CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

13.b Bijlagen bij de ontwerptoelichting.pdf

Raadscommissie 10 februari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Voskuilerdijk 2628.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

8

Een warmtepomp levert afhankelijk van een aantal factoren, 3 tot 4 keer de energie die hij verbruikt. Deze efficiëntie wordt uitgedrukt in de COP: Coëfficiënt Of Performance. Dit doet hij door energie aan de buitenlucht of een andere vloeistof te onttrekken. In het voorliggende geval, wordt uitgegaan van een lucht-water warmtepomp. Tevens wordt er warmte terug gewonnen uit de biogascompressor(s). Dit gebeurt met een efficiëntie van ca. 80%. De energie die hierbij terug te winnen is, kan eenvoudig berekend worden, aangezien de compressor ca. 0,23 kW/m³ biogas opneemt. Daarnaast is het bedrijfseconomisch interessant geworden om de bij de biogasopwerking vrijkomende CO2 af te vangen en vloeibaar te maken en bijv. naar de glastuinbouw (kassen) af te zetten. Het wordt de komende jaren een enorme uitdaging voor Nederland om de CO2-uitstoot drastisch omlaag te brengen. De productie van groengas biedt daarvoor mogelijkheden. Het is dan ook de bedoeling het afvangen en vervloeien van CO2 wordt in de vergunningsaanvraag op te nemen. Het is de bedoeling ook deze installatie in de loods in een aparte geluidgeïsoleerde ruimte onder te brengen.

De plannen van De Greef zijn een groengas productie van ongeveer 6,5 à 8,5 miljoen m3/jaar groen gas (= aardgaskwaliteit) voor ten minste 4.500 gezinnen per jaar en in te voeden in een 8 bar aardgasleiding in de berm van de Voskuilerdijk; dat betekent groen gas voor meerdere dorpen in de gemeenten Woudenberg en Scherpenzeel en waarvoor de locatie van De Greef heel geschikt is. De gemeente Woudenberg hoopt met de uitbreiding van de vergistingscapaciteit, en dus vergroting van het aandeel groene energie een bijdrage te leveren aan haar doelstellingen op duurzaam energiegebied en de bedrijvigheid in hun gebied te vergroten. In 2017 is door de netbeheerder Stedin een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van invoeding van groengas in de 8 bar leiding. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. In het onderzoek van Stedin is vastgesteld dat de invoedmogelijkheid van de Greef past in het gehele aardgasdistributie plaatje van de beheerder in Utrecht en de Gelderse Vallei. 2.4

Overschakeling van freiland leghennen naar biologisch te houden leghennen

g.

Om de pluimveehouderij op een toekomstbestendige manier voort te zetten is het belangrijk om over te schakelen van de huidige freiland (= vrije uitloop) kippen naar biologische leghennen. De Greef heeft de mogelijkheid gekregen om de grond achter de beide pluimveestallen over te nemen en op deze grond geen chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest meer toe te passen. De grond heeft inmiddels de kwalificatie biologisch gekregen. Dat biedt De Greef de mogelijkheid om beide stallen met ongeveer 53 meter te verlengen en minder leghennen te houden. Voor biologisch te houden leghennen geldt een leefoppervlak van 6 kippen / m2 in plaats van 9 stuks / m2 voor de traditioneel gehouden kippen. Er zijn 44.900 kippen vergund

9

met als stalsysteem volièrehuisvesting (Rav-code: E 2.11.1). Het huisvestingssysteem blijft ongewijzigd. Het aantal kippen neemt af met 3.020 stuks naar 41.880 stuks. De ventilatie in de pluimveestallen wordt geregeld met eindgevelventilatie inclusief stuwbakken. De ventilatie van de grote stal (nr. 6 op de tekening) wordt bij hogere buitentemperaturen aangevuld met nokventilatoren. Het aantal nokventilatoren op de grote stal neemt toe van 6 naar 11 met een betere positieverdeling op de stal. De ventilatoren worden frequentie gestuurd uitgevoerd. Dat houdt dat het afzuigdebiet per leghen beter wordt (in)geregeld, en beter wordt afgestemd op de buitentemperatuur, waardoor sprake zal zijn van een betere beheersing van het binnenklimaat in de stallen. De kleine stal (nr. 5 op de tekening) wordt niet aanvullend afgezogen met nokventilatoren. Beide stallen zijn uitgevoerd met een wintergarten. Het oppervlak van de overdekte uitloop maakt geen onderdeel uit van het vereiste leefoppervlak van 6 kippen per m2. De stallen en uitlopen zijn zo ingericht te zijn dat de dieren zich op een zo natuurlijk mogelijke manier kunnen gedragen. In principe kunnen de dieren altijd naar buiten, tenzij dit door gezondheids-, weers- of bodemomstandigheden niet kan. De dieren tijdelijk geen uitloop geven, mag alleen met (vooraf) schriftelijke toestemming van Skal Biocontrole.

Aan de van toepassing zijnde vereisten voor de binnenruimtes van de leghennen wordt voldaan. o

Maximaal zes leghennen per vierkante meter.

o

Minimaal 18 cm zitstok per leghen.

o

Zitstok dient minimaal 30 x 30 mm dik te zijn.

o

Maximaal zeven leghennen per legnest of 120 cm2 per leghen in een gemeenschappelijk legnest.

In het geval van overschakeling naar biologisch te houden pluimvee is het Besluit emissiearme huisvesting niet meer van toepassing. Noch in de huidige bedrijfsvoering, noch in de beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van een nageschakelde techniek voor de verwerking en opslag van de mest. De verzamelde pluimveemest wordt nu nog na het afdraaien door middel van een transportband in de achter de stal gelegen opslagloods gedeponeerd en binnen enkele dagen met een shovelbak in de vergister ingebracht. De biologische mest wordt in de toekomst of rechtstreeks verwerkt in de vergister, of na het afdraaien door middel van een transportband direct in 2-3 opslagcontainer(s) gedeponeerd. De containers worden binnen enkele dagen buiten de inrichting afgevoerd, zodat het ammoniakverlies nagenoeg verwaarloosbaar is. Langdurige opslag van de kippenmest zal niet plaatsvinden in de opslagloods.

10

3. Aanleiding opstellen aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Bij de besluitvorming voor een nieuwe omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag opnieuw beoordelen of een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), onderdeel C, staan de activiteiten waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. De voorgenomen activiteit van BVA valt daar niet onder. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staan de activiteiten waarvoor het bevoegd gezag van geval tot geval moet beoordelen of het opstellen van een MER gerechtvaardigd is (de m.e.r.beoordelingsplicht). In categorie D18.1 is vermeld dat een installatie voor de verwijdering van afval m.e.r.-beoordelingsplichtig is, indien die activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Op basis van Europese jurisprudentie moet onder verwijdering van afval ook nuttige toepassing worden verstaan. De voorgenomen activiteit van De Greef betreft het verwerken van > 30 kton mest per jaar (Euralcode 02 06 01) en < 30 kton co-producten per jaar van de lijst uit bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet) tot de producten biogas, fosfaat / meststof en mineralenconcentraat met een capaciteit van > 50 ton/dag. Daarmee valt de activiteit onder categorie D18.1 en is een m.e.r.-beoordeling nodig.

Daarnaast wordt de pluimveetak gewijzigd. Er wordt overgeschakeld van traditioneel gehouden leghennen naar biologische leghennen. Het aantal leghennen wordt weliswaar verminderd naar 41.880 leghennen, doch de drempelwaarde van 40.000 stuks pluimvee wordt overschreden. Dus deze aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling heeft ook betrekking op de pluimveehouderij. De bedrijfsactiviteiten hebben betrekking op cat. 14, lid 1° ( meer dan 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J). Zoals hiervoor al is opgemerkt wordt in de beoogde situatie de biologische mest of rechtstreeks in de vergister verwerkt, of overgebracht in goed afgesloten containers en binnen 2 weken afgevoerd, zodat het ammoniakverlies nagenoeg verwaarloosbaar is. Deze beoordeling vindt plaats in een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Met vormvrij wordt hier bedoeld dat er geen procedurevereisten voor zijn. Er gelden wel inhoudelijke vereisten voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er moet namelijk getoetst worden aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. Deze aanmeldingsnotitie is bedoeld voor het aanleveren van de informatie op basis waarvan het bevoegde gezag de m.e.r.-beoordeling kan uitvoeren.

