CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

05.d John F. Kennedylaan 6_TOELICHTING.pdf

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken21.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet benodigd. De maatregel met betrekking tot vleermuizen wordt in acht genomen. 4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Met voorliggend initiatief wordt het bestaande schoolgebouw, inclusief het omliggende schoolplein, uitgebreid in noordelijke richting. Er wordt een gebruik ten behoeve van onderwijs toegestaan op gronden die momenteel een functie ten behoeve van verkeer/parkeren kennen. Derhalve is een bodemonderzoek noodzakelijk.

John F. Kennedylaan 6

30

4.2.2

Onderzoek

In 2023 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de John F. Kennedylaan e.o. (Bijlage 5). De resultaten en conclusies in het onderzoek zijn als volgt samen te vatten: Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie onderverdeeld in deellocaties. Dit betreft deellocatie A en deellocatie B. Deellocatie A betreft de locaties van voormalige sloten. Deellocatie B omvat het gehele terrein met een oppervlakte van circa 1.900 m2. Conclusie deellocatie A: voormalige sloten Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem mogelijk diffuus verontreinigd is met één of enkele parameters uit het standaardpakket grond (met een heterogeen karakter op schaal van monsterneming) en daarom de hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' geldt. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn in geen van de verrichte boringen waargenomen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een mogelijke bodemverontreiniging. Er zijn geen duidelijke kenmerken waargenomen die kunnen duiden op een mogelijke voormalige sloot/watergang (dempingsmateriaal of slib). Gemiddeld is van 0,5 tot 0,7 m-mv een zwak humeuze bodemlaag aanwezig. Dit betreft een restant van de voormalige humeuze bovengrond of de bodem van een voormalige sloot. Deze bodemlaag is dan ook afzonderlijk geanalyseerd.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de hiervoor genoemde humeuze bodemlaag en de niet humeuze bodemlaag hieronder geen verhogingen boven de achtergrondwaarde zijn aangetoond. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdacht, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld' kan worden herschreven naar 'onverdachte locatie'. Conclusie deellocatie B: overig onverdacht terrein Op basis van het vooronderzoek is aangenomen dat de bodem van het overig terrein niet of slechts licht verontreinigd is en derhalve de hypothese 'onverdacht' geldt. Tijdens het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen kenmerken waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een mogelijke noemenswaardige bodemverontreiniging. Analytisch is in de humeuze bodemlaag van de onderzoekslocatie een lichte verhoging aan lood aangetoond. Deze verhoging is niet verontrustend en geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. Verder zijn in de grond geen verhogingen boven de achtergrondwaarde aangetoond. In het grondwater is een lichte verhoging aan barium aangetoond. Deze verhoging is waarschijnlijk van nature in het grondwater aanwezig en geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. Verder zijn geen van de geanalyseerde parameters aangetoond boven de streefwaarde. Ondanks de enkele lichte verhoging wordt dat de hypothese 'onverdacht' bevestigd.

De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn namelijk niet verontrustend en geven geen aanleiding tot nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit is afdoende bekend. Aanbevelingen De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor verlening van een omgevingsvergunning (bouwen) en het voorgenomen gebruik van de locatie. De milieuhygiënische bodemkwaliteit speelt een rol bij grondverzet. Voor de grond geldt dat dit mag worden hergebruikt op het perceel. Indien de grond verplaatst wordt naar een locatie elders, moet dit worden gemeld bij het Meldpunt bodemkwaliteit (https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl) en gelden samenstellingseisen met betrekking tot verschillende mogelijkheden voor hergebruik conform het Besluit bodemkwaliteit en de regionale Nota Bodembeheer. Wanneer verplaatsing van de grond niet mogelijk is, wordt aanbevolen de grond af te voeren naar een grondbank of een erkend verwerker (eventueel) op basis van een indicatieve kwaliteitsbepaling van de grond.

John F. Kennedylaan 6

31

4.2.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief. Er zullen geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit ter plaatse van het plangebied. 4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2

Cultuurhistorie

De bebouwing binnen het plangebied is niet aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Ook de directe omgeving geldt niet als cultuurhistorisch waardevol. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren. 4.3.3

Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Het plangebied kent op basis van het geldende bestemmingsplan geen dubbelbestemming 'Waarde Archeologie'. Dit houdt in dat de gronden niet mede bestemd zijn voor het beschermen en het behouden van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Verder toetst de gemeente Woudenberg initiatieven aan de archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart geldt voor het hele plangebied een lage archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlakte groter dan 10.000 m2.

