CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Nota bodembeheer met correcties tbv raad.pdf

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Aanvulling Nota Bodembeheer12.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota Bodembeheer gemeente Woudenberg Adviseur Auteur Bijdrage Datum

: RUD Utrecht : Maarten van den Berg : Rob Tuinenburg Laura Tack Jan Hijzelendoorn (Odru) : 13-09-2020

Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Doel en aanleiding om gebiedsspecifiek bodembeleid op te stellen 1.2 Bodembeheergebied 1.3 Uitbreiding beheergebied 1.4 Reikwijdte van de Nota 1.5 Leeswijzer

4 4 4 4 6 7

2. Uitgangspunten regionaal beleid 2.1 Karakterisering van het beheergebied Woudenberg 2.2 Gebiedsopgave 2.3 Kostenreductie 2.4 Uniformiteit 2.5 Duurzaamheid

8 8 8 9 9 9

3. Kader nota bodembeheer 3.1 Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid 3.2 Bodemfunctieklassenkaart 3.3 Bodemkwaliteitskaart (BKK)

10 10 10 11

4. Gebiedsspecifiek beleid 4.1 Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid 4.2 Gebiedsspecifiek beleid op basis van zone-indeling 4.3 Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid

13 13 13 14

5. Beleidsregels voor PFAS 5.1 Inleiding 5.2 Karakterisering en kwaliteitszone-indeling 5.3 Verwachte ontgravingskwaliteit 5.4 Toepassingskwaliteit 5.5 Gebiedsspecifiek beleid op basis van zone-indeling 5.6 Toekomstige bijstelling van de landelijke (toepassings)normen

21 21 21 21 22 23 23

6. Bijzondere omstandigheden 6.1 Verontreinigde of gesaneerde gebieden 6.2 Functies Wonen en Industrie in het buitengebied 6.3 Grootschalige bodem toepassing (GBT) 6.4 Tijdelijke uitname 6.5 Tijdelijke opslag

24 24 24 24 25 25

7. Handvat grondverzet 7.1 Inleiding 7.2 Stappenschema grondverzet 7.3 Aandachtspunten

26 26 26 27

2

8. Procedures 8.1 Vaststellingsprocedure 8.2 Evaluatie van het grondstromenbeleid 8.3 Delegeren van bevoegdheden naar college van burgemeester en wethouders

29 29 29 29

9. Toezicht en handhaving 9.1 Implementatie en communicatie 9.2 Doelgroepen

31 31 31

Bijlage 1 Bodemkwaliteitskaart (apart document) Bijlage 2 Begrippen en afkortingenlijst Bijlage 3 Internetadressen

33 34 40

Kaartbijlage 1 Kaartbijlage 2A Kaartbijlage 2B Kaartbijlage 3A Kaartbijlage 3B Kaartbijlage 4A Kaartbijlage 4B

Bodemfunctieklassenkaart Bodemzoneringskaart bovengrond Bodemzoneringskaart ondergrond Ontgravingskaarten bovengrond Ontgravingskaarten ondergrond Toepassingskaarten bovengrond Toepassingskaarten ondergrond

3

1 Inleiding Doel en aanleiding om gebiedsspecifiek bodembeleid op te stellen Voor alle bevoegde gezagen voor het Besluit bodemkwaliteit (verder Bbk) gelden de generieke beleidsregels. Het Bbk biedt gemeenten en andere bevoegde gezagen de beleidsvrijheid om de regels inzake grondverzet gebiedsspecifiek te maken, zodat deze meer aansluiten bij het karakter van het gebied en de gebiedsopgave. Het opstellen van gebiedsspecifiek bodembeleid, vastgelegd in een bodemkwaliteitskaart (verder BKK) met Nota bodembeheer (verder Nota), vindt plaats volgens het stappenplan uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (Ministeries van VROM en V&W, september 2007). De gemeente Woudenberg heeft voor gebiedsspecifiek bodembeleid gekozen om zo het grondverzet goedkoper en duurzamer te maken en de mogelijkheden voor hergebruik van gebiedseigen grond te verruimen. Het beleid is beschreven in de voorliggende Nota bodembeheer. De BKK (zie bijlagen 1 en kaartbijlagen 2 t/m 4) geeft inzicht in respectievelijk de te verwachten kwaliteit van te ontgraven en weer toe te passen grond en de kwaliteit van ontvangende bodem binnen de gemeentegrens van Woudenberg. Wanneer aan de (gebiedsspecifieke) toepassingseis voldaan wordt is de toepassing toegestaan. Over de totstandkoming van de BKK is een rapport opgesteld, met als titel: Bodemkwaliteitskaart gemeente Woudenberg. Dit rapport is opgenomen als bijlage 1.

Na vaststelling van het gebiedsspecifieke beleid mag, onder voorwaarden, de BKK als bewijsmiddel voor de milieukwaliteit van grond worden gebruikt bij het grondverzet. De Nota bodembeheer is bestemd voor overheden, bedrijven en adviesbureaus die bij de uitvoering van werkzaamheden grond en/of baggerspecie willen hergebruiken of toepassen. In deze Nota worden de voorwaarden beschreven waaraan voldaan moet worden bij hergebruik of toepassing van grond en baggerspecie op de landbodem. In de Nota wordt vaak de term grond gebruikt. Sinds invoering van het besluit valt ook baggerspecie onder het begrip grond.

Bodembeheergebied Het bodembeheergebied (verder beheergebied) is het gebied waar de gemeente het gebiedsspecifieke beleid voor vaststelt. Het beleid dat in de voorliggende Nota bodembeheer beschreven is, geldt voor het grondgebied van de gemeente Woudenberg.

Uitbreiding beheergebied Het grondverzet kan verder worden vergemakkelijkt als de gemeente bodemkwaliteits-kaarten en bodembeleid accepteert van omliggende gemeenten. Dit levert veel voordelen op, want grond uit de ene gemeente kan daardoor vaak zonder keuring worden hergebruikt in een andere gemeente binnen het beheergebied. Door samenwerking te zoeken met gemeenten in de omliggende regio’s kan het eigen beheergebied worden vergroot. Hiermee gelden dezelfde beleidsregels voor grond ongeacht of deze afkomstig is van buiten of binnen de regio, zolang de grond afkomstig is van terreinen binnen dit grotere beheergebied. Om grondverzet van buiten naar binnen de gemeentegrens, op basis van de bodemkwaliteitskaart, mogelijk te maken kiest gemeente Woudenberg ervoor het beheergebied te vergroten. Het grondverzet kan verder worden vergemakkelijkt als de gemeente bodemkwaliteits-kaarten en bodembeleid accepteert van omliggende gemeenten. Dit levert veel voordelen op, want grond uit de ene gemeente kan daardoor vaak zonder keuring worden hergebruikt in een andere gemeente binnen het beheergebied.

