04. Nota bodembeheer met correcties tbv raad.pdf
Tekst van het document
Tijdelijke opslag Grond kan vaak niet direct worden toegepast op de definitieve eindbestemming. Grond wordt dan eerst tijdelijk opgeslagen in een depot. Tijdelijke opslag van grond of baggerspecie valt ook onder het Besluit bodemkwaliteit. Voor een aantal vormen van tijdelijke opslag wordt aangesloten bij het gebiedsspecifieke beleid dat opgesteld is voor het toepassen van grond (zie hoofdstuk 4). Echter niet voor alle vormen van tijdelijke opslag mag de gemeente zelf beleid maken. De volgende regels uit het generieke beleidskader die gelden bij tijdelijke opslag blijven gelden: een tijdelijke opslag mag nooit langer duren dan 3 jaar;
-
alle tijdelijke opslagen dienen gemeld te worden, met uitzondering van opslag bij tijdelijke uitname (zie paragraaf 5.6); bij een opslag die korter duurt dan 6 maanden (kortdurende opslag) is de kwaliteit van de ontvangende bodem niet van belang, zolang het geen (vermoedelijk) ernstig geval van bodemverontreiniging betreft.
25
7 Handvat grondverzet Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de werkzaamheden die nodig zijn bij het ontgraven en hergebruik/toepassen van grond. Tevens zijn enkele aandachtspunten vanuit verschillende wetgeving opgenomen die relevant zijn bij grondverzet. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen te worden met hoofdstuk 5 (bijzondere omstandigheden).
Stappenschema grondverzet Grondverzet binnen de grens van het beheergebied van de BKK start bij de ontgraving van een partij grond. Op basis van de kwaliteitsgegevens kan worden bepaald waar deze vrijkomende grond toegepast kan worden binnen het beheergebied van de BKK. In het traject van ontgraven en definitief toepassen doorloopt de initiatienemer van het grondverzet de volgende stappen: 1. Vooronderzoek, conform NEN5725, waaruit blijkt of de ontgravingslocatie en ontvangende bodem al dan niet verdacht voor bodemverontreiniging; 2. Toets waaruit blijkt wat de (verwachte) kwaliteit is van de ontgraven grond; 3. Toets waaruit blijkt wat de toepassingseis is van de ontvangende bodem en of er gebiedsspecifiek beleid van toepassing is; 4. Toets waaruit blijkt of sprake is van bijzondere omstandigheden; 5. Melden van het grondverzet bij www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Degene die de werkzaamheden uitvoert is verantwoordelijk voor het doorlopen van deze stappen. De RUD Utrecht controleert in opdracht van de gemeente de meldingen. Stap 1: onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging Grondverzet op basis van BKK is alleen toegestaan voor locaties die onverdacht zijn op het voorkomen van een bodemverontreiniging.
Daarom is het voorafgaand aan grondverzet noodzakelijk dat historische informatie wordt verzameld over de locatie waarvan de grond afkomstig is en van de locatie waar de grond wordt toegepast. Dit zogenaamde vooronderzoek moet voldoen aan de NEN 5725. Relevante informatie kan worden verkregen via de internetsites, vermeld in bijlage 3. Het vooronderzoek zal beoordeeld worden door het bevoegd gezag. Indien sprake is van een onverdachte locatie, dan kan de BKK worden gebruikt als geldig bewijsmiddel. Indien sprake is van een verdachte locatie, is aanvullend (voor)onderzoek noodzakelijk op de verdachte plaatsen en stoffen. Als vervolgens blijkt dat de bodemkwaliteit ondanks de verdachtheid niet afwijkend is van de verwachte bodemkwaliteit op grond van de Ontgravingskaart, dan kan de vrijkomende grond alsnog worden toegepast met de BKK als bewijsmiddel en met in achtneming van de gebiedsspecifieke regels uit deze Nota. Bevestigen de uitkomsten van het aanvullend onderzoek dat de locatie verdacht is dan is de locatie uitgesloten en zijn de gebiedsspecifieke regels uit deze Nota niet van toepassing. Stap 2: kwaliteit van de ontgraven grond De ontgravingskaart van de BKK geeft aan welke kwaliteit grond naar verwachting vrijkomt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (kaartbijlage 3A) en de ondergrond (kaartbijlage 3B).