John F. Kennedylaan 6

32

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met plangebied rood omlijnd Omdat de bodemingrepen de onderzoeksgrens van 10.000 m2 niet overstijgen, is archeologisch onderzoek niet benodigd. Bij de uitvoering van het plan zijn de archeologische belangen niet in het geding. 4.3.4

Conclusie

Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast. Voorts vindt de ontwikkeling weliswaar plaats in een gebied met een lage archeologische verwachting, maar is archeologisch onderzoek in dit geval niet noodzakelijk. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief. 4.4

Verkeer en parkeren

Zowel vanuit de ruimtelijke ordening als vanuit verkeer en vervoer is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand worden eerst de mobiliteitseffecten in beeld gebracht. Vervolgens volgt een overzicht van het parkeren. 4.4.1

Verkeer

Ontsluiting gemotoriseerd verkeer Het plangebied ligt in de oksel van de De Bosrand en de John F. Kennedylaan. Via de John F. Kennedylaan kan in oostelijke richting de N226 worden bereikt die in noordelijke richting naar Amersfoort leidt en in zuidelijke richting naar de N224 en de autosnelweg A12. De Bosrand wordt onder meer gebruikt als toegangsweg richting de gemeentewerf en richting sport- en cultureel centrum De Camp. Zowel de John F. Kennedylaan als De Bosrand zijn erftoegangswegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/u. De N226 heeft ter hoogte van de kern Woudenberg een maximumsnelheid van 50 km/u. In de doodlopende straat De Maat wordt 'de knip' verplaatst. De huidige 'knip' in De Maat bevindt zich bij de aansluiting op de John F. Kennedylaan. Deze 'knip' wordt opengemaakt en komt in de beoogde

John F. Kennedylaan 6

33

nieuwe situatie aan de andere zijde bij de aansluiting op De Bosrand. Hiermee wordt onder meer voorkomen dat verkeer voor de school gaat parkeren op De Maat in plaats van op de parkeerplaats bij De Camp. Ontsluiting milieustraat In paragraaf 2.3 is toegelicht op welke wijze de omliggende openbare ruimte wordt heringericht. De toegang tot de milieustraat is hierin van belang. In verband met de wijzigingen in de omliggende openbare ruimte is ervoor gekozen om de hoofdtoegang van de milieustraat circa 25 meter in westelijke richting te verplaatsen. Dit komt ten goede aan de verkeersveiligheid en de directe leefomgeving, mede doordat hierdoor ruimte ontstaat om auto's op het eigen terrein van de milieustraat te laten wachten. Hiervoor wordt op eigen terrein een voorziening getroffen. In de huidige situatie ontstaat er op piekmomenten nog een wachtrij in De Maat / De Bosrand. Ontsluiting langzaam verkeer Kenmerkend voor het verblijfsgebied rond de basisschool De Olijfboom is het fijnmazige stelsel van wegen, routes en paden voor voetgangers en fietsers. In westelijke en zuidelijke richting wordt het fietsverkeer, conform de inrichting van Duurzaam Veilig Wegverkeer, gemengd afgewikkeld. Het fietsverkeer maakt gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerde verkeer.

In oostelijke richting, naar de N226, is er sprake van een separaat fietspad gescheiden van het gemotoriseerde verkeer. Op de naast de N226 gelegen parallelweg liggen fietssuggestiestroken. Waar geen parallelweg aanwezig is zijn er fietspaden. Ontsluiting openbaar vervoer Er is een bushalte gesitueerd aan de N226 ter hoogte van de Middenstraat. Deze halte ligt op een acceptabele loopafstand van circa 500 meter van de basisschool. Deze halte wordt bediend door een busdienst die Amersfoort via Leusden, Woudenberg, Scherpenzeel en Renswoude met Station Veenendaal-de Klomp verbindt. Verkeersgeneratie De exacte verkeersgeneratie bij kindfuncties is moeilijk te bepalen. Het aantal kinderen dat met de auto wordt gebracht en opgehaald is sterk afhankelijk van verschillende externe factoren zoals weersomstandigheden, het haal- en brengbeleid van de school en de agenda van ouders (gaan ze bijvoorbeeld meteen door naar hun werk). Uit onderzoek in opdracht van het Kennisprogramma Verkeer en Vervoer (KpVV) blijkt dat gemiddeld 1/3 deel van de kinderen in Nederland met de auto naar school wordt gebracht. Uitbreiding De beoogde uitbreiding voorziet (onder meer) in 7 extra leslokalen. Uitgaande van een gemiddeld aantal van 25 leerlingen per klas, voorziet de uitbreiding in een toename van de capaciteit van 175 leerlingen.

Daarnaast geldt als uitgangspunt dat het aantal medewerkers met (maximaal) 10 zal toenemen als gevolg van de beoogde uitbreiding. Uitgaande van bovenstaande uitgangspunten wordt gesteld dat bij de (maximale) uitbreiding met 175 leerlingen circa 59 leerlingen met de auto worden gebracht en gehaald. Dit leidt derhalve tot 236 extra verkeersbewegingen per etmaal ('s ochtends heen en terug en 's middags heen en terug). Daarbij is van belang dat basisschool De Olijfboom een continurooster kent, waardoor er éénmaal per dag sprake is van brengen en éénmaal per dag sprake is van halen. Daarnaast leidt de toename van het aantal medewerkers worst case tot 20 extra verkeersbewegingen per etmaal. In totaal leidt de beoogde uitbreiding daarmee tot een toename van circa 256 verkeersbewegingen per etmaal. De helft van het totaal aantal verkeersbewegingen vindt aan het begin van de schooldag plaats en de andere helft aan het einde van de schooldag. Daarnaast staan er aan de oostzijde van het schoolgebouw al sinds enkele jaren twee noodlokalen die in de toekomst weer worden verwijderd. In die zin gaat het ten opzichte van de feitelijke situatie per saldo om een toevoeging van 5 extra leslokalen. Met inachtneming van het voorgaande en met inachtneming van de capaciteit van de omliggende

