106578599 Kamerbrief Weer ruimte voor boer natuur en bouw
Tekst van het document
> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Prinses Irenestraat 6 2595 BD DEN HAAG Datum 26 juni 2026 Betreft Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor land- bouw, natuur en stikstof Pagina 1 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001858272854000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/lvvn Ons kenmerk DGLGS / 106578599 Geachte voorzitter, Nederland wil vooruit. Daarom presenteert het kabinet een maatregelpakket om Nederland weer in beweging te brengen. Zodat boeren duidelijkheid krijgen, de natuur zich herstelt, bouwers weer kunnen bouwen en we weer vergunningen kunnen verlenen. Want ons land zit op slot. Plannen en vergunningverlening lopen vast, en iedereen verlangt naar een doorbraak. Direct vanaf mijn aantreden als minister ben ik gaan praten met allerlei partijen, door heel het land. Met boeren, natuurbeheerders, maar ook bijvoorbeeld met mensen in de Rotterdamse haven. Waar ik ook kom, proef ik één ding: urgentie. Stuk voor stuk willen mensen de mouwen opstropen en aanpakken. Na jaren stil- stand eindelijk weer in beweging.
Die bereidheid om samen de schouders eronder te zetten heeft Nederland ver gebracht: zó groeide onze landbouw tijdens de we- deropbouw uit tot de absolute wereldtop. Ik besef dat de keuzes in deze brief veel vragen van boeren en andere onderne- mers. Tegelijk ben ik ervan overtuigd dat de keuzes noodzakelijk zijn. Als één sa- menhangend geheel werkt dit pakket aan vergunningverlening en natuurherstel, zo komt er weer perspectief voor boeren, natuur en bouw. Het kabinet legt dit pakket met volle overtuiging aan uw Kamer voor en roept u op om constructief en in gezamenlijkheid snel de noodzakelijke stappen te zetten om tot uitvoering te komen. Nederland verdient weer ruimte. Want Nederland wil vooruit. Van stilstand naar beweging Boeren, maatschappelijke partijen en medeoverheden hebben de afgelopen jaren hun nek uitgestoken om plannen te maken om meer stikstof te reduceren, de na- tuur te herstellen en de vergunningverlening weer op gang te krijgen. Denk daar- bij onder andere aan het Versnellingsakkoord1 en de bouwstenen2, en aan alle 1 VNO-NCW, Natuur&Milieu, Natuurmonumenten en Bouwend Nederland. 2 De bouwstenen ‘Emissiereductie Landbouw’ (medeoverheden, LTO en NAJK), ‘Natuur’ (medeoverheden, Land- schappenNL, Natuurmonumenten, Unie van Bosgroepen, FPG), en ‘Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer’ (me- deoverheden met boerennatuur).
Pagina 2 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 gebiedsprocessen. Het kabinet erkent deze inspanningen en concrete initiatieven, en presenteert een stevige aanpak die daarop voortbouwt. Om al die inspannin- gen van het land te ondersteunen en de vergunningverlening weer los te krijgen.3 Met een ambitieus pakket, ontwikkeld met de inbreng van medeoverheden en maatschappelijke partners, gaat de stikstofuitstoot omlaag en worden andere drukfactoren, zoals verdroging, aangepakt. Dit biedt een basis voor additionaliteit. De natuur krijgt kans zich te herstellen, waardoor weer ruimte voor vergunning- verlening voor heel Nederland ontstaat, en wordt toegewerkt naar een sterke en robuuste natuur en een toekomstbestendige landbouw. Via gebiedsprocessen kan een aanpak tot stand gebracht worden om de drukfactoren op het nabijgelegen Natura 2000-gebied substantieel weg te nemen en toe te werken naar een goede staat van instandhouding. Er kan concreet gewerkt worden aan de verduurzaming van de industrie en mobiliteit, aan infrastructuur en nieuwe woningbouw en aan projecten voor onze nationale veiligheid. Boeren kunnen naar duidelijke doelen toewerken met ondersteuning van de overheid.
Jonge ondernemers kunnen met meer vertrouwen naar de toekomst van hun bedrijf kijken en het kabinet zet alles op alles om een oplossing te vinden voor PAS-melders en interimmers. En via na- tuurherstel stellen we onze unieke Nederlandse flora en fauna veilig voor toekom- stige generaties. Al dit jaar zetten we de eerste betekenisvolle stap om die bewe- ging in te zetten. Eén samenhangend pakket voor vergunningverlening De aanpak van het kabinet creëert weer ruimte voor vergunningverlening: op steeds meer plekken wordt verlening van vergunningen weer mogelijk. Het pakket bestaat uit generieke maatregelen, een gebiedsgerichte inzet, maatwerk waarmee wordt ingespeeld op kenmerken van een gebied, en natuurherstel. Deze 3 Hiermee beschouw ik de motie Bromet die gericht is op het Versnellingsakkoord als afgedaan. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 33. Wanneer gaat Nederland van het slot? Het kabinet trekt met dit maatregelpakket de vergunningverlening los: • In oktober 2026 dient het kabinet een spoedwet in met een pro- gramma van maatregelen waarmee handhavings- en intrekkingsver- zoeken kunnen worden voorkomen. • In januari 2027 komt het kabinet met instructieregels met voorschrif- ten die gaan gelden in de zoneringsgebieden en komt er structureel geld vrij voor natuurbeheer. Deze stappen zijn van belang voor het stoppen van verslechtering van de natuur.
• Zo snel mogelijk, en uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, wil het kabinet een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens invoeren waarmee overal activiteiten met kleine deposities mogelijk worden. De provincies kunnen per direct per gebied starten met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze ge- bieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Pagina 3 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 combinatie van maatregelen is cruciaal om vergunningverlening weer mogelijk te maken en de natuur te herstellen. Met duidelijke doelen en normen wordt helder waar agrarisch ondernemers, overheden en andere sectoren en betrokkenen op moeten sturen. Het kabinet biedt in oktober van dit jaar het wetvoorstel aan om de huidige op de kritische depositiewaarde (KDW) gebaseerde doelen te vervan- gen door wettelijke emissiedoelen. En uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, en zo mogelijk sneller, voert het kabinet een juridisch houdbare en wetenschappelijk onderbouwde rekenkundige ondergrens (RKO) in; dat helpt veel PAS-melders en interimmers, de woningbouw en andere projecten met een stikstofdepositiebij- drage onder de RKO.
Essentieel onderdeel van de aanpak is de ondersteuning van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen. Het gaat om brede ondersteuning bij innoveren, ex- tensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen (‘trappetje van Remkes’4). Ook investeert het kabinet extra in het platteland. Wil de aanpak slagen, dan moet iedereen bijdragen. Naast de agrarische sector le- veren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten. Over- heden staan naast de boerenbedrijven en helpen bij het innoveren, om te schake- len, vrijwillig te verplaatsen of te stoppen. Supermarkten en andere partijen in de keten pakken hun verantwoordelijkheid door boerenbedrijven te helpen verduur- zamen en samen op te trekken. Natuurorganisaties zorgen dat onze natuur goed beheerd wordt en werken aan herstel. Rijk, provincies, waterschappen, gemeen- ten, sectorpartijen en andere partners slaan ook de handen ineen. En alle Neder- landers kunnen helpen door vaker te kiezen voor lokaal en duurzaam geprodu- ceerde boodschappen. Het is van groot belang de balans in dit pakket te behouden. Zo werken de be- drijfsspecifieke emissienormen in de landbouw alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als ex- tensivering ook mogelijk wordt gemaakt.
