Bedragen x € 1.000 Rekening 2025 Begroting 2026 Actualisatie 2026 Begroting 2027 LASTEN Personele kosten 105.624 100.874 110.125 107.289 Kapitaallasten 8.721 11.759 9.307 11.493 Materiële kosten 20.330 15.889 21.311 17.461 Totaal Lasten 134.674 128.522 140.743 136.244 BATEN Bijdragen en vergoedingen gemeenten 103.998 111.427 111.708 119.799 Rijksbijdrage 16.881 14.014 16.678 16.278 Overige baten 17.850 2.154 14.818 2.855 Totaal Baten 138.729 127.596 143.204 138.933 Saldo van baten en lasten 4.055 -927 2.461 2.689 Storting reserves 4.561 948 6.607 3.155 Onttrekking reserves 3.253 1.875 4.146 466 Resultaat 2.747 - - - 78 5.1.3 Incidentele baten en lasten In tabel 43 zijn de bestuurlijk relevante projecten opgenomen die incidenteel gefinancierd zijn door het Rijk/ derden of worden gedekt uit bestemmingsreserves. Het onderscheid tussen incidentele en structurele baten beschouwen wij vanuit de structurele of incidentele toekenning van middelen. Hieruit volgt dat wij alle middelen die wij toegekend krijgen van onze VRU-gemeenten voor het basistakenpakket (GBTP) en het maatwerk (IGPP) als structureel aanmerken.
De middelen die wij voor specifieke projecten ontvangen van derden (Rijk, Provincie en COA) en middelen die wij vanuit de resultaatbestemming van een voorgaand jaar kunnen inzetten zien wij als incidentele baten. Dit is vooral van toepassing op het jaar 2026. Vanuit deze beschouwing is de storting of onttrekking uit een aantal reserves als egalisatiefunctie door de VRU als structureel aangemerkt. Tabel 42 geeft het overzicht van incidentele baten en lasten zoals voorgeschreven in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Dit is een verplicht onderdeel van de gemeentelijke begroting en jaarrekening. Het doel is om inzicht te geven in de posten die het begrotingssaldo tijdelijk beïnvloeden, zodat beoordeeld kan worden of de begroting structureel in evenwicht is. Tabel 43 Overzicht incidentele baten en lasten programma’s en projecten dr x € 1.000 Categorie Totaal 2026 Bijstelling roosterfactor Paraatheid inzet pers. Digitale Veiligheid Bedrijfs& IT- continuïteit Vakbekw. heid Programma Veerkracht Natuur- brandbeh. Versterking Crisisbeh. Great place to work Regeling PTSS Brandveilig leven Uitv.org. crisisproj.
CNO Asiel Opvang Oekraïners Evacuees Gaza LASTEN Personele kosten 10.873 500 168 1.553 - 290 577 - 62 150 48 - 716 5.849 687 273 Kapitaallasten - - - - - - - - - - - - - - - - Materiële kosten 5.084 - - 250 448 - 433 145 - - - 38 - 3.300 110 360 Totaal Lasten 15.957 500 168 1.803 448 290 1.010 145 62 150 48 38 716 9.149 797 633 BATEN Bijdragen gemeenten 1.721 500 168 505 448 100 - - - - - - - - - Rijksbijdrage 2.108 - - - - - 450 - - - 48 - 180 - 797 633 Overige baten 11.127 - - - - - - - - - - 11.127 - - Totaal Baten 14.956 500 168 505 448 100 450 - - - 48 - 180 11.127 797 633 Saldo van baten en lasten -1.001 - - -1.298 - -190 -560 -145 -62 -150 - -38 -535 1.978 - - Storting reserves 1.978 - - - - - - - - - - - 1.978 - - Onttrekking reserves 2.978 - - 1.298 - 190 560 145 62 150 - 38 535 - - - Resultaat - - - - - - - - - - - - - - - - 79 Tabel 44 geeft het overzicht van incidentele baten en lasten zoals voorgeschreven in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Dit is een verplicht onderdeel van de gemeentelijke begroting en jaarrekening. Het doel is om inzicht te geven in de posten die het begrotingssaldo tijdelijk beïnvloeden, zodat beoordeeld kan worden of de begroting structureel in evenwicht is.
