CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 bijlage 3 ruimtelijke motivering R004-1289346MLR-V03-sss-NL.pdf

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 15: Adviesrecht raad t.b.v. vergunning rotonde N224/N22616.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het is verboden op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a) het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder ontgronden, afgraven, diepploegen en het aanbrengen van leidingen, op een grotere diepte dan 0,3 m, behalve indien deze in het kader van onderzoek naar mogelijke archeologische vindplaatsen worden uitgevoerd

33/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatsen van de fietstunnel. Veldonderzoek De bodemopbouw in het plangebied ten westen van de N226 bestaat uit een (verstoord) ophoogpakket op verspoeld dekzand of beekafzettingen. Het ophoogpakket bevat veel, grotendeels recent, puin. Dit verstoorde/ophoogpakket is geïnterpreteerd als het wegdek van een onverharde weg dat door de jaren heen is beschadigd, gerepareerd en opgehoogd met recent materiaal. Er is lokaal (mogelijk) ouder baksteenpuin aanwezig tussen het recente materiaal. Dit duidt erop dat een eventueel historisch wegdek is opgenomen in het huidige verstoorde dek. Een eventueel oud wegdek gerelateerd aan kasteel Lichtenberg is waarschijnlijk grotendeels opgenomen in het huidige wegdek. Er kunnen onder het ophoogpakket eventueel nog karrensporen aanwezig zijn in de top van de natuurlijke afzettingen. Vanwege de variatie in diepte van de verstoring zullen deze grotendeels niet meer intact aanwezig zijn. Vanwege de bestaande verstoring wordt geadviseerd aan de westzijde van de N226 geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat het voorgenomen plan uitvoerbaar is vanuit het thema archeologie. Voorafgaand aan de uitvoering dient ter plaatse van de tunnel nog wel archeologisch onderzoek plaats te vinden.

5.2.2 Monumenten Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht om in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. De Omgevingswet stelt regels voor het waarborgen van cultuurhistorie bij ontwikkelingen. In artikel 5.130 Bkl is de instructieregel opgenomen dat onder andere rekening gehouden moet worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een plangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die betrokken worden bij het verlenen van de BOPA. Cultuurhistorische waarden omvatten meer dan alleen bouwhistorische objecten en monumenten. Toetsing en conclusie Landgoed Lichtenberg Een van de kastelen van Woudenberg was Lichtenberg, oorspronkelijk daterend uit het 14e eeuw gesticht door de tweede zoon van Jan van Renesse van Rhijnauwen. In de 17e eeuw werd het landgoed aanzienlijk uitgebreid: de rechthoekige vorm en de symmetrie en verhoudingen van de tuin, die gebaseerd zijn op Neoplatonische principes, zijn bijzonder kenmerkend voor de Klassieke Nederlandse tuin. De lange stroken in richting van de ontginning werden verdeeld in gelijke vierkanten in een verhouding van 3:2 en waren door een centrale as in twee symmetrische helften verdeeld.

De tuin werd omgeven door een grote gracht en een bos (vaak hakhout) erachter,

34/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

begrenst door de schuine as Slappedel. De landschappelijke dragers zijn er nog, van de inrichting is echter nog maar het kasteeleiland met ringsloot zichtbaar van dit waardevol cultuurhistorisch erfgoed. Het terrein waarin overblijfselen van het versterkte huis Lichtenberg is aangewezen als rijksmonument, nummer 46146 (aangewezen met ster op figuur 5.1 en 5.2). Er is in het ontwerp rekening gehouden met dit monument en de werkzaamheden zullen geen nadelige gevolgen hebben voor dit rijksmonument.

Figuur 5.1 Plangebied in relatie tot het cultuurhistorisch DNA van het landschap: ontginningsas noord-zuid, haaks daarop strokenverkaveling, zichtlijnen en beplanting. Rijksmonument ‘Lichtenberg’ aangegeven met rode ster

Figuur 5.2 Projectie van het landgoed over de huidige topografische kaart, de rotonde in het kader. Rijksmonument ‘Lichtenberg’ aangegeven met rode ster

35/56

Kenmerk

5.3

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Landschap

Wettelijk kader Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Het landschapsbeleid is op deze locatie vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. Dit is gedaan door kernkwaliteiten te benoemen voor de vijf verschillende landschappen. Voor de Gelders Vallei zijn dat: rijk gevarieerde kleinschaligheid, stelsel van beken, griften en kanalen, de hierin gelegen Grebbelinie en overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank)3. Toetsing Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling (zie bijlage 4) Voor de landschappelijke inpassing langs de N226 worden de zomereiken terug geplant en de ontbrekende schakels in de laanstructuur aangevuld. Daarmee wordt niet alleen recht gedaan aan de ecologische kwaliteit, maar ook aan de cultuurhistorische waarde, gezien de eikenlaan karakteristiek bij deze eeuwen oude handelsroute hoort. In middenberm wordt hier een haag uit veldesdoorn aangeplant.

Zo wordt enerzijds een verbinding gelegd naar de omliggende erven langs de N226, als ook naar strakke beplanting van het voormalige renaissance landgoed dat hier ooit lag. In het zuidwesten van de rotonde werden met de aanleg van de Randweg oude structuren van het kasteel Lichtenberg en de renaissance tuin weer zichtbaar gemaakt. Het beste behouden is het carré van het kasteeleiland met ringsloot (tot 1950), dat vrij dient te blijven van opgaande beplanting. Om deze structuur ook weer in de aangrenzende, wild uitgegroeide elzen-wilgenbosjes terug te brengen en deze als onderdeel van het landgoed weer zichtbaar te maken, worden de carrés omlijst met Italiaanse populieren, die zich in vorm en hoogte kenmerkend onderscheiden van de bestaande elzen-wilgen beplanting, daardoor een zichtbaar contrast vormen en een ode aan de strakke geometrie van het renaissance landgoed brengen. Aan de noordwestkant van de rotonde werd met de komst van de Randweg en uitbreiding van de woonwijk in het voormalige slagenlandschap een landschappelijk ogend parkstrookje langs een vijver met een slingerende oever, knotwilgen en solitaire boombeplanting aangelegd. Met de variërende soorten en losse opzet in clusters sluit de nieuwe bomenrij langs de N224 daarbij aan.