De criteria waaraan een m.e.r.-beoordelingsnotitie moet voldoen staan opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten:

11

■ ■ ■

Kenmerken van het project Plaats van het project Kenmerken van de potentiële effecten

Volgens de wettelijke procedure moet het bevoegd gezag vervolgens binnen zes weken na indiening van de notitie het besluit nemen of een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Na bekendmaking van de beslissing wordt de beslissing bij de vergunningaanvraag gevoegd.

12

4. Kenmerken van het project 4.1

Huidige activiteiten en vergunningen

Mts. de Greef Agro Energy BV. (hierna: De Greef) bedrijft sinds 2019 naast een agrarisch bedrijf (een pluimveehouderij en vanaf 2021 op een aangrenzend perceel een biologisch melkrundveebedrijf) ook een biogasinstallatie aan de Voskuilerdijk 26 in Woudenberg. Sinds de start van het project zijn er veel ontwikkelingen geweest op het gebied van biogasinstallaties. Naast de positieve vooruitgang op het gebied van de techniek zijn er ook ontwikkelingen die ervoor zorgen dat het steeds lastiger wordt om een (relatief kleine) biogasinstallatie rendabel te (laten) opereren. Op 4 juni 2015 is een omgevingsvergunning voor een mestvergistingsinstallatie verleend aan Mts. de Greef Agro Energy, waarbij door gemeente Woudenberg is besloten mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan o.g.v. art. 2.12, lid 1a, sub 2 Wabo en art. 4, lid 7 van bijlage II van het Bor. Op 20 mei 2015 is voor het perceel Voskuilerdijk 26 een wijzigingsplan vastgesteld. In verband met de wens van het bedrijf om de vrije uitloop van de kippen in stand te kunnen houden, diende de vergistingsinstallatie buiten het huidige agrarisch bouwvlak te worden gebouwd. De vorm van het bouwvlak is daarom aangepast d.m.v. een wijzigingsplan. In het kader van het wijzigingsplan is door Landschapsbeheer Woudenberg een plan voor de landschappelijk inpassing vervaardigd.

Op 12 maart 2018 is door gemeente Woudenberg een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de vergunde lay-out van een biogasinstallatie. De omgevingsvergunning is verstrekt voor de onderdelen milieuneutrale wijziging, bouwen en handelen in strijd met regels voor de ruimtelijke ordening. Op 26 november 2018 is door gemeente Woudenberg een omgevingsvergunning (revisievergunning) voor een pluimveehouderij en biogasinstallatie (co-vergisting). De verwerkingscapaciteit van de biogasinstallatie bedraagt 30.000 ton per jaar. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied gemeente Woudenberg 2013, die op 27 juni 2013 door de gemeenteraad van Woudenberg is vastgesteld.

4.2

Voorgenomen activiteit (veranderingen)

De uiteindelijk te realiseren (co-)mestvergistingsinstallatie is/wordt op een aantal onderdelen gewijzigd. De plannen zijn nu om de inputcapaciteit te verhogen naar 60.000 ton mest en coproducten per jaar met als samenstelling > 50% mest en < 50% co-producten. Het vergistingsproces an-sich wordt niet anders.

13

De plannen hebben betrekking op de volgende onderdelen: 1. Uitbreiden van de inputcapaciteit van de vergister van de vergunde 30.000 ton mest en coproducten per jaar naar 60.000 ton per jaar. 2. uitbreiding met een derde hoofd-/navergistersilo incl. biogasopslagreservoir, nodig om de dubbele inputmassa adequaat te kunnen verwerken, 3. aanpassing en vergroting van de biogasreinigingsinstallatie, 4. uitbreiding met een 2e groengasinstallatie, 5. CO2-afvang- en vervloeiingsinstallatie, 6. vervanging van het huidige opslagbassin dunne digestaatfractie naar een betonnen eindopslagsilo met een spankap, 7. plaatsing van een lucht-water warmtepomp om te allen tijde verzekerd te zijn van voldoende warmte voor de bedrijfsprocessen, 8. verlenging van de beide leghennenstallen en overschakelen van freiland kippen naar minder te houden biologische kippen; het stalsysteem blijft ongewijzigd volièrehuisvesting (E 2.11.1), en 9. deels “cosmetische” aanpassingen, zoals de plaatsing van 2 lavareactoren als tussenstap in de nabehandeling van de geurhoudende luchtstromen uit de vergistingsinstallatie.

4.3

Nadere toelichting op de processen

Het vergistingsproces, opslagcapaciteit, logistieke processen en aanvullende verwerkingsprocessen zijn in de aanvraag omgevingsvergunning uit 2018 uitgebreid toegelicht. De processen blijven grotendeels ongewijzigd, behalve dat een 3e vergistersilo (navergister) en een nieuwe staande betonnen silo in plaats van het bestaande folie mestbassin in de plannen is voorzien. Overigens is in de omgevingsvergunning van 2019 al een groengas productie installatie meegenomen en ruim 4 jaar operationeel, met een weliswaar kleine capaciteit, nl. 250 m3 groengas per uur. Een nieuwe 2e groengas installatie is noodzakelijk. Deze zal een maximale capaciteit krijgen van 850 m3 groengas per uur. De hoeveelheid geproduceerd biogas is hierop afgestemd. De vergister produceert, na uitbreiding, maximaal 60.000 ton per jaar x gemiddeld 240 m3 / ton (dit is afhankelijk van het menu) = ongeveer 14,5 miljoen m3 biogas. Na de opwerkingsfase resteert uiteindelijk ongeveer 6,4 miljoen m3 groen gas op jaarbasis, bij maximaal operationeel zijnde WKK. Bij uitfasering van de WKK is het mogelijk maximaal 8,8 m3 groen gas op jaarbasis in te voeden. Rekening houdend met een effectieve bedrijfstijd van de groengas productie installatie van 8.000 uur wordt er per uur 800 - 1.100 m3 groengas geproduceerd en ingevoed in het openbare aardgasnet.

Plaatsing van de 2e groengas installatie is voorzien in de loods, inpandig dus naast de 1e compressorruimte. De beide groengas installaties worden tezamen zodanig gedimensioneerd (max. 1.100 m3 groengas per uur) dat alle geproduceerde biogas op elk gewenst moment naar groengaskwaliteit kan worden opgewaardeerd en worden ingevoed. De meeste processen vinden inpandig plaats en in gesloten systemen.

14

Bij Mts. de Greef mag de mest (de output, het digestaat) be- en verwerkt worden. Mts. de Greef produceert op duurzame en efficiënte wijze grondstoffen en energie uit mest, restproducten en biomassa. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het besparen van fossiele brandstoffen en de reductie van CO2-uitstoot. Al het aangeboden materiaal wordt voor 100 % omgezet in vervangende meststoffen en groene energie (stroom, groen gas (= aardgaskwaliteit) en warmte). Bovendien wordt de methaanemissie uit de mestkelders van de agrarische bedrijven behoorlijk gereduceerd als de mest sneller kan worden afgevoerd naar de vergistingsinstallatie van De Greef. Methaan heeft een 40 x hoger broeikasgaseffect als CO2. Daarmee werkt De Greef mee aan een duurzame toekomst. Belangrijk om te melden is dat de gewenste verdubbeling van de inputcapaciteit qua opslagbehoefte, voorbewerking van de grondstoffen, verwerking van de tussenproducten en nabehandeling van de afgezogen geurhoudende lucht binnen de bestaande en vergunde installatie kan worden gerealiseerd. Er is een vergunning om het digestaat te hygiëniseren, zodat deze geschikt is voor export (export = verwerking), er is een vergunning om digestaat in te dikken (bewerken) en er is een vergunning om gescheiden dikke fractie digestaat in te mogen drogen (bewerken). Als bijv.

