04 Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2024 (2).pdf
Tekst van het document
23
e. Tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen en door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; f. Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de gehuwden verstaan (artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht); g. WTOS: de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; h. WSF 2000: de Wet studiefinanciering 2000; i. Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum; j. Peildatum: de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen; k. Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; l. Bijstandsnorm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ; m. Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; n.
Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ. o. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; p. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het behouden van werk; q. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; r. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; s. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaarde vaststelling op de werkplek; t. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; u. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. v.
Werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in 24
artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is. Paragraaf 6.1 Re-integratie Artikel 30a. Evenwichtige verdeling en evaluatie 1. Het college kan de voorzieningen in deze verordening, bedoeld in inzetten ten behoeve van de doelgroep. 2. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 3. Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. 4. Het college verzamelt voor het verslag systematisch informatie over: a. het bijstandsvolume; b. uitstroomcijfers; en c. cijfers m.b.t. banenafspraak en beschut werk. Artikel 31. Budget- en subsidieplafonds 1. Het college kan bij uitvoeringsbesluit één of meerdere subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen.
Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2. Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Artikel 32. Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen 1. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a.
De persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
25
c. De persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de wet; d. Naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling e. De voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. De persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening of; g. De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college biedt het beste instrument tegen de laagste kosten, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. Artikel 33. Beperkingen Anw-ers en Nuggers 1.
Anw-ers en Nuggers hebben recht op ondersteuning indien: a. het netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 aanhef en sub c van de Participatiewet en b. zij minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. 2. De ondersteuning bij arbeidsinschakeling voor Anw-ers en Nuggers wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening, met uitzondering van vergoedingen voor reiskosten in verband met het re-integratietraject en voor kosten voor de voor kinderopvang. 3. Terugbetaling van de lening start na beëindiging van het re-integratietraject conform de beleidsregels terugvordering en verhaal. 4. Het college kan na afloop van het re-integratietraject afwijken van de terugbetalingsverplichting op grond van individuele bijzondere omstandigheden van belanghebbende. 5. Deze beperkingen gelden niet voor Anw-ers en Nuggers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6 lid 1 aanhef en onder e van de wetvoor zover het betreft de inzet van loonkostensubsidie en persoonlijke ondersteuning. 6. Het college kan nadere regels stellen. Artikel 34. Werkervaringsplaats Vervallen Artikel 35. Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering: a.
Voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; of b. gericht op het voorkomen van sociaal isolement. 26
2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 35a. Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. Artikel 36. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. Het scholingstraject vergroot de kansen op arbeid; en b. Er is geen mogelijkheid tot uit ’ Rijkskas bekostigd onderwijs. Artikel 36a. Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie laten verrichten (zie artikel 8a, lid 1b van de wet). 2.
Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 50,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 37. Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Het college kan ondersteuning aanbieden aan personen, zoals bedoeld in artikel 10f, onder a, van de wet ten aanzien van wie het college van oordeel is dat dit nodig is in het kader van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt.
Artikel 38. Participatievoorziening beschut werk 1. Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast o.a de volgende voorzieningen aanbieden: a. sociale activering als bedoeld in artikel 5; 27
b. scholing als bedoeld in artikel 7; c. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10; of d. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Artikel 38a. Werkgeverssubsidie 1. Het college kan, anders dan de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet een incidentele subsidie van maximaal 375 euro verstrekken aan werkgevers die met iemand uit de doelgroep als bedoeld in deze verordening, een overeenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling dan wel participatie en activering. 2. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de voorziening als bedoeld in het eerste lid. Deze hebben in ieder geval betrekking op: a. De specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verleend; b. De hoogte en duur van de subsidie; c. Het recht op de subsidie gerelateerd aan de omvang van de dienstbetrekking; d. Wijze van betaalbaar stellen; e. Het maximaal aantal/maximale bedrag aan te verstrekken subsidies per werkgever. 3. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 4. De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer een loonkostensubsidie wordt verstrekt. 5. Een werkgeverssubsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer.
Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
Artikel 39a. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4, de volgende voorwaarden: 28
a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden. c. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; d. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; e. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en f. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke en persoonlijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
Artikel 39b. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 3. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. 4. Het college neemt middels een beschikking het besluit op de aanvraag. Artikel 39c.
Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. Artikel 39d. Persoonlijke ondersteuning bij werk. 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de
29
gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
Artikel 39e. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk. 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 39f. Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de Bijlage (Erkenningseisen Jobcoach 2023). 2. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes: licht (3%), midden (6%) en zwaar (10%). De inzet wordt periodiek; minimaal 1 keer per jaar geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan kan het begeleidingsregime worden aangepast. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale percentages afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Het college kan jobcoaching beëindigen indien de jobcoaching langer duurt dan twee jaar. Artikel 39g. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1.
Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h, worden verleend als: a. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; b. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en c. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is. 3. Het college houdt voor jobcoaching een maximumtarief per uur tot maximaal het UWV tarief voor jobcoaching waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. De subsidie voor jobcoaching heeft een maximum duur van twee jaar. Artikel 39h. Jobcoaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h van overeenkomstige toepassing. 30
Artikel 39i. Interne werkbegeleiding Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Artikel 39j . Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt op basis van openbaar vervoer tarieven. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 39k.
Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. Artikel 39l . Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken, mits er geen aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Artikel 39m. Specifieke voorwaarden werkaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren, mits dit niet door de werkgever vergoed wordt of er aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer Artikel 40.
Proefplaatsing Vervallen Artikel 41. Loonkostensubsidie en loonwaarde 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: 31
2. 3. 4.
5.
6.
a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of b. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet. Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast, indien een werkgever voornemens is met deze persoon een dienstbetrekking aan te gaan. Het college stelt de loonwaarde vast op grond van het rapport van de door de gemeente in te schakelen loonwaardedeskundige. Indien de loonwaarde van een persoon nog niet is vastgesteld, kan het college gedurende maximaal zes maanden een forfaitaire loonkostensubsidie toekennen, indien reeds is vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en de werkgever bereid is de persoon reeds een dienstverband aan te bieden. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% van het WML tot het moment dat de loonwaarde is vastgesteld. Vanaf de maand volgend op de vaststelling van de loonwaarde wordt de forfaitaire loonkostensubsidie omgezet naar de definitieve loonkostensubsidie.
Een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie kan volgen op een proefplaatsing, indien tijdens de proefplaatsing de vaststelling van de loonwaarde nog niet heeft kunnen plaatsvinden.
Artikel 41a. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 41 van deze verordening, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende 6 maanden met mogelijkheid tot verlenging tot 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft kunnen behouden; en b. geen startkwalificatie bezit; of c. ouder is dan 50 jaar; of d. alleenstaande ouder is; of e. de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 4. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
Artikel 41b. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die een dienstbetrekking aan gaat met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval 32
2. 3.
4.
5.
van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. De loonkostensubsidie, overeenkomstig met lid 1 van artikel 14b wordt niet met terugwerkende kracht verleend. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. Het college stelt binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het (administratieve proces zoals weergegeven in de Bijlage) in acht.
Artikel 41c. Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie van 450 euro toekennen aan een langdurig werkloze die uitstroomt door werkaanvaarding en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van het college. 2. Onder een langdurig werkloze wordt verstaan: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van het college aangewezen is geweest. 3. Onder werkaanvaarding wordt verstaan: in loondienst; regulier of gesubsidieerd, de start van Artikel 41d. Proefplaats 4. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3A, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 5. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende 12 maanden met mogelijkheid tot verlenging tot 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare werknemer. 6. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft kunnen behouden; en b. geen startkwalificatie bezit; of c. ouder is dan 50 jaar; of d. alleenstaande ouder is; of e. de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 7.
De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 8. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 33
Artikel 42. Werkvoorzieningen Vervallen Artikel 43. Aanspraak op ondersteuning Vervallen Artikel 44. Verplichtingen van de cliënt 1. Een persoon die behoort tot de doelgroep, als bedoeld in de wet, die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college van burgemeester en wethouders aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 2. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college diens uitkering of inkomensvoorziening verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Woudenberg 2015. 3. Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-er, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk verhalen op deze cliënt.
Artikel 45. Inkomstenvrijlating In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n van de wet, is sprake van een vrijlating die bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Paragraaf 6.2 Individuele Studietoeslag Artikel 46. Doelgroep Individuele Studietoeslag Vervallen Artikel 47. Hoogte, duur en uitbetaling van de toeslag Vervallen Artikel 48. Nadere uitvoeringsregels Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang van een zorgvuldige uitvoering van de Individuele Studietoeslag.
Paragraaf 6.3 Tegenprestatie Artikel 49. Inhoud van een tegenprestatie 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2. De premie, bedoeld in artikel 10a zesde lid van de wet, bedraagt €50,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 34
3. Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vaststellen, waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
Artikel 50. Het opdragen van een tegenprestatie Bij het opdragen van een tegenprestatie betrekt het college de volgende factoren: a. het vermogen van de belanghebbende om een tegenprestatie te verrichten; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende; c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende; d. als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.
Artikel 51. Duur en omvang van een tegenprestatie De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van drie maanden per jaar gedurende acht tot 24 uur per week. Artikel 52. Mantelzorg Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.
Paragraaf 6.4 Individuele Inkomenstoeslag Artikel 53. Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel 54. Langdurig laag inkomen 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2. Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.
