CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2024 (2).pdf

Gemeenteraad 29 februari 2024, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 7: Integrale Verordening Sociaal Domein43.686 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Ten aanzien van lid 1, h wordt de voorkeur gegeven aan inzet van collectieve maatwerkvoorzieningen als aanvulling op maatregelen in eigen kracht of met het sociaal netwerk; ten opzichte van individuele maatwerkvoorzieningen. Uiteraard gaat dit alleen op als de collectieve voorziening even goed of beter past bij de behoefte van de cliënt, vergeleken met de individuele voorziening. Artikel 5. Advisering Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische of psychische situatie in relatie tot de ondersteuningsvraag. 45

Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (zie centrale raad van beroep, 26-11-2009, zk.nmr 09-5702 Wmo-VV, CRVB:2009:BK4567 en 10-10-2012, zk.nmr 11-5873 Wmo, CRVB:2012:BY0324). In het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst passende bijdrage is. De cliënt wordt geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (zie centrale raad van beroep, 17-10-2012, zk. Nmr 10-5275 Wmo, CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Artikel 6.

Verslag In het kader van de beantwoording van de ondersteuningsvraag is het van belang dat de cliënt en de medewerker die het onderzoek uitvoert zoveel mogelijk van dezelfde informatie kunnen uitgaan. Het verslag waarmee het onderzoek wordt afgesloten wordt aan de cliënt verstrekt, tenzij er een plan van aanpak wordt opgesteld. In dat geval maakt het resultaat van het onderzoek deel uit van het plan van aanpk en hoeft er niet een apart verslag te worden opgesteld. Het verslag als zodanig is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Mocht de uitkomst van het onderzoek, ook na een eventuele second opinion, niet tot overeenstemming leiden omdat de inwoner niet de voorzieningen ontvangt die hij denkt nodig te hebben, dan kan daar een aanvraag voor worden ingediend waarna aan de hand van een voor bezwaar vatbare beschikking het besluit van de gemeente juridisch getoetst kan worden. Bij werk en inkomen is dit proces anders ingericht. De gegevens uit het onderzoek en het gesprek over de aanvraag bijstand voor levensonderhoud met de cliënt worden in een rapportage beschreven op grond waarvan geconcludeerd wordt of er al dan niet recht op bijstand bestaat. Dit besluit wordt in een beschikking meegedeeld aan de cliënt. De cliënt heeft zelf de benodigde gegevens schriftelijk overlegd.

De rapportage over deze gegevens en de omstandigheden van de cliënt worden om die reden niet aan de cliënt voorgelegd. Artikel 7. Aanvraag De aanvraag op basis van de Jeugdwet/Wmo kan schriftelijk of digitaal worden gedaan. Als de cliënt het verslag of plan van aanpak ondertekent en het is voorzien van zijn naam, burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, kan het fungeren als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening in het kader van de Participatiewet betreft ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Doorgaans wordt een re-integratietraject door de medewerker in overleg met de cliënt uitgezet zonder dat er sprake is van een expliciete aanvraag door de cliënt.

46

Artikel 8. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel is de essentie opgenomen die in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening In de inleiding van de Jeugdwet wordt in overweging genomen dat het wenselijk is dat hulp op maat wordt geboden, er meer ruimte voor professionals is en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen en het participeren in de samenleving allereerst bij de opvoeders en hun omgeving zelf ligt. De inleiding van de Wmo beschrijft dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan.

Burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning en dat de ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, erop gericht moet zijn dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Het ligt in de rede dat overheidsverantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie zo dicht mogelijk bij de burger worden belegd. De genoemde afwegingsfactoren zijn daar mede op gericht. Passende ondersteuning wordt geboden zo licht als het kan, zo zwaar als het moet. Waarbij de beoordeling van wat passende ondersteuning is aan de professional wordt overgelaten. De professionals in het sociaal team nemen besluiten. Daarnaast waarborgt het college conform artikel 2.3 van de Jeugdwet een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van het inzetten van de aangewezen voorziening. Het college heeft daartoe onder meer professionals in een sociaal team aangesteld.