4

Door samenwerking te zoeken met gemeenten in de omliggende regio’s kan het eigen beheergebied worden vergroot. Hiermee gelden dezelfde beleidsregels voor grond ongeacht of deze afkomstig is van buiten of binnen de regio, zolang de grond afkomstig is van terreinen binnen dit grotere beheergebied. Om grondverzet van buiten naar binnen de gemeentegrens, op basis van de bodemkwaliteitskaart, mogelijk te maken kiest gemeente Woudenberg ervoor het beheergebied te vergroten. De gemeenten accepteert naast de bodemkwaliteitskaart van het eigen beheergebied uitsluitend de bodemkwaliteitskaart uit de in tabel 1.1 genoemde regio’s als geldig milieuhygiënisch bewijsmiddel voor het toepassen van grond: Tabel 1.1: Regio’s/gemeenten waarvan gemeente Woudenberg de BKK accepteert Regio

Gemeenten

Regio ZOU Gemeente Renswoude (regio ZOU)

Zeist, Bunnik, Veenendaal, Rhenen, Wijk bij Duurstede, Vianen (nu Vijfheerenlanden), Utrechtse Heuvelrug, De Bilt Renswoude

Regio NWU

Woerden, Oudewater, De Ronde Venen, Montfoort, Stichtse Vecht

Regio ZWU

IJsselstein, Houten, Lopik, Nieuwegein

Regio De Vallei

Barneveld , Ede, Nijkerk, Scherpenzeel, Wageningen Amersfoort Utrecht

De RUD Utrecht en de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) toetsen in de bovenstaande regio’s/gemeenten, in opdracht van de gemeenten of de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart en beleidsregels van gelijkwaardig niveau zijn. Als dit het geval is mag grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart van de betreffende regio plaatsvinden. Voldoet de kaart of het beleid niet dan is een ander geldig bewijsmiddel, bijvoorbeeld een partijkeuring, noodzakelijk om grond toe te kunnen passen. Op afbeelding 1 zijn de beheergebieden aangegeven van de omliggende regio’s/gemeenten waarvan de gemeente Woudenberg de BKK accepteert.

Afbeelding 1: regio’s/gemeenten waarvan de gemeente Woudenberg de BKK accepteert

5

Reikwijdte van de Nota Wetgeving De gemeente Woudenberg heeft gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. De belangrijkste redenen hiervoor is de wens om het grondverzet eenvoudiger, goedkoper en duurzamer te maken. Door gebiedsspecifieke bodemkwaliteitsnormen vast te stellen wordt er een balans gecreëerd tussen het behoud van de huidige bodemkwaliteit en het verruimen van de mogelijkheden voor grondverzet binnen en tussen de gemeenten. Door meer mogelijkheden te creëren om gebiedseigen grond her te gebruiken waar dit milieuhygiënisch verantwoord is, worden niet alleen veel kosten bespaard, maar wordt het grondverzet ook duurzaam. In hoofdstuk 4 zijn de beleidsregels van het gebiedsspecifieke beleid beschreven. In het Bbk zijn veel onderwerpen geregeld die landelijk gelden en waar gemeenten geen vrijheid hebben voor het stellen van nadere regels. Het betreft bijvoorbeeld: - kwaliteitscriteria voor bodemwerkzaamheden (Kwalibo); - toepassen van bouwstoffen; - toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige bodemtoepassingen; - direct nat verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen; - de meldingsprocedure voor het toepassen/tijdelijk opslaan van grond (en bagger).

Omdat de wetgeving voor bovengenoemde onderwerpen landelijk uniform is, is hiervoor in deze Nota waar nodig verwezen naar het Bbk, de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit en de Handreiking Besluit bodemkwaliteit. De Nota is dus nadrukkelijk geen samenvatting van het Bbk. Onderwerpen die vaak tot discussie leiden of zeer essentieel zijn, worden toegelicht in voorliggende Nota. In geval er sprake is van tegenstrijdigheden, geldt dat de wetgeving voor de genoemde onderdelen leidend is boven deze Nota. Stoffenpakket De BKK is vastgesteld voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket voor de landbodem:

-

Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); Polychloorbifenylen (PCB); Minerale olie.

In aanvulling daarop is de stofgroep PFAS toegevoegd aan de BKK. Vanwege de bijzondere kenmerken van de stofgroep zijn in deze Nota andere beleidsregels opgenomen dan voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket. Verder is de BKK vastgesteld voor de bodemlaag 0,0 – 2,0 m-mv waarbij een onderverdeling is gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). Aansprakelijkheid en geldigheidsduur Na vaststelling van de BKK en Nota bodembeheer van de gemeente Woudenberg wordt de BKK een wettig bewijsmiddel voor grond afkomstig van onverdachte terreinen. Dit geldt zowel voor de locatie van herkomst- als voor de toepassingslocatie. De eigenaar van het perceel waar de grond wordt toegepast blijft echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van de bodem op zijn perceel. De gemeente, als bevoegd gezag, en toezichthoudende instanties, kunnen als uitvoerder van het Bbk, niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die voortvloeit uit een onjuiste toepassing van grond of baggerspecie. De Nota bodembeheer wordt vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De BKK heeft een geldigheid van maximaal 5 jaar. Na 5 jaar kan ervoor gekozen worden om de kaart nog 5 jaar te verlengen. Om te bepalen of de BKK ongewijzigd verlengd kan worden, moet een verplicht Stappenplan doorlopen worden.

Hierbij moet worden beoordeeld of nieuwe gegevens en/of regelgeving leiden tot een noodzaak tot herziening van de kaarten en de Nota bodembeheer. Als er wijzigingen in de BKK optreden moet deze opnieuw worden vastgesteld. Als de BKK niet wijzigt, kan het Verlengingsbesluit door het

6

college van B&W worden genomen. Zo nodig dient ook de Nota bodembeheer na 5 jaar te worden aangepast en opnieuw te worden vastgesteld (zie verder paragraaf 8.2).

Leeswijzer De kern van de Nota bestaat uit het gebiedsspecifiek beleid (hoofdstuk 4) en de BKK (bijlagen 1 en kaartbijlagen 2 t/m 4). In paragraaf 1.2 staat beschreven voor welk gebied dit beleid geldt en met welke andere regio’s wordt samengewerkt (bodembeheergebied). Hoofdstuk 2 en 3 geven de regionale afwegingen weer voor het opstellen van gezamenlijk beleid rondom grondverzet en het wettelijk kader van deze Nota. Dit geeft goed inzicht in de wettelijke en beleidsmatige achtergronden van de Nota en de samenhang met de regionale bodemkwaliteitskaart. In hoofdstuk 5 staan de beleidsregels voor de stofgroep PFAS beschreven. Hoofdstuk 6 staat stil bij bijzondere situaties van het grondverzet. De benodigde stappen voorafgaand aan het toepassen van grond wordt in hoofdstuk 7 beschreven. De procedurele aspecten zijn uitgewerkt in hoofdstuk 8. Dit geeft aan welke bevoegdheden door de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders gedelegeerd kunnen worden bij het aanpassen van de BKK en de Nota. De controle en handhaving zijn beschreven in hoofdstuk 9.

7

2 Uitgangspunten regionaal beleid Karakterisering van het beheergebied Woudenberg De grondslag, het (historische) gebruik en ontstaansgeschiedenis heeft geleid tot een gebiedseigen achtergrondkwaliteit die karakteristiek is voor de gemeente Woudenberg. Voor de karakterisering zijn de volgende situaties te onderscheiden. Het eerste kenmerk is dat grote delen van het grondgebied binnen de gemeentegrens al zeer lange tijd in gebruik zijn voor landbouwdoeleinden. De agrarische activiteiten zijn vooral gericht op veelteelt (rundvee, varkens en pluimvee). Het land is in gebruik voor de productie van voedingsgewassen (gras en maïs). Kenmerkend zijn de verspreid liggende agrarische erven met boerderijen, stallen en schuren. Het tweede kenmerk is het bosgebied dat vooral aan de westzijde van de gemeente maar ook aan de zuidzijde is gesitueerd. Dit gebied heeft vooral waarde voor natuur en recreatie. De derde kenmerkende situatie ten aanzien van de bodemkwaliteit in de gemeente is de bodemkwaliteit in de historische woonkern Woudenberg. De dorpskern kent een lange historie (vanaf ca. het jaar 1.300). Na de Tweede Wereldoorlog is Woudenberg aangewezen als groeikern en werden er vanaf begin jaren zestig nieuwe woonwijken gebouwd. De woonkern van Woudenberg is nadien stapsgewijs uitgebreid.

