CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

05. Ruimtelijke onderbouwing Vijver Rumerlaarseweg 15.pdf

Gemeenteraad 22 december 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 13: Verklaring geen bedenkingen Rumelaarseweg 1520.987 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

VIJVER RUMELAARSEWEG 15, WOUDENBERG ruimtelijke onderbouwing 29 juni 2022

1/1

RO vijver Rumelaarseweg 15, Woudenberg

Woudenberg

ruimtelijke onderbouwing

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0351.xsxs‐0001

29‐06‐2022

concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

projectnummer:

20211466.001 opdrachtleider:

Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging projectgebied

7

1.3

Huidige planologische regeling

9

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

11

2.1

Algemeen

11

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

13

3.1

Rijksbeleid

13

3.2

Provinciaal beleid

14

3.3

Gemeentelijk beleid

17

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

19

4.1

Archeologie & Cultuurhistorie

19

4.2

Bodemkwaliteit

20

4.3

Ecologie

20

4.4

Externe veiligheid

23

4.5

Kabels en leidingen

24

4.6

Bedrijven en milieuzonering

25

4.7

Luchtkwaliteit

25

4.8

Verkeer en parkeren

27

4.9

Water

27

4.10

Wegverkeerslawaai

30

4.11

M.e.r.‐beoordeling

30

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

33

5.1

Economische uitvoerbaarheid

33

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

33

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

4

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Landschappelijke onderbouwing

Bijlage 2

Hoogtemetingen Dammers

Bijlage 3

Geohydrologische quickscan

Bijlage 4

Natuurwaardenonderzoek

Bijlage 5

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

TOELICHTING

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Rumelaarseweg 15 in Woudenberg is in 2008 een vijver gerealiseerd. Daarbij is door de eigenaar van de betreffende grond niet gerealiseerd dat deze vijver vergunningplichtig was. Inmiddels heeft de vijver zich ontwikkeld tot landschapselement met verschillende ecologische waarden. De eigenaar van de vijver zou graag de vijver behouden. Inmiddels is bij de provincie Utrecht een ontgrondingenvergunning annex vergunning voor een in de nabijheid van de vijver gerealiseerde ophoging met de bij het realiseren van de vijver vrijgekomen grond aangevraagd en bij de gemeente Woudenberg een aanlegvergunning. Naar aanleiding van deze aanvraag aanlegvergunning hebben gesprekken op ambtelijk niveau plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze gesprekken staat de vraag open of de aanleg van de vijver past binnen de huidige bestemming of dat moet worden afgeweken van de bestemming. Om te onderbouwen dat de vijver juridisch‐planologisch kan worden toegestaan op deze locatie is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Deze ruimtelijke onderbouwing kan worden gebruikt als onderbouwing om de aanlegvergunning te verlenen of als onderbouwing voor het in dat verband tevens afwijken van het bestemmingsplan op basis van de uitgebreide procedure om strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen voor zover de gemeente zich op het standpunt mocht stellen dat de vijver niet binnen de regels van het bestemmingsplan past.

1.2

Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Rumelaarseweg 15 in Woudenberg. Het betreft het kadastraal perceel sectie H, nummer 258 in de gemeente Woudenberg (WDB02‐H‐258). Het kadastrale perceel heeft een oppervlak van 2,3 ha.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

8

Figuur 1.1 ‐ Projectlocatie (bron: Natuurwaardenonderzoek E.C.O.‐logisch) Het projectgebied bevindt zich ten zuidoosten van de kern van Woudenberg in het landelijk gebied. Het perceel waar de vijver gerealiseerd is, is gelegen op een afstand van ongeveer 80 meter van de Rumelaarseweg. De vijver is vanaf de weg door de begroeiing rondom vrijwel niet zichtbaar.

Figuur 1.2 ‐ Ligging in de omgeving (Bron: Google Earth)

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

9

1.3

Huidige planologische regeling

Ter plaatse van het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' inclusief de herziening 'Buitengebied 2013 (herziening)'. Op het gehele plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch' en de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone ‐ landbouwontwikkelingsgebied'. Agrarisch De bestemming 'Agrarisch' is toegekend aan alle gronden met een agrarisch grondgebruik, waar een aantal algemene landschapswaarden aan de orde zijn, samenhangend met de voorkomende beplanting (singels en houtwallen) en de waterhuishoudkundige structuur. Voor deze aspecten is een beperkt aanlegvergunningenstelsel opgenomen. Reconstructiewetzone ‐ Landbouwontwikkelingsgebied Deze reconstructiewetzone geeft aan dat in aanvulling op de regels uit hoofdstuk 2 binnen agrarische bouwvlakken intensieve veehouderijen zijn toegestaan. Ter plaatse van de projectlocatie bevindt zich geen agrarisch bouwvlak en dus is de gebiedsaanduiding niet relevant voor de ontwikkeling.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkeling en de ruimtelijke inpassing daarvan. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op de verschillende niveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid (maatschappelijk en economisch) van het project besproken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