Deze professionals hanteren op basis van het vooronderzoek (artikel 5), het gesprek (artikel 6), het verslag (artikel 7) en de aanvraag (artikel 8) de genoemde afwegingsfactoren in dit artikel en nemen een besluit om een overige voorziening of een maatwerkvoorziening te treffen. Vermijdbaar en voorzienbaar zijn over het algemeen zeer subjectieve zaken. Gemeente doet er daarom goed aan om bewustwordingsgesprekken en voorlichting te geven over hoe men zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen, wat er gedaan kan worden om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen participeren in de samenleving en hierbij moet ook gedacht worden aan het juiste wooncomfort passend bij gezinssituatie, leeftijd en eventuele beperkingen die worden ervaren. Iedere cliënt die een melding doet heeft recht op een zorgvuldig onderzoek om te komen tot een maatwerkoplossing. Daaruit kan blijken dat een voorziening vermijdbaar was dan wel voorzienbaar. Er kan niet categoriaal mensen van bijvoorbeeld een bepaalde leeftijd of mensen met een specifieke ziekte, worden uitgesloten van voorzieningen. Het is wat anders als blijkt dat er al belemmeringen (bekend) waren die maakten dat er bij vervolgstappen in het leven rekening mee gehouden kon worden (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5215). Te denken valt aan aandoeningen, ziektes van 47

chronische – dan wel progressieve aard met als gevolg dat er voorzieningen nodig zijn waar voor gereserveerd dan wel mee rekening gehouden kan worden. Dat blijkt ook uit verschillende rechtbankuitspraken. Een voorziening kan niet worden geweigerd omdat deze op basis van de leeftijd van de cliënt voorzienbaar zou zijn (zie Rechtbank Rotterdam 01-05-2015, nr. 14/3684 ROT en Rechtbank Gelderland 26-022015, nr. 13/8130). Dit is in lijn met eerdere uitspraken van de CRvB, waaruit volgt dat een woonvoorziening niet kan worden geweigerd omdat gelet op de leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn (zie CRvB 15-12-2010, nr. 09/1591 Wmo en CRvB 09-05-2012, nr. 10/3477 Wmo). De CRvB oordeelt dat bij een verhuizing te veel (individuele) factoren een rol spelen om de kosten van een verhuizing – uitsluitend op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie – als algemeen gebruikelijk te kwalificeren. Bovengenoemde uitspraken zijn gedaan onder de Wmo 2007. In de Wmo 2015 verwacht een gemeente, dat burgers met of zonder beperkingen ruim op tijd rekening houden met het ouder worden en de daar mogelijk mee gepaard gaande gebreken. Deze zogenaamde levensloopbenadering geldt immers ook als gemeengoed bij het krijgen van een kind, de groei en uit huis gaan van het kind.

Dat proces vraagt steeds aanpassing van de woning voor passend wooncomfort datzelfde geldt ook als men ouder wordt. Door bijvoorbeeld tijdig en op eigen kosten voorzieningen in de woning aan te brengen, zoals een inloopdouche of tweede toilet. Ouder wordende burgers kunnen ook besluiten “alvast” te verhuizen naar een levensloopgeschikte woning. Vermijdbaar: Het college kan voorzieningen weigeren wanneer in het geval van een verhuizing of andere verplichting die is aangegaan de nieuwe woning of leefomstandigheden niet meer passend zijn voor de noodzakelijke functionele behoefte. Tenminste wanneer geen rekening is gehouden met reeds bestaande beperkingen en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Verhuizing van een passende woning naar een niet passende woning, bijvoorbeeld iemand met mobiliteitsproblemen die van een gelijkvloerse woning verhuist naar een woning met etages en de trap niet op kan lopen valt onder voorzienbaar (ECLI:NL:CRVB:2013:1809). Het was te voorzien dat de woning niet past voor het functionele gebruik van de aanvrager. Handreiking-opplussen-woningen-van-oudere-eigenaar-bewoners.pdf (langerthuisineigenhuis.com). Het college doet gedegen onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte, om passende hulp te kunnen beschikken. Soms besluiten cliënten een maatwerkvoorziening aan te schaffen voor het onderzoek is afgerond.