Tabel 44 Overzicht incidentele baten en lasten dr x € 1.000 Incidentele baten en lasten Begroting 2026 Actualisatie 2026 Begroting 2027 LASTEN Knelpunten brandweer - 768 - Digitale Veiligheid - 1.705 - Bedijfs- en IT-continuïteit - 448 - Subtotaal incidentele lasten knelpunten 2026 (kadernota 2027) - 2.921 - Projectkosten Veiligheidsregio's Meldkamer Midden-Nederland 199 - - Frictiekosten overgang naar nieuwe Meldkamer - - - Implementatiekosten Meldkamer Midden-Nederland 63 - - Subtotaal incidentele lasten nieuwe meldkamer 263 - - Uitvoeringsorganisatie crisistaken 482 716 297 Opvang ontheemden Oekraïne - 797 - Crisisnoodopvang statushouders en asielzoekers - 11.127 - Opvang en begeleiding van evacuees uit crisisgebieden - 633 - Pilots noodsteunpunten (weerbaarheid) - 400 - Subtotaal incidentele lasten crisisprojecten en noodsteunpunten 482 13.673 297 Incidentele lagere exploitatielasten loonontwikkeling cao - -1.495 -2.748 Incidentele exploitatielasten gedekt uit kapitaallastenreserve 245 632 267 Incidenteel lagere kapitaallasten -356 -3.148 -2.354 Incidentele storting in kapitaallastenreserve (egalisatie) 356 3.379 2.354 Incidentele FLO-lasten gedekt uit FLO-egalisatiereserves FLO - - - Incidentele kosten voor ontwikkelactiviteiten en doorschuif projecten** 190 1.093 - Subtotaal incidentele lasten via reserves overig 435 461 -2.481 Inzet MDIEU 2025 uitvoering programma
'Great Place to work' (via RB'25) - 150 - Uitvoering landelijke regeling PTSS 2026-2028 - 48 48 Vervanging gedetacheerde medewerkers - 257 134 Subtotaal incidentele lasten VRU-breed - 455 182 Totaal incidentele LASTEN 1.180 17.510 -2.002 BATEN Projectbijdrage Veiligheidsregio's Meldkamer Midden-Nederland -199 - - Incidentele bijdrage nationale politie (via reserve meldkamer) - - - Incidentele rijksbijdrage (via reserve meldkamer) -63 - - Subtotaal incidentele baten nieuwe meldkamer -263 - - Rijksbijdrage en overige bijdragen uitvoeringsorganisatie crisistaken -194 -180 -185 Incidentele (rijks)bijdrage voor opvang ontheemden Oekraïne - -797 - Incidentele bijdrage van het centraal orgaan asielzoekers (COA) - -11.127 - Incidentele rijksbijdrage voor uitvoeringskosten opvang evacuees -633 - Pilots noodsteunpunten (weerbaarheid) - -400 - Subtotaal incidentele baten crisisprojecten en noodsteunpunten -194 -13.137 -185 Incidentele onttrekking egalisatiereserve kapitaallasten -245 -632 -267 Incidentele onttrekking egalisatiereserves FLO - - - Incidentele onttrekking ontwikkel- en egalisatiereserve** -190 -1.243 - Incidenteel lagere gemeentelijke bijdrage GBTP financieel kader - 1.495 2.748 Incidenteel hogere gemeentelijke bijdrage GBTP beleidsontwikkelingen - -1.721 - Onttrekking uitvoeringsorganisatie crisistaken -289 -535 -111 Subtotaal incidentele baten via reserves overig -724
-2.636 2.369 Incidentele onttrekking algemene reserve t.b.v. financieel kader -1.088 -287 - Incidentele onttrekking algemene reserve t.b.v. beleidsontwikkelingen - -1.200 - -1.088 -1.487 - Rijksbijdrage uitvoering landelijke regeling PTSS 2026-2028 - -48 -48 Detacheringsinkomsten - -257 -134 Subtotaal incidentele baten VRU-breed - -305 -182 Totaal incidentele BATEN -2.268 -17.566 2.002 Totaal saldo van incidentele baten en lasten* -1.088 -56 0 Financieel effect GBTP * De 10%-korting op de BDuR wordt in 2026 incidenteel gedekt en vanaf 2027 s tructureel binnen begroting ** Zie paragr aaf 4.5.3.5 Ontwikkel- en egalis atieres erve 80 5.2 Meerjarenraming 2027-2031 5.2.1 Meerjarenraming 2027-2031 Tabel 45 Meerjarenraming Bedragen x € 1.000 Begroting 2027 Begroting 2028 Begroting 2029 Begroting 2030 Begroting 2031 e.v.