Ten westen van de rotonde is de gelaagdheid van het karakteristieke coulisselandschap met houtsingels evenredig aan de strokenverkaveling en doorzichten op sommige plekken nog redelijk

3

Omgevingsvisie Provincie Utrecht, maart 2021

36/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

intact, zoals bij de knotwilgensingel ten noorden en de elzensingel ten zuiden. Deze kernwaarde mag niet worden verstoord en dient door onderhoud zo goed mogelijk behouden te blijven. Hierop aansluitend is gekozen om compensatie alleen in de vorm van houtsingels toe te passen. Daarnaast worden de drie zuileiken uit de rotonde verplant in lijn met de zuileiken bij de Esso. Uiteindelijk worden door de herinrichting en inpassing de ecologische (waardevol leefgebied voor de bunzing en wezel, vleermuizen, ringslangen), als ook de recreatieve verbindingen versterkt.

Figuur 5.3 Landschapsplan en groenontwerp

Conclusie Er wordt bij de ontwikkeling ruim voldoende aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing. Hierbij wordt aandacht besteed aan een goede overgang met bestaande groenstructuren en landschapselementen. Door deze zorgvuldige inpassing wordt geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is wat het aspect landschap betreft.

5.4

Bodem

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag nog niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor een mens (bijlage VA van het BkI).

37/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Toetsing Grondslag heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de bermen en enkele aangrenzende percelen van de N226 (Maarsbergseweg) en N224 (Randweg) te Woudenberg (bijlage 5) en een milieukundig onderzoek verhardingen en grond (bijlage 6). Het doel van de onderzoeken is om de milieu hygiënische kwaliteit van de (water)bodem vast te leggen. Resultaten bermen De gestelde hypothese dat de bodem van de bermen als klasse Industrie zou worden beoordeeld is niet bevestigd. In de westelijke berm van de zuidelijke tak van de N226 zijn sterke verhogingen aan barium, koper, zink en/of PAK aangetoond. Voorafgaand aan de uitvoering wordt een nader onderzoek uitgevoerd om de omvang van de verontreinigingen af te perken. Het onderzoek wordt uitgevoerd voor het begin van de werkzaamheden en eventuele consequenties hieruit worden in de uitvoering meegenomen. Plaatselijk is de ondergrond beoordeeld als matig verontreinigd als gevolg van minerale olie. De verhoging is aangetroffen in een veenlaag en is ook te relateren aan humuszuren. De verhoging is vermoedelijk van natuurlijke herkomst. Nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Voor de overige delen van de onderzochte bermen wordt de hypothese wel bevestigd en wordt de grond maximaal beoordeeld als klasse industrie. Voor realisatie van de weg is grond met klasse industrie geen belemmering.

Een weg is geen gevoelige (verblijfs)functie waarbij een betere kwaliteit van de grond vereist is. Deze klasse indeling is met name van toepassing bij het verplaatsen van de grond waarbij de toekomstige ondergrond niet extra verontreinigd mag worden als gevolg van nieuw aan te brengen grond. Bij uitvoering van de werkzaamheden wordt hiermee rekening gehouden. Resultaten asbestonderzoek Aanvullend is een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd. Omdat asbesthoudend materiaal is aangetroffen, wordt een nader onderzoek naar asbest uitgevoerd. Het onderzoek wordt uitgevoerd voor het begin van de werkzaamheden. Eventuele consequenties hieruit worden in de uitvoering meegenomen. Waterbodem Omdat enkele sloten worden gedempt, is tevens een waterbodemonderzoek uitgevoerd. In de onderzochte watergangen bestaat de waterbodem uit zandig slib. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft voldoende inzicht in de kwaliteit van de sliblaag. De resultaten geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. Conclusie Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de projectlocatie vastgesteld. Uit de resultaten komt dat op enkele plekken sterke verontreinigingen aan barium, koper, zink en/of PAK zijn aangetoond. Nader onderzoek zal uitgevoerd worden om de omvang van de verontreinigingen af te perken. Daarnaast wordt een nader onderzoek naar asbest uitgevoerd.

Consequenties van deze nadere onderzoeken worden in de uitvoering

38/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

meegenomen. De beoogde activiteiten zijn op basis van de resultaten uit het vooronderzoek NEN 5725 op deze locatie toelaatbaar wat betreft bodem.

5.5

Water

Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de projectontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van gemeentelijk beleid en het beleid van het waterschap. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 zijn in de Waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe beleidsregels vastgelegd waarin beschreven is hoe omgegaan dient te worden met water bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de geplande herinrichting zal water worden gedempt en aangelegd, en zal er verhard oppervlak worden gecreëerd. Voor deze ingrepen is waterberging compensatie vereist en de regels hiervoor zijn beschreven in de beleidsregels 3.2.1 en 3.2.13. Beleidsregel 3.2.1 heeft betrekking op compensatie bij demping van oppervlaktewater, beleidsregel 3.2.13 heeft betrekking op compensatie bij toename verhard oppervlak. Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling vindt de ‘weging van het waterbelang’ plaats. Het doel hiervan is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen op evenwichtige wijze meewegen in ruimtelijke plannen. Toetsing TAUW heeft een notitie watercompensatie beschreven over de watercompensatie van de beoogde herinrichting voor de rotonde N224-N226 te Woudenberg om te voldoen aan de beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe (bijlage 7).

