CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04a. Zegheweg 8a_TOELICHTING.pdf

Raadscommissie 5 oktober 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 12: Bestemmingsplan Zegheweg 8a17.963 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en =

Zegheweg 8a

28

200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2

Beoordeling

De realisatie van zeven seniorenwoningen kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Parkeren en verkeer

Zowel vanuit de ruimtelijke ordening als vanuit verkeer en vervoer is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand volgt eerst een overzicht van het parkeren. Vervolgens worden de mobiliteitseffecten in beeld gebracht. 4.5.1

Parkeren

Aan de hand van de kencijfers 'CROW 381 toekomstbestendig parkeren' uit 2018 (voorheen: 'CROW 317 kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') kan inzicht worden verkregen in de parkeersituatie. In onderstaande tabel is het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. Hierbij worden de seniorenwoningen ingedeeld in de categorie 'koop, appartement, midden'. Er is rekening gehouden met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min

Tot. max

Koop, appartement, midden

1,5

2,3

7

10,5

16,1

11

17

Totaal aantal parkeerplaatsen

Tabel parkeren Gelet op bovenstaande tabel zijn minimaal 11 parkeerplaatsen benodigd. De betreffende parkeernormen zijn inclusief bezoekersparkeren. Er komt een garagesysteem waardoor ook bezoek in de kelder kan parkeren. In de kelder worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de voorzijde van het perceel één parkeerplaats gerealiseerd ten behoeve van pakketdiensen en voor verkeer dat wacht om toegelaten te worden in de garage. Gelet op het voorgaande wordt (ruim) voldaan aan het gestelde minimum van 11 parkeerplaatsen. 4.5.2

Verkeer

De ontsluiting van het plangebied vindt rechtstreeks op de Zegheweg plaats. Voor wat betreft het openbaar vervoer is er op vier minuten loopafstand een bushalte met rechtstreekse busverbindingen naar onder meer Veenendaal en Amersfoort. De verkeersaantrekkende werking van de toe te voegen seniorenwoningen is eveneens te bepalen aan de hand van de kencijfers van 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Zoals aangegeven worden de seniorenwoningen ingedeeld in de categorie 'koop, appartement, midden' en wordt rekening gehouden

Zegheweg 8a

29

met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting te maken. Omschrijving

Min.

Max.

Aantal (st)

Tot. min.

Tot. max.

Koop, appartement, midden

5,6

6,4

7

39,2

44,8

40

45

Totaal verkeersbewegingen/etmaal

Tabel verkeersgeneratie per dag nieuwe situatie Op basis van bovenstaande berekening resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie in maximaal 45 verkeersbewegingen. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de functie die in de huidige situatie mogelijk is. In de huidige situatie is er sprake van een bouwvlak ten behoeve van een bedrijf waarbinnen 435 m2 aan bedrijfsgebouwen mag worden opgericht. Voor de toegestane bedrijfsfunctie geeft de CROW-publicatie een kengetal voor de verkeersgeneratie van minimaal 9,1 per 100 m2 Bvo. Ervan uitgaand dat er sprake is van bedrijfsbebouwing in één bouwlaag resulteert dit in circa 40 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op het voorgaande heeft de bestemmingswijziging een vergelijkbaar effect op de verkeersstromen in de omgeving van het plangebied. 4.5.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. 4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Onderzoek / beoordeling

Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van zeven seniorenwoningen. De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een zogenaamd geluidsgevoelig object. Onderzocht dient te worden of toetsing aan de Wet geluidhinder dient plaats te vinden. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. De nieuwe seniorenwoningen liggen binnen de bebouwde kom, maar niet in de geluidzone van een gezoneerde weg. Wel liggen de nieuwe woningen aan de Zegheweg. Voor de Zegheweg geldt binnen de bebouwde kom een maximale snelheid van 30 km/u. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze weg, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ten gevolge van deze weg. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door SPA WNP (Bijlage 6). De resultaten van het onderzoek luiden als volgt:

Zegheweg 8a

30

Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woningen vanwege het verkeer op de Zegheweg (30 km/uur) een geluidbelasting zullen ondervinden van maximaal 50 dB. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, maar lager dan de maximaal toelaatbare geluidbelasting, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Zegheweg aanvaardbaar is. Omdat 30 km/uur wegen volgens de Wet geluidhinder niet gezoneerd zijn, kan voor de geluidbelasting van de Zegheweg geen hogere waarde worden verleend. In verband met een goede ruimtelijke ordening en een goed woonklimaat, is het aan te bevelen om bij de bepaling van de geluidwering van de gevels rekening te houden met de bijdrage van de 30 km/uur weg. Dit kan door bij het ontwerp van de nieuwe woningen rekening te houden met de geluidbelasting. De gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek artikel110g Wet geluidhinder, bedraagt maximaal 55 dB. 4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. De aanbevelingen uit het onderzoek zullen worden overgenomen. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

Zegheweg 8a

31

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Onderzoek / beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Bij de toetsing is de planologische situatie maatgevend. De bedrijvigheid die zich volgens het planologische regime mag vestigen komt aan de orde. Er wordt derhalve uitgegaan van de maximale planologische invulling van de toegekende bestemming. Onderhavig plangebied is gelegen in een gebied dat zich, in de nabije toekomst, laat karakteriseren als woongebied. Veel bedrijfsmatige functies zijn in de omgeving verdwenen. Gelet op deze ligging is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In de directe omgeving van het plangebied zijn weinig milieubelastende functies gelegen. Ten noorden van het plangebied ligt het perceel Zegheweg 8 met een maatschappelijke bestemming ten behoeve van 36 zorgwoningen. De betreffende zorgwoningen kunnen, gezien de aard van de functie, niet beschouwd worden als een milieubelastende functie. Op ruim 50 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich aan de Zegheweg 6 een bedrijfsbestemming waarbinnen bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan.

Gelet op de afstand van ruim 50 meter kan ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Overige bedrijven bevinden zich op grotere afstand, waarbij dit een voldoende grote afstand is om milieuhinder te voorkomen. De bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving van het plangebied leveren geen belemmering op voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom geldt dat onderhavig initiatief niet leidt tot een beperking van bedrijfsactiviteiten van omliggende bedrijven. Bij de betreffende bedrijven liggen al woningen op kortere afstand die maatgevend zijn. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van zeven seniorenwoningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieubelastende functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

Zegheweg 8a

32

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Zegheweg 8a

33

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waarde gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Zegheweg 8a

34

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg of spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus voor wat betreft deze aspecten geen beperking voor het plangebied. De N224 ligt op een afstand van circa 205 meter van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee op de grens van het invloedsgebied (binnen 200 meter) van deze weg. Op circa 40 meter van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding. De leiding W-520-06 heeft een invloedsgebied van 200 meter. Eerder is voor de ontwikkeling van Woudenberg Oost in het bestemmingsplan 'Hoevelaar fase 1' een QRA voor deze leiding uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het groepsrisico 0,011 * de oriëntatiewaarde bedraagt. De toename van het aantal personen in dat plan leidt niet tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Gezien de beperkte toename in het aantal aanwezige personen in dit plangebied zal ten gevolge van de voorliggende plannen het groepsrisico ook onder 0,1 * de oriëntatiewaarde blijven. Voor het groepsrisico geldt geen harde norm maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht. Omdat het groepsrisico in de nieuwe situatie niet groter wordt dan 0,1 * de oriëntatiewaarde is geen volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

Inrichtingen Op circa 800 meter van het plangebied ligt de firma Van Appeldoorn B.V. aan de Parallelweg 6 in Woudenberg. Gezien de voorgenomen plannen (realisatie seniorenwoningen) dient het groepsrisico van Van Appeldoorn beoordeeld te worden. De voorgenomen locatie ligt immers binnen het invloedsgebied van Van Appeldoorn, echter ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Voor de wijk Hoevelaar is een Quickscan externe veiligheid uitgevoerd waarin voor circa 220 woningen wordt geconcludeerd dat de extra populatie resulteert in een nauwelijks gewijzigd groepsrisico voor Van