Artikel 55. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. De individuele inkomenstoeslag bedraagt eenmalig per jaar: a. Voor een alleenstaande 40% van de toepasselijke bijstandsnorm. b. Voor een alleenstaande ouder 40% van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden of samenwonenden. c. Voor gehuwden of samenwonenden 40% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.
35
4. De in het eerste lid genoemde bedragen worden jaarlijks in december aangepast aan de bijstandsnorm, naar boven afgerond op hele euro’s en bekendgemaakt via het gemeentenieuws.
Paragraaf 6.5 Afstemming 6.5.1 Algemene bepalingen Artikel 56. Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.
Artikel 57. Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 58. Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan een jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. Bij een eerste verwijtbare gedraging kan het college besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt mee bij de vaststelling van recidive.
Artikel 59. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de bijstand of uitkering is beëindigd, dan wordt de maatregel alsnog gerealiseerd door middel van 36
herziening van de eerder verstrekte bijstand. De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft.
Artikel 60. Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.
6.5.2 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 61. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55 en 56a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1° het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 2° het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering; b.
tweede categorie: 1° het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2° het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;
37
4° het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; 5° het niet meewerken aan een taaltoets als bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet. c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet al geregeld is in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.
Artikel 62. Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen, behouden of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1° het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2° het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of
artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; 4° het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; c. derde categorie: 1° het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2° het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3° het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4° het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 5° aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of;
38
6° de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of; 7° belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of; 8° belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
Artikel 63. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 61 en 62 van de verordening, wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.
6.5.3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 64. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
Artikel 65. Verrekenen verlaging Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 64, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
6.5.4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 66. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger. 3. Onder ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan’ wordt in ieder geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, het niet tijdig aanvragen van een voorliggende voorziening, het onvoldoende solliciteren voorafgaand aan de bijstandsverlening, het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien en het niet of onvoldoende 39
verzekerd zijn tegen gebruikelijke risico’s, zoals brand, ziekte of wettelijke aansprakelijkheid.
Artikel 67. Zeer ernstige misdragingen 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen. 2. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college, zijn ambtenaren of de personen die werken in opdracht van het college, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het tweede lid genoemde personen. 3.
Er is sprake van een zeer ernstige gedraging indien belanghebbende agressief gedrag vertoont, waarbij er sprake is van verwijtbaarheid en dit gedrag in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
Artikel 68. Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 10% gedurende een maand.
6.5.5 Samenloop, recidive en controle Artikel 69. Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde 40
verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.
Artikel 70. Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder b of c, 62, onder b of c, 66, eerste lid, of 68 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder a, 62, onder a of 67 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
Artikel 71. Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.
Artikel 72. Controlemiddelen 1. In het beleidsplan Hoogwaardige Handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij inconsistenties; 2. Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen; 3. Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.
Hoofdstuk 7
Beslistermijn schuldhulpverlening
Artikel 73. Beslistermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een
41
termijn van acht weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk 8 Hardheidsclausule, betrekken van ingezetenen bij het beleid en slotbepalingen Artikel 74. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van cliënt afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 75. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende het sociaal domein. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende het sociaal domein te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende het sociaal domein, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. De raad legt in de verordening Adviesraad Sociaal Domein de werkwijze zoals beschreven in het tweede en derde lid.
Artikel 76. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2024 en vervangt de Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2024.
42
Toelichting op de Verordening sociaal domein Woudenberg In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. In de algemene bepaling worden de visie achter deze verordening en de ontwikkelingen voor de toekomst geschetst. De toepasselijke wetten in het sociaal domein vormen geen samenhangende eenheid. Wij staan voor de opdracht, waar sprake is van een inwoner of een gezin, tot een integrale benadering te komen. Bij het nemen van besluiten zal acht moeten worde geslagen op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit op de andere leefdomeinen, en de zorgplicht die de gemeente heeft. Waar de regelgeving lijkt te conflicteren zijn er de grondwaarden die dominant zijn voor het te nemen besluit. Deze grondwaarden zijn verwoord in de onderdelen 1 t/m 3 in deze algemene bepaling. De grondwaarden 1 en 2 zijn ontleend aan het Verdrag inzake de Rechten van het kind. Onder kind wordt verstaan ieder mens jonger dan 18 jaar. Keuzen die gemaakt worden op het terrein van het sociaal domein mogen er niet toe leiden dat een kind niet actief kan deelnemen aan de samenleving of niet in staat is een bevrediging, volwaardig en behoorlijk leven te leiden of noodzakelijke (aangepaste) (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport en spel ontbeert.
