CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

03g. Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 30 juni 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken13.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

28

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht (artikel 1.11 Wnb), zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. Toets Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een speciale beschermingszone (Natura 2000 gebied) uit de Habitat- of de Vogelrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is 'Veluwe' (zie afbeelding 13). Dit gebied ligt op ruime afstand (circa 10km) zodat significant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. Op dit onderwerp wordt verderop in deze paragraaf nader ingegaan.

Afbeelding 13: Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied Bron: www.natura2000.nl De Provincie Utrecht heeft in haar Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening uitwerking gegeven aan het Natuurnetwerk Nederland. Nieuwe projecten, plannen of handelingen in NNN zijn niet toegestaan indien deze de wezenlijke waarden en/of kenmerken van NNN aantasten, tot oppervlakteverlies van NNN leiden of de robuuste samenhang wezenlijk (negatief) beïnvloeden, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Dit principe wordt het 'nee, tenzij beginsel' genoemd. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN (zie afbeelding 14). Het 'nee, tenzij – beginsel' is daarom niet van toepassing.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

29

Afbeelding 14: Natuurnetwerk Nederland – Provincie Utrecht Bron: Provinciale Ruimtelijke Verordening Utrecht Omdat de percelen Klein Moorst 3 en 5 grenzen aan de provincie Gelderland is in afbeelding 15 ook een uitsnede van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (december 2018) opgenomen. Hieruit blijkt dat het perceel grenst aan de Groene Ontwikkelingszone.

30

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 15: Natuurnetwerk Nederland – Gelderland Bron: Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (december 2018) Voor dit project is het uitvoeren van een 'Nee, tenzij'-toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN (inclusief Groene Ontwikkelingszone) ligt. Gebiedsbescherming: berekening stikstofdepositie In aanvulling op het voorgaande is van belang dat de bouw en het gebruik van de kleine woning uitstoot van stikstof tot gevolg kan hebben. Vooral in natuurgebieden kan stikstofdepositie een probleem zijn, omdat hierdoor de bodem rijk wordt aan voedingsstoffen waardoor de biodiversiteit afneemt. Wanneer blijkt dat de activiteiten meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdragen aan de stikstofdepositie op (naderend) overbelaste stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden, is er sprake van een in potentie significant effect waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Per 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Door het in werking treden van deze wet (en bijbehorende besluit en regeling) worden gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaakt door bouwactiviteiten (aanlegfase) buiten beschouwing gelaten voor plannen en projecten. Door het in werking treden van de Wsn, bijbehorende besluit en regeling is het vanaf 1 juli 2021 niet meer vereist om de aanlegfase in beeld te brengen.

Ook zijn significant negatieve effecten als gevolg van de sloop- en bouwactiviteiten (aanlegfase) uitgesloten. De bijdrage aan de stikstofdepositie van de kleine woning in de gebruiksfase is berekend met de vigerende versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator (versie 2020) (Adviesbureau Haver Droeze, Onderzoek stikstofdepositie, 8 september 2021, zie bijlage 5). Met het rekenmodel is geen bijdrage berekend op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de bouw en het gebruik van de kleine woning. Er is daarmee voor het aspect stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

31

Soortenbescherming In het kader van de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet Natuurbescherming is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van het plan voor beschermde soorten (Viridis, Quickscan Wet natuurbescherming Klein Moorst 3, 25 november 2021, zie bijlage 6). Literatuur- en veldonderzoek heeft uitgewezen dat er géén verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn in de te slopen opstallen. Er zijn enkele sporen van steenuil aangetroffen in de open schuur. Er zijn echter geen nestlocaties aangetroffen. Het is niet aannemelijk dat de schuur een vaste rust- of verblijfplaats is van een steenuil. De schuur wordt mogelijk enkel sporadisch gebruikt. De sloop van deze schuur zal geen negatieve effecten hebben op de gunstige staat van instandhouding van de steenuil. De eigenaar is tevens voornemens een ecologische plus toe te voegen bij de nieuwbouw in de vorm van vleermuis- en steenuilkasten. Voor de vleermuis kan de kast op de nieuwe woning of op de gevel van de boerderij worden geplaatst. Voor de steenuil kan de kast worden geplaatst op de achtergevel van de boerderij of in het nabij gelegen bos (indien mogelijk). Tijdens werkzaamheden dient er rekening te worden gehouden met mitigerende maatregelen omtrent de algemene broedvogels.