10

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

11

Hoofdstuk 2

2.1

Projectbeschrijving

Algemeen

De projectlocatie bevindt zich aan de Rumelaarseweg 15 in het buitengebied van de gemeente Woudenberg. In 2008 is ter plaatse een vijver gerealiseerd waarvoor geen vergunningen zijn aangevraagd. Voorheen bestond dit gebied uit onbebouwd agrarisch grasland. Inmiddels is de vijver uitgegroeid tot een klein landschapselement waar zich verschillende ecologische waarden hebben ontwikkeld. De vijver heeft een grootte van circa 3.182 m². Op het diepste punt is de vijver circa 2,50 meterdiep en wordt ondieper richting de oevers. De vijver ligt beschut door de begroeiing rondom. Aan de westelijke zijde van de vijver bevindt zich een bomenrij en rondom de vijver heeft zich op natuurlijke wijze oevervegetatie en struweel ontwikkeld.

Figuur 2.1 ‐ Zicht op gedeelte van de vijver vanaf zuidelijke zijde

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

12

Figuur 2.2 Struweel oostelijke zijde

2.3 ‐ Beschutting van de vijver door twee bomenrijen aan de westelijke zijde van de vijver

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

13

Hoofdstuk 3

3.1

Ruimtelijk beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (barro, 2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het BKL is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Toetsing en conclusie Het NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 ‐ 4 Bro als volgt omschreven: 1. ‐ 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

14

3.

4.

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings‐ of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Toetsing Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Voorliggend plan betreft het planologisch mogelijk maken van een reeds aangelegde vijver; het is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Conclusie Er is geen onderbouwing van de ladder noodzakelijk.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht (vastgesteld d.d. 10 maart 2021) In de Omgevingsvisie van de Provincie Utrecht worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in de provincie Utrecht vastgelegd. In dit document wordt antwoord gegeven op de vraag hoe de provincie eruit moet zien in 2050. Aan bod komen de kwaliteiten van de provincie, de sturingsfilosofie, provinciale belangen en de uitgangspunten voor het beleid. Het beleid is onderverdeeld in de volgende zeven beleidsthema's:  stad en land gezond;  klimaatbestendig en waterrobuust;  duurzame energie;  vitale steden en dorpen;  duurzaam, gezond en veilig bereikbaar;  levend landschap, erfgoed en cultuur;  toekomstbestendige natuur en landbouw. In deze sub paragraaf worden de voor het projectgebied relevante beleidspunten uit de Omgevingsvisie behandeld. Toekomstbestendige natuur en landbouw De natuur, de biodiversiteit en de functies die het ecosysteem heeft staan onder druk. Ook klimaatverandering heft invloed op planten en dieren. De waarde van oude houtopstanden, beleefbare natuur en een groene omgeving wordt belangrijker. De Provincie Utrecht wil een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit ontwikkelen.

Bestaande natuurgebieden (Natura 2000‐gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden tot één samenhangend groot natuursysteem.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

15

Natuur en landbouw leveren, als grootste ‘ruimtegebruikers’ in het landelijk gebied, een belangrijke bijdrage aan maatschappelijke functies zoals een aantrekkelijk en kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied dat beleefd kan worden. De provincie wil zorgen voor ontwikkeling van natuur en het ondersteunen de transitie in de landbouw. Aantrekkelijke landschappen Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom wil de provincie op de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen voortbouwen en deze door ontwikkelen in de provincie. Een landschap is geen statisch plaatje; landschap is altijd in ontwikkeling en elk landschap heeft ruimte voor een vorm van dynamiek. Maar wel op zo’n manier dat de landschapskwaliteit wordt doorontwikkeld en beter beleefbaar wordt, onder andere met behulp van creatieve verbeeldingskracht. In het werken met landschapskwaliteit wordt uitgegaan van een samenspel tussen het beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties). Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten van het landschap. Voor de open landschappen gelden andere principes dan voor de meer gesloten landschappen.