LASTEN Personele kosten 107.289 110.682 110.642 110.323 113.132 Kapitaallasten 11.493 12.834 13.511 13.928 15.151 Materiële kosten 17.461 17.497 17.485 17.485 17.484 Totaal Lasten 136.244 141.012 141.639 141.736 145.768 BATEN Bijdragen en vergoedingen gemeenten 119.799 123.328 123.326 123.972 128.266 Rijksbijdrage 16.278 16.283 16.241 16.045 16.045 Overige baten 2.855 2.721 2.721 2.716 2.386 Totaal Baten 138.933 142.333 142.288 142.732 146.696 Saldo van baten en lasten 2.689 1.321 649 996 928 Storting reserves 3.155 1.799 1.096 1.361 1.195 Onttrekking reserves 466 479 447 364 267 Resultaat - - - - - 81 5.2.2 Raming meerjarig verloop reserves Tabel 46 dr x € 1.000 Boekwaarde 31-12-2025 Resultaat- bestemming 2025 Toevoeging 2026 Onttrekking 2026 Boekwaarde 31-12-2026 Toevoeging 2027 Onttrekking 2027 Boekwaarde 31-12-2027 Bedrijfsvoeringsreserve 2.641 1.850 - 1.487 3.004 - - 3.004 Algemene reserves 2.641 1.850 - 1.487 3.004 - - 3.004 Egalisatiereserve kapitaallasten 23.596 4.208 817 26.987 2.442 355 29.074 Egalisatiereserve FLO overgangsrecht 1.279 54 - 1.333 516 - 1.849 Egalisatiereserve tweede loopbaan 1.551 247 - 1.798 197 - 1.995 Ontwikkel- en egalisatiereserve 1.119 150 120 1.243 146 - - 146 Bestemmingsreserve incidentele crisistaken 895 1.978 535 2.338 - 111 2.227 Bestemmingsreserve meldkamer 63 - 63 0 - - 0 Bestemmingsreserves 28.503 150 6.607 2.659 32.602 3.155 466 35.291
Totaal reserves 31.144 2.000 6.607 4.146 35.606 3.155 466 38.295 dr x € 1.000 Toevoeging 2028 Onttrekking 2028 Boekwaarde 31-12-2028 Toevoeging 2029 Onttrekking 2029 Boekwaarde 31-12-2029 Toevoeging 2030 Onttrekking 2030 Boekwaarde 31-12-2030 Bedrijfsvoeringsreserve - - 3.004 - - 3.004 - - 3.004 Algemene reserves - - 3.004 - - 3.004 - - 3.004 Egalisatiereserve kapitaallasten 1.175 364 29.885 472 329 30.027 736 364 30.399 Egalisatiereserve FLO overgangsrecht 427 - 2.277 427 - 2.704 427 3.131 Egalisatiereserve tweede loopbaan 197 - 2.192 197 - 2.389 197 2.585 Ontwikkel- en egalisatiereserve - - 146 - - 146 - 146 Bestemmingsreserve incidentele crisistaken - 114 2.113 - 118 1.995 - 1.995 Bestemmingsreserve meldkamer - - 0 - - 0 - 0 Bestemmingsreserves 1.799 479 36.611 1.096 447 37.261 1.361 364 38.257 Totaal reserves 1.799 479 39.615 1.096 447 40.265 1.361 364 41.261 5.3 | Gemeentelijke bijdrage 2026-2031 5.3.1 | Ontwikkeling gemeentelijke bijdrage 2026-2031 In de volgende tabel zijn de mutaties opgenomen die een effect hebben op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket (GBTP).