Op basis van de kwaliteit (AW2000, wonen of industrie) kan worden bepaald in welke zones deze grond toegepast kan worden. Let op: de kwaliteit van grond die onderzocht is in een partijkeuring gaat altijd vóór op de verwachte kwaliteit op basis van de ontgravingskaart. Ook als grondkwaliteit die onderzocht is in een bodemonderzoek afwijkt van de ontgravingskaart, kan de ontgravingskaart niet zondermeer als bewijsmiddel worden gebruikt.
26
Stap 3: de toepassingseis van de ontvangende bodem De toepassingskaart (zie kaartbijlage 4) geeft aan welke kwaliteit in een zone primair mag worden toegepast. Als een partij grond afkomstig is uit een zone met vergelijkbare (of betere) bodemkwaliteit kan de partij worden toegepast. Let op dat meerdere gebiedsspecifieke voorwaarden van toepassing kunnen zijn en soms zelfs conflicterende toepassingseisen. Bij conflicterende toepassingseisen als gevolg van het gebiedsspecifiek beleid geldt de strengste toepassingseis. Denk in dit kader bijvoorbeeld voor de strengere eisen in woongebieden voor het toepassen van grond op kinderspeelplaatsen. Stap 4: specifieke situaties Naast gebiedsspecifieke toepassingseisen zijn er ook specifieke situaties die vragen om een andere aanpak of vanuit een ander kader wettelijk beschermt zijn. Na het bepalen van de toepassingseis moet worden beoordeeld of een specifieke situatie (hoofdstuk 5) van toepassing is voor dit grondverzet. Stap 5: tijdig melden van het grondverzet Voorafgaand aan de toepassing van grond op een locatie is een melding noodzakelijk (Besluit bodemkwaliteit, artikel 42, lid 1). Dit moet minimaal 5 werkdagen van te voren via het www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Melden is niet nodig voor (artikel 42, lid 8):
-
ieder die grond met de kwaliteit AW2000 toepast in een omvang van minder dan 50 m³ totaal; particulieren die grondverzet in eigen beheer uitvoeren en daarvoor geen bedrijf inhuren; agrariërs die grondverzet plegen tussen percelen binnen het eigen landbouwbedrijf waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld.
Aandachtspunten Zorgplicht Onder alle omstandigheden moet bij het toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Deze zorgplicht betekent dat iedereen die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat nadelige gevolgen voor de bodem kunnen optreden als gevolg van een toepassing, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken (artikel 7 Besluit bodemkwaliteit en artikel 13 Wet bodembescherming). Samenvoegen van grond Het samenvoegen of opbulken van partijen grond is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is vastgelegd in de vergunning van een inzamelaar, een bewerker of een verwerker. Hierbij moet de aard, samenstelling (zand/ klei/veen) en concentratie vergelijkbaar zijn. Dit is opgenomen in het Landelijke Afvalplan 2 hoofdstuk 18. Op het samenvoegen van partijen grond is de BRL 9335 van toepassing. Samenvoegen van kleine partijen tot 25 m³ is toegestaan zonder erkenning. Het gevolg van de samenvoeging van grond zonder erkenning is wel dat de bewijsmiddelen van de afzonderlijke partijen komen te vervallen. Transport verontreinigde grond of baggerspecie Voor het transport van bouwstoffen geldt dat het verboden is om bouwstoffen te vervoeren als niet wordt voldaan aan de eisen uit Bbk (artikel 28). Het Besluit bodemkwaliteit regelt weinig over het transport van grond en baggerspecie.
In de onderstaande tabel is aangegeven welke wetgeving relevant is bij transport van grond en baggerspecie.
27
Relevante wet- en regelgeving Wet milieubeheer in relatie tot Besluit melden
verkeersregelgeving/Wet vervoer gevaarlijke stoffen Privaatrecht
Relatie met transport Dit besluit, officieel ‘Besluit melden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen’, bevat regels voor afgifte, ontvangst en vervoer van bedrijfs- en gevaarlijke afvalstoffen. Het besluit geeft regels voor onder andere de ontvangst- en afgiftemelding, het gebruik van het afvalstroomnummer en de begeleidingsbrief. Dit geldt alleen als grond wordt afgevoerd naar een (milieu)inrichting. Op grond van de verkeersregelgeving moet transport aan allerlei regels voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen. Vanuit het privaatrecht wordt ieder transport vergezeld van een vrachtbrief. Hierin zijn de vracht, herkomst en bestemming aangegeven.