John F. Kennedylaan 6

34

erftoegangswegen, heeft de toename een verantwoord effect op de verkeerssituatie ter plaatse. Totaal In de huidige situatie kent basisschool De Olijfboom 326 leerlingen (peildatum 1 februari 2023). Daarnaast bestaat het team uit circa 44 medewerkers. Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten kan worden gesteld dat in de huidige situatie circa 109 leerlingen met de auto worden gebracht en gehaald. Dit leidt derhalve tot 436 verkeersbewegingen per etmaal ('s ochtends heen en terug en 's middags heen en terug). Met inachtneming van het feit dat een deel van de medewerkers met de auto zal komen, kan redelijkerwijs worden uitgegaan van circa 500 verkeersbewegingen per etmaal. In combinatie met de beoogde uitbreiding genereert basisschool de Olijfboom in totaal circa 750 verkeersbewegingen per etmaal. Het CROW hanteert als richtlijn dat intensiteiten tussen de 5.000 en 6.000 motorvoertuigen per etmaal in gebieden met een snelheidslimiet van 30 km/uur als het maximale toelaatbare worden beschouwd. Boven deze waarden komt de (verkeers)leefbaarheid te sterk onder druk te staan. Opgemerkt dient echter te worden dat de maximaal aanvaardbare intensiteit tevens afhankelijk is van de omgevingskenmerken.

Voor woonstraten met een prominente verblijfsfunctie, zoals erftoegangswegen van type II, geldt een aanzienlijk lager maximum, waarbij gedacht moet worden aan intensiteiten van maximaal 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van etmaalintensiteiten die zijn verstrekt door de gemeente Woudenberg bedraagt de verkeersintensiteit in 2033 op de John F. Kennedylaan circa 900 motorvoertuigen per weekdag. Voor De Bosrand en De Maat bedraagt dit respectievelijk circa 750 en circa 320 motorvoertuigen per weekdag. In deze cijfers zit de huidige situatie van basisschool De Olijfboom al verdisconteerd. Met de voorgaande berekende intensiteiten wordt ruimschoots voldaan aan de eerder genoemde richtlijnen. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. 4.4.2

Parkeren

De parkeerbehoefte van een basisschool bestaat uit de parkeerbehoefte van medewerkers en de parkeerbehoefte voor het halen en brengen van de leerlingen. Aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' kan inzicht worden verkregen in de parkeersituatie. Het CROW hanteert per leslokaal de volgende parkeerkencijfers: minimaal 0,5 en maximaal 1 parkeerplaats. Dit resulteert derhalve in een parkeerbehoefte van maximaal 7 parkeerplaatsen als gevolg van de beoogde uitbreiding. In de beoogde nieuwe situatie zal er in totaal sprake zijn van 20 leslokalen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de huidige twee noodlokalen in de toekomst weer worden verwijderd. Voor de basisschool De Olijfboom als geheel geldt derhalve een totale parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen. De parkeerkencijfers van het CROW zijn exclusief kiss & ride voor het halen en brengen van leerlingen. Voor de 59 leerlingen die extra met de auto worden gebracht, en in totaal 168 leerlingen die met de auto worden gebracht (109 + 59), moet eveneens worden voorzien in een parkeerbehoefte voor kort parkeren. Tot slot is van belang dat met de beoogde uitbreiding 17 bestaande parkeerplaatsen in het openbaar gebied komen te vervallen. Overigens worden er op de hoek van De Maat en De Bosrand twee nieuwe openbare parkeerplaatsen voor omwonenden aangelegd.

In de behoefte aan kort parkeren wordt deels voorzien door het realiseren van vier Kiss + Ride parkeerplaatsen aan de John F. Kennedylaan, direct ten zuiden van het schoolgebouw. Daarnaast worden er twee Kiss + Ride parkeerplaatsen direct ten zuiden van kinderdagverblijf 'Happy Kids Woudenberg' gerealiseerd, eveneens aan de John F. Kennedylaan. Voor het overige wordt in de resterende parkeerbehoefte voor kort parkeren en in de parkeerbehoefte voor langparkeren volledig voorzien door gebruik te maken van de bestaande parkeerplaats bij De Camp. De betreffende parkeerplaats kent een capaciteit van 220 parkeerplaatsen en wordt gedurende schooltijden slechts beperkt gebruikt. Daarmee wordt optimaal gebruik gemaakt van reeds bestaande parkeervoorzieningen en is er sprake van efficiënt ruimtegebruik in de vorm van dubbelgebruik van