Als vierde kenmerk wordt het bedrijfsterrein benoemd dat gesitueerd is aan de oostzijde van de gemeente, langs een spoorlijn die na de Tweede Wereldoorlog in verval is geraakt en inmiddels is opgebroken. Vanwege de centrale ligging van Woudenberg zijn er vooral transportbedrijven gevestigd en daarnaast lichte industrie. Onderdeel van dit terrein is de “Spoorzone”. Dit is een voormalig rangeerterrein van de NS. In de bodemkwaliteitskaart zijn deze karakteristieke gebiedskwaliteiten onderscheiden. Dit is de basis geweest voor de zone-indeling die als kaartbijlage 2 is toegevoegd.

Gebiedsopgave In de gemeente Woudenberg zal de komende vijf jaar uitbreiding van het woongebied Hoevelaar worden gerealiseerd tussen de huidige bebouwde kom en het, ten oosten daarvan gelegen bedrijventerrein. De Raad heeft zoekgebied Woudenberg Zuid-oost aangewezen voor toekomstige woningbouw (na Hoevelaar) en bedrijventerrein. Binnen de bebouwde kom zijn er plannen voor herontwikkelingen. Hierbij zal grondverzet (ontgraven, toepassen en hergebruik van grond) plaatsvinden waarvoor milieuhygiënische bewijsmiddelen nodig zijn van de bodemkwaliteit. Dit geldt ook voor andere activiteiten waarbij grondwerk plaatsvindt zoals regulier beheer/onderhoud aan wegbermen, rioleringen en groenvoorzieningen en de aanleg van kabel- en leiding tracés. Bij het grondverzet wil de gemeente Woudenberg verantwoord en kostenefficiënt omgaan met grond. Bijvoorbeeld door vrijkomende grond bij het ene project weer nuttig toe te passen in een ander project binnen het beheergebied. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat er volgens de generieke normen en regels van het Bbk binnen de gemeentegrens gebieden zijn waar de toepassingseisen onnodig streng zijn gelet op de bodemfunctie. Dit kan belemmerend zijn voor het grondverzet en kan leiden tot onnodige aanvoer en aankoop van grond en onnodige afvoer- en verwerkingskosten.

Door goed gemotiveerd gebiedsspecifiek beleid op te stellen voor het grondverzet kan de gemeente grond vanuit de ene zone weer nuttig hergebruiken in de andere zone. Op deze wijze hoeft de gemeente geen extra grond aan te kopen en is hergebruik van grond vanuit het regionale beheergebied mogelijk. Op deze wijze kan de gebiedsopgave op een milieuverantwoorde, duurzame en kostenefficiënte wijze worden aangepakt.

8

Kostenreductie Het opstellen van een BKK zorgt voor een kostenreductie doordat bij grondverzet minder administratieve handelingen nodig zijn. Zo kan bij grondverzet ter plaatse van onverdachte terreindelen vaak volstaan worden met een historisch vooronderzoek. Zonder een BKK is het noodzakelijk om zowel ter plaatse van de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie een bodemonderzoek uit te voeren om vast te kunnen stellen of de kwaliteit en de functie met elkaar matchen. Door aansluiting te zoeken bij het bodembeleid van gemeenten in de regio worden de afzetmogelijkheden van grond vergroot, mede door uniformiteit in regelgeving, in de regio. Bij een betere afstemming van vraag en aanbod wordt onnodig afvoer van grond voorkomen. Door regionaal vrijkomende grond lokaal weer af te zetten is minder afvoer van grond naar grondverwerkers nodig, wat tevens leidt tot kleinere transportafstanden en daarmee reductie in de transportkosten. De BKK kan onder voorwaarden worden benut bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen door vrijstelling van de onderzoeksplicht. In plaats van een bodemonderzoek geeft de BKK dan inzicht in de milieukwaliteit van de bodem op het bouwperceel. Dit bespaart kosten en tijd in de aanvraagprocedure.

Uniformiteit Uniformiteit in kaart en beleid vergroot de kwaliteit van de uitvoering en bevordert het naleefgedrag. Daar waar mogelijk is aangesloten bij het beleid van de naastgelegen regio’s. Initiatiefnemers en uitvoerders in de keten van grondverzet, die veelal regionaal werken, krijgen daardoor niet te maken met onnodige verschillen tussen gemeenten. Juist dergelijke verschillen zorgen voor een verhoogde kans op fouten en overtredingen bij grondverzet. Daarnaast vergroten een uniforme kaart en beleid de mogelijkheden van gemeentegrens overschrijdend grondverzet.

Duurzaamheid

De gemeente Woudenberg heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld: de bodem zodanig benutten, gebruiken en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Maar duurzaam bodembeheer kan ook faciliteren in de verduurzaming van andere thema’s of onderwerpen. Verruiming van de hergebruiksmogelijkheden van gebiedseigen grond in de regio zorgt voor minder gebruik van primaire grondstoffen, zoals schoon zand. Bovendien zijn er minder transportbewegingen nodig, wat leidt tot minder uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid (gebiedsspecifieke beleidskader) dat er door grondverzet geen (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico’s mogen ontstaan bij huidig en toekomstig bodemgebruik.

9

3 Kader nota bodembeheer Randvoorwaarden gebiedsspecifiek beleid De gemeente Woudenberg heeft gekozen om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Gebiedsspecifiek beleid maakt het voor gemeente mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van grondverzet. Het Bbk stelt eisen aan het opstellen van gebiedsspecifiek beleid. De gemeente moet beschikken over een bodemfunctieklassenkaart en een actuele BKK. Daarnaast is de gemeente verplicht om haar beleidskeuzes vast te leggen in een Nota bodembeheer. Het Bbk geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - bij grondverzet is er sprake van stand-still (geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit) op gebiedsniveau, het beheergebied; - een gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt. Het risiconiveau van de gekozen LMW’s wordt berekend met behulp van de risicotoolbox; - bij grondverzet mag niet een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan. De bodemkwaliteit van een zone mag het saneringscriterium van de Wet bodembescherming niet overschrijden; - het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders in de regio, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb), i.c. de provincie Utrecht.

Opmerking hierbij is dat na de inwerkingtreding Omgevingswet (vanaf 2021) de Wbb-taken over gaan naar de gemeenten. Het Besluit bevat ook procedurele voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over de Nota bodembeheer te geven tijdens een terinzagelegging; - de Raad van de betrokken gemeente stelt het gebiedsspecifieke beleid en de BKK vast. Tenslotte stelt het besluit dat bij een Nota bodembeheer de volgende bijlagen zijn bijgevoegd: - de BKK (zie bijlage 1) en bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1); - verwijzing naar een kaart of website met verdachte locaties die bij ontgraving niet onder de reikwijdte van deze Nota vallen als het gaat om grondverzet ter plaatse van deze locaties.

Bodemfunctieklassenkaart Op de Bodemfunctieklassenkaart worden de functies van de bodem weergegeven in relatie tot het bovengronds bodemgebruik. Het gaat daarbij niet om de functie op perceelsniveau (zoals bij bestemmingsplannen), maar om de hoofdfunctie van een gebied. Het Bbk onderscheidt zeven bodemfuncties die zijn samengevoegd tot drie bodemfunctieklassen (zie tabel 3.1). De Bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Woudenberg is opgenomen in kaartbijlage 1.