dikke fractie mest, al dan niet ingedroogd, wordt geëxporteerd, dan telt dat mee als verwerkte mest. De fosfaten in de mest zijn geëxporteerd. De Greef kan daar op redelijke schaal een rol in spelen als er relatief veel mest wordt ingenomen. Derhalve wil De Greef graag naar een input van 60.000 ton per jaar, met een mestaandeel van mimimaal 50%. Voor het verder drogen van de dikke digestaatfractie wordt nu nog de resterende overtollige warmte van de WKK gebruikt. Dit verandert niet bij een verdubbeling van de input. De inzet, hoewel misschien beperkter, van de WKK-capaciteit zal nodig blijven om in de warmtebehoefte van het vergistingsproces en het droogproces te voorzien en de biogasinstallatie van eigen geproduceerde groene stroom te voorzien. Om een input van 60.000 ton mest en co-producten per jaar volledig en adequaat te kunnen vergisten en verwerken is het noodzakelijk om een extra vergistersilo bij te bouwen. Het invoersysteem en de hydrolyse-/mengtank zijn gedimensioneerd om in de volgroeide situatie de dagelijkse hoeveelheid input van ongeveer 164,5 ton/etmaal, behorende bij een jaarlijkse input van 60.000 ton, te kunnen mengen tot een homogene vloeistof. Tussen 07.00 uur – 19.00 uur, de werkzame uren, wordt de aangevoerde vaste biomassa uit één van de 3 sleufsilo’s met regelmatige tussenpozen d.m.v.

een shovelbak van 2 m3 inhoud via het invoerluik in de hydrolyse-/mengtank gedeponeerd. De cyclus, van transport naar invoerluik duurt maximaal 1,5 á 2 minuten. Rekening houdend met een voedingstijd van steeds een half uur wordt er 30/2 min. x 2 m3 x 0,9 (s.g. vaste grondstoffen) = 27 ton vaste co-producten ingevoerd in een half uur. De sleufsilo’s hebben een totale opslagcapaciteit van 1.060 m3, Dat is voldoende voor ongeveer 11-12 dagen voeding. Als de vergister in volle productie is, wordt deze dagelijks met gemiddeld 104 ton vaste mest en coproducten gevoed. Dus in een totale tijdsspanne van ongeveer 2 uur per etmaal wordt de dagelijkse hoeveelheid verwerkt in de vergister.

15

De vloeibare co-producten worden vanuit de co-substraatsilo’s gedurende het gehele etmaal (dus 24/7) op gezette tijden (ieder half uur een dosering) in de hydrolysering gepompt (dagelijks gemiddelde ruim 60,5 ton per etmaal). De dosering gaat automatisch en de gehele dag door. Hier komt geen mensenhand aan te pas. De co-substraatsilo’s hebben een totale opslagcapaciteit van 800 m3, dus voldoende voor ongeveer 2 weken. Uiteraard moeten de co-substraatsilo’s natuurlijk wel bij voorkeur dagelijks worden gevuld. Maar daarin is voorzien. Door het ondermengen van de vaste biomassa lost de vaste stof op. De ingebrachte vaste biomassa volledig opgelost in een homogene vloeistof. Dan neemt het volume van de vloeibare massa weliswaar toe, maar in verhouding met de soortelijke massa (berekend op basis van het voorbeeldmenu, opgenomen in bijlage 9: ~ 0,9 ton/m3) echter wat minder. Vanuit de hydrolyse/mengtank wordt de homogene vloeistof in één van de beide hoofdvergisters gepompt. De hydrolysestap is de eerste stap van het vergistingsproces waarbij (nog) geen methaangas geproduceerd wordt. De hydrolyse-/mengtank fungeert tevens als voedingsbuffer voor het vergistingsproces. Omdat de hydrolysestap de eerste stap van het vergistingsproces is, kan de verblijftijd van de input in deze tank, in de praktijk ongeveer 2,5 – 3 dagen, worden opgeteld bij de verblijftijd in de hoofdvergisters.

In de 2 hoofdvergisters wordt de voeding door middel van anaerobe vergisting omgezet in biogas en digestaat. Het voeden van de vergisters gebeurt continu. Een groot deel van de organische stof (normaliter ca. 10-20% van de totale massa) wordt hierbij omgezet in biogas. Het digestaat dat in de hoofdvergisters zit neemt hierdoor af, gelijk aan de organische stof in hoeveelheid (volume en tonnage), krijgt zodoende een hoger vochtgehalte en wordt minder viskeus. Het soortelijk gewicht van het digestaat dat in de vergister zit zal hierdoor verschuiven richting het soortelijk gewicht van water (ca. 1 kg/liter). Voor een adequate vergisting (mesofiele vergisting) is een gemiddelde verblijftijd van 35-45 dagen in de hoofdvergisters wenselijk. De precieze verblijftijd is afhankelijk van de afbraaksnelheid van de toegevoerde producten. Voor vergisting van mestproducten wordt over het algemeen een wat ruimere verblijftijd aanbevolen. De temperatuur in de hoofdvergisters wordt op ongeveer 35-37 °C gehouden. Bij de Greef wordt ervan uitgegaan dat in de hoofdvergisting ongeveer 90 % van de voeding wordt omgezet in biogas. Vanuit de hoofdvergisters wordt het digestaat naar de navergister gepompt.

Aangezien de hoofdvergisters continue worden gevoed en digestaat continu wordt weggepompt naar de navergister, zit er naast de wat moeilijker afbreekbare componenten ook nog rest-biogas in het digestaat dat naar de navergister wordt gepompt. In de navergister worden d.m.v. meer specifieke bacteriën en enzymen (bij eveneens T= 35-37 °C) alle nog aanwezige componenten en vezels afgebroken en omgezet. Deze laatste fase duurt tot een volledig uitgegist en gestabiliseerd digestaat mengsel is verkregen. Een verblijftijd van 10-15 dagen wordt als toereikend beschouwd. De verblijftijd van het vergistingsproces is opgebouwd uit 3 stappen, nl. meng- en hydrolysestap, de hoofdvergistingsfase en de navergistingsfase. Dit geeft een totale verblijftijd van 3+45+15 = ongeveer

16

63 dagen. Hierbij wordt aangetekend dat de bovenstaande berekening is gebaseerd op het voorbeeldmenu uit bijlage 9 en gebaseerd op een langdurig probleemloos vergistingsproces.

Na realisering van de extra vergistersilo (Ø 28 m) is er sprake van een afgewogen vergistingscapaciteit bij De Greef (totaal ca. 4.925 + 2 x 3.925 m3 hoofdvergisters + navergister / naopslag = 12.775 m3). Rekening houdend met een vullingsgraad van 90% in de tanks wordt de totale verblijftijd in de vergister: 365 dagen / (60.000 ton per jaar/0,9 ton/m3 (= soortelijke massa) / (12.775 m3 x 0,9 (= vullingsgraad) = circa 62,5 dagen. Doch in de praktijk komt het echter regelmatig voor dat de voeding moet worden teruggeschroefd als gevolg van een storing in het proces. Bovendien komt het geregeld voor dat er producten/grondstoffen worden aangevoerd met een lager soortelijk gewicht, die als voeding voor de vergisting worden gebruikt. En bij een ruimer aanbod van vaste producten zal er extra water aan het vergistingsmengsel moeten worden toegevoegd, in de praktijk terreinwater en percolaatwater, om het mengsel goed verpompbaar te houden. Het bovenstaande toont aan dat de aangevraagde vergistingscapaciteit zeker nodig is, misschien zelfs nog aan de krappe kant, om een inputhoeveelheid van 60.000 ton per jaar ook te kunnen verwerken. De vergistercapaciteit komt dus goed overeen met de benodigde verblijftijd voor een optimaal vergistingsresultaat.

4.4

Bouw 3e vergistersilo

De extra vergistersilo krijgt een buitendiameter van 28,5 m. en een vloeroppervlakte van 615 m2 en een wandhoogte van max. 6 m. boven maaiveld en 2 m. beneden het maaiveld. De vergistersilo wordt voorzien van een dubbelmembraans gasdak. Het gasdak (buitenmembraan) wordt maximaal 12 m. hoog. Hoe groter de inhoud van het biogasreservoir onder het gasdak hoe meer buffercapaciteit wordt gecreëerd om daarmee ook wat langer durende storingen in de WKKinstallatie en groengas installatie op te vangen. In het bestemmingsplan van 2010 staat bij art. 3.2.1., lid l, dat de maximale hoogte van silo's 10 m. mag bedragen met een 10% overschrijding, dus ruim 11 m. In het nieuwe bestemmingsplan wordt voor het vergister bouwperceel locatie een maximale hoogte van 13 m. mogelijk gemaakt. Op de bijgevoegde overzichtstekening zijn de afmetingen van de resp. installatie onderdelen en bijbehorende (relevante) oppervlaktes van de bouwwerken ten behoeve van de (bedrijfseigen) mesten/of organische (bij)productvergisting opgenomen.