Het plangebied is opgedeeld in vier kwadranten, deze vier kwadranten bevinden zich in drie peilvakken van het waterschap (zie figuur 5.4). De Westerwoudvijver bevindt zich in het noordwest-kwadrant. Van de vijverzijde aan de provinciale weg wordt een strook water gedempt voor de wegverbreding.

39/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Figuur 5.4 Peilvakken waterschap Vallei en Veluwe

In figuur 5.5 is een aangepaste peilvakgrens aangegeven. In overleg met het waterschap is afgesproken om de aangepaste grens aan te houden, deze is aangeleverd door het waterschap zelf en komt beter overeen met de werkelijkheid. Dit houdt in dat peilvak noord kleiner wordt en peilvak zuidoost vergroot is. De watergangen en het watersysteem zijn weergegeven in de legger in figuur 5.6. Het noordelijke peilvak staat niet direct in verbinding met de zuidelijke peilvakken. De peilvakken wateren af via het westen naar de Woudenbergse Grift die verder naar het noorden richting Leusden afwatert. De peilvakken hebben verschillende boven- en ondergrenzen.

40/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Figuur 5.5 Peilvakken waterschap Vallei en Veluwe (gele zigzaglijn is beleidsgrens, gele rechte lijn is aangepaste grens)

Figuur 5.6 Legger waterschap Vallei en Veluwe

In het peilvak noord wordt in totaal meer water gedempt dan gegraven. Hiervoor dient in dit peilvak minimaal 332 m2 nieuw water gegraven te worden om te voldoen aan de beleidsregels,

41/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

voor peilvak zuidwest is dit 75 m2. In het oostelijke peilvak wordt meer water gegraven dan gedempt, hierdoor hoeft in dit peilvak geen extra watergang gegraven te worden. In alle peilvakken wordt door de wegverbreding extra verhard oppervlak gecreëerd. Hiervoor geldt dat dit gecompenseerd dient te worden. In totaal is er een toename van 12.393 m2 aan verharding. Hiervoor geldt een bergingsopgave van 744 m3 (12393 * 0,06). De sommatie van de compensatieopgave is weergegeven in tabel 5.3. Dit geeft een compleet beeld van de opgave per peilvak en voor het totale gebied. Tabel 5.3 Compensatieopgave per peilvak Peilvak

Waterbalans

Verhardingsbalans

Bergingsopgave verharding

Peilvak noord

-332 m

2

1185 m

2

71 m3

Peilvak zuidwest

-75 m2

3376 m2

203 m3

Peilvak oost

66 m2

7832 m2

470 m3

-407 m2

12.393 m2

744 m3

totaal

De watergangen ten noorden van de N224 (zie figuur 5.7) worden verbreed. Dit levert voor de compensatie 1.858 m2 waterberging op, wat leidt tot een compensatie van 743 m3. Deze verbreding draagt ook bij aan de robuustheid van het systeem en de afvoercapaciteit. Daarnaast zorgt dit voor een ruime compensatie van het waterbalans. De watergang zal met totaal nog 2 m2 extra worden verbreed zodat er een compensatie plaats vindt van 744 m3. Hiermee wordt voldaan aan de waterbalans en waterbergingsopgave van 744 m3.

Figuur 5.7 Aangewezen waterbergingsgebied in blauw (verbreding watergang)

Conclusie Het plan is uitvoerbaar wat het aspect water betreft.

42/56

Kenmerk

5.6

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Ecologie

Wettelijk kader De Wet Natuurbescherming (Wnb) richt zich op behoud en herstel van biodiversiteit en het daarvoor benodigde leefgebied. De wet was sinds 1 januari 2017 van kracht en betrof een samenvoeging van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wnb vormde het juridische kader voor natuurbescherming in Nederland, op basis van Europese regelgeving. Via de Aanvullingswet Natuur is de Wnb beleidsneutraal opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Onder de Omgevingswet maakt natuur een deel uit van het bredere begrip fysieke leefomgeving. De wet is gericht op het in onderlinge samenhang: 1. Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2.

Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften

Het uitgangspunt op het gebied van natuur is 'nee, tenzij'. Dit houdt in dat activiteiten met een (mogelijk) schadelijk effect op beschermde landschappen, gebieden en soorten, in principe verboden zijn (‘nee’), tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Uitzonderingen op het verbod voor schadelijke handelingen (door het verlenen van een omgevingsvergunning of een vrijstelling) zijn onder strikte voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of wetenschappelijk onderzoek. In het natuurdeel van de Ow is, naast verbodsbepalingen, een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen mag hebben voor alle in het wild levende flora en fauna en hun directe leefomgeving, beschermd of niet. De zorgplicht geldt ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend voor bepaalde activiteiten, of een zogeheten gedragscode wordt toegepast. Behoud en herstel van biodiversiteit is in de wet via twee sporen uitgewerkt: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het beschermde areaal beslaat de in Europees verband aangewezen zogeheten Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Het betreft gebieden die worden beschermd vanuit de Habitat- en de Vogelrichtlijn.

Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor de Natura 2000-gebieden gelden specifiek omschreven instandhoudingsdoelstellingen. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in

43/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Soortenbescherming Dit onderdeel van de Ow regelt de bescherming van dieren en planten. Het betreft beschermde soorten uit de Habitat- en de Vogelrichtlijn en daarnaast soorten die nationaal zijn aangewezen als specifiek beschermde soort. Naast behoud en bescherming van soorten, regelt dit onderdeel het faunabeheer. Dit betreft schadebestrijding, jacht en bestrijding van overlast. Tevens regelt dit onderdeel de bestrijding van invasieve exoten. De bescherming van bovengenoemde soorten is uitgewerkt in verbodsbepalingen. Deze houden onder andere in dat beschermde planten niet geplukt mogen worden en dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook de rust- en verblijfplaatsen van de dieren zijn beschermd. Toetsing TAUW heeft onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor de herinrichting van de rotonde N224-N226 in Woudenberg (zie bijlage 8). De natuurtoets concludeert dat negatieve effecten op verschillende beschermde soorten niet met zekerheid zijn uitgesloten.