10

Tabel 3.1: Bodemfunctieklassen volgens het Bbk Bodemfunctie

Bodemfunctieklasse

Moestuin en volkstuinen Natuur

Landbouw/Natuur

Landbouw Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen

Wonen

Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie

Industrie

Opmerking: In het Bbk zijn de bodemfunctieklassen gekoppeld aan bodemkwaliteitsklassen met dezelfde naam. De kwaliteitsklassen staan voor een bodemkwaliteit die verwacht mag worden bij het bodemgebruik. In de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur is dat onbelaste, schone grond (ook wel achtergrondwaarde-kwaliteit of AW2000-kwaliteit). De kwaliteitsklasse Industrie staat voor, door het industrieel gebruik, belaste grond maar altijd onder het niveau van de interventiewaarde (= grenswaarde voor ernstige bodemverontreiniging/potentieel humaan- of milieurisico). De kwaliteitsklasse Wonen zit tussen de twee andere klassen in.

Op de Bodemfunctieklassenkaart in kaartbijlage 1 worden de volgende gebieden/klassen weergegeven: - gebieden die in de bodemfunctieklasse Wonen vallen; - gebieden die in de bodemfunctieklasse Industrie vallen; - gebieden die niet in de bovenstaande bodemfunctieklassen zijn ingedeeld vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur (met uitzondering van de uitgesloten gebieden. Daar gelden de strengste eisen voor het toepassen van grond. Hier mag alleen schone grond worden toegepast, tenzij in de Nota bodembeheer is gemotiveerd waarom hiervan mag worden afgeweken. Bij toekomstige grootschalige ontwikkelingen die nog niet op de kaart zijn meegenomen mag geanticipeerd worden op een wijziging van een bestemmingsplan.

Bodemkwaliteitskaart (BKK)

De BKK is een kaart die de te verwachten gebiedseigen bodemkwaliteit binnen onverdachte gebieden weergeeft. De kwaliteit is niet op perceelsniveau maar op zoneniveau bepaald. De bodemkwaliteit van een zone wordt veelal bepaald door een combinatie van factoren. Dit betreft onder andere de grondslag en het historische bodemgebruik, dat vaak gerelateerd is aan de bebouwingsgeschiedenis. Zo heeft een bedrijventerrein of een historische woonkern doorgaans een slechtere kwaliteit dan een nieuwbouwwijk. Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn deze factoren, onderscheidende gebiedskenmerken, in samenhang met de bodemkwaliteitsgegevens verwerkt tot een definitieve bodemzoneringskaart. Vervolgens is per zone, van deze bodemzoneringskaart, de gebiedseigen kwaliteit bepaald voor zowel de boven- als ondergrond. Deze kwaliteit is afgeleid met behulp van statistiek op de beschikbare gegevens uit al uitgevoerde bodemonderzoeken en uit bodemonderzoek dat speciaal voor het opstellen van de BKK is uitgevoerd. Het resultaat is een ontgravingskaart (zie nadere toelichting hieronder). Een BKK bestaat uit kaarten met de volgende drie thema’s: - Een bodemzoneringskaart; - Een ontgravingskaart; - Een toepassingskaart. Hieronder is de inhoud van de kaarten beschreven. Bodemzoneringskaart Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart wordt gebruik gemaakt van zones.

Dit is een verzameling van gebieden waar op basis van de gebruikshistorie, grondslag en bebouwingsgeschiedenis vergelijkbare bodemkwaliteit verwacht kan worden. Voor de gemeente Woudenberg zijn 3 zones onderscheiden: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Per zone is een onderverdeling gemaakt in bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv).

11

De aaneengesloten bosgebieden in de gemeente Woudenberg vallen buiten de zone-indeling. In par. 4.3 van de Nota is dit toegelicht. Ook een deel van bedrijventerrein aan de oostzijde van de gemeente is niet gezoneerd. Het betreft het voormalige NS-terrein “Spoorzone”. De bodem van dit terrein is door activiteiten in het verleden in meer of mindere mate verontreinigd geraakt. De bodemzoneringskaart is opgenomen in kaartbijlage 2. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een, niet voor bodemverontreiniging verdachte, locatie. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit in een zone kan vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden AW2000), Wonen, Industrie of niet-toepasbaar. De ontgravingskaarten voor de boven- en ondergrond zijn opgenomen in kaartbijlage 3. Voor de verdere totstandkoming van de ontgravingskaart wordt naar de rapportage van de BKK verwezen (bijlage 1). Toepassingskaart Op deze kaart is weergegeven welke kwaliteit grond mag worden toegepast in een bepaalde zone. Bij de totstandkoming van de toepassingskaart is rekening gehouden met de functie, ontgravingskwaliteit en gebiedsspecifiek beleid. Het resultaat is opgenomen in de kaartbijlage 4.

De gebiedsspecifieke toepassingskaart geeft weer in welke zones gebiedsspecifieke toepassingseisen gelden. Deze kaart moet naast de Ontgravingskaart worden gebruikt bij het grondverzet. Let op dat de kaart niet zelfstandig te gebruiken is maar alleen in combinatie met de tekst uit hoofdstuk 4 uit deze Nota.

12

4 Gebiedsspecifiek beleid Aanleiding voor gebiedsspecifiek beleid Gebiedsspecifiek beleid kan om uiteenlopende redenen wenselijk zijn. Belangrijk hierbij is dat een goede balans wordt gezocht tussen het optimaliseren van het grondverzet, het beschermen van de kwetsbare functies en het voorkomen van risico’s. Daarnaast wordt het bodembeheer, zowel voor gebiedsontwikkelingen als voor het onderhoud en beheer van de openbare ruimte, goedkoper en duurzamer. Op basis van de bodemkwaliteitskaart zijn enkele gebiedsspecifieke keuzes gemaakt door de gemeente. Dit gaat enerzijds om keuzes die voor één of enkele zones gelden (zie par. 4.2) en anderzijds om keuzes die overkoepelend van toepassing zijn voor alle zones (zie par. 4.3).

Gebiedsspecifiek beleid op basis van zone-indeling Stand-still op beheergebiedniveau In het generieke kader wordt de toepassingseis, die aangeeft welke kwaliteit grond mag worden toegepast, bepaald op basis van de bodemkwaliteit van de toe te passen grond en bodemzoneringskaart. Hierbij is de strengste eis leidend. Dit kan de mogelijkheden voor grondverzet beperken. De generieke toepassingseis vertaald naar de 3 zones die in de gemeente Woudenberg worden onderscheiden, levert de onderstaande tabel op. Tabel 4.1: Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het generieke kader Zone

Indeling in bodemkwaliteit volgens: Bodemfunctieklassekaart Ontgravingskaart (Bodemkwaliteitsklasse)

Toepassingskaart (Toepassingseis)

Zone A: Woonkern Woudenberg

Klasse Wonen

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone B: Bedrijventerrein

Klasse Industrie

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone C: Buitengebied (excl. bosgebied)

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone A: Woonkern Woudenberg

Klasse Wonen

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone B: Bedrijventerrein

Klasse Industrie

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone C: Buitengebied (excl. bosgebied)

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Door het vaststellen van Lokale Maximale Waarden (LMW’s) creëert de gemeente Woudenberg de mogelijkheid om op sommige plaatsen binnen het beheergebied de bodemkwaliteit iets te verslechteren door toe te staan dat een schoon woongebied of industrieterrein wordt opgehoogd met grond uit respectivelijk (maximaal) kwaliteitsklasse Wonen en Industrie. Tabel 4.2 geeft de toepassingsmogelijkheden in dit gebiedsspecifieke kader weer.