Voor de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen wil de provincie de kernkwaliteiten door ontwikkelen die zijn vastgelegd in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen. Kernrandzone Het kernrandzonebeleid maakt deel uit van het beleid voor rood‐voor‐groen in het landelijk gebied van de provincie Utrecht. Rood‐voor‐groen kan ingezet worden als er sprake is van een kwalitatieve opgave waar bijvoorbeeld omzetting van landbouwgrond naar groene functies gewenst is. Bescherming en ontwikkeling leefgebieden van bedreigde flora en fauna De provincie richt zich op de Utrechtse aandachtsoorten en stimuleren maatregelen ter verhoging van de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het NNN, en ook in het stedelijk en agrarisch gebied. Gebieden waar aandachtsoorten geconcentreerd voorkomen zijn globaal als 'natuurparels' aangeduid in de Natuurvisie. Het grootste deel van de Utrechtse aandachtsoorten leeft in het NNN. Enkele natuurparels liggen in het stedelijk gebied. Daarnaast bezitten ook sommige wateren hoge natuurwaarden (‘waterparels’). Toetsing De eigenaar van het perceel is in 2002 gestart met de ontwikkeling van de vijver. Sinds 2009 staat er een aanzienlijke hoeveelheid water in en heeft het zich in de loop van de tijd ontwikkeld tot ruim 3.182 m² natuur. Het projectgebied is gelegen binnen de Gelderse Vallei in een landschap dat gekenmerkt wordt door mozaïek‐achtige structuren.

In de landschappelijke onderbouwing (zie Bijlage 1) wordt uitgebreid aandacht besteed aan het landschap, de historie en de structuren van het landschap waarin het projectgebied gelegen is. De gronden waren voorheen grasland en bestemd voor grondgebonden landbouw. Kleinschalige natuur‐ en landschapsontwikkeling in agrarisch gebied sluit aan bij de ambitie van de provincie om in de komende jaren te zorgen voor, en bij te dragen aan natuur‐ en landschapsontwikkeling. Het betreft een nieuwe groene functie in de kernrandzone van Woudenberg, waarbij de omliggende gronden in agrarisch gebruik blijven. Verder wil de provincie zich voor wat betreft de ecologische waarden richten op Utrechtse aandachtssoorten bij het beschermen en ontwikkelen van leefgebieden. In het ecologisch natuurwaardenonderzoek dat in februari 2022 is uitgevoerd (zie Bijlage 4) worden de potentieel ecologische waarden van de vijver beschreven, alsook de soorten die potentieel voorkomen in en rondom de vijver.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

16

De Utrechtse aandachtsoorten waarvoor de vijver potentieel een functie zou kunnen vervullen zijn opgenomen in de volgende tabel. Tabel 3.1 ‐ Utrechtse aandachtssoorten die potentieel voorkomen in en rondom de vijver (Bron: Natuurwaardenonderzoek E.C.O.‐logisch) Soort/soortgroep Functies Bescherming Wnb Mogelijk aanwezig in: Kamsalamander Voortplantingsbiotoop Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Vijver en verblijfplaats Poelkikker Voortplantingsbiotoop Artikel 3.10 (Wnb, bijlage Vijver A) Platte schijfhoren Functioneel leefgebied Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Vijver Vleermuizen Fourageergebied Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Vijver en groenstructuren Algemene amfibieën Functioneel leefgebied Artikel 3.10 (Wnb, bijlage Vijver en A) groenstructuren Algemene libellen en Functioneel leefgebied Artikel 3.10 (Wnb, bijlage Oevervegetatie juffers A) Algemene vissen Functioneel leefgebied Artikel 3.10 (Wnb, bijlage Vijver A) Algemene vlinders Functioneel leefgebied Artikel 3.10 (Wnb, bijlage Bomen en struweel A) Algemene zoogdieren Functioneel leefgebied Artikel 3.10 (Wnb, bijlage Groenstructuren A) Conclusie De ontwikkeling van de vijver sluit aan bij de ambities van de provincie voor natuur‐ en landschapsontwikkeling in het mozaïeklandschap van de Gelderse Vallei. Daarnaast biedt de vijver potentieel leefgebied voor soorten die opgenomen zijn in de lijst van Utrechtse aandachtssoorten.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (vastgesteld d.d. 10 maart 2021) De interim omgevingsverordening is een tijdelijke omgevingsverordening die op 1 april 2021 in werking is getreden en loopt totdat de Omgevingswet van kracht is en de omgevingsverordening in werking treedt. Dit document bevat o.a. direct werkende regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. In deze sub paragraaf worden de relevante regels in het projectgebied getoetst aan deze ontwikkeling. Artikel 7.9 Instructieregel landschap 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Toetsing

