CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

12.b Motivering TAM-omgevingsplan Moorsterweg 6-8.pdf

Raadscommissie 13 januari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken13.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Ligging en begrenzing planlocatie Leeswijzer

3 3 5

2.

Planbeschrijving

6

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Huidige ruimtelijke situatie Huidige planologische regime Toekomstige situatie Landschappelijke inpassing Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan

6 6 7 9 11

3.

Beleidskader

12

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

12 13 15 16

4.

Gevolgen fysieke leefomgeving

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Geur Kabels en leidingen Omgevingsveiligheid Gezondheid Water Klimaatadaptie Natuur Archeologie Cultuurhistorie Ontplofbare oorlogsresten Mobiliteit en parkeren Ladder voor duurzame verstedelijking

17 18 18 20 21 22 22 23 24 26 28 32 33 33 34 34

5.

Juridische toelichting

36

5.1 5.2 5.3

Inleiding Opzet van de regels Verantwoording van de regels

36 36 37

6.

Uitvoerbaarheid

39

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Participatie en overleg

39 39

7.

Evenwichtige topedeling van functies aan locaties

40

Bijlagen Bijlage 1 Landschapsplan Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 Quickscan natuurwetgeving Bijlage 4 Stikstofberekening (voortoets) Bijlage 5 Participatieverslag Bijlage 6 Schets met randvoorwaarden Mooisticht

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|3

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Aan de Moorsterweg 6 en 8 te Woudenberg zijn twee agrarisch bedrijven gevestigd op basis van één milieuvergunning, te weten een vleeskalverenbedrijf (Moorsterweg 6) en een melkveebedrijf (Moorsterweg 8). Met het oog op het LBV+ beleid (die veehouderijen stimuleert om met hun bedrijfsactiviteiten te stoppen om zo aanspraak te maken op een subsidie) zijn de eigenaren (hierna initiatiefnemers) van de bedrijven voornemens om het gebruik te wijzigen. Initiatiefnemers willen op de locatie Moorsterweg 8 een akkerbouwbedrijf opstarten en op de locatie Moorsterweg 6 de bestemming wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ met toepassing van de ruimte voor ruimte regeling en gelet op de omvang van de agrarische bedrijfsgebouwen willen ze twee nieuwe vrijstaande woningen toevoegen. Voor het realiseren van de twee extra vrijstaande woningen is een eerste voorstel gemaakt, rekening houdend met afstanden ten opzichte van de omliggende woningen, maar ook agrarische bedrijven. De overige gronden zullen de agrarische bestemming behouden, in de vorm van grasland. Hierbij wordt ingezet op verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. Hiervoor is een conceptverzoek bij de gemeente Woudenberg ingediend. De gemeente Woudenberg heeft aangegeven mee te willen werken met het planvoornemen.

Wel heeft de gemeente een aantal voorwaarden en uitgangspunten voor dit planvoornemen, te weten: - Initiatiefnemers komen voor zover van toepassing met de verpachter tot overeenstemming over de aanpassing van de milieuvergunning en te slopen gebouwen. - Sloopmeters met staffel worden definitief berekend/bepaald, zodra initiatiefnemers kunnen aangeven welke gebouwen definitief verwijderd worden en bepaald is wanneer deze vergund zijn c.q. via regels van vergunningvrij daaraan gelijk te stellen zijn. - Initiatiefnemers komen tot overeenstemming over wijze van aanpassing van de bestemming en dus het juiste bouwvlak. - De inrichting van het plangebied en landschappelijke inpassing wordt nader uitgewerkt en wordt in lijn gebracht met de nog op te vragen adviezen van MooiSticht. Samen met Mooisticht heeft initiatiefnemer het plan ondertussen verder uitgewerkt tot een karakteristiek boerenerf. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan. In de regels is de een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het instand houden van het groen conform het landschapsplan.