De stap naar extensivering en verduur- zaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten mee- doet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Delen van het pakket kunnen dus niet zonder consequenties worden afge- zwakt of weggelaten. Met de balans tussen de verschillende onderdelen van dit pakket beschouw ik de motie Goudzwaard5 als afgedaan. De aanpak in vogelvlucht I. Vervangen KDW-doelen door emissiereductiedoelen stikstof • De stikstofuitstoot wordt structureel en geborgd verlaagd: 42-46% (NH3) in de landbouw, 50% (NOX) in de mobiliteit, en 50% (NH3) in de industrie in 2035 ten opzichte van 2019. • Het kabinet gaat er vanuit dat deze emissiedoelen voor 2035 met het pak- ket worden gehaald. • Het kabinet presenteert eind oktober 2026 een wetsvoorstel en programma met maatregelen om de op KDW gebaseerde omgevingswaarden te vervan- gen door sectorale emissiereductiedoelen. II. Maatregelen • Het kabinet gaat met doelsturing via afrekenbare emissienormen in 2035 per bedrijf sturen op de emissies in de melkveehouderij en de intensieve 4 Remkes, J. (2022). Wat wel kan: Uit de impasse en een aanzet voor perspectief. 5 Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 54. Pagina 4 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 veehouderij.
Voor de melkveehouderij stelt het kabinet deze vast op basis van wat technisch mogelijk is met stal- en managementmaatregelen. Voor de intensieve veehouderijsectoren worden de normen in het eerste kwartaal van 2027 vastgesteld. Het kabinet ondersteunt met financiële middelen boeren bij investeringen of aanpassingen in stallen en bedrijfsvoering. • Veldemissies worden teruggedrongen door aanscherping van middelvoor- schriften. • Niet de hele landbouwopgave kan via het verlagen van emissies op bedrij- ven worden gerealiseerd. Het kabinet vult de restopgave in met extensive- ring, vrijwillige beëindiging en afroming van dier- en fosfaatrechten bij overdracht buiten familieverband. • Het kabinet introduceert een norm voor grondgebondenheid in de melkvee- houderij. Daarmee doet het kabinet de verplichting gestand die Nederland is aangegaan in het kader van het addendum 7e actieprogramma Nitraat- richtlijn. • In zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden zet het kabinet in op verdere extensivering van de landbouw, reductie van stikstofdepositie, systeemherstel en de aanpak van andere drukfactoren. Het kabinet onder- steunt boeren bij aanpassing van hun bedrijf. • Voor de aanpak van kwetsbare watergebieden komt het kabinet met mede- overheden tot de selectie van gebieden en de te nemen maatregelen.
• Voor industrie en mobiliteit zet het kabinet in op bovenwettelijke ammoni- akreductie in industrie, verduurzaming van scheepvaart, bouwmaterieel en wegverkeer. • Het kabinet investeert de komende jaren in herstel en beheer van natuur. De eerste concrete acties en projecten gaan dit jaar al van start. • In het Ontwerp-Natuurplan is uitgewerkt hoe de natuur kan worden her- steld in het kader van de Natuurherstelverordening. Het definitieve plan wordt uiterlijk 1 september 2027 ingediend bij de Europese Commissie. III. Financiën • Voor de inzet op landbouw, natuur en stikstof is €20 miljard (cumulatief tot en met 2035) en €435 miljoen structureel gereserveerd (zie tabel 1).6 Het kabinet werkt de maatregelen verder uit en beziet aan de hand van de uit- werking of deze invulling nog aanpassingen behoeft. Zo kan bijvoorbeeld de verdere uitwerking van stal- en managementmaatregelen ertoe leiden dat de beschikbare €2 miljard anders verdeeld wordt. • Het kabinet zal bij de Miljoenennota 2027 en Voorjaarsnota 2027 al ver- volgstappen zetten, op basis van het maatregelpakket.
Het kabinet doet dit uiteraard samen met medeoverheden, natuurorganisaties en sectorpar- tijen.7 • De beschikbare middelen moeten ook daadwerkelijk leiden tot doelbereik in de vorm van stikstofemissiereductie, natuurherstel en het op gang komen 6 Het kabinet zal daarvoor in de ontwerpbegroting 2027 een stikstoffonds oprichten binnen de LVVN-begroting met twee begrotingsartikelen: een fondsartikel en een bestedingsartikel. De coalitieakkoordmiddelen worden in de eerste plaats geboekt op het fondsartikel, waarbij het kabinet vasthoudt aan de verdeling op hoofdlijnen uit het coalitieakkoord. 7 Zodra specifiekere maatregelen concreet zijn uitgewerkt zullen middelen voor deze maatregelen op de reguliere begrotingsmomenten worden overgeheveld naar het bestedingsartikel. Daarbij zullen de voorstellen ook inhoude- lijk aan uw Kamer worden toegelicht conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet. Pagina 5 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 van de vergunningverlening. Periodieke adviezen en oordelen van PBL en kennisinstellingen zijn een belangrijke toetssteen bij verdere uitwerking van maatregelen en overhevelingen van middelen naar het bestedingsartikel. Ook is van belang dat relevante borgende wetgeving draagvlak krijgt in het parlement. IV.
Borging aanpak • Voor de borging van het effect van het pakket consulteert het kabinet pro- vincies en maatschappelijke partijen met als doel om een borgingsinstru- ment vast te leggen in het programma bij de ‘Spoedwet vervangen omge- vingswaarde stikstof’. Indien daarbij geen consensus wordt bereikt, kiest het kabinet als ultieme remedie voor een korting op productierechten in 2035. • Voor de landbouw geldt voor 2030 een sectorale streefwaarde van 23-25% (NH3). Indien deze niet wordt gehaald, worden aanvullende maatregelen getroffen. Een eerste moment van monitoring vindt plaats in 2027/2028. Het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme in 2030. • Met terreinbeherende organisaties, provincies en Rijkswaterstaat worden afspraken gemaakt over heldere verantwoording en verplichtingen, bijvoor- beeld op kwaliteit van beheer, doelmatigheid en type maatregelen. Voor het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen maakt het kabinet bindende af- spraken met medeoverheden. • De emissiereductie in de industrie en mobiliteit wordt geborgd via bestaand klimaat- en milieubeleid; bij onvoldoende voortgang worden tijdig aanvul- lende maatregelen getroffen.
• Met deze aanpak geeft het kabinet voor zover mogelijk in dit tijdpad maxi- maal uitvoering aan het Greenpeace-vonnis, rekening houdend met de uit- voerbaarheid, benodigde zorgvuldigheid en maatschappelijke draagkracht. V. Vergunningverlening • Het kabinet voert zo snel mogelijk, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in. Dit kan alleen met een voldoende en geborgd pakket met aanvullende specifieke beheers- maatregelen. Het komende jaar werkt het kabinet, samen met provincies, deze maatregelen verder uit. • Het kabinet heeft het Programma Maatwerk PAS-melders vastgesteld om de komende jaren alle PAS-melders naar een oplossing te helpen. Verder ver- kent het kabinet hoe andere ondernemers (‘interimmers’) zonder toerei- kende vergunning in een legale situatie kunnen komen. • Met dit brede pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen trekt het kabinet de vergunningverlening weer los. o Met dit pakket kunnen handhavings- en intrekkingsverzoeken (bij onder andere PAS-melders) worden voorkomen. o Provincies kunnen per direct per gebied starten met een plan opstellen waarmee zij additionaliteit onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan bij deze gebie- den intern en extern worden gesaldeerd. Soms is al meer mogelijk, bij- voorbeeld met ecologische onderbouwing.
o Vergunningverlening wordt mogelijk voor emissiereductie (verduurza- ming) bijvoorbeeld via een passende maatregel. Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 • | Ook zet het kabinet zich op Europees niveau in om verduurzaming gericht op stikstofemissiereductie te vergemakkelijken VI. Uitvoering en sterk platteland • | Het kabinet heeft incidenteel €100 miljoen gereserveerd voor het verster- ken van uitvoeringskracht in het kader van de gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast voorziet het budget voor maatregelen ook in uitvoeringskosten. • | In prioritaire gebieden werken overheden met de uitvoering en levert het Rijk samen met de Rijksuitvoeringsorganisaties extra capaciteit. • | Het kabinet maakt middelen vrij voor de sociaaleconomische ondersteuning op het boerenerf en breder op het platteland, om de vitaliteit van het plat- teland te behouden en zo mogelijk te versterken.