TAUW heeft daarom soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor de soorten te bepalen (zie bijlage 9). De ontwikkeling is alleen uitvoerbaar als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit het ecologisch onderzoek opgenomen. Natura 2000-gebieden Op basis van de grote afstand tussen de projectlocatie en Natura 2000-gebieden kan geconcludeerd worden dat er geen negatief effect ontstaat voor de beschermde gebieden. Voor het aspect stikstofdepositie is in paragraaf 4.2 geconcludeerd dat de gebruikersfase niet leidt tot een toename van stikstof, maar dat het effect van de aanlegfase nog onbekend is. Houtopstanden De in het plangebied te kappen bomen vallen niet onder de bescherming van de Omgevingswet. Een kapmelding bij provincie Utrecht is niet noodzakelijk. Voor het vellen van houtopstanden in het plangebied is wel een omgevingsvergunning van de gemeente Woudenberg nodig. Door Copijn Boomspecialisten is een bomeneffectanalyse (BEA) uitgevoerd naar 246 bomen en vier bospercelen nabij de kruising van de N226 en N224 aan de zuidkant van Woudenberg (zie bijlage 10). Een (BEA) is een instrument om invloeden op bestaande bomen binnen een projectlocatie in beeld te brengen. Met voorliggend plan zijn er in totaal 149 bomen niet te behouden.

Op basis van de Bomenverordening 2024 is bepaald hoe hier mee om te gaan.

44/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Om de kap van de bomen mogelijk te maken wordt er een separaat vergunningentraject doorlopen. Soortenbescherming Er is soortgericht onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor soorten te bepalen en om te bepalen of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig is. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Omgevingswet beschermde soorten namelijk: 1. Boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel (verblijfplaatsen) 2. 3. 4.

Waterspitsmuis en haas (leefgebied) Vleermuizen (verblijfplaatsen en vliegroutes) Buizerd, sperwer, boomvalk, ransuil, steenuil en kerkuil (jaarrond beschermde nesten)

5. 6. 7.

Alpenwatersalamander (leefgebied) Poelkikker (leefgebied) Hazelworm en levendbarende hagedis (leefgebied)

8. Ringslang (leefgebied) 9. Grote modderkruiper (leefgebied) 10. Grote vos (voortplantingslocatie) 11. Teunisbloempijlstaart (leefgebied) Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op algemene broedvogels en de jaarrond beschermde nesten van buizerd, sperwer, boomvalk en ransuil worden voorkomen. Hiervoor is het wel noodzakelijk in de periode februari-augustus niet in de verstoringszone van nesten werkzaamheden uit te voeren. Indien dat mogelijk is, is een nader onderzoek naar deze soort(groep)en niet nodig. Daarnaast zijn maatregelen nodig in het kader van de zorgplicht. Van de bunzing, wezel, eekhoorn, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ringslang is aanwezigheid in het plangebied vastgesteld. Doordat de beoogde ontwikkeling een negatief effect heeft op deze soorten is het aanvragen van een vergunning voor een flora en fauna activiteit onder de Omgevingswet noodzakelijk. Voor de alpenwatersalamander en poelkikker worden ontheffingen aangevraagd. Daarnaast worden maatregelen genomen die nodig zijn om te voorkomen dat een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis door licht verstoord wordt. Ook worden maatregelen genomen om te voorkomen dat een steenuil- en kerkuilkast in een later stadium alsnog bezet raken, en op dat moment alsnog een omgevingsvergunning voor deze soorten nodig is.

Provinciaal beschermde gebieden Er is geen sprake van (significante) effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlak en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. Ook maakt het plangebied geen deel uit van de Groene Contour of een weidevogelkernleefgebied. Vervolgstappen zijn daarom niet noodzakelijk.

45/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Conclusie Gebiedsbescherming Voor gebiedenbescherming zijn er geen bijzonderheden ten aanzien van ecologie en is het plan uitvoerbaar. Houtopstanden Vanwege de kap van 101 bomen in het plangebied dient hiervoor een omgevingsvergunning voor de activiteit kap aangevraagd te worden. Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming wordt geconcludeerd dat bunzing, wezel, eekhoorn, gewone dwergvleermuis (vliegroute), laatvlieger (vliegroute) en ringslang aanwezig zijn in het plangebied. Doordat de beoogde ontwikkeling een negatief effect heeft op deze soorten is het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit noodzakelijk. Voor de alpenwatersalamander en poelkikker worden ontheffingen aangevraagd. Daarnaast zijn maatregelen nodig voor gewone dwergvleermuis (verblijfplaatsen) (voorkomen lichtverstoring) en steen- en kerkuil (steenuil- en kerkuilkasten). Om tot een verleende omgevingsvergunning, waarvoor een activiteitenplan noodzakelijk is, te komen is het noodzakelijk om mitigerende en compenserende maatregelen te treffen. De noodzakelijke maatregelen zijn opgenomen in het ecologisch onderzoek in de bijlage. De maatregelen dienen erop toe te zien dat de beschermde functies die verloren gaan elders worden teruggebracht.

Het is zodoende noodzakelijk om inrichtingsmaatregelen te treffen, om alle beschermde soorten die door de beoogde ontwikkeling worden getroffen te kunnen compenseren. Het plan is uitvoerbaar indien het bevoegd gezag akkoord gaat met de alternatievenafweging, het wettelijk belang en de maatregelen zoals beschreven in het ecologisch onderzoek. Het is dan aannemelijk dat de omgevingsvergunning wordt verleend.

