CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

12.b Motivering TAM-omgevingsplan Moorsterweg 6-8.pdf

Raadscommissie 13 januari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken13.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Belangrijke onderwerpen in het programma zijn: • toekomstbestendig bouwen; • adaptief landelijk gebied; • klimaatrobuust wegen- en OV-net; • veilige en vitale netwerken en nutsfuncties; • innovatie en kennis: regio Utrecht als kennis • ‘hub’ voor ‘gezonde leefomgeving’ (met universiteit, onderzoek en bedrijfsleven). De doelen van het Programma Klimaatadaptatie 2020-2023 zijn: 1. Bewustwording en gedragsverandering stimuleren voor klimaatadaptatie; 2. Klimaatadaptatie in de praktijk brengen met behulp van concrete fysieke maatregelen, pilots, voorbeeldprojecten en innovaties; zowel binnen de provincie als regio-overstijgend; 3. Klimaatadaptatie verankeren in ons eigen provinciaal beleid, regels, programma’s en uitvoering; 4. Participeren in de ontwikkeling van regionale klimaatadaptatiestrategieën en in activiteiten voor klimaatadaptatie in de werkregio’s; 5. Kennis ontwikkelen en monitoring: kennis verzamelen, benutten en delen op het gebied van klimaateffecten en klimaatadaptatiemaatregelen. Onderzoek Bij klimaatadaptatie gaat het om onderwerpen als schaduwwerking van gebouwen, aanplant van bomen en overige beplanting, hittestress, overstromingsrisico, regenwaterinfiltratie, waterberging e.d. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met deze elementen om in een goed woon- en leefklimaat te kunnen voorzien.

Hittegolven, hoosbuien en droogte zijn inmiddels bekende gevolgen van de niet meer te ontkennen klimaatverandering en gaan vaak gepaard met aanzienlijke schade en risico’s voor economie, gezondheid en veiligheid. Om schadelijke gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, is voor klimaatadaptatiemaatregelen een belangrijke rol weggelegd. Klimaatadaptatiemaatregelen zullen moeten bijdragen aan het terugdringen of ten minste beheersbaar houden van deze effecten. Extra waterberging Door de klimaatverandering worden regenbuien intensiever, neemt de kans op wateroverlast toe en wordt de riolering meer belast. Daarnaast wordt door de warmere periodes het thema verdroging steeds belangrijker.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|28

Door extra bebouwing en toename van verharding wordt steeds meer oppervlak verhard waardoor regenwater versneld wordt afgevoerd en minder kan infiltreren in de bodem. In de gewenste situatie zal de oppervlakte aan verharding sterk verminderd worden. De agrarische bedrijfsgebouwen met bijbehorende erfverharding zal worden vervangen door een kleinere oppervlakte aan gebouwen en verhardingen. Het hemelwater van het woonerf is schoon (geen erfafspoeling). Daarom is bij de realisatie van dit plan en de extra verharding het plan om het hemelwater te infiltreren op eigen bodem en af te voeren naar de bestaande c-watergangen. De watergangen/sloten en de wadi dragen bij aan een natuurlijkere waterhuishouding en zorgen ervoor dat regenwater blijft waar het valt, ze helpen het grondwaterpeil hoger te houden en ontlasten de riolering. Waterafvoersystemen In de gewenste situatie wordt het hemelwater los van het huishoudelijk water afgevoerd. Op deze wijze wordt overbelasting van het riool voorkomen. Aanleg groen Met de aanleg van groen kan vaak al veel schade en overlast door klimaatverandering worden tegengegaan. Als op de juiste manier groen wordt aangelegd, kan dit helpen tegen wateroverlast en hitte. Verder maakt groen een terrein niet alleen klimaatbestendiger, maar ook biodiverser en aantrekkelijker.

Het is belangrijk om rekening te houden met schaduw en licht, maar ook met de bodem en ondergrond. Het perceel is reeds voorzien van diverse beplantingsstructuren. Dit zorgt ervoor dat bijv. in de tuin bij de woning reeds sprake is van veel schaduwwerking. Daarnaast nemen de bomen het water op uit de bodem. Er wordt zo min mogelijk verharding toegevoegd, waardoor een zo groot mogelijke oppervlakte aan gronden beschikbaar blijft voor groen en daarmee tevens de infiltratie van water. In de gewenste situatie worden een aantal extra groenstructuren aangeplant, welke voor nog meer schaduwwerking zal zorgen. Dit betreffen een bosschage, een aantal bomenrijen, hagen en solitaire bomen. Door de aanplant van dit extra groen zal er ook meer water uit de bodem worden opgenomen. Al met al heeft het groen een positieve werking op de gevolgen van extreme weersomstandigheden. Nieuwbouw en verharding Door de een toename van dakoppervlak en verharding kan het op terrein en de gebouwen erg heet worden. Hitte is slecht voor mens en dier. Hitte kan tegen worden gegaan door lichte kleuren te gebruiken voor daken, gevels, gebouwen en verhardingen. Ook in het ontwerp van de nieuwe woningen kan hier aandacht aan worden besteed.