Daarnaast moet de zorgplicht in acht worden genomen en buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7 Externe veiligheid Voor bestemmingsplannen is wet- en regelgeving over veiligheidsrisico's aan de orde. Dit kunnen risico's zijn die zware bedrijven kunnen veroorzaken, maar ook door transport van gevaarlijke stoffen (over weg, spoor en water en door buisleidingen). Kwetsbare bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen, moeten voldoende afstand houden tot dergelijke bedrijven en transportroutes. Ook kunnen er beperkingen aan de bebouwingsdichtheid gewenst zijn. De normen en richtlijnen voor risico's komen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Toets Op basis van de risicokaart (zie afbeelding 16) is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om het plangebied.

32

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 16: Risicokaart Bron: www.risicokaart.nl Uit de risicokaart dat in de omgeving diverse (agrarische) bedrijven liggen die een propaantank of vulpunt hebben waar een risicocontour bij hoort van 20, 40 of 50m. Het plangebied bevindt zich ruim buiten deze afstanden, waardoor er geen risico is voor de woningen in het plangebied. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen die uitvoering van de plannen in de weg staat. 4.8 Geluid Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen in het kader van de ruimtelijke ordening zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object. Hiervoor kent de wet geluidgevoelige bestemmingen, zoals wonen, zorg en onderwijs. In het kader van dit bestemmingsplan is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai van toepassing. Er zijn geen gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig en ook de spoorlijn Utrecht-Arnhem ligt op een dusdanig grote afstand dat het geen effect heeft op het voorliggende plangebied. De Wet geluidhinder (Wgh) kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde.

Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Toets De breedte van de geluidzone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken van de weg en de stedelijke of buitenstedelijke ligging van de weg (zie tabel 2).

Adviesbureau Haver Droeze BNT

33

Gebied Stedelijk

Aantal rijstroken Breedte geluidzones in meter 1 of 2 rijstroken 200 3 of meer rijstroken 350 Buitenstedelijk 1 of 2 rijstroken 250 3 of 4 rijstroken 400 5 of meer rijstroken 600 Tabel 2: Breedte geluidzones aan weerszijden van de weg in meters Bron: artikel 74 Wet geluidhinder Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de weg Klein Moorst. De weg is een smalle weg met een lage verkeersintensiteit. Uit afbeelding 17 blijkt dat de geluidbelasting op de bestaande woningen maximaal 41 dB bedraagt. De nieuwe kleine woning wordt achter de bestaande woningen op ruime afstand van de weg gerealiseerd. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat geen sprake zal zijn van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zodat een akoestisch onderzoek achterwege kan blijven.

Afbeelding 17: Geluidbelasting Klein Moorst Bron: www.atlasvoordeleefomgeving.nl Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9 Kabels en leidingen Uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd' blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen buis- of transportleidingen aanwezig zijn die planologisch relevant zijn. Ook uit de risicokaart komen dergelijke leidingen niet in het plangebied naar voren. Op het perceel staat een transformatorhuisje. Door middel van een Klic-melding is in beeld gebracht hoe de leidingen richting het transformatorhuisje exact lopen. Hier is bij het ontwerpen van de laan (met walnootbomen) rekening mee gehouden (zie bijlage 7).

34

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moeten worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het begrip 'in betekenende mate' is verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Bij toepassing van NIBM is artikel 2 van het Besluit NIBM relevant. Dat artikel geeft aan dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de toename van de fijnstof en stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt. Als aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project NIBM. Het hoeft dus niet tot in detail te worden aangetoond. De Regeling NIBM geeft verder nog categorieën van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is.

Voor woningbouwlocaties is de grens minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de Wet milieubeheer, is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit besluit is gericht op functies voor gevoelige groepen voor langdurig verblijf. Hierbij kan worden gedacht aan zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet worden gerealiseerd in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden ten gevolge van provinciale wegen en rijkswegen. In dit geval is geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit hoeft niet plaats te vinden. Toets Toetsing aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) is gezien het voorgaande niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de luchtkwaliteit in het plangebied, in relatie tot de geldende grenswaarden.

