03g. Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg
Adviseur:
Adviesbureau Haver Droeze BNT Muurhuizen 165 3811 EG Amersfoort (033) 416 35 35 www.haverdroeze.nl Document informatie: Titel: bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg Rapporttype: Toelichting IMRO-IDN: NL.IMRO.0351.BPKlnMoorst3en5-OW01 Ontwerp: Vaststelling: Beknopte inhoud: Herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 voor de functieverandering van agrarisch naar wonen.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING
PLANBESCHRIJVING
BELEIDSKADER
5.1
16 17 21 23
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING UITVOERBAARHEID
42 42 42
Bijlagen bij de toelichting
2
39 39
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
25 25 26 27 28 28 28 32 33 34 35 35 36 37 37
Planvorm
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
16
Archeologie Bedrijven en milieuzonering Bodem Cultuurhistorie Duurzaamheid Ecologie Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage Niet gesprongen explosieven Verkeer Water
Hoofdstuk 5
8 8 11 12
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
5 5 6 7
Ontstaansgeschiedenis Huidige situatie Toekomstige situatie
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4
5
Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Opzet van de toelichting
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3
4
44
Uitwerking schetsontwerp Archeologisch onderzoek Bodemonderzoek september 2021 Bodemonderzoek mei 2022 Notitie stikstof Quickscan Wet natuurbescherming Kabels en leidingen Aanmeldnotitie m.e.r.
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Adviesbureau Haver Droeze BNT
3
Toelichting
4
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Hoofdstuk 1
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel De percelen Klein Moorst 3 en 5 liggen in het buitengebied van de gemeente Woudenberg. De percelen hebben een agrarische bestemming. Er zijn twee bedrijfswoningen en voormalige agrarische bedrijfsopstallen aanwezig. De agrarische activiteiten zijn al geruime tijd beëindigd. De eigenaar van het perceel heeft in afstemming met de gemeente gezocht naar een nieuwe invulling van het perceel. Door de gemeente is in januari 2021 aangegeven dat een mogelijke optie is om de vrijgekomen agrarische bebouwing te slopen en, gelet op het feit dat er minder gesloopt kan worden dan de norm is voor een nieuwe woning, te compenseren met de bouw van een kleinere woning (van maximaal 450 m3), met goede landschappelijke inpassing in de omgeving. Op basis hiervan is op 25 mei 2021 een principeverzoek ingediend waarbij de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt in ruil voor medewerking voor het omzetten van de bedrijfswoningen in reguliere woningen en de bouw van één nieuwe (kleine) woning. De vergunde bedrijfswoning uit 1979 is niet opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Met het voorstel wordt deze omissie gelijktijdig hersteld. Het voorstel gaat enerzijds uit van sloop van de – niet karakteristieke – vrijgekomen agrarische bebouwing en sloop van de gierkelder en anderzijds van landschapsherstel en natuurontwikkeling.
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 15 juli 2021 aangegeven, onder voorwaarden, medewerking te willen verlenen. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied De percelen Klein Moorst 3 en 5 liggen ten noordoosten van Woudenberg en ten zuidwesten van De Glind (zie afbeeldingen 1 en 2). Het perceel Klein Moorst 3 is kadastraal bekend als Gemeente Woudenberg, sectie A, nummers 1228 en 1560. Het perceel Klein Moorst 5 is kadastraal bekend als Gemeente Woudenberg, sectie A, nummers 1287 en 1447.
Afbeelding 1: Ligging plangebied Bron: www.topotijdreis.nl
Adviesbureau Haver Droeze BNT
5
Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied Bron: www.topotijdreis.nl 1.3 Geldend bestemmingsplan De percelen Klein Moorst 3 en 5 liggen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010 (vastgesteld d.d. 23-09-2010) en 'Buitengebied 2013 (herziening) (vastgesteld d.d. 27-06-2013). Deze bestemmingsplannen zijn verwerkt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd'. Hierin hebben de percelen de bestemming 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarde – Reliëf' (artikel 6), met een bouwvlak. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Aangezien er sprake is van één bouwvlak, is één bedrijfswoning toegestaan. Daarnaast hebben de percelen de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 2' (artikel 26) en de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied' en 'wetgevingszone – wijzigingsgebied 3'. Zie afbeelding 3 voor een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan.
6
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Afbeelding 3: Bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl In paragraaf 3.4.1 Bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd wordt nader ingegaan op de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan om de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming. Op grond van de archeologische dubbelbestemming dient bij ingrepen die een grotere oppervlakte beslaan dan 100 m2 en dieper de grond ingaan dan 0,4 m archeologisch onderzoek te worden verricht. Dit aspect is nader uitwerkt in paragraaf 4.1 Archeologie. De gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied' en 'wetgevingszone – wijzigingsgebied 3' zijn voor de voorgenomen ontwikkeling niet relevant. Voor de tweede bedrijfswoning is op 27 maart 1979 al een bouwvergunning verleend. Deze is echter nooit vertaald in het bestemmingsplan. 1.4 Opzet van de toelichting Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). De onderhavige toelichting dient als motivering bij de te volgen procedure. De toelichting bij dit bestemmingsplan bestaat uit 6 hoofdstukken. Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan geformuleerd.
De verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 4. Een toelichting op de juridische aspecten en bestemmingen van dit bestemmingsplan wordt gegeven in hoofdstuk 5. Afgesloten wordt met hoofdstuk 6 waarin de focus op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (de procedure) ligt.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
7
Hoofdstuk 2
PLANBESCHRIJVING
2.1 Ontstaansgeschiedenis Het plangebied ligt in de Gelderse Vallei. In één van de ijstijden is de basis gelegd voor het landschap in dit gebied. Vanuit het noorden schoof een reusachtige ijslob in zuidelijke richting. Deze ijslob duwde enorme massa's zand en klei voor zich uit, die werden opgestuwd. Zo ontstonden de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en van het Veluwemassief, met daartussen een vallei. Aanvankelijk waren de hoogteverschillen in de Gelderse Vallei aanzienlijk, maar na de ijstijden werd de vallei opgevuld met dekzand. De smeltende ijs- en sneeuwmassa's zorgden ervoor dat het dekzand werd opgenomen en in lage gebieden werd afgezet. De beken in de Gelderse Vallei ontspringen in het oosten (Veluwe) en stromen in westelijke richting, om vervolgens naar het noorden af te wateren in het IJsselmeer. Ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug was het gebied door een slechte ontwatering oorspronkelijk erg nat, waardoor hoogveen tot ontwikkeling kwam. Deze veengronden waren in de vroege Middeleeuwen begroeid met hei en met moerasbos. Namen als Woudenberg en Renswoude verwijzen hier mogelijk naar. Oorspronkelijk maakte Woudenberg deel uit van het omvangrijke Westerwolt of Westerwoud. Waar dit bos, dat aan het begin van de twaalfde eeuw voor het eerst werd genoemd, precies heeft gelegen is niet bekend.
Vrijwel zeker heeft het bos zich in het noorden uitgestrekt tot Leusden (Lisiduna) en Henschoten, in het zuiden tot Ruvoort bij de hofstede Rumelaar, en in het westen tot de heidevelden van Maarn en Maarsbergen. Hoe ver het Westerwoud naar het oosten liep, is onbekend.
Afbeelding 4: Geomorfologie Bron: Stiboka
8
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
De oudste ontginningen in het Woud vonden, vanaf de elfde eeuw, waarschijnlijk plaats op de hogere delen van de Gelderse Vallei. Op de smalle dekzandruggen (zie afbeelding 4) werden de eerste akkers in de vorm van kampen aangelegd. De boerderijen werden verspreid op de hellingen gebouwd. De kampontginningen worden gekenmerkt door een mozaïek van kavels met zeer onregelmatig gevormde bouwkampen, weilanden en heide- of broekgebieden die elkaar op korte afstand afwisselen. In de twaalfde eeuw werd besloten dat in Woudenberg een gebied van 40 hoeven groot volgens het zogenaamde 'Cope-principe' ontgonnen moest worden. Hierbij werd – over een langere periode – voortgeborduurd op de al aanwezige hoofdstructuur met de Monnikenwetering en de Monnikendijk. Deze vorm van ontginning kenmerkt zich door een strakke strokenverkaveling. Hierdoor ontstond in Woudenberg een cultuurlandschap gekenmerkt door een combinatie van kampontginningen en opstrek, dat lange tijd (tot in de 19e eeuw) intact bleef. Met name de verbetering van de waterhuishouding na 1940 heeft voor grote wijzigingen in het landschap gezorgd. Onderdeel van dit proces was namelijk ook de kavelvergroting waarbij de meeste houtwallen verdwenen en de karakteristiek van het landschap deels verloren is gegaan.
Op de historische kaarten (zie afbeelding 5) is te zien dat er enkele tientallen jaren een ontsluitingsweg langs het perceel richting het noorden liep. Deze ontsluitingsweg is in de huidige situatie niet meer aanwezig. Tevens is te zien dat de beek meer heeft gemeanderd.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
9
Afbeelding 5: historische kaarten Bron: www.topotijdreis.nl
10
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
2.2 Huidige situatie De percelen Klein Moorst 3 en 5 liggen in het buitengebied van Woudenberg. Ten zuidwesten van De Glind en ten noorden van Scherpenzeel. De weg Klein Moorst is een smalle weg tussen de Moorsterweg en de Ringlaan. De de weg Klein Moorst zijn enkele agrarische bedrijven en enkele woningen gesitueerd (zie afbeelding 6). Ten noorden van Klein Moorst is het landschap besloten door de aanwezigheid van natuur. Ten zuiden van Klein Moorst ligt een open agrarisch landschap.
Afbeelding 6: Luchtfoto omgeving Klein Moorst 3 en 5 Bron: www.topotijdreis.nl Op de percelen Klein Moorst 3 en 5 liggen twee bedrijfswoningen. Voor de woning Klein Moorst 5 is in 1979 een bouwvergunning verleend. Deze woning is echter niet in het bestemmingsplan vertaald. Op afbeelding 7 zijn de bedrijfswoningen aangegeven met een rode stip. De te slopen bebouwing is met een witte x aangegeven.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
11
Afbeelding 7: Bebouwing Klein Moorst 3 en 5 Bron: www.topotijdreis.nl In tabel 1 staat een overzicht van de bebouwing (uitgezonder de woningen). Opstallen Te slopen 1 56 2 288 3 225 4 139 5 6 30 Totaal 738m2 Tabel 1: overzicht bebouwing
Te behouden
107 80 187m2
Daarnaast staat op het perceel een transformatorhuisje van Stedin. Dit transformatorhuisje blijft ongewijzigd. Beide woningen hebben een eigen ontsluiting op de weg Klein Moorst. 2.3 Toekomstige situatie Vanwege de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten is de initiatiefnemer voornemens de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming. Het grootste deel van de voormalige agrarische bebouwing en de gierkelder worden gesloopt. Op afbeelding 7 is deze bebouwing met een wit kruis aangegeven. De bestaande bedrijfswoningen blijven behouden en krijgen een bestemming als reguliere woning. Ook de bestaande bijgebouwen bij de bedrijfswoningen behouden hun functie als bijgebouw. In het bestemmingsplan is één bedrijfswoning bestemd (zie paragraaf 1.3 Geldend bestemmingsplan). Voor de tweede bedrijfswoning is op 27 maart 1979 al een bouwvergunning verleend. Deze is echter nooit vertaald in het bestemmingsplan. Het is de wens van de eigenaar om achter de bestaande woningen een nieuwe kleine woning, met een inhoud van 450 m3, te realiseren.
