CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

13.b Bijlagen bij de ontwerptoelichting.pdf

Raadscommissie 10 februari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Voskuilerdijk 2628.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

35

√

√

6.5

van het product, de omvang van de opslag en de verblijftijd in de opslagplaats om broei en fermentatie tijdens de opslag te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Verder wordt door goed management van de (co-)/mestvergistingsinstallatie het ontstaan van ongewenste geurstoffen als zwavelhoudende stoffen (H2S), vluchtige vetzuren, fenolen, ammonia en vluchtige aminen tijdens het vergistingsproces zoveel mogelijk voorkomen. Het gewicht van het dubbele membraanfoliedoek op de vergistingssilo’s zorgt voor een continue lichte overdruk in het intern gasnet van de installatie. Deze lichte overdruk zorgt voor doorstroming van de leiding naar de aansluiting op de gascompressor, die met een overdruk tot 40 mbar het gas naar de WKK en de biogasopwerking pompt. De installatieonderdelen vergister, gasleiding en gasopslag onder de gasdaken in de vergistingsruimten, fungeren als communicerende vaten met een gelijke lichte overdruk. De gasdruk in dit stelsel wordt bewaakt. De besturing draagt zorg voor uitschakeling van de compressor bij het benaderen van een onderdruk situatie. Hierop zal door automatische sturing de WKK zich eveneens afschakelen en stoppen. Het mogelijk ongecontroleerd vrijkomen wordt hiermee voorkomen. Geur pluimveebedrijf

Mede vanwege de omschakeling van traditioneel gehouden leghennen naar biologische leghennen zijn geurbelastingsberekeningen gemaakt van de huidige bedrijfsvoering en de toekomstige bedrijfsvoering. De berekeningen zijn uitgevoerd met het V-Stacks Vergunning model v.2020. Voor de beide berekeningen wordt verwezen naar bijlage 11B. In bijlage 11A zijn de uitgangspunten voor de V-Stacks berekeningen toegelicht. Voor de leghennen geldt de Rav-code E 2.11.1 van toepassing met een geuremissiefactor van 0,34 OuE/dierplaats/s. Voor de mestopslag i.c. een droogtunnel met oppervlaktedroging (dichte banden) is geen geuremissiefactor vastgesteld. Er werden daarnaast nog 2 paarden gehouden. Hiervoor geldt evenmin een geuremissiefactor. Uit de V-Stacks berekeningen blijkt dat de geurbelasting bij de dichtstbijgelegen woning, Voskuilerdijk 28, afneemt van 11,2 naar 7,0 OuE/m3. Het huisvestingssysteem blijft ongewijzigd na aanpassing en vergroting van beide stallen. Het aantal kippen neemt af met 3.020 stuks naar 41.880 stuks. Bovendien worden de emissiepunten (eindgevelventilatie inclusief stuwbakken) ruim 50 meter opgeschoven, verderaf gelegen t.o.v. de woning aan de Voskuilerdijk 26. Voorts is nog gekeken naar de gecumuleerde geurbelasting op de woningen in de directe omgeving van De Greef.

Bij elkaar opgeteld neemt de hoogste geurbelasting op de dichtstbijgelegen woning, Voskuilerdijk 28, met 4,1 OuE/m3 af van 11,2 + 2,0 = 13,2 OuE/m3 naar 7,0 + 2,1 = 9,1 OuE/m3. Dit geldt in meer of mindere mate voor de andere woningen aan de Voskuilerdijk. Ter plaatse van de verder weg gelegen geurgevoelige objecten (ggo’s), t.w. de agrarische bedrijfswoningen Voskuilerdijk 15, 36 en 40 neemt de geurbelasting in lichte mate toe, doch uit de berekeningen blijkt dat zowel in de vergunde als de

36

aangevraagde situatie ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde voor de geurbelasting van 14 OuE/m3. 6.6

Luchtkwaliteit

In 2018 is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd op het leghennen deel (2 schuren) en op de co/mestvergisterinstallatie. De immissieconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof vanwege de aangevraagde activiteiten van De Greef zijn berekend. In de berekeningen is uitgegaan van worst case aannames, kengetallen en benutting van de vergunde productiecapaciteit en aangepast huisvestingssysteem pluimveestal. Geconcludeerd is in 2018 dat met betrekking tot de activiteiten, het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt, en evenmin voor toekomstige ontwikkelingen, zoals uitbreiding van de vergistingsinstallatie met een drooginstallatie voor dikke digestaatfractie, toploader en opslagvoorzieningen gedroogd product. In vergelijking met een WKK is er bij een groen gas installatie geen sprake van emissies naar de lucht van SOx en NOx. In de biogasopwerkingsinstallatie wordt de resterende H2S en NH3 uit het biogas gehaald en in één van de 2 actief koolfilters opgenomen en bij verzadiging van het AK filter afgevoerd. Door de verdere luchtreiniging in de CO2-vervloeiingsinstallatie wordt ook de gebruikelijke methaanslip van 1% in de gasopwerkingsinstallatie gereduceerd naar nihil. Alle niet-condenseerbare verontreinigingen worden in de CO2-terugwininstallatie (actieve koolfilter) uit de CO2-luchtstroom gehaald en bij verzadiging van het AK filter afgevoerd.

Met de ingebruikneming van de biogasopwerkingsinstallatie en de CO2-vervloeiiingsinstallatie wordt op middellange termijn het gebruik van de WKK-motoren met een hoge NOx-uitstoot ten minste gehalveerd, dus een zekere verbetering van de stikstokdepositie op de nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Eén van de 2 WKK-motoren wordt naar verwachting op termijn afgeschakeld. In verband met de beoogde te wijzigen bedrijfsvoering met betrekking tot het pluimveebedrijf en het vergroten van de vergistingscapaciteit is opnieuw een luchtkwaliteitsonderzoek anno 2023 uitgevoerd met kenmerk: Notitie 22310242.N02 d.d. 13 oktober 2023. Voor de inhoud van de notitie wordt verwezen naar bijlage 13 van de aanvraag omgevingsvergunning. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de ter plaatse van de omliggende woningen ten hoogst berekende jaargemiddelde bijdrage NO2 bedraagt 2,1 μg/m³, voor PM10 eveneens 2,1 μg/m³ en voor PM2,5 is de berekende jaargemiddelde bijdrage 0,3 μg/m³. De conclusie is dat de in de directe omgeving van de inrichting berekende concentraties NO2, PM10, PM2,5 in de aan te vragen situatie (ruim) lager zijn dan de grenswaarden als gegeven in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de aan te vragen wijzigingen en uitbreiding van de vergistingscapaciteit.

37

Hieruit volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. 6.7

Wet natuurbescherming

6.7.1

Gebruiksfase

De Greef beschikt over een adequate Wnb-vergunning, op 2 november 2018 door provincie Utrecht aan het bedrijf verstrekt. Hierbij zijn zowel de stikstofemissies van het pluimveebedrijf als van de vergister meegenomen in de berekeningen. Voor de uitbreidingsplannen is de stikstofemissie van het gehele bedrijf opnieuw in beeld gebracht middels metingen en berekeningen. Met het nieuwe Aerius model 2023 is de depositie in beeld gebracht. Hierbij wordt verwezen naar bijlage 15 AERIUS_projectberekening_20231012204622_Situatie2beoogdReiLTbVDz9qX van de aanvraag omgevingsvergunning. De totale ammoniakemissie bedraagt in de beoogde situatie 3.944,7 kg NH3/jaar. De totale NOx-emissie bedraagt in de beoogde situatie 3.723,7 kg NOx/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie in 2018 betekent dit een afname voor de NH3-emissie van 10,7% en voor de NOx-emissie van 44,9%. De stikstofdepositie wordt berekend tot een afstand van 25 km van de bron. Omdat de geometrie van de bronnen in de referentiesituatie en de aan te vragen situatie niet één op één overeenkomt heeft dit als consequentie dat ter plaatse van de hexagonen die liggen op 25 km afstand randeffecten kunnen optreden, waarbij in de verschilberekening toe- of afnames worden berekend die er feitelijk niet zijn.