Overige aandachtspunten bij ontgravingen Naast het Bbk geldt er verschillende wet en regelgeving als men gaat graven in de bodem. Hieronder is een niet limitatieve lijst opgenomen van thema's die meegewogen moeten worden:
-
Archeologie; Conventionele Explosieven/Niet Gesprongen Explosieven; Kabels, Leidingen en riolering; Aardkundige Waarden; ARBO.
Informatie is over deze thema's is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de betreffende gemeente en/of de Inspectie SZW.
28
8 Procedures Vaststellingsprocedure Bij vaststelling van deze Nota komen de huidige door de gemeente vastgestelde bodemfunctieklassenkaart en eventueel gedoogbeleid te vervallen. De vaststelling van deze Nota is, omdat is gekozen voor het gebiedsspecifieke kader van het Bbk, een besluit van de gemeenteraad. Het besluit tot vaststelling van het gebiedsspecifiek beleid, inclusief acceptatie van de bodemkwaliteitskaart(en), de Lokale Maximale Waarden en de bodemfunctieklassenkaart is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit betekent dat het besluit open staat voor inspraak en beroep.
Evaluatie van het grondstromenbeleid In het Bbk is vastgelegd dat deze Nota bodembeheer met bijbehorende BKK maximaal 10 jaar geldig is. Iedere vijf jaar volgt een evaluatie van de BKK. Zo nodig worden de Nota en BKK geactualiseerd. Jaarlijks zal echter worden getoetst of de regels werkbaar zijn en of voldaan wordt aan de verwachtingen:
-
meer hergebruik van grond tussen de gemeenten; meer uniformiteit in regels, duidelijkheid voor aannemers; vereenvoudiging van de procedure rond grondverzet.
De bodemkwaliteitskaart wordt in 2025 geëvalueerd. Hierbij zullen de resultaten van alle bodemonderzoeken die in de periode van nu tot 2025 worden uitgevoerd op onverdachte percelen, worden vergeleken met de huidige indeling in bodemkwaliteitsklassen.
Delegeren van bevoegdheden naar college van burgemeester en wethouders Het vaststellen van deze Nota met bijhorend gebiedsspecifiek beleid is een besluit wat genomen wordt door de gemeenteraad. Hiermee staan de kaders voor het beleid rondom hergebruik vast. Op onderdelen kunnen kleine wijzigingen de effectiviteit van het beleid vergroten of is actualisatie noodzakelijk. Om aan te sluiten op de dynamiek van grondverzet worden wijzigingen en actualisatie, na de eerste vaststelling van deze Nota, gedelegeerd naar het college van burgemeester en wethouders. Dit betreft: 1. wijziging in de bodemfunctieklassenkaart; 2. actualiseren van de bodemkwaliteitskaart; 3. uitbreiding van het beheergebied. Ad 1. Wijziging in de bodemfunctieklassenkaart Onderdeel van de vaststelling van gebiedsspecifiek beleid zoals vastgelegd in het Bbk is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart (kaartbijlage 1). De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel en wordt gebruikt bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. De bodemfunctieklasse op de Bodemfunctieklassenkaart sluit aan bij de (hoofd)functie van het gebied. Deze functie is vastgesteld in het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad.