Uit de Alas voor de leefomgeving (peiljaar 2020, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide/NO2 (11 µg/m 3) en fijnstof / PM10 (17 µg/m 3) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 bevinden. De concentratie zeer fijnstof / PM2,5 (9 µg/m3) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3. Aan de grenswaarden wordt in het plangebied ruimschoots voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.11 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport (m.e.r.) of m.e.r.beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die (aanzienlijke) nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit betekent dat de plannen of activiteiten ook een bepaalde omvang moeten hebben om m.e.r.-(beoordelings)plichtig te zijn.

Aan de hand van de in het Besluit milieueffectrapportage omschreven m.e.r.-plichtige activiteiten met de bijbehorende drempelwaarden, kan worden bepaald of een project m.e.r.-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) is.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

35

De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang ook belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Om te voorkomen dat er bij projecten met een kleinere omvang belangrijke milieugevolgen over het hoofd worden gezien is het voor alle projecten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen verplicht om vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of wanneer het gaat om een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft.

Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft de functieverandering van agrarisch naar wonen, waarbij, naast het omzetten van de twee bedrijfswoningen in reguliere woningen, één nieuwe kleine woning wordt gerealiseerd. Ondanks dat de ontwikkeling naar aard en omvang beperkt is, kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De reden hiervan is dat het plangebied in landelijk (niet stedelijk) gebied ligt, zodat er ten opzichte van de huidige situatie sprake is van een zekere mate van verstedelijking. Er is een bestemmingsplanwijziging nodig van 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf' naar 'Wonen' en het betreffende perceel zal worden voorzien van bouwvlakken. Gelet op het beoordelingskader dat volgt uit de relevante jurisprudentie is er onder deze omstandigheden sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd op grond van het Besluit m.e.r.. Omdat de ontwikkeling de drempelwaarde in kolom 2 niet overschrijdt, kan er worden volstaan met een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling. In het kader van de 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling dient te worden ingegaan op de criteria genoemd in Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r.: I. Kenmerken van het project II. De plaats van het project III.

Kenmerken van het potentiele effect Op basis van de 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling (art. 7.17, derde lid, jo. art. 7.16 Wm) zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit (voorbereidingsbesluit) genomen moeten worden door het bevoegd gezag voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (art. 7.19 lid 1 Wm). Op basis van de aanmeldnotitie (Adviesbureau Haver Droeze, Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling, 15 maart 2022, zie bijlage 8) kan worden geconcludeerd dat nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten. 4.12 Niet gesprongen explosieven In de gemeente Woudenberg hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog verschillende oorlogshandelingen plaatsgehad. Het merendeel van deze oorlogshandelingen vond plaats rond het spoortracé Utrecht-Arnhem en het voormalig spoortracé Amersfoort-Kesteren, waar in de periode september 1944 tot april 1945 enkele tientallen luchtaanvallen door geallieerde jachtbommenwerpers zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn ten behoeve van de Nederlandse defensie verschillende onderdelen van de Grebbelinie binnen de gemeente aangelegd. In het najaar van 1944 zijn enkele delen van de Grebbelinie aangevuld of aangepast in het kader van de aanleg van de Duitse Pantherstellung. Als gevolg van deze en andere gebeurtenissen is op verschillende locaties binnen de gemeente Woudenberg sprake van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.

In opdracht van de gemeente Woudenberg wordt een gemeentebreed vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten (conflictperiode 1939-1945) uitgevoerd. Het vooronderzoek is nog niet vastgesteld door de gemeenteraad, maar op basis van de conceptstukken kan worden geconcludeerd dat de locatie is aangemerkt als 'laag risico aantreffen ontplofbare oorlogsresten'. Het aspect Niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