13

Tabel 4.2: Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het gebiedsspecifieke beleidskader voor stoffen uit het standaard pakket Zone

Indeling in bodemkwaliteit volgens: Bodemfunctieklassekaart

Ontgravingskaart(Bodemkwaliteitsklasse) Toepassingskaa (Toepassingsei

Zone A: Woonkern Woudenberg

Klasse Wonen

Klasse AW2000

Klasse Wonen *)

Zone B: Bedrijventerrein

Klasse Industrie

Klasse AW2000

Klasse Industrie*

Zone C: Buitengebied (excl. bosgebied)

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone A: Woonkern Woudenberg

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone B: Bedrijventerrein

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone C: Buitengebied (excl. bosgebied)

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

*) mogelijk onder gebiedsspecifieke voorwaarden

De voorwaarde om dit te mogen doen is dat door de gemaakte beleidskeuzes de bodem op andere plaatsen schoner wordt. Dit wordt ook wel het stand-still principe op beheergebiedniveau genoemd. Toepassing van grond met een slechtere kwaliteitsklasse in woongebieden en op bedrijfsterreinen is alleen toegestaan als:

-

de toepassing niet plaatsvindt op gevoelige gebruiksfuncties binnen woongebied of een bedrijfs/industrieterrein zoals bedrijfswoningen, speelplaatsen en tuinen (zie par. 4.3, ad. 2); er geen andere afzetmogelijkheden zijn voor deze slechtere kwaliteitsklasse op een redelijke afstand; de kans op functiewijziging naar een risicogevoeliger bodemgebruik in de toekomst beperkt is; de toepassing integraal en aaneengesloten plaatsvindt; de toepassing moet functioneel zijn. Dat wil zeggen niet van grotere omvang dan voor het doel van de toepassing nodig is.

De RUD Utrecht toetst per voorgenomen toepassing of aan deze voorwaarden wordt voldaan.

Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid In deze paragraaf worden de onderstaande keuzes van gebiedsspecifiek beleid toegelicht die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart. 1. Natuurgebieden; 2. Gevoelige functies; 3. Grondverzet dieper dan 2 m-mv; 4. Bodemvreemd materiaal; 5. Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen; 6. Wegbermen langs provinciale en rijkswegen; 7. Verspreiden van bagger; 8. Kabels- en leidingen; 9. Omgevingsvergunning bouwen. Ad. 1: Natuurgebieden Binnen de gemeente Woudenberg liggen natuurgebieden, met name aan de westzijde maar ook in het zuiden. Het gaat voornamelijk om beboste terreinen. In deze gebieden vindt vrijwel geen grondverzet plaats. Van deze terreindelen is dan ook weinig bekend over de milieukwaliteit van de bodem. Vanwege de lage dynamiek kiest de gemeente Woudenberg ervoor om voor dit deel van het grondgebied geen gebiedsspecifiek beleid te hanteren. Voor het grondverzet in het bosgebied blijven de generieke regels van het Besluit bodemkwaliteit van kracht. In de praktijk betekent dit dat de kwaliteit van toe te passen

14

grond aantoonbaar moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse AW2000 op basis van een partijkeuring. De terreindelen waarvoor dit geldt zijn weergegeven op kaartbijlage 2. Ad. 2: Gevoelige functies Binnen een gemeente liggen terreindelen met gevoelige gebruiksfuncties. Onder gevoelige functies wordt in dit verband verstaan: 1. Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie); 2. Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen) Ad.1 Volgens het generieke beleidskader mag in volks-en moestuinen alleen schone grond (AW2000) worden toegepast. De gemeente Woudenberg kiest ervoor om voor volks- en moestuinen het generieke beleid te volgen (alleen toepassen van schone grond). Ad. 2 Voor kinderspeelplaatsen is hand-mond gedrag van kinderen de blootstellingsroute die het meest van belang is voor het berekenen van de potentiële humane risico’s. Om de werkelijke humane risico’s in te kunnen schatten zou eigenlijk onderscheid gemaakt moeten worden in het soort speelplaats of tuin. Op speelplaatsen waar voornamelijk peuters en kleuters (kinderen tot 6 jaar) spelen en waar direct contact met de grond mogelijk is, zou je het liefst schone grond als toepassingseis willen hanteren.

Als het gaat om speelplaatsen waar voornamelijk kinderen spelen die ouder zijn dan 6 jaar en waar je niet direct in contact kan komen met de grond (bijvoorbeeld een trapveldje) is het hand-mond gedrag een stuk minder en zou zonder risico klasse Wonen-grond toegepast kunnen worden. In de praktijk is het lastig om bij elke toepassing van grond op plaatsen waar kinderen kunnen spelen bovengenoemd onderscheid in soort speelplaats te maken en het verschil uit te leggen aan de omwonenden. Daarom geldt voor alle hierboven genoemde gevoelige functies dezelfde toepassingseis: schone grond (AW-2000). In tabel 4.3 is dit schematisch weergegeven. Tabel 4.3: Toepassingseis voor het toepassen van grond op speelplaatsen (gebiedsspecifiek) Zone-overkoepelend thema

Bodemfunctieklasse

Bodemkwaliteitsklasse

Gebiedsspecifieke toepassingseis

Speelplaatsen

Klasse Wonen

Klasse AW2000

Klasse AW2000

De beleidskeuzes onder ad. 1 en ad. 2 hebben als voordeel dat het beter is voor de beeldvorming en uniformiteit. Ad. 3: Grondverzet dieper dan 2 m-mv De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5-2,0 m-mv). Voor grond afkomstig van een diepte groter dan 2 m-mv is de kwaliteit niet bekend en is de BKK formeel niet van toepassing. Uit de praktijk blijkt dat grond die dieper vrijkomt dan 2 meter ongeveer dezelfde kwaliteit heeft als de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv. Daarom gelden in de gemeente Woudenberg voor het grondverzet in de bodemlaag dieper dan 2,0 m-mv dezelfde regels als voor grond uit de bodemlaag 0,5–2,0 m-mv. Ad. 4: Bodemvreemd materiaal In de bodem komen verschillende bijmengingen voor. Dit kunnen natuurlijke materialen zijn zoals stenen of schelpen, maar bijmengingen zijn vaak ook niet natuurlijk zoals puin, plastic en glas. In het verleden zijn beleidsmatig verschillende percentages gehanteerd van de hoeveelheid bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond. Een gemeente heeft de mogelijkheid om het percentage bodemvreemd materiaal vast te stellen tot een maximum van 20 % (gewichtsprocent). De gemeente Woudenberg kiest er voor om in grond die toegepast wordt in het buitengebied en op gevoelige locaties (zie tabel 4.5) een hoeveelheid bodemvreemd materiaal toe te staan die niet meer is dan 5 gewichtsprocenten.

Ook in andere situaties kan een hoeveelheid van 20 % bodemvreemd

15

materiaal onwenselijk zijn, gelet op de gebruiksfunctie. In bestekken kunnen desgewenst scherpere eisen worden gesteld worden aan bijmenging met bodemvreemd materiaal. Aan de samenstelling wordt als voorwaarde gesteld dat kunststoffen (plastic, PVC, piepschuim ed.) evenals visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal, geen onderdeel mogen uitmaken van het bodemvreemde materiaal. In de tabel 4.4 is het gebiedsspecifieke beleid voor dit thema schematisch weergegeven. Tabel 4.4: Maximale bijmenging aan bodemvreemd materiaal (steen en hout in gewichtspercentage) Bodemfunctieklasse

Maximaal percentage bijmenging*)

Landbouw/natuur

5%

Wonen (gevoelig gebruik, zoals wonen met tuin, moestuin en speelplaats)

5%

Wonen (geen gevoelig gebruik)

20%

Industrie

20%

*) geen kunststoffen en visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal

Ad. 5: Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen

De kwaliteit van vrijkomende bermgrond kent veel variatie en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), lood, zink en andere zware metalen en minerale olie. Deze verontreiniging is veroorzaakt door: - depositie uitlaatgassen (PAK, lood); - afstromend regenwater (minerale olie, PAK en zware metalen); - wegfunderingsmateriaal (PAK en zware metalen); - toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); - uitloging vangrails (zink). Het gebiedsspecifieke beleid houdt in dat de grond uit een wegberm, zonder partijkeuring of bodemonderzoek, mag worden hergebruikt in een andere wegberm die in beheer is van de gemeente. Als men de grond elders wil toepassen dan in een wegberm die in eigen beheer is, dan is een partijkeuring noodzakelijk. Op wegbermen met gevoelige functies mag alleen schone grond worden toegepast (zie boven). Voor grond die van buiten de wegberm wordt toegepast, geldt de toepassingseis Klasse Industrie. Wegbermen langs onverharde wegen vormen een uitzondering hierop. Deze zijn niet verontreinigd door de naastgelegen weg. Er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van grond in de wegbermen langs onverharde wegen gelijk is aan de gebiedskwaliteit. Dit betekent dat voor grondverzet de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel geldt en de toepassingseis gelijk is aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is.