4.5

Bebouwing biogas opwerkingsinstallatie en CO2 terugwininstallatie

De 2e gasopwaardeerinstallatie (membraaninstallatie) wordt opgesteld in een bouwkundig afgetimmerde ruimte (nr. 14 op de milieutekening) naast de bestaande gasopwaardeerinstallatie inpandig in de loods, die alle componenten bevat met een hoogte van 4 meter met op het dak de

17

ventilatoren voor de noodkoeling. De ruimte heeft een grootte van ongeveer 8 bij 12 meter. De Bio2Net wordt in een aparte afgescheiden ruimte in het gebouw van de biogasopwerking ondergebracht. Het gebouw voor de CO2-terugwinning (afvangen en vervloeien) (nr. 15 op de milieutekening) meet eveneens 8 bij 12 meter en is eveneens inpandig gesitueerd naast het gebouw van de 2e gasopwaardeerinstallatie. De ventilatie (in- en uitlaatroosters) zijn daarop aangepast.

4.6

Capaciteit gasopwerkingsinstallaties

De biogas opwerkingsinstallaties kunnen tezamen ongeveer 1.100 Nm3 groen gas per uur produceren, zoals in par. 4.3 staat aangegeven. De productie kan variëren van 800 - 1.100 Nm3 groengas per uur, mede afhankelijk van de vraag en de periode en de inzet van de WKK. Bij de opwerking van het biogas naar groengas kwaliteit komt geen emissie en geur vrij. Het betreft volledig gesloten installaties. Zoals al in par. 4.3 is aangegeven wordt alle biogas in de hernieuwde en vergrote gasopwerkings(=reinigings)installatie (nr. 13 op de milieutekening) voorbehandeld waarin een waterwasser en actief koolfilters de geurstoffen en ammoniak uit het biogas halen. Hierna bevat het groene gas enkel de geurloze bestanddelen methaan en CO2. In de Bio2Net installatie wordt juist voor de invoeding van het groen gas in het aardgasnet een kleine hoeveelheid geurmarkeringsstof (THT) toegevoegd. Dit leidt normaliter niet tot geuremissie.

4.7

Verwerkingscapaciteit/productie CO2 terugwininstallatie

Uitgaande van een maximale productie van ongeveer 1.100 m3 groen gas per uur komt er koolzuurgasstroom vrij van ongeveer 730 m3. Dit komt overeen met ongeveer 1.460 kg CO2 ofwel ongeveer 1.200 liter vloeibaar CO2. Het vloeibare CO2 wordt onder een druk van 18 bar opgeslagen in een 1 x 80 m3 tank of 2 x 50 m3 tanks bij een temperatuur van tussen -10 en -20°C. De hoeveelheid geproduceerde vloeibare CO2 bedraagt ongeveer 1,2 m3 per uur. Op jaarbasis (8.000 uur) gaat het om 11.660 ton afgevangen CO2 uit het restgas, wat in de voorgaande jaren tot nu toe gewoon in de buitenlucht werd afgeblazen. Er is geen sprake van methaanslip bij het vervloeien van CO2. Alle nietcondenseerbare verontreinigingen, zoals CH4 worden in de CO2-terugwininstallatie (actieve koolfilter) uit de CO2-luchtstroom gehaald en bij verzadiging van het AK filter afgevoerd. Er wordt theoretisch ca. 32 ton CO2/dag geproduceerd, dus met wat ruimte voor het weekend, heb je of 1 grote tank van 80 m3 of 2 tanks van 50 m3 nodig. Er is vooralsnog 1 tank van 80 m3 voorzien. De CO2 wordt 1 x 2 à 3 dagen opgehaald, dus met een frequentie van gemiddeld 0,5 transporten per etmaal (alleen dagperiode) tot maximaal 2 transporten per etmaal bij zeer uitzonderlijke, incidentele overmachtssituaties. Dit ontwerp is geschikt om voor de SDE++ de CO2 ruimte te alloceren.

18

Alle afgevangen (max. 11.660 ton) CO2 (restgas 3e trap van de biogasopwerking) wordt opgewerkt tot zuiver CO2 en vervloeid en een nuttige bestemming krijgen. Het gebouw voor de CO2- terugwinning is gesitueerd naast het gebouw van de gasopwerking. Beide binnengebouwen zijn gesitueerd in de loods. De ventilatie (in- en uitlaatroosters) worden daarop aangepast. De gebouwen staan op de milieutekening ingetekend (nrs. 14 en 15). Op dit moment is niet zeker wie de CO2 liquefaction installatie gaat leveren. Het Brusche CO2 Liquefaction (BCL) systeem lijkt een serieuze partner in dit stadium. Het BCL-systeem is ontworpen om het CO2 kostenefficiënt vloeibaar te maken uit de CO2 rijke gasstroom. Indien de opdracht in de vervolgfase wordt verstrekt aan een andere aanbieder zal het in ieder geval om een vergelijkbaar ontwerp gaan met dezelfde specificaties en installatie onderdelen en omvang. Tijdens het project zullen de onderdelen van de leveringsomvang in detail worden uitgewerkt. Dit detail informatie zal worden geleverd als "as built"-documentatie na de inbedrijfstelling van de Liquefaction Plant.

4.8

Procesbeschrijving biogasopwerking en -opwaardering bij De Greef

Biogas bestaat voor ongeveer 60% uit methaan (CH4) en 40% kooldioxide (CO2). Daarnaast bevat het biogas H2S, NH3 en vaak ook vluchtige organische koolwaterstoffen, zoals siloxanen en terpenen. Ook is het biogas verzadigd met vocht. Aardgas daarentegen bestaat voor ongeveer 90% uit CH4, is droog en bevat vrijwel geen NH3 en H2S. De gasopwerking is dan ook gebaseerd op de volgende principes: • • • •

H2S verwijdering uit het biogas met actief kool; verwijdering van andere verontreinigingen met actief kool; drogen van het gas door middel van koeling en membranen; CO2-verwijdering door middel van membranen.

Het biogas uit de vergisters gaat eerst door een aparte biogasreinigingsinstallatie1. Hierin

1

De biogasreinigingsinstallatie is in beginsel alleen actueel voor de opwerking van het geproduceerde biogas naar groengas (= aardgaskwaliteit). Het biogas wat wordt verbrand in de WKK behoeft in principe geen extra reiniging te doorlopen bovenop de generieke maatregelen. Bij de verbranding van biogas in een WKK zou, in geval van een hogere zwavelconcentratie in de aangevoerde producten, theoretisch een zeer beperkte geuremissie kunnen optreden en ontwijken via de verbrandingsgassen. De normale gang van zaken is dat d.m.v. biologische ontzwaveling in de vergister (toevoeging van een kleine hoeveelheid lucht) en toevoeging van waterijzer aan het vergistingsmengsel het H2S-gehalte goed onder controle wordt gehouden. Dit is ook nodig om corrosie in de WKK-installaties te voorkomen. De Greef heeft er echter voor gekozen om alle biogas, dus ook wat verbrand wordt in de WKK, eerst door een voorreiniging te leiden, zodat de zwavelconcentratie (lees: H2S) altijd minimaal is voordat het biogas verder wordt verwerkt cq. toegepast.

19

wordt het biogas allereerst “gewassen” met koud water in een wastoren. Deze wassing heeft twee functies: • •

wateroplosbare verontreinigingen (zoals NH3) worden verwijderd; het koude water2 koelt het biogas tot ongeveer 10°C, waardoor het meeste vocht in het biogas condenseert en afgescheiden wordt.

