04 Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologie beleid Woudenberg.pdf
Tekst van het document
Dekzandwelvingen, flanken van dekzandruggen en geïsoleerde dekzandkopjes Dekzandwelvingen (code ELwe) vormen de overgangsgebieden tussen de hoger gelegen dekzandruggen en -koppen en lager gelegen dekzandvlakten en -laagten. Daar waar sprake is van geïsoleerde en meer uitgesproken kleine opduikingen zijn lage dekzandkopjes onderscheiden (code ELlk). Tenslotte worden ook de flanken van dekzandruggen (EHfl, ELfl) onderscheiden Dekzandwelvingen zijn gebieden die wat betreft hoogteligging, reliëf en bodemvochtigheid een tussenpositie innemen in het dekzandlandschap. Het gaat meestal om relatief uitgestrekte en homogene , zwak golvende gebieden, opgebouwd uit Jong Dekzand. Vanwege hun gevarieerde ligging en goede bewoonbaarheid zijn vooral de hogere dekzandruggen en -koppen, maar ook de lagere dekzandwelvingen reeds vanaf het Laat Paleolithicum als woonplaats, begraafplaa ts en/of akkerland gekozen. Voor landbouwactiviteiten is een minimaal areaal geschikte landbouwgrond noodzakelijk dat groter is dan veel kleine dekzandruggen of -koppen. Het merendeel van deze gebieden bestaat uit voormalige veldgronden, dat wil zeggen vo ormalige heidevelden en broekgebieden, die in de 19e en 20e eeuw zijn ontgonnen. In bodemkundig opzicht betreft het gebieden die zich kenmerken door de aanwezigheid van met name veldpodzolgronden met een relatief hoge grondwaterstand.
Binnen zones met dekzandwelvingen moet rekening worden gehouden met het lokaal voorkomen van kleine en hogere opduikingen. Archeologische verwachting Dekzandwelvingen nemen zowel in landschappelijk als in archeologisch opzicht een middenpositie in. Op de archeologische verwachtingskaart is aan deze gebieden een middelhoge archeologische toegekend. Het betreft relatief laaggelegen en vochtige gebieden waarin de kans op de aanwezigheid van archeologische resten geringer is dan op de hogere gronden. Dit is zeker het geval wannee r deze gebieden worden vergeleken met de eenheid van de in archeologisch opzicht veel rijkere dekzandkoppen of -ruggen. De eenheid van de dekzandwelvingen omvat in hoofdzaak de uitgestrekte, zwakgolvende gebieden die tot in de 19e en 20e eeuw uitgestrekte heidevelden vormden. Daarnaast vormen
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[26]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
dekzandwelvingen en op veel plaatsen een overgangsgebied tussen hooggelegen dekzandruggen en vlakten en –laagten. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een plaggendek. Binnen de eenheid van de dekzandwelvingen is de kans op de aanwezigheid van archeologische resten het grootst op de hoogste delen van dekzandwelvingen en langs de randen van hoge dekzandruggen. Hier kan bijvoorbeeld sprake zijn van restanten van kleine mesolithische kampementen. Daarnaast bevindt een groot deel van de van oorsprong middeleeuwse boerderijen in de oude buurtschappen zich binnen deze eenheid. In heide-ontginningslandschappen kan het reliëf van dekzandruggen plaatselijk zi jn afgevlakt als gevolg van ontginning, egalisatie en afgraving. Wanneer gegevens hierover ontbreken, kunnen lokaal vindplaatsen op deze (voormalige) ruggen binnen de eenheid van de dekzandwelvingen en -vlakten vallen. Hierdoor lijkt het aantal vindplaatsen binnen deze eenheid groter dan het in werkelijkheid is. Dekzandvlakten en -laagten De dekzandvlakten en –laagten (code ELvl) komen met name voor in de lagere delen van het landschap. Ze worden gekenmerkt door lage grondwatertrappen (III, IV en V) , oftewel hoge grondwaterstanden en bodems die kenmerkend zijn voor natte omstandigheden zoals beekeerdgronden en vlakvaagronden.
Op de overgang naar hogere terreinen komen gooreerdgronden voor. In de dekzandvlakten en –laagten heeft, vermoedelijk reeds vanaf ca. 3500 v.Chr., op grote schaal veengroei plaatsgevonden (Scholte Lubberink, 2015). Archeologische verwachting Dekzandvlakten en -laagten zijn de nattere en laaggelegen gebieden die in het verleden ongeschikt of minder geschikt waren voor bewoning. Aan deze zones is dan ook een lage archeologische verwachting toegekend. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een plaggendek. Indien in de laagten een veenpakket aanwezig is, kunnen archeologische resten uit oudere perioden onder het veenpakket (in de top van het dekzand) worden verwacht. Depressies en beekdalen Binnen de dekzandvlakte zijn zones gekarteerd die onder natte tot zeer natte omstandigheden zijn gevormd. Nog lager liggen min of meer geïsoleerde depressies (code ELdp) en beekdalen (code ELbk) met zoals die van de Lunterse beek en beekdalen grenzend aan dekzandruggen (code ELbr). Deze bodems bestaan veelal uit venige of moerige gronden met een grondwatertrap II.
Archeologische verwachting Voor de beekdalen en depressies in het lage dekzandlandschap geldt dat de kans op aanwezigheid van archeologische (bewonings-)resten zeer gering wordt geacht. De afwezigheid van nederzettingsterreinen in de natte zones vormt evenwel geen reden om deze gebieden als archeologisch minder interessant(/waardevol) te beschouwen. Het klassieke archeologische verwachtingsmodel voorspelt vooral de aanwezigheid van nederz ettingsterreinen en richt zich daardoor voornamelijk op de hoger gelegen, drogere gebiedsdelen. De hoger gelegen delen
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[27]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
lenen zich goed voor (pre)historische bewoning, waardoor de kans op het voorkomen van nederzettingen en grafvelden daar het grootst is. De lager gelegen, natte zones blijven hierdoor buiten beeld. Juist in dergelijke milieus echter, kunnen waardevolle archeologische datasets verzameld worden (Gerritsen & Rensink, 2004; Roymans, 2005). Daarbij speelt enerzijds het afwijkende vondstspectrum een belangrijke rol, anderzijds gelden de - in potentie - zeer goede conserveringsomstandigheden van organisch materiaal als bijzonder aspect. Een uitzondering op deze lage verwachting betreft de delen van de beekdalen waar dekzandruggen direct naast het beekdal voorkomen. Aan deze zones is een middelhoge verwachting toegekend. In deze (meestal smalle) delen van het beekdal is een verhoogde kans op het aantreffen van voordes e.d.. Archeologische resten zijn in de beekdalen over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten. Indien in de laagten een veenpakket aanwezig is, kunnen archeologische resten uit oudere perioden onder het veenpakket (in de top van het dekzand) worden verwacht. In de natte gebieden komen voorden, (veen)bruggen, knuppelpaden en ka den voor. De natte delen van het landschap hebben in het verleden ook een onmiskenbare aantrekkingskracht gehad op het rituele vlak: de meeste rituele depots en offers kunnen in verband gebracht worden met een watervoerende omgeving.