Tabel 1: indicatieve verdeling stikstoffonds Totaaloverzicht (bedragen x € 1 mln.) | Inciden- | Structu- teel | reel 2026- | vanaf 2035 | 2036 Managementmaatregelen en innovatie | 2.000 Stalmaatregelen | 1.200 Managementmaatregelen8 | 500 Doelsturing | 300 Gebiedsgerichte aanpak/zonering | 9.000 Zonering9 | 8.258 Impulsbudget prioritaire gebieden | 500 Grondfaciliteit10 | 142 Versterken uitvoeringskracht | 100 Vrijwillige beëindigingsregeling | 2.750 Natuurherstel11 | 2.200 | 200 Agrarisch Natuurbeheer | 1.200 | 165 KRW/Water | 1.250 Extensivering beekdalen en grondwaterbescher- | 1.000 mingsgebieden Gewasbescherming | 250 Flankerend beleid en overig | 1.350 | 70 PAS-melders | 350 8 O.a. subsidies stalmaatregelen, vergroten aantal uren weidegang, verlagen ruw eiwitgehalte voer en bedrijfs- planvouchers. 9 O.a. compensatie herwaardering grond, biologische landbouw, zaakbegeleiding, inrichtingsmaatregelen hydrolo- gie en natuur t.b.v. natuurherstel. 10 O.a. verplaatsing en extensivering. 11 O.a. natuurherstel, beheersubsidies SNL en monitoring.
Pagina 6 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Sterk platteland | 100 Ons kenmerk Opvolging jonge boeren | 170 | DGLGS / 106578599 Grondgebondenheid flankerende maatregelen | 215 Investeringsfonds Duurzame Landbouw | 43 Biologische landbouw (aanvullend op ondersteu- | 43 ning in de zones) 9e actieprogramma Nitraatrichtlijn | 35 Fieldlabs | 50 Veenweide en bossenstrategie | 50 Overige | 294 | 70 Industrie en mobiliteit | 250 Industrie12 | 125 Mobiliteit13 | 125 Totaal | 20.000 | 435 Een robuust pakket: 5 hoofdlijnen Per hoofdlijn wordt geschetst wat het doel is, welke besluiten en maatregelen het kabinet neemt, en wat de vervolgstappen zijn. Voor hoofdlijn 1 tot en met 4 is een verdieping van de besluiten en maatregelen bijgevoegd (‘verdiepingsbijlagen hoofdlijn 1 t/m 4’). De belangrijkste vervolgstappen en mijlpalen per hoofdlijn zijn te vinden in bijlage I (‘Overzicht belangrijkste vervolg | stappen’) en bijlage II (‘Wet- gevingsagenda voor landbouw, natuur en stikstof’). HOOFDLIJN 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit De boer aan zet met bedrijfsspecifieke emissienormen Met doelsturing zijn agrarische ondernemers weer aan zet. Met bedrijfsspecifieke emissienormen krijgen ondernemers duidelijkheid over wat er van hen wordt ver- wacht. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de motie Van Campen en Van der Plas14.
Deze normen zijn gebaseerd op wat technisch haalbaar is op basis van BBT (Beste Beschikbare Technieken). Dit vraagt in de aanpassing van de bedrijfs- voering wel veel, maar niet het onmogelijke. | De verdiepingsbijlage hoofdlijn 1 geeft invulling aan de motie Wiersma en Vermeer die betrekking heeft op de maatvoering van de bedrijfsspecifieke emissienormen. | 15 De normen bepalen hoe- veel emissie nog is toegestaan in 2035. Bedrijven die al stappen hebben gezet naar een duurzame bedrijfsvoering hoeven zich minder in te spannen om aan deze normen te voldoen, hetgeen in lijn is met motie Flach en Van Campen16. Voor de melkveehouderij stelt het kabinet een norm per fosfaatrecht voor. Het ka- binet onderzoekt aan welke voorwaarden het functioneren van de fosfaatrechten- markt moet voldoen. Het kabinet ondersteunt agrarische ondernemers bij toepas- sing van managementmaatregelen en bij investeringen in integraal duurzame stal- len uit de hiervoor gereserveerde middelen van €2 miljard. Daarmee ontstaat de komende jaren al beweging. 12 BAIP en zoneringsmaatregelen industrie. 13 Versnellingsimpuls voor stikstofreductie in de binnenvaart, stimulering elektrificatie van havenmaterieel en kleine schepen in de havens, intensivering van het programma Schoon en Emissieloos Bouwen, het wettelijk mo- gelijk maken van een milieuzone voor oudere dieselpersonenauto's met compensatie.
14 Kamerstukken II, 2024/25, 35 334, nr. 383. 15 Kamerstukken II, 2025/26, 30 252, nr. 218. 16 Kamerstukken II, 2024/25, 30 252, nr. 185. Pagina 7 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Bedrijfsspecifieke emissienormen in het kort Ons kenmerk Het kabinet stelt een bedrijfsspecifieke emissienorm voor van 0,164 kg NH | 3 | DGLGS / 106578599 en 92 kg CO2-eq uit stallen en mestopslag per fosfaatrecht voor de melkvee- houderij in 2035. De intensieve sectoren krijgen emissienormen per dier- plaats. De hoogte van deze normen wordt in het eerste kwartaal van 2027 vastgesteld op basis van inzichten in het technisch reductiepotentieel (Beste Beschikbare Technieken). Bij de uitwerking zal het kabinet de ervaringen die worden opgedaan in de aanpak Veluwe betrekken. Het kabinet zal de bestaande milieuregelgeving onder de Omgevingswet benutten om verouderde stallen te verduurzamen. De verdere uitwerking volgt de komende tijd, in samenhang met de uitwerking van bedrijfsspecifieke emissienormen. Hier- bij is het streven een generieke aanpak en eenduidigheid. Hierover voert het kabi- net het gesprek met sectorpartijen en met provincies, die al stappen vooruit heb- ben gezet, zoals Gelderland en Noord-Brabant. De bedrijfsspecifieke emissienormen sturen op emissiereductie uit stallen en op- slagen, maar niet op emissiereductie bij het aanwenden van mest.
Hiervoor scherpt het kabinet voorschriften voor het emissiearm aanwenden aan. Aanvullende reductie in de landbouw De reductieopgave kan niet volledig worden gerealiseerd met de hiervoor beschre- ven emissiereducerende maatregelen. Voor de aanvullende reductie reserveert het kabinet €2,75 miljard voor regelingen gericht op vrijwillige bedrijfsbeëindiging. Op basis van de 2e kwartaalcijfers 2026 van het CBS in augustus over de mestpro- ductie zal het kabinet ook besluiten over het opnieuw introduceren van afroming van varkensrechten die buiten familieverband worden verhandeld. | Dit is aan de orde als blijkt dat het sectorale | mestproductieplafond voor de varkenshouderij in 2026 naar verwachting wordt overschreden. Afgaande op de 1 | e kwartaalcijfers van het CBS lijkt herintroductie van afroming in de pluimveesector niet aan de orde. In de wet waarin de bedrijfsspecifieke emissienormen | worden vastgelegd, komt een passend en proportioneel sanctioneringsregime voor bedrijven die in 2035 niet aan deze bedrijfsspecifieke emissienormen voldoen. Daarmee is het doelbe- reik van doelsturing als onderdeel van de totale opgave (42 | -46%) geborgd. Het kabinet acht het reëel dat met het voorliggende pakket de emissiereductie van 42-46% in 2035 ten opzichte van 2019 wordt gehaald.