Dit komt doordat op de maximale rekenafstand van 25 km van de bronnen uit de referentiesituatie geen (of gedeeltelijke) overlap optreedt met de maximale rekenafstand van 25 km van de bronnen in de beoogde situatie. De conclusie is dat de emissie en depositie van stikstof in de beoogde situatie niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie. Voor zover een toename van de depositie wordt berekend is dit het gevolg van een randeffect. Voor de berekende randeffecten wordt verwezen naar bijlage 16 AERIUS_randeffect_projectberekening_20231012204622_Situatie2beoogdReiLTbVDz9qX van de aanvraag omgevingsvergunning. De uitgangspunten voor de Aerius berekeningen zijn toegelicht in de rapportage Stikstofdepositie onderzoek (kenmerk: Notitie 22310242.N01 d.d. 13 oktober 2023) (bijlage 14 van de aanvraag). 6.7.2

Bouwfase

In het kader van de Wet natuurbescherming dient de stikstofdepositie vanwege de betreffende ontwikkelingen in de bouwfase op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden

38

gemaakt. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator 2023 (nieuwste versie per 5 oktober 2023). Tijdens de bouw van de 2 nieuwe opslagsilo’s, plaatsen 2e gasopwerkingsinstallatie en CO2-afvangvervloeiingsinstallatie, de verlenging van de 2 bestaande pluimveestallen en de herinrichting van het buitenterrein zullen er diverse stikstofemissiebronnen zijn. De volgende emissiebronnen zijn relevant: • • • • • • • •

verkeersbewegingen ten behoeve van bouwpersoneel en aannemer/opzichter; verkeersbewegingen ten behoeve van aanvoer van bouwmateriaal; verkeersbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van mobiele werktuigen; verkeersbewegingen ten behoeve van truckmixers; graafmachine en shovel ten behoeve van het bouwrijp maken van het terrein; heistelling ten behoeve van de fundering; truckmixer en betonpomp ten behoeve van het storten van een vloer; kraan en hoogwerker ten behoeve van de constructie van de nieuwe bedrijfsonderdelen.

Voor de uitgangspunten van de berekening van de stikstofdepositie in de bouwfase wordt verwezen naar bijlage 23 van de omgevingsvergunningsaanvraag. De resultaten van de Aerius versie 2023 berekening zijn weergegeven in het rapport in bijlage 24 van de aanvraag. Uit de berekening volgt dat als gevolg van de beoogde ontwikkelingen in de bouwfase geen depositie op van meer dan 0,00 mol/ha/jaar optreedt. Hiermee is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies in de bouwfase op omliggende Natura 2000-gebieden zullen zijn. 6.8 Afvalstoffen 6.8.1

Afval afkomstig van biogasopwerking en CO2-vervloeiing

De gasopwerkingsinstallatie en de CO2 vervloeiingsinstallatie produceren slechts één vaste afvalstof: de inhoud van het actieve koolfilter in de reinigingsinstallaties, welke 1 - 2 x per jaar wordt verwisseld. Het gaat hierbij om 3000 kg vervuild kool per jaar. Deze afvalstroom wordt afgevoerd als gevaarlijk afval of wordt teruggestuurd naar de leverancier, waar het wordt geregenereerd en hergebruikt. Het condensaat dat opgevangen wordt tijdens de koelingsstap in de voorreiniging wordt teruggeleid naar de vergister (in de meng-/hydrolysetank). Het ‘geproduceerde’ spuiwater uit de luchtwasser wordt periodiek met een tankwagen afgevoerd en wordt toegepast als meststof voor bemesting op cultuurlandgronden. Het spuiwater betreft de ammoniak houdende lucht uit de afzuiging van de mest-/digestaat opslagvoorzieningen, t.w. de schroefpersfilter ruimte, de opslagplaats dikke digestaatfractie en toploader en de droogruimte, en hetgeen met zwavelzuur wordt gebonden tot de (NH4)2SO4-houdende meststof.

39

6.8.2

Acceptatie van stoffen van derden

De producten die worden aangevoerd bij De Greef kunnen worden gekenmerkt als zijnde afval. Derhalve is voor het project een beleid opgesteld voor de acceptatie en registratie van alle binnenkomende biomassa stromen. Voor het accepteren van plantaardige co-substraten is een procedure voor de AO/IC en het A&V (beleid m.b.t. de administratieve organisatie en interne controle en het acceptatie- en verwerkingsbeleid) opgesteld. Voor de inhoud van het A&V-AO/IC document wordt verwezen naar bijlage 18, die bij de aanvraag gevoegd. Daarnaast is een document ‘Toetsing doelmatigheid toepassing afvalstoffen als co-substraat in het vergistingsproces’ bij de aanvraag gevoegd. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 19 van de aanvraag. 6.8.3

Vrijkomen van afval

Binnen de inrichting kunnen bij de acceptatie en de productie een beperkt aantal afvalstoffen vrijkomen. Deze zullen apart opgeslagen worden in containers die periodiek door daartoe vergunde bedrijven worden opgehaald, tenzij ze in het vergistingsproces verwerkt kunnen worden (zie A&V beleid). De conclusie is dat in het kader van afvalverwerking en -preventie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. 6.9 Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) Er zijn geen ZZS stoffen aanwezig die in de bedrijfsprocessen toegepast. In het document ‘Toetsing doelmatigheid toepassing afvalstoffen als co-substraat in het vergistingsproces’ (bijlage 11) is informatie (Potentiële) ZZS m.b.t. de te verwerken co-producten opgenomen. Wel worden in de inrichting stoffen gebruikt met het volgende CAS-nummer: • het toe te passen koudemiddel, R448a, een azeotroop koelmiddelmengsel, bestaande uit grotendeels R32 (difluoromethaan) en R125 (pentafluorethaan), of R 134A (= tetrafluormethaan) in de gasopwerkingsinstallatie; deze worden echter niet beschouwd als een ZZS (zie RIVM lijst ZZS) (CAS nr. 75-10-5, resp. 811-97-2) en • tetrahydrothiofeen (THT) (CAS-nr. 109-99-9), als geurstof toegevoegd aan groen gas mengsel, wordt evenmin beschouwd als een ZZS (RIVM-lijst).

De bovengenoemde stoffen komen bovendien niet voor op: • de prioritaire stoffenlijst Kader Richtlijn Water, • de prioritaire stoffenlijst OSPAR, • E-PRTR-lijst, • de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.

40

6.10 Opslag gevaarlijke stoffen in tanks en emballage 6.10.1 Opslagtank CO2 De opslagtank (moet) voldoen aan de PGS 9. Er wordt voldaan aan de afstanden, zoals vermeld in tabel C.4 uit bijlage C “Interne veiligheidsafstanden” van de PGS 9. De afstand van de dichtst bijgelegen vergistersilo / biogasopslagreservoir bedraagt meer dan 6 m. Bij reservoirs > 150 m3 dient rekening te worden gehouden met een minimale afstand van 15 m. volgens tabel C.4, uitgaande van een stralingsbelasting van 10 kW/m2. Bij dampvormig gas, waar bij De Greef sprake van is, geldt een afstand van 6 m (of 5 m). Voor uitleg wordt verwezen naar de volgende alinea’s. De opslag van vloeibare CO2 vindt plaats in 1 of in 2 afgesloten en vrijstaande gevacumeerde, dubbelwandige druktanks van resp. 80 m3 of 50 m3 (2 x) inhoud. Vooralsnog wordt rekening gehouden met één 80 m3 tank. Alleen bevoegd personeel heeft toegang tot deze tank(s). Er zijn onder normale omstandigheden geen effecten te verwachten voor wat betreft veiligheid. Voor de opslag van CO2 in een opslagtank gelden interne en externe veiligheidsafstanden. De opslag wordt geïnstalleerd en in gebruik genomen conform de eisen zoals opgenomen in de PSG 9 richtlijn voor cryogene gassen.