Daarnaast kunnen in natte zones archeologische vondsten en structuren voorkomen die afwijken van de ‘normale’ archeologische resten, zoals: - sporen van (zeer) tijdelijke verblijfplaatsen of kampementen (met name voor specifieke activiteiten zoals jacht en visvangst); - sporen die in verband gebracht kunnen worden met het verzamelen van voedsel (vis, wild, gevogelte en planten) met als archeologische neerslag: eendenkooien, visvijvers en jachtattributen (zoals fuiken, strikken, netten, pijlpunten en harpoenen); - stort/afvaldumps; - sporen van transport via de beek: boot/kano en aanlegsteiger; - agrarische activiteiten: percelering, omheiningen, waterputten en schuilhokken. De natte delen van het landschap (beekdalen en depressies) zijn eigenlijk de enige plaatsen in het dekzandlandschap waar de kans op het voorkomen van goed geconserveerd organisch materiaal (pollen en/of botanische macroresten) reëel is. In combinatie met (contemporaine) archeologische data kunnen deze gegevens bijdragen tot zeer concrete landschapsreconstructies, waardoo r een extra dimensie kan worden toegevoegd aan het onderzoek naar de genese en bewoning van de gemeente.
3.2.3
Archeologische verwachting van plaggenbodems en stuifduinen
Plaggenbodems (enkeerdgronden) Op enkele plaatsen zijn door een langdurige toepassing van plaggenbemesting hoge zwarte enkeerdgronden ontstaan. Deze oude bouwlanden komen in verschillende landschappen voor, maar worden met name aangetroffen op de hogere dekzandruggen en -koppen in het dekzandlandschap van de Gelderse Vallei. In de archeologie worden plaggenbodems niet alleen vanwege de doorgaans grote rijkdom aan archeologische vindplaatsen gewaardeerd, maar tevens vanwege de doorgaans goede conservering van de archeologische resten onder het plaggendek. Door het relatief dikke opgebrachte plagg endek zijn daaronder liggende archeologische resten (veelal) niet aangetast door moderne landbouwtechnieken. Een in 1996 uitgevoerd onderzoek naar plaggendekken in de provincie Utrecht
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[28]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
(Visscher e.a., 1996) heeft dit bevestigd. Ook heeft dit onderzoek aang etoond dat onder een plaggendek veelal resten uit meerdere archeologische perioden aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld in de vorm van een jachtkampement uit het Mesolithicum in combinatie met een akkerlaag uit de Vroege Middeleeuwen.
Archeologische verwachting Aan zones waarin plaggenbodems aanwezig zijn kan een hoge archeologische verwachting worden toegekend voor zowel de periode jagers-verzamelaars, de landbouwers en voor de Middeleeuwen/nieuwe tijd. Vindplaatsen kunnen variëren van jachtkampementjes tot grotere nederzettingen. Aangezien locaties waar plaggendekken zich bevinden meestal ideale locaties waren in het landschap, is de kans groot dat als er archeologische resten aanwezig zijn, deze betrekking hebben op meerdere perioden. Archeologische resten kunnen zich bevinden in de basis van het plaggendek en in de top van de onderliggende bodem. Bovendien zijn archeologische resten veelal goed geconserveerd doordat het plaggendek als het ware als een beschermende deken eventuele archeologische resten afdekt.
Stuifduinen Door ontbossing, overbeweiding, het overmatig steken van plaggen en het afbranden van heide worden met name delen met het gordeldekzand en delen van de stuwwal gekenmerkt door verschillende stuifduincomplexen. Stuifzandgebieden kunnen dan ook beschouwd worden als een verwijzing naar menselijke activiteiten in het verleden (Koster, 1978). In de recente tijd is veelal getracht om stuifzandgebieden te herbebossen. Het stuifzandgebied kenmerkt zich door een grillig reliëf met hoge en lage landdu inen waarin nauwelijks bodemvorming heeft plaatsgevonden. Dergelijke gebieden worden in bodemkundig opzicht gekenmerkt door duinvaaggronden, met dit verschil dat zich onder het stuifzand een intacte en goed geconserveerde paleobodem met archeologische resten kan bevinden. In archeologisch opzicht worden de stuifzandcomplexen dan ook beschouwd als een afdekkende en conserverende laag. Als gevolg hiervan zijn de daaronder liggende archeologische resten (veelal) niet aangetast door moderne bosbouw- en landbouwtechnieken, waardoor rekening gehouden moet worden met aanwezigheid van onderliggende archeologisch interessante lagen. Zo zouden in het stuifzandgebied ten westen van Woudenberg overstoven akkerlagen of bewoningsniveaus (zoals bijvoorbeeld bij Kootwijk of Lunteren aangetroffen) aanwezig kunnen zijn.
Daarnaast kan ook het stuifzandreliëf een relatie vertonen met menselijke activiteiten. Onder andere markebossen waren van invloed op de vorming van zeer hoge stuifzandruggen (randwallen) waar het stuivende zand werd vastgehouden in de vegetatie (Koster, 1978).
Archeologische verwachting In gebieden die gekenmerkt worden door geïsoleerde stuifzandduintjes en stuifzandforten is door verstuiving van hogere (onbegroeide) delen en opvulling van de lagere (begroeide) delen een omkering van het oorspronkelijke reliëf opgetreden. Daardoor zijn zo genaamde stuifzandforten ontstaan (Koster,
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[29]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
1978). In gebieden die gekenmerkt worden door uitgestoven laagten moet worden aangenomen dat het oorspronkelijke bodemprofiel over een groot oppervlak verdwenen is. De uitgestoven delen worden in bodemkundig opzicht gekenmerkt door grofzandige en grindrijke vlakvaaggronden. Hier zijn zanden verstoven tot op het grofzandige en grindrijke materiaal van de stuwwallen en uitspoelingswaaiers. In tegenstelling tot de duinvaaggronden zijn in deze gebieden geen afgedekte, en archeologisch gezien, interessante paleobodems te verwachten. Zones met uitgestoven en opgevulde delen kunnen zich op een dergelijk korte afstand sterk afwisselen dat deze niet in kaart te brengen is. Voor het gehele stuifzandgebied moet dan ook rekenin g worden gehouden met een onbekende archeologische verwachting. Bovendien kunnen archeologische resten zich net onder het oppervlak bevinden, maar eventueel ook op (een) dieper gelegen niveau(s) in het stuifzand alsmede in de top van de onderliggende afzet tingen aanwezig zijn.
3.2.4
Water
De watergebieden kunnen worden onderverdeeld in: - Recent gegraven watergangen en –partijen. Aan de recent gegraven watergangen en –partijen, aangelegd in de 20 e of 21 e eeuw is geen archeologische relevantie toegekend. Omdat deze watergebieden gegraven zijn en het archeologisch relevante niveau in de gemeente over het algemeen binnen 0,5 tot 1,0 m –mv te verwachten is, kan worden geconcludeerd dat er zich ter plaatse van deze watergebieden geen intacte archeologische resten meer aa nwezig zijn. - Oudere watergangen (al dan niet gedempt). Aan deze gebieden is een archeologische relevantie toegekend. Het betreft met name omgrachtingen uit late middeleeuwen en/of nieuwe tijd, zoals de gracht om de Schans, Groot Lichtenberg, Geerestein en Groenewoude en de omgrachting om Woudenberg zelf. Daarnaast bevat deze dataset ook de gegraven (veelal) laatmiddeleeuwse watergangen langs de Griftdijk en Geeresteinselaan en natuurlijk ook de Luntersebeek en Valleikanaal en enkele natuurlijke waterlopen. Een deel van deze grachten/watergangen zijn inmiddels gedempt, maar naar verwachting is de waterbodem nog aanwezig. In de waterbodem zijn archeologische resten in de vorm van met name afvaldumps te verwachten, maar ook zaken als (houten) beschoeiingen en brugfunderingen. Er is een buffer van 1 m toegekend om zo ook eventuele beschoeiingen binnen het waterelement te laten vallen.