Het wijzigen van de bodemfunctieklassenkaart is daarom feitelijk niet meer dan een uitvoeringshandeling en kan om deze reden als een bevoegdheid van het college van B&W worden gezien. Ad 2. Actualiseren van de bodemkwaliteitskaart Ten minste elke vijf jaar worden nieuwe bodemgegevens vergeleken met de bodemkwaliteitsklassen van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart. De verwachting is dat dit niet tot grote wijzigingen zal leiden. Daardoor is hernieuwde vaststelling van de bodemkwaliteitskaart door het college van B&W gerechtvaardigd. Mochten er wel grote verschillen worden geconstateerd die leiden tot een andere gebiedsindeling of ander gebiedsspecifiek beleid, dan wordt de raad van de gemeente hierover direct geïnformeerd. Bij
29
grote wijziging wordt opnieuw de openbare procedure gevolgd. Het besluit staat open voor inspraak en beroep. Ad 3. Uitbreiding beheergebied Uitbreiding van het bodembeheergebied wordt gerealiseerd door eenzijdige of wederzijdse erkenning van de Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaarten van andere bevoegde gezagen in de omliggende regio’s. Hierdoor wordt de bodemkwaliteitskaart van de andere gemeente een erkend bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond uit die gemeente. Hiermee nemen de mogelijkheden van efficiënt hergebruik van grond enorm toe. Het beheergebied van de gemeente Woudenberg kan worden uitgebreid onder de volgende voorwaarden:
-
het betreffende bevoegde heeft een bodembeheernota en bodemkwaliteitskaart vastgesteld; de bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten van september 2007 (en aanvullingen op deze richtlijn); de vastgestelde LMW’s en de maximaal toelaatbare percentages bodemvreemd materiaal zijn niet hoger dan in de eigen gemeente; de bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan vijf jaar.
30
9 Toezicht en handhaving De gemeente is bevoegd gezag voor de taken die voortkomen uit het Besluit bodemkwaliteit. De gemeenten Woudenberg heeft deze taak neergelegd bij de RUD Utrecht. De RUD handhaaft namens de gemeente het Besluit bodemkwaliteit. De handhaving bestaat uit:
-
informeren van derden over de regels van het Besluit en het gebiedsspecifieke beleid; controleren van de meldingen; het uitvoeren van buitentoezicht.
In het kader van Kwalibo zijn intermediairs erkend voor het uitvoeren van werkzaamheden. Zonder deze erkenning mogen werkzaamheden als veldwerk, laboratorium e.d. niet worden uitgevoerd. Voor alle Kwalibo-erkende werkzaamheden wordt verwezen naar Besluit bodemkwaliteit, bijlage C (overzicht erkende werkzaamheden). De inspectie Leefomgeving en Transport (voorheen VROM-inspectie) is het bevoegd gezag voor deze erkenningen en voert daarmee de tweedelijns toezicht en handhavingstaken uit. Misstanden en overtredingen meldt de Omgevingsdienst bij het Bodemsignaal: https://meldingen.ilent.nl/melding-bodemsignaal.php.
Implementatie en communicatie Na het vaststellen van deze Nota komt het aan op de uitvoering. Goede communicatie is daarbij belangrijk. Het communicatietraject richt zich niet alleen op de eigen organisatie, maar ook op partijen daarbuiten. Bij de totstandkoming van deze Nota zijn naast de gemeente, ook vertegenwoordigers van andere overheden, adviesbureaus en marktpartijen betrokken. Voor de implementatie van het beleid is het noodzakelijk de communicatie breed op te zetten en te laten aansluiten bij de uitvoeringspraktijk.
Doelgroepen Intern (gemeentelijke organisatie en RUD) Binnen de gemeente zijn verschillende afdelingen betrokken bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie. Beleidsmedewerkers, handhavers en uitvoerders hebben elk hun eigen invalshoek. Het succes van implementatie hangt af van samenwerking, waarbij de verschillende uitgangspunten elkaar aanvullen. De RUD Utrecht organiseert een bijeenkomst waarin de disciplines beleid, handhaving en uitvoering gezamenlijk geïnformeerd worden over het (nieuwe) grondstromenbeleid. De bijeenkomsten zijn op de praktijk gericht. Op deze manier wordt niet alleen duidelijk wie welke rol heeft en wat iedereen te doen staat, maar ook de samenwerking wordt bevorderd. De bijeenkomst kan op verzoek van de gemeente worden herhaald om enerzijds de kennis over het grondstromenbeleid op te frissen en anderzijds mogelijke knelpunten op te oplossen. Extern (organisaties en particulieren) Buiten de gemeentelijke organisatie houden verschillende andere partijen zich bezig met grond- en baggerstromen. Daaronder zijn overheidsorganisaties als Rijkswaterstaat en het Waterschap, maar natuurlijk ook projectontwikkelaars, aannemers, grondbanken, agrariërs en particuliere inwoners van de gemeente.