| Voor de borging van het effect van het totale pakket consulteert het kabinet provincies en maatschap- pelijke partijen met als doel om een borgingsinstrument vast te leggen in het pro- gramma bij de spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof. | Indien daarbij geen consensus wordt bereikt | , kiest het kabinet als ultieme remedie voor een kor- ting op productierechten in 2035. | Dit voorstel stuur ik | eind oktober naar uw Ka- mer. Het kabinet verbreedt de juridische basis van de huidige stelsels van produc- tierechten. Zo kan er in de toekomst ook op productierechten worden gestuurd door verbrede toepassing van het afromen van productierechten bij verhandeling. Het kabinet legt een nationaal emissieplafond voor ammoniak en emissieplafonds per dierlijke sector vast. | Uitgangspunt is evenredigheid, met oog voor het reduc- tiepotentieel in de verschillende sectoren. Pagina 8 van 27 Pagina 9 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 Een slimme koppeling tussen stikstof, natuur, water en andere opgaven In de uitwerking zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissin- gen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Het kabinet zoekt in de aanpak naar synergie met andere opgaven, zoals klimaat, gewasbescherming, dierwaardigheid, gezonde leefomgeving en de verplichtingen op het gebied van waterkwaliteit (KRW). Dit is ook in lijn met de motie Ouwehand17 waarin wordt verzocht om dierwaardigheid bij de aanpak te betrekken. Invoering van grondgebondenheidsnorm Voor een toekomstbestendige melkveehouderij die in balans is met de leefomge- ving en een bijdrage levert aan de verbetering van de waterkwaliteit, klimaatmiti- gatie, weidegang en biodiversiteit kiest het kabinet voor de invoering van een eenvoudige grondgebondenheidsnorm. Hiervoor hanteert het kabinet een ingroei- pad met tussenstappen (in 2030 een eerste stap en een tweede stap in 2032) en een eindnorm in 2035. Dit gaat gepaard met een pakket flankerende maatregelen, gezien de impact van deze maatregel, waaronder ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke effecten. Hier- voor is €215 miljoen beschikbaar. De grondgebondenheidsnorm heeft het meest impact in veedichte gebieden. Hier zal bij de besteding van de middelen rekening mee worden gehouden. Het komende halfjaar werkt het kabinet het voorstel voor grondgebondenheid verder uit en wordt een wetsvoorstel voorbereid. Het streven is het wetsvoorstel eind 2026 ter internetconsultatie voor te leggen, zodat het in 2027 kan worden ingediend bij de Tweede Kamer.
Grondgebondenheid Het kabinet voert een grondgebondenheidsnorm in de melkveehouderij van 2,6 gve per hectare als eindnorm in 2035. Om aan die norm te voldoen, kunnen melkveehouders gebruikmaken van samenwerkingsovereenkomsten met akker- bouwers binnen een straal van 25 kilometer. Voor melkveehouders in uitspoe- lingsgevoelige gebieden, te weten zand- en lössgronden, geldt een gras- land/rustgewassenverplichting van 85%. Waterkwaliteit (KRW) en 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn Om te voldoen aan de doelen van de KRW zijn extra inspanningen nodig. Dit raakt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten afkomstig van de landbouw. Het kabinet maakt in het convenant gewasbeschermingsmiddelen met partijen afspraken om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen fors terug te dringen (op basis van onder andere milieubelastingpunten). Het ka- binet reserveert hiervoor €250 miljoen. Afhankelijk van het afgesproken ambitie- niveau in het convenant en de bijdrage daarvan aan de KRW kan het beschikbare bedrag hoger of lager uitvallen. Het kabinet informeert de Kamer voor de zomer over de uitkomsten van het convenant op hoofdlijnen, dit zal in het najaar van 2026 worden uitgewerkt in deelconvenanten. De maatregelen in dit pakket, zoals de grondgebondenheidsnorm, dragen ook bij aan het verbeteren van de waterkwaliteit.
Hierdoor is er samenhang met de (aan- vullend) te nemen maatregelen in het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn, voor zo- ver het nutriënten afkomstig van de landbouw betreft. Het tijdpad van het 8e 17 Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 34. Pagina 10 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 actieprogramma Nitraatrichtlijn is daarom aangesloten op de planning van de Taskforce. Het actieprogramma zal uiterlijk 1 juli 2027 worden vastgesteld.18 Alle sectoren dragen bij Industrie en mobiliteit leveren ook hun bijdrage om Nederland van het stikstofslot te halen en de natuur te herstellen. In deze sectoren zijn de stikstofemissies en - deposities de afgelopen jaren fors gedaald. Deze daling zet volgens het PBL ge- staag door als gevolg van bestaand effectief klimaat- en milieubeleid. Zo wordt bijvoorbeeld via de Europese emissiehandelsystemen ETS1 en ETS2 gestuurd op CO2-emissiereductie via de beprijzing van broeikasgasemissies in de sectoren in- dustrie en mobiliteit. Dit zorgt ook voor reductie van stikstof. Het stelsel van CO2- emissienormen voor voertuigen stuurt op elektrificatie van het Europese weg- transport. Daarnaast stuurt de Richtlijn Industriële Emissies, en Europese emissie- normen voor stikstofoxiden (NOx) voor nieuwe voertuigen en motoren (Euronor- men, NRMM/Stage-normen) op uitstoot van NOx in deze sectoren.
Het effect van al deze instrumenten is een geborgde daling van de NOx-uitstoot. Ook deze sectoren moeten een extra stap zetten. Het kabinet maakt in totaal €250 miljoen vrij voor stikstofbronmaatregelen, gericht op een reductie van 50% van NH3-emissies in de industrie en 50% NOx-emissies in de mobiliteit, in 2035 ten opzichte van 2019. Het gaat om maatregelen die effectief bijdragen aan stik- stofreductie in de Natura 2000-gebieden, die snel uitvoerbaar zijn en die waar mogelijk integraal bijdragen aan andere opgaven, zoals klimaat en luchtkwaliteit. In de mobiliteit is de inzet gericht op de scheepvaart, op bouwmaterieel en op wegverkeer. Hiervoor wordt in totaal €125 miljoen ingezet. Hiermee wil het kabi- net onder andere intensiveren op het programma Schoon en Emissieloos Bouwen. In de industrie wordt ingezet op bovenwettelijke ammoniak- en NOx-reductie met in totaal €125 miljoen. Zo is het kabinet voornemens de stikstofimpact van bedrij- ven in de vastgestelde zones rond Natura 2000-gebieden te verminderen middels een tenderregeling. In de zones bevinden zich enkele tientallen industriële bedrij- ven. HOOFDLIJN 2 – Samen met boer, keten en regio vooruit Ondersteuning van (jonge) boer en sector Doelsturing geeft agrarische ondernemers helderheid over de normen voor stik- stof- en broeikasgasemissies.
Dit vraagt van de boer vaak (grote) investeringen en soms hoge structurele kosten om aan deze normen te voldoen. De boer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op ver- schillende ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaat- sen of beëindiging (het ‘trappetje van Remkes’). Het gaat daarbij om voortzetting van bestaande instrumenten en om het ontwikkelen van nieuwe instrumenten, waarbij ook de mogelijkheden binnen het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) benut zullen worden. Het kabinet ondersteunt ondernemers bij stalaanpassingen en managementmaat- regelen. Voor managementmaatregelen wordt de nieuwe Stimuleringsregeling Ma- nagementmaatregelen Veehouderij voor emissiereductie (SMV) ontwikkeld. Voor de ondersteuning bij investeringen in integraal duurzame stallen worden verschil- lende instrumenten verkend, zowel subsidies als, waar mogelijk, fiscale instru- menten en instrumenten gericht op financiering. Daarmee wordt ook invulling ge- geven aan motie van de leden Flach en Den Hollander19, en de motie van de leden 18 Kamerstukken II, 2025/26, 33037, nr. 645. 19 Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 59.