Zegheweg 8a

35

Appeldoorn. Er is geen noemenswaardige stijging van het groepsrisico waarneembaar. Dit komt doordat de nieuwe populatiegegevens ter hoogte van de plaatsgebonden risicocontour van 10-9 per jaar ligt. De invloed op het groepsrisico is hiermee zeer beperkt. Er worden bovendien geen nadelige gevolgen voor Van Appeldoorn verwacht bij mogelijk toekomstige uitbreidingen van activiteiten van Van Appeldoorn binnen hun terrein. Met de toevoeging van zeven seniorenwoningen op een nog grotere afstand dan de woonwijk Hoevelaar fase 1, kan worden gesteld dat deze conclusie kan worden doorgetrokken voor deze ontwikkeling. Het groepsrisico voor de Zegheweg 8a is aanvaardbaar en neemt nauwelijks toe. Met betrekking tot de overige inrichtingen in de directe omgeving, geldt dat het plangebied ruim buiten het invloedsgebied van de betreffende inrichting is gelegen. 4.8.3

Verantwoording

Omdat het niet aannemelijk is dat 10% van de oriënterende waarde wordt overschreden of het groepsrisico met 10% toeneemt, volstaat een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Er dient onder meer aandacht te worden besteedt aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Effecten Een toxische wolk kan optreden bij een ongeval, in dit geval op de provinciale weg N224 en bij de PGS 15 loods, waarbij giftige stoffen betrokken kunnen zijn. Vaak is dit een kleurloze, reukloze, giftige vloeistof. Wanneer er een ongeval plaatsvindt ter plekke van één van deze risicobronnen is het voor de aanwezigen in het plangebied van belang om snel actie te ondernemen. Waar mogelijk kan ontruiming plaatsvinden, maar in de meeste gevallen zal men worden opgeroepen om te schuilen in hun woning, ramen en deuren te sluiten en indien van toepassing mechanische ventilatie uit te schakelen. Bij een ongeval met de hogedruk aardgasleiding ten oosten van het plangebied, kan een fakkelbrand optreden. Afhankelijk van waar er een ongeval met de buisleiding plaatsvindt, kan het plangebied geraakt worden door de effecten van een fakkelbrand. Vanwege de hoge warmtestraling is het belangrijk voor aanwezigen om dekking te zoeken. Voor personen binnen, dichtbij de bron waar gebouwen kunnen ontbranden, is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten.

Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” en het bouwbesluit 2012. Vanwege het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is het wenselijk dat het plangebied en de risicobron tenminste tweezijdig kan worden benaderd om niet afhankelijk te zijn van meteorologische invloeden. In onderhavig plan wordt hieraan voldaan. Het plangebied is ten noorden bereikbaar via de Zegheweg, ten oosten via de Stationsweg Oost en ten westen via de Randweg. Dit geeft hulpdiensten genoeg mogelijkheden qua bereikbaarheid indien zij moeten optreden in geval van calamiteiten. Ook zijn de risicobronnen goed bereikbaar. Voorts dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden.

De Veiligheidsregio Utrecht heeft aangegeven dat er in de huidige situatie in voldoende mate is voorzien in bluswatervoorzieningen om de geplande voorzieningen te realiseren. Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen indien een ramp of zwaar ongeval plaatsvindt.

Zegheweg 8a

36

Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in een aangewezen gebouw te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste in combinatie met het sluiten van deuren en ramen. Met betrekking tot onderhavig plan staat nog niet volledig vast of voor wat betreft de toevoer gebruik wordt gemaakt van natuurlijke ventilatie dan wel mechanische ventilatie. In het geval van mechanische ventilatie zal de nieuwbouw worden voorzien van uitschakelbare ventilatie, zodat men in de woning kan schuilen en toxisch gas niet naar binnen wordt gezogen. De mechanische ventilatie is met één druk op de knop uit te schakelen. Voor de woningen wordt dit bereikt door de stekker van de mechanische ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te installeren. In het geval van natuurlijke ventilatie worden, in het kader van risicocommunicatie, de toekomstige bewoners geïnformeerd over de mogelijke scenario's en handelingsperspectieven daarbij. In het geval zich een fakkelbrand voordoet naar aanleiding van een incident met de buisleiding, is het advies aan de personen in het plangebied om te vluchten van de bron af.