John F. Kennedylaan 6

35

parkeerplaatsen. Alle benodigde parkeerplaatsen op de bestaande parkeerplaats bij De Camp liggen binnen een afstand van circa 100 meter welke door het CROW ten aanzien van de functie 'onderwijs' als een acceptabele loopafstand wordt beschouwd. 4.4.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. De ontsluiting van het plangebied is zowel per auto, langzaam verkeer als het openbaar vervoer goed. Ook de verkeersveiligheid is rond de locatie voldoende gewaarborgd en wordt verder verbeterd met de voorgenomen herinrichting van de openbare ruimte. De toename van het aantal verkeersbewegingen kan goed worden afgewikkeld op het huidige wegennet van Woudenberg. In de parkeerbehoefte wordt nagenoeg volledig voorzien door gebruik te maken van de bestaande parkeerplaats bij De Camp. In de behoefte aan kort parkeren wordt deels voorzien door het realiseren van Kiss + Ride parkeerplaatsen aan de John F. Kennedylaan. 4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.

Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak

John F. Kennedylaan 6

36

kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit Gevoelige bestemmingen is op 15 januari 2009 in werking getreden. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het gaat dan om name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit kent zones waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Goede ruimtelijke ordening Plannen dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.

Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen die in dat kader een rol speelt, ofwel de luchtkwaliteit dien geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarbij speelt de mate van blootstelling en de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging een rol. Wat dat laatste betreft is het Besluit Gevoelige bestemmingen van belang. 4.5.2

Beoordeling

4.5.2.1 Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit Voor de beoogde uitbreiding van basisschool De Olijfboom geldt dat dit niet onder een in de regeling NIBM opgenomen categorie valt. Om die reden is de bijdrage aan de luchtkwaliteit berekend met de zogenaamde NIBM-tool. Om voor kleine projecten te kunnen bepalen of het project als 'niet in betekenende mate' beschouwd mag worden, heeft het toenmalige ministerie van VROM in de NIBM-tool (en handleiding) gepubliceerd op de website van InfoMil (www.infomil.nl). De invoer van de maximaal te verwachten toename van verkeersbewegingen in de NIBM-tool leidt tot de conclusie dat het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.

John F. Kennedylaan 6

37

Rekenresultaat NIBM-tool (bron: http://www.infomil.nl) 4.5.2.2 Luchtkwaliteit ter plaatse Besluit Gevoelige bestemmingen Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het ook van belang om af te wegen of het aanvaardbaar is de beoogde uitbreiding van basisschool De Olijfboom op de gewenste plek te realiseren. Een basisschool is een gevoelige bestemming voor luchtkwaliteit. Echter, de locatie van de voorgenomen ontwikkeling ligt op meer dan 300 meter van de dichtstbijzijnde rijksweg en meer dan 50 meter afstand van de dichtstbijzijnde provinciale weg. In dat verband is het Besluit gevoelige bestemmingen dus niet relevant voor de gewenste ontwikkeling. Goede ruimtelijke ordening Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. Stof

Jaar 2020

Grenswaarde

Advieswaarde

NO2

11 µg/m

3

40 µg/m

3

10 µg/m3

PM 10

16 µg/m3

40 µg/m3

15 µg/m3

PM 2,5

9 µg/m3

20 µg/m3

5 µg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Gelet op het voorgaande wordt op de planlocatie ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie liggen de concentraties NO2 en PM10 reeds tegen de advieswaarde van de WHO aan. Voor wat betreft PM2,5 ligt de huidige waarde verder af van de advieswaarde. Met inachtneming van de verwachting dat de concentraties in de toekomst verder zullen afnemen, zijn de huidige waarden acceptabel voor een goed verblijfsklimaat op de planlocatie. 4.5.3

Conclusie

Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. De basisschool is een gevoelige bestemming voor luchtkwaliteit, maar het Besluit Gevoelige bestemmingen legt geen beperkingen op. Tot slot is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende voor een goed verblijfsklimaat op de planlocatie. 4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een

John F. Kennedylaan 6

38

bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Onderzoek

Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het uitbreiden van basisschool De Olijfboom. De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een onderwijsgebouw als een zogenaamd geluidsgevoelig object. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein of spoorweg. Bovendien ligt het plangebied niet in de geluidzone van een gezoneerde weg, zoals bedoeld in de Wgh. In de directe omgeving van het plangebied liggen wel diverse 30 km/u-wegen, waarbij met name de John F. Kennedylaan een relevante verkeersintensiteit kent. Hoewel akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet verplicht is op grond van de Wgh, dient conform jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel aangetoond te worden dat er vanuit wegverkeerslawaai sprake is van een goed verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde uitbreiding. Gelet op het voorgaande is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 6). In het onderzoek is de geluidbelasting vanwege de John F. Kennedystraat, De Bosrand en De Maat berekend. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting.