Om een zo veilig mogelijke situatie te creëren en risico’s ten gevolge van calamiteiten zoals brand binnen de inrichting te minimaliseren, wordt de tank(s) op ruime afstand van de biogasreservoirs (nrs. 8, 9 en 12) geplaatst en op meer dan 40 meter van de bestaande gebouwen geplaatst. Volgens tabel 14 uit bijlage C.4 van de PGS 9 moet de afstand van een biogasreservoir met een inhoud van > 150 m3 tot een cryogene tank ten minste 6 (of 5) m. te bedragen. Voor cryogene gassen opgeslagen in gevacumeerde dubbelwandige druktanks met perliet als isolatiemateriaal, mag 35 kW/m2 in plaats van 10 kW/m2 als warmtestralingsnorm worden gehanteerd. Dit geldt niet voor enkelwandige tanks of tanks die met een ander materiaal dan perliet zijn geïsoleerd. Bij De Greef wordt een gevacumeerde dubbelwandige druktank met perliet geplaatst voor de opslag van vloeibaar CO2, dus geldt de afstand tussen haakjes. De afstand van de cryogene tank(s) tot het dichtst bijgelegen bouwwerk bedraagt ongeveer 40 m. (nr. 10 – tussengebouw (VDT tank, pasteurisatietanks en besturingsruimte). Op basis van tabel 11 van PGS 9 dient de afstand van een gevel met WBDBO < 60 min, geen gevelopeningen of gevelopening < 1 m2 ten minste 1 m. te bedragen. Hier wordt aan voldaan. De afstand van de cryogene tank(s) tot het gasdrukregelstation voor groengas (=aardgas) bedraagt > 40 m.

De minimale afstand wordt op basis van de NEN 1059 bepaald en bedraagt ten minste 10 m. Hier wordt aan voldaan.

41

Voor wat betreft de externe veiligheidsafstanden (grens van de inrichting) geldt op basis van afbeelding 8 uit bijlage C.7 van de PGS 9 een afstand van ten minste 2 m., die in acht dient te worden genomen. De afstand tot de inrichtingsgrens met de vrije uitloopweiden voor de leghennen bedraagt circa 2,5 m. Aan de externe veiligheidsafstand wordt voldaan. De aanliggende percelen zijn bovendien eigendom van initiatiefnemer. Het bestemmingsplan laat ter plaatse ook geen bebouwing van derden toe. Volgens NEN 1059 moet de afstand van het gasdrukregelstation voor groengas (=aardgas) tot de grens van de inrichting ten minste 5 m te bedragen. Hier wordt aan voldaan. De afstand is > 10 m. 6.10.2 Opslag ammoniak Het gaat ingeval van toepassing van ammoniak als koudemiddel in de CO2-liquefaction installatie om een opslaghoeveelheid van maximaal 150 liter NH3 in het gehele koelsysteem. De opslaghoeveelheid van ammoniak blijft in dat geval ruim beneden de grenswaarde van 1.500 kg uit het BEVI. Bovendien wordt bij toepassing van ammoniak als koelmiddel voldaan aan de voorschriften en bepalingen van de PGS 13, NEN-EN 378-1 en de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED). 6.10.3 Overige gevaarlijke stoffen In de reeds vergunde inrichtingsactiviteiten vinden activiteiten plaats waaraan veiligheidsaspecten kleven.

Er worden gevaarlijke (afval)stoffen opgeslagen, waaronder een jerry-can motorbrandstof en een kleine hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast is er opslag van biogas. Ten behoeve van de luchtwasser wordt zwavelzuur opgeslagen. Voor de opslag van het zuur t.b.v. de gaswasser zijn voorschriften in de vergunning van 2018 opgenomen. Wat betreft de opslag en handelingen met gevaarlijke (afval)stoffen zijn voorschriften in de vergunning van 2018 opgenomen. Het gaat hier om voor dit soort bedrijven gebruikelijke producten. Deze situatie blijft in zijn geheel ongewijzigd. De conclusie is dat in het kader van de opslag van gevaarlijke stoffen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. 6.11 Toetsing Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) en Besluit Risico’s Zware Ongevallen 2015 (BRZO) De biogasopwerkingsinstallatie vormt geen gevaar voor de veiligheid van personen buiten het bedrijfsterrein en valt ook niet binnen het toepassingsgebied van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI). Het enige onderdeel van artikel 1 (toepassingsgebied van de REVI (de regeling die het BEVI uitvoert) dat de groengasinstallatie betrekking zou kunnen hebben is artikel 1b onderdeel g:

42

“inrichtingen waar aardgasdruk gereduceerd wordt aardgashoeveelheid gemeten wordt, voor zo ver de gastoevoerleiding een grote diameter heeft dan 20 inch.” De Bio2Net is een inrichting binnen het gebouw van de groengasinstallatie waar de aardgashoeveelheid wordt gemeten, maar de gas toevoerleiding van de Bio2Net is slechts 3 inch. De installatie moet voldoen aan de ATEX-richtlijnen (94 en 137) en aan NEN 1059. De installatie is uitgerust met een H2S detectie, zodat in het geval van lekkage de aanvoerafsluiters dicht gaan en de toevoer stopt. In het kader van de vergunningsaanvraag heeft een toetsing plaatsgevonden aan het BEVI en het BRZO vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke en BRZO-relevante stoffen in het geproduceerde biogas, en dan met name methaan (CH4) en zwavelwaterstof (H2S). Dit biogas bevat in meer of mindere mate H2S. In de bijgevoegde Veiligheidsparagraaf (extern en intern) (bijlage 21) is onder meer nagegaan in hoeverre het BRZO van toepassing is. Parallel is bezien of een Aanvullende Risicoinventarisatie en –evaluatie (ARIE) nodig is (bijlage 22). De conclusie is dat de co-/mestvergistingsinstallatie bij De Greef niet valt onder de BRZO-regelgeving en daarmee is ook het BEVI niet van toepassing. Uit bijlage 22 blijkt dat er evenmin een ARIE-plicht voor de vergistingsinstallatie van De Greef geldt.

Voor de opslag van biogas in een gasreservoir bij een lichte overdruk (van 0,1-0,3 bar) moeten wel veiligheidsafstanden worden aangehouden. Bij De Greef is sprake van een overdruk van ongeveer 5 mbar in de biogasreservoirs. Voor de veiligheidsafstanden wordt verwezen naar het RIVM-rapport ‘Veiligheid grootschalige productie van biogas (RIVM, 2010)’3. Voor de opslag van grote hoeveelheden biogas zijn door het RIVM in 2008 berekeningen gemaakt van de effect- en risicoafstanden4. Omdat het geproduceerde biogas direct, of nadat het is omgezet in groen gas, wordt afgeleverd, is de opslag van biogas beperkt tot de hoeveelheid die is ingesloten in de installatie. Voor volumes biogas tot 1.000 m3 met een overdruk van maximaal 30 mbar, waarvan in de onderhavige installatie sprake is, geldt een PR = 10-6/jaar contour van 40 meter. De effectafstand tot 0,1 bar overdruk is 75 meter. Voor opslagvolumes van 1.000 tot 1.500 m3 geldt een PR=10-6/jaar contour van 45 meter. De Greef beschikt over 3 opslagreservoirs met een totale opslagcapaciteit van 3.237 m3. De PR=10-6/jaar contouren van 40, resp. 45 m. liggen grotendeels over het eigen terrein en voor een klein deel over een openbare weg. In het bestemmingsplan buitengebied zijn bebouwingsmogelijkheden voor deze weg en bermen uitgesloten. Dit levert derhalve geen veiligheidsprobleem op.

3

RIVM Rapport 620201001/2010 Veiligheid grootschalige productie van biogas. Verkennend onderzoek risico’s externe veiligheid. Dit onderzoek werd verricht in opdracht van VROM-Inspectie, in het kader van het project M/620551, ‘Ondersteuning VROM-Inspectie 2010’. 4 RIVM rapport ‘Effect- en risicoafstanden bij de opslag van biogas’, uitgevoerd door Centrum Externe Veiligheid in opdracht van diverse gemeenten, d.d. 3 maart 2008.