Deze partijen worden via de site van de gemeenten Woudenberg en van de RUD geïnformeerd over de inwerkingtreding van het gebiedsspecifieke beleid in de gemeente Woudenberg.
31
32
Bijlage 1 Bodemkwaliteitskaart (Apart document)
33
Bijlage 2 Begrippen en afkortingenlijst
34
BEGRIPPEN EN AFKORTINGENLIJST Achtergrondwaarde Deze waarden zijn vastgesteld op basis van de gehalten aan stoffen zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. AW-kwaliteit (AW2000) Kwaliteit grond die voldoet aan landelijk vastgestelde achtergrondwaarde. De kwaliteit van deze grond wordt ook wel Klasse Landbouw/Natuur genoemd. Bagger(specie) Mengsel van minerale bestanddelen, organische stof en water dat vrijkomt bij het baggeren van (delen van) de waterbodem. In verschillende juridische regelingen worden verschillende definities voor baggerspecie gehanteerd. Bbk (Besluit bodemkwaliteit) Het besluit bodemkwaliteit beschrijft de regels met betrekking tot:
-
de kwaliteit van uitvoering (kortweg ‘Kwalibo’); bouwstoffen; grond en baggerspecie.
Beheergebied Het beheergebied is het gebied waar de gemeente(n) gebiedsspecifiek beleid voor vaststelt/vaststellen. Bodemfunctieklassenkaart Op de Bodemfunctieklassenkaart worden de functies van de bodem weergegeven in relatie tot het bovengronds bodemgebruik. Het gaat daarbij niet om de functie op perceelsniveau (zoals bij bestemmingsplannen), maar om de hoofdfunctie van een zone. Bodemkwaliteitsklasse De bodemkwaliteit in een bepaald deelgebied geeft de verdeling van gehalten in een deelgebied. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). BKK (Bodemkwaliteitskaart) De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
-
een zoneringskaart; de ontgravingskaart; de toepassingskaart.
De BKK vormt een belangrijke basis van het gebiedsspecifieke bodembeleid. Vanwege het dynamische karakter van de kaart zijn uitgesloten locaties en gebieden niet op de zoneringslaart aangeduid, met uitzondering van grotere aaneengesloten locaties en gebieden. Een actuele kaart met uitgesloten deze alleen bij gemeente voorhanden (digitaal BIS) en moet hiervoor contact worden opgenomen met de gemeente(n) waar de ontgravings- en toepassingslocatie zich bevinden. Bodemkwaliteitsklasse In het Besluit bodemkwaliteit worden deelgebieden afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen:
-
Klasse Landbouw/Natuur; Klasse Wonen; Klasse Industrie.
Er zijn landelijke afspraken gemaakt op welke wijze tot een indeling in bodemkwaliteitsklasse tot stand komt:
35
-
Klasse Landbouw/Natuur (AW2000/achtergrondwaarde):
-
Klasse Wonen:
-
alle verontreinigingen voldoen aan de achtergrondwaarden, eventueel met uitzondering van een beperkt aantal overschrijdingen; de concentratie mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen, mits de concentratie lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (excl. Nikkel en PCB); alle verontreinigingen voldoen aan de klassegrens Wonen, eventueel met uitzondering van een beperkt aantal overschrijdingen, zie tabel; de concentratie mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen, mits elke concentratie lager is dan de norm voor de klassegrens Industrie;
Klasse Industrie:
als de indeling niet leidt tot de indeling in Klasse Wonen of Achtergrondwaarden, en tevens de maximale waarde voor Klasse Industrie niet wordt overschreden, wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de Klasse Industrie.
