CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologie beleid Woudenberg.pdf

Raadscommissie 12 januari 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 10: Vaststelling actualisatie Archeologiebeleid en beleid ontplofbare oorlogsresten19.797 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAAP-RAPPORT 4905

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente Woudenberg

Colofon Opdrachtgever: gemeente Woudenberg Titel: Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente Woudenberg Versie: 29-10-2021 Auteur: ir. E.H. Boshoven Projectcode: WOBT Bestandsnaam: RAAPrap_4905_WOBT_20211029

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Samenvatting In opdracht van de gemeente Woudenberg heeft RAAP in de periode september 2020 tot juni 2021 de archeologische waarden-, verwachtingen- en beleidskaart van Woudenberg geactualiseerd. Concreet omvat de actualisatie het bijwerken van de bestaande laag met de la ndschappelijke ondergrond zoals de ligging en begrenzing van dekzandwelvingen en dekzandruggen, de aanwezigheid van afdekkende lagen, alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische gegevens en inzichten . Tegelijkertijd is met de actualisatie van de archeologische kaarten een inventarisatie naar Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd door BeoBom en resulterend in een bodembelastingkaart. De resultaten van die inventarisatie zijn eveneens gebruikt om een WOII-kaartlaag toe te voegen aan de archeologische kaarten. Ten aanzien van het archeologiebeleid zijn de veranderingen in wetgeving in de afgelopen 10 jaar kort aangestipt en is ingegaan op de diverse vrijstellingsgrenzen van de diverse zones met archeologis che waarden en verwachtingen. Voor het geactualiseerde beleid is het vigerende beleid uit 2010 als uitgangspunt genomen, maar zijn een aantal beleidscategorieën wel wat gewijzigd .

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[3]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 5 1.2 Doelstelling ......................................................................................................................................... 6 1.3 Onderzoeksopzet, leeswijzer en richtlijnen ............................................................................................ 7

2 Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingenkaarten ........................................................ 8 2.1 Werkzaamheden .................................................................................................................................. 8 2.2 Actualiseren van de archeologische gegevens ....................................................................................... 8 2.3 Actualiseren van de landschappelijke eenheden en verwachtingszones ................................................ 17 2.4 Inventarisatie van bodemverstoringen ................................................................................................. 18

3 Het archeologisch verwachtingsmodel............................................................................................. 20 3.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 20 3.2 Het verwachtingsmodel ...................................................................................................................... 21

4 Actualisatie archeologiebeleid......................................................................................................... 32 4.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 32 4.2 Van verwachtingskaart naar beleidskaart ............................................................................................ 32 4.3 Erfgoedwet, Besluit Erfgoedwet Archeologie, Omgevingswet ................................................................ 33 4.4 De archeologische beleidscategorieën ................................................................................................ 36 4.5 Archeologisch onderzoek(straject) ...................................................................................................... 39

5 Toelichting op de kaartproducten .................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................... 40 5.2 De aardkundige kaart met archeologische gegevens ............................................................................ 40 5.3 De archeologische waarden- en verwachtingenkaart ............................................................................ 41 5.4 De archeologische beleidskaart .......................................................................................................... 43

Literatuur .......................................................................................................................................... 44 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 46

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[4]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

1 Inleiding 1.1 Kader Archeologie, cultuurlandschap en monumenten spelen een steeds grotere rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Opgraving of inpassing van archeologische vindplaatsen, het historisch cultuurlandschap als een creatieve input voor ontwerp, bescherming en herbestemming van bouwkundig erfgoed: het zijn allemaal manieren waarop bewust aandacht wordt besteed aan de boven en ondergrondse historische kwaliteiten van een gebied. Het zichtbaar en beleefbaar maken van cultuurhistorie kan een gebied een eigen identiteit geven. Daardoor wordt niet alleen de intrinsieke waarde voor de lokale bevolking verhoogd, maar ontstaan ook economische kansen. Een voorbeeld daarvan is een historische dorpskern, maar het geldt ook voor landelijke gebieden waar bijvoorbeeld fietsrecreanten op afkomen. Een zorgvuldige omgang met cultuurhistorie en benutting van historische kwaliteiten kan dus economisch lonend zijn, zo is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken . De gemeente Woudenberg (figuur 1) heeft reeds in de periode tussen 2009 en 2010 een archeologische verwachtings- en beleidskaart laten vervaardigen (Boshoven e.a., 2010). In de afgelopen tien jaar is een groot aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd en tevens zijn in deze periode nieuwe archeologische inzichten ontstaan en nieuwe bronnen beschikbaar gekomen.

Het is dan ook niet vreemd om na een periode van 10 jaar een actualisatie van de archeologische waarden - en verwachtingenkaart alsmede de beleidskaart uit te voeren. Ook in de aanstaande omgevingswet is opgenomen dat sprake moet zijn van een actueel inzicht in de (te verwachten) archeologische waarden. In opdracht van gemeente Woudenberg heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in de periode tussen najaar 2020 en winter 2021 een actualisatie doorgevoerd van zowel de gemeentelijke verwachtingskaart als de beleidskaart.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[5]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Figuur 1. Ligging van de gemeente Woudenberg.

1.2 Doelstelling De belangrijkste doelstelling van de actualisatie is om aan de hand van aardwetenschappelijk, archeologische, bodemkundige en historische (kaart)bronnen gedetailleerde informatie te verschaffen aan terreineigenaren, ontwikkelaars, initiatiefnemers, overheden , archeologische professionals en liefhebbers over aanwezige of te verwachten archeologische restanten zodat men bij planologische ontwikkelingen of in een vergunningstraject tijdig rekening hiermee kan houden Concreet omvat de actualisatie het bijwerken van de bestaande laag met de landschappelijke ondergrond zoals de ligging en begrenzing van dekzandwelvingen en dekzandruggen, de aanwezigheid van afdekkende lagen, alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische gegevens en inzichten. Tegelijkertijd is met de actualisatie van de archeologische kaarten een inventa risatie naar Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uitgevoerd door BeoBOM en resulterend in een bodembelastingkaart. De resultaten van die inventarisatie zijn eveneens gebruikt om een WOII -kaartlaag toe te voegen aan de archeologische kaarten. Met de nieuwe archeologische kaarten is gezorgd voor : -

verfijning en verbetering van de bestaande archeologische verwachtings - en beleidsadvieskaart voor het gehele gemeentelijk grondgebied;

-

vlakdekkend inzicht over de aanwezigheid van bekende archeologische vindplaatsen;

-

vlakdekkend (aantoonbaar) inzicht in de verwachte archeologische waarden;

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[6]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

-

aanvullende informatie uit niet eerder ontsloten bronnen ( zoals bijvoorbeeld het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)) ;

-

beter inzicht in de aanwezige bodemverstoringen.

1.3 Onderzoeksopzet, leeswijzer en richtlijnen De opdracht omvat zowel de actualisatie van de bestaande archeologische basiskaart en als de verwachtingskaart en de beleidsadvieskaart. Om het verloop of proces van inhoudelijke informatie via waarderingsfase naar beleidsmatige keuzes te verantwoorden is een drietal kaarten opgemaakt: 1.

Geomorfologische kaart

2.

Waarden- en verwachtingenkaart

3.