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe uitbreiding van het schoolgebouw, ten gevolge van het verkeer op: De Bosrand (30 km/uur) net hoger (49 dB) is dan de voorkeurswaarde (48 dB), maar ruim lager dan de maximale ontheffingswaarde zoals deze geld voor gezoneerde wegen (63 dB); De John F. Kennedystraat en de Maat (30 km/uur) ruim lager (respectievelijk 36 dB en 47 dB) zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder (48 dB), zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de 30 km-wegen aanvaardbaar is. Omdat 30 km/uur-wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan (en hoeft) voor de geluidbelasting van deze wegen geen hogere waarde worden verleend. In verband met een goede ruimtelijke ordening en een goed leefklimaat zal bij de bepaling van de geluidwering van de gevels rekening gehouden dienen te worden met de bijdrage van de 30 km/uur wegen op de gevels van de uitbreiding, zodat er in de school sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 54 dB. 4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er met betrekking tot (spoor)wegverkeerslawaai geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. De aanbevelingen uit het onderzoek zullen worden overgenomen. De akoestische hinder in verband met de milieustraat/gemeentewerf aan De Bosrand 19 in Woudenberg komt aan de orde in paragraaf 4.7.

John F. Kennedylaan 6

39

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

John F. Kennedylaan 6

40

4.7.2

Onderzoek / beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Bij de toetsing is de planologische situatie maatgevend. De bedrijvigheid die zich volgens het planologische regime mag vestigen komt aan de orde. Er wordt derhalve uitgegaan van de maximale planologische invulling van de toegekende bestemming. Omgevingstype De directe omgeving van het plangebied laat zich kenmerken als een gemengd gebied, waarbij de reguliere woonfunctie wordt afgewisseld met enkele maatschappelijke functies, functies ten behoeve van sport, cultuur en ontspanning en enkele bedrijfsfuncties, zoals de milieustraat en een manege. Gelet op deze ligging is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. 4.7.2.1 Externe werking Bij externe werking gaat het er om of de nieuwe functie in de omgeving past. De vraag dient beantwoord te worden of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling tot een situatie leidt die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Een onderwijsfunctie betreft een milieubelastende activiteit voor de directe omgeving. Een basisschool betreft een functie die valt binnen milieucategorie 2.

Conform de genoemde VNG-publicatie is voor een basisschool het milieuaspect 'geluid' maatgevend, waarbij in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter van toepassing is. De dichtstbijzijnde geluidgevoelige objecten (woningen) liggen op een afstand van minimaal 10 meter van basisschool De Olijfboom. Daarmee mag er vanuit worden gegaan dat er ook in de beoogde nieuwe situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige objecten. 4.7.2.2 Interne werking Bij interne werking gaat het er om of de omgeving de nieuwe functie toelaat. De vraag dient beantwoord te worden of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en of bestaande functies andersom niet onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering. Het plangebied wordt bestemd ten behoeve van de onderwijsfunctie. Dit betreft een milieugevoelige functie. Adres/inrichting

SBI-2008

Milieucategorie

Richtafstand

Werkelijke afstand

De Bosrand 15-17 / Sport- en cultureel centrum 'De Camp'

o.a. 931

3.1

30 m

65 m

De Bosrand 15-17 / parkeerterrein 'De 5221 Camp'

2

10 m

30 m

De Bosrand 19 / milieustraat Woudenberg

381

3.1

30 m

10,5 m

De Bosrand 21 / clubhuis Motor Club 'Wombarg'

94991

2

10 m

35 m

John F. Kennedylaan 2 / manege 'De Valleiruiters'

931

3.1

30 m

70 m

Uit de tabel blijkt dat de omliggende milieubelastende functies, met uitzondering van de milieustraat aan De Bosrand 19, op voldoende afstand zijn gelegen. Met betrekking tot deze milieubelastende functies kan ter plaatse van het plangebied dan ook een aanvaardbaar verblijfsklimaat worden gegarandeerd. Voorts ligt direct naast het plangebied het kinderdagverblijf 'Happy Kids Woudenberg'. De kortste afstand van de gronden behorende tot het kinderdagverblijf tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de beoogde uitbreiding, bedraagt iets minder dan de geldende richtafstand van 10 meter. Gezien de vergelijkbare (maatschappelijke) functie is afwijking van de richtafstand acceptabel en levert een kortere afstand geen