Als de cliënt al een maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd of aangeschaft, kan dat onderzoek in de meeste gevallen niet goed gedaan worden en dat is onwenselijk. In principe verstrekt het college in dat geval niet de maatwerkvoorziening, maar er zijn uitzonderingsgronden. Deze uitzonderingsgronden vervallen echter drie maanden nadat de cliënt zich heeft aangemeld bij de maatwerkvoorziening. Wanneer een cliënt in aanmerking wil komen voor een vergoeding voor deze voorziening, dient de cliënt zich dus binnen drie maanden na aanmelding bij de maatwerkvoorziening te melden bij het Sociaal Team. Dan kan het nog steeds zo zijn dat de uitzonderingsgronden niet van toepassing zijn, en de maatwerkvoorziening niet wordt toegekend. Artikel 10 Regels voor persoonsgebonden budget (Jeugdwet/Wmo)

48

Paragraaf 10.1 tot en met artikel 10.5

Dit artikel regelt aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de zorg in de vorm van een pgb te ontvangen. Het college stelt algemene voorwaarden vast, voorwaarden voor ondersteuning door informele aanbieder en pgb-beheerder. Bovendien wanneer een pgb niet mogelijk is. Hiermee is voor zowel client als uitvoering duidelijk wat van het gebruik van een pgb mag worden verwacht en kan de gemeente beter sturen op rechtmatigheid. Tevens staat beschreven in artikel 10.5 op welke wijze de hoogte van een pgb wordt bepaald. De hoogte van het pgb moet toereikend zijn om daarmee de ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de kwaliteit met betrekking tot het doel waarvoor het is verstrekt. Daarbij geldt het principe van de goedkoopst passende bijdrage als bedoeld in artikel 20.a en 20.b van deze verordening. Het college kan op grond van artikel 8.1.1. van de jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een pgb verstrekken. De eisen voor een pgb in de Jeugdwet zijn strenger dan in de Wmo. Naast de eisen over de kwaliteit van de zorg en het in staat moeten zijn om als pgb budgethouder op te treden bepaalt de Jeugdwet dat de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt moeten stellen dat zij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten.

Met andere woorden, bij de Jeugdwet wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de jeugdhulp/zorg wordt verleend door gecontracteerde aanbieders tenzij dat in het concrete geval niet passend is. De voorwaarden en weigeringsgronden in dit artikel volgen direct uit artikel 8.1.1. jeugdwet en 2.3.6 Wmo 2015. De beoordeling of er recht bestaat op een persoonsgebonden budget is op grond van artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet en artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 voorbehouden aan het college. De aanspraak op een persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst. Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 8.1.1, vierde lid onder b, van de jeugdwet en artikel 2.3.6, vijfde lid onder b, van de Wmo 2015 bevoegd is het persoonsgebonden budget te weigeren. Omdat cliënten vaak kwetsbare personen betreffen, is als voorwaarde voor verstrekking van een pgb opgenomen dat de zorgverlener een recente VOG overhandigt. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen.

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 8.1.1., vierde lid onder a van de jeugdwet en artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐ of opvangvoorzieningen. De cliënt is in beginsel zelf verantwoordelijk voor inkoop van kwalitatief verantwoorde ondersteuning. Het college heeft echter wel een rol bij de beoordeling of sprake is van goede kwaliteit (artikel 8.1.1, lid 2 onder c, van de jeugdwet en artikel 2.3.6 lid 2, onder c, van de Wmo 2015). Bij het beoordelen van de kwaliteit aangaande de Wmo weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen 49

in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgbbeheerder. Aan de pgb-beheerder worden in artikel 10.3 eisen gesteld. Niet iedereen is in staat om naar behoren een pgb te beheren. In artikel 10.4 wordt beschreven in welke gevallen geen pgb mogelijk is. Alvorens de cliënt een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals het ondernemen van (sociale) activiteiten met de cliënt, het doen van de boodschappen, het verrichten van lichte huishoudelijke taken, het verlenen van eenvoudige hulp bij de administratie, het maken van afspraken met specialisten en het vervoeren naar artsen e.d. In dit artikel wordt ook gehoor gegeven aan artikel 2.9, onder c van de jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015.

Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Voor het pgb tarief geldt net als voor de ZIN tarief, dat het een reëel tarief moet zijn. Dit betekent dat onderbouwd moet kunnen worden dat het tarief dekkend is voor alle kosten die de pgb-aanbieder redelijkerwijs moet maken om de zorg, volgens de door de gemeente gestelde condities, uit te voeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen professionele pgb-aanbieder en informele pgb aanbieders (sociaal netwerk). Het ZIN tarief is opgebouwd uit de volgende kostencomponenten: huisvesting, risico-opslag, overhead, werkgeverslast, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, onregelmatigheidstoeslag en loon.

Volgens een uitspraak van het CVrB (16-8-2023) dient het minimale pgb-uurtarief voor hulp bij het huishouden bij een persoon die tot het sociale netwerk behoort, aansluiten bij de geldende cao VVT. Bij individuele begeleiding bij een persoon die tot het sociale netwerk behoort, moet de gemeente aansluiten bij het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, plus vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Indien het college een indicatie voor ondersteuning heeft vastgesteld kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verlenen. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb moet worden voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 10.5 het vierde lid onderdeel a. tot en met c. Het ligt niet voor de hand dat hier snel met succes een beroep op kan worden gedaan. Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de jeugdige en/of zijn ouder(s) een pgb-plan moeten opstellen (artikel 10.1). Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelovereenkomst van de SVB (artikel 10 lid 5). De modelovereenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders 50

opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder mede worden gediend. De CRvB (zie: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) heeft op 17 mei 2017 een uitspraak gedaan over verboden delegatie. De raad stelt dat de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan het college. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia. In dit artikel is de berekeningswijze pgb vastgelegd met betrekking tot differentiatie van de tarieven. Deze berekeningswijze is leidend voor het college bij de berekening van tarieven, welke zijn gebaseerd op de tarieven zoals zijn voortgekomen uit de inkoop bij de diverse zorgaanbieders. Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarin per voorziening de maximale pgb tarieven worden vastgelegd. Wat betreft het met een pgb inkopen van diensten is het uitgangspunt is dat bij een professional in dienst van een zorgaanbieder een percentage van 90% wordt gehanteerd.

Bij de professional die werkzaam is als zelfstandige en/of die een arbeidsovereenkomst heeft met de pgb-houder wordt een percentage van 75% aangehouden. Het is ook mogelijk dat vanuit het pgb diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen worden betrokken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Deze persoon hanteert hiervoor een tarief van 50% van het [laagste] toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Bovendien mogen er geen tussenpersonen of belangenbehartigers uit het pgb betaald worden. Vanaf 1 mei 2019 zullen alle personen die vanuit een overeenkomst van opdracht werken en betaald worden uit een persoonsgebonden budget (pgb), of minimaal het minimumuurloon moeten krijgen, of gebruik moeten gaan maken van een nieuwe regeling, met de zogenaamde ‘verklaring’. Nog niet alle budgethouders betalen nu het wettelijk minimumloon. Het gaat om de budgethouders die nog tot 1 mei 2019 in de uitzonderingscategorie vallen. De ministeriële regeling ‘Hulp uit sociaal Netwerk’ maakt het per 1 mei 2019 mogelijk om betalingen uit een pgb te doen in die situaties waar geen sprake is van een arbeidsrelatie (en er dus geen sprake is van een overeenkomst). Het gaat om hulp in familieverband, burenhulp of vriendendienst.