Beleidskaart

Voor het samenstellen van zowel de geomorfologische als archeologische waarden- en verwachtingenkaart is uitgegaan van de methoden zoals die door RAAP zijn ontwikkeld voor eerdere gemeentelijke archeologische inventarisaties. In hoofdstuk 2 worden de bronnen genoemd en de methoden behandeld (inhoudelijke verantwoording) met een actualisatie van het verwachtingsmodel in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 4 een toelichting op de geomorfologische kaart en archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de actualisatie van het gemeentelijk archeologiebeleid en bijbehorende beleidskaart. De geactualiseerde archeologiekaarten zijn bijgevoegd als kaartbijlage1 (geomorfo logische kaart, schaal 1:12.000) en kaartbijlage 2 (archeologische waarden- en verwachtingenkaart, schaal 12.000). De archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3; schaal 1:1 2.000) betreft de weergave van zowel de archeologische verwachtingszones als de locaties waarvan vastgesteld is dat er waardevolle archeologische resten in de bodem bewaard zijn gebleven.

Op deze kaart zijn de in hoofdstuk 2 onderbouwde archeologische vindplaatsen en verwachtingen op dusdanige wijze beleidsmatig ‘vertaald’ dat deze bij de herziening en actualisatie van de bestemmingsplannen en het overige ruimtelijke beleid van de gemeente Woudenberg kunnen worden opgenomen en als basis kunnen dienen bij de gemeentelijke vergunningverlening. Het actualiseren van de archeologische kaarten van de gemeente Woudenberg is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel 24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). Het uitgevoerde onderzoek bestond uit een bureauonderzoek. Er is geen veldonderzoek uitgevoerd. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www. sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. De praktische uitvoering van het onderzoek voldoet aan de normen opgesteld in het Handboek ROB-specificaties (ROB, 1998) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (sinds 2007 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[7]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

2 Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingenkaarten 2.1 Werkzaamheden Ten behoeve van de actualisering van de archeologische kaarten zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: -

Actualiseren van de archeologische gegevens

-

Actualiseren van de landschappelijke eenheden

-

Inventariseren van bodemverstoringen

-

Toevoegen/actualiseren van een verwachting voor WOII-gerelateerde archeologische resten

In navolgende paragrafen worden de uitgevoerde werkzaamheden beschreven.

2.2 Actualiseren van de archeologische gegevens 2.2.1

Algemeen

Archeologische vindplaatsen zijn (punt)locaties waar (in het verleden) vondsten/waarnemingen zijn gedaan die van archeologisch belang zijn en die het mogelijk maken bepaalde uitspraken te doen over de archeologische betekenis van een locatie. Veelal betreft het een locatie waar antropogene grondsporen en al dan niet in los verband voorkomende materiële resten, zoals aardewerk, vuursteenartefacten of organische artefacten voorkomen. De aard, ouderdom, verspreiding, gaafheid en conservering hiervan kunnen worden benut om de aan- of afwezigheid van vergelijkbare maar nog onbekende resten elders in het landschap (tot op zekere hoogte) te voorspellen. Veel archeologische waarnemingen uit het verleden staan geregistreerd in een landelijke dat abase: ARCHIS (Archeologisch Informatiesysteem, de nationale archeologische databank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Buiten deze registraties zijn echter nog veel meer waarnemingen bekend en al dan niet opgenomen in collecties van heemkunde verenigingen. Ook historische bronnen geven ons informatie over plekken in het landschap waar in de afgelopen eeuwen gewoond en gewerkt werd.

Op dit moment is het, gezien het huidige maatschappelijke gezichtspunt ten aanzien van de omgang met materieel erfgoed, vanzelfsprekend om ook deze bronnen te gebruiken bij het opstellen van een verwachting ten aanzien van archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed.

2.2.2

Archeologische rijksmonumenten

Het GIS-bestand met de archeologische rijksmonumenten is geactualiseerd aan de hand van de meest recente gegevens bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Binnen de gemeente Woudenberg is één archeologisch rijksmonument aanwezig en betreft de locatie waar overblijfselen van het 14 e eeuwse versterkte huis Lichtenberg in de ondergrond aanwezig zijn. 1 Het betreffende terrein is in 1968 als rijksmonument geregistreerd.

1

Rijksmonumentnummer 46146 (https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl/monumenten/46146 )

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[8]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

2.2.3

Terreinen van archeologische waarde (TAW-gebieden)

Gebieden waarvan vaststaat dat sprake is van archeologische resten in de ondergrond, zijn op de kaartbijlagen afgebeeld als terreinen van archeologische waarde (TAW -gebieden). Het betreft de gebieden die op de voormalige Archeologische MonumentenKaart (AMK) zijn weergegeven. AMK 2terreinen zijn (veelal) gewaardeerde archeologische terreinen die samen met de archeologische rijksmonumenten op de Archeologische MonumentenKaart stonden vermeld. Deze kaart betrof een uitgave van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de provincies. De bemoeienis van Rijk en provincie met AMK-terreinen is met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) geleidelijk aan afgenomen en sinds 2015 wordt de AMK niet meer geactualiseerd. Voor huidige actualisatie is de meest recente versie van de AMK (versiedatum juli 2014) gedownload bij de RCE. Een deel van de AMK-terreinen zijn in het verleden gewaardeerd (middels booronderzoek), maar op het andere deel van de terreinen is nooit een waardering uitgevoerd. De begrenzing van d ergelijke terreinen is bepaald aan de hand van bronnen als historisch kaartmateriaal (bij historische

Akker/tuin

1

Borg/stins/versterkt huis

3

nieuwe tijd

late middeleeuwen

vroege middeleeuwen

Romeinse tijd

ijzertijd

bronstijd

neolithicum

mesolithicum

complex

totaal aantal

dorpskernen), gedetailleerde bodemkaarten (zoals bij oude woongronden) of vindplaatsgegevens.

1 1 2 1

Grafheuvel, onbepaald

6

Havezathe/ridderhofstad

1

1

Kasteel

1

1

Nederzetting, onbepaald

2

1

5

1 Tabel 1. Overzicht van aanwezige complextypen en bijbehorende perioden van de AMK -terreinen. Met getallen in een blauw vak wordt het aantal complexen weergegeven die in de betreffende periode dateren, waarbij het blauwe vlak meerdere perioden beslaat als de datering van het complex in meerdere perioden valt (voorbeeld: bij nederzettingen is 1 complex met een datering in late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd en 1 complex vallend in het mesolithicum).

De laagste categorie is ‘van archeologische waarde’ en daarnaast zijn er terreinen van ‘hoge archeologische waarde’ en van ‘zeer hoge archeologische waarde’ . De begrenzing van AMK-terreinen werd in het verleden veelal gelegd op de (kadastrale) perceelsgrenzen. Derhalve kan een AMK-terrein in omvang groter of juist kleiner zijn dan de daadwerkelijke vindplaats.

2

AMK = Archeologische MonumentenKaart

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[9]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Ten opzichte van de situatie in 2010 zijn er geen wijzigingen in de AMK -terreinen binnen de gemeente. Er is sprake van 13 AMK-terreinen, onderverdeeld in acht terreinen van archeologische waarde, vier terreinen van hoge waarde en één terrein van zeer hoge waarde. Aan elk AMK-terrein is minimaal één archeologisch complex gekoppeld, maar er kan sprake zijn van meerdere complextypen per terrein. In Woudenberg geldt voor slechts 1 AMK -terrein dat sprake is van meerdere complextypen, namelijk twee stuks en daarmee komt het totaal aantal complextypen op 14.