John F. Kennedylaan 6

41

belemmeringen op voor het verblijfsklimaat ter plaatse van basisschool De Olijfboom. Ten aanzien van de milieustraat aan De Bosrand 19 wordt niet voldaan aan de richtafstand en is aanvullend onderzoek noodzakelijk of er ondanks de kortere afstand, eventueel na het nemen van maatregelen, toch sprake is van een aanvaardbare situatie. De milieustraat betreft een bedrijf in milieucategorie 3.1. Er geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Nu de kortste afstand tussen de gevel van de beoogde uitbreiding en het bestemmingsvlak van de milieustraat circa 10,5 meter bedraagt is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast geldt voor een milieustraat een richtafstand van 30 meter voor het aspect 'gevaar' en van 10 meter voor de aspecten 'geur' en 'stof'. Voor het aspect 'gevaar' is dus eveneens een nadere onderbouwing noodzakelijk. Voor de aspecten 'geur' en 'stof' wordt een onderbouwing gegeven in het kader van een goede ruimtelijke ordening, omdat op zichzelf wel voldaan wordt aan de richtafstand. Onderstaand wordt achtereenvolgens ingegaan op de resultaten van het akoestisch onderzoek en het verdiepingsonderzoek ten aanzien van 'gevaar', 'geur' en 'stof'. Akoestischonderzoek industrielawaai De Bosrand 19 Het akoestisch onderzoek industrielawaai in verband met de milieustraat/gemeentewerf aan De Bosrand 19 in Woudenberg is uitgevoerd door SPA WNP Ingenieurs (Bijlage 7).

Toetsingskader ruimtelijke ordening In het kader van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering, editie 2009” gebruikt als hulpmiddel. Deze handreiking geeft onder andere richtafstanden en stappenplannen om te komen tot het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in de directe omgeving van gevoelige functies nabij bedrijven. In hoofdstuk 2 van de VNG brochure zijn twee omgevingstypen gedefinieerd. De omgeving van Milieustraat Woudenberg kan het beste worden omschreven als ‘gemengd gebied’. Indien wordt voldaan aan de richtwaarden, die hiervoor worden gehanteerd, kan worden gesteld dat er bij de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat dan wel verblijfsklimaat. Het toetsingskader voor geluid bestaat uit vier stappen, waarbij per stap de geluidbelasting groter wordt en daarmee de onderzoeks- en motiveringsplicht. Stap 1 Toetsen aan de richtafstanden voor het aspect geluid. Indien deze niet worden overschreden, kan een verdere beoordeling van geluid in beginsel achterwege blijven.

Stap 2 Indien stap 1 niet toereikend is, is een geluidonderzoek noodzakelijk en dient bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ voldaan te worden aan de volgende richtwaarden: 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden); 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Stap 3 Indien stap 2 niet toereikend is, is voor woningen gelegen in een ‘gemengd gebied’ een maximale geluidbelasting mogelijk van: 55 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden), exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer; 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Als voldaan wordt aan de bovenstaande richtwaarden, is buitenplanse aanpassing mogelijk. Het bevoegd gezag dient te motiveren waarom zij in deze concrete situatie de geluidbelasting acceptabel acht. Tevens dient de cumulatie met eventueel aanwezige geluidbelasting te worden betrokken.

John F. Kennedylaan 6

42

Stap 4 Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal het doorgaans niet mogelijk zijn om medewerking te verlenen aan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Indien het bevoegd gezag toch van mening is dat medewerking aanvaardbaar is, dan dient dit grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd te worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met cumulatie van aanwezige geluidbronnen. Toetsingskader milieu Voor de geldende eisen vanuit het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' is artikel 2.17 van toepassing:

Artikel 2.17 'Activiteitenbesluit milieubeheer' Resultaten en conclusies Er wordt bij de uitbreiding van de basisschool voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus niet voldaan aan de richtwaarden van stap 2 voor een goede ruimtelijke ordening en de geluideisen uit het Activiteitenbesluit. Voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 3 voor een goede ruimtelijke ordening. Voor de maximale geluidniveaus wordt niet voldaan aan de richtwaarde van stap 3 voor een goede ruimtelijke ordening. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) in dB (A)

John F. Kennedylaan 6

43

Maximale geluidniveaus

Er zijn in deze bestaande situatie geen reële maatregelen te treffen aan de geluidbronnen en/of in het overdrachtsgebied, waardoor bij de uitbreiding van de basisschool voldaan kan worden aan de richtwaarden van stap 2 voor een goede ruimtelijke ordening en/of de geluideisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor wat betreft eventuele bronmaatregelen wordt opgemerkt dat de bladblazers hoofdzakelijk op externe locaties worden gebruikt. De capaciteit van de huidige accu's is momenteel nog onvoldoende om de bladblazers permanent te kunnen vervangen voor elektrische bladblazers. Voor wat betreft eventuele maatregelen in het overdrachtsgebied wordt opgemerkt dat een mogelijk scherm hoog en lang zal moeten zijn, namelijk hoger dan 4 meter over de zuidelijke terreingrens van de inrichting. Een dergelijk scherm is in deze situatie niet reeel en vanuit stedenbouwkundig oogpunt ook niet gewenst. Het Activiteitenbesluit stelt dat het binnenniveau van in- en aanpandige geluidgevoelige bestemmingen in de dagperiode maximaal 35 dB(A) voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximaal 55 dB(A) voor de maximale geluidniveaus mag bedragen. Op basis van de gecumuleerde geluidbelasting van het wegverkeer en de industrie moet de geluidwering van de gevels, ter plaatse van de geluidgevoelige ruimten, minimaal 24 dB(A) bedragen.