Wil men bermgrond elders (dus buiten wegbermen) toepassen dan is een partijkeuring noodzakelijk om te toetsen of de toepassing is toegestaan. Voor wegbermen gelegen langs onverharde wegen moet de kwaliteit van de toe te passen grond voldoen aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is. Grond uit verdachte wegbermen moet altijd onderzocht worden. De reden hiervoor is dat het niet wenselijk is dat grondwerkers in aanraking komen met mogelijk sterk verontreinigde grond (> interventiewaarde) zonder dat de juiste veiligheidsmaatregelen getroffen zijn. Bovendien valt sterk verontreinigde grond buiten het kader van de Nota bodembeheer. Het is niet werkbaar om op een kaart aan te duiden welke wegbermen wel en niet verontreinigd zijn. Er zijn namelijk (te) veel representatieve waarnemingen van grond uit gemeentelijke wegbermen noodzakelijk om wegbermen te kunnen zoneren (dat wil zeggen: in te delen op bodemkwaliteit).

16

In tabel 4.5 is het gebiedsspecifieke beleid voor gemeentelijke wegbermen schematisch weergegeven. Tabel 4.5: Overzicht gebiedsspecifiek beleid gemeentelijke wegbermen Wegbermen langs

Vrij grondverzet voor grond binnen de wegberm

Toepassingseis Bewijsmiddel als grond voor grond buiten de wegberm wordt afkomstig van toegepast buiten de wegberm

Gemeentelijke onverharde Tussen bermen waar de wegen ontgravingskwaliteit voldoet aan de toepassingseis

De toepassingseis van Bodemkwaliteitskaart de zone

Gemeentelijke verharde wegen (onverdacht)

Tussen bermen binnen de gemeente

Klasse Industrie

Partijkeuring

Gemeentelijke verharde wegen (verdacht)

De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring

Klasse Industrie

Partijkeuring

De volgende definitie van wegbermen wordt gehanteerd: de strook van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt doorsneden door een sloot dan wel de grens van het desbetreffende perceel. Dit is visueel weergegeven in afbeelding 4.1. Het kan ook voorkomen dat er een middenberm aanwezig is. Ook voor de middenberm, groen tussen de twee wegconstructies, geldt hetzelfde beleid. Afbeelding 4.1: Begrenzing wegbermen

Bron: brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009.

Ad. 6: Wegbermen langs provinciale- en rijkswegen De bodemkwaliteit van de wegbermen langs provinciale en rijkswegen (binnen de gemeentegrens gaat het dan om de A12 en de N224, N226 en N227) is negatief beïnvloed door dezelfde oorzaken als bij gemeentelijke wegen. Voor het toepassen van grond afkomstig uit andere bodembeheergebieden geldt dat vrij grondverzet is toegestaan binnen de wegbermen van provinciale en rijkswegen. Voor het toepassen van de grond in wegbermen van deze wegen geldt de lokale maximale waarde Klasse Industrie. In tabel 4.6 is een samenvatting weergegeven van grondverzet in wegbermen.

17

Tabel 4.6: Overzicht gebiedsspecifiek beleid provinciale- en rijkswegbermen Wegbermen langs

Vrij grondverzet

Toepassingseis voor grond afkomstig van buiten de wegberm

Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast

Provinciale wegen (onverdacht)

Tussen bermen van provinciale wegen binnen beheergebied

Klasse Industrie

Partijkeuring

Rijkswegen (onverdacht)

Tussen bermen van rijkswegen binnen beheergebied

Klasse Industrie

Partijkeuring

Indien verdacht

De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring

Klasse Industrie

Partijkeuring

Ad. 7: Verspreiden van bagger Watergangen moeten regelmatig worden gebaggerd om uiteenlopende redenen. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor, bijvoorbeeld in bebouwde gebieden. Het is echter wenselijk om zoveel mogelijk gebiedseigen bagger te kunnen verspreiden of toe te kunnen passen binnen de gemeente of het beheergebied van aangesloten gemeenten/regio’s. Binnen het generieke kader van het Besluit mag baggerspecie worden verspreid op aangrenzende percelen en tijdelijk worden opgeslagen in weilanddepots (voor ontwatering en rijping) op het aan de watergang grenzende perceel. Voorwaarde hieraan is dat de kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm of dat de baggerspecie aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte watergang. In de toelichting op het Bbk wordt het begrip ‘aangrenzende perceel’ slechts summier toegelicht en er wordt geen maximale afstand genoemd. In lijn met de wens tot decentralisatie is het Bbk bewust minder sturend en kaderstellend. Nadere invulling ligt bij gemeenten en waterschappen, die kunnen vaststellen hoe de baggeractiviteiten het beste passen binnen het beheer van het gebied. De gemeente Woudenberg vult het begrip aangrenzend perceel als volgt in: alle percelen die zijn gelegen binnen de grenzen van de bodemkwaliteitszone van de betreffende watergang.

Deze invulling geldt voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied en aanvullend op de mogelijkheden die het Bbk biedt. Voor het opbrengen van hoeveelheden of laagdikte bij het verspreiden van baggerspecie is geen maat opgenomen in het Besluit. De aërobe afbraak van organische verontreinigingen wordt ernstig bemoeilijkt bij baggerspecielagen dikker dan 30 cm. De gemeente Woudenberg hanteert een maximale dikte van de baggerlaag na rijping van 30 cm. Binnen een zone mag vrijkomende (natte) baggerspecie worden toegepast als deze voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld aan het gebiedsspecifiek beleid voor grond. Het direct toepassen wordt dan niet gezien als verspreiden en er hoeft dus ook niet te worden getoetst aan de verspreidingsnorm. In wezen wordt er bij direct toepassen geen onderscheid gemaakt tussen grond en baggerspecie welke vrijkomt en weer wordt hergebruik binnen de eigen zone. De argumentatie voor deze invulling is: binnen dezelfde zone zal vermoedelijk sprake zijn van een vrij homogene waterbodemkwaliteit.

Het betreft immers gebiedseigen bagger met een vergelijkbare kwaliteit; binnen een zone hebben de watergangen een vergelijkbare dynamiek, veelal sloten ten behoeve van ontwatering zonder vaarbewegingen; het verspreiden van bagger gebeurt al eeuwen en de bodemkwaliteit is dus ook al eeuwen beïnvloed door deze handelswijze; de totale kwaliteit van het systeem “bodem en waterbodem” verslechtert niet, maar blijft gelijk (stand-still). Dit is dus een integrale benadering van de maatschappelijke baggeropgave. Het direct toepassen van bagger binnen dezelfde zone wordt niet gezien als verspreiden en er hoeft dus ook niet te worden getoetst met de msPAF-toets. Er wordt bij het direct toepassen geen verschil gemaakt tussen grond en bagger.