Wanneer de hittestraling hier te groot voor is, is het belangrijk dat personen dekking zoeken of schuilen in een aangewezen gebouw. Bij onderhavig plan vindt de ontsluiting naar het westen toe plaats op de Zegheweg. Daarmee kan men van de bron af vluchten en zichzelf in veiligheid brengen dan wel schuilen aan de westzijde van de nieuwbouw ter plaatse van de parkeerplaats. De capaciteit van de vluchtwegen is voldoende. Bij een te grote hittestraling kan men schuilen in de eigen woning. In geval van brand kan men onder dekking van tussenliggende bebouwing naar de westzijde (Zegheweg) vluchten. Het betreft dan de tussenliggende bebouwing van de nieuwbouwwijk Hoevelaar die momenteel wordt gerealiseerd. Om te zorgen dat de personen in het getroffen of bedreigde gebied beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden om zich in veiligheid te stellen, is een goede risicocommunicatie van groot belang. Toekomstige bewoners zullen worden geïnformeerd over de mogelijke scenario's en handelingsperspectieven daarbij. In zijn algemeenheid geldt dat de zeven seniorenwoningen bedoeld zijn voor mensen die volledig zelfstandig kunnen wonen. Derhalve mag ervan uit worden gegaan dat het gaat om zelfredzame personen.

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid kan het hulpsysteem 'Hartveilig Wonen' gehanteerd worden waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren in afwachting van een ambulance. 4.8.4

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De verantwoording van het groepsricio laat zien dat de risico's aanvaardbaar zijn. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van de geldende bestemmingsplannen is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn, met uitzondering van de reeds besproken hogedruk aardgasleiding. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Zegheweg 8a

37

4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd".

Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Provincie Utrecht

Zegheweg 8a

38

In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van bodem, water en milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 2021. De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werken leefklimaat. De provincie Utrecht acht een duurzaam en robuust watersysteem nodig voor het waarborgen van een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving. Op basis van een toekomstverkenning onderscheidt de provincie drie hoofdthema's: Veiligheid: met aandacht voor preventie, gevolgenbeperking en rampenbeheersing bij overstromingen; Kwaliteit en kwantiteit: met aandacht voor voldoende en schoon oppervlakte- en grondwater en water voor natuur; Gebruik en Beleving: met aandacht voor mooier water, veilig vaar- en zwemwater. De provincie ontwikkelt in samenwerking met de waterschappen duurzame, robuuste watersystemen, die extreme situaties zoals langdurige droogte en een teveel aan water kunnen opvangen. Deze worden gerealiseerd door in de verschillende gebieden op de lange termijn in te zetten. Het beleid van de Provincie Utrecht is er op gericht om geen permanente kunstmatige ingrepen in de grondwaterstand toe te staan.

Bij ondergrondse of halfverdiepte bouw betekent dit dat er geen bemaling is toegestaan om grondwateroverlast te voorkomen. Hier dient bij het ontwerp rekening mee te worden gehouden in vorm van waterdichte constructies. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec 2009). Waterbeheerprogramma 2016 – 2021 Waterschap Vallei en Veluwe Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld.

