Houtskoolschets Brabants Programma Landelijk Gebied_14 maart 2023.pdf
Tekst van het document
Dit instrument zal, om de overgangsgebieden en bufferzones goed uit te werken, geactualiseerd en herijkt moeten worden. Op weg naar het BPLG van 1 juli kijken we naar de geschiktheid van dit instrument voor de uitwerking van overgangsgebieden en bufferzones.
14 MAART 2023
28
3. Perspectief voor duurzame landbouw Het grootste deel van het landelijk gebied is en blijft agrarisch. De landbouw is van belang voor ons cultuurlandschap en ons voedsel en de leefbaarheid van het platteland. Agrarische ondernemers hebben ook een belangrijke rol in de realisatie van de doelen voor natuur, water en klimaat. Dit vraagt om een transitie van de landbouwsector ten opzichte van de huidige situatie. In heel Brabant is er een forse opgave, voor zowel agrarische ondernemers zelf als voor de ketenpartijen en overheden, om de agrarische bedrijfsvoering meer in lijn te brengen met de condities van een robuust bodem- en watersysteem en daarvoor nieuwe verdienmodellen te ontwikkelen. Een ruimtelijke vertaling van het perspectief voor de landbouw kan leiden tot nieuw provinciaal beleid. We onderzoeken de mogelijkheden voor ruimtelijke bescherming van goede landbouwgronden, inclusief de toepassing van het instrument landschapsgronden. A. Overgangsgebieden optimaal geschikt voor extensief/natuurinclusieve graasdierhouderij en natte (biobased) teelten Toelichting: Het gaat hier om dezelfde overgangsgebieden als onder 2.
De doelen voor natuur en water kunnen in deze overgangsgebieden en bufferzones leiden tot een extensivering van het agrarische grondgebruik, onder andere door vernatting, de benodigde reductie van stikstofuitstoot en aanvullende gebruiksregels vanuit waterkwaliteit en onttrekkingen. In deze gebieden richten we ons op het beschikbaar houden (beschermen) van gronden voor extensieve/natuurinclusieve graasdierhouderij (graslanden) en natte (biobased) teelten, vanwege het grote belang voor het realiseren van natuur-, water- en klimaatdoelen in de kwetsbare gebieden. Bestaand/ nieuw beleid: De ruimtelijke uitwerking hiervan is onderdeel van bestaand provinciaal beleid (beleidskader Natuur), maar moet verder worden uitgewerkt.
AGENDA VOOR HET RUIMTELIJK ONTWIKKELPERSPECTIEF
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
B. Flanken van zandgronden optimaal geschikt voor grondgebonden landbouw en op de hoge zandgronden kansen voor niet grondgebonden teelten en verbreding Toelichting: Op de flanken van de zandgronden zal door hogere grondwaterpeilen de landbouwkundige geschiktheid van gronden fors verbeteren (minder droogtegevoelig). Dit biedt goede kansen voor hoogproductieve grondgebonden landbouw, met aandacht voor de juiste teelt op de juiste plek en voor het voorkomen/verminderen van emissies naar grond- en oppervlaktewater. We onderzoeken de mogelijkheden voor ruimtelijke bescherming van deze goede landbouwgronden. Daarnaast zien we kansen om specifieke gebieden voor duurzame teelten te optimaliseren bijvoorbeeld voor de boomteelt, zodat dit kan bijdragen aan vermindering van intensieve teelten in overgangsgebieden en bufferzones. De grondgebonden landbouw op de hoge gronden(ruggen) zal rekening moeten houden met droge omstandigheden en minder mogelijkheden voor beregening. Hier liggen voor agrarische ondernemers vooral kansen voor niet-grondgebonden teelten (zoals met containers), als dit landschappelijk passend is, en verbreding van activiteiten zoals zonne-energie en bebossing. Voor niet-grondgebonden teelten geldt dat deze de bodem niet afdekken, zodat waterinfiltratie mogelijk blijft.
14 MAART 2023
29
D. Perspectief hokdierhouderij Toelichting: Het perspectief voor de hokdierhouderij is mede gekoppeld aan de stikstofopgave die voortkomt uit de ligging van de Natura 2000-gebieden en andere stikstofgevoelige natuurgebieden. Daarnaast zijn gezondheid van burgers en een goede woon-, werk- en leefomgeving randvoorwaardelijk voor het perspectief voor een duurzame hokdierhouderij. De gebieden beperkingen veehouderij in de IOV vinden hier hun oorsprong in. Via het geldende generieke beleid realiseert de hokdierhouderij emissiereductie. Rondom Natura 2000-gebieden ligt er een extra emissiereductie-opgave om de gestelde natuurdoelen te bereiken. E. Concentratiegebieden glastuinbouw In de concentratiegebieden glastuinbouw is ontwikkelruimte voor de glastuinbouw. Dit zijn gebieden waar de glastuinbouw zoveel mogelijk wordt geconcentreerd. De huidige concentratiegebieden zijn verankerd in de Interim Omgevingsverordening.