Pagina 11 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 Den Hollander c.s.20 Daarnaast zet het kabinet in op de ontwikkeling van kennis en innovatie, bijvoorbeeld via het ondersteunen van extra experimenteerlocaties (fieldlabs). Het kabinet ontwikkelt voor de bredere inzet op innovatie een Agro- food Innovatieagenda, die later dit jaar aan de Kamer wordt aangeboden. De komende jaren stimuleert het kabinet de productie van groen gas via mestver- gisting in combinatie met de opschaling van Renure. Dit draagt bij aan reductie van methaan- en ammoniakemissies. Het kabinet werkt samen met betrokken partijen aan een versnelling van deze ontwikkeling, waaronder de vergunningver- lening en betrekt daarbij LTO, NVDE, Rabobank en anderen. Hiermee wordt uit- voering gegeven aan de motie Den Hollander c.s.21 betreffende de inzet op mest- verwerking en mestvergisting. Extensiveren kan een belangrijke ontwikkelroute zijn, met name voor bedrijven in de zones. Boeren worden hierbij ondersteund, onder andere via het ANB, een transitieregeling en actief grondbeleid. Het kabinet verkent hoe, naast een subsi- dieregeling, het proces van verplaatsing ook op andere wijzen kan worden gefaci- liteerd, bijvoorbeeld door de inzet van zaakbegeleiders die kunnen ondersteunen bij de start op de nieuwe locatie.
Voor een integrale omschakeling komt gunstige financiering beschikbaar voor investeringen via het Investeringsfonds Duurzame Landbouw. Het kabinet blijft via het Nationaal Groeifonds-project inzetten op de transitie naar rendabele regeneratieve landbouw. Bedrijven die willen stoppen, kunnen gebruik maken van een vrijwillige beëindigingsregeling. In verdiepingsbij- lage hoofdlijn 1 geeft het kabinet invulling aan de motie Koorevaar die betrekking heeft op de vormgeving van de vrijwillige beëindigingsregeling.22 Bij de uitwerking van het instrumentarium heeft het kabinet oog voor de positie van de jonge boer. Het kabinet zet ook specifiek in op generatievernieuwing en reserveert €170 miljoen voor de regeling vestigingssteun. Dit ondersteunt jonge boeren en zij-instromers in de bedrijfsopvolging en helpt in het opbouwen en ont- wikkelen van toekomstbestendige agrarische bedrijven. Dit ondersteunende beleid levert de komende jaren een belangrijke bijdrage aan de stikstofemissiereductie. Impuls voor een sociaal en economisch sterk platteland Een sterk platteland, een toekomstbestendige agrarische sector en het behoud van een gezonde natuur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom is een impuls voor een sociaal en economisch sterk platteland integraal onderdeel van de aanpak.
Het kabinet stelt in totaal €100 miljoen beschikbaar om, samen met in- woners en maatschappelijke partijen, de krachten en kansen van het platteland te versterken en benutten. Dit omvat een landsbreed actieprogramma Sterk Platte- land en een sociaaleconomisch investeringsprogramma voor specifieke regio’s. Het kabinet werkt dit de komende periode uit met medeoverheden, maatschappelijke partijen zoals P10 en de Landelijke Vereniging van Kleine Kernen, en lokale sta- keholders. Deze ondersteuning moet direct ten goede komen aan lokale gemeen- schappen, zodat deze worden versterkt en nieuwe economische kansen worden bevorderd. De keten draagt bij Ketenpartijen en consumenten moeten ook een bijdrage leveren. De vraag wordt grotendeels door ketenpartijen bepaald en boeren handelen daarnaar. 20 Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 48. 21 Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 50. 22 Kamerstukken II, 2025/26, 28 973, nr. 295. Pagina 12 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 Ketenpartijen kunnen de afzet van duurzaam geproduceerd voedsel vergroten. Het kabinet ontwikkelt daarom stappen naar een juridisch kader voor een duurza- mere voedselomgeving, zodat de keten niet vrijblijvend bijdraagt aan de opgaven en de verduurzaming van de primaire sector en het voedselsysteem.
Het kabinet zet ook in op het creëren van een Uitgebreide Keten Verantwoordelijkheid (UKV), naar het voorbeeld van de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid. De keten wordt daarmee (mede)verantwoordelijk voor de verduurzaming en het verdien- model van (omschakelen naar) biologische productie wordt ondersteund. Motie Bromet: aanbod biologisch vergroten Een intensievere inzet op biologische landbouw biedt kansen voor stikstofreductie, verbetering van de bodem- en waterkwaliteit en versterking van de biodiversiteit. Het kabinet versnelt het actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie’ om deze vorm voor een groter deel van de Nederlandse boeren een aantrekkelijk toekomstperspectief te maken. Dit wordt gekoppeld aan de gebiedsgerichte en zo- neringsaanpak, waarmee de motie Bromet23 is afgedaan. Om biologische produc- tie te stimuleren en het verdienmodel te verbeteren, geeft het kabinet onder an- dere rechtstreekse steun aan boeren om naar biologische bedrijfsvoering om te schakelen. Daarbij heeft het kabinet oog voor een evenwichtige ontwikkeling van de aanbodzijde van de markt.
De vraag naar biologisch vergroten Boeren die een omschakeling naar biologisch overwegen of al gemaakt hebben, hebben vertrouwen nodig dat de vraag naar biologische producten groeit, daarom worden er met ketenpartijen, zoals supermarkten en verwerkers, voor 1 april 2027 harde afspraken gemaakt. Als het niet lukt om tot afspraken te komen, treft het kabinet wettelijke maatregelen, met een beoogde invoeringsdatum van 1 ja- nuari 2029. De voorbereidingen voor het treffen van mogelijke wettelijke maatre- gelen worden alvast in gang gezet. De rijksoverheid geeft het goede voorbeeld De rijksoverheid geeft het goede voorbeeld door biologisch en duurzaam voedsel in te kopen en te zorgen dat omschakeling loont en de afzet groeit, zodat andere sectoren volgen. Het kabinet streeft ernaar de ambitie binnen de Rijkscatering van het inkooppercentage met het keurmerk EU-biologisch te verhogen naar minimaal 50% en er oog is voor afname van Nederlandse producenten. Het kabinet infor- meert uw Kamer voor het einde van 2026 hierover. Het Rijk gaat in gesprek met provincies, waterschappen, gemeenten en (semi-)overheidsinstellingen om deze ambitie over te nemen. Binnen de categorie catering van het Rijk wordt ook bre- der ingezet op een integrale uitwerking voor een ambitieuzer en duurzaam in- koopbeleid, bijvoorbeeld voor dierwaardigheid en voedselverspilling.
Naast de ei- gen inzet doet het kabinet ook een appèl op grote bedrijven om meer biologisch en duurzaam voedsel in te kopen. HOOFDLIJN 3 – Inzet in en rond kwetsbare natuur- en watergebieden A. Zones rond Natura 2000-gebieden Nederland kan niet van het slot zonder gerichte maatregelen rond kwetsbare na- tuur. Het kabinet zet daarom in op een zonering rond Natura 2000-gebieden die zich richt op meerdere drukfactoren, waarmee de natuur de kans krijgt zich te herstellen. In de zones zullen boeren naar een volwaardige extensieve vorm van landbouw moeten bewegen, waarmee agrarische activiteiten en grondgebruik in lijn worden gebracht met het herstel van het Natura 2000-gebied. Door rondom 23 Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 XIV, nr. 32. Pagina 13 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 een selectie Natura 2000-gebieden te kiezen voor een extensievere landbouw, blijft er in de rest van Nederland meer perspectief voor hoogproductieve land- bouw. Het kabinet realiseert zich dat er met deze aanpak veel op boeren afkomt. Daarom wil het kabinet nadrukkelijk naast de boer staan met ondersteuning. Selectie gebieden Niet voor elk van de 121 (zie verdiepingsbijlage hoofdlijn 3) stikstofgevoelige Na- tura 2000-gebieden op land is een zone nuttig of nodig.