18

Bovenstaande invulling geldt voor zowel het landelijk gebied als de bebouwde kom, zolang de verspreidbare bagger maar binnen dezelfde zone blijft en de bagger ofwel afkomstig is uit onverdachte watergangen dan wel op basis van een milieuhygiënische verklaring conform het Besluit bodemkwaliteit als verspreidbaar (ms-PAF-toets) kan worden gekwalificeerd. Concreet maakt het gebiedsspecifieke kader het verspreiden/toepassen van bagger ook buiten aangrenzende percelen, onder voorwaarden, mogelijk. Ad. 8: Kabels en leidingen Veel grondwerkzaamheden bij de aanleg of vervanging van kabels en leidingen en riolering vallen onder het begrip tijdelijke uitname (par. 5.4). In het Besluit bodemkwaliteit is gesteld dat het tijdelijk uitnemen en het daarna weer terugplaatsen van grond, onder voorwaarden is toegestaan, mits deze niet is bewerkt. Vanwege een (potentieel) verschil in samenstelling en milieukwaliteit tussen boven- en ondergrond mogen beide bodemlagen in het generieke beleidskader bij het toepassen van grond, niet zonder meer worden gemengd. Met andere woorden: ontgraven bovengrond moet als bodengrond worden toegepast, hetzelfde geldt voor de ondergrond. Dit principe is niet in alle situaties werkbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. Dit zijn kleinschalige grondwerken waarbij weinig ruimte is om ontgraven grond op te slaan.

Grond die vrijkomt bij het graven van een sleuf wordt op een rug naast de sleuf gelegd. Vaak is bij eerdere werkzaamheden aan de kabels en leidingen de grond al geroerd en heeft herstel van het bodemprofiel geen meerwaarde. Binnen het gebiedsspecifieke beleidskader is het daarom toegestaan om, bij tijdelijke uitname van grond bij reparatie- of vervangwerkzaamheden aan kabels en leidingen, boven- en ondergrond niet gescheiden te ontgraven en terug te plaatsen. Dit betekent dat in ontgravingstraject de boven- en ondergrond geroerd teruggeplaatst mag worden, mits de ontgravingsdiepte functioneel is. Bij hergebruik van grond uit kabel- en leidingsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van deze grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond uit de betreffende zone. Deze werkwijze resulteert erin dat de bodem ter plaatse van leidingtracés (verder) geroerd raakt, met als gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. Deze vermenging wordt geaccepteerd omdat:

-

na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating, waardoor er geen direct contact met de grond mogelijk is; de grond ter plaatse van de leidingtracés in het verleden vaak al geroerd is bij de aanleg en en/of de ontgravingssleuf bij aanleg vaak aangevuld is met schone grond.

Bij hergebruik van grond uit kabels-, leidingen- en rioolsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond van de desbetreffende zone. De acceptant van de grond kan altijd om een partijkeuring vragen om de kwaliteit van de grond aan te tonen. Ad. 9: Omgevingsvergunning bouwen Om te mogen bouwen is in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Als onderdeel van de vergunningaanvraag kan een gemeente vragen om een bodemonderzoek. Het doel van het onderzoek is om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd waardoor risico’s kunnen ontstaan voor de eigenaar/gebruiker. Omdat de BKK inzicht geeft in de bodemkwaliteit van beheergebied en daarmee ook het bouwperceel kan deze op onderstaande wijze worden benut in de vergunningprocedure voor bouwen. In gevallen waarin voor de activiteit bouwen een bodemonderzoek noodzakelijk is als onderdeel van de vergunningaanvraag is altijd een vooronderzoek conform NEN5725 nodig. Als uit de resultaten van dit vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging kan op basis van de toepassingskaart (zie kaartbijlage 4A) de milieukwaliteit van de bodem worden bepaald en is verder onderzoek niet nodig.

19

Hiervoor gelden twee uitzonderingen. Een vooronderzoek (in combinatie met de BKK) is geen geldig bewijsmiddel in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wanneer: - uit het vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat de locatie of een gedeelte van de locatie verdacht is. Dan dient altijd minimaal een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 te worden uitgevoerd voor het gehele deel waarop het plan betrekking heeft; - de locatie in één van de in de BKK uitgesloten gebieden gesitueerd is. Hier dient na een vooronderzoek conform NEN5725 altijd een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden.

20

5 Beleidsregels voor PFAS Inleiding Op 8 juli 2019 is een Tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit Tijdelijk handelingskader is op 29 november 2019 geactualiseerd. Er zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals toepassingseisen in verschillende toepassingssituaties. Initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Om de regels rond grondverzet van PFAS-houdende grond te vereenvoudigen is de stofgroep PFAS onderdeel gemaakt van het gebiedsspecifieke beleid in de gemeente Woudenberg. De reden dat voor PFAS in de Nota bodembeheer andere beleidsregels zijn vastgelegd dan voor de stoffen uit het standaardpakket, zijn de afwijkende kenmerken van deze stofgroep (zie par. 5.2). De gemeente heeft resultaten uit bestaande onderzoeken op het gemeentelijke grondgebied aangevuld met resultaten van gericht bodemonderzoek naar PFAS-verbindingen. Met deze gegevens zijn:

• • •

de gemeentelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen gedefinieerd; de verwachte ontgravingskwaliteit voor PFAS-verbindingen in de grond bepaald; lokale toepassingseisen vastgesteld als het voornemen bestaat PFAS-houdende grond te hergebruiken/toe te passen.

Karakterisering en kwaliteitszone-indeling In tegenstelling tot de meeste andere bodemverontreinigende stoffen wordt de verspreiding van PFAS bepaald door depositie vanuit puntbronnen en niet door het gebruik van de bodem. Onderzoeksresultaten laten zien dat er geen significante verschillen zijn tussen achtergrondgehalten PFAS in landelijk gebied en stedelijk gebied. De afstand tot puntbronnen bepaalt de mate waarin de bodem belast is met PFAS. Uit de Achtergrondgehaltenkaart PFAS van de provincie Utrecht (versie 6 januari 2020) volgt dat de bodem in de gemeente in lichte mate diffuus belast is met PFAS in gehalten die gemiddeld onder de grenswaarde liggen van de functieklasse Landbouw/Natuur uit het Tijdelijk handelingskader PFAS. Vanwege de verwachte homogene verspreiding van PFAS is binnen de gemeentegrens is geen zoneverdeling aangebracht. Dit is op kaart weergegeven in kaartbijlage 2.

Verwachte ontgravingskwaliteit De ontgravingskaarten in de kaartbijlagen 3A en 3B geven de te verwachten kwaliteit aan van respectievelijk te ontgraven boven- en ondergrond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de locatie niet is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Par. 7.2 van deze Nota gaat hier nader op in. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten PFAS-verbindingen (PFOS, PFOA en PFAS (overig)). Algemeen wordt aangenomen dat alleen de bodemlaag tot 1,0 m-mv verdacht is. In de diepere bodemlagen worden geen verhoogde gehalten PFAS verwacht. Voor de andere stoffen is de ondergrens gesteld op 2,0 m-mv. Uit de analyseresultaten afkomstig uit bodemonderzoeken in de gemeente Woudenberg volgt dat de bodemlaag 0,0 – 0,5 m-mv gehalten PFAS bevat die overeenkomen met de grenswaarden voor Klasse Landbouw/Natuur (geldt voor PFOA) of daar onder uitkomen (geldt voor PFOS en PFAS (overig)).

21

De gehalten in de bodemlaag 0,5 – 1,0 m-mv liggen onder de grenswaarde voor Klasse Landbouw/Natuur. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat in de diepere bodemlagen hogere gehalten voorkomen. Uit praktische overweging is er daarom in deze Nota voor gekozen dat de ontgravingskwaliteit die is vastgesteld voor de bodemlaag 0,5 – 1,0 m-mv ook geldt voor de laag 1,0 – 2,0 m-mv.