Vergelijkend hiermee is de toegankelijkheid van wat wordt aangeboden in onze leefdomeinen voor gehandicapten en chronisch zieken. Grondwaarde 3 is ontleend aan het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De onderdelen 4 t/m 6 komen voort uit de door de gemeenteraad van Woudenberg vastgestelde visie op het sociaal domein. Van inwoners wordt verwacht dat zij maatschappelijk participeren en ook anderen in staat stellen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Eigen kracht en verantwoordelijkheid zijn daarbij het uitgangspunt voor zowel de inwoner die een probleem ondervindt als wel zijn/haar netwerk. Als gemeente faciliteren we algemene voorzieningen die eigen kracht, participatie en het helpen van elkaar mogelijk maken. Als het inwoners niet lukt om zelf of met hulp van de eigen omgeving, knelpunten op te lossen, helpt de gemeente samen met partners de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. We sturen er op dat deze ondersteuning zo veel als mogelijk is gericht op het versterken van de eigen kracht van de inwoner, het gezin en het sociaal netwerk. Waar mogelijk houden inwoners daarbij de regie, zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat ze willen en nodig hebben. Het kiezen voor een integrale benadering van ondersteuningsvragen wordt nu ondersteund door een integrale verordening voor het sociaal domein.
Deze draagt bij aan het vinden van integrale antwoorden op ondersteuningsvragen. Echter voor het gehele sociale domein is niet één wet, maar worden diverse wetten gehanteerd. Ondanks dat heeft de gemeente in deze verordening voor de drie aparte wetten (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) integraal beschreven wat de manier van benadering van ondersteuningsvragen is. In aparte hoofdstukken zijn de onderdelen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden. Het totaal van deze hoofdstukken geeft kaders voor de besluitvorming op een aanvraag.
43
De verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein met als vertrekpunt: ‘één individu of gezin, één plan’. De vraag staat centraal in één proces, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het gehele sociale domein (ongeacht de vraag van de inwoner en het terrein waarbinnen de vraag valt). Inwoners die zich met ondersteuningsvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. In de verordening staan een aantal bepalingen op basis waarvan het college kan afwijken van hetgeen in de verordening geregeld is.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassing en begrippen In dit artikel zijn bepalingen gedefinieerd, die niet in de landelijke Jeugdwet, Wmo of Participatiewet voorkomen en/of die kenmerkend zijn voor de situatie in onze gemeente. Artikel 41 van de Participatiewet ziet zowel op aanvragen levensonderhoud als bijzondere bijstand. Artikel 44 van de Participatiewet ziet op inkomen. Artikel 53a van de Participatiewet ziet op de eenmalige gegevensuitvraag via SUWI en wordt uitgevoerd tijdens het rechtmatigheidsonderzoek. In de verordening 2020 is het begrip algemeen gebruikelijke voorziening toegevoegd (art. 1 lid b). In de verordening wordt wel over zo’n soort voorziening gesproken maar een definitie ontbrak. Aangezien dit leidde tot onduidelijkheid is deze nu wel opgenomen. Met de nieuwe uitspraak van de rechter (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) lijkt de CRvB een meer objectieve invulling te geven aan de vraag of iets algemeen gebruikelijk is. De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; • financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
De rechtbank heeft zich eveneens uitgelaten over de aanvraagprocedure in de Jeugdwet (Rechtbank Rotterdam 18-3-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2333). De gemeente in deze uitspraak had een integrale verordening Wmo en Jeugdwet. Uit deze verordening volgde dat pas een aanvraag voor jeugdhulp kon worden ingediend, nadat een melding was gedaan. Dit is conform de procedure zoals die in de Wmo 2015 is vastgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat deze bepaling bij een verzoek om jeugdhulp in strijd is met de Awb en daarom verbindende kracht mist. Dit betekent dat een aanvraag op grond van de Jeugdwet ook zonder melding als aanvraag moet worden behandeld.
Hoofdstuk 2. Integrale benadering De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) en het/de betrokken team(s) te komen tot het verhelderen van de vraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein.
44
Artikel 2. Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan binnen komen bij de Coöperatie De Kleine Schans. De vragen kunnen schriftelijk of digitaal worden gesteld. Ook kan iemand anders namens de inwoner (op verzoek van de inwoner) om hulp vragen. Voor aanvragen levensonderhoud in het kader van de Participatiewet worden meldingen digitaal gedaan via werk.nl. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk als mensen digitaal niet vaardig zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan vergunninghouders of laaggeletterden. Artikel 3. Vooronderzoek In het vijfde lid wordt gesproken over het overleggen van de noodzakelijke gegevens. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Wet Bescherming Persoonsgegevens om de privacy van de inwoner te waarborgen. Het tweede lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 van de Wmo). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner kosteloos is.
In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het eigen netwerk. Artikel 4. Gesprek Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals bij de inwoner thuis. In dit artikel staat een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Ten aanzien van lid 1, d wordt in de onderzoeksfase ook rekening gehouden met het huidige informele netwerk en de rol die sociale contacten spelen bij het huishouden.