43

Bovendien wordt bij een dreigende overschrijding van 5 en 10 millibar overdruk automatisch een aantal veiligheden in werking gesteld. Op basis van de worst-case uitgangspunten kan worden geconcludeerd dat de aanwezige BRZOrelevante stoffen binnen de inrichting de huidige en (verwachte) toekomstige drempelwaarden niet overschrijden, ook niet bij de gewenste uitbreiding van de inputcapaciteit naar 60.000 ton mest en co-producten per jaar. Uit de toets blijkt dat de voorgenomen activiteit, op basis van de aard en hoeveelheid van de aanwezige gevaarlijke stoffen, evenmin onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) valt. Uit de ARIE-toets komt naar voren dat rekening houdend met een omgevingsfactor van max. 10 (gasvormige stof in bewerking in een buitenopstelling) een aanwijsgetal 0,008 is berekend. Daarmee is er geen ARIE-plicht. De conclusie is dat in het kader van externe veiligheid belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. 6.12

Explosieveiligheid

In overeenstemming met de NEN-EN-IEC 60079-10 is het verplicht om voor installaties waarin brandbare gassen voorkomen te toetsen of zonering van toepassing is. Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Ex-zonering van de compressor- en procescontainer noodzakelijk is. Praktisch betekent dit dat de ruimte binnen in het gehele biogas procesgebouw een Zone 2 is in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137). Dit gebouw wordt middels een gedwongen ventilatiesysteem beveiligd. Alle apparatuur die zich in deze container bevindt voldoet aan de ATEXrichtlijn 94/9/EG (ATEX 95). Bij een ATEX-zone 2 behoort een afstand van 3 meter rondom de gasopwerkingsinstallatie. Binnen deze contour mogen geen (mogelijke) ontstekingsbronnen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde biogasopslagreservoir bedraagt ongeveer 50 m. Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Exzonering van de CO2-terugwiningsunit niet noodzakelijk is. De ruimte in deze container is een “safe area” in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137), en de hierin opgestelde apparatuur voldoet in het algemeen dan ook niet aan de ATEX-richtlijn 94/9/EG (ATEX 95). Indien het biogas/ groen gas onverhoopt niet direct kan worden afgezet, wordt het gas afgefakkeld.

De positionering van de fakkel of afblaasinrichting voldoet aan de veiligheidseisen conform het gestelde in de Richtlijn NPR 7910-1:2012. De ruimtes die vanuit brandveiligheid speciale aandacht behoeven zijn gebouwd volgens de daarvoor geldende bouwregelgeving.

44

De installatie als geheel is uitsluitend geschikt voor gebruik in een safe area in de zin van de ATEXrichtlijn 1999/92/EG (ATEX 137). Voor de compressor- en procesruimte wordt hierbij een ventilatievoud van >5 gehandhaafd, conform de ATEX richtlijn. Voor de elektrische container is de ventilatie uitsluitend bedoeld om de besturingskasten niet te warm te laten worden. Overige veiligheidsmaatregelen: • Pressostaat aan de biogas inlaat, die de compressor stopt bij te lage biogasdruk. Hierdoor wordt onderdruk, en daarmee het risico op aanzuigen van lucht in het biogas, vermeden. • Temperatuurmeting aan de perszijde van de compressor, die de compressor stopt bij te hoge gastemperatuur. • Pressostaat aan de perszijde van de compressor, die de compressor stopt bij te hoge druk. • Afblaasveiligheid aan de perszijde van de compressor, als extra veiligheid tegen overdruk. • Alle motoren worden aangestuurd met frequentie-omvormers, met geïntegreerde beveiliging tegen te hoge draaisnelheid. • De compressor- en procescontainer is uitgerust met gasdetectie (CH4 en CO2). Bij gasalarm gaat een flitslicht bij de deuren aan, om aan te geven dat de ruimte niet betreden mag worden. In de elektrische en in de besturingsruimte is de aanwezigheid van biogas onmogelijk. • Het gebouw met de groengasinstallatie is uitgerust met brandmelders.

• Noodstop knoppen zijn aangebracht zowel binnenin als aan de buitenzijde van het gebouw. • In geval van nood (brandalarm, gasalarm, noodstop), wordt alle equipment direct stilgezet en spanningsloos geschakeld, met uitzondering van de containerventilatie. Ook gaan in de gasleidingen van en naar de installatie inblok afsluiters dicht (fail closed), zodat er geen gas meer in of uit kan. Voor de vergunde co-/mestvergistingsinstallatie en bijbehorende voorzieningen en maatregelen zijn de mogelijke externe risico’s en gevaren eerder in kaart gebracht. De conclusie is dat in het kader van explosieveiligheid belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. 6.13

Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën

De risico’s van ongevallen zullen in een bedrijfsnoodplan worden verwerkt en zullen worden gecommuniceerd met de brandweer en de Veiligheidsregio. Dit zal het geval zijn op het moment dat de biogasopwerkingsinstallatie t.b.v. productie groengas operationeel is. Er wordt conform een brandpreventieplan gewerkt waarin de aanwezige voorzieningen en procedures inzake preventie, detectie en bestrijding van brand worden beschreven. Dit plan wordt in overleg met lokale en regionale brandweer afgestemd.

45

Voorts dient de opslag van de potentieel risicovolle chemicaliën aan de eisen van de laatste versie van de PGS 15 voldoen, hetgeen als BBT is te beschouwen. Tenslotte is het co-vergisten van mest al een bewezen techniek, en dus als BBT te beschouwen. 6.14 Best beschikbare technieken In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van (BBT) rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBTconclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s.

Het hoofdstuk uit deze BREF's waarin de BBT-maatregelen (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld. BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart worden aangewezen in de Regeling omgevingsrecht. Voor de BBT toetsing is het relevant of de aangevraagde activiteiten als een IPPC installatie zijn aan te merken. Een IPPC-installatie is een installatie waarin een of meer van de activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies (RIE) plaatsvinden. In bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) staan drempelwaarden. Deze drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer een exploitant in dezelfde installatie of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde categorie verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. De voorgenomen activiteiten van De Greef m.b.t.: • de verwerking van afvalstoffen vallen onder categorie 5.3, lid b, onder i, van bijlage 1 van de RIE en wel om de volgende reden: o Het betreft de nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag.

46

•

het houden van biologische leghennen vallen onder categorie 6.6, onder a, van bijlage 1 van de RIE en wel om de volgende reden: o Het houden van meer dan 40.000 stuks pluimvee.

De voor De Greef van toepassing zijnde BREF’s en referentiedocumenten met betrekking tot de verwerking van afvalstoffen betreffen: • BREF Afvalbehandeling; • BREF Koelsystemen; • BREF Op- en overslag bulkgoederen; • BREF Energie-efficiëntie; • REF Economic and cross media issues; • REF Monitoring. Een overzicht van de belangrijkste BBT-conclusies, de van belang zijnde BREF’s en de REF’s zijn als bijlage 20 bij de aanvraag gevoegd. Medio 2018 is de Handreiking (co-)vergisting van mest geactualiseerd. De handreiking is per 1 juli 2019 niet meer aangewezen als beste beschikbare technieken (BBT)-document. De geactualiseerde handreiking bevat vooral uitleg van de (afvalstoffen)wetgeving in relatie tot covergisting. Daarnaast vallen grote pluimveebedrijven met meer dan 40.000 stuks pluimvee onder cat. 6.6 van de Richtlijn industriële emissies (RIE). De Europese Commissie heeft de Beste Beschikbare Techniekenconclusies van de intensieve pluimvee- en varkenshouderij gepubliceerd op 21 februari 2017 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBT-conclusies gaan vooral over de volgende processen en activiteiten: • beheer van voeding voor het pluimvee; • bereiding van voeder (malen, mengen en opslag); • pluimveehouderij (huisvesting); • verzameling en opslag van mest; • verwerking van mest; • uitrijden van mest; • opslag van dode dieren.