Deze betalingen hoeven dan niet aan het wettelijk minimumloon te voldoen. In artikel 10 lid 7 onder d. is nu de mogelijkheid van zo’n soort betaling opgenomen. Het maximum standaardbedrag is € 141,-- per maand. In de verordening is aangegeven wat onder geïndiceerde diensten wordt verstaan waar het gaat om de Wmo en de Jeugdwet (art. 10.5 lid 5). Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarbij in ieder geval voor deze diensten een tarief wordt vastgesteld dat is gebaseerd op de inkoop tarieven zoals die zijn overeengekomen. Naast het Financieel Besluit zijn er ook de nadere regels sociaal domein, welke ook door het college worden vastgesteld. Deze regels bevatten een volledige opsomming van alle diensten die zijn ingekocht in het kader van de Wmo en Jeugdwet. Voor vervoers- en woonvoorzieningen geldt dat het pgb in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). Voor individueel (rolstoel)taxivervoer stelt het college normbedragen vast (artikel 10.5 lid 8). Daarvan kan overigens worden afgeweken als de 51

omstandigheden daarvoor aanleiding geven, het gaat om maatwerk. Verder kan het college een pgb vaststellen op basis van de goedkoopste offerte zodat de hoogte van het pgb op objectieve wijze kan worden vastgesteld. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigt. In het artikel 10.5 lid 12 en 13 gaat het over beschermd wonen waarvan de uitvoering ligt bij de centrumgemeente Amersfoort. De indicatie voor beschermd wonen wordt echter wel door de gemeente zelf afgegeven en bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. Het kan voor komen dat de cliënt in aanmerking komt voor een pgb, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het pgb besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, dan kan het zijn dat de hoogte van het pgb niet toereikend is. In het verleden kon een (aanvullend) pgb worden verstrekt in de vorm van een wooninitiatieventoeslag. Per 2021 is de wooninitiatieventoeslag vervallen als een lokaal te beschikken toeslag. Centrumgemeente Amersfoort regelt deze bekostiging voortaan via een subsidie vanuit het centrumgemeentebudget.

Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van pgb-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning. Daarbij geldt vanzelfsprekend dat deze kosten niet gefinancierd kunnen worden uit het pgb of andere voorliggende oplossingen of voorzieningen. Deze regeling wordt door de centrumgemeente uitgevoerd. Artikel 11. Opschorting, beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Er worden voorbeelden genoemd wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb. Afhankelijk van de individuele situatie is het college bevoegd om de inzet van een maatwerkvoorziening tijdelijk op te schorten. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarvan (nog) niet duidelijk is of het beëindigen van de maatwerkvoorziening wel op z’n plaats is. Opgemerkt wordt dat de SVB bevoegd is tot onder meer opschorting van de betalingen uit het pgb. Artikel 11a.

Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is opschorting van een betaling uit een pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Het is aan de SVB om te beslissen over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met de toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt. Echter het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb, Daarvoor is nu lid twee opgenomen. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek conform artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

52

Artikel 11.b Herziening of intrekking Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en 2.3.8 van de wet maatschappelijke ondersteuning tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maat-werkvoorziening dan wel pgb. Sinds 1 augustus 2016 geldt deze verplichting (in geval van een pgb) ook jegens de SVB. Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Evenwel informeert het college cliënten of hun vertegenwoordiger hierover in begrijpelijke bewoordingen en geeft daarbij ook aan wat de consequenties zijn van het niet nakomen van deze plicht. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt.

Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het pgb (hoofdstuk 2, artikel 10 van de verordening) leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een hoog bedrag in de vorm van een pgb is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit de uitspraak van de centrale raad van beroep van 17-5-2006, 04-2122 ZW, CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan.

Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Of sprake is van onverschuldigde betaling (artikel. 6:203 e.v. van het burgerlijk wetboek) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. Naast met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder.