2.2.4

Archeologische vondstlocaties/vindplaatsen

ARCHIS Belangrijkste uitgangspunt voor de archeologische inventarisatie zijn de in ARCHIS aangemelde onderzoeken en waarnemingen. Elk in Nederland uit te voeren archeologisch onderzoek wordt in dit systeem onder een unieke numerieke code, de zaakidentificatie aangemeld (tot circa 2015 onder het oude ARCHIS2 was sprake van de term onderzoeksmeldingsnummer). Tot deze registratie horen ook geografische (toponiem, locatie) en andere administratieve gegevens (uitvoerder, uitvoeringsperiode, type onderzoek). Nadat het onderzoek is uitgevoerd en gerapporteerd/afgemeld, wordt het onderzoek in ARCHIS afgemeld. Eventueel aangetroffen archeologische resten (individuele vondsten, complextypen, etc.) worden eveneens in ARCHIS geregistreerd. Ook deze vondstmelding valt binnen ARCHIS3 onder de zaakidentificatie in combinatie met een eigen vondst -identificatie (cho_id_von). De vondstgegevens van de kaart uit 2010 zijn ongewijzigd overgenomen en aangevuld met vondstlocaties die in de afgelopen 10 jaar zijn aangetroffen tijdens arch eologisch onderzoek. De vondstlocaties zijn in het kader van deze actualisatieslag gecontroleerd op het voorkomen van onvolkomenheden en doublures. Voor elke geïnventariseerde archeologische vondstlocatie is een catalogusnummer uitgedeeld; op één vondstlocatie kunnen immers meerdere perioden en/of vindplaatstypen aanwezig zijn.

Eén vondstlocatie is voorzien van administratieve coördinaten; de exacte locatie van deze vindplaatsen is niet bekend. Alle vondlocaties/vindplaatsen zijn op kaartbijlage 2 opgenomen en van elkaar onderscheiden op begin- en einddatering (archeologische periode) en type complexgroep. In Archis staan 45 vondstlocaties geregistreerd binnen de gemeente Woudenberg, waarvan er 10 uit de periode tussen 2008 en 2020. Drie vondstlocaties zijn het resultaat van metaaldetectie door een detector-amateur, terwijl de overige vondstmeldingen zijn gedaan door archeologische bedrijven en de vondsten het resultaat zijn van archeologisch (voor)onderzoek. Periode Aantal vondstmeldingen

onbekend

1960-1970

1970-1980

1980-1990

1990-2000

2000-2010

2010-2020

6

6

7

1

3

12

10

Tabel 2. Aantal vondstmeldingen per periode van 10 jaar.

Uit tabel 2 blijkt dat met name in de afgelopen twee decennia relatief vee l vondstmeldingen zijn geregistreerd. Portable Antiquities Netherlands Naast Archis bestaat er een database waar archeologische vondsten van detector -amateurs worden geregistreerd. Dit betreft de database van Portable Antiquities Netherlands (PAN). In het kader van onderhavige inventarisatie is PAN geraadpleegd, waaruit blijkt dat tot op heden geen vondstlocaties binnen het grondgebied van gemeente Woudenberg geregistreerd staan.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[10]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

AHN-analyse Voor het gemeentelijk grondgebied zijn analyses van het Actueel Hoogtebestand Nederland (0,5 m grid) en afgeleiden van dit raster-bestand uitgevoerd. Het doel van deze analyses was om potentiele archeologische vindplaatsen te identificeren, denk hierbij aan celtic fields, grafheuvels, omgrachtingen van kasteelterreinen en dergelijke. Hoewel het AHN een zeer geschikt middel is om celtic fields in bosgebieden op te sporen, heeft de analyse geen celtic fields in de gemeente Woudenberg opgeleverd. Het is niet uitgesloten dat binnen het bosgebied celtic fields hebben gelegen, maar dat deze niet meer zichtbaar zijn doordat ze zijn afgedekt met een stuifzandpakket. Wel zijn enkele locaties geïdentificeerd waar een cirkelvormige verhoging zichtbaar is en als zodanig verdacht zijn op de aanwezigheid van een grafheuvel. Enkele van deze verhogingen bleken in het verleden aangemerkt te zijn als AMK -terrein, maar uit nader onderzoek bleken deze locaties geen grafheuvel te betreffen. Tot slot zijn in het bos bundels met karrensporen zichtbaar ; deze dateren veelal uit de late middeleeuwen of begin van de nieuwe tijd. De aanwezigheid van deze karrensporen geeft aan dat het maaiveldreliëf de laatste eeuwen niet grootschalig is verstoord. De bundels karrensporen betreffen voornamelijk cultuurhistorische elementen, terwijl de archeologische relevantie minder groot is.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[11]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Figuur 2. Bundels karrensporen evenwijdig aan de Doornseweg (N227) zoals zichtbaar op een bewerking van het Actueel Hoogtebestand Nederland.

2.2.5

Historische dorpskernen, historische elementen en verspreide historische bebouwing

Historische bronnen geven informatie over plekken in het landschap waar in de afgelopen eeuwen gewoond en gewerkt werd. Vanuit die optiek is het vanzelfsprekend dat ook deze bronnen, zoals historische kaarten, gebruikt worden bij het opstellen van archeologische waarden- en verwachtingskaarten. Aan de hand van de kadastrale minuutplans en andere kaarten uit 19 e en vroeg 20 e eeuw zijn de vanuit archeologisch oogpunt relevante locaties in kaart gebracht. Daarnaast is in 2020 een cultuurhistorische waardenkaart (CHW) voor gemeente Woudenberg vervaardigd en wordt dit jaar vastgesteld. Aan de hand van de gis-tabellen van deze CHW is de

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[12]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

begrenzing van historische elementen gecontroleerd (bewoningslinten, landgoederen ,historische bewoningslocaties e.d.) en indien nodig aangepast.

2.2.6

watergebieden

Aan de hand van diverse bronnen, waaronder top10-lijnen, maar ook historisch kaartmateriaal, de serie bonnekaarten en het kadastrale minuutplan uit 1832, zijn de watergebieden (watergangen, grachten, beeklopen, vijvers) geïnventariseerd. Het betreft de nu nog aanwezige watergebieden, maar ook gedempte watergebieden. Van alle watergebieden is vervolgens bepaald of er een archeologische relevantie geldt of niet. Zo zijn de watergebieden die in de 20 e of 21 e eeuw zijn gegraven aangeduid als ‘archeologisch niet relevant’. Sterker nog, door het graven van deze watergangen is het archeologisch relevante niveau voor landbodems verstoord. Deze watergebieden zijn dan ook als verstoring aangemerkt (zie paragraaf 2.4). Van de archeologisch relevante watergebieden is in de attribuuttabel de bron naar de historische kaart(en) waarop de ligging is gebaseerd en tevens staat vermeld of sprake is van een nu nog bestaand water of dat deze inmiddels gedempt is.

2.2.7

Militair erfgoed

Grebbelinie (tot aan Tweede Wereldoorlog) De diverse elementen van de Grebbelinie uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog zijn al tijdens het onderzoek in 2010 geïnventariseerd. Deze elementen zijn nagenoeg ongewijzigd overgenomen in de huidige kaarten. Wel is er aan de diverse (al dan niet gedempte) wateroppervlakten een watergerelateerde archeologische verwachting gekoppeld. Tweede Wereldoorlog Gelijktijdig met de actualisatie van de archeologische kaarten is door BeoBOM een gemeentedekkende inventarisatie naar Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd met als resultaat een chronologische gebeurtenissenlijst, een inventarisati ekaart, een bodembelastingkaart en begeleidend rapport. 3 De gegevens die bij deze inventarisatie door BeoBOM zijn verzameld, zijn door RAAP beoordeeld op de archeologische relevantie. Archeologisch relevante zaken zijn vervolgens meegenomen bij onderhavig onderzoek. Tevens heeft RAAP de archeologische onderzoeksrapporten bestudeerd en de WOII -gerelateerde zaken doorgespeeld aan BeoBOM zodat deze gegevens door BeoBOM k onden worden verwerkt in de bodembelastingkaart. Aan de archeologisch relevante punt- en lijnelementen op de inventarisatiekaart van BeoBOM zijn buffers toegekend. De op de kaart weergegeven vlakken zijn al begrensd en hoeven geen extra buffer te krijgen (uitgezonderd de zone van de tankgracht).