Na de wastoren wordt het biogas op druk gebracht met een blower, die het biogas richting de opwerkingsinstallatie blaast en tevens zorgt voor voldoende voordruk voor de compressor van de opwerkingsinstallatie. Na de blower gaat het biogas door twee actief koolfilters. Het eerste actief koolfilter verwijdert de H2S uit het biogas, en het tweede is een politiefilter voor de verwijdering van eventueel aanwezige andere verontreinigingen, zoals siloxanen en terpenen.

Figuur 1:Wastoren en actief koolfilters (voorbeeld van een buiten-skid). Bij De Greef komen deze installatie onderdelen deels binnen in een aparte afgescheiden bouwkundige ruimte in de loods te staan.

Tussen de actief koolfilters bevindt zich ook nog een elektrische heater, die het biogas weer

2 Met koud water wordt bedoeld het gecondenseerde afgescheiden vocht uit het biogas, waarin de ammoniak

wordt opgenomen. Het gaat om een beperkte ammoniakconcentratie in het waswater. Dit koude water uit de biogaskoeling vloeit terug naar de condensput en wordt periodiek teruggepompt (dompelpomp) in de mengtank van de vergister, terug in het vergistingsproces. Het gaat om een condensaatproductie van minder dan 50 liter per uur. Dit heeft nagenoeg geen invloed op de stikstofconcentratie (lees: ammoniak) in de vergister en evenmin op de zuurgraad in het vergistingsmengsel. Bovendien worden de pH en het stikstofgehalte in de vergister dagelijks gemeten. Het stikstofgehalte mag zeker niet te hoog worden. Een te hoge stikstofconcentratie kan zorgen voor vergiftiging van het biologisch proces. De pH en de stikstofconcentratie in het vergistingsmengsel wordt gereguleerd met de voeding, dus stikstofarme co-producten en mestsoorten afgewisseld met producten die wat meer stikstof bevatten. Het vergistingsproces zelf is een gesloten proces waarbij geen geur of ammoniak vrijkomt.

20

wat opwarmt, om de relatieve vochtigheid van het biogas te verlagen en condensatie in de ondergrondse leidingen te vermijden. Bij binnenkomst in de gasopwerking wordt het biogas direct op druk gebracht met een oliegesmeerde schroefcompressor. Er is voor de membranen een procesdruk nodig van 12 – 16 bar, de biogas compressor levert deze druk. De druk na de membranen is ca. 0,5 – 1 bar hoger dan de druk in het gasnet. Het door de compressie warm geworden biogas wordt vervolgens gekoeld in een warmtewisselaar, waarna het door de koeling gecondenseerde vocht wordt afgescheiden in een condenspot met demister. Hierna wordt het biogas weer opgewarmd tot de temperatuur waarbij de membranen optimaal functioneren. Deze opwarming garandeert tevens dat er geen vrij vocht in de membranen kan komen.

Figuur 1: Schroefcompressor en membranen

Als laatste zit er voor de membranen nog een zeer fijn stoffilter, om de membranen te beschermen. Dit filter houdt ook eventueel in het biogas aanwezige pathogenen tegen, die volgens de invoedingsvoorwaarden niet in het groen gas mogen zitten. Het CO2 wordt uit het biogas verwijderd in een drietraps membraansysteem. Bij de membraaninstallatie wordt met behulp van rietjes met kleine gaatjes het CO2 en het methaan gescheiden. Het CH4-gehalte van het gas wordt in twee trappen opgehoogd tot de 90% die vereist is voor groen gas. De scheiding van CH4 en CO2 is niet 100%: in het groen gas blijft nog wat CO2 zitten en in het CO2-rijke restgas zit ook nog wat CH4. Dit CH4 wordt weer teruggewonnen uit het restgas in de derde membraantrap en gaat terug naar de ingang van de compressor, net als het restgas uit de tweede trap. Op deze wijze wordt vrijwel alle CH4 gebruikt voor de productie van groen gas en gaat er vrijwel geen CH4 verloren. Het restgas van de derde trap is vrijwel zuiver CO2, wat in het verleden naar de atmosfeer wordt gespuid, maar bij De Greef naar de CO2afvang- en liquefaction (=vervloeiings)installatie wordt geleid. Er is geen sprake van methaanslip bij de biogasreinigingsstap. Het CH4-gehalte van het groen gas wordt geregeld door de druk op de membranen te

21

regelen (hogere druk → hoger CH4-gehalte). Dit gebeurt met een drukregelklep. Het CH4gehalte wordt zeer nauwkeurig gemeten door de gaschromatograaf in de Bio2Net. Deze doet echter 5 minuten over een meting, wat te lang is voor een goede gaskwaliteitsregeling. Om dit te ondervangen wordt het CH4-gehalte tevens gemeten met een snelle, continue infraroodmeting. Deze infraroodmeting bepaalt het set point voor de drukregeling op basis van het gemeten CH4-gehalte. De infraroodmeting krijgt op zijn beurt het set point voor het CH4-gehalte van de nauwkeurige meting van de gaschromatograaf. Het groengas wordt na de membranen via de Bio2Net geïnjecteerd in het gasnet. Er is geen sprake van een groengas buffer. Tussen de gasopwerking en het aardgasnet in bevindt zich een Bio2Net. Dit is een poortwachter die de toegang tot het aardgasnet bewaakt en die de toevoer naar het aardgasnet alleen open zet indien het groen gas op alle punten aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet. De Bio2Net controleert dit door het groen gas voortdurend te analyseren in een gaschromatograaf. Groen gas dat niet aan de eisen voldoet stuurt de Bio2Net terug naar de vergister. De Bio2Net voegt aan het goedgekeurde gas de vereiste hoeveelheid geurstof (THT) toe alvorens het gas wordt ingevoed in het aardgasnet.

Ook bevat de Bio2Net de comptabele gasmeter, op basis waarvan de levering van groen gas wordt afgerekend met de energiemaatschappij waar het groen gas aan verkocht wordt. Deze groen gas installatie produceert naast groen gas ook een hoeveelheid restwarmte. Deze restwarmte is niet geschikt om te gebruiken voor het droogproces en pasteurisatie, aangezien de warmte beschikbaar is als warm water met een temperatuur van 50-55 °C, wat te laag is voor deze processen. De restwarmte kan wel nuttig worden gebruikt in het vergistingsproces. Op dit moment is nog niet bekend welk bedrijf de opdracht krijgt voor de levering, plaatsing en onderhoud etc. van de biogas opwerkingsinstallatie en de CO2-liquefaction installatie. Naar verwachting zal de gehele biogas opwerkingsinstallatie en groengas productie worden ontworpen, geleverd en ge-engineerd door Biogasplus Systems BV. Bij het ontwerp, uitvoering en installatie inclusief de test- en inspectiefase wordt in ieder geval aan alle PED richtlijnen voldaan.

4.9

Procesbeschrijving CO2 terugwinstallatie

Het restgas van de gasopwerking bestaat voor 98-99% CO2, en bevat daarnaast nog kleine hoeveelheden CH4, N2, O2 en water. Het principe waarop de werking van de CO2-terugwininstallatie is gebaseerd, is het drogen van het restgas, gevolgd door het vloeibaar maken van de CO2, waardoor de niet-condenseerbare verontreinigingen (N2, O2, CH4) in de gasfase achterblijven, en de CO2 eenvoudig per tankwagen getransporteerd kan worden. a. CO2 compressor

22

In de CO2-terugwininstallatie wordt het restgas eerst gecomprimeerd in een olievrije tweetraps zuigercompressor tot een druk van 18 bar. Het door de compressie warm geworden restgas wordt vervolgens teruggekoeld tot 35 °C. Hierdoor wordt het condenserende vocht afgescheiden.

b. CO2 droger Na de compressor wordt alle resterende vocht uit het restgas verwijderd met een PSA/TSA droger, bestaande uit twee parallelle torens met absorptiemateriaal. Het restgas wordt gedroogd in één van de torens en de andere staat standby. Het absorptiemateriaal in de torens absorbeert het resterende vocht in het restgas, waardoor na de droger een dauwpunt van < 60 °C gehandhaafd wordt. Als de dienstdoende droogtoren verzadigd raakt, schakelt de droger automatisch om naar de tweede toren. De verzadigde toren wordt dan geregenereerd door deze te verwarmen en de druk te verlagen. Om CO2 te besparen wordt hierbij lucht gebruikt om de toren te spoelen en het vrijkomende vocht af te voeren. Alleen voor het afkoelen van de geregenereerde toren wordt een kleine hoeveelheid droog CO2 gebruikt.