Bestaand/nieuw beleid: De ruimtelijke uitwerking hiervan is geen onderdeel van bestaand provinciaal beleid en zal verder worden verkend. C. Polders optimaal geschikt voor duurzame hoogproductieve landbouw Toelichting: De polders zijn optimaal geschikt voor duurzame hoogproductieve landbouw. We onderzoeken de mogelijkheden voor ruimtelijke bescherming van deze goede landbouwgronden. Er zijn kansen om de geschiktheid te optimaliseren via bijvoorbeeld wateraanvoer en het vergroten van het vochtvasthoudend vermogen van de bodem (minder verdichting en meer organische stof). Verduurzaming in de landbouw zal bijdragen aan verbetering van de waterkwaliteit. Bestaand/ nieuw beleid: De ruimtelijke uitwerking hiervan is geen onderdeel van bestaand provinciaal beleid en zal verder worden verkend.
AGENDA VOOR HET RUIMTELIJK ONTWIKKELPERSPECTIEF
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
3.3 Specifieke opgaven voor gebiedsgerichte invulling van de ontwikkelingsrichtingen De opgaven die in de ontwikkelingsrichtingen nader worden uitgewerkt hebben tot nu toe vooral te maken met de nadere invulling van ‘water en bodem sturend’. Specifieke opgaven kunnen nog worden toegevoegd. De specifieke deelopgaven binnen ‘water en bodem sturend’ zijn: 1. Water vasthouden; 2. Ruimte voor waterberging; 3. Invloedsgebied beperking grondwateronttrekkingen; 4. Grondwaterbeschermingsgebieden.
14 MAART 2023
30
2. Ruimte voor waterberging Toelichting: Ruimte voor waterberging wordt gezocht in de bestaande zoekgebieden voor het hoofdwatersysteem en het regionale watersysteem. In de IOV zijn de gebieden opgenomen die gevoelig zijn voor wateroverlast (reserveringsgebieden waterberging) en gebieden waar gestuurde waterberging is voorzien of die van nature overstromen zoals beekdalen (regionale waterberging). Daaraan gekoppeld zijn er regels die uitvoering geven aan het beleid in het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). De gebieden worden periodiek geactualiseerd. Bestaand/ nieuw beleid: In het huidige beleid zijn zoekgebieden voor waterberging opgenomen. Uit de periodieke actualisaties kan blijken dat aanvullende zoekgebieden nodig zijn.
1. Water vasthouden
3. Invloedsgebieden beregening
Toelichting: Het is door heel Brabant belangrijk meer en langer water vast te houden. Afhankelijk van het type landschap en het watersysteem, zijn aard en omvang van de maatregelen verschillend. De hoge gronden zijn de buffers van het watersysteem. Het grondwater van deze gebieden is cruciaal voor het functioneren van het watersysteem als geheel. Hier moeten de maatregelen gericht zijn op het vasthouden van water, maximaal infiltreren van regenwater, voorkomen van oppervlakkige afstroom (geen drainage). De flanken zijn de gebieden waar het over het algemeen niet vaak te nat, maar door de nalevering van grondwater ook niet te droog is. In de beekdalen en andere lage gedeelten van Brabant is het streven om water vast te houden door ophoging van het bodemprofiel, versmalling van beken en sloten en natuurlijke opstuwing. In polders is het watersysteem het meeste stuurbaar. Omdat het systeem nu wel kwetsbaar is voor wateroverlast en droogte, moeten er meer en bredere, maar ondiepe sloten en watergangen komen om het water te kunnen bufferen. In deze gebieden zullen alle mogelijke maatregelen worden verkend, die ophoging van de gemiddelde voorjaarswaterstand (GVG) mogelijk maken tot het gewenste niveau, zoals plaatsen stuwen, aanpassen stuwen, verwijderen detailontwatering etc.