In tabel 3 is een overzicht weergegeven van de gebruikte bufferafstanden per type element en een toelichting betreft:

3

Rotteveel, 2021

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[13]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

type

aantal

Vorm

buffer

51 (lengte: 16751 m)

Lijn

10 m (weerszijden)

Bunker

1

Punt

20 m

Geschutopstelling/wapenopstellingen

76

Punt

25 m

Infrastructuur zonder geschutopstelling of munitievoorraad

2

Punt

25 m

Inslag afwerpmunitie

29

Punt

15 m

Inslag raket

20

Punt

10 m

Kazemat

119

Punt

20 m

Munitieopslag

4

Punt

15 m

Onderkomen voor personeel

2

Punt

25 m

Splitterbox

5

Punt

15 m

vliegtuigcrash

3

Punt

50 m

schijnvliegveld

1

Vlak

Geen buffer

tankgracht

1

Vlak

5m

Loopgraaf

opmerkingen

Mogelijk versperringen langs tankgracht

Tabel 3. Archeologisch relevante elementen uit de OOO-inventarisatie van BeoBOM

-

In het geval van loopgraven dient altijd rekening te worden gehouden met een verwachting op nog niet ontdekte sporen van minstens 5 m afstand vanuit het hart van de loopgraaf. Veel loopgraven zijn omgeven met mangaten – niet altijd zichtbaar – die zich tot op deze afstand van de loopgraaf kunnen bevinden (exclusief afwijking luchtfoto).Omdat veelal sprake is van een lichte afwijking van de luchtfoto dan wel de gegeorefereerde lijnen is een buffer met straal van 10 m aangehouden (en ligt tevens in lijn met de buffer die wordt aangehouden bij de bodembelastingkaart).

-

Geschutstellingen en wapenopstellingen gaan meestal gepaard met schuilplaatsen en munitieopslagplaatsen. De afstand tot het stuk van deze opslagplaatsen kan sterk variëren. Archeologisch relevante grondsporen worden verwacht tot 25 m rond de opstelplaats van het stuk geschut.

-

De locaties met munitieopslag liggen in de directe nabijheid van locaties met geschutopstellingen. Aan de munitieopslag zelf kan een vrij kleine buffer (straal van 15 m) worden aangehouden omdat de archeologische relevantie zich beperkt tot de munitieopslag zelf. In veel gevallen zal deze buffer binnen de bufferzone van een geschutstelling vallen.

-

Kazematten en bunkers zelf hebben een oppervlakte van 10 tot 20 m 2 , maar rondom deze elementen zijn archeologische resten in de vorm van bijvoorbeeld afvalkuilen met achtergelaten strijdmiddelen, munitiekisten en resten van prikkeldraadversperringen te verwachten en daarom is een buffer met straal van 20 m aangehouden.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[14]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

-

De splitterboxen 4 waren in de gemeente Woudenberg aangelegd als schuilplaats voor voertuigen. Met name binnen de omwalling zijn archeologische resten te verwachten en daarom is een relatief kleine buffer met straal van 15 m aangehouden

-

Voor vliegtuigcrashlocaties is een buffer met straal van 50 m aangehouden. Zo is de crashlocatie zelf al relatief groot en in de directe omgeving van de crash kunnen res ten te verwachten zijn met name in afvalkuilen.

-

Kraters van afwerpmunitie, raketten of V-wapens variëren sterk in omvang, waarbij de kraters van raketten minder omvangrijk zijn dan die van afwerpmunitie en V -wapens. Met name kraters in het buitengebied zullen weinig of geen archeologische relevantie hebben. De kraters die in meer bewoond gebied lagen (en kraters direct langs wegen) kunnen tijdens (of direct na) de oorlog volgestort zijn met allerlei afval en daarmee archeologisch relevant zijn. Voor verwerking van deze gegevens op de verwachtingenkaart is derhalve een selectie gemaakt van kraters met mogelijke archeologische relevantie (buffer toegekend) en kraters met vermoedelijk geen archeologische relevantie (geen buffer). De straal van de gebruikte buffer is afhankelijk van het type inslag.

-

De tankgracht en het schijnvliegveld worden in het GIS aangegeven met een vlak. De verwachting voor deze sporen geldt binnen de begrenzing van dit aangegeven vlak. Daarnaast geldt ook voor een zone van 5 m aan wee rszijden van de tankgracht een verwachting voor WOII-resten. In deze zone kunnen prikkeldraadversperringen hebben gelegen.

Voor alle gegraven stellingen uit de Tweede Wereldoorlog geldt een verwachting op achtergelaten of gedumpt materiaal. Als locaties als stellingen gebruikt zijn voor gevecht geldt een verwachting op achtergelaten strijdmiddelen, zoals wapens, munitie, uitrusting en voorraden. Daarnaast zijn gegraven stellingen na de oorlog vaak gebruikt als dumpplek voor overbodig geworden oorlogsmateria al, of puin en interieur uit verwoeste (civiele) bebouwing. In grondsporen van al deze structuren kunnen resten worden aangetroffen van constructiemateriaal, uitrustingstukken en verpakkingsmateriaal voor munitie. Ook kunnen resten van prikkeldraadversperringen bij het opruimen na de oorlog in stellingen, mangaten en loopgraven zijn gedumpt. Ook hier geldt dat bruikbare voorwerpen en bruikbaar constructiemateriaal na de oorlog verwijderd zullen zijn. Bij de OO-inventarisatie zijn ook diverse locaties geregi streerd die betrekking hebben op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de Tweede Wereldoorlog en waarvan de bron literatuur betreft. In de chronologische gebeurtenissenlijst van BeoB OM worden deze gebeurtenissen beschreven en betreffen beschrijvingen van onder andere bombardementen door vliegtuigen. Aan deze gebeurtenissen kan geen archeologische betekenis worden gegeven omdat de exacte locatie niet bekend is.

In het geval van een bombardement zijn de daadwerkelijk op luchtfoto’s geïdentificeerde bomkraters wel archeologisch relevant. Ook andere zaken als schademeldingen, troepenbewegingen en een melding van een locatie dat getroffen is door artilleriebeschieting zijn archeologisch niet relevant. In tabel 4 wordt een overzicht gegeven van de verschillende type zaken die niet op de archeologische kaart zijn overgenomen.

4

Aarden wal, veelal in hoefijzervorm waarbinnen voertuigen of vliegtuigen gecamoufleerd konden gestald en zo te beschermen tegen bombardementen.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[15]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Type

Type-gisbestand

Opmerking

Mijnenveld

Vlak

Geen archeologische relevantie

Bombardement

Punt

Globale locatie van bepaalde bombardementen

Beschieting met boordgeschut

Punt

Uit literatuur

Inslag geschutmunitie

Punt

Geen archeologische relevantie

Locatie getroffen door artilleriebeschieting

Punt

Uit literatuur

munitievondst

Punt

Locatie veelal slechts i bekend

raketbeschieting

Punt

Uit literatuur

schademelding

Punt

Uit literatuur

troepenbeweging

Punt

Uit literatuur

Veldgraf (indicatief)

Punt

Geborgen in 1940; locatie is indicatief

Tabel 4. Overzicht met zaken die door het ontbreken van een archeologische relevantie niet op de archeologische kaart zijn overgenomen.