In hoofdstuk 8 van het BBT document zijn de BBT conclusies van het biologisch pluimveebedrijf opgenomen en getoetst. Uit de toetsing blijkt dat De Greef voldoet aan de BBT-conclusies, aan de BREF’s en de REF’s. 6.15

Afvalwater

47

Er wordt onderscheid gemaakt in hemelwater en afvalwater van sanitaire voorzieningen en bedrijfsprocessen. Hemelwater Hemelwater van de daken van de gebouwen wordt via een separaat schoon waterriool afgevoerd naar het oppervlaktewater. Deze situatie blijft ongewijzigd. Afvalwater van sanitaire voorzieningen Afvalwater van huishoudelijke en sanitaire voorzieningen wordt afgevoerd naar het openbare riool. Deze situatie blijft ongewijzigd in het kader van deze aanvraag. Afvalwater van bedrijfsprocessen Het hemelwater wat terecht komt op het vuile terreingedeelte en sleufsilo’s wordt door middel van gescheiden terreinkolken naar een vuilwaterput (20 m3 inhoud) afgevoerd. De verzamelleiding naar de vuilwaterput is voorzien van een 3-wegafsluiter. Het vervuilde hemelwater bestaat uit mestresten en overige organische substraatstoffen en komt vrij bij het in- en uitrijden van de sleufsilo’s door de shovel/verreiker, het manoeuvreren van tankwagens en het inbrengen van vaste co-substraten in de invoerbunker. Het vervuilde terreinwater wordt met behulp van een dompelpomp teruggepompt in de vergister. Bij een langdurige regenbui is er de mogelijkheid de 3-wegafsluiter (klep) om te zetten naar rechtstreekse afvoer naar de nabijgelegen sloten.

Deze sloten kunnen in het geval van een calamiteit worden afgedamd, zodat mogelijke afstroming van vervuild slootwater naar de openbare watergangen wordt voorkomen. Het op het biofilterbed neervallend hemelwater wordt zo veel mogelijk door het filtermateriaal zelf opgenomen, het eventueel overtollige hemelwater wordt na verzadiging van het filter onderin het biobed opgevangen en door de afgezogen geurhoudende lucht uit de meng-/hydrolysetank en vervolgens de lavafilters weer opgenomen onderin het filterbed. De verwachting is en dat is ook de praktijk gebleken, dat er geen afvalwater vrijkomt bij biofilterbed. De gehele afvalwatersituatie blijft ongewijzigd. Hieruit volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. 6.16

Energie en CO2

Er vindt een zeer beperkte verwarming plaats in de bedrijfsloods en kantoor/kantine. Het aardgasverbruik is te vergelijken met een huishoudelijk verbruik.

48

Wel wordt er proceswarmte opgewekt door de verbranding van biogas. Het totaal elektriciteitsverbruik van de huidige in werking zijnde installaties bij de aangevraagde hoeveelheid te verwerken hoeveelheid mest en co-producten (60.000 ton per jaar) wordt geschat op circa 3,0 miljoen kWh. Op basis van een voorbeeld menu en bij een inputcapaciteit van 60.000 ton mest en co-producten per jaar produceert de vergistingsinstallatie ongeveer 14,5 miljoen m3 biogas. Het doel is om alle geproduceerde biogas op te werken naar aardgaskwaliteit (zie ook tabel 5.1). Bij een productie van gemiddeld 800 m3 groengas per uur levert dit op 800 x 8.000 uur = 6,4 miljoen m3 groengas = aardgas per jaar, wat kan worden ingevoed in het 8 bar openbare aardgasnet van Liander. Ruim 4.500 huishoudens kunnen hiermee van groengas worden voorzien.5 Met de resterende hoeveelheid van 4 miljoen m3 biogas kan de WKK blijven draaien. Dit levert bij een verwachte groene stroomproductie van 1.000 kWh jaarlijks op 1.000 x 5.740 = 5,7 miljoen kWh voor invoeding op het openbare elektriciteitsnet. Hiermee kunnen ongeveer 1.640 huishoudens kunnen van groene stroom worden voorzien. De warmte die vrijkomt bij verbranding van het biogas in de WKK wordt gedeeltelijk gebruikt om het te vergisten substraat op te warmen en om de vergisters op temperatuur te houden en de aangevoerde mest te pasteuriseren.

De warmte die overblijft zal op het bedrijf worden toegepast voor het drogen van een deel van de dikke digestaatfractie. De installatie zal op het punt van het energiegebruik en -verbruik aan de best beschikbaar technieken moeten voldoen). Er wordt binnen de inrichting groene stroom opgewekt, die ook aangewend kan worden voor de stroomlevering aan de groengas opwerkingsinstallatie en de CO2-liquefaction installatie. De bij de compressie vrijkomende warmte gaat weer nuttig gebruikt worden voor de verwarming van de vergistersilo’s en de pasteurisatietanks. Bij de verbranding van biogas komt CO2 vrij, maar dit CO2 is slechts korte tijd daarvoor door de planten (tijdelijk) opgenomen uit de atmosfeer, waardoor de netto CO2-emissie nul bedraagt. Het proces levert dus geen bijdrage aan het broeikaseffect en levert een aanzienlijk aandeel in de productie van duurzame energie. De 1.000 kWe WKK levert een te verwachten reductie op van 3.760 ton CO2 per jaar en de aardgasbesparing levert een CO2 vermijding op van 5.060 ton per jaar, wat anders zou zijn veroorzaakt door de inzet van fossiel aardgas6.

7. Overige effecten

5

800 m3 groen gas per uur x 8.000 uur = 6,4 miljoen m3 groengas per jaar ÷ 1.200 m3 gemiddeld verbruik per jaar per huishouden = 5.333 + 1.000 kWh stroomproductie per uur x 5.640 uur = 5,74 miljoen kWh per jaar ÷ 3.500 kWh gemiddeld verbruik per jaar per huishouden = 1.640 huishoudens. 6 Bij een CO2-emissiefactor van 56,4 kg/GJ conform publicatie van de Nederlandse emissieautoriteit en een calorische waarde van 31,65 MJ/Nm3 voor aardgas en een emissiefactor van 0 voor groen gas (pure biomassa)

49

7.1 Archeologie Archeologische waarden dienen op grond van de Erfgoedwet te worden meegewogen in de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen. Voor het projectgebied geldt op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde’. Op grond daarvan mogen alleen bouwwerken worden gebouwd met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m, “mits de aanvrager een bureau-onderzoeksrapport heeft overgelegd van een daartoe bevoegd archeologisch bureau en burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.” Binnen het projectgebied wordt bebouwing met een totaaloppervlak van 2940 m2 toegevoegd. Dit betekent dat een archeologische beoordeling noodzakelijk is. De archeologische (verwachtings)waarden zijn in het huidige wijzigingsplan door middel van een dubbelbestemming beschermd. In het in de maak zijnde nieuwe bestemmingsplan voor de locatie Voskuilerdijk 26 wordt hier verder op ingegaan. Uit het vorenstaande volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet zijn te verwachten. 7.2 Cultuurhistorie In het Beeldkwaliteitsplan, wat onderdeel uitmaakt van het vigerende bestemmingsplan zijn voor het gebied rond de Voskuilerdijk de volgende beeldkwaliteitscriteria opgenomen: • Algemeen: o Houd rekening met zichtlijnen richting het linie-element.

o Veranker het erf aan landschapselementen (zoals houtwallen, boscomplexen of wegbeplanting), met behoud van open ruimten. • Uitbreiding van het erf: o Zorg voor een herkenbaar voorerf als een representatieve zijde van het erf. o Behoud een compacte erfindeling ten behoeve van de openheid rondom het erf. o Onttrek bedrijfsmatige elementen (zoals silo's en/of sleufplaten) zoveel mogelijk uit het zicht, door een goede positionering tussen gebouwen of door gebruik van transparante tot dichte erfbeplanting. • Functieverandering van het erf: o Plaats het nieuwe gebouw(en) rondom een gemeenschappelijk erf, zodat een compacte erfvorm te realiseren is. o Versterk openheid rondom het linie-element door op vrijkomende grond weinig hoog opgaande elementen te plaatsen (zoals bebouwing en beplanting) en nieuwe bebouwing op afstand van de linie te leggen. Mede met het oog op dit beeldkwaliteitsplan is door Landschapsbeheer Woudenberg een plan voor de landschappelijk inpassing vervaardigd. Daarin zijn onder meer randvoorwaarden geformuleerd om de bedrijfsmatige elementen (zoals silo's en/of sleufplaten) zoveel mogelijk aan het zicht te