Hieraan staat behoefte omdat bij twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet maatschappelijke ondersteuning onvoldoende houvast biedt. Op grond hiervan kan het college periodiek 53

(ook) onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. In lid 2, sub d. is de mogelijkheid opgenomen dat het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 van de wet maatschappelijke ondersteuning en 1.2 van de jeugdwet kan herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan een vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken. De Wet langdurige zorg is een uitsluitingsgrond voor de Wmo. Dat betekent dat een voorziening op grond van de Wmo herzien en ingetrokken wordt nadat een indicatie op grond van de Wlz is verleend. Dit artikel is niet van toepassing op de Participatiewet, omdat dit al in de Participatiewet zelf is opgenomen. Opschorting, herziening, intrekking en terugvordering is niet mogelijk als iemand niet meewerkt in het kader van een re-integratieverplichting. In dat geval is het wel mogelijk de uitkering af te stemmen (te verlagen) op het gedrag van de cliënt. Artikel 11c.

Terugvordering en verrekening van het pgb Intrekking of herziening van een voorziening op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet kan leiden tot ten onrechte of teveel verleende ondersteuning. Deze bepaling regelt dat het college in dat geval ook bevoegd is de geldswaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte pgb. Terugvordering van de geldswaarde is natura is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening om dit op grond van de Wmo 2015 te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of ouder(s) kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De bevoegdheid tot terugvordering betreft een kan-bepaling.

Hoewel daarvoor rechtvaardiging kan worden gevonden zal het college bij de toepassing hiervan een afweging moeten maken tussen de bij het te nemen besluit betrokken belangen. Er kunnen verschillende redenen zijn waardoor de cliënt de voorziening niet meer nodig heeft of deze overbodig wordt. De voorziening kan dan om redenen van duurzaamheid, voorkomen dat voorzieningen die het milieu kunnen belasten niet juist worden afgevoerd, of vanwege het bestaan van een restwaarde door de gemeente in overleg met de cliënt of dienst vertegenwoordiger opgehaald worden. Mocht cliënt of diens vertegenwoordiger de voorziening hebben verkocht dan kan de restwaarde van de desbetreffende voorziening teruggevraagd worden of worden verrekend met een eventueel nieuw toe te kennen pgb. Het college kan het geld wat een zorgverlener ten onrechte uitbetaald heeft gekregen middels het derdenbeding direct terugvorderen. Dit kan alleen als uit het onderzoek van het college blijkt dat de onterechte betaling is veroorzaakt door toerekenbaar handelen van die zorgverlener. 54

De terugvordering is mogelijk wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is: a. het college moet het pgb hebben ingetrokken en b. de intrekking moet het gevolg zijn van het uit onderzoek gebleken toerekenbaar handelen van de aanbieder. Artikel 11d. Fraudepreventie en controle De gemeenteraad is verplicht om bij verordening regels vast te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Diverse bepalingen in dat kader zijn overigens ook ondergebracht in andere artikelen van deze verordening. De Jeugdwet bevat geen wettelijke verplichting om een toezichthouder aan te wijzen, maar sluit deze mogelijkheid ook niet uit. Met deze bepaling in de verordening wordt hiervoor een grondslag geboden. De aan te wijzen toezichthouder handelt op basis van de bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze zijn vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Het toezicht betreft de uitvoering van de wet (de rechtmatigheid). Het toezicht op de kwaliteit van de wet is door de Minister belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ).

Hoofdstuk 3 Voorzieningen Artikel 12 Algemene voorzieningen In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene- (vrij-toegankelijke) en maatwerk(niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene (vrij-toegankelijke) voorziening. Hier kunnen de cliënten gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Er wordt ook onderscheid gemaakt tussen individuele en collectieve voorzieningen, waarbij collectieve voorzieningen voorliggend zijn. Artikel 12 t/m 15 Deze artikelen geven een beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente op grond van de verschillende wetten, respectievelijk Jeugdwet, Wmo 2015, Participatiewet en IOAW/IOAZ. Artikel 13. Vormen van jeugdhulp In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°.

het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. 55

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' binnen de Jeugdwet is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een maatwerk voorziening. Een maatwerkvoorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrijtoegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en/of zijn ouder(s) deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie vorige pagina).

Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. In deze verordening worden de algemene categorieën genoemd. Vanwege de transformatie zullen vormen van jeugdhulp aan verandering onderhevig zijn. Voorbeelden daarvan zijn ondersteuning vanuit de ondersteuningsstructuur van de school, en collectief aanbod. Deze twee vormen van jeugdhulp zijn voorliggend aan specialistische, individuele jeugdhulptrajecten. In nadere regels wordt dit uitgewerkt en ter besluitvorming aan college voorgelegd. Artikel 14. Vormen van Wmo Dit artikel spreekt voor zich Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ Met het eerste lid wordt benadrukt dat ondersteuning ook eenvoudigweg kan bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties. Er hoeft niet per definitie sprake te zijn van de inzet van een instrument of voorziening. Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. De voorzieningen onder a tot en met o worden afzonderlijk uitgewerkt in het hoofdstuk Participatiewet.

Bij onderdeel j kan worden gedacht aan reiskosten die het normale maatschappelijk verkeer te boven gaan, bedrijfskleding, kinderopvang etc. Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt), door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet –artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo ). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, ondersteuning op grond van de Wmo, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een 56

kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet- artikel 2.6.6 van de Wmo 2015). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 17. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art. 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet Specialistische jeugdhulp wordt regionaal ingekocht. Dat betekent dat ook het beleid voor een deel regionaal wordt bepaald. In nadere regels en werkafspraken stemmen we lokaal af hoe de regionale afspraken in Woudenberg worden uitgewerkt en uitgevoerd. De toeleiding naar maatwerkvoorzieningen jeugdhulp kan naast de toegang via de gemeente ook op andere manieren plaatsvinden. Artikel 18. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige en/of zijn ouder(s) precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de 57

doorverwijzing of behandeling van een kind. Dit zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie hoofdstuk 3). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 17). Landelijk is er een beweging dat de reikwijdte van de Jeugdwet ingeperkt wordt, zodat specialistische jeugdhulp beschikbaar blijft voor de jeugdigen die het het meest nodig hebben. Één van de opdrachten die daaruit volgt, is dat verwijzing door wettelijke verwijzers die niet gebonden zijn aan deze verordening enigszins beperkt moet worden. Hulpvragen veranderen vaak snel. Als een verwijzing na enkele maanden nog niet gebruikt is, kan het zijn dat de behoefte inmiddels is veranderd.

Daarom wordt een vervaltermijn van drie maanden toegevoegd aan de verplichting van het college om een verwijzing door een huisarts, jeugdarts of medisch specialist te vergoeden. Daarover maakt de gemeente ook afspraken met de lokale wettelijke verwijzers. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen.

Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig thuis (voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling)

Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt 58

voor zover nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.

Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo Artikel 20.a Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de Regiotaxi. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Het primaat van de Regiotaxi was al bekend (en toegestaan in de jurisprudentie) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007. Het spreekt voor zich dat het college zich wel op het standpunt moet kunnen stellen dat een collectieve verstrekking een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Ook is het zo dat de maatwerkvoorziening voor een kortdurende periode kan worden verleend. De maatwerkvoorziening kan mogelijk ontwikkelingsgericht ingezet worden hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken en/of verbeteren. Dat is (indirect) ook het geval als tijdelijk een maatwerkvoorziening wordt verleend omdat degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Onder het bepaalde in dit artikel kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan.

Denk bijvoorbeeld aan de toeleiding naar de zorg of diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Artikel 20.b Specifieke criteria maatwerkvoorzieningen Lid 1 onder a In dit artikel is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in aanvaardbare mate in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat de cliënt zich kan verplaatsen. Denk in dit geval aan de mogelijkheid van het verlenen van een vervoersvoorziening (zie artikel 14 van de verordening). In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn en kan participeren is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt, het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren.