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

17

De aangelegde vijver betreft een kleinschalige natuur‐ en landschapsontwikkeling die gelegen is binnen agrarisch bestemde gronden in de Gelderse Vallei. De omliggende gronden blijven in agrarisch gebruik. Het agrarisch gebruik en de ontwikkeling van de landbouw wordt niet belemmerd door de vijver. In de landschappelijke onderbouwing die bijgevoegd is in Bijlage 1 is de ontwikkeling uitgebreid getoetst aan de kernkwaliteiten van het landschap. Conclusie Het ontwikkelen van een vijver is passend binnen het landschap van de Gelderse Vallei. Er wordt voldaan aan de voor de ontwikkeling relevante regels uit de Interim Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Woudenberg 2030 (vastgesteld d.d. 24 januari 2019) In de structuurvisie van Woudenberg beschrijft de gemeente hoe Woudenberg tot en met 2030 een vitale gemeente blijft met een veelzijdig en multifunctioneel buitengebied. Burgers, ondernemers en recreanten willen ook in de toekomst goed en plezierig wonen, werken en verblijven in Woudenberg. Het is daarom van belang dat Woudenberg een aantrekkelijke gemeente blijft. Het veelzijdige buitengebied en het rustige woon‐ en leefklimaat zijn allesbepalend. Landschapstypologie Op basis van de ondergrond en de ontginning van het landschap zijn er twee landschapstypen te onderscheiden:  Slagenlandschap;  Kampenlandschap. In de structuurvisie is aangegeven dat het projectgebied is gelegen in het kampenlandschap. Het kampenlandschap bevindt zich ten zuiden van Woudenberg en is herkenbaar aan onregelmatige kavelvormen en houtwallen. In het Landschap ontwikkelingsplan Gelderse Vallei wordt dit aangeduid als diffuus kampenlandschap omdat het kenmerkende karakter niet meer duidelijk aanwezig is.

Figuur 3.1 ‐ Landschap en groen kaart uit de Structuurvisie met plangebied aanduiding (zie rode cirkel) Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

18

Ook wordt het projectgebied aangewezen als Landbouwontwikkelinggebied (LOG) met natuur en landschapsbeheer. Dit gebied is bestemd voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Goede productieomstandigheden, productiemogelijkheden en innovatiekracht geven hier de landbouw het noodzakelijke blijvend economisch perspectief. Daarnaast wordt in dit gebied gestreefd naar een versterking van het groen‐ en landschapsbeheer, voor zover dit de ontwikkeling van de intensieve veehouderij niet belemmert. De zorg voor natuur en landschap kan een bredere basis bieden voor het agrarisch bedrijf.

Figuur 3.2 ‐ Economie kaart uit de Structuurvisie met plangebied aanduiding (zie rode cirkel) Toetsing De structuurvisie van de gemeente Woudenberg beschrijft voor de ontwikkeling voornamelijk relevante aspecten ten aanzien van het agrarische landschap waarin de vijver gelegen is. De vijver vormt geen belemmering voor de (ontwikkeling van de) omliggende agrarische gronden. In de landschappelijke onderbouwing die opgenomen is in Bijlage 1 wordt uitgebreid aandacht besteed aan de landschappelijke historie, structuren en kwaliteiten van de projectlocatie en haar omgeving. In deze onderbouwing wordt ook getoetst aan het Landschappelijk ontwikkelingsplan Gelderse Vallei. Conclusie De ontwikkeling van een vijver wordt passend geacht op basis van de landschappelijke onderbouwing. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van een vijver.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

19

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Archeologie & Cultuurhistorie

Toetsingskader Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Archeologie Het westelijke gedeelte van het projectgebied kent in het vigerende bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 2'.

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk voor bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2, voor bouwwerken die zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst of voor bouwwerken die zonder heien kunnen worden geplaatst. Omdat het gedeelte van het plangebied dat voorzien is van de dubbelbestemming niet groter is dan 100 m2, is archeologisch onderzoek niet nodig. Archeologische waarden worden dan niet aangetast en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Cultuurhistorie In het projectgebied komen geen specifieke cultuurhistorische waarden voor. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

20

4.2

Bodemkwaliteit

Beleid en Normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Onderzoek en conclusie De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een Beekeerdgrond (pZF21), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Op basis van boringen uit het archief van TNO3 blijkt dat de bodem in de omgeving van de projectlocatie te zijn opgebouwd uit zeer fijn tot matig fijn. Lokaal komen tussen 3 en 4 meter beneden maaiveld kleien leemlagen voor. De ontwikkeling betreft geen milieugevoelige functie. Het aspect bodem vormt geen belemmering.