5.7

Stikstof

Wettelijk kader Projecten kunnen bronnen omvatten die stikstofoxiden (NOx) en/of ammoniak (NH3) emitteren naar de lucht. Deze bronnen kunnen aanwezig zijn tijdens het realiseren van een project (bouw- of aanlegfase) of het gevolg zijn van het 'gebruik' van het project (gebruiksfase). De uitstoot van NOx en NH3 in de lucht komt uiteindelijk weer op de grond terecht. Dit heet stikstofdepositie. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit af kan nemen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen met een Europese beschermingsstatus. Ecologische voortoets en/of passende beoordeling Voor een nieuw project of een beoogde wijziging van een bestaand project moet onderzocht worden of er sprake is van een Natura 2000-activiteit. Een project met een

46/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

stikstofdepositiebijdrage op Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een of meerdere voor stikstofdepositie gevoelige hexagonen in een (naderend) overbelaste situatie heeft in potentie een significant effect. Bij een toename van de stikstofdepositie kan in een ecologische voortoets onderzocht worden of de effecten van deze toename op de Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Zo niet, dan is het project vergunningplichtig. Voor de Natura 2000-activiteit wordt dan een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Het bevoegd gezag verleent voor de Natura 2000-activiteit uitsluitend een vergunning, als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de activiteit de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Referentiesituatie Bij wijziging van een project wordt het effect van de wijziging bepaald ten opzichte van de referentiesituatie.

De referentiesituatie voor een bestaand project is de situatie waarvoor in het verleden voor de activiteit een natuurtoestemming is verleend, of bij het ontbreken daarvan een milieutoestemming (milieuvergunning of algemene regels als er geen milieuvergunning nodig was) daterend van voor de referentiedatum, tenzij nadien een milieutoestemming is verleend die leidt tot een lagere stikstofdepositie. In dat geval geldt die latere milieutoestemming als referentiesituatie. De referentiedatum is de datum waarop het Natura 2000-gebied als vogelrichtlijngebied is aangewezen of als habitatrichtlijngebied door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang werd geplaatst. Indien er geen natuur- of milieutoestemming aanwezig is, dan wordt de situatie op de referentiedatum als referentiesituatie aangehouden. Er is geen natuurtoestemming nodig als een activiteit effecten (zoals stikstofdepositie) heeft op een Natura 2000-gebied, maar er (met intern salderen) geen toename van deze effecten is ten opzichte van de referentiesituatie. Toetsing Heijmans heeft een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd voor de herinrichting van de rotonde N224-N226 te Woudenberg. Dit onderzoek richt zich op de aanlegfase van dit project (zie bijlage 11). Provincie Utrecht heeft een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd dat zich richt op de gebruiksfase van dit project (zie bijlage 12).

Voor de aanlegfase is gerekend met versie 2024.2 van het rekeninstrument AERIUS Calculator. De totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase leidt niet tot stikstofdepositie op Natura 2000gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Voor de gebruiksfase is gerekend met versie 2024. 0.1.20241009 van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Voor de gebruiksfase is uitgegaan van de verkeerskundige berekeningen door Sweco van september 2024. De totale stikstofemissie tijdens de gebruiksfase leidt eveneens niet tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar).

47/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Conclusie Uit de resultaten blijk dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, daarom zijn de voorgenomen activiteiten toelaatbaar vanuit het thema stikstof.

5.8

Geluid

Wettelijk kader De Wet geluidhinder blijft van kracht voor de provinciale wegen N224/N226, totdat de provincie nieuwe geluidproductieplafonds heeft vastgesteld (dit staat in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet). Voor de N224/N226 zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld, dus de beoogde wijziging van de rotonde zal plaatsvinden voordat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Voor dit plan blijft de Wet geluidhinder daarom van kracht. De Wet geluidhinder stelt dat onderzoek naar de geluidsuitstraling van alle wegen dient te worden gedaan, met uitzondering van woonerven en wegen die zijn opgenomen in een 30 kmzone. Elke weg heeft een geluidszone die afhankelijk is van het aantal rijstroken en de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied. Indien geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de zone volgens de Wet geluidhinder, moet de optredende geluidsbelasting ter plaatse van deze bestemmingen worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Toetsing In 2020 heeft Sweco een geluidonderzoek uitgevoerd, waarbij het wegverkeerslawaai is onderzocht en getoetst aan wettelijke normering (zie bijlage 13).

In 2024 zijn de verkeerprognoses geactualiseerd en heeft Sweco gecontroleerd of een actualisatie (onder de Omgevingswet) van het geluidonderzoek uit 2020 zou leiden tot grotere effecten en strengere geluidmaatregelen (zie bijlage 14). Dit is niet het geval. Daarmee is het onderzoek uit 2020 actueel. Als gevolg van de herinrichting van de rotonde wordt de huidige rotonde fysiek gewijzigd. Hierdoor is akoestisch onderzoek naar het effect van de wijzigingen noodzakelijk. Uit het geluidonderzoek blijkt dat sprake is van een wettelijke overschrijding. Er is te veel toename in wegverkeerslawaai, als gevolg van de fysieke wijziging aan de rotonde. Als bronmaatregel is toen geadviseerd om geluidreducerend wegdek aan te leggen op en rond de rotonde. Dit advies is door Provincie Utrecht overgenomen. In 2024 is op basis van nieuwe verkeersprognoses onderzocht of een actualisatie van het onderzoek uit 2020 nodig is én of er strengere geluidmaatregelen getroffen moeten worden. Daarnaast is in april 2025 gecontroleerd in hoeverre de resultaten van het geluidonderzoek wijzigen als gevolg van enkele ontwerpaanpassingen. De verschillen die hier uit naar voren komen zijn akoestisch verwaarloosbaar. Een herberekening met het nieuwe ontwerp zou niet leiden tot een andere uitkomst.

Voor geluid worden de effecten grotendeels veroorzaakt door de toename in verkeersintensiteiten – het aangepaste wegontwerp heeft minder effect dan de verkeerstoename, dus een kleine aanpassing in de busbaan heeft amper effect.