3.2.5
Archeologische verwachting van overige onderscheidingen
Bodemverstoringen Behalve de archeolandschappelijke eenheid is ook de gaafheid (mate van intactheid) van de bodem van belang voor de archeologische verwachtingswaarde. In een gebied met een hoge archeologische verwachting kan de aanwezigheid van goed geconserveerde archeologische resten immers gering zijn als gevolg van bodemverstoringen. Gegevens over bodemverstoringen zijn verkregen van diverse bronnen, zoals beschreven in paragraaf 2.4. Op verschillende kaarten staan afgegraven, geëgaliseerde, opgeworpen en vergraven zones aangegeven. Enkele zones met bodemverstoringen zijn de tracés van de rijksweg A12, de spoorlijn Utrech t-Arnhem en de voormalige spoorlijn Amersfoort-Veenendaal, maar er zijn ook bodemverstoringen ter plaatse van ondergrondse infrastructuur (als transportleidingen en persriolen) en locaties waar bodemsaneringen zijn uitgevoerd.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[30]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
De zeggingskracht van de verstoringsgegevens is evenwel nogal beperkt. Enerzijds speelt mee dat veelal niet bekend is of de verstoringen voldoende nauwkeurig zijn omdat de schaal van de verstoringsgegevens erg grof is (1:50.000 of 1:25.000). Anderzijds is niet bekend wat het effect va n de bodemverstoring is op de mogelijk aanwezige archeologische resten, omdat geen goed inzicht is in de diepte van de verstoringen in relatie tot de diepte van het potentieel archeologisch niveau.
Reeds vrijgegeven, archeologisch onderzochte gebieden Afgelopen jaren heeft op diverse plaatsen in de gemeenten archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Van een aantal onderzoeken leidde de resultaten tot de conclusie dat er geen nader archeologisch onderzoek nodig was omdat er geen aanwijzingen bleken voor de a anwezigheid van archeologische resten. De terreinen waar dergelijke conclusies voor golden zijn door de bevoegde overheid archeologisch vrijgegeven. Op de beleidskaart worden de gebieden waar archeologisch onderzoek heeft plaatsgehad én waar geen vervolgonderzoek nodig bleek als aparte categorie weergegeven. In deze gebieden is geen archeologisch onderzoek meer noodzakelijk.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[31]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
4 Actualisatie archeologiebeleid 4.1 Inleiding De bestaande archeologische beleidskaart (Boshoven e.a., 2010) is op 23 september 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Woudenberg. In dezelfde raadsvergadering is ook het bestemmingsplan Buitengebied 2010 vastgesteld. Daarnaast is in 2013 een onderzoek uitgevoerd naar bestaande bodemverstoringen op agrarische percelen in het kader van het aanlegvergunningstelsel archeologie in het bestemmingsplan Buitengebied 2010 (Kroes & Kloosterman, 2013). De resultaten van dat onderzoek zijn opgenomen op de geactualiseerde beleidskaart. Tegelijkertijd met de geactualiseerde archeologische beleidskaart is door BeoBom een beleidskaart en beleidsadvies voor ontplofbare oorlogsresten vervaardigd (BeoBom, 2021). Beide producten liggen in elkaars verlengde en kennen ook enige overlap aangaande bepaalde WOII-gerelateerde zaken waaraan zowel een risicocomponent met betrekking tot Ontplofbare Oorlogsresten als een archeologische relevantie gekoppeld kan worden. De beleidscategorieën zoals weergegeven op de archeologische beleidskaart en vastgelegd in bijbehorend rapport (Boshoven, 2010) zijn overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2010 waarbij wel opgemerkt dient te worden dat de vrijstellingsdieptes, 30 cm –mv op de beleidskaart, gewijzigd zijn in het betreffende bestemmingsplan.
In de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen: “Het hanteren van 30 cm als bovengrens, waarna voor verstoring een aanlegvergunning nodig is, is in Nederland algemeen gebruikelijk. Het is, va nuit het oogpunt van archeologie bezien, ook een veilige grens, die als zodanig ook in het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen. Het gemeentebestuur heeft echter de beleidsvrijheid om deze diepte gemotiveerd te wijzigen. Gelet op het grote aantal zienswijzen met betrekking tot vooral het aanlegvergunningstelsel ten aanzien van grondverstoringen die niet direct met bouwen te maken hebben, is in overleg met de archeoloog van de Milieudienst zuidoost Utrecht besloten het beschermingsregiem en de aanleiding daa rvoor nog eens bezien. Hierbij geldt een vrijstellingsdiepte van 30 cm –mv voor de dubbelbestemming ‘waardearcheologie 1’ (rijksmonumenten), 40 cm –mv voor dubbelbestemming ‘waarde-archeologie 2’ (AMKterreinen en historische locaties met archeologische relevantie, hoge verwachtingsgebieden), 50 cm – mv voor de dubbelbestemmingen ‘waarde-archeologie 3’ (middelhoge verwachtingszones) en 40 cm – mv voor dubbelbestemmingen ‘waarde-archeologie 4’ (onbekende verwachting: stuifzandgebieden) . Aan de gebieden met een lage verwachting is geen dubbelbestemming ‘waarde archeologie’; deze gebieden zijn in het kader van omgevingsvergunningen vrijgesteld van archeologisch onderzoek
4.2 Van verwachtingskaart naar beleidskaart Gestapelde archeologische verwachtingen en waarden De archeologische verwachtingenkaart uit 2010 is, zoals hiervoor beschreven, geactualiseerd en van extra kaartlagen voorzien (WOII-laag en kaartlaag met watergerelateerde archeologie). Aan de verschillende archeolandschappelijke eenheden is voor twee archeo logische hoofdperioden (jagersverzamelaars en [prehistorische] landbouwers) in de achterliggende GIS-tabel een archeologische verwachting toegekend: hoog, middelhoog, laag, of onbekend. Beide verwachtingen op hoofdperiode zijn vervolgens gecombineerd tot één geïntegreerd verwachtingsbeeld, een gestapelde verwachtingskaart. De verschillende verwachtingszones hebben verschillende implicaties:
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[32]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
- in zones met cultuurhistorische elementen met archeologische relevantie is een (zeer) hoge dichtheid aan archeologische resten uit de late middeleeuwen en/of nieuwe tijd te verwachten. - in zones met een hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen (m.n. nederzettingsterreinen) verwacht; - in zones met een middelhoge archeologische verwachting worden archeologische vindplaatsen verwacht, maar in een lagere dichtheid dan in de zones met een hoge archeologische verwachting; - in zones met een lage archeologische verwachting wordt de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen klein geacht. Wel dient opgemerkt te worden dat de aanwezigheid van archeologische resten niet kan worden uitgesloten (de reeds bekende vindplaatsen in deze eenheden bewijzen dit); Verder zijn de verschillende vindplaatsen, TAW -terreinen en één archeologisch rijksmonument onderscheiden. Deze vormen een andere categorie dan de archeologische verwachtingszones: archeologische resten zijn immers daadwerkelijk aangetoond. De gestapelde verwachtingskaart, in combinatie met de locaties met archeologische waarden, vormen de basis voor de archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3).
Vanuit het gezichtspunt van het gemeentelijk beleid is een stapelkaart veel praktischer dan afzonderlijke kaarten omdat een dergelijke kaart eenduidig vertaald kan worden naar een AMZ-advies ten behoeve van het bestemmingsplan/omgevingsplan. Voor het achterhalen van de oorsprong van een bepaalde verwachtingswaarde, en daarmee ook de implicaties of mogelijkheden voor het te volgen b eleid, dienen de achterliggende GIS-tabellen geraadpleegd te worden.