23

c. Actief koolfilter Na de droger gaat het restgas nog door een actief koolfilter, waarin de laatste condenseerbare verontreinigingen worden geadsorbeerd. Het actief koolfilter is ontworpen voor een lange standtijd, zodat de actief kool minder vaak ververst behoeft te worden. Voor het wisselen van de actief kool is een bypass met afsluiters rond het actief koolfilter voorzien.

d. CO2 vervloeier Na het actief koolfilter wordt het restgas diep gekoeld in een warmtewisselaar, waardoor de CO2 vloeibaar wordt. De vervloeiing betreft dus een proces van achtereenvolgens compressie en koeling. Het koelen van het restgas gebeurt met een synthetische koudemiddel (Freon R448a) of met vloeibare ammoniak, wat in de warmtewisselaar verdampt.

24

De warmtewisselaar is gekoppeld aan een koelsysteem, waarin de verdampte koelvloeistof (ammoniak of Freon R448a = Solstice® N40) weer vloeibaar gemaakt wordt met behulp van een schroefcompressor. R448a is een niet-ontvlambaar HFO-blend (hydrofluoro-olefin) dat wordt gebruikt ter vervanging van R404A en R22 in koel toepassingen in het lage en middelhoge temperatuurbereik. Het heeft een uitstekende combinatie van een lage GWP-waarde en een hoog rendement en biedt ook een lagere afgastemperatuur bij middelhoge en lage temperaturen. De condensor van het koelsysteem is watergekoeld met behulp van ventilatoren die een 30% glycol/ water mengsel koelt (net zoals het koelwatercircuit in een auto). Het koelproces voor het vloeibaar maken van CO2 gaat hoogst waarschijnlijk gewoon met een synthetisch HFO koudemiddel met lage GWP plaatsvinden. Door de druk op het gebruik van de synthetische koudemiddelen staan de natuurlijke koudemiddelen zoals ammoniak, koolzuur en koolwaterstoffen weer volop in de belangstelling. In de eerste plaats zijn natuurlijke koudemiddelen minder schadelijk voor het milieu. Ten tweede heeft een installatie op basis van een natuurlijk koudemiddel een lager energieverbruik. Besparingen van 30 tot 40% zijn geen uitzondering. Omdat de kosten van een natuurlijk koudemiddel ook lager zijn, zijn de exploitatiekosten van de installatie over het algemeen gunstig.

De beslissing hierover is nog niet genomen op dit moment. Daarom wordt de mogelijkheid van toepassing van ammoniak evenwel open gehouden. Met ammoniak in de koeltechniek kan een zeer hoge energie-efficiëntie worden bereikt. Het gaat om een opslaghoeveelheid van maximaal 150 liter NH3 in het gehele koelsysteem. De opslaghoeveelheid van ammoniak blijft in dat geval ruim beneden de grenswaarde van 1.500 kg. Bovendien wordt bij toepassing van ammoniak als koelmiddel voldaan aan de voorschriften en bepalingen van de PGS 13, NEN-EN 378-1 en de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED). Voor koelinstallaties met ammoniak is een paragraaf met algemene voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (par. 3.2.6). Deze paragraaf is rechtstreeks van toepassing op de installatie binnen de inrichting. Paragraaf 3.2.6 van het Activiteitenbesluit is uitsluitend van toepassing op ammoniak koelinstallaties met een inhoud tot maximaal 1.500 kg ammoniak. Als een synthetisch HFO-koudemiddel als koelmedium wordt toegepast, zijn op de koelinstallaties zijn de Europese f-gassenverordening en Verordening ozonlaag afbrekende stoffen van toepassing. Daarnaast geldt vanuit het Activiteitenbesluit een meldingsplicht voor koelapparatuur met een koudemiddelinhoud groter dan 30 kg. Brusche Process Technology biedt R744 (CO2) als natuurlijk koelmiddel aan.

Voor dit project heeft Brusche gekozen voor een hoogrendement condensing unit (voor CO2 transkritische toepassing), uitgerust met een compressor met variabele snelheid. Dankzij deze kenmerken is het een zeer efficiënte eenheid (zelfs bij deellast), zonder enig compromis met de koelvraag.

25

Visualisatie van de CO2 vervloeiingsinstallatie op een skid (uitneembaar metalen frame) e. Reboiler Stripper Het vloeibare CO2 uit de vervloeier valt naar beneden door een strippertoren. Onderin de strippertoren zit een reboiler, waarin door een verwarmingsspiraal gasvormig CO2 voorgekoeld wordt, waardoor een deel van de vloeibare CO2 in de reboiler weer verdampt en opstijgt door de strippertoren. De vallende vloeibare CO2 en de opstijgende gasvormige CO2 komen zeer intensief met elkaar in contact in de strippertoren, waardoor een zeer grondige scheiding tussen de CO2 en de niet condenseerbare verontreinigingen in het restgas (CH4, O2, N2) gerealiseerd wordt, en een zeer zuivere vloeibare CO2 geproduceerd wordt. Dit vloeibare koolzuurgas kan vervolgens worden gebruikt voor diverse toepassingen, o.a. in kassen en glastuinbouw. Planten (groenten, bloemen e.d.) hebben veel CO2 nodig voor hun groei. f.

CO2 opslagtank

Het vloeibare CO2 staat onder hoge druk (ongeveer 18 bar) en kan daarom op drukverschil naar een CO2 opslagtank stromen. In deze goed geïsoleerde tank kan het vloeibare CO2 opgeslagen worden. De opslagtank(s) voor CO2 betreffen bovengrondse tanks, dubbelwandig uitgevoerd en in de buitenlucht opgesteld. De opslagvoorziening wordt geleverd met relevante kleppen en accessoires.

26

De ontwerptemperatuur bedraagt -50 +50 °C. De binnentank is gemaakt van speciaal materiaal voor lage temperaturen, compleet met: - een set accessoires (kleppen/instrumenten) reeds geïnstalleerd en aangesloten op de tankwagen; - ondersteuningen, toestellen en accessoires; - niveau alarm; - weeginstallatie en monsterpunt. De van toepassing zijnde voorschriften en maatregelen, die zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van de PGS 9 met betrekking tot de opslag van vloeibare koolzuur zijn leidend. Daarnaast wordt de Europese richtlijn drukapparatuur (PED) bij de technische uitvoering en specificaties toegepast. Met het Warenwetbesluit drukapparatuur (WBDA 2016) is de (PED) in Nederland geïmplementeerd. En worden de aanbevelingen voor goed onderhoud (hoofdstuk 10), aanbevelingen voor het (veilig) gebruik van de opslagvoorziening (hoofdstuk 11) en aanbevelingen voor instructies bij incidenten (hoofdstuk 12) opgevolgd.

5. Plaats van het project 5.1

Plaats van de voorgenomen activiteit

De inrichting is gevestigd aan de Voskuilerdijk 26, op ongeveer 2 km van de dorpskern van Scherpenzeel en op ongeveer 3 km van de kern van Woudenberg. In onderstaande figuur is de ligging weergegeven van de vanaf 2018/2019 bestaande en in bedrijf zijnde vergistingsinstallatie. De dichtstbijgelegen woning, zijnde een woning behorend bij een voormalig agrarische bedrijf ligt op ongeveer 125 m. afstand van de vergister en op ca. 65 m. afstand van de dichtstbijgelegen pluimveestal.

27

Figuur 1:

Situatietekening met de ligging Mts. De Greef Agro Energy BV.

Het deel van de inrichting waar de vergistingsinstallatie is gesitueerd heeft de coördinaten x = 160.425 en y = 456.340 (centrum van de locatie) en is kadastraal bekend als: gemeente WOUDENBERG02, sectie A, nummer 1531. De oppervlakte bedraagt nu nog 12.325 m2.