48/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Artikel 16.5 lid 2 van de Omgevingswet stelt dat een rapport ouder dan twee jaar geldig is, mits onderbouwd wordt dat de gegevens nog actueel zijn. Hiervoor geldt: 1. Het wettelijk kader is nog actueel. De Wet geluidhinder blijft van kracht voor deze provinciale wegen, totdat de provincie nieuwe geluidproductieplafonds heeft vastgesteld (dit staat in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet). Voor de N224/N226 zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld, dus de beoogde wijziging van de rotonde zal plaatsvinden voordat de geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Voor dit plan blijft de Wet 2. 3.

geluidhinder daarom van kracht Het beoogde ontwerp is slechts op kleine punten gewijzigd sinds 2020. De verschillen die hier uit naar voren komen zijn akoestisch verwaarloosbaar De verkeerscijfers zijn in 2024 herberekend. Deze leiden niet tot ongunstigere uitkomsten voor geluid. Uit de herberekende verkeersprognoses blijkt dat de verkeersintensiteiten, en de toenames in verkeersintensiteiten, niet groter zijn dan in 2020 werd gehanteerd. Het wegverkeerslawaai, en de toename daarin, wordt daarmee ook niet groter dan in 2020 is gehanteerd. Een actualisatie van de gehanteerde verkeerscijfers zou dus niet leiden tot grotere effecten. De bronmaatregel die de provincie heeft voorgenomen, op basis van het geluidonderzoek van 2020, is nog steeds voldoende

Conclusie Op basis van bovenstaande argumenten is geen actualisatie van het geluidonderzoek nodig. Een actualisatie zou niet leiden tot grotere effecten en zou geen strengere geluidmaatregelen vereisen. De bronmaatregel om geluidsreducerend wegdek aan te leggen op en rond de rotonde, is nog steeds voldoende. Mits de bovengenoemde bronmaatregel wordt toegepast, is de voorgenomen ontwikkeling bezien vanuit het thema geluid uitvoerbaar.

5.9

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde 2. 3.

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging

Niet in betekende mate Met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. Onder de Omgevingswet vindt de beoordeling van luchtkwaliteit niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor

49/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 BKI volgt dat een project NIBM bijdraagt aan luchtkwaliteit als toename van concentraties NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3 % van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3 %-grens niet wordt 2.

overschreden Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3 %-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Toetsing Op basis van de nieuwste verkeergetallen heeft Sweco een notitie voor onder andere luchtkwaliteit opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 14. De fysieke wijziging aan de rotonde zorgt voor een toename van hoogstens 662 voertuigen per etmaal op de aansluitende wegvakken. Bij een worst-case benadering van 10 % vrachtverkeer, leidt dit tot een toename van 0,99 μg/m3 NO2 en 0,10 μg/m3 PM10. Dit ligt onder de NIBM-grens van 1,2 μg/m3. De bijdrage van het extra verkeer, als gevolg van de wijziging aan de rotonde, is daarom niet-in-betekende-mate (NIBM), en vereist geen nader onderzoek. Hierom is er geen verder onderzoek nodig naar de effecten op de luchtkwaliteit als gevolg van het wijzigen van de rotonde N224/N226. Conclusie Voldoet aan de NIBM regel en prognose voldoet (nu al) aan de nieuwe EU-norm 2030. Het thema luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.10

Externe veiligheid

Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in de instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl.

50/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten: 1. Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende 2. 3. 4.

activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Bij de ontwikkeling moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) 2. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) 3. 4.

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

Toetsing De N224 en N226 zijn geen onderdeel van het basisnet voor de transport van gevaarlijke stoffen. Daardoor is onderzoek naar externe veiligheid niet verplicht. Wel bestaat het risico dat de verbeterde doorstroming mogelijk tot gevolg heeft dat er meer gevaarlijke stoffen worden getransporteerd over de N226 tussen de A28 en de A12. De te verleggen gasleiding hoeft niet beschouwd te worden in het kader van de ruimtelijke procedure. Conclusie Het thema externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.11

Duurzaamheid

Wettelijk kader In de Omgevingswet is duurzaamheid stevig verankerd. Met het oog op duurzame ontwikkeling, moet een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit worden bereikt. Dit hangt sterk samen met het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

51/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Toetsing De provincie past binnen infrastructuurprojecten de aanpak duurzaam GWW (grond-, weg- en waterbouw) toe. Deze aanpak is gericht op het op een verantwoorde wijze omgaan met grondstoffen en materialen binnen grond-, weg- en waterbouwprojecten gedurende planvorming, aanbesteding, aanleg, beheer en onderhoud. Door middel van innovatie en verduurzaming van infrastructuur wordt een bijdrage geleverd aan het bereiken van de klimaat- en energiedoelstellingen van Nederland; zoals 50 % minder gebruik maken van primaire grondstoffen in 2030. In de voorbereidingsfase worden ontwerp- en faseringsoptimalisaties doorgevoerd die bijdragen aan een meer circulair en klimaatneutraal ontwerp. Tevens vinden aanpassingen plaats die bijdragen aan vergroting van biodiversiteit en klimaatadaptiviteit. De grondlegger hiervoor is het Koersdocument 'Samen op weg naar duurzame infra in 2030' van de Provincie Utrecht. Conclusie De beoogde activiteiten zijn toelaatbaar wat betreft duurzaamheid.

52/56

Kenmerk

5.12

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Gezondheid

Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet benoemd: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften Het aspect gezondheid neemt dus een belangrijke plek in binnen de Omgevingswet. Toetsing Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn: elkaar ontmoeten, ontspannen, uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen, sporten), een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (hittestress en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen zoals een gezond voedselaanbod. Door middel van de beoordeling van de hierboven beschreven milieuthema’s in voorgaande paragrafen is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Uit de uitkomsten valt op te maken dat er geen sprake is van ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er zijn voor wat betreft gezondheid dus geen belemmeringen die het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staan. Conclusie De beoogde activiteiten zijn toelaatbaar wat betreft gezondheid.