4.3 Erfgoedwet, Besluit Erfgoedwet Archeologie, Omgevingswet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze verving de Monumentenwet 1988 waarin archeologie sinds 1 juli 2007 middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz ) was geregeld. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van Nederlands erfgoed via één integrale wet. Naast aanwijzing van archeologische en gebouwde monumenten regelt de Erfgoedwet een groot aantal andere zaken zoals collectiebeheer van staats cultuurgo ed, de aanwijzing van (internationaal) cultuurgoed (UNESCO-verdrag) en verzamelingen en teruggave van buitenlandse cultuurgoederen op basis van internationale verdragen. De afzonderlijke wetten die dit voorheen mogelijk maakten zijn vervallen. In hoofdstuk 5 van de Erfgoedwet zijn achtereenvolgens vastgelegd:
algemene opgravingsverbod (artikel 5.1),
certificering van archeologisch onderzoek (artikel 5.2 t/m artikel 5.6),
vondsteigendom (artikel 5.7),
depotfunctie (artikel 5.8 en 5.9),
meldingsplicht archeologische toevalsvondst en waarneming (artikel 5.10 en 5.11) en informatiebeheer (artikel 5.12 en 5.13)
Nadere regels rond het opgravingsverbod en de certificering zijn uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie (BEa, eveneens per 1 juli 2016).
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[33]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
Figuur 3. Scheiding tussen de Erfgoedwet en de Omgevingswet voor wat betreft bepalingen (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)..
Archeologie en de Omgevingswet Voor de archeologische monumentenzorg is naast de Erfgoedwet de Omgevingswet (Ow) van belang. De scheiding laat zich het best als volgt typeren (zie ook figuur 3):
De duiding van cultureel erfgoed en zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet.
De omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Naar verwachting zal de Omgevingswet per 1 juli 2022 in werking treden. Delen uit Monumentenwet 1988 gaan op die datum op in de Omgevingswet. Tot die tijd blijven door overgangsrecht (geregeld in artikel 9.1 van de Erfgoedwet) de relevante bepalingen rechtskracht houden. Om de Omgevingswet uit te kunnen voeren krijgen gemeentelijke overheden de beschikking over een aantal instrumenten (waarbij de eerste drie instrumenten het meest relevant zijn voor het thema archeologie): 1.
Omgevingsvisie – hierin worden de gemeentelijke lange termijn doelen en ambities vastgelegd voor de fysieke leefomgeving. Er wordt een omgevingsvisie voor het gehele gemeentelijke grondgebied vastgesteld. De omgevingsvisie is verplicht.
2.
Omgevingsplan – bevat alle regels over de fysieke leefomgeving binnen de gemeente. Er wordt per gemeente een omgevingsplan vastgesteld. Het omgevingsplan is verplicht.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[34]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
3.
Omgevingsvergunning – Vergunningstelsel voor het uitvoeren van een of meerder activiteiten. Op basis van het omgevingsplan kan het voor een initiatiefnemer nood zakelijk zijn een omgevingsvergunning aan te vragen. Aan dit stelsel is toezicht en handhaving gekoppeld.
4.
Programma – een flexibel instrument dat ingezet kan worden om bepaalde doelstellingen gefaseerd te realiseren. Niet verplicht.
5.
Projectprocedure (projectbesluit) – Hiermee kunnen grootschalige projecten mogelijk worden gemaakt.
Archeologie maakt in de wet onderdeel uit van cultureel erfgoed bi nnen de fysieke leefomgeving (Omgevingswet artikel 1.2 lid 2i). Bij de uitoefening van bestuurlijke taken en bevoegdheden houden overheden (gemeente, provincie, Rijk of een waterschap) rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving (art ikel 2.1. lid 2). Het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed kan daarbij van toepassing zijn (artikel 2.1. lid 3). In omgevingsverordeningen (artikel 2.27) en omgevingsplannen en projectbesluiten (artikel 2.28) legt het Rijk verplichte instructieregels op voor het behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daar moet dus rekening mee gehouden worden. De nadere uitwerking van de wet gaat via vier AMvB’s: 1.
Omgevingsbesluit (invoeringsbesluit Omgevingswet),
2.
Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl),
3.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en
4.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In de Omgevingswet wordt gesproken van activiteiten, handelingen die uitgevoerd worden om iets te realiseren. De grondslagen voor de activiteiten die cultureel erfgoed (art ikel 4.3 lid 1h) of werelderfgoed (artikel 4.3. lid 1i) betreffen zijn in de Omgevingswet opgenomen. In de eerste plaats wordt behoud van het erfgoed nagestreefd. Vernieling en beschadiging moet worden voorkomen (art. 4.28 en art. 4.29). De activiteit rijksmonumentenactiviteit is nader uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal: hoofdstuk 13, art. 13.1 t/m 13.13). Evenals in de huidige Wabo is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning. In de Omgevingswet is dit een omgevingsplanactiviteit gericht op archeologische monumenten (art. 5.5 lid 1). Voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg zoals we die in de ruimtelijke ordening (Wro) en het omgevingsvergunningstelsel (Wabo) geborgd is, is vanaf juli 2022 opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Paragraaf 5.1.5.5. behande lt cultureel- en werelderfgoed. Artikel 5.130 (behoud cultureel erfgoed) bevat alle relevante onderdelen om archeologisch erfgoed adequaat te borgen, zoals artikel 38a van Monumentwet 1988 en artikel 3.1.6 lid 5a Besluit ruimtelijke ordening/Bro dat nu nog doen.
In het nieuwe artikel wordt gesteld dat in het omgevingsplan in het belang van cultureel erfgoed rekening wordt gehouden met bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hiertoe dienen vervolgens regels voor opgesteld te worden. N ieuw is dat nu gesproken wordt van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten en niet meer – zoals nu nog het geval is – van aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Artikel 41a van de Monumentenwet 1988 komt ook terug in artikel 5.130 (lid 4) Besluit kwaliteit leefomgeving. Sinds 2007 geldt een grens van 100 m 2 voor kruimelgevallen bij aanvragen omgevingsvergunning voor bouwen, aanleggen/werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden. De gemeenteraad kan hiervan (beredeneerd) afwijken (striktere begrenzing vaststellen maar ook
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[35]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
ruimere). Dat heeft gemeente Woudenberg in 2010 ook gedaan; vooral ook omdat een zeer strikte vrijstellingsgrens c.q. onderzoeksverplichting voor het hele gemeentelijke grondgebied in de praktijk onwerkbaar is. In de Omgevingswet verandert dit niet en kan het vrijstellingenbeleid zoals eerder in Woudenberg is vastgesteld als basis worden genomen bij huidige actualisatie van het archeologiebeleid. Voor delen van de gemeente is bekend dat sprake is van de aanwezigheid van archeologische resten in de ondergrond en ondergebracht in de categorieën terreinen met gewaardeerde archeologische resten (archeologische rijksmonumenten), terreinen met archeologische resten (o.a. TAW-gebieden, vindplaatsen en WOII-gerelateerde locaties), terwijl voor andere delen van de gemeente sprake is van aantoonbaar te verwachten archeologische resten: de archeologische verwachtingsgebieden. Immers op basis van de landschappelijke ligging en de correlatie tussen deze landschappelijke ligging en dichtheid aan archeologische vindplaatsen is een verdeling gemaakt in hoge, middelhoge of lage verwachting. Deze zones met aanwezige en aantoonbare te verwachten archeologie zijn onderverdeeld in de kaarteenheden Waarde-archeologie 1 tot en met Waarde-Archeologie 8 en worden in paragraaf 4.4 toegelicht.