Binnen de gemeente zijn op basis van de bestudeerde bronnen (op de tankgracht na) geen elementen herkend die wel een archeologische relevantie bezitten, maar waaraan geen OO-relevantie kan worden toegekend zoals locaties met (weg)versperringen of werkkampen .

2.2.8

Archeologische onderzoeken

De begrenzing van uitgevoerde archeologische onderzoeken is op de verwachtingenkaart weergegeven. Het doel hiervan op deze kaart is vooral signalerend, om te laten zien dat het archeologisch onderzoekstraject op deze locaties al is gestart. In diverse geva llen is het onderzoekstraject ook al afgerond. Dit kan worden achterhaald door de onderzoeksrapportage(s) te bestuderen en/of (archeologisch adviseur van) de gemeente te raadplegen. Archeologische onderzoeken zijn tevens relevant voor de beleidskaart (zie hoofdstuk 5). Er heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de archeologische rapporten die in de periode na de bestaande verwachtingskaart zijn verschenen, kortom de periode 2010 tot 2020. In deze rapporten zijn zaken bestudeerd die relevant zijn voor de onderhavige actualisatie. Dit betreft zaken met betrekking tot de ondergrond, maar ook archeologische en historische gegevens. Bovendien zijn in de GIS -tabel de adviezen, zoals beschreven in de rapporten, vastgelegd, met name informatie of vervolgonderzoe k wel of niet nodig werd geacht. Een analyse van het aantal onderzoeken laat zien dat verreweg het grootste deel van de uitgevoerde onderzoeken een eerste fase van archeologisch onderzoek betreft, namelijk een bureauonderzoek en booronderzoek (tabel 5). Ook bij deze onderzoeken wordt (procentueel gezien) het vaakst een vervolgonderzoek geadviseerd.

Daarnaast valt op dat in lang niet alle gevallen waar een vervolgonderzoek is geadviseerd er ook daadwerkelijk een vervolgonderzoek is uitgevoerd. Mogelijk heeft op deze locaties planaanpassing plaatsgevonden (waardoor ve rvolgonderzoek niet meer nodig was) of zijn de plannen tot op heden niet uitgevoerd. Een overzicht met allen onderzoeken, adviezen en overige informatie is weergegeven in bijlage 2.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[16]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Type onderzoek

Totaal

Rapport nog

Advies:

Advies:

Vervolg

niet

Geen vervolg

Wel vervolg

uitgevoerd

beschikbaar bureauonderzoek

30

6

8

16 5

12

booronderzoek

35

5

15

15

5

proefsleuven

7

1

4

2

1

opgraving

1

1

begeleiding

5

1 3

2

1

Tabel 5. Adviezen per onderzoekstype voor de onderzoeken die tussen 2008 en september 2020 zijn uitgevoerd. Tevens is aangegeven of vervolgonderzoek is geadviseerd/uitgevoerd. Een overzicht met alle onderzoeken is weergegeven in bijlage 2.

Van de recent uitgevoerde onderzoeken is nog geen rapport beschikbaar ten tijde van de inventarisatie. Bij opgravingen kan het door specialistisch onderzoek en analyse van monsters wel tot twee jaar na het veldwerk duren voordat de rapportage is afgerond. De opgraving betreft een onderzoek dat in 2019 is uitgevoerd in plan Hoevelaar fase 1. Proefsleuvenonderzoeken zijn uitgevoerd op een nieuwbouwlocatie aan de Voorstraat, Rozensingel en omgeving, Hoevelaar (fase 1), Stationsweg Oost en in de Spoorzone. De begeleidingen hebben plaatsgevonden bij de Spoorzone, Voorstraat (2 locaties), Brinkkanterweg en bij de Post van Lambalgen,

Naast deze, in ARCHIS aangemelde, onderzoeken is in de periode 2010/2013 een onderzoek uitgevoerd naar bodemverstoringen op agrarische percelen ( Kroes & Kloosterman, 2013). Eigenaren en gebruikers van percelen in de gemeente Woudenberg zijn door de gemeente in de gelegenheid gesteld voor hun percelen een diepere vrijstellingsdiepte aan te vragen in het kader van het aanlegvergunningenstelsel archeologie. In totaal 26 aanvragen van eigenaren en gebruikers van percelen in de gemeente Woudenberg zijn in behandeling genomen, betreff ende 137 percelen en voor 95 van deze percelen is (op basis van bewijsstukken, al dan niet in combinatie met grondboringen) een diepere vrijstellingsdiepte vastgesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in huidige beleidskaart (zie paragraaf 4.4).

2.3 Actualiseren van de landschappelijke eenheden en verwachtingszones Bij de vervaardiging van de verwachtingenkaart in 2010 is de ondergrond gekarteerd aan de hand van diverse bronnen als de landelijk vervaardigde geomorfologische kaart en bodemkaart (schaal 1:50.000) en zijn de grenzen van de verschillende zones verfijnd aan de hand van het Actueel Ho ogtebestand Nederland (versie 1; 5x5 m grid). Bij de huidige actualisatie is het ondergrondbestand uit 2010 als basis genomen en is met name het veel gedetailleerdere AHN3 (0,5x0,5 m grid) gebruikt om een

5

Dit aantal is enigszins subjectief. Enkele archeologische bedrijven melden bij een gecombi neerd bureau- en verkennend booronderzoek beide onderzoekstypen apart aan in ARCHIS, waardoor het aantal vervolgonderzoeken na een bureauonderzoek hoger uitvalt.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[17]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

verfijning aan te brengen in het ondergrondmodel. Tevens is enkele jaren geleden de geomorfologische kaart bijgewerkt en is ook deze nieuwe versie van de geomorfologische kaart gebruikt. Daarnaast zijn de bonnekaarten uit 19 e en 20 e eeuw gebruikt, evenals de resultaten van uitgevoerd archeologisch (voor)onderzoek. De belangrijkste wijzigingen zijn: -

Het stuwwalgebied: Er is meer detail aangebracht in de diverse zones. Zo zijn diverse kopjes geclassificeerd en ook zones met stuifzand gekarteerd.

-

Westelijk van de stuwwal is een zone aangeduid als smeltwatervlakte (sandr) en kenmerkt zich door de textuur van de ondergrond: grof zand en grind.

-

Oostelijk van de stuwwal is een gebied aangeduid als gordeldekzandgebied, waarin welvingen en ruggen aanwezig zijn. Door het gebruik van de term gordeldekzand wordt beter aangesloten op het gegeven dat dit dekzand als het ware als een gordel langs de stuwwal ligt en deze terminologie sluit bovendien aan bij het gebruik op de geomorfologische kaart

-

In het gebied met dekzandafzettingen zijn enkele dekzandruggen gekarteerd die eerder niet als zodanig op de kaart stonden. Ook zijn er enkele gebieden te duiden waar sprake is van dekzandwelvingen (in plaats van dekzandvlakte).