1.2

Ligging en begrenzing planlocatie

De planlocatie ligt aan de Moorsterweg 6 en 8 te Woudenberg en ligt in het buitengebied van Woudenberg. De planlocatie behelst de grootte van het vigerende agrarisch bouwvlak van Moorsterweg 6 en 8 samen.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|4

Ligging plangebied

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|5

1.3

Leeswijzer

De voorliggende motivering bij het wijzigingsbesluit is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie van de planlocatie, waarbij zowel de ruimtelijke, juridisch-planologische, als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling, landschappelijke inpassing en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. In het vijfde hoofdstuk wordt een juridische toelichting op het wijzigingsbesluit gegeven en hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en de participatie en het overleg dat heeft plaatsgevonden. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|6

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1

Huidige ruimtelijke situatie

Initiatiefnemers zijn eigenaren van de percelen aan de Moorsterweg 6 en 8, 3931 NC te Woudenberg. Op locatie worden twee agrarische bedrijven geëxploiteerd, in de vorm van een vleeskalverenbedrijf (Moorsterweg 6) en een melkveebedrijf (Moorsterweg 8). Ten behoeve van deze bedrijven zijn er zowel op de locatie Moorsterweg 6 als 8 een bedrijfswoning met bedrijfsgebouwen aanwezig. De planlocatie is gelegen ten oosten van de dorpskern van de gemeente Woudenberg en ten noorden van de dorpskern van Scherpenzeel. Rondom de locatie van de initiatiefnemers zijn voornamelijk agrarische- en woonbestemmingen aanwezig.

2.2

Huidige planologische regime

Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 23 september 2010, het heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ met twee aparte bouwvlakken voor Moorsterweg 6 en 8, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, bouwvlak, functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ voor Moorsterweg 8 en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|7

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’

2.3

Toekomstige situatie

Inherent aan de deelname aan de LBV+ regeling is dat het tijdelijk deel omgevingsplan gewijzigd dient te worden. Initiatiefnemers wensen de bestemming van de locatie Moorsterwe 6 te wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ naar ‘Wonen’. Op de locatie Moorsterweg 8 wordt in de regels toegevoegd dat het houden van landbouwhuisdieren niet is toegestaan. Daarnaast wensen initiatiefnemers in ruil voor het saneren van de agrarische bedrijfsgebouwen op de locatie Moorsterweg 6 een tweetal ruimte-voor-ruimtewoningen toe te voegen aan het perceel. In de eindsituatie bevinden zich dan ook 3 wooneenheden op deze locatie. Op de locatie Moorsterweg 8 wordt het agrarisch bedrijf voortgezet als akkerbouwbedrijf. Voor het realiseren van de twee extra vrijstaande woningen is er nauwkeurige gekeken naar de positionering en afstanden ten opzichte van de omliggende woningen, maar ook naar de agrarische bedrijven. De overige gronden (zonder bouwvlak) zullen de agrarische bestemming behouden. Deze gronden zullen worden ingezet ten behoeve van grasland.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|8

Bij onderhavig plan zal worden ingezet op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit. In het volgende figuur is een schematische weergave van de gewenste situaties weergegeven.

Tekening gewenste situatie. Bron: VanWestreenen Samen met Mooisticht heeft initiatiefnemer het plan verder uitgewerkt tot een karakteristiek boerenerf. De woning aan de Moorsterweg vormt de hoofdwoning van het erf en bepaalt als representatief gebouw aan de weg het beeld van het geheel. De twee nieuwe ruimte-voorruimtewoningen en de bijgebouwen liggen daarachter en hebben stedenbouwkundig een meer ondergeschikte positie, passend bij de hiërarchie van een traditioneel erf in het kampenlandschap (‘agrarische schuren’). De bijgebouwen zijn bewust samengebracht in één volume, zodat het aantal gebouwen beperkt blijft en het erf compact en overzichtelijk oogt. De gekozen plek voor het bijgebouw is functioneel logisch: vanuit alle drie de woningen is het bijgebouw goed bereikbaar. Bij een andere situering moet het bijgebouw opgedeeld worden in meerdere gebouwen om de bereikbaarheid er van te kunnen waarborgen. Daarnaast is het binnenerf vormgegeven als een gezamenlijke ruimte, waar de ontsluiting van de woningen, het bijgebouw en het dagelijks gebruik samenkomen. Dit gemeenschappelijke gebruik TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|9