50

onttrekken, door een goede positionering tussen gebouwen of door gebruik van transparante tot dichte erfbeplanting. Door die randvoorwaarden te implementeren vormt de aanpassing van het bouwvlak geen bedreiging voor de kwaliteiten van het cultuurhistorische landschap. Uit het vorenstaande volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet zijn te verwachten. 7.3 Ecologie In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het noodzakelijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen te beoordelen in hoeverre natuurwaarden in het geding zijn. In het Wijzigingsplan Voskuilerdijk 26 (20 mei 2015) is op het aspect Flora en Fauna ingegaan. Dit wordt in het kader van het nieuwe bestemmingsplan herhaald op nieuwe feiten en consequenties nieuwe regels. De initiatiefnemer volgt de aanbevelingen over de uitvoering van werkzaamheden op en neemt de zorgplicht in acht. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige natuurwaarden binnen het project-gebied geen belemmering vormen voor de uitbreiding van de co-/mestvergistingsinstallatie. 7.4 Cumulatie met andere projecten Bij de bepaling van effecten van een plan/project moet dit effect ook in combinatie met effecten van andere projecten/plannen die zijn vastgesteld en/of in een vergunningprocedure zijn opgenomen, beoordeeld worden.

Door rekening te houden met cumulatie van effecten wordt beoogd te voorkomen dat een opeenstapeling van op zich kleine effecten uiteindelijk leidt tot significante negatieve effecten. De voorgenomen activiteit van De Greef heeft betrekking op een wijziging/ uitbreiding van de bestaande inrichting en veroorzaakt geen cumulatie-effecten op andere projecten. Het initiatief zal gaan voldoen aan het nieuwe in de maak zijnde bestemmingsplan, dat hiermee ook rekening houdt. In de directe omgeving van de inrichting zijn geen andere projecten bekend, waarmee cumulatie kan optreden van milieueffecten. 7.5 Tijdelijke effecten tijdens bouw en aanleg gebouwen en overkappingen Voor de nieuwe bouwwerken en aan te leggen infrastructurele voorzieningen behoeft niet te worden geheid. Indien tijdens de aanlegfase van de in te graven silo’s bemaling plaats nodig is, zal grondwater worden onttrokken en geloosd worden volgens de daarvoor geldende eisen. Dit is naar verwachting niet het geval. Bouwwerkzaamheden vinden overdag plaats, mogelijk dat het incidenteel voorkomt dat ook in de avond wordt gewerkt.

51

Mogelijke hinder voor omwonenden Stofvorming kan plaatsvinden bij ontgravingen op het perceel ten behoeve van de aanleg van de gebouwen. Mocht dit aan de orde zijn dan zal dit worden tegengegaan door bijvoorbeeld de te ontgraven grond nat te houden. Tijdelijk kan geluidhinder van gemotoriseerd graafmaterieel optreden. Een verhoging van de geluidbelasting treedt op in een zone direct rondom de locatie (orde grootte enkele tientallen meters). Beweging en verlichting is in de directe omgeving merkbaar (orde grootte enkele tientallen meters). Gelet op de ligging van de locatie ten opzichte van gevoelige bestemmingen, zal hinder voor de omgeving zeer beperkt zijn. Stikstofemissie en -depositie ten gevolge van de bouwfase Vanwege de stikstofemissie als gevolg van de bouwfase activiteiten voor de bouw van gasopwerkingsgebouw, gebouw voor CO2 vervloeiing, 3e vergistersilo en een nieuwe dunne digestaat opslagsilo ter vervanging van het foliebassin en de uitbreiding van de 2 pluimveestallen is een Aerius berekening gemaakt met het Calculator model 2023. Uit de resultaten blijkt dat er geen depositie kon worden berekend, dus < 0,005 Mol/ha/jaar. Met betrekking tot de uitgangspunten en de berekening wordt verwezen naar de bijlage 23 en 24 van de aanvraag. Uit de vorenstaande paragrafen volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet zijn te verwachten.

8. Conclusies Op basis van onderzoeksresultaten door ter zake kundige experts zijn de lokale milieueffecten van de uit te breiden (co-)/mestvergistingsinstallatie geïnventariseerd. Hierbij is zo nodig aangegeven of mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig en mogelijk zijn, waarmee eventuele negatieve effecten verminderd of voorkomen kunnen worden. Uit deze inventarisatie volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu gezien de aard, omvang en ligging van de aangevraagde installatie kunnen worden uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve cumulatieve effecten met andere projecten. Dit betekent dat de aan te vragen activiteiten, en de daarbij behorende (eventuele) emissies naar de omgeving, als milieuhygiënisch aanvaardbaar worden beschouwd. De beoogde activiteiten passen binnen de omschrijving van het nieuwe bestemmingsplan. Het bevoegde gezag kan op basis van deze informatie beoordelen of het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk is.

52

Gelet het voorgaande is De Greef van mening dat het opstellen van een MER niet nodig is, omdat de mogelijke milieueffecten goed inzichtelijk zijn gemaakt en in een omgevingsvergunning kunnen worden meegenomen.

P.S. •

•

•

•

• •

Vanwege de onzekerheid over toekomstige regelingen is Mts. de Greef Agro Energy enorm bij gebaat om in de loop van 2023, anders begin 2024 een SDE-beschikking aan te vragen. In dat geval is er een goede kans dat het bedrijf de beschikking voor medio 2024 krijgt toegewezen. Anders wordt het al gauw meer dan een jaar later en dat is in niemands belang. Na een uitgebreide marktanalyse en gesprekken met betrokken partijen is gebleken dat op dit moment een investering in het afvangen van CO2 en het niet in de buitenlucht af te voeren rendabel is, vanwege de nieuwe SDE-regeling. Belangrijk om nog te vermelden is dat op de locatie al meer dan 4 jaar een biovergister is gevestigd met bestaande vergister- en mestopslagsilo’s en gebouwen. Het is natuurlijk niet voor de hand liggend om afscheid te nemen van deze locatie en elders een nieuwe biovergister te gaan bouwen, waar dezelfde randvoorwaarden gelden. Dat zou bovendien een grote kapitaalvernietiging met zich meebrengen en daar zit niemand op te wachten. Voor zover bekend heeft de biogasinstallatie bij Mts. de Greef Agro Energy, ondanks dat deze nu al ruim 4 jaar in bedrijf is, nog nooit voor problemen gezorgd in de omgeving. Behoudens één klacht, direct na de opstartfase van de vergister, over stank, waarop direct door het bedrijf is geacteerd, zijn er geen klachten meer geventileerd.

Door productie van groen gas wordt een bijdrage geleverd aan het verminderen van het verbruik van fossiel aardgas en wordt er door de korte CO2-cyclus een bijdrage geleverd aan vermindering van CO2-uitstoot. Door de CO2-geconcentreerde luchtstroom op te werken naar ongeveer 100% zuivere CO2 en vervolgens te vervloeien en nuttig te gaan toepassen, wordt een extra positieve bijdrage geleverd aan vermindering van de klimaatopwarming. Door mest te vergisten en het biogas nuttig in te zetten wordt een bijdrage geleverd aan substantiële beperking van de methaanemissie. Belangrijk is nog te vermelden dat de gewenste verdubbeling van de inputcapaciteit qua opslagbehoefte, voorbewerking van de grondstoffen, verwerking van de tussenproducten en nabehandeling van de afgezogen geurhoudende lucht binnen de bestaande en vergunde installatie onderdelen kan worden gerealiseerd.

G. Haandrikman

53

Bijlage

Plattegrondtekening inclusief renvooi

54

stuwbak lengteventilatoren

stuwbak lengteventilatoren

6.100

12.000

5.950

4.300

16.000

4.000

8.130

6.200

¤

B-03

1.800

¤

B-03

2.000 10

ep.