5.13

M.e.r.-beoordeling

In de mer-regelgeving, afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), wordt onderscheid gemaakt tussen projecten waar een mer-plicht geldt en projecten waar een mer-beoordelingsplicht geldt. Mer-beoordelingsplichtige projecten zijn projecten waarvoor de beslissing of de mer-procedure moet worden doorlopen niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet dan bepalen of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’, welke het doorlopen van de merprocedure wenselijk en noodzakelijk maken.

53/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

Of een besluit mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Bij een activiteit die te maken heeft met de aanleg, wijziging, uitbreiding, verlegging of verbreding van wegen is een m.e.r.-beoordeling vereist als sprake is van: 1. De aanleg van een autosnelweg of autoweg 2. 3.

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een nieuwe weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer De verlegging of verbreding van een bestaande weg met twee rijstroken of minder tot een

weg met vier of meer rijstroken die betrekking heeft op een ononderbroken tracélengte van 10 km of meer Voor de herinrichting van de rotonde is geen m.e.r.-beoordeling vereist omdat bovenstaande punten niet van toepassing zijn op de voorgenomen wijzigingen aan de N224/N226.

6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over kostenverhaalplichtige activiteiten in de artikelen 8.13 t/m 8.15. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid en de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren. Het voorgenomen plan is een initiatief van Provincie Utrecht. Zij is initiatiefnemer, opdrachtgever en deels eigenaar van de gronden rondom de rotonde. Benodigde gronden worden aangekocht. Provincie Utrecht is hoofdinvesteerder in het voorgenomen project. De financiële verzekering is vastgelegd in het PS-besluit van 17 november 2021. Naast de provincie heeft het Rijk een regeling gelanceerd voor de verkeersveiligheid. Concreet heeft een aanvraag geleid tot een bijdrage van EUR 1,7 miljoen. Conform de informatie uit het PS-besluit is de financiële uitvoering van het project daarmee verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie In de aanloop naar het investeringsbesluit voor dit project (november 2021) heeft er veelvuldig bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen de Gedeputeerde Mobiliteit van de provincie Utrecht en de wethouder Mobiliteit van de gemeente Woudenberg. Beide overheden zijn positief over de plannen en zien dit als een mobiliteitsimpuls voor de regio in het algemeen en Woudenberg in het bijzonder. De samenwerking tussen provincie Utrecht en gemeente Woudenberg heeft formeel beslag gekregen in een Bestuursovereenkomst. Tussen gemeente en het projectteam van de provincie is tevens afstemming op raakvlakprojecten. Met name betreft dit de herontwikkeling van de Zuidelijke Dorpsrand Woudenberg. Vanwege de toen geldende coronamaatregelen was het in 2020-2022 niet mogelijk om de plannen tijdens een inloopavond aan de inwoners van Woudenberg toe te lichten en daarover met hen gezamenlijk in gesprek te gaan. In plaats van deze inloopavond te vervangen door digitale bijeenkomsten is er toen voor gekozen om in eerste instantie een persoonlijk gesprek aan te gaan met direct betrokken aanwonenden. Voor een aantal aanwonenden heeft het ontwerp directe

54/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

invloed (grondaankoop en uitzicht). Met deze bewoners zijn ook in de voorbereidingsfase vervolggesprekken gevoerd, waarbij specifieke wensen zijn opgenomen ten aanzien van het ontwerp. Deze hebben met name te maken met de ontsluiting van de woningen, groenvoorzieningen en zichtlijnen op de nieuwe weg en het nieuwe fietspad. In de voorbereidingsfase zijn tevens (vervolg)gesprekken opgestart met perceeleigenaren in verband met grondverwerving voor het project. Met het waterschap en de gemeente Woudenberg is afgestemd op groen- en watercompensatie. In verband met onderzoeken voor groen, flora en fauna is met de perceeleigenaren afstemming geweest voor veldonderzoek (toestemming betreden van de percelen). Het investeringsbesluit en de vervolgmaatregelen van de provincie zijn breed gecommuniceerd in het projectgebied onder de bewoners en grondeigenaren in de vorm van een informatiebrief die is verspreid in augustus 2023. In deze brief is tevens aangekondigd dat de omgevingsmanager van het project met een aantal bewoners huiskamergesprekken zal voeren over de geplande wegaanpassingen en specifieke vragen of wensen van bewoners bij die gelegenheid zal meenemen in het projectteam. Deze gesprekken zijn daarop gehouden, zoals aangekondigd. In 2023 is bovendien de project website geactualiseerd en voorzien van o.a.

een animatievideo die de eindsituatie laat zien op de weg met de nieuwe rotonde en fietstunnel. Inloopbijeenkomst Op 19 mei 2025 organiseerde de provincie Utrecht in Cultuurhuis Woudenberg (Dorpsstraat 40) een informatiebijeenkomst over het project voor de aanleg van de nieuwe rotonde en fietstunnel op de kruising van de provinciale wegen N224/N226. Tijdens deze bijeenkomst waren aanwezig medewerkers van de provincie Utrecht, advies- en ingenieursbureau TAUW en aannemer Heijmans. Met een opkomst van ruim 100 bezoekers kan gesteld worden dat er de nodige publieke belangstelling was voor dit project. Genodigden waren tevoren op de hoogte gesteld van deze inloopbijeenkomst door middel van informatiebrieven die in het projectgebied waren verspreid. Ondersteunend daaraan waren belanghebbenden en belangstellenden ook geïnformeerd via berichtgeving in de lokale media. Tijdens deze inloopbijeenkomst werd toelichting gegeven op het voorlopig ontwerp. Daarvoor waren op diverse informatietafels niet alleen presentatietekeningen neergelegd maar ook beelden van de eindsituatie. Op een scherm werd doorlopend een animatievideo gedraaid, waarin de situatie werd getoond na oplevering van de werkzaamheden. Verder was er een informatietafel waar bezoekers uitleg kregen over het beeldkwaliteitsplan.