Indien het regenwater van de daken naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dakgevelbekleding en goten. 4.10.3

Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 7). In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Zegheweg 8a

39

Het peil voor de bebouwing zal net als in Hoevelaar en bij het project Zegheweg 8 met 50 cm verhoogd worden om wateroverlast in de toekomst te voorkomen. Hiermee wordt zoveel mogelijk klimaat robuust gebouwd. De ondergrondse bouw zal bestaan uit een waterdichte constructie. De vuilwaterafvoer van de nieuwbouw zal worden aangesloten op het bestaande riool aan de Zegheweg. Het regenwater wordt afgevoerd naar de wadi ten zuiden van het perceel en wordt niet geïnfiltreerd in verband met de hoge grondwaterstanden. Voor het overige zal de waterhuishoudkundige situatie op het perceel ongewijzigd blijven. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen.

Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Wel zal het peil 50cm verhoogd worden om toekomstige wateroverlast te voorkomen. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van ons waterschap toe te passen. Deze beslisboom is te vinden op onze website. 4.10.4

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen. 4.11

M.e.r.-beoordeling

4.11.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn

Zegheweg 8a

40

opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.11.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Kenmerken van het project Het initiatief ziet op het omzetten van de bestaande bedrijfsfunctie op het perceel Zegheweg 8a naar een woonfunctie. Het bestaande bedrijfsgebouw wordt gesloopt waarna er een nieuw woongebouw met zeven seniorenwoningen wordt gerealiseerd. Er is sprake van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. De ontwikkeling ziet niet op productie van afvalstoffen en/of verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten. De stijging van het groepsrisico is niet noemenswaardig. Plaats van het project Het plangebied is gelegen op de grens tussen de bestaande bebouwde kom en een nieuwbouwlocatie ten behoeve van de nieuwe woonwijk Hoevelaar. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat ligt op circa 9 kilometer afstand. De ontwikkeling leidt verder niet tot een aantasting van historische, culturele of archeologische belangen. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op het milieu. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering, gelet op de omvang van het plangebied.

Door het verwijderen van een bedrijfsbestemming met een relatief groot bouwvlak temidden van woningen, wordt een kwaliteitsverbetering voor de directe omgeving bereikt. 4.11.3

Conclusie

De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen. 4.12

Niet gesprongen explosieven

Op 6 april 2017 is voor de uitbreiding van Woudenberg Oost een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven uitgevoerd door IDDS (Bijlage 8). De planlocatie Zegheweg 8a lag ook in het onderzoeksgebied. Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat er geen indicaties gevonden zijn die erop wijzen dat binnen het onderzoeksgebied Hoevelaar Woudenberg in de gemeente Woudenberg (Utrecht) oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, waardoor CE in de bodem kunnen zijn achtergebleven. In het onderzoeksgebied zijn mogelijk elementen van de Grebbelinie aanwezig en lag een deel van de Pantherstellung. Dit is vastgesteld op basis van respectievelijk de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Woudenberg en op basis van luchtfoto's. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen in de geraadpleegde bronnen dat door de aanwezigheid van deze verdedigingslinies CE in de bodem zijn achtergebleven. Het onderzoeksgebied is onverdacht op het aantreffen van CE.

Zegheweg 8a

41

Inventarisatiekaart Hoevelaar Woudenberg Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies, is het onderzoeksgebied onverdacht verklaard op het aantreffen van CE in de bodem. De voorgenomen werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder dat vervolgstappen in de explosievenopsporing noodzakelijk zijn. 4.13

Duurzaam bouwen

De klimaatveranderingen, de eindigheid van de fossiele brandstof en het daarop anticiperende beleid van het Rijk, provincies en gemeenten vragen er om dat actief gekeken wordt naar duurzaamheid in nieuwbouwplannen. Het betreft thema's zoals CO2- en energiebesparing, duurzame energie en duurzaam bouwen. In het plan wordt voldaan aan de nieuwste wetgeving op het gebied van duurzaamheidseisen. De schuine (lessenaars)daken zullen benut worden ten behoeve van zonnepanelen. In het sloop- en bouwproces wordt zoveel mogelijk circulair gebouwd. Het streven is om een zo energiezuinig mogelijk woongebouw op te leveren. De duurzaamheidsaspecten zullen in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning verder worden uitgewerkt.

Zegheweg 8a

42

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Bebouwde Kom Woudenberg'. Het bestemmingsplan 'Zegheweg 8a' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.

Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Zegheweg 8a' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2

Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1

Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

Zegheweg 8a

43

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2

Bestemmingen

Tuin De gronden vóór de gevel van het nieuwe woongebouw welke naar de Zegheweg is gekeerd, hebben de bestemming 'Tuin' gekregen. De betreffende gronden zijn in hoofdzaak bestemd ten behoeve van tuinen met bijbehorende voorzieningen. Wonen Voor de overige gronden is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Het nieuwe woongebouw moet binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht. Omdat ondergronds bouwen enkel is toegestaan binnen het bouwvlak, is het bouwvlak afgestemd op de kelder van het nieuwe woongebouw. Het aantal van zeven seniorenwoningen is juridisch geborgd door dit aantal op te nemen als maximum aantal wooneenheden. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen woningen gestapeld worden gebouwd. 5.4

Algemene regels

5.4.1

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2

Overige algemene regels

Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5

Overgangs- en slotregels

5.5.1

Overgangsregel

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.

Zegheweg 8a

44

5.5.2

Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

Zegheweg 8a

45

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1

Omgevingsdialoog

Omwonenden zijn op de hoogte gesteld van de beoogde plannen. Initiatiefnemer heeft bij de direct omwonenden een presentatieboekje afgegeven. Daarbij werd in een begeleidende brief de mogelijkheid geboden om te reageren op het plan. Op de verstrekte informatie is geen reactie gekomen binnen de in de begeleidende brief gestelde termijn. Het verslag van de omgevingsdialoog is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. 6.2.2

Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren. In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op het (concept)ontwerpbestemmingsplan 'Zegheweg 8A' een reactie binnengekomen van de volgende instanties: Provincie Utrecht, RUD Utrecht, Omgevingsdienst regio Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht en Waterschap Vallei en Veluwe. Onderstaand zijn de reacties per instantie samengevat en van een reactie voorzien. Daarnaast heeft interne toetsing bij de gemeente Woudenberg geleid tot enkele ambtshalve aanpassingen. Deze worden eveneens samengevat en van een reactie voorzien. 1. Provincie Utrecht, 19 maart 2021 Het (concept)ontwerpbestemmingsplan 'Zegheweg 8A', geeft de Provincie geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016).

Ook constateert de Provincie dat het plan in overeenstemming is met de op 1 april in werking tredende Interim Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassingen aan het ontwerpbestemmingsplan. 2. RUD Utrecht, 9 en 24 maart 2021 De RUD Utrecht heeft op 9 maart 2021 een reactie gegeven ten aanzien van het uitgevoerde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. De RUD geeft aan dat het een duidelijk en compleet rapport is. Er zijn

Zegheweg 8a

46

geen hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder nodig. Vanuit een goed woon- en leefklimaat is het aan te bevelen om de cumulatieve geluidbelasting van 55 dB als uitgangspunt te nemen voor het bepalen van de benodigde geluidwering. De RUD Utrecht heeft op 24 maart 2021 een reactie gegeven ten aan zien van het uitgevoerde bodemen asbestonderzoek. De RUD concludeert dat het uitgevoerde bodemonderzoek voldoende beeld geeft van de bodemkwaliteit ter plaatse van de aanvraag. Er is geen belemmering aanwezig voor de bestemmingswijziging van de locatie (geen sterke verontreiniging). Ten aanzien van (diffuus) lood wordt nog specifiek aangegeven dat, hoewel de resultaten geen aanleiding geven tot het nemen van aanvullende saneringsmaatregelen op basis van de huidige Wet bodembescherming, uit recente inzichten blijkt dat bij bepaalde (gevoelige) bestemmingen zoals 'wonen met tuin' risico's voor kinderen kunnen optreden. De RUD raadt aan de gebruiksadviezen voor deze locaties op te volgen. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassingen aan het ontwerpbestemmingsplan. De reactie met betrekking tot geluid komt overeen met de conclusies in paragraaf 4.6 van deze toelichting. Met betrekking tot bodem is initiatiefnemer op de hoogte gebracht van de gebruiksadviezen voor deze locaties. 3.

