Huijbergen Canadaplein Bergsestraat Compositie 5.pdf
Tekst van het document
In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. Beleid gemeente Woensdrecht Conform het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Woensdrecht ligt bij nieuwbouw de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding primair bij de perceeleigenaar. Enkel indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs niet kan worden vereist dat het afvloeiend hemelwater op of in de bodem (of in het oppervlaktewater)wordt gebracht (aan te tonen door initiatiefnemer), zal de gemeente zorgen voor een geschikte voorziening voor de afvoer van hemelwater, mits dat op een doelmatige manier kan.
Bij nieuwbouw is de initiatiefnemer dus verantwoordelijk voor het gescheiden verwerken van hemelwater en het hydrologisch neutraal houden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling.
30
Gemeente Woensdrecht
In het beleid van de gemeente is geen maximaal percentage verharding vastgelegd, echter worden initiatiefnemers erop gewezen dat in het kader van de klimaatverandering het wenselijk is om vergroening van particuliere percelen na te streven (en verstening tegen te gaan). Hierbij kan zowel gedacht worden aan vergroening van tuinen, toepassen van halfverharding ter plaatse van opritten alsook het toepassen van groene daken. Hiermee wordt het tegengaan van hittestress en/of wateroverlast bevorderd. Beoordeling Beschermde gebieden Er gelden regels voor invloedsgebieden Natura-2000. Vanwege de ligging nabij Natura2000 stelt het waterschap Brabantse Delta beperkende regels op voor het wijzigen van grondwaterstanden in deze gebieden. Met dit plan worden geen wijzigingen in de grondwaterstanden beoogd. Dit specifieke beschermingsregiem uit de keur wordt gerespecteerd. Hemelwater Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Het verharde deel van het plangebied beslaat in de huidige situatie een oppervlak van circa 2.803 m2 en was voorheen vrijwel volledig verhard. In de beoogde situatie is het plangebied verhard met een oppervlakte van 4.517 m 2. De toename aan verharding bedraagt (4.517 - 2.803 =) 1.714 m2.
Ten gevolge van het planvoornemen bedraagt de verhardingstoename met zekerheid minder dan 2.000 m². Het treffen van nadere maatregelen ten behoeve van retentie is om die reden niet noodzakelijk. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Huishoudelijk afvalwater Gescheiden van het hemelwater wordt het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) verwerkt en aangesloten op de bestaande afvalwaterriolering. Het afvalwater wordt van daaruit afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door de scheiding van het vuilwater van het hemelwater (hemelwaterafvoer; HWA) wordt de bestaande riolering minder belast dan in de huidige situatie.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
31
Conclusie Op grond van de watertoets kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingen in het plangebied geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding. 4.4
Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Blijkens de cultuurhistorische waardenkaart is nabij het plangebied sprake van ‘overige bouwkunst’. Het betreft een woonhuis aan de Bergsestraat 6-8. De aanwijzing als overige bouwkunst is gebaseerd op informatie uit de CHW 2006.
De informatie uit de CHW 2006 stelt de provincie beschikbaar, zodat deze als basis kan dienen voor het opstellen van gemeentelijke erfgoedkaarten De gemeente Woensdrecht heeft daarop volgend het betreffende gebouw aangewezen als gemeentelijk monument. Het initiatief heeft geen effect op de cultuurhistorische waarden van het pand. Het monument blijft in de huidige staat behouden. Het planvoornemen heeft geen effect op de bouwkundige staat van het monument. Voorts volgt uit de cultuurhistorische waardenkaart dat de locatie is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap de ’Brabantse Wal’. De voornaamste ontwikkelstrategie betreft het behoud en de accentuering van de aanwezige variatie aan landschapstypen. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt betreffen dit heuvelachtige landschappen van zeer oud eikenhakhout op steilranden. Begroeiing van onder meer zomereik, berk, Amerikaanse vogelkers, grove den, Amerikaanse eik, sporkehout, wilde lijsterbes, hulst, trosvlier, wilde lijsterbes, salomonszegel, wilde kamperfoelie en struikhei komt voor. Binnen het plangebied is dit landschapstype echter niet aanwezig, nu het plangebied thans is ingericht ten behoeve van het wonen en maatschappelijke voorzieningen (inclusief aanwezige verhardingen) en tevens behoort tot de bebouwde kom van Huijbergen.