4.3

Ecologie

Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Zuid‐Holland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura‐2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

21

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.

De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied is tevens niet gelegen binnen Natura 2000‐gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied is gelegen op circa 8,3 kilometer en betreft het gebied 'Kolland & Overlangbroek' (figuur 3.1). Het projectgebied is verder niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland, het dichtstbijzijnde onderdeel bevindt zich op circa 670 meter ten zuiden van de projectlocatie (figuur 3.2).

Figuur 3.1 Natura 2000‐gebieden ten opzichte van het projectgebied (rood omcirkeld) (Aerius Calculator)

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

22

Figuur 3.2 Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Utrecht) Het projectgebied is gelegen op circa 8,3 afstand van het Natura 2000‐gebied 'Kolland & Overlangbroek'. Door de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 geldt er voor de realisatiefase een vrijstelling voor de bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie. Onder de vrijstelling valt onder andere het bouwen en slopen van een bouwwerk en de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden. Dit zijn ook de bronnen waar emissies te verwachten te zijn in de realisatiefase van de beoogde ontwikkeling. Omdat voor deze werkzaamheden een vrijstelling geldt, is een berekening voor de realisatiefase niet nodig. In de gebruiksfase is er geen sprake van emissie, gezien het om de ontgronding van waterpartijen gaat. Voor de gebruiksfase is derhalve geen berekening noodzakelijk. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000‐gebied op het gebied van stikstof kunnen daarmee worden uitgesloten. Negatieve effecten kunnen hiermee voor het aspect gebiedsbescherming uitgesloten worden. Soortenbescherming Voor de vijver is onderzocht wat de natuurwaarden van deze vijver zijn en welke potentie de vijver heeft voor beschermde soorten, zie bijlage 4.

Hierna wordt een samenvatting van dit onderzoek gegeven. Het projectgebied biedt functies voor verschillende soorten zoogdieren. De vijver is mogelijk een essentieel foerageergebied voor vleermuizen. De stenenhoop kan gebruikt worden als verblijfplaats voor de steenmarter en kleine marterachtigen. De oevervegetatie biedt geschikt habitat voor de aardmuis, dwergmuis en dwergspitsmuis. In de groenstructuren rond de vijver kunnen overige zoogdieren voorkomen, zoals de egel, haas, konijn en de vos. De vijver en de groenstructuren bieden geschikt foerageergebied voor de ringslang. Wegens het ontbreken van broeihopen kan er in de huidige situatie geen voortplanting van de ringslang plaatsvinden in het projectgebied. De vijver in het projectgebied biedt geschikt habitat voor verschillende soorten amfibieën. De vijver kan fungeren als voortplantingswater voor de alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en de poelkikker. In de omgeving van de vijver zijn voldoende mogelijkheden om te overwinteren voor deze soorten amfibieën. In het projectgebied kunnen verschillende soorten broedvogels worden verwacht. Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

23

De oevervegetatie biedt mogelijk nestlocaties voor onder andere de grauwe gans, karekiet, knobbelzwaan, kuifeend, meerkoet, rietzanger en de wilde eend. De overige groenstructuren bieden mogelijke nestlocaties voor de ekster, koolmees, pimpelmees en de zwarte kraai. De rietvegetatie kan worden gebruikt als foerageergebied door onder andere de huismus. In het broedseizoen kan deze een belangrijke bijdrage leveren aan het aandeel dierlijk voedsel dat in deze periode voor de kuikens benodigd is. De oevervegetatie biedt geschikt foerageergebied voor de bruine kiekendief, roerdomp en de grote zilverreiger. De oevervegetatie van de vijver in het projectgebied biedt geschikt habitat voor verschillende soorten dagvlinders zoals het boomblauwtje, elzenuil en de gehakkelde aurelia. Daarnaast biedt oevervegetatie geschikt habitat voor juffers en libellen zoals de azuurwaterjuffer, gewone oeverlibel, glazenmakers, lantaarntje, platbuik en de vuurjuffer. De oevervegetatie biedt tevens geschikt habitat voor waterslakken zoals de platte schijfhoren, riempje, vlakke schijfhoren en de witte schijfhoren. Hiermee kunnen negatieve effecten vanuit het aspect soortenbescherming uitgesloten worden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt door de kleinschaligheid niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden.