28

Figuur 2:

Plattegrondtekening biologisch pluimveehouderij incl. de biogasinstallatie De Greef

Voor de betekenis van de installatieonderdelen wordt verwezen naar het renvooi overzicht in bijlage 3 van de aanvraag omgevingsvergunning en naar de bij deze aanmeldnotitie bijgevoegde bijlage. Om de uitbreidingsplannen gerealiseerd te krijgen moet het bestaande bouwvlak worden vergroot van 1,5 ha naar 2,5 ha. De provincie heeft aangegeven wel veel kansen te zien om dit gerealiseerd te krijgen en heeft benadrukt achter de plannen voor groengas productie te staan. Het is noodzakelijk de vergroting door middel van een planherziening te realiseren. Binnen de provinciale verordening artikel 5.6. is het mogelijk de vergister als stedelijke functie in het buitengebied toe te staan, mits deze aansluit bij een agrarisch bouwperceel en dat is bij De Greef het geval. Dat houdt in dat de agrarische bestemming beperkt wordt tot het echt agrarische deel en voor het mestvergisters deel een aparte bestemming (bedrijf voor opwekking duurzame energie). Vooruitlopend op de omgevingsvergunningsaanvraag wordt op ** december 2023 een bestemmingsplanherziening voor 2 bouwvlakken in procedure gebracht. Het ontwerp-b.p. is op ************ ter visie gelegd. De provincie heeft op *************** een zg. verklaring van geen bedenkingen voor het plan afgegeven.

29

6.2

Kenmerken van de omgeving

Voor de kenmerken van de omgeving wordt verwezen naar de Ruimtelijke onderbouwing, onderdeel van de bestemmingsplanherziening. Tegelijkertijd wordt het bestaande Ruimtelijk Kwaliteitsplan c.q. Erfinrichtingsplan geactualiseerd aangeleverd. De locatie is gelegen in het landelijke gebied halverwege de kernen Woudenberg en Scherpenzeel. De dichtstbijgelegen woning van derden ligt op ongeveer 125 meter van de inrichtingsgrens. Dit betreft een woning bij een voormalig agrarisch bedrijf. De bestemming hiervan is nog altijd een agrarische bedrijfswoning. De gronden zijn eigendom van initiatiefnemer. De locatie is centraal gelegen voor potentiële leveranciers van mest en co-producten en afnemers van digestaat en afgeleide producten. De ontsluiting van de locatie loopt via Voskuilerdijk naar de N224. De kortste afstand van de locatie en het dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied ‘Veluwe’ bedraagt circa 11,4 kilometer.

30

6. Effecten op het milieu 6.1

Verkeersbewegingen

De CO2 wordt 1 x 2 à 3 dagen opgehaald, dus met een frequentie van gemiddeld 0,5 transporten per etmaal (alleen dagperiode) tot maximaal 2 transporten per etmaal bij zeer uitzonderlijke, incidentele overmachtssituaties. In het akoestisch onderzoek is met twee tankwagens per dag gerekend. Bij een verdubbeling van de inputhoeveelheden wordt een verdubbeling van het aantal transportbewegingen verwacht, van gemiddeld 6-7 vrachtwagens per dag naar gemiddeld 12 à 13 per dag, of een totaal van 3.809 transporten per jaar. Voor het agrarische bedrijfsgedeelte blijft het aantal transportbewegingen vooralsnog en waarschijnlijk ook in de toekomst ongewijzigd. Indien rekening wordt gehouden met afvoer van de pluimveemest gaat het om ca. 1.250 m3 per jaar. Dat betekent een toename van 31 vrachtwagens per jaar, of te wel een toename van 0,8%. In het akoestisch onderzoek is deze toename verdisconteerd in de uitgangspunten voor het geluidmodel. In bijlage 9 van de aanvraag omgevingsvergunning is een tabel opgenomen van de te verwachten transportbewegingen op basis van een praktijk voorbeeldmenu. 6.2

Geluid

Voor de inrichting De Greef is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door het akoestisch bureau Noorman Bouw- en milieuadvies van de bestaande installatie inclusief de nieuwe onderdelen. De rapportage (kenmerk Rapport 22310242.R01) dateert van 13 oktober 2023. Voor de inhoud van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 12 van de aanvraag omgevingsvergunning. Doel van het onderzoek is het voor de aan te vragen situatie bepalen van de vanwege de inrichting te verwachten geluidniveaus in de omgeving. De geluidniveaus zijn onder meer getoetst aan de grenswaarden als opgenomen in de in 2018 verleende omgevingsvergunning (revisie) met kenmerk Z-WABO-2018-1737 en aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Teneinde de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken worden binnen de inrichting een aantal geluidreducerende maatregelen getroffen, overeenkomend met de beste beschikbare technieken. De benoemde maatregelen zijn (en worden) ingepast in de bedrijfsvoering en maken integraal onderdeel uit van de in dit akoestisch onderzoek in beeld gebrachte representatieve bedrijfssituatie. RBS Uit de berekeningsresultaten volgt dat de richtwaarden geldend voor een landelijke omgeving van respectievelijk 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode met ten hoogste 5 dB worden overschreden.

Aan de vergunde waarden van respectievelijk 45, 40 en 35 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode

31

kan worden voldaan. Opgemerkt wordt dat al rekening is gehouden met de toepassing van geluidreducerende maatregelen als hierboven beschreven. Een verdere reductie is redelijkerwijs niet mogelijk. IBS Uit het overzicht van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de incidentele situatie (IBS) met afvoer (avond en nacht) of aanvoer (overdag) van leghennen volgt dat de geluidbelasting in dat geval ten hoogste 57 dB(A) etmaalwaarde bedraagt ter plaatse van de woning Voskuilerdijk 28. Onevenredige hinder is mede gelet op het incidentele karakter niet te verwachten. LAmax Uit de berekeningsresultaten van de maximale geluidniveaus (LAmax) volgt dat ter plaatse van de omliggende woningen kan worden voldaan aan de vergunde en algemeen aanvaardbaar geachte waarden van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het overzicht van de rekenresultaten van het LAmax in de incidentele situatie (IBS) met afvoer (avond en nacht) of aanvoer (overdag) van leghennen volgt dat de maximale geluidniveaus op de woning Voskuilerdijk 28 in deze situatie tot 2 dB hoger zijn dan onder representatieve omstandigheden. Hinder is mede gelet op het incidentele karakter niet te verwachten.

Indirecte hinder Uit het overzicht van de berekende indirecte hinder vanwege het bedrijfsverkeer (RBS) rijdend over de openbare weg, volgt dat de berekende geluidbelasting ten hoogste 47 dB(A) etmaalwaarde bedraagt ter plaatse van de woning Voskuilerdijk 30. Aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt voldaan. 6.3

Bodem

De beoogde biogas opwerkingsinstallatie en de CO2-vervloeiingsinstallatie worden gemonteerd in volledig gesloten gebouwen op een aaneengesloten betonvloer. Er is een zeker bodemrisico, wat door het nemen van maatregelen in lijn met de richtlijnen, i.c. de NRB 2012, verwaarloosbaar zal zijn; er worden stoffen gebruikt die als bodembedreigend gezien kunnen worden. Concreet gaat het om een smeeroliecircuit in combinatie met de koelcompressor(met een Freon) en water-glycolmengsel (die gebruikt wordt in de koeltafel). Onder de mogelijke bronnen van lekkage staan tevens lekbakken. Zodoende bestaat er geen risico op het lekken van vloeistoffen in de bodem. Gezien het gesloten systeem is er verder geen bodemverontreiniging te verwachten bij normaal bedrijf, noch bij interne lekkage of andere calamiteiten. Het vloeibare CO2 wordt niet als bodembedreigend gezien (omdat het bij lekkage instantaan verdampt). Beide processen kunnen in de NRB gezien worden als een combinatie van een gesloten proces met transport door leidingen. Bovendien is de vloer van het CO2-gebouw vloeistofkerend uitgevoerd.