4.4 De archeologische beleidscategorieën De verschillende beleidscategorieën onderscheiden zich door de aanwezigheid van archeologische resten dan wel aantoonbaar te verwachten archeologische resten. De diverse beleidseenheden kenmerken zich door een verschil in zogenaamde vrijstellingsgrenzen (zowel in oppervlakte als in diepte). Het beleidsadvies voor de verschillende archeologische verwachtingszones ligt in lijn met het vigerend gemeentelijk archeologiebeleid en is gebaseerd op de formule dat hoe lager de archeologische verwachting, des te hoger de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek. Voor het geactualiseerde beleid is afgeweken van het vigerend beleid waarbij de vrijstellingsdiepte verschilt per verwachtingszone terwijl daar archeologisch gezien geen onderbouwing voor gegeven kan worden. Voor het geactualiseerde beleid wordt voor de vrijstellingsdiepte als basis een diepte van 0,3 m –mv aangehouden. Deze diepte van 0,3 m –mv is in de Erfgoedwet als diepte genoemd waarbij de bodem niet dieper mag worden verstoord bij metaaldetectie. Vele uitgevoerde archeol ogische booronderzoeken hebben bovendien aangetoond dat over het algemeen sprake is van een bouwvoor met dikte van 30 cm.
In pleistocene gebieden, waarbij de top van het bodemprofiel bestaat uit (laat)pleistocene afzettingen zijn over het algemeen geen argumenten te geven om van deze grens van 0,3 m af te kunnen wijken en daarom wordt een vrijstellingsg rens van 0,3 m –mv als basis gehanteerd. Voor de gemeente Woudenberg gelden twee situaties waarbij onderbouwd afgeweken kan worden van deze 0,3 m. Het betreft:
Zones waar een afdekkende laag in de vorm van plaggendek aanwezig is. In deze gebieden geldt een vrijstellingsdiepte van 0,5 m.
Agrarische percelen waarvan tijdens een inventarisatie van verstoringen op agrarische percelen (Kroes & Kloosterman, 2013) is vastgesteld dat sprake is van een dikke bouwvoor dan wel dat de bovengrond tot een bepaalde diepte verstoord is. De vrijstellingsgrens varieert hier tussen de 0,4 en 0,8 m –mv.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[36]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
Terreinen met (gewaardeerde) archeologische resten Waarde-Archeologie 1: Archeologische rijksmonumenten Voor de rijksmonumenten geldt elke vorm van bodemingrepen (dieper dan 0,3 m –mv) zonder of in afwijking van de vergunning op basis van de Erfgoedwet verboden is. Waarde-Archeologie 2: Het betreft terreinen waarvan is vastgesteld dat er archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn, dan wel terreinen die (als een buffer) direct om archeologische rijksmonumenten liggen. Het betreft de volgende zones: -
TAW-gebieden
-
attentiezones rond archeologische rijksmonumenten
Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 0 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 0,3 m -mv.
Waarde-Archeologie 3: In deze categorie zijn terreinen opgenomen waarvan op basis van historische informatie (historische kaarten, literatuur e.d.) vastgesteld kan worden dat sprake is van de aanwezigheid van archeologische resten (of sterk wordt vermoed). Ook de bufferzones direct om TAWgebieden vallen in deze categorie. Omdat sprake is van de aanwezigheid van archeologische resten is het raadzaam om voor deze categorie een relatief streng vrijstellingsregime aan te houden. Voor locaties met resten van conflictarcheologie, en dan met name WOII-resten geldt bovendien dat de omvang van de vindplaatsen over het algemeen vrij beperkt in omvang zijn (veelal enkele tot enkele tientallen vierkante meters in omvang); bij te grote vrijstellingsgrens bestaat een gerede kans dat bij bodemingrepen dergelijke vindplaatsen verstoord worden zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Binnen deze categorie vallen de volgende zones: -
cultuurhistorische elementen met archeologische relevantie
-
attentiezones rond TAW -terreinen
-
locaties waar sprake is van conflictarcheologie (met name WOII en Grebbelinie)
Streven naar behoud in huidige staat; archeologisch (voor)onderzoek is verplicht als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 100 m² én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 0,3 m –mv
Archeologische verwachtingsgebieden Waarde-Archeologie 4: Gebieden met een hoge archeologische verwachting In gebieden met een hoge archeologische verwachting is de kans op het aantreffen van archeologische resten relatief groot (hoge dichtheid aan verwachte archeologische vindplaatsen). Tevens vallen in deze categorie de waterbodems met een archeologische waarde/verwachting aangezien binnen de zones met waterbodems vooral archeologische resten met beperkte omvang te vinden zijn en waarbij e denken valt aan bijvoorbeeld voordes, brughoofden, afvaldumps en beschoeiingen . Als ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt een oppervlakte van 100 m² én een diepte van 0,3 m -mv. Bij nog aanwezige waterbodems dient een diepte van 0 cm vanaf de top van de waterbodem te
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[37]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
worden aangehouden. Bij waterbodems zijn alleen ingrepen in een aantoonbaar recente (jonger dan 50 jaar) sliblaag toelaatbaar zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Waarde-Archeologie 5: Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting De kans op het aantreffen van archeologische resten in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting wordt minder groot geacht als in zones met een hoge verwachting omdat de dichtheid aan verwachte vindplaatsen minder groot is dan bij de hoge verwachtingszones . Voor zones met een middelmatige verwachting geldt een ondergrens van 1.000 m² én een diepte van 0,3 m –mv voor archeologisch onderzoek. Waarde-Archeologie 6: Gebieden met een lage archeologische verwachting In gebieden met een lage archeologische verwachting geldt een lage dichtheid aan archeologische resten aangezien de landschappelijke ligging (lage, natte context) nauwelijks geschikt was voor bewoning. De aanwezigheid van archeologische zijn echter niet uit te sluiten. Als ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt een oppervlakte van 10.000 m² én een diepte van 0,3 m -mv. Waarde-Archeologie 7: Gebieden met een onbekende verwachting In gebieden met een onbekende archeologische verwachting is sprake van een afdekkende laag in de vorm van een stuifzandpakket waardoor de archeologische verwachting op perceelsniveau kan verschillen.
Als ondergrens voor archeologisch onderzoek geldt een oppervlakte van 500 m² én een diepte van 0,3 m -mv.. Gebieden zonder archeologische verwachting: Het betreft reeds onderzochte en door de gemeente vrijgegeven locaties alsmede gebieden waar sprake is van bodemverstoringen die dieper reiken dan het archeologisch relevante niveau. Gebieden die in deze categorie liggen zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Aandachtsgebieden Gebieden met een afwijkende vrijstellingsdiepte: Onder deze categorie vallen de percelen waarvoor een afwijkende vrijstellingsdiepte is vastgesteld in het onderzoek dat door Kroes & Kloosterman (2013) is uitgevoerd in opdracht van de gemeente. Voor deze gebieden geldt niet de vrijstellingsdiepte van 0,3 m –mv, maar de vrijstellingsdiepte die op het betreffende vlak op de beleidskaart is weergegeven (varieert tussen de 0,4 en 0,8 m –mv). Een afwijkende vrijstellingsdiepte (0,5 m –mv) geldt ook voor zones waar een plaggendek aanwezig is. Uitgevoerd onderzoek (niet vrijgegeven): zones waar het archeologisch onderzoekstraject (AMZ -cyclus) gestart is, maar waar dit traject nog niet is afgerond omdat er adviezen zijn gegeven met betrekking tot behoud in situ dan wel vervolgonderzoek. Op basis van het aanwezige archeologische onderzoeksrapport kan door de archeologisch adviseur van de gemeente worden bepaald of nieuwe planvorming een bedreiging vormt voor aanwezige of te verwachten archeologische resten en zo ja welke vorm van archeologisch onderzoek nog nodig is op de locatie. Ondiepe bodemverstoringen: De gebieden met bodemverstoringen met beperkte diepe of met onbekende diepte zijn als attentiegebied op de beleidskaart weergegeven. In overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente kan mogelijk een aangepaste onderzoeksstrategie worden gevolgd.