2.4 Inventarisatie van bodemverstoringen De inventarisatie vond plaats aan de hand van de volgende bronnen: 

De bestaande archeologische verwachtingskaart. Op de bestaande kaart waren bodemverstoringen opgenomen die zichtbaar waren op het AHN(1) en van de geomorfol ogische kaart (schaal 1:50.000);

De in 2013 uitgevoerde inventarisatie inzake bodemverstoringen op agrarische percelen (Kroes & Kloosterman, 2013);

De verstoringsbronnenkaart van de RCE (https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart ); De hier vermelde bronnen zijn geraadpleegd;

 Het bestand ‘vergraven gronden’ van Alterra (met name de waarden delfstoffen, transportleidingen, verwerkingen uit de attribuuttabel);  De in 20 e dan wel 21 e gegraven watergangen en vijvers. De bronnen hiervoor zijn het top10vectorbestand en historisch topografische kaarten (met name historische kaart uit omstreeks 1950);  Bodemverstoringen die zijn geïdentificeerd aan de hand van het AHN3 (0,5 m gri d) evenals verstoringen op perceelsniveau van de afgelopen 10 tot 15 jaar door het combineren van de gegevens van AHN1 (inwinjaar 2003) en AHN3 (inwinjaar 2015) middels een GIS -calculatie (AHN1 min AHN3);  Gegevens met betrekking tot bodemsaneringen van de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht waar ook de gemeentelijke informatie met betrekking tot bodemsaneringen is ondergebracht ;  Bodemloket: de op bodemloket.nl weergegeven saneringslocaties zijn niet gebruikt aangezien de weergegeven informatie niet betrouwbaar is (deze onbetrouwbaarheid bleek o.a. bij de actualisatie van de verwachtingenkaart van gemeente Veenendaal);

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[18]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

De bodemverstoringen zijn gecategoriseerd in enerzijds ophogingen en anderzijds afgravingen, bodemsaneringen, egalisaties, vergravingen en verstoringen. Het totale oppervlak aan bodemverstoringen bedraagt 479 hectare (tabel 6). Let wel, op een locatie kan sprake zijn van meerdere bodemverstoringen (bijvoorbeeld zowel ophoging van een perceel als verstoring onder een deel van het perceel waar een transportleiding ligt.

Type verstoring

Oppervlakte (hectare)

Afgegraven

48

Bodemsanering

3

Geëgaliseerd

5

Opgehoogd

88

Vergraven

261

Verstoord

73

Tabel 6. Oppervlakte aan bodemverstoringen, onderverdeeld naar type verstoringen.

In de GIS-tabel met bodemverstoringen staat het type verstoring geregistreerd, de bron en, indien bekend, tot hoe diep de bodem verstoord is. In de meeste situaties is de diepte niet bekend en zal aan de hand van een bronnenonderzoek (bijvoorbeeld het raadplegen van een saneringsrapport) de exacte diepte (en omvang) van de bodemverstoring moeten worden bepaald.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[19]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

3 Het archeologisch verwachtingsmodel 3.1 Inleiding De verwachtingenkaart geeft door middel van vlakken (verwachtingszones) vlakdekkend inzicht in de archeologische verwachtingen voor de gemeente. De basis voor een archeologische verwachtingenkaart is een archeologisch verwachtingsmodel. Een archeologisch verwachtingsmodel doet een uitspraak over de meest waarschijnlijke locaties voor bewoning van (pre -)historische samenlevingen. In de regel betreft het kampementen van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum (en deels Neolithicum) en nederzettingen van landbouwende gemeenschappen (‘landbouwers’) uit het Neolithicum tot en met de middeleeuwen. Het model kan gebaseerd zijn op kwantitatieve gegevens (een zogenaamd inductieve benadering: bijv. veel bekende vindplaatsen van landbouwers liggen onder plaggendekken en dus krijgen alle enkeerdgronden een hoge archeologische verwachting), terwijl er ook verwachtingsmodellen bestaan die sterk leunen op een hypothetische benadering (een zogenaamde deductieve benadering: bijv. aangenomen mag worden dat jagerverzamelaars liever in de buurt van nat-drooggradiënten bivakkeerden en dus krijgen dergelijke gradiëntzones langs waterlopen een hoge archeologisc he verwachting). In de praktijk treedt bij veel archeologische verwachtingsmodellen menging op van aannamen die zowel een inductieve als een deductieve onderbouwing hebben.

Gesproken wordt dan wel van een hybridemodel. Voor het opstellen van het verwachtingsmodel voor onderhavig onderzoek is gebruik gemaakt van een dergelijk hybridemodel. Een voorbeeld van een uitgewerkt verwachtingsmodel is het verwachtingsmodel dat is opgesteld ten behoeve van de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW; Deeben, 2008). De archeologische informatie die voor de IKAW is gebruikt bestaat uit een selectie van ARCHIS-gegevens. De geo- (of cartografische) achtergrondinformatie van de IKAW betreft voor Pleistoceen Nederland de bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. De verwachtingen op de IKAW zijn per archeoregio gebaseerd op kwantitatieve gegevens over locatiekeuzefactoren die op hun beurt weer gebaseerd zijn op economische motieven (Deeben, 2008). De IKAW geeft uitsluitend informatie over het kwantitatieve aspect van het bodemarchief en doet geen uitspraak over het kwalitatieve aspect (gaafheid, conservering, waarde) van eventueel aanwezige vindplaatsen. Op zowel de IKAW als de hier gepresenteerde verwachtingenkaart en het -model betekent een hoge, lage of middelhoge kans op het aantreffen van archeologische resten dat verwacht wordt dat de relatieve dichtheid aan archeologische verschijnselen groot, klein of daar tussenin is.

Archeologische verwachtingsmodellen zijn in hoge mate gebaseerd op kennis over locatiekeuzefactoren van mensen door de tijd heen in een bepaald landschap. Tot op heden maken archeologische verwachtingsmodellen voornamelijk gebruik van locatiekeuzefactoren die gebaseerd zijn op economische motieven. Over andere, zoals politieke, religieuze en sociale motieven is tot dusver zo weinig bekend, dat ze niet gebruikt kunnen worden bij het opstellen van verwachtingsmodellen. Economische motieven hebben in hoofdzaak betrekking op de fysieke mogelijkheden en beperkingen van het landschap waarin men leefde. Deze kunnen op relatief eenvoudige wijze worden herleid door bestudering van het paleolandschap en de landschappelijke parameters daarbinnen. Algemeen geaccepteerd en aangenomen wordt dat ten behoeve van het

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[20]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

opstellen van een verwachtingsmodel aan vergelijkbare landschappelijke eenheden een vergelijkbare verwachting mag worden gekoppeld. De relatief kleine hoeveelheid archeologische vondstlocaties binnen de gemeente laat het niet toe een statistische relatie tussen het landschap en de vindplaatsen te geven. Wel zijn in de grotere regio (de Gelderse Vallei en Utrechtse Heuvelrug) aanzienlijk meer vindplaatsen bekend, resulterend in een algemeen verwachtingsmodel voor de regio waarbij algemeen geldende relaties tussen locatiekeuze en landschappelijke ligging te gebruiken zijn.

3.2 Het verwachtingsmodel 3.2.1

Het stuwwallenlandschap

Stuwwalplateaus Het hoogste deel van het stuwwallenlandschap bestaat uit een aantal licht glooiende, hooggelegen stuwwalplateaus (code SWpl), al dan niet met een uitstekende kop (code SWkp). De stuwwalplateaus zijn relatief vlak en kenmerken zich door hellingen van 0 tot 2%. De stuwwalplateaus en hoge toppen bestaan hoofdzakelijk uit dagzomende opgestuwde grindlagen van fossiele rivierbeddingen van de Rijn. Het gaat om grindrijke, mineralogisch relatief rijke, bruine zanden. In bodemkundig opzicht kenmerken deze zanden zich door het voorkomen van grindrijke, dunne moderpodzolen en haarpodzolgronden. Gebieden met moderpodzolen hebben een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en hebbe n hiermee vanaf het Neolithicum aantrekkelijke vestigingslocaties gevormd voor landbouwers. In het algemeen worden de gebieden met moderpodzolen gekenmerkt door een hoge dichtheid aan vindplaatsen uit meerdere perioden. Uit een GIS-analyse, die is uitgevoerd voor de hele Veluwe in het kader van de CHW-Gelderland, blijkt dat de bekende vindplaatsen op het stuwwalplateau vooral aanwezig zijn in gebieden met bruine zanden en aan de (randen van de) stuwwalplateaus.