Bodemkwaliteitszone Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat er sprake is een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is in drie richtingen begrensd: X, Y en Z (dus ook diepte). Deelgebied Deel van een beheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door de voor het beheergebied geldende onderscheidende kenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. DDT/DDD/DDE Afkortingen van verschillende toxische organisch chemisch insecticiden. DDE is een afbraakproduct van DDT. DDT: Dichloordifenyltrichloorethaan, DDD: Dichlorodiphenyldichloroethaan, DDE: dichlorodiphenyldichloroethyleen. Drins Verzameling van cyclische gechloreerde koolwaterstoffen die behoren tot de groep organochloorbestrijdingsmiddelen. Drins zijn eind jaren 1940 geproduceerd als alternatief voor DDT. Het gebruik van specifiek aldrin, dieldrin en endrin zijn sinds de jaren 80 niet meer toegestaan. Ecologisch beschermingsgebied Gebieden, vastgesteld door de provincie, waar vanwege hun bijzondere ecologische waarde extra regels gelden. Voorbeelden zijn: Nature2000 gebieden, flora en faunagebieden.
Ernstig verontreinigde grond Een volume grond van minimaal 25 m3 waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden (I-waarde) overschrijden. GBT (Grootschalige bodemtoepassing) Een grootschalige bodemtoepassing is een toepassing van een groot grondlichaam, bijvoorbeeld een weg, een dijk of een geluidswal. Een grootschalige bodemtoepassing kent minimaal een volume van 5.000 m³ en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. De toe te passen grond mag de emissiewaarden niet overschrijden, ongeacht de liggende kwaliteit en de functie van het gebied.
36
Emissiewaarden komen globaal overeen met de waarden die horen bij klasse industrie. Een grootschalige bodemtoepassing wordt afgedekt met een leeflaag van minimaal 0,5 meter. De kwaliteit van deze leeflaag voldoet aan de eisen van de toepassingskaart. Gebiedsspecifiek beleidskader Gemeentelijk beleid waarin beschreven staat welke afwijkende regels (ten opzichte van de landelijke regels uit het Bbk) de gemeente heeft vastgesteld met betrekking tot het toepassen van grond en baggerspecie. Gebiedsspecifieke normen Normen die gemeenten - binnen de gestelde randvoorwaarden van het Bbk - zelf bepalen. De normen worden ook Lokale Maximale Waarden genoemd. Generiek beleidskader Dit is het beleidskader dat geldt voor het grondverzet als er geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld Generieke normen Normen die landelijk zijn bepaald en beschreven in de Regeling bodemkwaliteit (Rbk). Gevoelige functie Een functie waar vanwege het gebruik de gemeente aanvullende eisen stelt met betrekking tot kwaliteit en percentage bodemvreemd materiaal (betekenis in DRV, STV, MON, OUD) Montfoort, De Ronde Venen, Oudewater, Stichtse Vecht: moestuin, volkstuin en kinderspeelplaatsen Woerden: moestuin, volkstuin en openbaar groen. Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss.
Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: ‘Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2
millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.’ Ook verontreinigde grond die is gereinigd
en ontwaterd of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die is vermengd met bodemvreemd materiaal kan, afhankelijk van de per situatie toelaatbare hoeveelheid, eveneens als grond worden gedefinieerd. Uitgangspunt hierbij is dat de fysische kwaliteit van de bodem, uitgedrukt in bodemvreemd materiaal, niet mag verslechteren (gehalten van de individueel gemeten gehalten voldoen aan P95 BKK). Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde wordt gesproken over een sterke verontreiniging of sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, in werking getreden op 1 april 2009 (Staatscourant 2009, 67). Kwalibo Kwalibo staat voor ‘kwaliteitsborging in het bodembeheer’. Het is een maatregel om het bodembeheer te verbeteren. Bij het beheren en gebruiken van de bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor zijn eisen gesteld aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. LMW Lokale maximale waarden, Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt. m-mv Meter onder maaiveld (straatniveau).
37
Milieuhygiënisch bewijsmiddel Het rapport waarin staat beschreven wat de kwaliteit van de grond of baggerspecie is. Nota bodembeheer Document behorende bij de bodemkwaliteitskaart waarin de volgende aspecten aan de orde komen:
-
één of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties; een bodemkwaliteitskaart; een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst; de Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox; indien van toepassing: de maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie.
Daarnaast kan in een Nota bodembeheer aandacht worden besteedt aan duurzaam bodembeheer of de (diepere) ondergrond. OCB (Organochloor-bestrijdingsmiddel) Verzamelnaam voor verschillende bestrijdingsmiddelen waaronder DDT, DDD, DDE. Ontgravingskaart en ontgravingsklasse De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een niet voor bodemverontreiniging verdachte locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/Natuur zijn landelijk afspraken gemaakt voor het aantal toegestane overschrijdingen van de waarden.