Omgevingsdienst regio Utrecht, 8 maart 2021 De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft op 8 maart 2021 een reactie gegeven ten aanzien van het uitgevoerde Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase. De ODRU adviseert om: De toelichting en regels van het bestemmingsplan aan te laten passen. In de paragraaf archeologie in de toelichting ontbreekt een verwijzing naar het gemeentelijke archeologiebeleid. Dit moet worden toegevoegd. In de regels staat een definitie van archeologische waarde, die kan worden verwijderd. De plankaart voor het aspect archeologie goed te keuren. Geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Het rapport van het bureau- en booronderzoek aan te laten passen. Het betreft tekstuele aanpassingen. Reactie Naar aanleiding van de reactie van de ODRU is paragraaf 4.3.3 van deze toelichting inhoudelijk aangepast door een verwijzing op te nemen naar het gemeentelijke archeologiebeleid. In de regels is de definitie van archeologische waarde verwijderd. Het rapport van het bureau- en booronderzoek is aangepast conform de opmerkingen. Het definitieve rapport is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 4. Veiligheidsregio Utrecht, 23 maart 2021 De Veiligheidsregio Utrecht heeft op 23 maart een reactie gegeven ten aanzien van de beoordeling van het aspect externe veiligheid.

De Veiligheidsregio adviseert om de bestaande verantwoording uit te breiden met een opsomming van maatregelen ter bevording van de zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor de rampenbestrijding. Concreet adviseert de Veiligheidsregio om: Een beperkte verantwoording van het groepsrisico op te nemen in paragraaf 4.8 van het ontwerpbestemmingsplan 'Zegheweg 8a'. Ik adviseer u om in deze verantwoording concreet te melden welke maatregelen t.b.v. externe veiligheid worden genomen. Bij de herinrichting van het terrein rekening te houden met vluchtmogelijkheden van de risicobron(nen) af. Houdt hierbij rekening dat er schuilmogelijkheden moeten zijn in het geval van het optreden van een fakkelbrand naar aanleiding van een ongeval met de buisleiding. Als voorschrift in de omgevingsvergunning activiteit bouw op te nemen dat de gebouwen waar mensen verblijven, indien uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem, dit eenvoudig uit te schakelen is. Door deze maatregel kunnen personen die verblijven in dit object zich tijdelijk onttrekken aan een toxische wolk en veilig schuilen. De toekomstige bewoners van de woningen in het plangebied, in een vroeg stadium te betrekken

Zegheweg 8a

47

wat betreft de risico's die het plangebied loopt ten opzichte van omgevingsveiligheid en hen een handelingsperspectief te bieden bij het voordoen van een in mijn advies genoemd ongevalsscenario. U kunt voor het afstemmen van dit handelingsperspectief advies inwinnen bij de beleidsadviseur risicocommunicatie van de Veiligheidsregio Utrecht. Mochten er in de toekomst werkzaamheden aan buisleidingen plaatsvinden, dat dit in nauwe samenspraak met de gemeente gebeurt. Ook adviseer ik u, om voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden op het terrein, aandacht te besteden aan de ligging van de buisleidingen en zo nodig afstemming te zoeken met de Gasunie. Reactie Voor zover bovengenoemde opmerkingen binnen de reikwijdte van dit bestemmingsplan vallen, is paragraaf 4.8 hier inhoudelijk op aangepast. Er is een extra subparagraaf opgenomen waarin het groepsrisico beknopt is verantwoord en concreter is ingegaan op de maatregelen die ten behoeve van externe veiligheid worden genomen. 5. Waterschap Vallei en Veluwe, 22 maart 2021 Het (concept)ontwerpbestemmingsplan 'Zegheweg 8A' geeft het waterschap geen aanleiding tot het plaatsen van opmerkingen. In een eerder stadium is al een positief wateradvies afgegeven. Reactie De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassingen aan het ontwerpbestemmingsplan. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1224/documents/32964