Indien bij de uitbreiding van de basisschool bij de geluidwering van de gevels rekening wordt gehouden met de geluidbelasting vanwege het wegverkeer en de activiteiten op het terrein van de inrichting, wordt gesteld dat er in de nieuwe geluidgevoelige ruimten van de basisschool een acceptabel onderwijsklimaat wordt gerealiseerd. Wel dienen er maatwerkvoorschriften opgesteld te worden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de dagperiode tot 55 dB(A) en voor de maximale geluidniveaus, vanwege het werken met de midikraan, tot 79 dB(A) en het incidenteel (maximaal 12 keer per jaar) werken met de houtversnipperaar tot 88 dB(A). In dat kader zal worden onderzocht of het mogelijk is om de planning zodanig vorm te geven dat de incidentele bedrijfssituatie zich zoveel mogelijk buiten de schooltijden zal voordoen. Als er bijvoorbeeld buiten de schooltijden om gewerkt kan worden met de houtversnipperaar, is de overlast bij de basisschool minimaal.

John F. Kennedylaan 6

44

In de onderzochte situatie wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde, vanwege de indirecte hinder. Gelet op het voorgaande wordt de Milieustraat Woudenberg niet belemmerd in haar bedrijfsvoering door de uitbreiding van de school en wordt er in de nieuwe geluidgevoelige ruimten van de basisschool een acceptabel onderwijsklimaat gerealiseerd. Verdiepingsonderzoek 'gevaar', 'geur' en 'stof' Het verdiepingsonderzoek 'gevaar', 'geur' en 'stof' in verband met de milieustraat/gemeentewerf aan De Bosrand 19 in Woudenberg is uitgevoerd door SPA WNP Ingenieurs (Bijlage 8). In het verdiepingsonderzoek wordt ten aanzien van de betreffende aspecten het volgende geconcludeerd. Geur Bij gemeentewerven wordt geurhinder in zijn algemeenheid veroorzaakt door de verwerking van afval. Afvalstromen met organisch materiaal kunnen geurhinder veroorzaken als ze lang liggen, door rottend afval. De gemeentewerf in Woudenberg voert het groenafval minimaal één keer per twee weken af. Hierdoor voorkomt de gemeentewerf dat het groenafval gaat rotten. Geurhinder ter plaatse van de uitbreiding van de school wordt dan ook niet verwacht. Met betrekking tot het PMD-afval wordt opgemerkt dat het afval afkomstig van het regulier ophalen niet ter plaatse van de milieustraat/gemeentwerf aan de Bosrand 19 in Woudenberg wordt opgeslagen.

Stof Door activiteiten op het buitenterrein kan mogelijk stofhinder ontstaan. Bij afvalstromen met een hoge concentratie los stof kan dit opwaaien. Dit is te verwachten bij, onder meer, puin. Een groot deel van de afvalstromen wordt in afgedekte of gesloten containers opgeslagen, van daaruit is geen stofhinder te verwachten. Van de afvalstromen die niet afgedekt of afgesloten zijn opgeslagen, zoals het puin, is een beperkte mate van stofhinder naar de omgeving te verwachten. Dit wordt zoveel mogelijk gelimiteerd door afval tijdig af te voeren, zo wordt puin elke week afgevoerd. Omdat de stofhinder niet geheel wordt tegengehouden, is de richtafstand vanuit de VNG-handreiking voor dit milieuaspect leidend. De afvalstroom die het dichtst bij de beoogde uitbouw van de school ligt opgeslagen, en waarvan stofhinder is te verwachten, is puin. De locatie van het puin ligt op circa 11 meter afstand vanaf de nieuwe gevel. De richtafstand in een gemengd gebied betreft voor stof 10 meter, hier wordt aan voldaan. Toch wordt geadviseerd het puin op grotere afstand (30 meter) van de uitbreiding van de school op te slaan, omdat niet uitgesloten kan worden dat het stof zich verder dan 10 meter buiten het terrein kan verspreiden.

In het kader van voornoemde conclusies zal worden onderzocht of het mogelijk is om de planning zodanig vorm te geven dat stortingen van puin zoveel mogelijk buiten de schooltijden om plaatsvinden. Daarnaast zal worden onderzocht of andere maatregelen aan de bron toegepast kunnen worden om stofhinder buiten de inrichtingsgrenzen zoveel mogelijk te voorkomen. Het puin wordt inmiddels op een grotere afstand dan 30 meter van de uitbreiding van de school opgeslagen. Gevaar Bij gemeentewerven wordt het gevaar voor de omgeving meestal veroorzaakt door gevaarlijke bedrijfsprocessen, de opslag van gevaarlijke stoffen en gasflessen en de opslag van gassen onder druk of chemicaliën. Op basis van de uitgevoerde inventarisatie zijn de eventueel gevaar veroorzakende activiteiten bij de gemeentewerf in beeld gebracht. Er worden geen gevaar veroorzakende bedrijfsprocessen uitgevoerd. Wel zijn er gevaarlijke stoffen aanwezig, deze worden opgeslagen in een speciaal daarvoor ingerichte en afgesloten ruimte (KCA-depot). De opslag van gevaarlijke stoffen ligt op een afstand van circa 42 meter vanaf de gevel van de beoogde uitbouw van de school. Op basis van de VNG-handreiking geldt er een richtafstand van 30 meter, hier wordt aan voldaan.