12
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Bij de woningen is volgens het bestemmingsplan 80 m 2 aan bijgebouwen toegestaan. Bij de woning Klein Moorst 3 is het bestaande bijgebouw groter. Het is de wens van de eigenaar om dit bijgebouw te behouden. Het heeft een oppervlakte van circa 107 m 2. Het bijgebouw bij de woning Klein Moorst 5 wordt teruggebracht van circa 110 m 2 naar 80 m2. Op basis van de Ruimte-voor-Ruimteregeling is voor dit plan 777m 2 aan sloopmeters benodigd. Het plan voorziet in de sloop van 738 m 2. Het tekort van van 39m2 wordt gecompenseerd door het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Zie voor een nadere toelichting op deze regeling paragraaf 3.4.1 Bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd. Vergroten ruimtelijke kwaliteit Om de ruimtelijke kwaliteit te vergroten worden, naast de sloop van de voormalige agrarische gebouwen, diverse landschappelijke en natuurmaatregelen getroffen (zie afbeelding 8). In de beek ligt in de huidige situatie een stuw, gecombineerd met een vistrap. Dit is uitgevoerd over een lengte van circa 10m met zware keien. In het voorstel wordt deze stuw/vistrap verschoven richting het oosten. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om op het perceel een bypass/meander van de beek te realiseren. Op historische kaarten is te zien dat de beek vroeger gemeanderd heeft (zie afbeelding 5). Dit vormt de inspiratie voor het ontwerp van de bypass/meander.
De hoofdstroom blijft intact, maar door het verschuiven van de stuw/vistrap is het mogelijk dat in de bypass/meander altijd water blijft staan. De stuw/vistrap wordt zodanig uitgevoerd dat dit een doorwaadbare plaats in de beek wordt, zodat het waterschap voor het onderhoud met voertuigen de beek kan passeren. De gebiedsbeheerder van Waterschap Vallei en Veluwe heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de ontwikkeling, onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan de inrichtingseisen vanuit het waterschap.
Afbeelding 8: Schetsontwerp Bron: Adviesbureau Haver Droeze
Adviesbureau Haver Droeze BNT
13
In de bypass/meander ontstaat een eilandje waarop een tbc-huisje wordt geplaatst (zie afbeelding 9). De eigenaar van het perceel heeft een origineel onderstel, waarop hij een tbc-huisje wil bouwen. Een tbc-huisje werd vroeger gebruikt voor tbc-patiënten om te genezen. De huisjes waren op een stalen onderstel met massieve wielen gemonteerd, zodat ze met de zon konden meedraaien. Ze hadden twee openstaande deuren en in beide zijwanden ramen die tegenover elkaar open konden voor ventilatie.
Afbeelding 9: voorbeeld tbc-huisje Bron: www.zonnehuisje.nl Nabij de beek wordt een broekbosje gerealiseerd. De exacte situering van dit broekbosje kan bij de uitvoering met het waterschap worden afstemd, in verband met de bereikbaarheid van de voorde. Verder zijn de landschappelijke maatregelen op historisch boerenerfprincipes gefundeerd. De bestaande entreelaan naar Klein Moorst 3 bestaat uit beuken in een slechte staat. Deze beuken worden vervangen door perenbomen, waardoor een perenlaantje ontstaat. De centrale entreelaan wordt door walnootbomen geflankeerd. Ten slotte wordt een hoogstamboomgaard met bloemrijk grasland aangelegd (voor de vlinders en insecten). Door de realisatie van water en beplanting wordt de biodiversiteit vergroot. Voor de ontsluiting van de kleine woning wordt een nieuwe uitrit gerealiseerd. De bestaande uitritten van Klein Moorst 3 en 5 blijven gehandhaafd. Zie afbeelding 10 en bijlage 1 voor de uitwerking van het schetsontwerp.
14
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Afbeelding 10: Uitwerking schetsontwerp Bron: Adviesbureau Haver Droeze
Adviesbureau Haver Droeze BNT
15
Hoofdstuk 3
BELEIDSKADER
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat ruimtelijk/functioneel relevant is voor het plangebied en de hier beoogde ontwikkeling. Het betreft hier zowel ruimtelijk beleid als facet- en sectorbeleid op de verschillende beleidsniveaus. 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (NOVI), 11 september 2020 De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en beschrijft op nationaal niveau een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving. De NOVI beschrijft de manier waarop men op rijksniveau wil werken aan de volgende 4 prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en als laatste toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Als uitgangspunt geldt dat Nederland mooier en sterker wordt gemaakt door voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is daarbij een kernbegrip en omvat zowel ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit. In de NOVI wordt uitgegaan van een integrale aanpak tussen overheden en maatschappelijke organisaties met meer regie vanuit het Rijk. In de NOVI geeft het Rijk de kaders en de richting aan voor zowel nationale als decentrale keuzes. Bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving zowel boven- als ondergronds voorop. De NOVI onderscheidt daarbij 3 afwegingsprincipes: 1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) afwentelen wordt voorkomen.
De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, die waar nodig jaarlijks wordt geactualiseerd, en waarin is aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. Tevens staat hierin een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op verschillende beleidsterreinen. Met het oog op de klimaatbestendigheid van Nederland moeten functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgesteld op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Ook dient de infrastructuur voor energie beter te worden afgestemd op de toename van transport en opslag van duurzame energie. Daarnaast is er een opgave voor het realiseren van bronnen van duurzame energie. In de NOVI worden richtingen meegegeven die bij de inpassing van energie-infrastructuur aandachtvragen met het oog op de kwaliteit van de leefomgeving. Vanuit de wens om de economie en energievoorziening duurzaam en circulair te maken en de kwaliteit van de leefomgeving te versterken, wordt ingezet op het actief clusteren van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (intern)nationale corridors. Om de steden sterk, aantrekkelijk en gezond te houden wordt gewerkt aan een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's.
Om te voorzien in de grote actuele woonbehoefte is een pakket aan maatregelen voorgesteld; ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden dienen daarbij hun groene karakter te behouden. Tegelijkertijd moet het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad worden verbeterd. De waarde van de natuur, het landschap en de toekomst van de landbouw staan onder druk, waarbij het verbeteren van de biodiversiteit niet alleen een ecologische maar ook economische uitdaging is. Voor de lange termijn wordt gewerkt aan een geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Op deze manier ontstaat een aantrekkelijk landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Anderzijds blijft op deze manier ook ruimte voor economisch vitale landbouw als belangrijkste drager van het platteland.