Gelet hierop wordt met het onderhavige planvoornemen geen inbreuk gemaakt op de cultuurhistorische waarden gelegen binnen het landschap de ‘Brabantse Wal’.
32
Gemeente Woensdrecht
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met de rode omlijning wordt het plangebied aangeduid. noord-brabant.maps.arcgis.com, 2020
Over het besluitgebied en de directe omgeving is een molenbiotoop gelegen. De molenbiotoop maakt op de Cultuurhistorische Waardenkaart deel uit van het aspect ‘zichtrelaties’. In het vigerende bestemmingsplan is een regeling opgenomen binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’, waarbinnen het besluitgebied is gelegen. De gronden binnen deze aanduiding zijn bestemd als obstakelvrije ruimte ten behoeve van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig. In het artikel is een regeling opgenomen waarbinnen de bouwhoogte van bouwwerken wordt beperkt binnen de opgenomen aanduiding. Het Canadaplein ligt op een afstand van circa 365 meter vanaf de molen. Met onderhavig plan wordt aan de Bergsestraat voorzien in bouwhoogten die min of meer gelijk zijn aan de bestaande bebouwing. Op het Canadaplein kan gebouwd worden tot 12 meter hoogte, die hoogtes zullen geen belemmering vormen voor de zichtrelatie van de molen.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
33
Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. 4.5
Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De gemeente Woensdrecht heeft op 27 september 2018 de ‘Archeologische waardenen verwachtingenkaart’ vastgesteld. Blijkens de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge trefkans. Derhalve is door Econsultancy archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de twee deellocaties van het plangebied . De rapportages daarvan zijn als Bijlage 3 en Bijlage 4 toegevoegd bij deze toelichting.
34
Gemeente Woensdrecht
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Woensdrecht met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Rode gebieden: hoge trefkans, gele gebieden: middelhoge trefkans
Archeologisch onderzoek Canadaplein 1 Doel van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting voor het besluitgebied op te stellen. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het besluitgebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Uit de landschappelijke ligging, op de Brabantse Wal blijkt dat het besluitgebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het besluitgebied alleen sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen van landbouwers vanaf het Neolithicum. Het besluitgebied heeft een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd om de geplande graafwerkzaamheden in het besluitgebied nader te onderzoeken door middel van archeologische begeleiding van de geplande graafwerkzaamheden. Voor de rest van het besluitgebied waar geen
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
35
graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden, en waar nog archeologische waarden worden verwacht, blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ gehandhaafd. Archeologisch onderzoek Bergsestraat 10 Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Deze is laag voor het Paleolithicum en Mesolithicum door het ontbreken van een gradiëntzone en resten uit deze periodes binnen het onderzoeksgebied. De verwachting is middelhoog voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Er is een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vanaf 1777 is er ook cartografisch bewijs dat het plangebied deel uitmaakt van de historische kern en dat het plangebied bebouwd is. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Het eerder onderzochte deel, het Canadaplein 1, heeft als advies een archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Aangezien het op die locatie gaat om de uitbreiding van een bestaand gebouw met een gering oppervlak, is dat daar ook de beste optie. Aan de Bergsestraat 10 is sprake van een andere situatie.
Hier zal de bestaande bebouwing volledig verwijderd worden, waarna er nieuwe bebouwing gerealiseerd worden. Tussen de bovengrondse sloop en de nieuwbouw kan er een proef-sleuvenonderzoek en een eventuele opgraving uitgevoerd worden, zodat er voorafgaand aan de start van de nieuwbouw de archeologie ex situ behouden is. De ondergrondse sloop kan pas plaatsvinden tijdens of na het archeologisch onderzoek. Conclusie De graafwerkzaamheden aan het Canadaplein 1 dienen archeologisch begeleid te worden. Voor de Bergsestraat 10 dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd na de sloop van de bestaande bebouwing. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ blijft gehandhaafd ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden aldaar. 4.6
Ecologie
4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de
36
Gemeente Woensdrecht
Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Brabantse Wal’, welke is gelegen op een afstand van 300 meter. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de nabijheid van de Brabantse Wal is door Emphasis een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het rapport daarvan is opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden en/of de vogelrichtlijngebieden voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase minder dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. De drempelwaarde wordt dus niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het realiseren van het planvoornemen. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb.