Omdat mogelijk is sprake van verstoring van het archeologisch r elevante niveau wordt aanbevolen de eerste fase van archeologisch veldonderzoek zo in te steken dat informatie wordt
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[38]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
verzameld over de mate en diepte van de verstoringen en de gevolgen daarvan op het archeologisch relevante niveau.
4.5 Archeologisch onderzoek(straject) Het archeologisch beleidsveld is gebonden aan de regels van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en aan een certificering. Dat betekent dat er strikte regels gelden voor de wijze waarop onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). In de praktijk betekent dit, dat er na elke stap in die cyclus, namelijk het verkennend onderzoek (bureauonderzoek, boringen), karterend / waarderend onderzoek (boringen, proefsleuven) en eventueel een definitieve opgraving, een moment komt waarop een advies door een gecertificeerde organisatie wordt gegeven. Het bevoegd gezag (meestal de gemeente) kan op basis van dat advies een besluit nemen of de initiatiefnemer een vervolgonderzoek moet laten doen om te voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Doorgaans wordt het archeologisch onderzoek, evenals bijvoorbeeld het milieuonderzoek, zo meegenomen in de planvorming van initiatieven dat er ten aanzien van de uitvoering / planning v an de werkzaamheden geen belemmeringen ontstaan.
Daarnaast is er in de KNA een mogelijkheid om werkzaamheden die niet of nauwelijks de gelegenheid bieden voor onderzoek vooraf, zoals het werk aan kabels / leidingen en riolering onder bestaande infrastructu ur, te kiezen voor een vorm van begeleiding (proefsleuven variant begeleiding of opgraving variant begeleiding) . De essentie is dan dat de archeologen niet vooraf hun onderzoek doen, maar meekijken met / aanwezig zijn bij de uitvoering. Het inzetten van dat instrument is weliswaar aan regels gebonden, maar het biedt de gelegenheid om bij specifieke werkzaamheden een snelle en werkbare vorm van onderzoek te kiezen. Vertraging bij werkzaamheden in de openbare ruimte wordt zo voorkomen.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[39]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
5 Toelichting op de kaartproducten 5.1 Algemeen De resultaten van de inventarisatie en actualisatie worden gepresenteerd in drie kaarten. Allereerst betreft het een aardkundige kaart met reliëfvormen en ontstaanswijzen, aangevuld met archeologische gegevens. Deze kaart vormt de basis voor de landschappelijke archeologische verwachting van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Naast de landschappelijke verwachtingen worden op deze kaart de verwachtingen gepresenteerd die het resultaat zijn van de archeologische en histo rische inventarisatie. De waarden- en verwachtingenkaart is vervolgens omgezet in een archeologische beleidskaart. In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op de verschillende kaarten.
5.2 De aardkundige kaart met archeologische gegevens 5.2.1
Kaartopbouw
De aardkundige kaart heeft een eenvoudige opzet. De basis van de kaart wordt gevormd door de landschappelijke eenheden, gethematiseerd naar reliëfvormen. De landschappelijke eenheden zijn het resultaat van de kartering van de kaart uit 2010, aangevuld met een verfijning en actualisatie (en is beschreven in paragraaf 2.3). Als ondergrond is de TOP10NL gebruikt en worden de belangrijkste toponiemen vermeld
5.2.2
Kaartlagen
Dit, op schaal 1:12.000 afgebeelde, kaartbeeld 6 is voorzien van aanvullende gegevens als archeologische gegevens (archeologische en historische vindplaatsen als puntlocatie), archeologische rijksmonumenten, AMK-terreinen (omlijnd), historische (nederzettings)locaties (als kruisarcering) en is verder voorzien van bodemverstoringen (als arcering). De kaart is opgebouwd uit de volgende kaartlagen: - Geomorfologie: o
Aardkundige eenheden (vlakken): onderverdeeld in stuwwallandschap en dekzandlandschap
o
Afdekkende vlakken (vlakken): zones waar stuifzand of plaggendekken aanwezig zijn
- Archeologie: o
Archeologische waarden: archeologische rijksmonumenten en TAW-gebieden (vlakken)
o
Historische locaties met archeologische relevantie (punten en vlakken)
o
Grebbelinie, ouder dan WOII (punten en vlakken)
o
WOII-archeologie (punten, lijnen, vlakken)
o
Overig:
Archeologisch relevante wateren (al dan niet gedempt)
Archeologische vondstlocaties
- Overig: o
Archeologische vondstlocaties (punten);
o
Bodemverstoringen (vlakken).
6
De kaartschaal van de gebruikte bronnen en vervaardigde kaarten is 1:10.000, maar is om prak tische redenen (A0papierformaat) afgebeeld op schaal 1:12.000 zodat de kaarten beperkt konden blijven tot 1 deelblad.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[40]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
o
Water zonder archeologische relevantie.
5.3 De archeologische waarden- en verwachtingenkaart 5.3.1
Kaartopbouw
De archeologische waarden- en verwachtingenkaart is gethematiseerd naar archeologische verwachting. De kaart is uitgebreid met een weergave van terreinen waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld, dan wel terreinen met een nog niet nader vastgestelde archeologische waarde (archeologische en historische vondstlocaties/vindplaatsen) en is als zodanig een kaartbeeld dat is opgebouwd uit meerdere kaartlagen. Als ondergrond is de TOP10NL gebruikt en worden de belangrijkste toponiemen vermeld.
5.3.2
Kaartlagen
Archeologische waarden Deze kaartlaag betreft een laag met vooral puntlocaties als vlakken met (meestal) een geringe oppervlak waarvan is vastgesteld of kan worden aangenomen dat sprake is van archeologische waarde. Het betreft gegevens uit diverse bronnen, te weten: - Archeologische rijksmonumenten; - Terreinen van archeologische waarde (AMK-terreinen); - AHN-verhogingen met (mogelijk) archeologische relevantie (vlakken); - Archeologische vindplaatsen (puntlocaties); - Archeologische locaties gebaseerd op historische objecten (punten en vlakken); - Archeologische locaties met betrekking tot militair erfgoed (punten en vlakken).