Het kabinet verwacht na afstemming met provincies en maatschappelijke partijen te komen tot een zone- ring in en rondom ca. 100 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In de overige stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is op basis van de natuuropgave naar ver- wachting geen zonering nodig als dit onvoldoende meerwaarde heeft gezien de kenmerken en agrarische structuur van het gebied, of als met generieke emissie- reductie, het terugbrengen van de overige drukfactoren en natuurherstelmaatre- gelen voldoende wordt bereikt. Naar verwachting gaat voor circa 85 stikstofgevoe- lige Natura 2000-gebieden een zone gelden van 500 meter vanaf de rand van het Natura 2000-gebied. Voor 15 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met een hoge stikstofoverbelasting uit de zone is een zone van 1000 meter passender (zie verdiepingsbijlage hoofdlijn 3). Rond de Veluwe wordt met de provincie Gelder- land naast de zonering 65-69% emissiereductie over een groter gebied afgespro- ken, dus ook buiten de zones. Tenslotte wordt provincies gevraagd een passend werkingsgebied voor regels met betrekking tot hydrologisch systeemherstel te be- palen, dat mogelijk breder dan de zone is. Maatregelen in de zone Het kabinet kiest voor aanvullende maatregelen in zones rond Natura 2000-gebie- den die zich richten op meerdere drukfactoren (o.a. stikstof, hydrologie, gewasbe- scherming en versnippering).
Deze maatregelen moeten in de zones een aanvul- lende emissiereductie opleveren van landelijk gemiddeld 20 procentpunt. De pre- cies benodigde emissiereductie per gebied wordt later dit jaar vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van het gebied, de mate waarin agrarische activiteiten reeds extensief zijn en de staat van de natuur. Een gebied kan tot ui- terlijk 1 januari 2028 een eigen aanpak tot stand brengen om de drukfactoren op het nabijgelegen Natura 2000-gebied substantieel weg te nemen en toe te werken naar een goede staat van instandhouding. Lukt het niet om via deze weg de drukfactoren substantieel weg te nemen, dan zullen de door het kabinet vastgestelde regels en normen op bedrijfsniveau gaan gelden. Deze regels worden in januari 2027 gepubliceerd en zullen uiterlijk per 1- 1-2035 in werking treden. De regels hebben betrekking op plantaardige teelten en grondgebonden veehouderij systemen. De regels zien in ieder geval toe op be- perkte mestplaatsingsruimte, vee-bezetting en gebruik van gewasbeschermings- middelen. Om de drukfactoren in het gebied in voldoende mate weg te nemen zul- len vrijwel altijd langerlopende gebiedsprocessen nodig zijn, gericht op kavelruil en herverkaveling.
Bij het instellen van de regels en normen krijgen ondernemers de komende jaren de mogelijkheid om stapsgewijs de bedrijfsvoering aan te pas- sen, waarbij zij zelf beslissen welke aanpassingen naar extensieve bedrijfsvoering nodig zijn om aan deze normen en regels te voldoen. De aanpak via de ge- biedsprocessen moet eenzelfde mate van borging en doelbereik kennen, met het- zelfde financiële beslag, als de Rijksregels op bedrijfsniveau die januari 2027 wor- den gepubliceerd. Voor de uitwerking van de gve-bezetting wordt de inpasbaarheid van de norm voor biologische bedrijven en de gevolgen voor natuurherstel bezien. De regels Pagina 14 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 voor gewasbeschermingsmiddelen in het traject van het convenant gewasbe- schermingsmiddelen worden uitgewerkt met de convenantspartijen. Indien hierbij onvoldoende wordt bijgedragen aan de natuuropgave, zal de Rijksoverheid zelf regels opstellen. Deze normen en regels worden in instructieregels gevat. Rondom veel gebieden zal het daarnaast nodig zijn om systeemherstelmaatrege- len te nemen die gericht zijn op natuurherstel. Bijvoorbeeld door het verbeteren van de hydrologische condities, waterkwaliteit en verbinding tussen gebieden. Dat kan onder meer gaan om het verhogen van het grondwaterpeil of het aanleggen van groenblauwe dooradering.
Andere sectoren wordt ook gevraagd om bij te dra- gen aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden. Dit verloopt via andere trajecten, zoals de zoneringsaanpak van NOx-bronnen vanuit de indu- strie. Aanvullend gaat het kabinet in gesprek met buurlanden over hun inzet op natuurherstel. B. Kwetsbare watergebieden De aanpak voor kwetsbare watergebieden richt zich op een aantal beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden met een KRW-opgave voor de landbouw om uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar het grond- en oppervlaktewater te verminderen.24,25 Voor deze gebieden zal een vergelijkbare set aan regels worden ontwikkeld als bij de zoneringsaanpak. De aanpak richt zich hiermee op extensiever agrarisch grondgebruik, waarbij minder nutriënten en ge- wasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Dit wordt uitgewerkt in samenhang met de afspraken in het Convenant Gewasbeschermingsmiddelen. Indien hierbij onvoldoende wordt bijgedragen aan het terugdringen van het gebruik van schade- lijke gewasbeschermingsmiddelen (op basis van onder andere milieubelastingpun- ten) zal de Rijksoverheid zelf regels opstellen. De verdere uitwerking van de aan- pak vindt het komende jaar in samenwerking met medeoverheden plaats (zie ver- der verdiepingsbijlage hoofdlijn 3). C.
Gebiedsspecifieke ondersteuning aan ondernemers De impact van de benodigde extensivering op de bedrijfsvoering zal verschillen per bedrijf. Juist in de zones hebben veel bedrijven al stappen gezet, waardoor voor hen de opgave kleiner kan zijn, maar het eveneens onrechtvaardig kan voe- len dat er toch nog meer wordt gevraagd. Bovendien zal het zo zijn dat niet alle boeren binnen de kaders door willen, of er voor alle bedrijven ruimte blijft, ofwel omdat de benodigde grond voor extensivering schaars is, ofwel omdat het ge- schetste toekomstperspectief in specifieke gevallen niet passend te maken is. Het Rijk ondersteunt samen met de provincies de gevraagde beweging in en rondom kwetsbare natuur- en watergebieden met een pakket van bestaande en nieuw te ontwikkelen instrumenten. Deze ondersteuning komt bovenop de generieke on- dersteuning (hoofdlijn 2) en wordt de komende jaren al beschikbaar gesteld om boeren voldoende tijd te geven. Daarbij is het gehele trappetje van Remkes be- schikbaar (innoveren (via het generieke spoor) extensiveren, omschakelen, ver- plaatsen en stoppen). Onderdeel van deze ondersteuning zijn onder andere een actief grondbeleid om zo ook de grondpuzzel goed te kunnen leggen en een transitieregeling die onderne- mers helpt richting een extensieve bedrijfsvoering met toekomstperspectief.
Dat kan onder andere via de inzet van de nationale grondbank, pachtuitgifte, 24 Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrari- sche deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/674737 25 Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo. Pagina 15 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 vrijwillige kavelruil en wettelijke herverkaveling (voorheen WILG). Het kabinet kijkt onder andere naar de inzet van extensiveringsregelingen zoals de Subsidie- regeling extensivering melkveehouderij (SEM), de Samenwerkingsregeling melk- vee-akkerbouw, afwaardering en zaakbegeleiding. Een uitgebreider overzicht is opgenomen in verdiepingsbijlage hoofdlijn 3. Boeren kunnen alleen extensiveren als naast betaalbare grond ook voldoende be- loning komt voor publieke diensten zoals agrarisch natuurbeheer en als de markt een meerprijs betaalt. Via het ANB worden boeren beloond voor het versterken van natuur op landbouwgrond en kan worden bijdragen aan het realiseren van een extensiever verdienmodel.