De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ecodat heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het plangebied als gelegen aan het Canadaplein 1 en de Bergsestraat 10 te Huijbergen. De quickscan is opgenomen als Bijlage 6 bij onderhavige toelichting. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplan- wijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
37
hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied beide panden te slopen en hier nieuwbouw voor in de plaats te realiseren. Op basis van de quickscan flora en fauna kan gesteld worden dat de geplande ingreep mogelijk negatieve invloed zal hebben op wettelijk beschermde soorten. Er zal nader onderzoek noodzakelijk zijn naar het voorkomen van en het gebruik van het plangebied voor de volgende soorten: • Huismus, Bergsestraat 10; • Gierzwaluw, Bergsestraat 10; • Vleermuizen, Bergsestraat 10 en Canadaplein 1; Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door groen te verwijderen buiten het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene, grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Conclusie De mogelijk negatieve impact van het plan wordt nader onderzocht met een nader onderzoek naar het habitat voor de Huismus en Gierzwaluw. Tevens wordt een jaarrond onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. Mogelijk dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Voor wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan kan gesteld worden dat in de directe omgeving zijn voldoende mogelijkheden zijn om mitigerende maatregelen te treffen. 4.7
Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ▪ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ▪ de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; ▪ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. De tabel hierna hier een overzicht van:
38
Gemeente Woensdrecht
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Econsultancy en het onderzoeksrapport is als bijlage 7 toegevoegd aan deze toelichting. Vanuit de Wet geluidhinder dient bij de realisatie van gevoelige functies getoetst te worden of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting. Wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 50 km/u of meer hebben een onderzoekszone.
Doordat het plan gelegen is binnen een 30 km-zone hebben de nabijgelegen relevante wegen (Boomstraat, Dorpsstraat en Bergestraat) geen geluidszone en derhalve geen overlap met het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie is echter een akoestisch onderzoek naar het woon- en leefklimaat ten gevolge van dergelijke wegen benodigd. Naast de nabijgelegen wegen ligt ten noordwesten van het plan Vliegbasis Woensdrecht. Ten gevolge van de aanwezige vliesbasis dient in de ruimtelijke onderbouwing rekening te worden gehouden met luchtvaart- en industrielawaai. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt op enkele woningen en appartementen ten hoogste 55 dB. Daarmee is in het kader van een goede ruimtelijke ordening nog steeds sprake van een redelijk woon- en leefklimaat. Omdat het plan niet binnen de zonering van een weg ligt kan er geen hogere waarde worden vastgesteld. Voor een optimaal woon- en leefklimaat wordt echter geadviseerd om het akoestisch klimaat in de woningen en appartementen (het zogenaamde binnenniveau) van maximaal 33 dB te garanderen. Bij de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen wordt dit aangetoond.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
39
Conclusie Conform het Bouwbesluit 2012 dient de geluidwering van de gevel, met een minimum van 20 dB, zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB voor wegverkeerslawaai. Er is dan sprake van een optimaal woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. In de (directe) omgeving van het plangebied komen immers diverse functies voor, die voornamelijk zijn gerelateerd aan de Bergsestraat die fungeert als hoofdweg bij het ‘functionele centrum’. Het betreft de functies detailhandel, dienstverlening en horeca, in combinatie met wonen. Op grond daarvan kan het plangebied worden beschouwd als gelegen in een gemengd gebied. Richtafstanden uit de VNG-brochure kunnen derhalve met één afstandstrap worden verlaagd.