Tabel 47 Ontwikkeling gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket (GBTP) 2026-2031 5.3.2 | Gemeentelijke bijdrage 2026-2031 per gemeente Tabel 48 Gemeentelijke bijdrage per gemeente voor het GBTP 2026-2031 82 83 5.3.3 Gemeentelijke bijdrage en vergoedingen 2026-2031 per gemeente Tabel 49 Gemeentelijke bijdrage (GBTP) en vergoeding per gemeente (IGPP) dr x € 1.000 Gemeente GBTP 2026 IGPP 2026 Bijdrage 2026 GBTP 2027 IGPP 2027 Bijdrage 2027 GBTP 2028 IGPP 2028 Bijdrage 2028 GBTP 2029 IGPP 2029 Bijdrage 2029 GBTP 2030 IGPP 2030 Bijdrage 2030 GBTP 2031 e.v. IGPP 2031 e.v. Bijdrage 2031 e.v.
Amersfoort 12.529 496 13.025 13.449 511 13.961 13.855 511 14.366 13.855 511 14.366 13.929 511 14.441 14.422 511 14.934 Baarn 2.037 34 2.071 2.184 35 2.220 2.249 35 2.285 2.249 35 2.285 2.261 35 2.297 2.340 35 2.376 Bunnik 1.196 - 1.196 1.281 - 1.281 1.319 - 1.319 1.319 - 1.319 1.326 - 1.326 1.372 - 1.372 Bunschoten 1.426 24 1.450 1.529 26 1.555 1.574 26 1.600 1.574 26 1.600 1.583 26 1.609 1.638 26 1.664 De Bilt 3.423 - 3.423 3.665 - 3.665 3.772 - 3.772 3.772 - 3.772 3.791 - 3.791 3.921 - 3.921 De Ronde Venen 3.369 - 3.369 3.608 - 3.608 3.713 - 3.713 3.713 - 3.713 3.733 - 3.733 3.861 - 3.861 Eemnes 741 21 762 794 22 816 817 22 839 817 22 839 821 22 843 849 22 871 Houten 3.094 53 3.147 3.347 52 3.399 3.458 52 3.510 3.458 51 3.509 3.478 51 3.529 3.614 51 3.664 IJsselstein 2.199 18 2.217 2.370 18 2.389 2.446 18 2.464 2.446 18 2.464 2.459 18 2.478 2.551 18 2.569 Leusden 2.163 124 2.287 2.322 127 2.449 2.392 127 2.519 2.392 127 2.519 2.405 127 2.532 2.490 127 2.617 Lopik 986 - 986 1.054 - 1.054 1.084 - 1.084 1.084 - 1.084 1.090 - 1.090 1.127 - 1.127 Montfoort 989 - 989 1.058 - 1.058 1.088 - 1.088 1.088 - 1.088 1.094 - 1.094 1.131 - 1.131 Nieuwegein 4.793 - 4.793 5.153 - 5.153 5.312 - 5.312 5.312 - 5.312 5.341 - 5.341 5.534 - 5.534 Oudewater 758 25 783 811 25 837 835 25 860 835 25 860 839 25 865 868 25 893 Renswoude 415 - 415 444 - 444 457 - 457 457 - 457 459 - 459 474 - 474 Rhenen
1.373 - 1.373 1.472 - 1.472 1.516 - 1.516 1.516 - 1.516 1.524 - 1.524 1.577 - 1.577 Soest 3.479 69 3.548 3.731 72 3.803 3.842 72 3.914 3.842 72 3.914 3.862 72 3.934 3.997 72 4.069 Stichtse Vecht 4.901 207 5.108 5.247 214 5.460 5.399 214 5.613 5.399 214 5.613 5.427 214 5.641 5.612 214 5.826 Utrecht 34.972 601 35.574 37.541 621 38.163 38.673 621 39.294 38.673 621 39.294 38.880 621 39.501 40.257 621 40.878 