John F. Kennedylaan 6

45

4.7.3

Conclusie

Met de beoogde uitbreiding van basisschool De Olijfboom is er voor omliggende milieugevoelige objecten nog steeds sprake van een goed woon- en leefklimaat. Andersom geldt dat omliggende milieubelastende functies, met uitzondering van De Bosrand 19, op voldoende afstand zijn gelegen. Met betrekking tot deze milieubelastende functies kan ter plaatse van het plangebied dan ook een aanvaardbaar verblijfsklimaat worden gegarandeerd. Ten aanzien van de milieustraat aan De Bosrand 19 wordt niet voldaan aan de richtafstand. De milieuhinder van de gemeentewerf is vergelijkbaar met een bedrijf in de milieucategorie 3.1. Deze milieucategorie heeft een zodanig effect op de omgeving, dat deze functie op minimaal 30 meter afstand van een gevoelige bestemming gesitueerd moet worden. Omdat hier niet aan wordt voldaan is een inventarisatie van de werkelijke activiteiten en de daarmee mogelijk veroorzaakte milieuhinder uitgevoerd. Op basis van deze inventarisatie is vastgesteld dat de activiteiten welke mogelijk hinder veroorzaken grotendeels op een voldoende afstand liggen van de beoogde uitbreiding van de school om een goed verblijfsklimaat te realiseren. Ten aanzien van stofhinder is de aanbeveling om de opslag van puin op een afstand van 30 meter van de school te situeren. Hier wordt inmiddels aan voldaan.

Daarnaast zullen aanvullende maatregelen worden onderzocht om eventuele hinder als gevolg van stortingen van puin te beperken. Ten aanzien van geluidhinder is de aanbeveling maatregelen aan de gevel van de nieuw te bouwen school te nemen, zoals omschreven in het akoestisch rapport. Op deze wijze is te verwachten dat een goed verblijfsleefklimaat bij de school gerealiseerd kan worden. Tot slot zullen er maatwerkvoorschriften worden opgesteld voor de geluidniveau's en activiteiten van de milieustraat, zoals omschreven in het akoestisch rapport. Daarmee wordt de milieustraat niet beperkt in haar bedrijfsvoering. In dat kader zal bovendien worden onderzocht of het mogelijk is om de planning zodanig vorm te geven dat de incidentele bedrijfssituatie zich zoveel mogelijk buiten de schooltijden zal voordoen. Als er bijvoorbeeld buiten de schooltijden om gewerkt kan worden met de houtversnipperaar, is de hinder bij de basisschool minimaal. 4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico

John F. Kennedylaan 6

46

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden

John F. Kennedylaan 6

47

op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Een school betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede Signaleringskaart EV met aanduiding plangebied Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen Op circa 2,7 kilometer van het plangebied ligt het bedrijf Van Appeldoorn B.V. aan de Parallelweg 6 in Woudenberg. Dit betrof voorheen een BRZO-inrichting, waarbij onderhavig plangebied binnen het invloedsgebied viel. Van Appeldoorn B.V. is echter gestopt met vervoer en opslag van gevaarlijke stoffen, waardoor het geen BRZO-inrichting meer is. Daarmee is er geen sprake meer van relevantie in het kader van externe veiligheid. Met betrekking tot de overige inrichtingen in de directe omgeving, geldt dat het plangebied ruim buiten het invloedsgebied van de betreffende inrichtingen is gelegen.

John F. Kennedylaan 6

48

4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde Kom Woudenberg' is op te maken dat er een planologisch relevante leiding aanwezig is ter plaatse van de gronden waarop de beoogde uitbreiding is voorzien. Dit betreft een rioolpersleiding. Ter bescherming van de betreffende rioolwaterleiding is de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' opgenomen met bijbehorende belemmeringenstrook. Verwezen wordt naar de afbeelding in paragraaf 1.3. In verband met veiligheidsoverwegingen en praktische overwegingen is ervoor gekozen om de rioolwaterleiding (deels) te verleggen ten behoeve van de beoogde uitbreiding van basisschool De Olijfboom. Het bestaande en het beoogde nieuwe tracé is op onderstaande afbeelding weergegeven.

Door middel van het wederom opnemen van de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' met bijbehorende belemmeringenstrook is de bescherming van de rioolwaterleiding ook in de beoogde nieuwe planologische situatie geborgd.

Bestaande (onderste lijn) en beoogde nieuwe tracé (bovenste lijn) rioolwaterleiding Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

John F. Kennedylaan 6

49

4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2201/documents/49668