Ten behoeve van het planvoornemen worden er 9 grondgebonden rijwoningen aan de Bergsestraat 10 gerealiseerd. Aan het Canadaplein worden 13 appartementen verdeeld over drie bouwlagen en een supermarkt in de eerste bouwlaag van het appartementsgebouw gerealiseerd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Uit een scan van omliggende functies blijkt dat nèt wordt voldaan aan de afstand van nieuwe gevoelige objecten tot aan de bestaande brandweerkazerne. Er wordt 30 meter gemeten tot de brandweerkazerne, terwijl een richtafstand van 30 meter wordt voorgeschreven. Uit rechtspraak inzake een gelijke, kleine brandweerkazerne in Ooltgensplaat, blijkt dat geluidhinder afkomstig vanaf een kleine brandweerkazerne niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende
40
Gemeente Woensdrecht
gevoelige objecten. Voor een brandweerkazerne, in de VNG-brochure opgenomen onder code 7525 van de Standaard Bedrijfsindeling, geldt een afstand van minimaal 50 meter. Deze afstand wordt met name bepaald door het aspect geluid. De verkeersaantrekkende werking van een brandweerkazerne is volgens de brochure beperkt. Wat betreft de te verwachten hinder stelt de Afdeling voorop dat het in een geval van een relatief kleine brandweerkazerne geen nadelige effecten zal hebben op het woonen leefklimaat van omliggende gevoelige objecten [ECLI:NL:RVS:2002:AE4658, r.o. 2.6.2]. Ook hier in Huijbergen gaat het om een kleine brandweerkazerne, waarbij de brandweer slechts incidenteel oefeningen uitvoert of daadwerkelijk uitrukt. Daarbij wordt de sirene van de Brandweer pas aangezet buiten de inrichting, in het openbaar gebied. Ondanks dat de supermarkt voldoet aan de richtafstanden is het een bijzonder geval. Denk aan de bijkomende laad en los plek, ventilatie en een parkeerplaats die zorgen voor een geluidstoename op de gevoelige functies. Ook voldoet de brandweerkazerne niet aan de richtafstanden ten behoeve van de beoogde realisering van de gevoelige functie. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de nieuwe functies eventueel sprake is van een minder aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.
Dat onderzoek is toegevoegd als bijlage 8 bij de toelichting. De resultaten van dat onderzoek worden hierna besproken. Inrichting, bestemming
SBI Omschrijving
Richtafstand (m) Gemengd gebied
Brandweer, Canadaplein 3 Canadaplein 1, Supermarkt Bergsestraat 3, Kapsalon Pascal Bergsestraat 5, Stultiëns Assurantiën Boomstraat 1, Onze Lieve Vrouwen Hemelvaartkerk Boomstraat 2, eetcafé de Kroon
Brandweerkazerne
30
Gemeten Afstand (m) tussen bestemmingen 30
Detailhandel voor zover n.e.g.
0
0
Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten Apotheken en drogisterijen
0
40
0
45
Kerkgebouwen e.g
10
50
Restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.
0
40
Dorpsstraat 5, Alexander Aerden Autobanden Aannemersbedrijf P. Michielsen
Reparatie t.b.v. particulieren (excl. Auto’s en motorfietsen)
0
40
Aannemersbedrijven met werkplaats: b.o. <1000 m2
10
60
Overzicht richtafstanden tot plangebied, gebaseerd op een gemengd gebied. Bron: VNGuitgave ‘bedrijven en milieuzonering’.
Econsultancy heeft ten aanzien van de effecten van de verplaatste supermarkt een akoestisch onderzoek industrielawaai industrielawaai uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging voor Canadaplein 1 te Huijbergen. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij onderhavige toelichting.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
41
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden aan de VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering. De supermarkt is een type B inrichting, welke volledig onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Dergelijke inrichtingen dienen bij het bevoegd gezag melding maken van een oprichting. In het akoestisch onderzoek worden, ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging als de oprichting van de supermarkt, beide toetsingskaders gehanteerd. Het akoestisch onderzoek is gebaseerd op het ontwerp bouwplan van De Nijs-Soffers van de bebouwing aan het Canadaplein 1. Uit de resultaten blijkt dat aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit de publicatie bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Voor de maximale geluidniveaus vindt een overschrijding plaats zowel bij de nieuwe appartementen als bij de bestaande woningen. De overschrijding wordt veroorzaakt door enerzijds de stalling en het rijden met winkelwagens, anderzijds door het wegrijden en vertrekken van de bevoorradingsauto gedurende twee keer per dag. Alle maatregelen die kunnen worden genomen om de maximale geluidniveaus te reduceren zijn genomen.
Voor het onderhavig plan zijn in overleg reeds de volgende maatregelen voorzien: • asfaltverharding parkeerterrein; • vellingloze tegelverharding trottoir; • akoestisch optimale situering volledig overdekte winkelwagenstalling; • luifel ter plaatse van laad- en loslocatie met een dockshelter; • direct uitschakelen van de koelmotor van de geconditioneerde vrachtwagens en het rustig optrekken van vertrekkende vrachtwagens; • kunststof winkelwagens. De consequentie van een combinatie van supermarkten en appartementen is dat de geluidbelastingen als gevolg van het rijden met winkelwagens en bevoorrading op piekmomenten hoog kan zijn. Om het woon- en leefklimaat in de woningen (binnenniveau) te kunnen garanderen wordt voor de nieuwe appartementen een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd. Voor de bestaande woningen wordt geconstateerd dat deze lagere overschrijdingen hebben, waardoor het vereiste binnenniveau in de goed onderhouden woningen zal worden behaald. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Op basis van bovenstaande motiveringen kan het bevoegd gezag de overschrijdingen bij geluidgevoelige bestemmingen in een centrum acceptabel achten.