16
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Toets Het voorliggende plan levert een bijdrage aan de kwaliteit van het landelijk gebied, door sloop van niet karakteristieke - vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en het verbeteren van de kwaliteit van het landschap door diverse landschappelijke en natuurmaatregelen, zoals het realiseren van een bypass/meander in de beek, het aanleggen van een broekbosje, het herstellen of realiseren van lanen en de aanleg van een hoogstamboomgaard met bloemrijk grasland. 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt op grond van jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:2015:9221 en ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953) dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. De voorziene ontwikkeling ziet op de omzetting van twee bedrijfswoningen en de realisatie van één kleine woning en wordt daarom niet aangemerkt als een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in die bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Toets Op basis van de voorgaande beschrijving blijkt dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de 'ladder van duurzame verstedelijking' niet aan de orde is. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht In de Omgevingsvisie (vastgesteld 10 maart 2021) zijn op Provinciaal niveau de keuzes op lange termijn (tot 2050) verwoord om ruimte te maken voor ontwikkelingen en tegelijkertijd de Utrechtse kwaliteiten te behouden. In de Omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in samenhang met elkaar bezien. Doel is ruimte te bieden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, sociale samenhang met behoud of verbetering van de kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. De sturingsfilosofie van de Provincie gaat uit van het bieden van ruimte voor ontwikkelingen die passen bij de Utrechtse kwaliteiten. Deze kwaliteiten bieden kansen om opgaven te realiseren, maar stellen ook voorwaarden. Via plussen en minnen maakt de provincie een integrale afweging zodat elke ontwikkeling per saldo bijdraagt aan kwaliteitsverbetering. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Bij uitbreiding dient te worden gezocht naar grootschalige locaties waar nieuwe ontwikkelingen kunnen worden geconcentreerd en gecombineerd met oplossingen voor andere opgaven. Voor lokale opgaven blijft echter ook ruimte.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
17
De beoogde ontwikkelingsrichting is uitgewerkt in 7 beleidsthema’s: 1. Stad en land gezond; 2. Klimaatbestendig en waterrobuust; 3. Plek voor duurzame energie; 4. Vitale steden en dorpen; 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur; 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. Deze thema’s staan niet op zichzelf maar hebben onderlinge samenhang, zowel boven als onder de grond. De gewenste ontwikkeling verschilt per gebied en is afhankelijk van de specifieke kenmerken en identiteit. Om maatwerk te kunnen bieden is maatwerk aangebracht op regionaal niveau voor de regio’s U16, Amersfoort en Foodvalley. Verdieping is uitgewerkt in beleidsuitwerkingen, visies, programma’s en plannen. Per beleidsthema is aangegeven welke provinciale belangen hierbij relevant zijn. In de Omgevingsverordening zijn de bijbehorende regels opgenomen, aangezien de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld, heeft de Ontwerp Omgevingsverordening (vastgesteld 10 maart 2021) een interim status. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie en Interim Verordening Provincie Utrecht hebben deels ook gevolgen voor het plangebied. Deze punten worden hier nader toegelicht.
Verbod op nieuwe verstedelijking in landelijk gebied Voor onderhavig plan is van belang dat het perceel in het Landelijk Gebied ligt waar op grond van artikel 9.2 IOV nieuwe stedelijke functies in beginsel niet zijn toegestaan. In artikel 1 IOV is aangegeven dat van verstedelijking sprake is als een bestemmingsplan ten opzichte van het vigerende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies. Het begrip ‘stedelijke functie’ is in datzelfde artikel gedefinieerd als ‘een functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik, door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied’. Woningen en woongebieden worden in de IOV expliciet benoemd als ‘stedelijke functie’. Nieuwe woningen worden zodoende gezien als nieuwe verstedelijking, hetgeen in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Uitzonderingen verstedelijkingsverbod In hoofdstuk 3 van de IOV is een aantal uitzonderingen benoemd op grond waarvan nieuwe verstedelijking in het landelijk gebied onder voorwaarden wel kan worden toegestaan.
Het betreft situaties waarbij nieuwe bebouwing voor stedelijke functies in plaats komt van bestaande bebouwing (agrarisch of anderszins), waarbij nieuwe stedelijke functies tot stand komen in samenhang met de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit of waarbij nieuwe stedelijke bebouwing is vereist om te voorzien in de behoefte van woningen en bedrijven. Voor de percelen Klein Moorst 3 en 5 zijn de artikelen 9.10 en 9.11 IOV relevant. Op grond van artikel 9.10 IOV kan, indien sprake is van bedrijfsbeëindiging, een (reguliere) woonbestemming worden toegekend aan de voormalige agrarische bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte. Daarbij gelden de volgende (relevante) voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw; b. de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden of versterkt; c. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. In artikel 9.11 IOV is bepaald dat bij beëindiging van het agrarisch bedrijfsperceel de bouw van één of meer nieuwe woningen kan worden toegestaan. Hierbij geldt in aanvulling op de eerder genoemde voorwaarden het volgende: d. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning.
Wanneer 750 m 2 tot 2500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Afwijking van deze maatvoering en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit, en
18
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
e. de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. Ad a. Het agrarische bedrijf is niet meer in gebruik. De eigenaren zijn al enige jaren op zoek naar een geschikte functie voor de percelen. Het is niet aannemelijk dat het agrarisch bedrijf opnieuw wordt opgestart. De percelen liggen niet op een zogenaamde ‘Sterlocatie’. Deze term komt uit het Reconstructieplan Gelderse Vallei. Sterlocaties zijn bestaande veehouderijlocaties in het landbouwontwikkelingsgebied, waar een bedrijf zich kan ontwikkelen. Om ook in de toekomst een gezonde landbouwstructuur in het gebied te houden is het nodig sterlocaties zoveel mogelijk voor de landbouw te behouden. Zoals gezegd liggen de percelen Klein Moorst 3 en 5 niet op een ‘Sterlocatie’. Ad b. Op het perceel is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Door diverse inrichtingsmaatregelen wordt de landschappelijke waarde versterkt. Zoals door de aanleg van de bypass in de beek, de aanleg van een hoogstamboomgaard en de oprijlaan met walnootbomen. Ad c.