Door de geschiktheid van de vijver kan er gesproken worden van een positief effect met betrekking tot soortenbescherming. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.4

Externe veiligheid

Toetsingskader externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

24

Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast betreft de vijver geen (beperkt) kwetsbare object. Er hoeft niet getoetst te worden aan het aspect externe veiligheid, dit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.5

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;  defensie brandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

25

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:  ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.

Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit een vijver. Dit betreft geen milieuhinderlijke of milieugevoelige functie. Toetsing aan het aspect bedrijven en milieuzonering is derhalve niet noodzakelijk. Omliggende bedrijven worden niet beperkt door de beoogde ontwikkeling. Op de locatie kan een goed verblijfsklimaat worden gegarandeerd. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings‐ praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³

Fijnstof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

Rho adviseurs voor leefruimte

Uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24‐uurgemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

20211466.001

26

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht;  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De ontwikkeling bestaat uit een vijver. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Randweg ten noorden van het projectgebied (meetpunt ligt ten westen van het projectgebied, zie figuur 3.3).

Uit de NSL‐monitoringskaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020; 16,6 µg/m3 voor NO2, 17,1 µg/m3 voor PM10 en 9,2 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het projectgebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

Figuur 3.3 Uitsnede NSL‐monitoringstool met het maatgevende punt rood omcirkeld en het projectgebied zwart omkaderd Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied. Ter plaatse van het projectgebied is sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

27

4.8

Verkeer en parkeren

Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Onderzoek en conclusie Een vijver heeft geen verkeersaantrekkende werking en ook is er geen sprake van een parkeerbehoefte. Tijdens het aanleggen is er sprake van een tijdelijke toename van licht en zwaar verkeer. De ontwikkeling leidt echter niet tot een permanente verandering op het gebied van verkeer en parkeren. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.9

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Vallei & Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan, wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Omgevingsplan  Omgevingsvisie  Omgevingsverordening Waterschapbeleid Het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe is het Blauw Omgevingsprogramma 2022‐2029 genaamd.

De doelen hiervan zijn samen met de partners van het waterschap met de Blauwe Omgevingsvisie 2050 als vertrekpunt. Daarbij is rekening gehouden met de wettelijke taken van het waterschap: waterveiligheid en schoon en voldoende oppervlaktewater.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

28

De BOP‐doelen zijn gecategoriseerd in vijf onderwerpen: waterveiligheid, watersysteem, wonen en zuiveren, circulaire economie en energietransitie.  Waterveiligheid: Bij het op orde houden en brengen van de waterkeringen houden zij rekening met andere functies en waarden op en aan de dijk, zoals natuur en biodiversiteit, ruimtelijke kwaliteit en recreatie. Daarbij werken zij samen met inwoners en gebiedspartners.  Watersysteem: Er wordt gewerkt aan een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond‐ en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Meer focus op ecologie en waterkwaliteit en de toenemende vervlechting van functies vraagt om een kijk op waterbeheer.  Wonen en zuiveren: Hier valt het hele proces onder van het verwerken van (extreme) neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. In het stedelijk gebied houden ze water zoveel mogelijk lokaal vast en infiltreren het in de bodem door meer groen en water in de stad. Deze klimaatadaptatie bevordert de biodiversiteit en draagt bij aan het waterbewustzijn en het verhogen van de leefbaarheid. In samenwerkingsverbanden met gemeenten wordt gewerkt aan uitvoeren van klimaatadaptieve maatregelen en het verbeteren van het huidige watersysteem en rioolstelsel.