versterkt de samenhang tussen de woningen en zorgt voor een collectieve erfbeleving in plaats van drie afzonderlijke erven. Samengevat is er in de beoogde situatie sprake van een compact erfensemble, met een duidelijke hiërarchie tussen de gebouwen door situering en typologie. Daarnaast is er een collectieve erfruimte. Dit tezamen maakt dat het erf beleefd wordt als een karakteristiek boerenerf. De mogelijkheden voor functieverandering naar ‘Wonen’ en het toevoegen van een tweetal vrijstaande woningen is afhankelijk van de te slopen vierkante meters daarom is er eerst gekeken naar de hoeveelheid vierkante meters te slopen bedrijfsgebouwen op het bedrijf. Hierbij is de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) viewer geraadpleegd en is de bedrijfswoning met privébijgebouwen (garage en tuinhuis) buiten beschouwing gelaten. In totaal is er 3.478 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig. Voor het planvoornemen wordt alle bedrijfsbebouwing gesloopt. Dit is ruim voldoende om twee ruimte-voor-ruimtewoning te realiseren (zie de berekening van de benodigde inzetbare sloopmeters in paragraaf 3.3).

2.4

Landschappelijke inpassing

Het erf ligt op een dekzandrug binnen een kampontginning, tussen de Lunterse Beek en de Modderbeek. Volgens de Kwaliteitsgids Gelderse Vallei behoort de locatie tot het deelgebied Mozaïek. Dit landschap wordt gekenmerkt door een onregelmatige verkaveling, bochtige wegen en voortdurend wisselende perspectieven die samen zorgen voor een grote variatie in beleving. Erven en dorpen, met een fijnkorrelige menging van oude en nieuwe bebouwing, liggen verspreid in het gebied. Het mozaïeklandschap bestaat qua groen uit een onregelmatig raamwerk van houtwallen op de perceelsgrenzen en langs wegen. Binnen dit raamwerk bevinden zich de erven, eveneens met groen omringd. Ook zijn op diverse plekken bosschages te vinden. De dichtheid van de beplanting verschilt per omgeving. Ter hoogte van het plangebied zijn relatief veel perceelgrenzen en wegen beplant. Met het landschappelijk inpassen van het plangebied wordt bij de bestaande landschappelijke structuur aangesloten. De erven aan de Moorsterweg 6 en 8 zijn in de beoogde situatie geheel omringd door groen: de bestaande houtsingel wordt uitgebreid naar de noordzijde en aan de zuidzijde wordt een haag aangeplant. Op het middenerf wordt er daarnaast een kleine bosschage aangeplant. Langs de oprit is in de beoogde situatie een begeleidende bomenrij aanwezig.

Rondom de woningen worden nog enkele solitaire bomen aangeplant, welke het karakter van een woonerf accentueren. De noordelijke agrarische gronden worden daarnaast ingezaaid met een bloemrijk mengsel. Het groen is ingevuld met diverse streekeigen soorten (zie beplantingsplan). Door de variatie in landschapselementen en soorten wordt tevens een bijdrage geleverd aan de biodiversiteit ter plaatse.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|10

Landschappelijke inpassing Element

Latijnse naam

1.Haag

Carpinus betulus Quercus robur Betula pendula Crataegus monogyna

2. Bosschage (midden)

Nederlandse naam Haagbeuk Zomereik Ruwe berk

Aantal 160 m1 50% 50%

Meidoorn

20%

Prunus spinosa

Sleedoorn

20%

Corylus avellana

Hazelaar

20%

Sorbus aucuparia

Lijsterbes

20%

Rosa canina

Hondsroos

10%

Acer campestre

Veldesdoorn

10%

Plantafstand/ planverband 6 meter 5 meter 5 meter 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband

Plantmaat 80-120 200 cm 200 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|11

3.Bomenrij langs oprit

4.Houtsingel erfgrens

5.Solitairen bij woningen

Quercus robur

Zomereik

9 stuks

10 eter

Quercus robur Betula pendula Crataegus monogyna

Zomereik Ruwe berk

50% 50%

Meidoorn

20%

Prunus spinosa

Sleedoorn

20%

Corylus avellana

Hazelaar

20%

Sorbus aucuparia

Lijsterbes

20%

Rosa canina

Hondsroos

10%

Acer campestre

Veldesdoorn

10%

Tilia cordata Juglans Regia

Winterlinde Walnoot

3 stuks 2 stuks

5 meter 5 meter 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband 1,5 x 1,5 meter driehoeksverband -

200 200 cm 200 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 80-120 cm 160 cm 160 cm

Voor het instand houden van het groen conform de landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

2.5

Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan

Het planvoornemen is in strijd met de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ uit het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ is per bouwvlak één bedrijfswoning toegestaan. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning en het realiseren van twee ruimte-voorruimtewoningen voor de locatie Moorsterweg 6 is in strijd met deze enkelbestemming.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|12

3.

BELEIDSKADER

3.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Toetsing Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het plan sluit wel aan bij de prioriteiten. Immers betreft dit plan de beëindiging van één intensieve veehouderij (locatie Moorsterweg 6) en het omzetten van een melkveehouderijbedrijf naar een akkerbouwbedrijf waar geen landbouwhuisdieren gehouden mogen worden. Dit sluit aan bij een gezonde regio en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet.

In het besluit staan: • instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|13

• •

omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. − monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving.

Toetsing Onderhavig project raakt geen nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de Bkl. Conclusie Het project is in lijn met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: ‘Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 uitziet?’. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: • Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; • De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; • Het vergroten van de duurzaamheid; • Specifiek inspelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie liggen de integrale langetermijnambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling. Voor sociale samenhang en wordt zorggedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving.

In het omgevingsbeleid staan twee centrale uitgangspunten centraal: • De provincie Utrecht kiest gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee zij de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. • De provincie Utrecht concentreert en combineert nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Het planvoornemen betreft de beëindiging van één intensieve veehouderij (locatie Moorsterweg 6) en het omzetten van een melkveehouderijbedrijf naar een akkerbouwbedrijf waar geen landbouwhuisdieren gehouden mogen worden (locatie Moorsterweg 8). Op de locatie Moorsterweg 6 worden alle bedrijfsgebouwen gesloopt en twee extra ruimte voor ruimte woningen gerealiseerd waar vraag naar is. Daarbij wordt het planvoornemen zorgvuldig landschappelijk ingepast. Dit is in lijn met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|14

Omgevingsverordening Utrecht De omgevingsverordening Utrecht is op 7 februari 2024 vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. De laatste wijziging is van 1 september 2025. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de meest belangrijke instructieregels behandeld. Toetsing In artikel 9.13 van deze verordening zijn de bepalingen opgenomen waar bij toepassing van functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’) aan voldaan moet worden. Deze bepalingen zijn onderstaand weergegeven en getoetst voor onderhavig plan. Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’) 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen landelijk gebied kan regels bevatten die op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarische gebruik is beëindigd de bouw van één of meerdere nieuwe woningen toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. Het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; b. Alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historische waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoudt. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één woning toegestaan. Wanneer 2.500 m 2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; c.

De nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijke gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en d. De omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

Hieronder volgt een motivering waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan: Ad a. Initiatiefnemers vallen onder het begrip ‘piekbelaster’ derhalve beogen initiatiefnemers deel te nemen aan de LBV+ regeling. Hierdoor zijn de percelen aan de Moorsterweg 6 en 8 dan ook niet langer geschikt voor de grondgebonde landbouw. Op de locaties zal na het deelnemen aan de LBV+ regeling geen veehouderij meer opgericht kunnen worden. Tot slot is de locatie gesitueerd ten zuidwesten van het NatuurNetwerk Nederland op een afstand van circa 110 meter. Ad b. Het plangebied beschikt niet over een historische waardevolle of karakteristieke bebouwing. Daarnaast beschikt de planlocatie op de locatie Moorsterweg 6 over circa 3.580 m2 aan bedrijfsbebouwing die gesloopt zal worden. Dit biedt de mogelijkheid voor het realiseren van twee ruimte voor ruimte woningen. Ad c. Initiatiefnemers beogen de twee ruimte voor ruimte woningen binnen het bestaande bouwvlak van Moorsterweg 6 te realiseren, maar wel buiten de milieuhindercirkel van het beoogde akkerbouwbedrijf aan de Moorsterweg 8. Hierbij wordt het planvoornemen zorgvuldig landschappelijk ingepast door een landschappelijke inpassing die gemaakt is door Mooisticht.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|15

Ad d. De omliggende (agrarische)bedrijven zullen niet worden belemmerd in hun bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden en tevens in hun bedrijfsvoering. Dit aspect zal verder worden toegelicht binnen de paragraaf ‘Geur’ (paragraaf 4.5). Uit voorgaande blijkt dat wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Utrecht. Conclusie Het planvoornemen past binnen het provinciaal beleid.

3.3

Regionaal beleid

Functieveranderingsbeleid regio Amersfoort / Food Valley 2024 In het functieveranderingsbeleid is beschreven hoe betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Er wordt gestreefd naar een ruimtelijk verantwoorde inzet van sloopmeters om tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied te komen. Uitgangspunten zijn een goede ruimtelijke kwaliteit, een duurzaam economisch perspectief en behoud van een sterke agrarische structuur. Het beleid maakt onderscheid tussen functieverandering naar wonen en functieverandering naar werken. In dit geval wordt functieverandering naar wonen toegepast. Opvolgend is de toepassing uitgewerkt. Toetsing Beschikbare inzetbare sloopmeters De mogelijkheden voor functieverandering van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ zijn afhankelijk van de hoeveelheid vierkante meters aan agrarische bedrijfsbebouwing. Deze meters zijn niet automatisch allemaal inzetbaar. Op het perceel is 3.478 m2 aan legaal aanwezige bedrijfsgebouwen aanwezig. Wanneer de kortingspercentage wordt toegepast op onderhavig projectgebied dan zijn er in totaal 2.489,04 m2 sloopmeters inzetbaar (tabel 2). In te zetten sloopmeters 0 – 1.000 m2 1.000 – 2.000 m2 2.000 – 3.478 m2

Kortingspercentage 0% 25% 50% Totaal

Inzetbare sloopmeters 1.000 m2 750 m2 739 m2 2.489 m2

Benodigde inzetbare sloopmeters Functieveranderingswoningen Voor het realiseren van functieveranderingswoningen dient sprake te zijn van sloop (en hergebruik) van gebouwen, waarbij de volgende eisen gelden: Per woning Woningrecht Per m3 woninginhoud

Benodigde inzetbare sloopmeters 300m2 1,5m2

Het benodigd aantal sloopmeters bedraagt per woning: 300 m2 (woningrecht) + 1,5m2 * 600 m3 (woninginhoud) = 1.200 m2. Voor twee woningen zijn derhalve 2.400 inzetbare sloopmeters benodigd. Op het perceel zijn 2.489 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig. Derhalve kan op het eigen perceel worden voorzien in de benodigde inzetbare sloopmeters. Conclusie Het planvoornemen past binnen het regionaal beleid. TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|16