Het kabinet heeft hiervoor €1,2 miljard extra vrij- gemaakt tot en met 2035 en daarna €165 miljoen per jaar structureel. Boeren worden ook ondersteund middels grondeigendom en toegang via pacht- gronden. Het kabinet werkt aan de herziening van de pachtregelgeving die duur- zaamheidsafspraken tussen pachters en verpachters vergemakkelijken. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de initiatiefnota van de leden Bromet en van Cam- pen over "De wijsheid in pacht"26. Ook faciliteert het kabinet, waar mogelijk, de verplaatsing van bedrijven. Het faciliterend pakket zal met de concretisering van de regels verder worden uitgewerkt. Daarbij is nadrukkelijk oog voor de toerei- kendheid van het pakket en de (tijdige) toegankelijkheid daarvan. Voor mede- overheden is een cruciale rol weggelegd bij deze ondernemersgerichte ondersteu- ning, bijvoorbeeld voor een nieuwe of aangepaste vergunning of de ruimtelijke in- passing van de nieuwe functie. D. Volgende stappen in de uitwerking Zones rond Natura 2000-gebieden Het kabinet realiseert zich dat deze aanpak voor individuele bedrijven in deze ge- bieden nog veel vragen kan oproepen. Het komende halfjaar gaat het kabinet in samenwerking met medeoverheden en maatschappelijke partijen concrete en de- finitieve keuzes maken over de invulling. De provincies en de koepels van 26 Kamerstukken II, 2024/25, 36 687, nr. 2.
Agrarisch ontwikkelperspectief rond kwetsbare natuur- en watergebieden In deze gebieden werken we toe naar extensief agrarisch landgebruik van grondgebonden veehouderijen en grondgebonden plantaardige teelten. Boeren kiezen zelf voor de ontwikkelrichting waarmee zij daaraan kunnen voldoen. Voorbeelden van aanpassingen die boeren in hun bedrijfsvoering kunnen doen zijn: • Het kiezen voor aan ander bedrijfsmodel dat past bij de regels in de zone. Denk hierbij aan natuurinclusieve landbouw, kringlooplandbouw, biodyna- mische landbouw, regeneratieve landbouw, agroforestry, permacultuur of precisielandbouw. • Het biologisch laten certificeren van het bedrijf. • Het aanpassen van de bedrijfsvoering met een nadruk op (zwaar) agrarisch natuurbeheer met langjarige beheercontracten. • Inzet op lokale marktinitiatieven zoals korte ketens en boer-naar-bord. • Het verbreden van hun bedrijfsmodel binnen de geldende kaders. Denk hierbij aan een zorgboerderij, voedselbos, landwinkel, kinderdagopvang of kleinschalig wonen. Pagina 16 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 medeoverheden (IPO, VNG en UvW) ontvangen hierover zo snel mogelijk een be- geleidende brief. Het kabinet wil de zoneringsaanpak in 2027 vaststellen en vastleggen in instruc- tieregels voor de omgevingsverordening, al dan niet in combinatie met algemene Rijksregels.
Met de instructieregels geeft het Rijk aan provincies de opdracht om de zones vast te leggen en regels te stellen. Ook kan het Rijk ervoor kiezen om bepaalde regels zelf te stellen, als die landelijk gelijk moeten gaan gelden. In be- ginsel gaan voor alle zones dezelfde regels gelden, met afwegingsruimte voor pro- vincies binnen de kaders die het Rijk meegeeft om de regels passend te maken. Het kabinet biedt, zoals beschreven, ook ruimte aan alternatieven gebiedseigen maatwerk-oplossingen voortkomend uit gebiedsprocessen. Daarmee is de inzet in de tweede helft van 2026 voor de zones: 1. In afstemming met provincies tot een definitieve selectie gebieden komen waarvoor het aanwijzen van een zone nuttig en nodig is; 2. In afstemming met provincies en maatschappelijke partijen de normen, regels en ingroeipad binnen de zones te concretiseren, inclusief de afwegingsruimte. 3. In afstemming met provincies te onderzoeken onder welke voorwaarden er mogelijkheden zijn om het ingroeipad regionaal te versnellen en daarmee eer- der vergunningverlening los te trekken; 4. Met provincies en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheden voor ge- biedseigen (collectieve) maatwerkoplossingen te verkennen om af te wijken van Rijkskaders voor de zoneringsaanpak en bijvoorbeeld nauwer aan te slui- ten op provinciale plannen; 5.
Aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning aan boeren in zones rond Natura 2000-gebieden verder vormgeven. Gebiedsprocessen De aanpak zal in veel regio’s een gebiedspuzzel opleveren; voor sommige onder- nemers is meer grond nodig om duurzaam te kunnen blijven produceren, kavelruil is nodig voor boeren die willen verplaatsen, en grond die vrijvalt moet gericht in- gezet kunnen worden voor andere boeren of voor natuur. Deze puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor de gebiedsgerichte coördinatie en zullen in de meeste situaties als gebiedsregis- seur moeten optreden om die gebiedspuzzel te leggen. Gebiedsprocessen zijn daarmee een essentieel onderdeel van de zoneringsaanpak en de aanpak voor kwetsbare watergebieden. Met prioriteit aan de slag met de uitvoering Om de gebiedsspecifieke inzet tot uitvoering te brengen is het nodig om de uit- voeringskracht te versterken. Het Rijk wil hier regie op voeren in vijf gebieden en twee economische clusters (Veluwe, Peel, Noordwest-Overijssel, Hart van het Noorden en Groene Hart, en Brainportregio en Rotterdamse Haven). Voor de Ve- luwe en de Peel is reeds €600 miljoen gereserveerd. Om ook in de andere gebie- den met prioriteit aan de slag te gaan, is het kabinet voornemens een impulsbud- get beschikbaar te stellen van €500 miljoen.
Uiterlijk eind 2026 worden er voor deze gebieden adaptieve en interbestuurlijke uitvoeringsplannen en samenwer- kingsovereenkomsten opgesteld. Voor de Peel en de Veluwe heb ik op 17 juni jl. namens het kabinet reeds de samenwerkingsovereenkomsten en uitvoeringsplan- nen ondertekend. Na de zomer geven we besluitvorming voor de Veluwe verder vorm. Ook ontwikkelen we een afwegingskader voor de Rijksinzet, waarmee we bepalen in welke gebieden we snel maatregelen treffen om van het slot te komen. Pagina 17 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 HOOFDLIJN 4 – Aan de slag met natuurherstel Om de natuur in Nederland weer vitaal en robuust te maken, is het nodig aan de slag te gaan met natuurherstel en -beheer, en verslechtering tegen te gaan. Een ambitieuze en langjarige extra inzet is nodig om onze natuur weer gezond te ma- ken en onze doelen binnen bereik te brengen. Alleen via natuurherstel komt de vergunningverlening weer op gang. Het kabinet investeert incidenteel €2,2 miljard en structureel €200 miljoen in na- tuurmaatregelen, waarvan het grootste deel voor natuurbeheer. Hier komen vol- gend jaar al middelen voor beschikbaar. Daarbij zal het kabinet sturen op het ver- hogen van de vergoedingen voor de terreinbeherende organisaties.
Bij de beste- ding hiervan benut het kabinet waar mogelijk ook kansen voor veenweiden en de landelijke bossenstrategie. Concreet natuurherstel op korte termijn De natuurherstelmaatregelen zijn per direct nodig. Om die reden is voor 2026 al circa €100 miljoen vrijgemaakt voor het uitvoeren van concrete projecten, onder meer door Staatsbosbeheer. Komende weken zal ik overeenkomsten te- kenen om hier verdere invulling aan te geven. De €100 miljoen wordt gebruikt voor: • Samenwerking Staatsbosbeheer en boeren. Boeren en natuur kunnen el- kaar juist versterken. Al langer werkt Staatsbosbeheer met succes samen met boeren die grond van Staatsbosbeheer pachten. Het kabinet stelt €5 miljoen beschikbaar voor het intensiveren van deze samenwerking. • Hydrologisch herstel Bargerveen. Verdroging is een van de belangrijkste drukfactoren voor Natura 2000-gebieden. Het Bargerveen is één van de laatste grote Hoogveengebieden in Nederland. Om het unieke karakter van het Bargerveen te behouden, investeert het kabinet €12 miljoen om de in- terne waterhuishouding op orde te krijgen. • Aanpak invasieve exoten. Invasieve exoten vormen een steeds groter pro- bleem voor de Nederlandse natuur. Ze verdringen soorten die hier van na- ture voorkomen en beschadigen belangrijke infrastructuur. Het kabinet stelt €6,5 miljoen extra beschikbaar voor de bestrijding van invasieve waterplan- ten.