13 13

10

13 13

¤

B-03

13 13

13 13

b.k. stuwbak

6500+

6387+

14

golfplaten

3000+

3500+

3500+

2100+ 0+

golfplaten

3500+

2100+

5

ventilatieopening

0+

6

b.k. stuwbak 4300+

7

3500+

golfplaten

5250+

renvooi

7100+

ventilatiegordijn

700+

0+

700+

spoelwaterput 10m3 p

ventilatiegordijn

ventilatiegordijn

doorsnede a-a

doorsnede b-b

doorsnede c-c

mestopslagloods

pluimveestal

pluimveestal

14

wintergarten

folie

folie

p

betonwand

wintergarten

wintergarten

5900+

betonwand

5900+ houten kolom

houten kolom

8

vergister-1

9

vergister-2

58.000

0+

0+

2100-

nr.

renvooi

1

motor eierband

8x

0,35 kW

2

motor uitdrijfsysteem

5x

0,35 kW

3

motor eiertransportband

3x

0,75 kW

4

motor mestband

5x

0,75 kW

5

motor mestband

1x

1,75 kW

6

motor mestband

6x

1,75 kW

7

eierinpakmachine

1x

1,5 kW

8

voersysteem

5x

0,75 kW

9

waterbron

1x

1,0 kW

10

warmtewisselaar

2x

3,5 kW

11

koelinstallatie eieropslag

1x

1,0 kW

12

vervallen

13

lengteventilator 1,4x1,4 m

8x

1,1 kW

14

ventilator Ø 70cm

6x

1,1 kW

15

vervallen

16

kadaverkoeling

1x

1,0 kW

17

voermachine

1x

1,5 kW

18

vijzel

6x

0,5 kW

19

compressor

1x

2,5 kW

20

electrisch handgereedschap

1x

5,0 kW

21

noodstroomaggregaat (zelfs., diesel)

1x

100 kW

ventilator Ø 70cm P6

6x

poederblusser

6 kg.

B-01

aanvoer voeder

B-02

afvoer eieren

B-03

aanvoer pluimvee

B-04

afvoer mest

V1

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.

0,25 kW

4x

voersilo (+ vijzel)

14 ton

2100-

14

p

onderdeel

vloer

wanden

dak

putinh.

huisvesting

RAV-code

bedrijfswoning

beton

metselwerk

pannen

-

-

-

deel

beton

metselwerk

pannen

-

-

-

garage/ berging-opslag

beton

metselwerk

golfplaten

-

-

-

loods

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

pluimveestal

beton

metselwerk

golfplaten

10 m2

17.335 leghennen 2 paarden

E 2.11.1 K1

pluimveestal

beton

metselwerk

golfplaten

2 m2

24.545 leghennen

E 2.11.1

mestopslagloods

beton

golfplaten

golfplaten

-

vergister -1

beton

beton

zeil

-

-

-

vergister -2

beton

beton

zeil

-

-

-

tussenruimte

beton

damwand

bitumen

-

-

-

drooginstallatie

beton

kunststof

kunststof

-

-

-

vergister -3

beton

beton

zeil

-

-

-

na-opslag

beton

beton

zeil

-

-

-

gas opwerking

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

CO2 vervloeiing

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

6700+

doorsnede d-d

doorsnede e-e

vergister -1

vergister -2 / 3

RENVOOI VERGISTINGSINSTALLATIE ZIE BIJLAGEN BIOGASPLUS

folie

8000+

8000+

betonwand

p

erfverharding

folie

5900+

5900+ houten kolom

drukkamer

houten kolom

Ep 3810+

3994+ 14

12

vergister-3

13

vergister-4

f-f

0+

0+

2100-

2100-

wortelhout

luchtwasser vulpakket

2500+

11

luchtwasser vulpakket betonwand

0+

0+ vloeistofkerende vloer

s ren lsg cee per p

doorsnede f-f

doorsnede g-g

vergister -3

vergister -3

doorsnede h-h

doorsnede i-i

drooginstallatie

biobed

erfverharding

14

p

spoelwaterput 2 m3

p

p

143.700

14

pluimveestal

erfverharding

spoelwaterput 10 m3

17.335 leghennen - E 2.11.1

5 p

p

6

pluimveestal

uitloopweide

24.545 leghennen - E 2.11.1

wintergarten

b

b p

p

14

wintergarten

76.600 2

2

2

2

2

p

p

wintergarten

uitloopweide

c

14

c

Nr. 24

perceelsgrens

ogte keerwand ho

5.000

sleufsilo

Nr

perceelsgrens

25.000

B-04

16.125

mestopslagloods voorzien van mestdichte vloer

.2 6

nieuwe bouwvlak grens

nieuwe bouwvlak grens

weegbrug

sleufsilo

d

14

p

lava bedreactor Ø 3m hoogte 5m

met hydrolyse-ring diameter: Ø25m hoogte: 8 m

8

18

bestaande bouwvlak GRENS INRICHTING

4

8

4

8

4

1

1

1

1

1

1

1

8

4

1

bestaande bouwvlak

6

8

1

8

4

1

5

8

vulluik

18

¤

B-01

V1

p

vergister-1

18

V1

V1

18

d

nieuwe bouwvlak grens

14.000

6

14

5

V1

mestopslagloods

p

p

ogte keerwand ho

CO2 opslagtank

7 a

¤

40.000

p

p

7.000

** uitloop weide ** ** uitloop weide **

** uitloop weide **

6

16

17

11

erfverharding

Ø900

0 10.00

VDT

10

tussenruimte

pasteurisatietanks diameter: Ø2,5m hoogte: 3,5 m

8.143 m3

diameter: Ø36m hoogte: 8 m

13

eind-opslag

luchtwasser

emissiepunt (vert. projectie)

drukkamer

g

Kadastraal bekend: - Gemeente - sectie: - p e r c e e l n r .: - schaal:

drukkamer

h

Ø900

luchtwasser

WOUDENBERG A 1181 1 : 3500

SITUATIE

erfverharding

opstelruimte containers

keerwanden

container schroefpersfilter

kantine

Holevoetplein 3 0 1 Postbus 2 3925 ZG Scherpenzeel 033 30 31 060 info@ landborg.nl w w w .landborg.nl spulwatertank inhoud: 200 m3 diameter: 3,5 m

keerwanden

toploader

perceelsgrens

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 4 m

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

Bio2net

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 5 m

weegbrug 25.325

Ø900

4.926 m3

vergister-3

diameter: Ø28m hoogte: 8 m

schroefpersfilter

erfverharding

kantoor

4

loods

6.000

werktuigenstalling

7.000

garage

3

berging/ opslag

P12

erfverharding

6.000

15.942

g

f

e

31.760

erfverharding

pp.

pp.

7.000

12.400

12

hygienesluis

kantoor

vergister-2

diameter: Ø25m hoogte: 8 m

9

WKK-ruimte

15

11.000

P6

gasopwerkingsruimte

elektraruimte

14

P6

verdeelruimte personeel

2

kantine

1

bedrijfswoning

11.000

f

e drooginstallati

Ø900

pasteurisatietanks diameter: Ø2,5m hoogte: 3,5 m

19

perceelsgrens

trafo

10.070

CO2 koeler (optioneel)

8.050

e

emissiepunt (vert. projectie)

fakkel

¤

B-02

10.070 16.000

15.045

17.300

bio-bed

i

7

11

9

4.300

erfverharding

i

betonplaat t.b.v. noodkoeler

1

eierenopslag

erfverharding

21

carport

5.950

25.600

8.300

lava bedreactor Ø 3m hoogte 5m

3

P6

P6

1 paard

K 1.100

1 paard

K 1.100

opslag

12.000

h

3

14.710

veranda 6.100

nieuwe bouwvlak grens

project

schaal

REVISIEVERGUNNING

1 : 200

A G R A R I S C H B E D R I J F "S N I D D E L A A R "

getekend

V O S K U I L E R D I J K 26 T E W O U D E N B E R G

C N GvI

datum

in opdracht van: J. de Greef

CO

T P E

20 s e p t e m b e r 2 0 2 3 gewijzigd -

onderdeel

projectnummer

MILIEUTEKENING

2 7 0 8 -M 0 1

sloot

Renvooilijst Projectnummer Documentnr. Datum: Revisie: Nr. Omschrijving

4 Loods met kantoor en kantine (bestaand)

t.b.v. de onderdelen van de biovergister Mts. De Greef Agro Energy BV.