Archeologische verwachting In tegenstelling tot wat verwacht zou mogen worden zijn op de stuwwalplateaus in de gemeente nauwelijks archeologische vindplaatsen van landbouwers bekend. Vermoedelijk is (was) de hydrologische gesteldheid (te droog) een belangrijke beperkende factor voor de geschiktheid van deze landschappelijke eenheid ten aanzien van vestiging door landbouwers. Voor de stuwwalplateaus geldt dan ook een middelhoge archeologische verwachting voor deze periode. Voor vindplaatsen van jager verzamelaars, voor wie reliëf als een belangrijke locatiekeuzefactor geldt, geldt voor de stuwwalplateaus een hoge archeologische verwachting. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor (gemiddeld 30 cm -mv) te verwachten, tenzij er sprake is van een stuifzand of plaggendek.

Stuwwalglooiingen, flauwe hellingen en steile hellingen De stuwwal van Utrechtse Heuvelrug is ter hoogte van het westelijke deel van Woudenberg reliëfrijk. Er is sprake van een groot aantal meer of minder steile hellingen, die voornamelijk het gevolg zijn v an hellingprocessen en smeltwatererosie tijdens zowel het Saalien als Weichselien. Er zijn voor het archeologisch verwachtingsmodel glooiingen (code SWgl, hellingklasse 2 -5%) en flauwe hellingen (code SWhe, hellingklasse 5-10%) onderscheiden, waar binnen deze zones nog koppen kunnen

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[21]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

voorkomen (resp. code SWkg en SWkh). In bodemkundige zin zijn de hellingen tamelijk heterogeen en worden hoofdzakelijk gekenmerkt door grofzandige en grindrijke afzettingen met een zeer diepe grondwaterstand (grondwatertrap VII) waarin moderpodzolen en haarpodzolgronden zijn ontstaan.

Archeolandschappelijke eenheid Hoofdlandschap

Archeologische verwachting

Subeenheid

Jagers-

Landbouwers

verzamelaars Stuwwallandschap

plateaus (helling < 2%)

(SWpl)

hoog

middel

Plateaus met kop

(SWkp)

hoog

middel

Glooiend (helling 2-5%)

(SWgl)

middel

middel

Glooiend met kop

(SWkg)

middel

middel

Hellend (helling 5-10%)

(SWhe)

laag

middel

Hellend met kop

(SWkh)

laag

middel

Erosie-/droogdal

(D)

middel

middel

Smeltwaterwaaiervlakte

(SVvl)

laag

laag

(SVru)

Laag

laag

Daluitspoelingswaaier (fijnzandig)

(SWfh)

middel

middel

Kop op rug

(EHhk)

hoog

hoog

Rug

(EHru)

hoog

hoog

Flank, hooggelegen

(EHfl)

middel

middel

Kopje

(ELlk)

hoog

middel

Welvingen

(ELwe)

middel

laag

Vlakte

(ELvl)

laag

laag

Beekdal

(ELbk)

laag

laag

Beekdal grenzend aan dekzandrug (ELbr)

Middel

middel

Depressie

laag

laag

geen

geen

(grofzandig) Smeltwaterwaaiervlakte met stuifof dekzandkop

Dekzandlandschap

Overig

(ELdp)

Water (in 20 e /21 e eeuw aangelegd) (Xw)

Tabel 7. Archeologische verwachting per archeolandschappelijke eenheid.

Archeologische verwachting Voor het bepalen van de archeologische verwachting is ervan uitgegaan dat in gebieden met glooiingen bewoning mogelijk was en dat hier in principe archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen. Wel was de verwachting dat als gevolg van het reliëf de kans op aanwezigheid van archeologische resten

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[22]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

minder hoog zou zijn dan voor de plateaus. Om deze reden geldt ten aanzien van vindplaatsen van jagers-verzamelaars respectievelijk een middelhoge en lage archeologische verwachting voor gebieden met glooiingen (2-5%) en flauwe hellingen (5-10%). Voor vindplaatsen van landbouwers geldt voor beide eenheden een middelhoge archeologische verwachting. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een stuifzand - of plaggendek. Het is opvallend dat in het stuwwallandschap juist meer vindplaatsen bekend zijn in gebieden die zich kenmerken door glooiingen en flauwe hellingen dan op de plateaus. Alhoewel een groot deel van de bekende archeologische vindplaatsen op de glooiingen en flauwe hellingen (en de uitspoelingswaaier) uit grafheuvels bestaat, is toch besloten de middelhoge archeologische verwachting te handhaven. Voor zover bekend en onderzocht, lagen grafvelden uit de periode Neolithicum t/m Late Bronstijd meestal in de directe nabijheid van nederzettingsterreinen. In verschillende onderzoeken wordt geconcludeerd dat grafheuvels in het algemeen op korte afstand van nederzettingsterreinen zijn aangelegd (Houkes & Mittendorp, 1996; Fontijn & Bourgeois, 2006).

Hierdoor kan aan grafheuvelwaarnemingen een zekere voorspellende waarde worden toegekend wanneer het g aat om de ruimtelijke verspreiding van (nog onbekende) nederzettingsterreinen. De aanwezigheid van relatief veel geïsoleerde grafheuvels zonder bekende nabijgelegen bewoningsresten op de stuwwallen is in dit verband opmerkelijk en vraagt nog om een nadere verklaring.

Erosie- en droogdalen De hellingen van de stuwwal zijn in de ijstijden sterk geërodeerd en versneden. Tijdens dit proces zijn rondom de plateaus tientallen (nu) droge dalen of erosiedalen ontstaan (code D) die in omvang en lengte sterk kunnen variëren. Deze dalen zijn nadien weer deels opgevuld met zandige löss, dekzand, hellingafzettingen en stuifzand. De droogdalen in de omgeving van Woudenberg zijn relatief gering van omvang.

Archeologische verwachting In de luwte van de hoge stuwwalplateaus zijn in de dalen dekzanden afgezet die redelijk geschikt waren voor landbouw, of de hellingen en dalbodems zijn afgedekt door (verspoeld) dekzand. De gunstige bodemkundige eigenschappen voor de prehistorische landbouw, de aanwezigheid van (stromend) water en de landschappelijke gradiënten hebben vanaf het Neolithicum een sterke aantrekkingskracht gehad op landbouwgemeenschappen. Dit bleek bijvoorbeeld voor d e gemeente Apeldoorn (Willemse, 2006). Voor (de bodems van) de erosie - en droogdalen geldt een middelhoge archeologische verwachting voor zowel vindplaatsen van jagers -verzamelaars als landbouwers. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een stuifzand- of plaggendek.

Smeltwatervlakte In het westelijke deel van de gemeente, westelijk van de stuwwal bevindt zich een smeltwatervlakte (SVvl), bestaande uit grof zand. Dergelijke vlaktes zijn ontstaan doordat smeltend water afkomstig van de gletsjer achter de stuwwal veel zand en grind meevoerde, resulterend in een dik pakket (grof) zand en grind. Dit materiaal is vervolgens een de zuid- en westzijde van de stuwwal afgezet. Dergelijke

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[23]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

smeltwatervlaktes worden ook wel ‘sandr’ genoemd. Over het algemeen kenmerken smeltwatervlaktes zich door de aanwezigheid van een haarpodzolgrond en hebben een diepe grondwaterstand. Binnen de smeltwatervlakte komen enkele zones voor waar de vlakte is afgedekt met e en dekzand- of stuifzandrug (code SVru).