• Aanpak bestuivers. Het aantal bijen en vlinders in Nederland neemt jaar- op-jaar af. Deze soorten staan aan de basis van ons ecosysteem en zijn cruciaal voor bijvoorbeeld de voedselvoorziening. Daarom geeft het kabinet met €6 miljoen een extra impuls in bijenlandschappen. Door extra leefge- bieden en ecologische verbindingen wordt een divers landschap gecreëerd met voldoende voedselaanbod en nestelgelegenheid voor bijen en an- dere bestuivers. • Verbetering waterkwaliteit. De Weerribben-Wieden is een van de grootste moerasgebieden van West-Europa met veel unieke soorten. Het kabinet stelt €6 miljoen extra beschikbaar voor verbetering waterkwaliteit, zodat het areaal aan veenmosrietlanden en trilvenen zowel kan uitbreiden en de kwaliteit kan verbeteren. • Herstelmaatregelen Polder Westzaan. Gelegen in de achtertuin van Zaan- stad en Amsterdam ligt een belangrijk veenweidegebied. Het kabinet stelt hier €3 miljoen extra beschikbaar zodat de provincie versneld inrichtings- en herstelmaatregelen kan nemen. Natuurherstel Natuurherstelmaatregelen bestaan bijvoorbeeld uit het verbeteren van hydrolo- gische omstandigheden in de omgeving van natuurgebieden, het voorkomen en Pagina 18 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 bestrijden van invasieve exoten en het gezonder maken van bossen.
Het uitvoe- ren van deze herstelmaatregelen doet het kabinet zoveel mogelijk in samenhang met andere maatschappelijke opgaven, zoals natuurbrandbeheersing. Het kabinet geeft hierbij bovendien invulling aan de ambities voor een natuurinclusieve sa- menleving, waarbij bestaande overheidsgronden maximaal worden benut, zoals bij het ecologisch beheren van wegbermen en dijklichamen. Het kabinet werkt dit verder uit, inclusief de mogelijkheden dit te financieren. Aan de Natuurherstelverordening (NHV) geeft het kabinet invulling door op uiter- lijk 1 september 2026 een Ontwerp-Natuurplan en op 1 september 2027 een defi- nitief Natuurplan in te dienen bij de Europese Commissie. De focus ligt in het Ont- werp-Natuurplan op de doelen voor 2030. Als bijlage bij deze brief is het Concept Ontwerp-Natuurplan opgenomen (bijlage VI). De internetconsultatie voor de omgevingswetswijziging ten behoeve van de NHV start vandaag, op 26 juni 2026. Deze wijzigingen gaan over het toedelen van ta- ken en bevoegdheden om uitvoering te geven aan de NHV. De meest relevante en nieuwe maatregelen die onderdeel uitmaken van dit pakket krijgen waar nodig een uitvoeringstoets, plan MER en consultatieproces. Hiermee wordt invulling ge- geven aan de motie Flach.27 De relevante maatregelen landen in het definitieve Natuurplan.
Onder de noemer ‘Sterker met natuur’ werken het Rijk, provincies en andere partners aan het vergroten van het bewustzijn en begrip voor natuurher- stel en de maatregelen die daarvoor nodig zijn. Het kabinet realiseert zich dat er ook na 2030 nog een flinke opgave ligt. In het Natuurplan is een doorkijk opgenomen richting 2040 en 2050. Dit krijgt een plek in de actualisatie van het Natuurplan in 2032. Natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer Het kabinet investeert structureel in natuurbeheer. Het kabinet zet erop in om concrete afspraken te maken met provincies en natuurbeheerders over structurele (en incidentele) financiering van het beheer, inclusief afspraken over heldere ver- antwoording en verplichtingen, bijvoorbeeld op kwaliteit van beheer, doelmatig- heid en type maatregelen. Daartoe worden dit najaar de eerste stappen gezet. Naast natuurbeheer investeert het kabinet ook structureel in agrarisch natuurbe- heer. Dit draagt bij aan het doelbereik voor natuur, water (KRW), klimaat én aan het verdienvermogen van agrariërs, op vrijwillige basis en op een manier die goed past bij hun bedrijfsvoering. Het doel is onder meer om de regeling Agrarisch na- tuur- en landschapsbeheer uit te breiden van 130.000 hectare naar 280.000 hec- tare en het te versterken, door beheer te verzwaren en ruimtelijk te clusteren.
Hierover ontvangt uw Kamer kort na de zomer een brief met nadere uitwerking. Borgen natuurherstel en -beheer Het duurzaam herstellen en effectief beheren van onze natuur is van groot be- lang om stappen te zetten op weg naar een robuuste natuur en vergunningver- lening, zoals ook opgenomen in de Bouwsteen Natuur van de koepels van de- centrale overheden en van natuurbeheerders.28 Daarbij vindt het kabinet het van belang om het zicht op de resultaten van natuurherstel en -beheer te ver- sterken. 27 Kamerstukken II, 2025/26, 33 576 XIV, nr. 506. 28 Overheden en natuurorganisaties presenteren Bouwsteen Natuur: robuuste natuur als sleutel tot vergunning- verlening en een toekomstbestendig Nederland. Pagina 19 van 27 Directoraat Generaal Landelijk Gebied en Stikstof Ons kenmerk DGLGS / 106578599 Voor de vergunningverlening is het belangrijk dat de maatregelen gericht op natuurbeheer en -herstel tot resultaat leiden. Ten aanzien van natuurbeheer is in het coalitieakkoord afgesproken dat er, naast extra structurele financiering, afspraken worden gemaakt over heldere verantwoording en verplichtingen, bij- voorbeeld op kwaliteit van beheer, doelmatigheid en type maatregelen. Hier- over maakt het kabinet na de zomer nadere afspraken met provincies, terrein- beherende organisaties en organisaties zoals Rijkswaterstaat.
Voor het uitvoe- ren van natuurherstelmaatregelen worden met medeoverheden bindende af- spraken gemaakt zodat deze geborgd zijn. Deze inzet sluit goed aan bij de Bouwsteen Natuur. Het kabinet investeert ook in het versterken en uitbreiden van natuurmonito- ring: meten is weten. In het coalitieakkoord is opgenomen dat Nederland elke twee jaar de landelijke en regionale voortgang op het gebied van natuur, bo- dem en water monitort, en indien nodig bijstuurt. Areaaluitbreiding Van de in het Natuurpact met de provincies afgesproken uitbreiding van het Na- tuurnetwerk Nederland (NNN) met minimaal 80.000 ha, resteerde op 1 januari 2025 nog circa 30.000 ha.29 Uiterlijk begin 2027 maakt het kabinet geborgde af- spraken met provincies over een zo snel mogelijke afronding van deze resterende opgave, onder meer in samenhang met de opgave in de zones rondom Natura 2000-gebieden. Vooruitlopend daarop voert het kabinet nog dit jaar samen met provincies een verkenning uit van deze restantopgave. Uitbreiding draagt bij aan een robuustere natuur en daarmee ook aan het stapsgewijs op gang brengen van vergunningverlening. Een deel van deze uitbreiding zal landen in zones rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden, omdat dit bijdraagt aan het verminderen van de drukfactoren op het natuurgebied.