Utrechtse Heuvelrug 4.008 93 4.101 4.288 95 4.383 4.411 92 4.503 4.411 91 4.502 4.434 91 4.525 4.584 91 4.675 Veenendaal 4.255 73 4.328 4.626 77 4.703 4.790 77 4.866 4.790 77 4.866 4.820 77 4.896 5.019 77 5.095 Vijfheerenlanden 4.297 151 4.448 4.597 151 4.749 4.730 151 4.881 4.730 151 4.881 4.754 151 4.905 4.915 151 5.066 Wijk bij Duurstede 1.806 11 1.818 1.933 12 1.945 1.988 12 2.001 1.988 12 2.001 1.999 12 2.011 2.066 12 2.079 Woerden 3.854 234 4.088 4.134 241 4.375 4.258 241 4.499 4.258 241 4.499 4.280 241 4.521 4.430 241 4.672 Woudenberg 941 - 941 1.008 - 1.008 1.038 - 1.038 1.038 - 1.038 1.043 - 1.043 1.079 - 1.079 Zeist 5.079 389 5.468 5.449 401 5.850 5.613 401 6.013 5.613 401 6.013 5.642 401 6.043 5.841 401 6.242 Totaal 109.085 2.623 111.708 117.098 2.702 119.800 120.627 2.698 123.325 120.627 2.696 123.323 121.274 2.696 123.970 125.569 2.696 128.265 84 5.4 Uiteenzetting financiële positie 5.4.1 Geprognosticeerde balans Tabel 50 Geprognosticeerde balans dr x € 1.000
Gerealiseerd Prognose Prognose Prognose Prognose Prognose Geprognosticeerde balans 31-12-25 31-12-26 31-12-27 31-12-28 31-12-29 31-12-30 VASTE ACTIVA Materiële vaste activa: 66.673 74.475 80.862 84.058 82.600 89.207 Financiële vaste activa: 13 10 7 4 2 - VLOTTENDE ACTIVA Uitzettingen met een rentetypische looptijd ≤ jaar: 29.187 33.279 48.928 49.097 48.703 51.935 Liquide middelen: 410 500 500 500 500 500 Overlopende activa: 7.348 2.000 2.000 2.000 2.000 2.000 Totaal activa 103.630 110.264 132.297 135.659 133.805 143.642 dr x € 1.000 Gerealiseerd Prognose Prognose Prognose Prognose Prognose Geprognosticeerde balans 31-12-25 31-12-26 31-12-27 31-12-28 31-12-29 31-12-30 VASTE PASSIVA Eigen vermogen Algemene reserve: 2.641 3.004 3.004 3.004 3.004 3.004 Bestemmingsreserves: 28.503 32.602 35.291 36.611 37.261 38.257 Gerealiseerde resultaat: 2.747 33.891 35.606 38.295 39.615 40.265 41.261 Voorzieningen 957 746 896 1.075 1.290 1.548 Langlopende schulden met een rentetypische looptijd ≥ jaar: 51.385 56.412 75.606 77.470 74.750 83.333 VLOTTENDE PASSIVA Netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd ≤ jaar: 4.855 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 Overlopende passiva: 12.543 12.500 12.500 12.500 12.500 12.500 Totaal passiva 103.631 110.264 132.297 135.659 133.805 143.642 85 Toelichting: De ramingen van de materiële vaste activa en de langlopende schulden zijn ontleend aan de het