Bij het ontwerpen van de gevels van de nieuwe woningen zal worden gestreefd naar het toepassen van materialen die de temperatuur binnen de gebouwen lager kunnen houden, denk hierbij aan het toepassen van zonweringen, zonwerende beglazing, en de oriëntatie van de glas partijen. Er wordt daarnaast gestreefd naar de toepassing van zo min mogelijk verharding, waarbij wordt gekozen voor een lichte kleur. Ook dit zal de hittestress beperken. Conclusie Vanuit het aspect klimaatadaptie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.11

Natuur

Wettelijk kader Soorten bescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|29

hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en faunaactiviteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1. er soorten aanwezig zijn; 2. welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn.

Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied.

Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden. Onderzoek Voor het planvoornemen is een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Het rapport is als bijlage bij de motivering opgenomen. Ecologische situatie Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in de tuin en de houtopstand op het terrein. De houtopstand en tuin vormen een mogelijke nestplaats voor soorten als houtduif, holenduif, merel, zanglijster, grote lijster, zwartkop, winterkoning, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, staartmees, heggenmus, vink en roodborst.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|30

Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot (functioneel) leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als steenmarter, egel, haas, konijn, bosmuis en huisspitsmuis. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten huisspitsmuis en bosmuis er ook een vaste rust en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een vaste rust- en voortplantingsplaats bezetten onder strooisel en bladeren, in holen en gaten in de grond en in het gebouw. Voor kleine marterachtigen ontbreekt geschikt leefgebied zoals dicht struikgewas, takkenrillen en bosschage. Op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rondom de gebouwen en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied als leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied tijdens nachtelijke uren.

Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase op voorhand niet uitgesloten worden. In opdracht van de initiatiefnemer is door VanWestreenen Adviseurs te Lunteren een onderzoek naar mogelijke significante stikstofeffecten uitgevoerd. De rapportage is als bijlage bij de motivering opgenomen. Onderhavig voornemen betreft de functiewijziging van agrarisch (kalverhouderij) naar wonen. Gelet op de forse afstand van ca. 10.011 meter zijn er geen factoren die leiden tot een negatief effect op het dichtstbijzijnde, en daarmee maatgevende, Natura 2000-gebied. Uit de calculaties uit hoofdstuk 5 en 6 en de bijbehorende AERIUS-berekeningen blijkt dat in de toegepaste ‘worstcase’ benadering de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Dit geldt voor zowel de realisatie- als gebruiksfase.

Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig bouwproject sprake zal zijn van significant negatieve effecten. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken de planlocatie ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een voortplantings- of rustplaats. De planlocatie wordt door amfibieën en vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Als gevolg van het slopen van de gebouwen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de binnen de planlocatie nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

De meest geschikte periode om de TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|31

voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijke gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.

Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken). Natuurinclusief bouwen De aan te planten bomen (met onderbegroeiing) op verscheidene plaatsen op het perceel vormen een goede extra schuilplaats voor de voorkomende vogels en zoogdieren. Er is in de bomen en op de bodem ruimte voor verblijf en foerageren. Wellicht zullen ook nog andere nog niet voorkomende soorten (bijvoorbeeld de kleine marterachtigen) door deze nieuwe groenstructuren worden aangetrokken naar het plangebied. De bomen en struiken betreffen streekeigen soorten, waardoor deze goed passend zijn in het gebied. Langs de zuidelijke en oostelijke erfgrens wordt een haag aangeplant.

Kleine zoogdieren zullen de hagen gebruiken als schuilplaats, foerageergebied en als corridor. Ook vogels kunnen zich hier verschuilen en de haag gebruiken als foerageergebied. Het inzaaien van een bloem- en kruidenrijk grasland heeft een positief effect op de kleine zoogdieren (muizen, egels, konijnen, marters etc.). Het hogere gras zorgt ervoor dat zij beschutting kunnen vinden. Tevens is in deze diversiteit aan grassen een hoop voedsel te vinden. Van de soorten die reeds gebruik maken van de bestaande bomenrij zal het leefgebied worden vergroot, en het bloemrijk grasland zal ook nieuwe soorten aantrekken. Bloemrijk grasland betreft namelijk een van de rijkste voedselbronnen voor o.a. bijen en vlinders. Daarnaast eten de vogels de zaden van kruiden en vinden zij hier veel insecten. Uilen en roofvogels jagen juist weer op de kleine zoogdieren die zich hier verschuilen. Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Genoemde voorwaarden en aanbevelingen worden meegenomen bij de realisatie van het planvoornemen.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|32

4.12

Archeologie

Wettelijk kader Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden.