Ze werken aan het efficiënt onderhouden, optimaliseren en verduurzamen van bestaande installaties en streven naar circulariteit door terugwinning van energie en grondstoffen.  Circulaire economie: Waterschap Vallei en Veluwe wil in 2050 volledig circulair zijn. Ze dragen daarin actief bij aan de transitie naar een regionale, circulaire economie. Het Beleidskader Circulaire Economie is hierbij het vertrekpunt. Dat betekent een omwenteling in de manier waarop we omgaan met grondstoffen, samenwerkingen en onze leefomgeving.  Energietransitie: Het waterschap is het eerste energieneutrale waterschap in Nederland. In 2050 winnen we al onze energie uit hernieuwbare bronnen en is de CO2‐uitstoot met 95 procent verminderd. Nu streven ze naar een klimaatpositieve bijdrage aan onze leefomgeving. Daarmee bedoelen ze dat ze de uitstoot van broeikasgassen minimaliseren, compenseren en/of opslaan in bodem of biomassa. Duurzaam denken en doen zit in ons DNA en is onderdeel van iedere opdracht. Ze leggen verbindingen, inspireren en enthousiasmeren om onze Europese en nationale klimaatdoelen en BOVI‐doelen te realiseren. Onderzoek De locatie bevindt zich in het beheersgebied van waterschap Vallei en Veluwe. Door Econsultancy is een geohydrologische quickscan uitgevoerd, zie Bijlage 3. Hierna worden de conclusies van het onderzoek weergegeven.

Algemeen De projectlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings‐, grondwaterwin, attentiegebied of boringsvrijezone. Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de projectlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 3,80 m +NAP (0,5 tot 0,7 m ‐mv) en de Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) op 3,0 m +NAP (1,3 tot 1,5 m ‐mv). Ten tijde van de hoogtemeting van de plas en het aangrenzend terrein4, is op 10 juli 2019 in de vijver een waterpeil gemeten op 2,97 m +NAP. Deze waarneming is overeenkomstig met de GLG. Oppervlaktewater Op de leggerkaart van waterschap Vallei en Veluwe zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Ten zuiden van de vijver, aangrenzend aan de aanwezige bebouwing, is B‐watergang 'De Dodestoksloot' (OWL‐42686) gelegen. Aan de noordoostzijde wordt de Dodestoksloot getypeerd als een A‐watergang met code WL_18390. De dichtstbij gelegen A‐watergang is gelegen op een afstand van meer dan 100 meter.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

29

Vijver Op 10 juli 2019 is door Meetlab bv een hoogtemeting uitgevoerd van de vijver en het aangrenzend terrein. De meting is verricht met GPS met basisstation in RTK mode (cm nauwkeurigheid). De grondslag is bepaald door inbellen met 06‐GPS. Op basis van de inmeetgegevens is aan de hand van gegeven uit het Actueel Hoogtebestand Nederland t.o.v. van de situatie 2002 de inhoud van vijver berekend. Uit de inmeting blijkt dat de vijver op het diepste punt op 1,35 à 1,40 m +NAP is gelegen. Dit komt ten opzichte van maaiveld overeen met een diepte van circa 3,0 m. Ten opzichte van de GHG bedraagt de waterdiepte circa 2,45 m. De vijver heeft onder normale neerslagomstandigheden zowel in de zomer als in de winter geen afvoer. Effecten op de omgeving Door de aanleg van een vijver kunnen effecten op de grondwaterstand ontstaan. Er is sprake van tijdelijke effecten tijdens de aanleg en permanente effecten. Tijdelijke effecten kunnen ontstaan doordat door het weggraven van grond water moet toestromen. Permanente effecten die na aanleg van de vijvers kunnen ontstaan zijn een gevolg van:  Het afvlakken van de oorspronkelijke grondwaterstand. De vijver zal bovenstrooms het grondwater draineren en benedenstrooms zal water weer infiltreren naar het grondwater.  Het weggraven van een slecht doorlatende laag.

Afhankelijk van of het een infiltratie of drainage situatie betreft zal het peil in de vijver dan lager of hoger worden dan de oorspronkelijke grondwaterstand.  Doordat de vijver open water bevat zal de verdamping groter zijn dan de oorspronkelijke verdamping. Afvlakken grondwaterstand Op de locatie is het verhang noordwestelijk gericht en wordt de orde van grote op basis van isohypsekaarten en peilbuisgegevens van TNO over een afstand van 100 meter ingeschat op ca. 0,001 meter. Omdat in deze situatie sprake is van een zeer gering verhang in het grondwater is de verandering in het grondwater als gevolg van de vijver nihil. Weggraven slecht doorlatende laag Uitgaande van een diepte van maximaal 3,0 meter is de bodem van de vijver boven de in het gebied voorkomende kleilaag gelegen die lokaal tussen de 3 en 4 meter beneden maaiveld kunnen voorkomen. De bodem van de vijver ligt boven de lokaal aanwezige storende kleilagen. Er zijn geen scheidende lagen doorbroken. Verdamping Verdamping van water uit een vijver kan een effect kan hebben op de omgeving. Op basis van literatuurgegevens is een berekening gemaakt van het te verwachtte effect. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de openwaterverdamping gedurende zomermaanden gelijk is aan de referentiegewasverdamping. Als gevolg van openwaterverdamping zijn er derhalve geen significante effecten te verwachten op de omgeving.