3.4

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Woudenberg 2030 (inclusief oplegger 2019) Op 23 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Woudenberg de Structuurvisie Woudenberg 2030 vastgesteld. Op 24 januari 2019 is daarbij ook de oplegger vastgesteld. In de ruimtelijke visie wordt aangegeven hoe de gemeente denkt over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren voor de jaren tot 2030. Met de oplegger is geconstateerd dat de huidige structuurvisie op hoofdlijnen nog voldoet, wel is deze geactualiseerd op een aantal onderdelen. In de Structuurvisie worden de volgende thema's beschreven: landschap en groen, wonen, economie, recreatie, verkeer, maatschappelijke voorzieningen Toetsing Het planvoornemen betreft de beëindiging van één intensieve veehouderij (locatie Moorsterweg 6) en het omzetten van een melkveehouderijbedrijf naar een akkerbouwbedrijf waar geen landbouwhuisdieren gehouden mogen worden (locatie Moorsterweg 8). Op de locatie Moorsterweg 6 worden alle bedrijfsgebouwen gesloopt en twee extra ruimte voor ruimte woningen gerealiseerd waar vraag naar is. Daarbij wordt het planvoornemen zorgvuldig landschappelijk ingepast. Dit is in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Conclusie Het planvoornemen past binnen de doelstelling en het beleid van de gemeente.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|17

4.

GEVOLGEN FYSIEKE LEEFOMGEVING

4.1

Milieueffectrapportage

Wettelijk kader De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Onderzoek Het planvoornemen betreft de beëindiging van één intensieve veehouderij (locatie Moorsterweg 6) en het omzetten van een melkveehouderijbedrijf naar een akkerbouwbedrijf waar geen landbouwhuisdieren gehouden mogen worden (locatie Moorsterweg 8). Op de locatie Moorsterweg 6 worden alle bedrijfsgebouwen gesloopt en twee extra ruimte voor ruimte woningen gerealiseerd. Met het planvoornemen zal het woon- en leefklimaat ter plaatse flink verbeteren. Hoewel installaties voor intensieve veehouderij opgenomen zijn in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, gaat het hier niet om het oprichten, wijzigen of uitbreiden, maar om het beëindigen van een intensieve veehouderij en het toevoegen van twee extra ruimte voor ruimte woningen op de locatie Moorsterweg 6, zodoende hoeft er geen m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden.

Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling en/of milieueffectrapport is niet nodig.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|18

4.2

Bodem

Wettelijk kader Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Onderzoek Met het planvoornemen wordt op de locatie Moorsterweg 6 de agrarische bestemming gewijzigd naar ‘Wonen’. Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd en als bijlage bij de motivering opgenomen. Geconcludeerd moet worden, dat gezien het feit dat er gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese onverdacht in de zin van de NEN 5740 en NEN 5707 verworpen dient te worden. In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten vastgesteld. Er is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest op of in de bodem aangetroffen. De licht verhoogde concentraties aan nikkel, molybdeen en barium in het grondwatermonster zijn niet eenduidig te verklaren, de concentratie zijn echter van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeven. Op basis van de thans beschikbare gegevens wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan onzes inziens geen bezwaren tegen de voorgenomen sloop van de schuren en de nieuwbouw van woningen. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Geluid

Wettelijk kader Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|19

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1. activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2. geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken.

Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNGpublicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzoek Met het planvoornemen worden twee extra ruimte voor ruimte woningen (geluidsgevoelige objecten) gerealiseerd. De twee extra ruimte voor ruimte woningen worden in de geluidzone ‘kleiner dan 45 dB’ van de Atlas Leefomgeving gerealiseerd.

Een geluidbelasting van 48 dB of lager op de geluidsgevoelige gevels van geluidgevoelige gebouwen voldoet aan de geluidsnorm. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Geluid afkomstig van spoorwegen en industrieterreinen is hier niet aan de orde.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|20

Uitsnede Atlas leefomgeving (geluid van wegverkeer) Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|21

toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof(PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2. bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3.

bij de aanleg van een auto(snel)weg. Onderzoek De uitstoot van fijnstof op de locatie zal door het niet meer houden van landbouwhuisdieren op de locaties Moorsterweg 6 en 8 drastisch afnemen, wat ten goede komt aan de luchtkwaliteit. Daarbij draagt het toevoegen van twee woningen in niet in betekende mate (NIBM) bij aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Geur