In hoofdstuk 4 worden de diverse milieuaspecten behandeld. Hieruit blijkt dat de omliggende agrarische bedrijven door de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Ad d. Er wordt 738 m2 voormalige agrarische bebouwing gesloopt. Dit is niet voldoende voor de bouw van één woning (van 600 – 800 m3). In dit geval wordt voorgesteld om niet een reguliere woning te realiseren, maar een kleine woning met een inhoud van maximaal 450 m 3. In verhouding is hiervoor 562,5 – 750 m2 aan sloopmeters nodig (uitgaande van 1.000 m 2 voor één woning, zoals in het bestemmingsplan wordt aangehouden). Daarnaast vindt versterking van de ruimtelijke kwaliteit plaats door natuurmaatregelen. Ad e. De nieuwe kleine woning wordt gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel. Uit de toelichting bij artikel 9.11 blijkt dat bij het realiseren van meer ruimtelijke kwaliteit kan worden gedacht aan: Herstel van landschapselementen; Versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur; Realisering van extra natuur binnen de Groene Contour; Oplossingen voor de wateropgave; Realiseren van wandel- en recreatiemogelijkheden; Verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern; Sanering van niet-grondgebonden veehouderij uit de nabijheid van een natuurgebied (NNN).
Het voorliggende principeverzoek gaat uit van de realisatie van verschillende landschapselementen, zoals een bypass in de beek, broekbosje, hoogstamboomgaard en een oprijlaan met walnootbomen. Het provinciaal beleid biedt aanknopingspunten voor de voorgestelde ontwikkeling. 3.2.2 Kwaliteitsgids voor Utrechtse landschappen De Provincie Utrecht heeft in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen het begrip 'landschapskwaliteit' per regio uitgewerkt aan de hand van kernkwaliteiten. In de Kwaliteitsgids zijn zowel de bestaande kwaliteiten als de ambities voor het landschap beschreven. De Kwaliteitsgids vormt de onderlegger voor de Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In de Gelderse Vallei zijn drie deelgebieden te onderscheiden: Mozaïek, Stroken en Binnenveld. Onderhavig plangebied maakt deel uit van het mozaïeklandschap van de 'Gelderse Vallei'.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
19
Afbeelding 11: Uitsnede overzicht thema's toegepast op deelgebied Mozaïek Bron: Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen, deelgebieden Gelderse Vallei, p. 78 In de Kwaliteitsgids zijn de kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei als volgt omschreven: rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; overgang van Vallei naar Stuwwal (luwe Flank). De ambities met betrekking tot de kernkwaliteiten van het landschap zijn gericht op de volgende drie punten: versterken van de gebiedsidentiteit in de drie deelgebieden; het behouden van de verborgen structuren; bijzondere aandacht voor de drie deelgebieden. Voor het mozaïeklandschap zijn de ambities gericht op verdichting van het landschappelijk raamwerk door: het accentueren van agrarische perceelgrenzen door landschapselementen; het van bomen voorzien van wegen;
20
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
stimuleren van meer afwisseling in landgebruik: weilanden, akkers en bospercelen; het stimuleren van nieuwe landgoederen bestaande uit hoofdgebouw en bijgebouwen of boerderijenensemble; uitzondering hierop vormen de inundatievelden langs het Valleikanaal; intact houden van de onregelmatige mozaïekverkaveling; compacte dorpen of verspreide bebouwing langs wegen; bedrijfsvergroting passend in maat en schaal en landschappelijk ingepast.
Het gebied waar het perceel in ligt had van oorsprong een kleinschalig en afwisselend karakter, maar dit karakter is met de schaalvergroting van de landbouw grotendeels verdwenen. Het plan biedt mogelijkheden om de ruimtelijke kwaliteit te versterken door diverse landschappelijke en natuurlijke maatregelen, zoals het realiseren van een bypass in de beek, de aanleg van een broekbosje, hoogstamboomgaard en oprijlaan met walnootbomen. 3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (LOP) Het LOP bevat het landschapsbeleid van de gemeenten Amerongen, Barneveld, Leersum, Leusden, Maarn, Renswoude, Scherpenzeel en Woudenberg. Het plan is ontwikkelingsgericht en bevat zowel stimulerende als kaderstellende regels. Het belangrijkste doel van het LOP is het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling in het buitengebied. Hierbij staat het behouden, versterken en verbeteren van de landschappelijke identiteit en haar groen/blauwe structuur voorop. Het LOP vormt het toetsingskader voor gemeenten bij ontwikkelingen in het landschap. Onderhavig plangebied ligt in het deelgebied De Vallei; het oude dekzandgebied tussen Veluwe en Heuvelrug dat zich kenmerkt door een afwisselend landschap met een uitgebreid bekenstelsel. Onder invloed van de landbouw zijn delen sterk aangepast en zijn karakteristieke kenmerken grotendeels verdwenen. Binnen de Vallei bevinden zich (diffuse) kampenlandschappen, (diffuse) slagenlandschappen en (diffuse) broek- en heideontginningen.