Archeologische verwachting De archeologische verwachting voor de smeltwatervlakte is laag voor zowel jagers-verzamelaars als voor landbouwers. De grofzandige ondergrond in combinatie met een (zeer) lage grondwaters tand zorgen er voor dat deze zone niet of nauwelijks geschikt is voor landbouw. Ook ontbreekt stromend water. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een afdekkend stuifzand- of dekzandpakket.

Daluitspoelingswaaiers Het landschap van de daluitspoelingswaaiers (code SW) vormt een tamelijk homogeen landschap, binnen het gebied is slechts 1 subeenheid onderscheiden. Het betreft een zone van helling - en (sneeuw)smeltwaterafzettingen aan de oostelijke voet van de Utrechtse Heuvelrug. De afzettingen zijn voornamelijk afgedekt met leemarm en zwak lemig, fijn dekzand. In bodemkundig opzicht zijn het meestal mineralogisch armere humuspodzolen.

Archeologische verwachting De archeologische verwachting voor de daluitspoelingswaaiers is hoog voor zowel jagers -verzamelaars als voor landbouwers. Met name uit de periode Neolithicum -Romeinse tijd zijn verscheidene vindplaatsen bekend. Dit betreft voor het merendeel grafheuvels, er zijn hier ook enkele v indplaatsen van jagers-verzamelaars gevonden. Buiten de gemeente bevinden zich in vergelijkbare zones (evenals aan de voet van de stuwwal) celtic fields en moet ook bewoning in deze zones hebben plaatsgevonden. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een stuifzand- of plaggendek.

Gordeldekzandruggen, -welvingen en -vlakten Binnen het stuwwalgebied ligt een zone met gordeldekzanden, die als een gordel om de stuwwallen ligt. Binnen dit landschap zijn overwegend gordeldekzandruggen (code EGru), -welvingen (code EGwe) en –vlakten (code EGvl) gekarteerd. Het betreft hoofdzakelijk hoog opgestoven ruggen en koppen van jong dekzand uit het Laat Glaciaal die één tot enkele meters boven hun omgeving uitsteken. Vanwege de hoge ligging en zandige bodemgesteldheid zijn ze goed ontwaterd. Bodemkundig gezien kenmerken ze zich door hoge enkeerdgronden, veldpodzolen en laarpodzolen (veldpodzolen met cultuurdek). Gedurende het Holoceen is de morfologie van het gordeldekzandlandschap door de eroderende werking van beken en ingrijpen van de mens (ophogen met plaggendekken) nog enigszins gewijzigd.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[24]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Archeologische verwachting De gordeldekzandruggen (codes EGru) hebben een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars en eveneens een hoge verwachting voor landbouwers. Voor de gordeldekzandwelvingen (code EGwe) geldt een middelhoge archeologische verwachting voor jager verzamelaars en een middelhoge archeologische verwachting ten aanzien van vindplaatsen van landbouwers. Voor de gordeldekzandvlakten (code EGvl) geldt een middelhoge verwachting voor jager verzamelaars en een lage verwachting voor de periode van de landbouwers.

3.2.2

Het dekzandlandschap van de Gelderse Vallei

Inleiding De Gelderse Vallei wordt gekenmerkt door een golvend dekzandlandschap d at op grond van hoogteligging en reliëf in verschillende landschappelijke eenheden is onderscheiden. Het dekzandlandschap van de Gelderse Vallei vertoont een duidelijke gradiënt, een helling, va n circa 2,5 m +NAP aan de voet van de stuwwal ter hoogte van Woudenberg, circa 5,5 m +NAP langs de oostelijke grens van gemeente tot circa 35 m +NAP in het oosten van de Gelderse Vallei (in de gemeente Barneveld). Binnen het dekzandlandschap van de Gelderse Vallei kan onderscheid gemaakt worden in vier landschappelijke eenheden of bodemgeografische gebieden met een archeologische betekenis: - dekzandruggen en/of –koppen met en zonder plaggendek; - dekzandwelvingen, flanken van dekzandruggen en kleine, geïs oleerde dekzandkopjes; - dekzandvlakten of –laagten; - beekdalen en dalvormige laagten. Dekzandkoppen en –ruggen met en zonder plaggendek Op de verwachtingskaart is binnen de landschappelijke eenheid van dekzandruggen (code EHru) of – koppen (code EHhk) onderscheid gemaakt in relatief hoge dekzandruggen of –koppen, dekzandruggen of –koppen met plaggendek en dekzandruggen of –koppen zonder plaggendek. Het betreft de voor de archeologie belangrijkste landschappelijke eenheid binnen het dekzandlandschap. Het g aat om gebieden waarbinnen sinds het Laat Glaciaal herhaaldelijk bewoning heeft plaatsgevonden.

Hierdoor is deze landschappelijke eenheid rijk aan archeologische resten. Bij de verspreiding van dekzandruggen of –koppen binnen de Gelderse Vallei gaat het hoofdzakelijk om hoog opgestoven ruggen of koppen van jong dekzand uit het Laat Glaciaal. Ze verheffen zich over het algemeen één tot enkele meters boven hun omgeving. Vanwege hun hoge ligging en zandige bodemgesteldheid zijn ze goed ontwaterd (over het alg emeen grondwatertrap VI en VII). Bodemkundig gezien kenmerken ze zich door hoge enkeerdgronden, veldpodzolen en laarpodzolen (veldpodzolen met cultuurdek). Over het algemeen is sprake van langgerekte, west -oost georiënteerde (paraboolvormige) ruggen die in veel gevallen grenzen aan dalvormige laagten. De basis van dit patroon van ruggen en dalen ligt in het Laat Weichselien, waarbij door uitstuiving van de dalen in aangrenzende zones zandruggen worden opgestoven. In het Holoceen wordt de morfologie van de r uggen en dalen door de eroderende werking van beken nog enigszins gewijzigd.

RAAP-rapport 4905 / versie 29-10-2021

[25]

Actualisatie archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente W oudenberg

Vanwege hun goede ontwatering en ligging langs beekdalen/depressies zijn in de Middeleeuwen en nieuwe tijd op veel dekzandruggen en -koppen enkeerdgronden gevormd. Deze gronden worden in de regio aangeduid met de term es (elders ook wel met de term eng of enk). Het ontstaan van enkeerdgronden is in veel gevallen het resultaat van een eeuwenlange intensieve bemesting. Over het algemeen wordt aangenomen dat de mest voornamelijk best ond uit materiaal dat via het potstalsysteem werd verkregen. Dit materiaal kon bestaan uit een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel, heideplaggen en zand. Het resultaat is een soms meer dan één meter dikke humeuze bovenlaag. Archeologische verwachting De dekzandkoppen of -ruggen hebben een hoge archeologische verwachting en vormen daarmee in archeologisch opzicht de belangrijkste landschappelijke eenheid binnen het dekzandlandschap. De meerderheid van de bekende archeologische vindplaatsen i n het dekzandlandschap ligt op een dekzandkop of -rug. De variatie van de in deze landschappelijke eenheid aanwezige archeologische resten is groot. Het gaat hierbij om resten uit vrijwel alle archeologische perioden van het Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Archeologische resten zijn over het algemeen direct onder de bouwvoor te verwachten, tenzij er sprake is van een plaggendek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1678/documents/35048