-
Klasse Landbouw/Natuur (achtergrondwaarde):
-
-
alle verontreinigingen voldoen aan de achtergrondwaarden, eventueel met uitzondering van een beperkt aantal overschrijdingen; de concentratie mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens achtergrondwaarden bedragen, mits de concentratie lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (excl. Nikkel en PCB); Klasse Wonen: de samenstelling voldoet niet aan de Klasse Landbouw/Natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden;
Klasse Industrie:
-
de norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden; de norm voor klassegrens Industrie wordt niet overschreden;
Klasse Niet toepasbaar:
de norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden.
PAK Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen zijn organische verbindingen die ontstaan bij onvolledige verbranding of verkoling van diverse koolstof bevattende materialen. Percentiel/percentielwaarde Waarde waar beneden een bepaald percentage van de waarnemingen gelegen is. Bijvoorbeeld 90percentiel: 90 % van de waarnemingen ligt beneden deze waarde. RTB (Risicotoolbox) De risicotoolbox is een door het rijk beschikbaar gesteld digitaal rekenprogramma waarmee eventuele risico’s van een bepaalde bodemkwaliteit berekend kunnen worden. De uitkomst van de berekening is de risico-index. Een risico-index kleiner dan 1 betekent geen risico’s voor de huidige functie. Indien de risicoindex groter is dan 1 dient beargumenteerd te worden of er risico’s zijn voor de huidige functie.
38
Stand-still beginsel In dit rapport wordt met het stand-still beginsel bedoeld dat de gemiddelde kwaliteit van het beheergebied niet mag verslechteren. Terugsaneerwaarde De terugsaneerwaarde is de vastgestelde waarde (concentratie van de verontreinigde stof) waaraan een sanering moet voldoen. Toepassingskaart Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld waaraan de toe te passen grond of baggerspecie aan moet voldoen. Door vaststelling van gebiedsspecifieke regels kan hiervan worden afgeweken.
Uitgesloten/Uitgezonderd gebied Uitgesloten gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar de gemeente niet het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit is, zoals op terreinen die in het beheer zijn van Rijkswaterstaat, en terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit. Verdachte locatie/wegberm Locaties waar, op basis van een vooronderzoek, een bodemverontreiniging wordt verwacht. Voorbeelden van een verdachte locatie zijn: (voormalige) bedrijventerreinen, slootdempingen, ondergrondse tanks. Een voorbeeld van een verdachte wegberm is een berm langs een weg waar teerhoudend asfalt is gebruikt als wegverharding. Vooronderzoek Tijdens een vooronderzoek wordt historische informatie verzameld. Het vooronderzoek moet uitgevoerd worden conform de NEN 5725. Vrij grondverzet Grondverzet waarvoor geen bodemonderzoek is vereist. Weilanddepot Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie op een perceel, aangrenzend aan de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.
39
Bijlage 3 Internetadressen
40
INTERNETADRESSEN Internetadressen voor het zoeken en opvragen van (bodem)informatie
-
www.rudutrecht.nl → geoloket, of via info@rudutrecht.nl; www.provincie-utrecht.nl → digitale kaarten; www.bodemloket.nl.
Internetadressen voor het vinden van wet en regelgeving over andere relevante thema’s - https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/onderwerpen-op-thema/); - www.rudutrecht.nl
Internetadres voor het melden van grondverzet - https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl/Voorportaal.aspx.
41
Kaartbijlagen Nota Bodembeheer Gemeente Woudenberg
Kaartbijlage 1: Bodemfunctieklassenkaarten
43
44
45
Kaartbijlage 2A: Bodemkwaliteitszones bovengrond
46
47
Kaartbijlage 2B: Bodemkwaliteitszones ondergrond
48
49
Kaartbijlage 3A: Ontgravingskaarten bovengrond
50
51
52
Kaartbijlage 3B: Ontgravingskaarten ondergrond
53
54
55
Kaartbijlage 4A: Toepassingskaarten bovengrond
56
57
58
Kaartbijlage 4B: Toepassingskaarten ondergrond
59
60
61