Wat passend is, is strikt genomen een open norm die slechts in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de 59

aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had. In het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan. Tevens is opgenomen dat de maatwerkvoorziening wordt verleend mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dit kan alleen van het college worden gevergd als dat ook op een verantwoorde wijze mogelijk is. Dat wil zeggen dat sprake moet zijn van op maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning waarbij de mate van zorgbehoefte in ogenschouw wordt genomen. Deze toevoeging heeft te maken met de mogelijke aanspraak op toegang tot de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wmo is bedoeld voor structurele ondersteuning. Kortdurende ondersteuning kan worden geboden vanuit andere wetgeving of het eigen netwerk. Lid 1 onder b Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals onder de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd.

Lid 1 onder c Omdat een maatwerkvoorziening een maatwerkvoorziening is, spreekt het voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning zoals gezegd in overwegende mate op de cliënt is gericht. De maatwerkvoorziening beoogt aldus de cliënt zelf passend te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Lid 1 onder d De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling waarin het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen. Echter valt niet in te zien waarom het college gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Vanwege het ontbreken van een generieke weigeringsgrond lijkt de Wmo 2015 een complementair karakter te hebben. Echter de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 28-9-2011, 10-2587 Wmo, CRVB:2011:BT7241 en uitspraak centrale raad van beroep, 22-5-2013, 10-6782 Wmo, CRVB:2013:CA1427), ook al is die niet in alle gevallen dekkend. Daaronder valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Lid 2 onder a In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het college ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk uitspraken centrale raad van beroep CRVB:2009:BK5657, CRVB:2010:BN1265, CRVB:2015:87 en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt naar de 60

begripsbepaling in de verordening. Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: 1. normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 3. niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De persoon als de cliënt Een vierde vraag is aan het college te beoordelen. Namelijk of op het moment van de aanvraag sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk uitspraak rechtbank Arnhem, 16-8-2012, zk.nmr AWB 11/5564, RBARN:2012:BX8032). Dit betreft een abstracte toets, die los staat van het werkelijke inkomen van de aanvrager (zie ECLI:NL:RBGEL:2020:1711). De financiële mogelijkheden van de aanvrager zijn, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie van de CRvB, niet relevant voor de beoordeling van het begrip ‘algemeen gebruikelijk’.

Wat moet precies verstaan worden onder een 'inkomen op minimumniveau'? De jurisprudentie op dit punt is nog niet uitgekristalliseerd (zie CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3690) en ECLI:NL:RBDHA:2021:2084. Wij gaan ervan uit dat het bij een inkomen op minimumniveau om bijstandsniveau gaat. Om te bepalen wat financieel draagbaar wordt geacht met een inkomen op bijstandsniveau sluiten wij aan bij reserveringscapaciteit van 5% van de bijstandsnorm (in overeenstemming met wat de reserveringscapaciteit op bijstandsniveau volgens Nibud is), ongeacht of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft. Bij algemeen gebruikelijk sluit het college aan bij het uitgangspunt zoals bij alle materiële voorzieningen geldt, de circulariteitsprincipe. Alles wat tweedehands gebruikt kan worden heeft voorkeur. Lid 2 onder b Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. Als deze voorziening nog voldoende ondersteuning biedt en technisch nog niet is afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.

Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder wordt van de cliënt die een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.

61

Lid 2 onder c Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale netwerk. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verleend (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 1-6-2011, zk.nmr 10-1031 Wmo, CRVB:2011:BQ8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 2 onder d Hoewel de wet geen generieke weigeringsgrond kent, behoort het evenwel tot de eigen verantwoordelijkheid van cliënt die een melding doet of een aanvraagt indient om naar volle vermogen een beroep te doen op andere wettelijke aanspraken die tot het hetzelfde resultaat leiden. Dat geldt ook voor het besteden van middelen die met eenzelfde doel kunnen worden verleend. Het college beoordeelt of hier sprake van kan zijn. Artikel 21.

Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de artikelen 21 en 22. Artikel 22. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend ten behoeve van een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen waaronder begrepen het bepaalde in dit lid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2572/documents/51570