Men kon daarop input geven door wensen en opmerkingen te delen over met name de inrichting van de fietstunnel. Tevens werd toelichting gegeven op de voorgenomen maatregelen met betrekking tot het groenplan. Ook de ruimtelijke procedure werd toegelicht. Om deze reden waren bij de bijeenkomst tevens medewerkers van de gemeente Woudenberg aanwezig om vragen te beantwoorden.

55/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

De meeste reacties van de bezoekers hadden betrekking op het ontwerp van de fietstunnel, waarbij met name vragen werden gesteld over de sociale veiligheid in de tunnel. Uitgelegd werd o.a. aan de lokale vertegenwoordiger van de Fietsersbond dat in dit ontwerp optimalisaties zijn doorgevoerd, waarmee met name de zichtlijnen en het open karakter van de tunnel conform de CROW richtlijnen zijn verbeterd. De lokale vertegenwoordiger van de Fietsersbond vroeg aandacht voor een alternatief ontwerp, waarin de tunnel in rechtstand zou komen te liggen in noord-zuid richting direct onder het hart van de huidige rotonde. Deze variant is in de studiefase van het project eerder beoordeeld. Omdat daarmee de toegang tot de nabijgelegen woningen volledig afgesloten zou worden, is deze variant door de provincie als ongewenst afgewezen en om die reden afgevallen. Verder waren er de nodige vragen over de impact van het project voor de omgeving in de realisatiefase, waarbij met name de aandacht uitging naar de verkeersmaatregelen in geval van een tijdelijke afsluiting van de provinciale wegen. Van het aanbod om opmerkingen op het ontwerp schriftelijk te delen met de projectgroep in de vorm van een reactieformulier is door meerdere bezoekers gebruik gemaakt. Eenieder die schriftelijk heeft gereageerd, ontvangt een reactie van de provincie Utrecht op de gestelde vragen, opmerkingen en suggesties.

6.2.2 Vergunningprocedure Op grond van artikel 16.64 van de Omgevingswet geldt de reguliere procedure die 8 weken duurt en waarbij de beslistermijn nog met 6 weken. Wel zal op grond van het door de raad vastgesteld adviesrecht het plan worden voorgelegd aan de gemeenteraad voor (bindend) advies. Bij de reguliere procedure wordt een vergunning niet als ontwerpvergunning ter inzage gelegd. De bezwarenprocedure van 6 weken is na het verlenen van de omgevingsvergunning

7 Samenvatting en conclusie Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen als is aangetoond dat er sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) volgens artikel 4.2, eerste lid van de Omgevingswet. Of er sprake is van een ETFAL, moet worden bepaald aan de hand van een belangenafweging. Enerzijds speelt het belang van de initiatiefnemer een rol, waarbij het gaat om het verkrijgen van de benodigde vergunning voor de activiteiten op een specifieke locatie. Anderzijds is er het belang achter de regel waarvan afwijking wordt gevraagd. In de beoogde ontwikkeling wordt ingespeeld op de urgente behoefte om de capaciteit van de rotonde op te waarderen. Met name tijdens de spitsperioden ontstaan wachtrijen op één of meerdere takken van de rotonde. De beoogde ontwikkeling zal oplossing bieden voor dit knelpunt

56/56

Kenmerk

R004-1289346TKH-V03-sss-NL

in het wegennetwerk. Daarnaast is de rotonde momenteel erg onveilig voor fietsers. Het aanleggen van een fietstunnel zorgt voor een verbetering van de veiligheid voor fietsers. Er vinden diverse aanpassingen plaats aan de rotonde zelf, zo wordt de rotonde wat richting het westen verlegd. Ten oosten van de rotonde wordt een fietstunnel gerealiseerd. Een in- en uitrit ten zuiden van de rotonde verdwijnen. Hiervoor wordt een nieuwe toegangsweg aangelegd richting de volkstuintjes vanaf de weg Slappedel. Ten oosten van de rotonde wordt een busbaan aangelegd. Ten zuiden van de N224 wordt vanaf de rotonde een nieuwe toegangsweg richting het tankstation gerealiseerd. Diverse watergangen rondom de rotonde worden vergraven en verlegd. Voor de benodigde watercompensatie zijn ruimtelijke ingrepen beoogd ten noorden van de N224, ten oosten van de rotonde en bij een lange watergang tussen de N226 en de weg ‘Slappedel’. Met de vergunning worden de beoogde activiteiten, zoals omschreven in hoofdstuk 3, mogelijk gemaakt. Het relevante beleid en de relevante omgevingsaspecten en andere thema’s zijn in deze ruimtelijke motivering onderzocht. In hoofdstuk 4 heeft toetsing aan de beleidskaders op Rijks-, provinciaal-, waterschap- en gemeentelijk niveau. Hierbij blijkt dat de aangevraagde activiteiten passen binnen de geldende beleidsregels.

In hoofdstuk 5 zijn de omgevingsaspecten onderzocht en gemotiveerd. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de wettelijke kaders voor de thema’s: • Verkeer • • •

Cultureel erfgoed Landschap Bodem

• • •

Water Ecologie Stikstof

• • •

Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid

Met het voornemen is ook voldoende aandacht besteed aan duurzaamheid en gezondheid. In het traject is op een actieve manier met participatie omgegaan. Ook zijn financiële middelen gegarandeerd, waardoor het voornemen uitvoerbaar is. Geconcludeerd wordt dat de aangevraagde activiteiten kunnen worden vergund met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

57/56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3259/documents/66214