Omdat het huidige landschap te weinig houvast biedt om alle ontwikkelingen goed op te kunnen vangen, is het LOP gericht op het versterken van het landschappelijke raamwerk overeenkomstig de karakteristieken van het betreffende landschap door het aanvullen van beplantingen langs wegen, het versterken van bosgebieden en het verder ontwikkelen van het bekensysteem. De Vallei wordt gekarakteriseerd door een afwisseling van uiteenlopende landschapstypen, die oorspronkelijk zeer nauw samenhangen met de fysieke ondergrond. De percelen liggen in kampenlandschap. Door ruilverkaveling en geleidelijke verwijdering en aftakeling van kleine landschapselementen zijn grote delen van het oorspronkelijke kampenlandschap getransformeerd tot vrij open agrarische werklandschappen. Slechts enkele gebieden en elementen resteren van het oorspronkelijke landschap. Bij herontwikkeling zijn behoud, herstel en ontwikkeling van karakteristieke cultuurhistorische, landschappelijke en (kleinere) ecologische elementen uitgangspunt. Bij functieverandering en erfontwikkeling (waaronder de vrijkomende agrarische bebouwing), dient ontwikkeling plaats te vinden vanuit de randvoorwaarden over de gewenste landschappelijke structuur. Bij de uitwerking van de erfinrichting en kleine landschapselementen zijn per landschapstype streefbeelden gegeven voor landschappelijke beplantingen en erfbeplantingen.
Hiermee kan op erfniveau worden gewerkt aan de verbetering en versterking van de landschappelijke kwaliteiten. De randvoorwaarden voor nieuwe erfinrichtingen zijn uitgewerkt in Hoofdstuk 6 van het LOP. Doel van de erfinrichting is om bij te dragen aan de identiteit per landschapstype door structurerend en geleidend groen binnen en buiten de erven ter versterking van de verscheidenheid in landschapstypen. Voor de bebouwing gelden de criteria in de Welstandsnota als richtinggevend. Het LOP bevat de volgende aanbevelingen: Binnen het erf streven naar een rustig, samenhangend en karakteristiek beeld en voorkomen van verrommeling;
Adviesbureau Haver Droeze BNT
21
indeling in voorkant met siertuin, hagen en parkbomen (soms moestuin en boomgaard) en 'achterkant' als onderdeel van het omringende landschap (bomen en struiken die ook in de omgeving groeien); aan de bebouwingszijden die sterk in het zicht liggen is begeleidende landschappelijke beplanting wenselijk; een terughoudende inrichting doet recht aan de ligging van het erf in het buitengebied, dus spaarzaam omgaan met diverse inrichtingselementen zoals hekken, verlichting en grote oppervlakten verharding en zoveel mogelijk kiezen voor natuurlijke materialen zoals grind, gebakken klinkers, hout e.d.; overvloedige verlichting op het erf vermijden, verlichting zo laag mogelijk bij de grond plaatsen; niet meer dan strikt noodzakelijk verharden; het erf niet onnodig afsluiten met hekken en afrasteringen; noodzakelijk afrasteringen uitvoeren in sobere kleuren en materialen of door beplanting laten wegvallen; paardenbakken niet opzichtig maken, voor bruin of groen schriklint kiezen of houten hekken in een onopvallende kleur (grijs of bruin); hooibalen zo mogelijk op een onopvallende plek op het erf plaatsen en verpakken of afdekken met materiaal in een neutrale kleur, bijvoorbeeld zwart gaasdoek.
Voor woningen in het buitengebied worden de volgende aanbevelingen gedaan: woningen met een tuin of erf dienen hun tuininrichting aan te laten sluiten bij de erven in het buitengebied en de kenmerken van het landschap (geen opvallende schuttingen maar hagen, weinig sierbeplanting, veel landschappelijke elementen); nieuwe woningen met extra grondbezit: aan te raden is vooraf een tuin- en landschapsplan te maken, gecombineerd met het bouwplan (de omgeving en toekomstige erfinrichting kunnen belangrijke invloed op het bouwplan uitoefenen en andersom is het versterken van de in het gebied voorkomende gebiedskenmerken vooral aan de perceelsranden, wenselijk). Het kampenlandschap wordt gekenmerkt door een fijnmazig patroon van forse landschapselementen.
Met betrekking tot de toe te passen beplanting worden de volgende suggesties gedaan: gebruik houtwallen en houtsingels van bomen en struiken langs stallen en schuren: eik aangevuld met ruwe berk en lijsterbes, met struiken zoals meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, hondsroos, vuilboom, Gelderse roos en hulst; gebruik langs een perceel eiken, op korte afstand van elkaar, soms twee rijen dik; gebruik langs de oprit: eiken, op korte afstand van elkaar; de aanplant van een eikengaarde is mogelijk; in een boomgaard dienen hoogstamfruitbomen (appel, peer, pruim, kers en soms ook oude streekgebonden fruitrassen) te worden toegepast; aan de zonzijde van het huis kan voor de gevel leilinde of een perenboom worden toegepast; vóór of naast het woonhuis: kastanje, iep, linde of noot, langs de weg een haag van meidoorn of veldesdoorn, haag (liguster, haagbeuk of beuk) rond de voor of moestuin of boomgaard (meidoorn of veldesdoorn); verdeel de tuin in een aantal eenvoudige door (zand)paden gescheiden delen voor diverse functies, zoals bedden, kweken van groenten en bloemen; gebruik buxus: in de moestuin of tuin binnen hagen struiken: sering, boerenjasmijn, hulst of bessen. Toets Voor onderhavig plan is van belang dat diverse landschappelijke structuren en beplanting worden gerealiseerd op het erf.
In paragraaf 2.3 Toekomstige situatie worden de verschillende maatregelen toegelicht.
22
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd De percelen Klein Moorst 3 en 5 liggen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010 (vastgesteld d.d. 23-09-2010) en 'Buitengebied 2013 (herziening) (vastgesteld d.d. 27-06-2013). Deze bestemmingsplannen zijn verwerkt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd'. In artikel 6.7.8 van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen', met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – voormalig agrarisch bedrijf'. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn enkele voorwaarden verbonden. Eén van die voorwaarden betreft dat de oppervlakte van de te slopen bedrijfsbebouwing ten minste 1.000m2 bedraagt. Zoals bij het provinciaal beleid al is aangegeven is het de bedoeling om een kleine woning te realiseren in plaats van een reguliere woning. Hiervoor kan beargumenteerd worden dat minder sloopmeters nodig zijn. Wanneer voor een woning van 600 m 3 1.000 m2 aan sloopmeters nodig is, is bij een kleine woning van 450 m 3, 750 m2 aan sloopmeters nodig. Daarnaast zijn 27 m2 aan sloopmeters nodig voor het toestaan van een groter bijgebouw. Er is 738 m 2 aan sloopmeters beschikbaar.