32

Er wordt geen koelmiddel, noch freon, noch ammoniak in emballage opgeslagen in de gebouwen. Alleen voor het odoriseren van het groene gas is een vaatje van 50 liter aanwezig van THT. Deze staat in een lekbak van afdoende grootte. Dit vat wordt gebruikt om handmatig het buffervaatje van het odorantsysteem te vullen en is op andere momenten volledig afgesloten. Ook onder het buffervaatje is een lekbak in het ontwerp opgenomen. Er is geen verdere opslag van THT op de site. Ten behoeve van de luchtwasser wordt zwavelzuur gebruikt. De zwavelzuur wordt opgeslagen in een dubbelwandige IBC, inpandig opgesteld op een betonvloer. De dosering van de zwavelzuur betreft een gesloten systeem. Dit betreft een reeds bestaande en vergunde situatie. Ten behoeve van de omgevingsvergunningsaanvraag is een bodemrisicoanalyse uitgevoerd (september 2023) waarin de reeds bestaande installatie onderdelen, logistieke voorzieningen en activiteiten zijn beschreven. Daarbij is onderzocht welke combinaties van voorzieningen mogelijk zijn om een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken. De vloeren worden vloeistofdicht en vloeistofkerend uitgevoerd op die plaatsen waar ten gevolge van activiteiten risico’s bestaan op bodemverontreiniging. Hieruit volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten.

Voor de inhoud van de bodemrisico checklist (BRCL) wordt verwezen naar bijlage 17 van de aanvraag omgevingsvergunning. Een bodemonderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd, omdat de nieuwe installatieonderdelen inpandig en op de bestaande betonvloer onder een deel van de reeds bestaande sleufsilo’s worden gesitueerd. 6.4 Geur 6.4.1

Algemeen

De geuremissie van de biogasinstallatie blijft na realisatie van de uitbreiding min of meer ongewijzigd. Bij een groen gas installatie zelf komt normaliter geen geur vrij. Bij een vergistersilo gaat het om een volledig gesloten leidingensysteem, waar normaliter geen biogas, ‘lees geur in de buitenlucht wordt geëmitteerd. Omdat in biogas ammoniak en/of zwavelverbindingen zitten bestaat er een kans op geuroverlast vóór de groen gas installatie. Bij de opwerking van het biogas naar groengas kwaliteit komt geen emissie en geur vrij. Het betreft een volledig gesloten installatie. In de gasopwerkingsinstallatie zelf wordt het biogas direct door de voorreiniging geleid waarin een waterwasser en actief koolfilters de geurstoffen uit het biogas halen. Hierna bevat het groene gas enkel de geurloze bestanddelen methaan en CO2. De vereiste geurstof (THT) die nodig is om het groen gas op aardgaskwaliteit te brengen wordt pas als laatste stap aan het gas toegevoegd, vlak voor het invoeden in het aardgasnet. Voordat dit

33

gebeurt is in de Bio2Net installatie al bepaald dat het gas de juiste kwaliteit heeft om in het net te worden ingevoed. Zodoende wordt de typische aardgaslucht pas aan het groen gas toegevoegd als zeker is dat dit ook het aardgasnet in gaat. Er bestaat een minimale kans dat hierdoor geuroverlast ontstaat. Het gebouw is bovendien uitgerust met een gasalarm (i.v.m. explosiegevaar), dat bij gaslekkage direct de hele installatie uitschakelt en alle relevante afsluiters dichtzet, lang voordat er geuroverlast voor de omgeving kan ontstaan. Bij de verbranding van biogas in een WKK zou, in geval van een hogere zwavelconcentratie in de aangevoerde producten, theoretisch een zeer beperkte geuremissie kunnen optreden en ontwijken via de verbrandingsgassen. De normale gang van zaken is dat door middel van biologische ontzwaveling in de vergister (toevoeging van een kleine hoeveelheid lucht) en toevoeging van waterijzer aan het vergistingsmengsel het H2S-gehalte goed onder controle wordt gehouden. Dit is ook nodig om corrosie in de WKK-installatie te voorkomen. Dit is in de huidige, reguliere bedrijfssituatie ook al het geval. In de aangevraagde situatie, na het operationeel worden van de extra groengas productie, wordt naar verwachting de WKK gefaseerd teruggeschakeld, doch blijft wel in bedrijf. 6.4.2

Geuronderzoek

Het vergistingsproces an-sich en de diverse voorbewerkings- en nabewerkingsprocessen blijven ongewijzigd, alleen de inputcapaciteit neemt toe van 30.000 ton mest en co-producten per jaar naar 60.000 ton per jaar. Ten behoeve van deze uitbreiding is een geuronderzoek uitgevoerd door Olfasense BV. Voor het rapport met kenmerk HARO 23B1, september 2023 wordt verwezen naar bijlage 11 van de aanvraag omgevingsvergunning. In het kader van het geuronderzoek zijn geurmetingen uitgevoerd bij een 2-tal geurbronnen, nl. • •

aan de uitlaatopening van de chemische (zuur) luchtwasser, waarin m.n. de afgewerkte drooglucht wordt nabehandeld en de ammoniak eruit wordt gehaald, en aan de lavareactor en aansluitend het biofilter, waarin de overige geurhoudende luchtstromen worden gereinigd.

De gemeten geuremissies in OuE/m3 zijn verwerkt in een geurverspreidingsmodel. De berekende geurbelasting is getoetst aan het provinciale geurbeleid van Utrecht. De metingen resulteerden in emissies van de luchtwasser en het biofilter van respectievelijk 19 en 0,7 *106 OuE/h. Verspreidingsberekeningen, inclusief de overige bronnen, laten zien dat de geurbelasting beperkt is. De aaneengesloten woonbebouwing is ver buiten de voorgestelde toetsingswaarden gelegen. De geurbelasting ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen ligt zowel in de vergunde als

34

aangevraagde situatie net boven de voorgestelde richtwaarden. Er is sprake van een zeer geringe toename die niet merkbaar zal zijn voor de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat de geurbelasting als gevolg van Mts. de Greef Agro Energie BV beperkt is, waarbij naar de mening van Olfasense sprake is en blijft van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Behoudens één terechte klacht over stank, direct na de opstartfase van de vergister, waarop direct door het bedrijf actie is ondernomen, is de huidige bedrijfsvoering nimmer aanleiding geweest tot klachten vanuit de omgeving. 6.4.3

Geurbeperkende maatregelen (BBT)

Binnen de inrichting worden de volgende (BBT) geurbeperkende maatregelen toegepast: √ √ √ √ √

√ √

Alle procesonderdelen waarin biogas aanwezig is of kan zijn, worden gesloten uitgevoerd. Dit geldt voor de vergistersilo’s met biogasopslag, leidingen en besturingsinstallatie. Het leidingensysteem is voorzien van adequate aan- en afsluitsystemen om de emissie van biogas te voorkomen. De toevoer van mest en overige biomassa (= co-substraat) in de vergister is zodanig dat geen emissie van biogas kan plaatsvinden, de vergistersilo’s worden hiervoor niet geopend. In het onderhoudsprotocol wordt in het bijzonder aandacht besteed aan het voorkomen van emissie van biogas (en de daarmee samenhangende emissie van geur). De van derden afkomstige vloeibare dierlijke mest en vloeibare co-producten worden middels een gesloten leidingsysteem vanuit een tankwagen gelost in de opslagtanks/-silo’s. De verdringingslucht wordt afgevoerd middels een gesloten leidingsysteem naar de meng-/hydrolysetank. Deze vloeibare stoffen worden eveneens middels een gesloten leidingsysteem vanuit de opslagtanks/-silo’s naar de vergister gevoerd. Het leidingsysteem is voorzien van adequate aan- en afsluitsystemen. Het transport van (dunne) digestaat van de hoofdvergister naar de na-vergister en de eindopslagsilo vindt plaats via een gesloten leidingsysteem.

De te vergisten mest en overige biomassa (bijvoorbeeld maïs, reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en andere ‘positieve lijst’ stoffen) wordt opgeslagen in gesloten tanks of worden afgedekt opgeslagen in sleufsilo’s, indien er sprake is van geurhoudende of geuremitterende producten. De opslagplaats voor vaste co-producten wordt in dat geval afgedekt met niet geurende producten als graszaden, graanresten of erwtendoppen en/of eventueel plastic folie als er sprake is geurhoudende vaste co-producten, zodat emissie tot een minimum wordt beperkt. De aangevoerde vaste mest wordt zo veel mogelijk direct na ontvangst en lossing op de opslagplaats verwerkt in mengtank en de hydrolysering. De opgeslagen organische stoffen kunnen gaan broeien en/of fermenteren. Bij de aanvoer en opslag van deze producten wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de aard, versheid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4263/documents/72939