Toepassingskwaliteit Voor de bodemlaag 0,0 – 0,5 m-mv is de 95-percentielwaarden berekend (voor een toelichting zie bijlage 2) die gehanteerd wordt als lokale toepassingseis. Deze waarden blijken in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur boven de normen te liggen uit Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond (zie tabel 5.1). In deze Nota zijn daarom voor toepassing in de bovengrond van de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur LWM’s vastgesteld. De toepassingseisen voor PFAS zijn op kaart weergegeven op kaartbijlage 4A. Voor de bodemfunctieklasse Wonen en Industrie zijn gebiedssecifieke normen niet nodig omdat de 95percentiel-waarden onder de toepassingseisen liggen van het Tijdelijk handelingskader. Tabel 5.1: Gebiedsspecifieke toepassingseisen PFAS-verbindingen in de bovengrond Stof

Toepassingseisen PFASverbindingen, P95 (in μg/kg ds)

Bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur PFOA

3,0*)

PFOS

1,6*)

PFAS (overig)

0,9*)

Bodemfunctieklasse Wonen en Industrie PFOA

7**)

PFOS

3**)

PFAS (overig)

3**)

*)

Lokaal maximale waarde Norm uit het Tijdelijk handelingskader

**)

Uit praktische overweging is in deze Nota de keuze gemaakt om in de ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) alleen toepassing toe te staan van grond die voldoet aan de voorlopige achtergrondwaarde (Klasse Landbouw/Natuur). Deze norm is voor de bodemlaag 0,5 – 1,0 m-mv strenger dan de landelijk geldende norm maar doet recht aan het stand-still principe. De toepassingseisen voor PFAS in de ondergrond komen overeen met de eisen voor de stoffen uit het standaardpakket, namelijk klasse AW2000. Voor het toepassingen in de ondergrond is daarom voor PFAS geen separate kaart in kaartbijlage 4B opgenomen.

22

Gebiedsspecifiek beleid op basis van zone-indeling Op basis van voorgaande paragrafen is het gebiedsspecifieke beleid voor de stofgroep PFAS samengevat in tabel 5.2. Tabel 5.2: Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingsklassen conform het gebiedsspecifieke beleidskader voor PFAS Zone

Indeling in bodemkwaliteit PFAS volgens: Bodemfunctieklasse

Ontgravingskaart

Toepassingskaart

Zone A: Woonkern Woudenberg

Klasse Wonen/Industrie

Klasse AW2000

Klasse Wonen/Industrie

Zone B: Bedrijventerrein

Klasse Wonen/Industrie

Klasse AW2000

Klasse Wonen/Industrie

Zone C:Buitengebied (excl. bosgebied)

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

LMW (zie tabel 5.1)

Zone A: Woonkern Woudenberg

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone B: Bedrijventerrein

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

Zone C:Buitengebied (excl. bosgebied)

Klasse Landbouw/Natuur

Klasse AW2000

Klasse AW2000

bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Toekomstige bijstelling van de landelijke (toepassings)normen Tot en met 2020 doet het RIVM onderzoek naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens definieert het RIVM interventiewaarden en worden mogelijk de toepassingseisen voor PFAS-verbindingen aangepast. Als de landelijke toepassingseisen voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd zal de gemeente deze toetsen aan de in deze notitie gedefinieerde lokale toepassingseisen voor hergebruik van PFAS-houdende grond (zie dit hoofdstuk). Indien van toepassing worden de gemeentelijke toepassingseisen gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld (zie hoofdstuk 8).

23

6 Bijzondere omstandigheden Verontreinigde of gesaneerde gebieden Verontreinigde locaties of gesaneerde terreinen waar de verontreinig in de grond niet volledig is verwijderd, maken geen onderdeel uit van de BKK. De BKK gaat immers over de gebiedseigen bodemkwaliteit die representatief is voor een zone. Verontreinigde locaties of gesaneerde terreinen waar verontreiniging in de grond is achtergebleven zijn niet representatief. Het wettelijk kader voor grondverzet van en naar verontreinigde, verdachte of gedeeltelijk gesaneerde locaties kan anders zijn en er kan een ander erkend bewijsmiddel nodig zijn, zoals een bodemonderzoek voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem. Dit betreft maatwerk waarvoor voorafgaand aan de toepassing van grond afstemming met de RUD Utrecht nodig is. Verontreinigde, verdachte of gedeeltelijk gesaneerde locaties zijn niet weergegeven op de bodemkwaliteitskaart, omdat dit dynamische informatie is (een verontreinigde locatie kan bijvoorbeeld gesaneerd worden, of er kan een nieuwe verdachte locatie bijgekomen zijn op basis van nieuwe informatie). Voor elke locatie waar grondverzet gepleegd gaat worden, is het daarom nodig om vast te stellen of al dan niet sprake is van een verdachte of gesaneerde locatie. Zie paragraaf 7.2.

Functies Wonen en Industrie in het buitengebied Het buitengebied (Zone C, zie kaartbijlage 2) is ingedeeld in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Echter binnen dit gebied bevinden zich percelen met functies Wonen of Industrie (bedrijvigheid waaronder agrarische bedrijven). Voor deze percelen wordt de achtergrondwaarde (Klasse AW2000) als toepassingseis voor aan te brengen grond te streng gevonden. Daarom gelden voor deze percelen dezelfde toepassingseisen als voor gebieden die op de kaart in de bodemfunctieklasse Wonen vallen. Dit is verder niet weergegeven op de Toepassingskaart (kaartbijlagen 4). Voor het elders toepassen van grond afkomstig van deze locaties gelden de generieke regels van het Besluit bodemkwaliteit.

Grootschalige bodem toepassing (GBT) Het Besluit bodemkwaliteit (art. 63) maakt het mogelijk (grond of baggerspecie) in zogenaamde grootschalige bodemtoepassingen te verwerken. Voor een grootschalige bodemtoepassing gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Voorliggende Nota is hierop niet van toepassing. Van een grootschalige bodemtoepassing is sprake als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

-

de toepassing heeft een minimaal volume van 5.000 m³; de toepassing heeft een minimale hoogte van 2 meter (tenzij sprake is van een leeflaag of (spoor)wegen, want dan geldt een minimale hoogte van 0,5 meter); een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van tenminste 0,5 m, waarbij de leeflaag dezelfde of betere milieukwaliteit heeft dan de omliggende bodem.

Het Besluit bodemkwaliteit (art. 63) noemt de volgende toepassingen grootschalig:

-

-

toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen; toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving; toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart; toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.

24

Tijdelijke uitname Tijdelijke uitname van grond is uitgezonderd van veel verplichtingen uit het Besluit bodemkwaliteit, waaronder de meldingsplicht. Om te voldoen aan tijdelijke uitname moet worden voldaan aan de volgende criteria uit het Handvat tijdelijke uitname van 7 juli 2010 (opgesteld door voormalig AgentschapNL): - er moet sprake zijn van het terugplaatsen van grond op of nabij dezelfde locatie; - grond moet in dezelfde toepassing teruggeplaatst worden; - grond moet onder dezelfde omstandigheden teruggeplaatst worden; - grond moet zonder bewerking teruggeplaatst worden. Hoewel het uitzeven van bodemvreemd materiaal normaal gesproken als een bewerking wordt gezien, is in de toelichting van het Besluit bodemkwaliteit expliciet opgenomen dat in het geval het uitzeven van bodemvreemd materiaal voor civieltechnische doeleinden niet als bewerking wordt gezien. Dit betekent dat in dat geval de ontgravingskaart ook na het zeven als bewijsmiddel mag worden gebruikt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1237/documents/27457