36

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

4.13 Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de weg Klein Moorst. De bestaande woningen worden via bestaande uitritten uitsloten. Door middel van een nieuwe centrale entreelaan wordt de nieuwe kleine woning ontsloten. De verkeersaantrekkende werking van de toe te voegen kleine woning is te bepalen aan de hand van kencijfers van CROW in publicatie 381 ; Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij is rekening gehouden met de kencijfers behorend bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Op basis van het plan is de inschatting dat sprake is van een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 motorvoertuigen per etmaal. Dit is een relatief beperkte toename die in de praktijk geen knelpunten zal opleveren. Daarnaast geldt dat de verkeersbewegingen voor het agrarische bedrijf wegvallen. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Toets De aspecten parkeren en verkeer vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.14 Water Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Het watertoetsproces voor de percelen Klein Moorst 3 en 5 is op 14 oktober 2021 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Het Waterschap Vallei en Veluwe is via deze weg van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Op 4 november 2021 is (op verzoek) aanvullende informatie toegestuurd. Het waterschap heeft op 16 november 2021 aangegeven te kunnen instemmen met het plan. Bij de digitale watertoets is een algemeen advies meegegeven. Waterinclusieve bebouwde omgeving Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het aspect water(waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting. Er wordt aanbevolen om afwegingen over eventuele nieuwe, stedelijke uitbreidingen vanuit de ondergrond te maken, met het oog op de waterhuishouding en altijd klimaatadaptief.

Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren: Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen: Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

37

Schoon houden - scheiden - schoon maken: Om verontreiniging van bodem, gronden/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

38

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Hoofdstuk 5 5.1

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

Planvorm

5.1.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen samen één geheel en vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Voor de gemeente is het bestemmingsplan het belangrijkste publiekrechtelijke instrument om doelstellingen te realiseren. In onderhavig plangebied legt het bestemmingsplan de basis voor een nieuwe ontwikkeling. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied voorzien van een bestemming waarin tevens regels zijn gesteld over de bebouwingsmogelijkheden op en de gebruiksmogelijkheden van die gronden. De toelichting heeft geen juridische bindingskracht, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan omdat hierin de beweegredenen, onderzoeksresultaten en de (beleids)uitgangspunten zijn verwoord, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Daarmee is de toelichting van wezenlijk belang voor de juiste interpretatie van het bestemmingsplan en de wijze waarop de daarin opgenomen bepalingen moeten worden toegepast. 5.1.2 Methodiek Bij het opzetten van dit bestemmingsplan is ervoor gekozen het bestemmingsplan inhoudelijk zoveel mogelijk te laten aansluiten op het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd'. De begrenzing van het plangebied komt overeen met het gebied waar ingrepen zijn voorzien en het agrarisch bouwperceel.

In het plangebied komen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf' en 'Wonen' voor. Dit bestemmingsplan is opgezet volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) die het mogelijk maakt om bestemmingsplannen te maken die op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting omdat deze immers geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt digitaal vastgesteld en digitaal (via internet) raadpleegbaar gepubliceerd. Daarnaast wordt het bestemmingsplan afgedrukt zodat het ook analoog kan worden geraadpleegd. Bij inhoudelijke verschillen tussen het digitale en het analoge bestemmingsplan, geldt het digitale bestemmingsplan. 5.1.3 Opzet regels De opbouw van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen: hier zijn de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden toegepast. Waar mogelijk is gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP 2012. Artikel 2 Wijze van meten: hier is aangegeven op welke wijze maten, inhoud en oppervlakten van bouwwerken worden gemeten en berekend om zo tot een eenduidige toepassing van de bouwregelingen te komen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving zijn de functies benoemd die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving evenals het gebruik van de gronden en de daarop toegestane bebouwing. De bestemmingsregels kennen alle dezelfde opbouw met de volgende onderdelen:

Adviesbureau Haver Droeze BNT

39

        

bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wijzigingsbevoegdheid

Niet elke bestemmingsregel bevat deze elementen; dit is afhankelijk van de bestemming en de daarvoor relevante bepalingen. Voor de inhoud van de regels is de regeling zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd' als uitgangspunt genomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk staan algemene regels zoals de anti-dubbeltelregel en algemene bouw- en afwijkingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 8 Overgangsrecht: samengevat is hier bepaald dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar dit strijdig zijn met dit plan, in dezelfde vorm mogen blijven bestaan. Wel blijft het mogelijk om op te treden tegen (eerder ontstaan) illegaal gebruik of bebouwing. Artikel 9 Slotregel: hier is aangeven onder welke naam het plan kan worden aangehaald. 5.1.4 Verbeelding Op de plankaart of verbeelding is de bestemming van de betreffende percelen aangegeven. De plankaart bestaat uit een verzameling van geografisch bepaalde objecten, die samen met de regels zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader te regelen.

Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bebouwingsmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen en de raadpleegbaarheid te verbeteren. 5.1.5 Bestemmingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemmingsregeling. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan alle in het plan begrepen gronden bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van die gronden en ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden. Elke bestemming is geometrisch bepaald. In het plangebied komen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf' en 'Wonen' voor. Het agrarisch gebied binnen het plangebied is voorzien van een agrarische bestemming die aanvullend is gericht op behoud van het bestaande groot- en kleinschalige reliëf: 'Agrarisch met waarden – landschap - reliëf'. Voor diverse werken of werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig. De locaties van de landschappelijke en ecologisch maatregelen zijn door middel van de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden' aangegeven.

Door middel van de aanduiding 'bijgebouwen' is de realisatie van een klein bouwwerk (tbc-huisje) toegestaan.

40

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

De woningen in het plangebied zijn bestemd tot 'Wonen'. Binnen het bestemmingsvlak zijn bouwvlakken opgenomen voor de woningen. Ook een deel van de bijgebouwen is in de bouwvlakken opgenomen. Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd, bijgebouwen mogen ook daarbuiten worden gebouwd. De nieuwe woning heeft de aanduiding 'kleine woning'. De inhoud van een kleine woning bedraagt maximaal 450m 3. Per bouwvlak is één woning is toegestaan. De maximuminhoudsmaat voor de reguliere woningen bedraagt ten hoogste 600 m³. Onder voorwaarden kan via afwijking van het bestemmingsplan medewerking worden verleend aan vergroting van de inhoudsmaat (25% vergroting tot maximaal 800 m3). De voorwaarden hebben betrekking op de inpassing in de omgeving, zowel landschappelijk als stedenbouwkundig. De inhoud van de kleine woning kan niet worden vergroot. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt 80 m 2 per woning, behalve voor het bijgebouw bij Klein Moorst 3. Via een aanduiding op de verbeelding is een bijgebouw van 107m2 toegestaan. Standaard is in iedere woning bed & breakfast toegestaan, met een maximum van 3 kamers. Ook een aan huis-gebonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijf is rechtstreeks toegestaan, tot een maximale oppervlakte van 50 m2. Mantelzorg is rechtstreeks toegestaan.

Overigens moet het daarbij gaan om het gebruik van de bestaande woning en mag er dus geen nieuwe woning ontstaan. Aanvullend is een afwijking van de gebruiksregels opgenomen om mantelzorg te kunnen toestaan in een bijgebouw of een woonunit. De maximale oppervlakte bedraagt 80 m 2, binnen de algemene oppervlaktematen voor bijgebouwen (dus geen extra bouwmogelijkheden). Voor zover relevant zijn de flexibiliteitsbepalingen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd' hier overgenomen.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

41

Hoofdstuk 6

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In de toelichting van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Tevens volgt uit de Wro de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en/of plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het onderhavige bestemmingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer. Deze herziening heeft daarom voor de gemente geen financiële gevolgen. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De omwonenden zijn door de initiatiefnemer geïnformeerd over het plan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze indienen. Tevens wordt het plan in het kader van het bestuurlijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan bestuurlijke vooroverlegpartners.

42

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Adviesbureau Haver Droeze BNT

43

Bijlagen bij de toelichting

44

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Bijlage 1

Uitwerking schetsontwerp

Adviesbureau Haver Droeze BNT

45

Bijlage 2

46

Archeologisch onderzoek

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Bijlage 3

Bodemonderzoek september 2021

Adviesbureau Haver Droeze BNT

47

Bijlage 4

48

Bodemonderzoek mei 2022

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Bijlage 5

Notitie stikstof

Adviesbureau Haver Droeze BNT

49

Bijlage 6

50

Quickscan Wet natuurbescherming

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

Bijlage 7

Kabels en leidingen

Adviesbureau Haver Droeze BNT

51

Bijlage 8

52

Aanmeldnotitie m.e.r.

bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1697/documents/38356