Aan de historische objecten en punt/lijnobjecten van militair erfgoed is een buffer toegevoegd. Dit betreft veelal het gehele kadastrale perceel uit 1832 waarbinnen de betreffende bebouwing stond. Deze terreinen zijn in de geactualiseerde verwachtingskaart integraal opgenomen. Met name voor deze historische locaties alsmede de historische dorpskern van Woudenberg geldt dat hier vaak sprake is van langdurige continuïteit in bewoning en/of grondgebruik, een daarmee samenhangende complexe opbouw van archeologische lagen en een hoge mate van archeologische informatie. 7 Funderingen (muurwerk, poeren, grondsporen van gebinten), water- en beerputten, overblijfselen van materiële cultuur en grachten met vulling zijn voorbeelden van sporen en vondsten die hier gedaan kunnen worden. De locaties waar sprake is van militair erfgoed kunnen worden opgedeeld in zones met betrekking tot de Grebbelinie uit de periode voor WOII en zones die specifiek betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog zelf. De te verwachten archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog hangen sterk af van de locatie. Betreft het loopgraven, of is er sprake van een bomkrater of een locatie van een kazemat. Bij elk type locatie geldt een specifieke WOII-verwachting. Bovendien geldt voor (bijna) al deze locaties ook een risico ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten (zie hiervoor het rapport van Rotteveel (2021)).
7
Zie ook: De Groot e.a., 2011, 89 e.v.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[41]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
Archeologische verwachtingen Voor het algemene archeologische verwachtingsmodel voor de gemeente Woudenberg wordt verwezen naar hoofdstuk 3. De herziene kaart verschilt echter op een aantal punten enigszins van de kaart uit 2010. In feite zijn de begrenzingen van de verschillende landschappelijke eenheden gecontroleerd, gebruik makend van gedetailleerde gegevens het AHN3 en de resultaten van uitgevoerd archeologisch (voor)onderzoek. De verwachtingenlaag betreft een gebiedsdekkend bestand met verwachtingsvlakken. Daarnaast zijn er een aantal specifieke verwachtingen te benoemen: - Archeologisch relevante watergebieden (al dan niet gedempt) - Specifieke verwachting: Grebbelinie (ouder dan WOII) - Specifieke verwachting: WOII-archeologie (selectie/bewerking van data van de inventarisatie OOO van BeoBom) Afdekkende lagen Binnen de gemeente zijn twee typen afdekkende lagen aanwezig, te weten plaggendekken en stuifzandpakketten. De aanwezigheid van een afdekkende laag zorgt dat de archeologisch relevante laag zich dieper onder het maaiveld bevindt en daarmee beter beschermd is tegen ondiepe bodemingrepen. Terreinen met bodemverstoringen Als gevolg van forse landschappelijke ingrepen (afgravingen, ontgrondingen, egalisaties en uitgevoerde bodemsaneringen) zijn diverse terreindelen zodanig aangetast dat betwijfeld kan worden o f er zich nog archeologische waarden in de bodem bevinden.
In gebieden waar de bodem tot minimaal 50 cm in de C-horizont van het dekzand verstoord is, mag worden aangenomen dat er geen belangrijke archeologische sporen (meer) aanwezig zijn. Voor deze gebie den geldt geen archeologische verwachting meer. Op de waarden- en verwachtingenkaart (kaartbijlage 2) zijn de bodemverstoringen aangegeven waarvan vastgesteld is dan wel aannemelijk gemaakt kan worden dat de ondergrond tot onder het archeologisch relevante (sporen)niveau verstoord is (zoals het Henschotermeer). Van bodemverstoringen waarvan de diepte niet bekend is, dan wel van ondiepe bodemverstoringen (tot boven of mogelijk in het archeologisch relevante niveau) zijn de locaties als arcering op de kaart weergegeven en hebben een signalerende functie. In bebouwde gebieden buiten de historische dorpskernen (en andere historische nederzettingslocaties) is de bodem waarschijnlijk over een groot oppervlak ondiep verstoord en zijn archeologische resten ten dele aangetast. Dit zijn onder andere plaatsen waar huizen of andere gebouwen met een diepere fundering staan (of hebben gestaan) en waar wegen zijn aangelegd. Dergelijke verstoringen zijn veelal slechts ondiep dan wel erg lokaal. Bovendien zullen diepere verstoringen erg lokaal zijn ter plaatse van de riooltracés, locaties waar bodemsaneringen hebben plaatsgevonden en ter plaatse van kelders van woningen en gebouwen.
Ter plaatse van onder andere tuinen, parken, wegbermen en ter plaatse van parkeerterreinen zal de ondergrond wel grotendeels intact zijn. Met uitzondering van de diepe verstoringen (ontgrondingen, recent gegraven watergebieden) moet daarom ook in de bebouwde kommen rekening worden gehouden met het voorkomen van (nagenoeg) gave bodemprofielen en hierin aanwezige archeologische waarden. Te denken valt aan groenzones,
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[42]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
parkeerterreinen, parken, particuliere tuinen en overige terreinen waar een diepe bodemverstoring niet op voorhand vaststaat. Alleen door meer gedetailleerd bureauonderzoek en/of booronderzoek is de mate van verstoring tot op perceelsniveau te specificeren. Overig: Uitgevoerd onderzoek Op de kaart zijn de begrenzingen weergegeven van binnen de gemeente uitgevoerde archeologische onderzoeken. Er is gekozen voor een weergave met omlijning zodat de onderliggende verwachting nog zichtbaar is.
5.4 De archeologische beleidskaart 5.4.1
Kaartopbouw
De archeologische beleidskaart is gethematiseerd naar categorie ‘waarde-archeologie’. Tevens worden archeologische aandachtsgebieden weergegeven. Als ondergrond is de TOP10NL gebruikt en worden de belangrijkste toponiemen vermeld.
5.4.2
Kaartlagen
De beleidskaart bestaat uit een gemeentedekkende beleidslaag (vlakken), onderverdeeld in: - Terreinen met gewaardeerde archeologische resten: o
Waarde – archeologie 1 – archeologisch rijksmonument
- Terreinen met archeologische resten: o
Waarde – archeologie 2 – TAW-gebieden en attentiezone archeologisch rijksmonument
o
Waarde – archeologie 3 – historische elementen met archeologische relevantie en attentiegebied rond TAW -gebieden
- Archeologische verwachtingsgebieden o
Waarde – archeologie 4 – hoge archeologische verwachting en relevante watergebieden
o
Waarde – archeologie 5 – middelhoge archeologische verwachting
o
Waarde – archeologie 6 – lage archeologische verwachting
o
Waarde – archeologie 7 – onbekende archeologische verwachting (stuifzand)
o
Gebieden waar geen onderzoek nodig is
Daarnaast zijn op de beleidskaart enkele kaartlagen toegevoegd die een signalerende functie hebben. Deze aandachtsgebieden zijn: o
Gebieden met een afwijkende vrijstellingsdiepte
o
Gebieden waar het archeologisch onderzoek is gestart maar nog niet is afgerond
o
Gebieden met ondiepe bodemverstoringen
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[43]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
Literatuur BeoBom, 2021. Beleidsadvies Ontplofbare Oorlogsresten. Documentcode BB20 -074-BA-01. Barink Explosieven Opsporing, Hardinxveld-Giessendam. Boshoven, E.H., G.H. de Boer & D. Bekius, 2010. Gemeenten Renswoude en Woudenberg; een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. RAAP-rapport 2117. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Deeben, J.H.C. (red.), 2008. De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, derde generatie. Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155 (RAM 155). Amersfoort . Fontijn, D. & Q. Bourgeois, 2006. Grafheuvels op de Utrechtse Heuvelrug. Archeobrief. Vakblad voor de Nederlandse archeologie. Jaargang 10, nummer 4. Uitgeve -rij Matrijs, Utrecht.Houkes, M.J. & D. Mittendorp, 1996. Onderzoek naar relaties in de verspreiding van grafheuvels uit het Late Neolithicum en de Bronstijd in het gebied Arnhem-Renkum. Kaartblad 40AN. Veldwerkverslag no. 14. Archeologische Werkgroep Nederland - afdeling Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland, Arnhem. Gerritsen, F. & E. Rensink (red.), 2004. Beekdallandschappen in archeologisch per -spectief. Een kwestie van onderzoek en monumentenzorg. Nederlandse Archeologische Rapporten 28. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemon-derzoek, Amersfoort. Houkes, M.J. & D. Mittendorp, 1996. Onderzoek naar relaties in de verspreiding van grafheuvels uit het Late Neolithicum en de Bronstijd in het gebied Arnhem -Renkum.