1094 RL00 25-9-2023 1 Afmetingen Oppervlakte Hoogte

Diepte

Totale

D=diameter

t.o.v.

t.o.v.

wandhoogte capaciteit

cq. Uitvoering

maaiveld

maaiveld

3,5/8,1m

0,8m

4,3/8,9m

m.werk en staal

31,5x25m

787,5m²

Inhoud/

4.567m³

Materiaal

3.925m3; opslag biogas 987m3 8 Vergister-1 (bestaand)

Ø 25x8m

490m²

5,9m

2,1m

8m

Beton 3

3.925m ; opslag biogas 987m3 9 Vergister-2 (bestaand) Gebouw vergisters+tussengebouw+hydrolysering 10 (bestaand) Gebouw drooginstallatie+luchtwasser 11 (bestaand)

Ø 25x8m

11x30m

490m²

5,9m

2,1m

8m

Beton

153m²

4,65m

1,1m

5,75m

damwand

330m²

4m

0m

1.320m³

beton

3

4.925m ; opslag biogas 1.188m3 12 Vergister-3 (nieuw)

Ø 28x8m

615m²

5,9m

2,1m

8m

Beton

Centrale biogasreinigingsinstallatie (bestaand 13 en uitbreiding capaciteit)

65 m

2

14 Gasopwaardeerinstallatie 2 (nieuw) 15 CO2-afvang- en CO2-vervloeiingsinstallatie

5,9m

2,1m

8m

8.143m3

beton

Ø 25-29x3,2m 170m2

1,2m

2,1m

3,3m

544m3

beton

5x11m 6x11m 2,5x24,4m

55m² 66m² 61m²

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

0m 0m 0m

3m 3m 3m

22 WKK (bestaand) 1,5x4,8m 25 Weegbrug (bestaand) 18,4x3,38m 23 Trafo (bestaand) 3,0x2,5m Noodkoelers (bestaand) en uitbreiding nieuw 24 (optioneel) 26 Bio2net (bestaand gebouw) 1,6x2,2m 27 Co-substaatsilo's (bestaand) Ø 3,5m 28 Pasteurisatietanks (bestaand) Ø 2,5m

7,2m² 62m² 7,5m²

n.v.t. 0m 1,9m

1m 0,2m

1m

62m³

3,5m² 9,6m²

2,25m 10,7m

0m 0m

10,6m 3,5m

100m³ 17,5m3

16 Eindopslagsilo dunne digestaatfractie Opslagplaats dikke digestaatfractie en 17 toploader (bestaand Meng-/hydrolysering(tank) (29m = 18 buitendiameter) (bestaand)

Ø 36x8m

19 Gasopwerkingsruimte 1 (bestaand) 20 WKK-ruimte (bestaand) 21 Elektra-ruimte (bestaand)

1.017,5m2 120m2

n.v.t. n.v.t. n.v.t.

beton beton

staal polyester staal

29 VacuümDrukTank (bestaand) 30 Shovel/verreiker (bestaand) 31 Sleufsilo's (bestaand en deels nieuw)

1.060m

2

32 Schroefpersfilter (digestaatscheider) 33 Container schroefpersfilter (bestaand) 34 Toploader (bestaand) Transportband dikke digestaatfractie naar 35 droger (bestaand) 36 Lavareactoren (bestaand) 37 Biofilter (bestaand) 38 Droger (bestaand)

0m

2,6m

39m³

damwand

2,5m

0m

4,85m 2,5m

46m3 255m³

beton

86,1m²

n.v.t. n.v.t.

0m 0m

41 Technische ruimte (besturing) (bestaand)

9,0m²

n.v.t.

0m

42 Zuuropslagruimte (bestaand)

3,6m²

n.v.t.

0m

9,6m²

10,7m

0m

10,6m

200m³

Polyester

8 x 2,5m

2m

39 Luchtwasser (bestaand) 40 Drukkamer (bestaand)

43 Spuiwatertank (bestaand)

2,55x6m

15,3m²

Ø 3,5m 7,8x13,0m

9,5m2 102m²

3,0x28,7m

Ø 3,5m

44 Containerbakken gedroogd product 45 Opslagtank vloeibare CO2 incl. laadunit 46 Fakkelinstallatie

Ø 2,75m

13,5m

5,15m

40m3 80m3

Kleurstelling

Bijzonderheden

diverse

metselwerk en groene damwanden

antraciet

membraan wit; H=6m1

antraciet

membraan wit; H=6m1

antraciet

deuren en kozijnen wit

grijs

kunststof wanden en daken

antraciet

membraan wit; H=6m1

verwerkingscap. max. 3 1.800 m biogas/uur gebouw inpandig 550 850 m3 groengas/uur gebouw inpandig

1

antraciet

spankap grijs; H=2m ; vervangt het omdijkte foliebassin mest/digestaat met opp. van 1.369 m2

grijs capaciteit 250 m3 groengas/uur

vermogen 1 MWel. Grijs Grijs

antraciet beige antraciet

4 stuks 2 stuks

mobiel 2 1.060 m (totale opp. 3 sleufsilo's) in containerbehuizing in stellage groen

container op poten

zwart lichtgrijs

2 stuks gewicht 2x (max. 50.000 m3 lucht per wasser) 2 stuks

grijs

2 IBC containers (zwavelzuur) stikstofhoudende meststof 3 stuks; afdekking met stevig kunststof zeil 80 m3 inhoud cap. 900 Nm3/uur; veiligheidszone r=10m.

Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming

93

Quickscan natuur Voskuilerdijk 26 te Woudenberg

Opdrachtgever

Teus’Advies Ambon 10 3772 ZV Barneveld

Contactpersoon

Dave Anbeek dave@teusadvies.nl

Uitvoering

Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer 2023-145 Versie Okt.23-v1 Behandeld door Lex Groenewold Datum 16 oktober 2023

Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90• Bank: NL26 INGB 0673 0025 27

Inhoudsopgave 1 2 3 4

Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 Aanpak Natuurtoets ...................................................................................................... 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 5 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 5 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 5 5.2 Amfibieën en reptielen ........................................................................................... 6 5.3 Vlinders en libellen.................................................................................................

6 5.4 Zoogdieren ............................................................................................................ 6 5.4.1 Vleermuizen ................................................................................................... 6 5.5 Vogels ................................................................................................................... 6 5.5.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 7 5.6 Overige soorten ..................................................................................................... 8 6 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 8 6.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Groene Contour (GC) ................................... 9 7 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 9 7.1 Algemeen .............................................................................................................. 9 7.2 Beschermde soorten..............................................................................................

9 7.3 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 10 7.4 Natuurnetwerk Nederland / Groene Contour ........................................................ 10 7.5 Voorbehoud en zorgplicht .................................................................................... 10 7.6 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ...................................................... 11 8 Advies ......................................................................................................................... 12 9 Literatuur: ................................................................................................................... 13 Bijlagen .............................................................................................................................. 13

Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeeld voorzieningen

FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1

2

Versie: 16 oktober 2023

1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft het voornemen op het perceel van de Voskuilerdijk 26 te Woudenberg, een kippenstal te vergroten, een nieuwe vergister bij te plaatsen en de na-opslag te vervangen. Ter onderbouwing van de aanvraag is onder meer een natuurtoets nodig om de eventuele gevolgen voor de flora en fauna in beeld te brengen. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd hiervoor een quickscan uit te voeren.

2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven op de figuren in de bijlage en hieronder. Het betreft een boerderij met twee pluimveeschuren en een mestvergistingsinstallatie, aan de Voskuilerdijk ten noordwesten in het buitengebied van Woudenberg. Plan is over te schakelen op meer biologische kippen. Daarvoor is meer ruimte nodig in de stallen. Plan is daarom de kippenschuren te verlengen in oostelijke richting. In de huidige situatie zijn twee mestbassins aanwezig. Plan is om er één bij te plaatsen. Ook de na-opslag vanuit de vergister wordt vernieuwd en verbeterd. Voor het plan heeft de gemeente een quickscan natuur gevraagd. Uit de quickscan moet blijken of er beschermde soorten of verblijfplaatsen in het geding zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4263/documents/72939