Het tekort aan sloopmeters wordt gecompenseerd door de ruimtelijke kwaliteit te versterken door diverse landschappelijk en natuurmaatregelen. De voorgestelde ontwikkeling betreft maatwerk, die buiten de mogelijkheden van de wijzigingsbevoegdheid valt. Voor de ontwikkeling dient het bestemmingsplan te worden herzien. Bij de uitwerking van het plan wordt wel aangesloten bij de bepalingen van de wijzigingsbevoegdheid. Zo zal de woonbestemming ten hoogste binnen het agrarisch bouwvlak worden gerealiseerd en wordt het resterende deel van de grond gewijzigd in 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarden – Reliëf', zonder aanduiding of bouwvlak. Er wordt geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing gesloopt. En in hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. Binnen de bestemming 'Wonen' (artikel 20) is aangegeven dat de inhoud van de woning (niet zijnde een kleine woning) inclusief aan- en uitbouwen maximaal 600 m 3 bedraagt. Uit artikel 32.2 blijkt dat indien onder andere de inhoud van bestaande bouwwerken op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedraagt dan volgens hoofdstuk 2 is voorgeschreven, deze maten als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. De inhoud van de bestaande woningen zal niet wijzigen.
Binnen de bestemming 'Wonen' bedraagt de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen 80 m2 per woning bedraagt. Het bijgebouw bij de woning Klein Moorst 3 bedraagt 107 m2. Het bijgebouw bij de woning Klein Moorst 5 wordt teruggebracht naar 80 m 2. In artikel 20.3.2 is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor het vergroten van de oppervlakte van bijgebouwen. Een voorwaarde is dat ontheffing kan worden verleend voor een gezamenlijke oppervlakte van 50% van de voormalige bedrijfsbebouwing met een maximum van 200 m 2. Het bijgebouw blijft ruim onder deze maatvoering. Voor een bijgebouw van 107 m 2, dient 27 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt te worden. Conclusie Wanneer voor een woning van 600 m 3 1.000 m2 aan sloopmeters nodig is, is bij een kleine woning van 450 m3, 750 m2 aan sloopmeters nodig. Daarnaast zijn 27 m 2 aan sloopmeters nodig voor het toestaan van een (bestaand) groter bijgebouw. Er is 738 m 2 aan sloopmeters beschikbaar. Het tekort aan sloopmeters (39 m2) wordt gecompenseerd door de ruimtelijke kwaliteit te versterken door diverse landschappelijk en natuurmatregelen, zoals het realiseren van een bypass in de beek, de aanleg van een broekbosje, hoogstamboomgaard met bloemrijk grasland en oprijlaan met walnootbomen. De voorgestelde ontwikkeling betreft maatwerk, die buiten de mogelijkheden van de wijzigingsbevoegdheid valt.
Voor de ontwikkeling dient het bestemmingsplan te worden herzien.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
23
3.4.2 Structuurvisie Woudenberg 2030 In de Structuurvisie Woudenberg 2030 (juni 2013 met oplegger van 24 januari 2019) worden keuzes gemaakt over de duurzame en verantwoorde ruimtelijke toekomst van de gemeente. Deze keuzes op het gebied van werken, zorg en welzijn, onderwijs, sport, toerisme en recreatie en mobiliteit zijn integraal op elkaar afgestemd. In de structuurvisie is ook aangegeven welke strategie de gemeente hanteert voor de uitvoering en de daarbij horende investeringen. Richting 2030 zet Woudenberg in op het verbinden, combineren en vernieuwen van haar kwaliteiten. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze sectoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030. Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten.
Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door deze: te vernieuwen: het centrum van Woudenberg tot aantrekkelijk boodschappen-, winkel- en verblijfsgebied voor bewoners en recreanten; te transformeren te herstructureren en te herontwikkelen: verschillende bedrijventerreinen waarvan bedrijventerrein Parallelweg en spoorzone de grootste zijn; te versterken: woningbouw in Woudenberg Oost (Hoevelaar) en op verschillende inbreidingslocaties; te verbreden: landbouw met verschillende agrarische nevenfuncties; te beschermen: de intrinsieke waarde van natuur, landschap en cultuurhistorie. Zo mogelijk kunnen deze ook beter benutbaar en beleefbaar worden gemaakt. Daarnaast is de structuurvisie opgedeeld in de volgende thema's: landschap en groen; wonen; economie; recreatie; verkeer; maatschappelijke voorzieningen. Toets Voor de voorgenomen ontwikkeling is het thema landschap en groen van belang. Woudenberg ligt in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goed woon- en leefkwaliteit. Het landschap laat niet alleen de geschiedenis en het heden zien, maar is (zeker in het buitengebied) ook een kapstok om toekomstige ontwikkelingen van haar gebruikers aan op te hangen.
Deze gebruikers zijn: de agrarische sector, de landgoederen, de intrinsieke waarden van natuur en recreatie. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies. Functies die bovendien niet langer naast elkaar staan, maar steeds meer met elkaar samenwerken en in combinatie een sterk recreatief en economisch concept zijn voor het buitengebied. Kaderstellend voor de visie op het landschap is het provinciaal beleid. De provincie streeft naar een landelijk gebied met kwaliteit. De opgave is dan ook de diversiteit, kwaliteit en intrinsieke waarde van natuur en landschap te behouden met oog voor de dynamiek en ontwikkelingen van haar gebruikers. Door het plan wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt door diverse landschappelijk en natuurmatregelen, zoals het realiseren van een bypass in de beek, de aanleg van een broekbosje, hoogstamboomgaard met bloemrijk grasland en oprijlaan met walnootbomen.
24
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Hoofdstuk 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 4.1 Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek.
Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Toets Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 11).