De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Onderzoek Op basis van de actualisatie archeologiebeleid gemeente Woudenberg (versie 20 juli 2021) heeft de planlocatie ‘Waarde – Archeologie 5’: een middelhoge archeologische verwachting. Als ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt een oppervlakte van 1.000 m² én een diepte van 0,3 m -mv.

Uitsnede actualisatie archeologiebeleid gemeente Woudenberg (versie 20 juli 2021) Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegevoegd. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem. Als ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt hier een oppervlakte van 100 m² én een diepte van 0,4 m -mv.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|33

Aangezien de archeologische beleidskaart actueler is, is deze leidend. Op de verbeelding is de archeologische dubbelbestemming van de archeologische beleidskaart overgenomen. Hiermee zijn de archeologische waarden beschermd. Conclusie Vanuit het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.13

Cultuurhistorie

Wettelijk kader Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Onderzoek Binnen de planlocatie bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Deze bevinden zich tevens niet in de directe omgeving van de planlocatie. De cultuurhistorische waarden worden met voorliggende ontwikkeling niet aangetast, zelfs verbeterd door de zorgvuldige landschappelijke inpassing. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.14

Ontplofbare oorlogsresten

Wettelijk kader In en nabij het besluitgebied hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden. Omdat in het kader van de voorgenomen ontwikkeling bouwen aanlegactiviteiten plaatvinden waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten c.q. conventionele explosieven. Onderzoek De gronden zijn in het verleden geroerd door het gebruik als (intensieve) veehouderij. Het is niet meer aannemelijk dat hier ontplofbare oorlogsresten binnen de planlocatie liggen. Conclusie Vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|34

4.15

Mobiliteit en parkeren

Wettelijk kader Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Onderzoek Met het planvoornemen zal het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk afnemen door de beëindiging van de (intensieve) veehouderij. De verkeersbewegingen ten behoeve van de twee nieuwe ruimte voor ruimte woningen kunnen gemakkelijk opgevangen worden door de huidige infrastructuur. Het parkeren zal op eigen terrein worden opgelost. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.16

Ladder voor duurzame verstedelijking

Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Onderzoek Met het planvoornemen worden twee ruimte voor ruimte woningen gerealiseerd. Dit aantal ligt ver onder de grens van 11 woningen. Het planvoornemen wordt daarmee niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|35

Conclusie Vanuit het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|36

5.

JURIDISCHE TOELICHTING

5.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het besluitgebied, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2

Opzet van de regels

Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAMomgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.

Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Algemene bepalingen; 2. Functies en activiteiten; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: • Toepassingsbereik (artikel 1); • Begripsbepalingen (artikel 2); • Aanvullende begripsbepalingen (artikel 3); • Meet- en rekenbepalingen (artikel 4); • Algemeen gebruiksverbod (artikel 5); TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|37

•

Aanvraagvereisten (artikel 6).

In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn. Specifieke regels over functies en activiteiten Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende functies en activiteiten. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • Toepassingsbereik; • Functieomschrijving; • Beoordelingsregels bouwen; • Specifieke beoordelingsregels bouwen; • Specifieke functieregels; • Specifieke beoordelingsregels functies. Algemene regels over functies Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • Anti-dubbeltelregel; • Bestaande maatvoering; • Aanvraagvereisten; • Algemene bouwregels. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht voor bouwwerken en het gebruik.

5.3

Verantwoording van de regels

Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden Een als Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen; b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem; c. het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapsstructuur; d. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de voorkomende natuurwaarden; en tevens de volgende beperking: e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden landbouwhuisdieren uitgesloten' is het houden van landbouwhuisdieren niet toegestaan; alsmede voor: f. aan de functie ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; g.

de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals, wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Wonen Een als Wonen aangewezen locatie heeft de volgende functies:

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|38

a.

wonen, daaronder begrepen de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; alsmede: b. de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, paden, parkeervoorzieningen en groenelementen. Waarde – Archeologie - 2 Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie - 2 heeft als functie het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|39

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten; • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een private partij. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het project verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit TAM-Omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

6.2

Participatie en overleg

Participatie Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. PM Van Westreenen Zienswijzen PM

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|40

7.

EVENWICHTIGE TOPEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES

In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende: • het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de voorliggende motivering is het planvoornemen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Het voorliggend project is niet in strijd met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Landschappelijke en archeologische waarden worden niet aangetast. Het voorliggend project voldoet aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu en omgevingsaspecten. Het planvoornemen zal de omliggende functies niet belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4253/documents/71671