Wettelijke kader Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1. bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2. bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|22

Onderzoek Met het toevoegen van twee extra ruimte voor ruimte woningen worden twee geurgevoelige objecten toegevoegd. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen en tegelijk omliggende bedrijven niet te belemmeren, dient er sprake te zijn van een minimale afstand van 50 meter tussen een gevoelig object en (agrarische) bedrijvigheid. Dit is geregeld in de bruidsschat van het omgevingsplan in artikel 22.101. Er dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen landbouwhuisdieren zonder emissiefactoren en een geurgevoelig object (bv. woning) van minimaal 50 meter voor buiten de bebouwde kom. De bestaande bedrijfswoning aan de Moorsterweg 6 is gelegen op een respectievelijke afstand van ca. 25 meter van het agrarisch bouwvlak aan de noordelijke zijde. Echter geldt hiervoor dat het bedrijf reeds als een gevoelig object beschouwd moet worden en dan ook al reeds belemmerend is voor het naastgelegen agrarische bedrijf. Dit verandert dan ook niet ten opzichte van de huidige situatie. Voor de twee nieuw te realiseren woningen (ruimte-voor-ruimte-woningen) op de locatie moorsterweg 6 geldt dat de minimale afstand van 50 meter wel gehanteerd dienen te worden. De woningen bevinden zich in de gewenste situatietekening dan ook buiten de 50 meter contouren.

Op deze wijze kan voor de nieuw te realiseren woningen een goed woon- en leefklimaat worden gewaarborgd en zal het naastgelegen agrarische bedrijf (doorstart als akkerbouwbedrijf) aan de Moorsterweg 8 niet verder belemmerd worden in zijn bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden. Verder zijn binnen een straal van 300 meter geen agrarische of niet-agrarische bedrijven gelegen, enkel woonbestemmingen. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.6

Kabels en leidingen

Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen. Onderzoek Binnen de planlocatie bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.7

Omgevingsveiligheid

Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6 ). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|23

kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden.

Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. Onderzoek De planlocatie is niet gelegen binnen het aandachtsgebied van een risicobron c.q. risicovolle activiteit. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.8

Gezondheid

Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.

TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|24

Onderzoek In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur en geluid is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving: • Met onderhavige ontwikkeling neemt de uitstoot van fijnstof drastisch af, wat ten goede komt van de gezondheid; • Met onderhavige ontwikkeling neemt de uitstoot van geur drastisch af, wat ten goede komt van de gezondheid; Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.9

Water

Wettelijk kader Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 3. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 5. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 7. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. een veilige en klimaatbestendige delta; 2.

een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3. een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd.

Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|25

zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Provinciaal beleid - Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 – 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht. Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: • Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraag deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk. • Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1. Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. Het principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen.

Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2. Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3. Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven. Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4. Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let de provincie op de hoeveelheid goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5. Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6.

Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|26

• •

• • •

Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.

Onderzoek Het aandeel verhard oppervlakte neemt met het planvoornemen af. Watercompensatie is daarom niet aan de orde. De nieuwe ruimte voor ruimte woningen worden aangesloten op het vuilwaterriool en het hemelwater op de bebouwing wordt opgevangen en gelijkmatig afgevoerd naar omliggende sloten. Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.10

Klimaatadaptie

Wettelijk kader Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: • Deltaprogramma Waterveiligheid • Deltaprogramma Zoetwater • Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden.

Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, TAM-IMRO omgevingsplan Moorsterweg 6-8 Woudenberg

|27

wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Programma klimaatadaptie 2020-2023 In het Programma Klimaatadaptatie 2020-2023 'Op weg naar een klimaatbestendig Utrecht' schetst de provincie Utrecht de aanpak voor de komende jaren, op weg naar een klimaatbestendige en waterveilige provincie in 2050. Klimaatadaptatie geeft richting aan al het provinciale beleid. De maatregelen om de provincie klimaatbestendiger te maken bieden ook kansen om andere doelen te realiseren voor een gezonde en vitale regio.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4253/documents/71671