Afbeelding 12: Boven: Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de periode Laat Paleolithicum - Neolithicum. Onder: Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Bron: Gemeente Renswoude en Woudenberg, Een archeologische verwachtings- en advieskaart
Adviesbureau Haver Droeze BNT
25
In het bestemmingsplan is op basis van deze verwachting de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2' aan een deel van de gronden toegekend. Op basis van de archeologische dubbelbestemming dient bij ingrepen die een grotere oppervlakte beslaan dan 100 m 2 en dieper de grond in gaan dan 0,4 m archeologisch onderzoek te worden verricht. Met het voorliggende plan wordt de bouw van een kleine woning (450 m3) mogelijk gemaakt. Deze kleine woning ligt buiten de gronden met de archeologische dubbelbestemming. Het bijgebouw (van 80m 2) bij de kleine woning wordt wel gesitueerd binnen de gronden met de archeologische dubbelbestemming. Daarnaast is aangegeven dat een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders nodig is om onder ander de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: - het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 40cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; - het aanleggen van of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd. Het verbod is niet van toepassing als de oppervlakte ten hoogste 100m2 bedraagt. In het plan wordt een deel van de agrarische bebouwing gesloopt en worden nieuwe bomen aangeplant. Omdat de oppervlakte de drempelwaarde overschrijdt is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Voor het bestemmingsplan is een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Synthegra archeologie, Klein Moorst 3 te Woudenberg, Gemeente Woudenberg, Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek, 15-03-22, zie bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem grotendeels is verstoord door ploeg- of graafwerkzaamheden. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Op grond hiervan is ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Als bij werkzaamheden, anders dan het doen van opgravingen, vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, moeten deze op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed c.q. gemeente Woudenberg) worden gemeld en gedurende zes maanden ter beschikking worden gehouden voor onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Algemene bedrijvigheid Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Agrarische bedrijven De regelgeving met betrekking tot geurhinder en veehouderijbedrijven is opgenomen in de Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv). De Wgv maakt onderscheid tussen dieren mét en dieren zonder geuremissiefactor. De beoordeling of sprake is van geurhinder voor deze dieren bestaat bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) voor dieren zonder geuremissiefactor uit een toetsing aan de voorgeschreven minimum afstanden.
Voor dieren zonder geuremissiefactor bedraagt de minimaal in acht te nemen afstand tussen een geurgevoelig object en het emissiepunt (buitenzijde stal of uiterste grens van het bouwvlak) buiten de bebouwde kom 50m.
26
bestemmingsplan Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg (ontwerp)
Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft een hindergevoelige functie. Zodoende is beoordeeld of voor de woningen geen hinder van omliggende functies valt te verwachten en andersom of deze functies niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de ontwikkeling. Voor agrarische bedrijven kan voldaan worden aan de 'vaste afstanden' uit de Wet Geurhinder en veehouderij (50m), omdat het dichtsbijzijnde bedrijf op ruim 260m ligt. In de omgeving van het plangebied liggen geen overige bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde 'stand stillbeginsel'. Toets Er is een verkennend bodemonderzoek voor het bouwvlak uitgevoerd (PJ milieu bv, verkennend bodemonderzoek Klein Moorst 3 Woudenberg, 23 september 2021, zie bijlage 3).
De resultaten zijn als volgt samen te vatten: De locatie is onderzocht als zijnde onverdacht; In de bodem zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen; In de vaste bodem zijn geen verhoogde gehalten aangetoond; In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetroffen. Door de Omgevingsdienst is aangegeven dat enkel het bouwvlak onderzoeken onvoldoende is voor de bestemmingsplanwijziging. Daarom is een verkennend bodemonderzoek van het gehele plangebied uitgevoerd (PJ milieu bv, Verkennend bodem- en verkennend en nader asbest in grondonderzoek, 9 mei 2022, zie bijlage 4). Daarbij wordt de locatie als verdacht beschouwd ten aanzien van asbest door de aanwezigheid van voormalige spoelzones. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de hypothese 'onverdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek geen stand houdt. Enkele parameters zijn licht verhoogd aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt echter niet noodzakelijk geacht. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodemonderzoek te adviseren. Uit het verkennend asbest in grondonderzoek blijkt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het asbest in grondonderzoek stand houdt. In één gat (nummer 41) is asbest aangetroffen.
In diverse asbest(meng)monsters is asbest aantoonbaar. Het gehalte overschrijdt de grenswaarde alleen in gat 41. Er is nader asbest in grondonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse van drie deelsleuven rondom gat 41 de interventiewaarde wordt overschreden. Binnen de onderzoekslocatie is de vaste bodem over een oppervlakte van circa 5m 2 verontreinigd met asbest. Er is redelijkerwijs sprake van een historisch geval van ernstige verontreiniging. De asbest bevindt zich onder een klinkerverharding. Hiermee zijn er geen onaanvaardbare risico's. Een spoedige sanering is dan ook niet noodzakelijk. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader asbest in grondonderzoek te adviseren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Adviesbureau Haver Droeze BNT
27
4.4 Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Toets Het plangebied kent geen dubbelbestemming voor cultuurhistorische waarden en er bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. De bebouwing die wordt gesloopt betreft geen karakteristieke bebouwing. Ten westen van het plangebied ligt de Grebbelinie. De ontwikkeling in het plangebied doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het gebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5 Duurzaamheid De klimaatveranderingen, de eindigheid van de fossiele brandstof en het daarop anticiperende beleid van verschillende overheden vragen er om dat actief gekeken wordt naar duurzaamheid in nieuwbouwplannen. Het betreft thema's zoals CO2- en energiebesparing, duurzame energie en duurzaam bouwen.
De ambitie van de gemeente Woudenberg is om in 2030 een duurzame gemeente te zijn, waarbij iedereen meewerkt om duurzaamheid na te streven. Toets Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op transformatie van een agrarisch perceel naar wonen. De ontwerpen van de nieuwe woningen zijn op dit moment nog niet bekend. In het plan zal voldaan worden aan de nieuwste wetgeving op het gebied van duurzaamheidseisen. De duurzaamheidsaspecten zullen in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning verder worden uitgewerkt. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6 Ecologie De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming.
Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (nee, tenzij-beginsel). Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de Provincie.