Kaartblad 40AN. Veldwerkverslag no. 14. Archeologische Werkgroep Nederland - afdeling Zuid-Veluwe en OostGelderland, Arnhem. Koster, E., 1978. De stuifzanden van de Veluwe: een fysisch -geografische studie. Publicaties van het fysisch geografisch en bodemkundig laboratorium van de universiteit van Amsterdam 27. Universiteit van Amsterdam. Kroes, R.A.C. & P. Kloosterman, 2013. Aanlegvergunningstelsel archeologie, gemeente Woudenberg: een onderzoek naar agrarische verstoringsdiepten en vrijstellingen. RAAP -rapport 2666. Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Rotteveel J., 2021. Begeleidend document Risicokaart CE. Project BB2-074 BeoBOM, HardinxveldGiessendam. ROB, 1998. Het handboek van ROB-specificaties juni 1988. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Roymans, J.A.M., 2005. Een cultuurhistorisch verwachtingmodel voor Brabantse beekdallandschappen: een mogelijke toekomst voor het verleden van de beekdalen. Scriptie VU, Amsterdam. Scholte Lubberink, H.B.G., L.J. Keunen & N.W. Willemse, 2015. Op het kruispunt van de vier windstreken. Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei (Utrechts -Gelders zandgebied). Nederlandse Archeologische Rapporten 048. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[44]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
Visscher, H.C.J., 1996. Engen in bodembeschermingsgebieden in de Provincie Utrecht : inventarisatie, bedreiging en bescherming van oude landbouwgronden met archeologische waarde. RAAP rapport 117, Amsterdam. Willemse, N.W., 2006. Gemeente Apeldoorn; een archeologische beleidsadvieskaart. RAAP -rapport 1131. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[45]
Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg
Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices Figuren: Figuur 1. Ligging van de gemeente Woudenberg.
6
Figuur 2. Bundels karrensporen evenwijdig aan de Doornseweg (N227) zoals zichtbaar op een bewerking van het Actueel Hoogtebestand Nederland.
12
Figuur 3. Scheiding tussen de Erfgoedwet en de Omgevingswet voor wat betreft bepalingen (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort)..
34
Tabellen: Tabel 1. Overzicht van aanwezige complextypen en bijbehorende perioden van de AMK-terreinen. Met getallen in een blauw vak wordt het aantal complexen weergegeven die in de betreffende periode dateren, waarbij het blauwe vlak meerdere perioden beslaat als de datering van het complex in meerdere perioden valt (voorbeeld: bij nederzettingen is 1 complex met een datering in late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd en 1 complex vallend in het mesolithicum).
9
Tabel 2. Aantal vondstmeldingen per periode van 10 jaar.
10
Tabel 3. Archeologisch relevante elementen uit de OOO-inventarisatie van BeoBOM
14
Tabel 4. Overzicht met zaken die door het ontbreken van een archeologische relevantie niet op de archeologische kaart zijn overgenomen.
16
Tabel 5. Adviezen per onderzoekstype voor de onderzoeken die tussen 2008 en september 2020 zijn uitgevoerd. Tevens is aangegeven of vervolgonderzoek is geadviseerd/uitgevoerd. Een overzicht met alle onderzoeken is weergegeven in bijlage 2.
17
Tabel 6. Oppervlakte aan bodemverstoringen, onderverdeeld naar type verstoringen.
19
Tabel 7. Archeologische verwachting per archeolandschappelijke eenheid.
22
Bijlagen: Bijlage 1. Tijdschaal Bijlage 2. Overzicht met uitgevoerde onderzoeken
Kaartbijlagen: Kaartbijlage 1. aardkundige kaart met archeologische gegevens. Kaartbijlage 2. archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Kaartbijlage 3. Archeologische beleidskaart.
RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021
[46]
Bijlage 1. Tijdschaal Archeologische perioden Datering
Tijdperk
Recente tijd
- 1945 C
Nieuwe tijd
- 1850
B
- 1650
A
- 1500
Laat B Laat A
Vroeg
Middeleeuwen
D: Ottoonse tijd
C: Karolingische tijd B: Merovingische tijd
A: Volksverhuizingstijd Laat
Romeinse tijd
Midden
Vroeg Laat
IJzertijd
Midden
Vroeg Laat
Bronstijd
Midden
Prehistorie
Vroeg Laat
Neolithicum (Nieuwe Steentijd)
Midden Vroeg Laat
Mesolithicum (M idden Steentijd)
Midden Vroeg Laat
Paleolithicum (Oude Steentijd)
Jong B Jong A Midden
Oud tabel1_standaard_Archeologisch_RAAP_2014
- 1250 - 1050 - 900 - 725
- 525 - 450
- 270 - 70 na Chr. - 15 voor Chr. - 250 - 500 - 800 - 1100 - 1800 - 2000
- 2850 - 4200 - 4900/5300 - 6450 - 8640 - 9700
- 12.500 - 16.000
- 35.000 - 250.000
Bijlage 2. Overzicht met uitgevoerde onderzoeken
ZAAKIDENT
voorafgaan
onderzoeksgebied
verwerving uitvoerder
x coordinaat
y coordinaatstartdatum veldwerk status onderzoek
oppervlakte (m2) advies
besluit gemeente
vervolgonderzoek (ARCHIS toelichting/onderbouwing advies/besluit zaakid.nr.
status inzake beleidskaart
2025180100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
158329
454427
01-02-1993
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
66731 geen vervolgonderzoek aanbevolen
geen vervolgonderzoek of behoud aanbevolen
2025553100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
161278
456526
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
242357 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2025650100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
160892
457262
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
20118 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2025683100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
160828
456108
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
47090 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2030023100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
161219
457065
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
42092 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2030031100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
161551
457223
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
37539 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2030048100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
161192
457815
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
35625 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2035021100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
160244
456614
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
73172 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2035046100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
161486
458115
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
27574 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
AKA
Archis beheer
145638
449925
01-01-1960
Onderzoek afgemeld op 06-02-2019
289469653 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
ABO
ADC ArcheoProjecten
158102
454836
31-08-2004
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
94489 geen vervolgonderzoek aanbevolen
2043340100
Kromme Rijnproject
2051732100 2066831100
niet van toepassing Op geen van de percelen was de vondstzichtbaarheid vervolgonderzoek goed.ofDebehoud borigenaanbevolen zijn uitgevoerd met een 12 cm edelmanboor. 4652319100
ABE
ADC ArcheoProjecten
156785
454849
27-04-2005
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
3837 geen vervolgonderzoek aanbevolen
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
158103
454380
01-02-2001
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
106020 geen vervolgonderzoek aanbevolen
geen vervolgonderzoek of behoud aanbevolen
2079265100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
160715
456585
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015
42124 geen onderzoek in kader AMZ-cyclus
niet van toepassing
2079313100
ABO
RAAP Archeologisch Adviesbureau
160599
456026
01-01-1995
Onderzoek afgemeld op 26-05-2015