Een eventuele invloedssfeer zal zeer beperkt zijn en voornamelijk binnen de grenzen van het eigen terrein vallen. Hiermee kunnen negatieve effecten uitgesloten worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

30

Veiligheid en waterkeringen De locatie ligt niet binnen een beschermingszone van een primaire‐ of een regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering In de huidige en toekomstige situatie is het projectgebied niet aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.10

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/h‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De gemeente Krimpenerwaard hanteert bij het vaststellen van hogere waarden eigen geluidbeleid, zoals vastgelegd in de Beleidsregel Hogere waarden regio Midden‐Holland d.d. 8 oktober 2018. De meest relevante voorwaarde voor het verlenen van hogere waarden is dat bij woningen waar sprake is van een geluidbelasting hoger dan 53 dB, de woning ten minste één geluidluwe gevel dient te hebben (gevel waar de geluidbelasting niet hoger is dan 48 dB) en dat ten minste één buitenruimte aan de geluidluwe gevel is gesitueerd. Onderzoek De ontwikkeling van een vijver is geen geluidgevoelig object. Tevens produceert het, afgezien tijdens het aanleggen, geen geluidhinder. Graafmachines en een tijdelijke toename van vrachtverkeer naar het projectgebied kunnen voor geluidhinder zorgen. De werkzaamheden zijn echter van tijdelijke aard. Het aspect geluid van wegverkeer staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.11

M.e.r.‐beoordeling

Toetsingskader In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.‐beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet worden beoordeeld of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, geldt een m.e.r.‐plicht. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.‐beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' opgenomen met een drempelwaarde van 100 hectare of 2000 of meer woningen. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is mede afhankelijk van de aard en omvang van het project en het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

31

Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D (onderdeel D16.1) opgenomen dat de ontginning ‐ dan wel wijziging of uitbreiding ‐ van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van meer dan 12,5 hectare. De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een terrein van circa 0,67 hectare en blijft daarmee onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.‐beoordeling'. Dit document is opgesteld en toegevoegd in Bijlage 5. In de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het project leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

32

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

33

Hoofdstuk 5

5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling betreft een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom bij de initiatiefnemer. De kosten voor de ontwikkeling zijn reeds door de initiatiefnemer gedragen. Deze beschikte over voldoende financiële middelen om de ontwikkeling te kunnen realiseren. Bij het doorlopen van de uitgebreide procedure wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Terinzagelegging De ontwerp‐omgevingsvergunning, inclusief bijbehorende ruimtelijke onderbouwing, wordt gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze kenbaar te maken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

34

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

BIJLAGEN

Bijlage 1 Landschappelijke onderbouwing

Rho adviseurs voor leefruimte

20211466.001

LANDSCHAPPELIJKE ONDERBOUWING RUMELAARSEWEG 15, WOUDENBERG

HART VAN DE OPGAVE

PM • Position paper • Stad en ommeland • Leeuwarden 2028 DATUM: 28-06-2022 • Behoefte aan een omgevingsvisie PROJECT: LANDSCHAPPELIJKE ONDERBOUWING RUMELAARSEWEG 15 die L helpt bij het maken van keuzes OPDRACHTGEVER: DAMMERS BEHEER • Bewuste keuze voor die relatief PROJECTNUMMER: 20211466 korte termijn, mede bepaald door STATUS: CONCEPT de uitkomsten van het lopende project LF2028 • Panorama 2028 [Herald] Visie op compleetheid van de positionpaper: de aanzet met drie lagen leefomgeving, samenleving, economie en de koppeling met de Global Goals biedt een interessant kader. Ik denk dat het onderdeel economie nog het minst geladen is met waarden en teveel associeert met de ‘oude’ begrippen van verdienen, groei, bereikbaarheid etc.. Leidraad voor de visie zou de waarde kunnen zijn en het onderscheidende in plaats van het op de kaart zetten en place to be mantra. Toerisme is bijvoorbeeld zoiets. Dit is een economische factor ook in de toekomst maar we moeten niet denken in aantallen [met alle problemen van dien] maar in onderscheidend aanbod op basis van waarden [rust, weidsheid, splendid isolation]. Een sterke economie is gebaseerd op een sterke identiteit en daar liggen de kansen voor de toekomst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1701/documents/42278