Hierbij kan tevens in overweging worden genomen dat bij de situering van de supermarkt aan de Bergsestraat en de op zeer korte afstand gelegen geluidgevoelige bestemmingen vergelijkbare overschrijdingen zullen optreden. Met de verplaatsing zal ter hoogte van de Bergsestraat sprake zijn van een aanzienlijke verbetering van het huidige akoestisch woon- en leefklimaat.
42
Gemeente Woensdrecht
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig initiatief. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voldaan aan de richtwaarden voor de langtijdgemiddelden. Om geluidsbelasting van piekmomenten te reduceren, wordt ten tijde van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen een akoestisch onderzoek voorgeschreven ter waarborging van het binnenklimaat in de nieuwe appartementen aan het Canadaplein 1.
Uitsnede risicokaart met het plangebied globaal aangeduid met een gele ster. Risicokaart, 2020
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
43
is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een LPG opslag bij een tankstation aan de Bergsestraat. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 180 meter tot het plangebied. Er geldt voor LPG opslag een plaatsgebonden risicocontour van 25 meter en een groepsrisicocontour van 150 meter. Het initiatief ligt buiten die zones. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen (zie voorgaande uitsnede van de risicokaart). Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
44
Gemeente Woensdrecht
4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat er binnen en in de nabijheid van het plangebied geen hogedruk buisleidingen zijn gelegen, waarvoor een beschermingsregime geldt op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (zie voorgaande uitsnede van de risicokaart). Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid.
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
45
om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 9 grondgebonden woningen, 13 appartementen en een supermarkt in de plint van het appartementsgebouw. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de kaart stikstofdioxide 2018 (NO2) en Fijnstof 2018 (PM10) van het RIVM ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
46
Gemeente Woensdrecht
4.11 Geur Toetsingskader Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. Deze wet biedt de gemeente de mogelijkheid om een eigen geurhinderbeleid op te stellen. De gemeente Woensdrecht heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld. In geval van geurhinder van veehouderijen veroorzaakt door veehouderijen zijn de begrippen voorgrond- en achtergrondbelasting van belang. Hieronder wordt eerst even kort op de begrippen ingegaan en worden wat voorbeelden gegeven. Voorgrondbelasting: de geurbelasting veroorzaakt door de veehouderij die voor dat geurgevoelige object dominant is. Dus de geurbelasting van die veehouderij die de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt, bijvoorbeeld omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object ligt. Achtergrondbelasting: de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelige object. Dus de geurbelasting door de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier).
De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. In de Wgv zijn zowel geurnormen als vaste afstanden benoemd. De geurnormen (artikel 3 lid 1) zijn van toepassing bij veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden minimaal aan te houden afstanden. Deze zijn opgenomen in artikel 4 van de Wgv en deze afstand bedraagt doorgaans 100 meter voor een planlocatie binnen de bebouwde kom. Voor alle dieren (met of zonder geuremissiefactor) geldt een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Deze zijn opgenomen in artikel 5.1 van de Wgv en bedraagt in beginsel 50 meter voor een locatie in de bebouwde kom. Beoordeling Het plangebied ligt binnen in de bebouwde kom van Huijbergen. Derhalve is volgens artikel 3 lid 1 van de Wgv een geurnorm van 3 ou van toepassing. Gemeenten mogen echter van bovenstaande norm afwijken. Bij een inventarisatie via het BVB Brabant is gebleken dat aan de Bergsestraat 28 te Huijbergen volgens de BVB melkvee wordt gehouden. Voor deze dieren is geen geuremissiefactor vastgesteld.
Op grond van artikel 4 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een minimale afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom. In dit
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
47
geval geldt echter dat rond de melkveehouderij aan de Bergsestraat 28 diverse andere burgerwoningen gelegen zijn die maatgevend zijn. Het agrarisch bedrijf wordt dan ook niet door de ontwikkeling in zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt. Tevens is hier al sedert 2007 geen vee meer gehouden. Conclusie Het initiatief belemmert de ontwikkeling van agrarische bedrijven niet. 4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd.
Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:
1
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
48
Gemeente Woensdrecht
1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd.
Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Met het onderhavige planvoornemen is er sprake van de nieuwbouw van woningen en kleine uitbreiding van een supermarkt. Dit betreffen geen activiteiten die voorkomen op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.beoordeling resteert.
Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. De aanmeldnotitie is toegevoegd als bijlage 9 bij onderhavige toelichting. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
49
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Uit de toelichting volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. In Bijlage 9 is een aanmeldnotitie opgenomen.
50
Gemeente Woensdrecht
5
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
5.1
Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het bestemmingsplan “Bebouwde kom Huijbergen, 1e herziening”. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: ▪ inleidende regels; ▪ bestemmingsregels; ▪ algemene regels; ▪ overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan
5.3
Regels
5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
51
Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: ▪ bestemmingsomschrijving; ▪ bouwregels; ▪ nadere eisen; ▪ afwijken van de bouwregels; ▪ specifieke gebruiksregels; ▪ afwijken van de gebruiksregels; ▪ omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; ▪ omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; ▪ wijzigingsbevoegdheid. Een regel hoeft niet alle elementen te bevatten, dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 ‘Gemengd – 3’ Het deelgebied van het Canadaplein krijgt een woonfunctie en een detailhandelsfunctie. Derhalve is gekozen voor een gemengde bestemming. De bouwhoogte bedraagt maximaal 12 meter en er geldt géén goothoogte. Het aantal woningen bedraagt maximaal 13. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht, met de voorgevel in de aangeduide voorgevellijn. Artikel 4 ‘Wonen – 3’ De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen - 3’ zijn bedoeld voor wonen in onder andere aaneen gebouwde woningen. Het aantal woningen bedraagt maximaal 13.
Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht, met de voorgevel in de aangeduide voorgevellijn. Artikel 5 ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ De voor 'Verkeer – Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, pleinen, terrassen, verhardingen en fiets- en voetpaden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie met daaraan ondergeschikt onder andere bermen, groenvoorzieningen, water, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Artikel 6 ‘Waarde – Archeologie’ De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet
52
Gemeente Woensdrecht
nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 8 ‘Algemene bouwregels’ Dit artikel geeft de algemene regels voor het ondergronds bouwen weer. Tevens is geregeld hoe om te gaan met bestaande afwijkende afstanden en maten. Artikel 9 ‘Algemene aanduidingsregels’ Er zijn algemene aanduidingsregels opgenomen ten behoeve van luchtvaartverkeerzone rondom de IHCS en de ILS en het radarverstoringsgebied
de
Artikel 10 ‘Algemene afwijkingsregels’ Dit artikel bestaat uit algemene afwijkingen; er wordt een aantal zaken genoemd waarbij het bevoegd gezag bevoegd is om een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van de afwijking. Artikel 11 ‘Algemene wijzigingsregels’ Dit artikel bestaat uit algemene wijzigingen; er wordt een aantal zaken genoemd waarbij burgemeester en wethouders bevoegd zijn het plan te wijzigen. Artikel 12 ‘Overige regels’ In dit artikel is de waarborging opgenomen ten behoeve van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 13 ‘Overgangsrecht’ In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wabo, overgenomen. Het betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen.
Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 14 ‘Slotregel’ Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
53
54
Gemeente Woensdrecht
6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.2
Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
6.3
Economische uitvoerbaarheid Het onderhavige planvoornemen is Grondexploitatiewet-plichtig, echter het verhaal van de kosten is anderszins verzekerd. De anterieure kosten alsmede eventuele kosten met betrekking tot planschade zullen verhaald worden door middel van een anterieure overeenkomst. Deze wordt gesloten alvorens het bestemmingsplan als ontwerp ter visie wordt gelegd.
Bestemmingsplan ‘Canadaplein 1 en Bergsestraat 1, Huijbergen”
55
56
Gemeente Woensdrecht
7
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
7.1
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De resultaten van het vooroverleg worden te zijner tijd verwerkt in onderhavige toelichting.
7.2
Inspraak De inspraakverordening van de gemeente Woensdrecht gebiedt dat het voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage dient te worden gelegd voor een inspraakperiode van zes weken. Dit inspraakmoment maakt geen onderdeel uit van de ‘formele’ procedure uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De resultaten van inspraakreacties worden te zijner tijd verwerkt in onderhavige toelichting.
7.3
Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.