Toelichting: in de invloedsgebieden N2000 en natte natuurparels wordt beregeningsruimte bepaald op basis van draagkracht van het systeem en vergund door de waterschappen, in combinatie met instelling van onttrekkingsverboden bij droogte, gebaseerd op basis van metingen van actuele grondwaterstanden. In de invloedsgebieden beregening (ook wel beschermd gebied genoemd in de Keur van de waterschappen) is er sprake van een effect op de grondwaterstanden in N2000-gebieden als gevolg van onttrekkingen voor beregening. In heel Brabant wordt in 2027 een Bedrijfsbodem- en waterplan een voorwaarde om te mogen beregenen uit grondwater, waarbij in het BBWP maatregelen zijn vastgelegd om de sponswerking van de bodem te bevorderen, efficiënt water te gebruiken en grondwateraanvulling te verbeteren. Bestaand / nieuw beleid: De herziening van het beregeningsbeleid is onderdeel van het Grondwaterconvenant 2022-2027. Volgens planning vindt in 2024 verankering in de verordeningen van waterschappen en provincie plaats.
Bestaand/ nieuw beleid: Het beleid om water beter en langer vast te houden is al wel vastgesteld provinciaal beleid op hoofdlijnen, maar nog niet uitgewerkt en verankerd in regels of verordening. AGENDA VOOR HET RUIMTELIJK ONTWIKKELPERSPECTIEF
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
31
4. Grondwaterbeschermingsgebieden Toelichting: In de gebieden waar grondwater wordt onttrokken ten behoeve van menselijke consumptie, drinkwater en industrie, moet de kwaliteit van dit water beschermd worden. Dit betekent dat afsluitende bodemlagen intact moeten blijven en bestaand grondwaterbeschermingsbeleid wordt uitgevoerd, zoals is vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening. In grondwaterbeschermingsgebieden gelden verboden of sterke beperkingen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en wellicht ook mest. Ook worden in overeenstemming met bestaand beleid boringen voor bijvoorbeeld aardwarmte verboden. Bestaand / nieuw beleid: Bescherming van grondwaterbeschermingsgebieden is grotendeels bestaand beleid. Aanvullende beperkingen of verboden ten aanzien van bestrijdingsmiddelen en mest staan nog niet vast en kunnen onderdeel worden van generiek Rijksbeleid of nieuw provinciaal beleid.
AGENDA VOOR HET RUIMTELIJK ONTWIKKELPERSPECTIEF
4
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
33
De Houtskoolschets wil al richting geven aan het Brabantse maatregelenpakket dat in het BPLG wordt opgenomen. Dit is immers randvoorwaardelijk voor toekenning van middelen uit het transitiefonds natuur en landelijk gebied van de Rijksoverheid. Dit hoofdstuk gaat in op de opbouw van dat pakket en geeft al een eerste inhoudelijke uitwerking aan mogelijke maatregelen. Het maatregelenpakket vormt de basis voor de uitvoeringsstrategie met een indicatieve raming van de kosten.
4.1 Opbouw van het Brabantse maatregelenpakket Zes categorieën van maatregelen De voorgestelde ontwikkelstrategie wordt in het BPLG uitgewerkt in een samenhangend maatregelenpakket gericht op het halen van de nationale en provinciale doelen. Voorlopig onderscheiden we daarbij de volgende zes categorieën van maatregelen (zie ook figuur 4.1). 1. Emissiereductie agrarische bedrijven; 2. Ondersteuning van extensivering en verduurzaming landbouw; 3. Natuurherstelmaatregelen in én buiten Natura2000-gebieden; 4. Versterking en uitbreiding van natuur- en bosareaal; 5. Watersysteemmaatregelen; 6. Bodem- en waterkwaliteitsmaatregelen grond- en oppervlaktewater(lichamen). Deze categorieën worden in het BPLG verder ingevuld. Een eerste inhoudelijke uitwerking hiervan is opgenomen in paragraaf 4.2.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
34
Generieke uitwerking (landelijk en provinciaal) en Gebiedsgerichte uitwerking
Doelen
Emissiereductie (agrarische) bedrijven
• • • •
Reductiemaatregelen Stalaanpassingen/inzet emissiearme technieken Aanpassing voer-, mest- en grondgebruik Aanpassing gebruik gewasbeschermingsmiddelen
Ondersteuning van extensivering & verduurzaming landbouw
• • • • •
Verkennen nieuwe verdienmodellen Uitbreiding ecosysteemdiensten Vraag & aanbod ontwikkelruimte stikstof (oplossingen PAS-melders, interimmers) Landschapsgronden Faciliteren extensivering grondgebruik
Watersysteemmaatregelen
• • • •
Vasthouden van water en infiltreren van regenwater Voorkomen drainage en beperken grondwaterontrekkingen Verhogen van grondwaterpeilen Ruimte voor waterberging
Bodem & waterkwaliteitsmaatregelen grond- en oppervlaktewater(lichamen)
• • • •
Terugdringen emissies naar grond- en oppervlaktewater Opheffen/voorkomen van bodemverdichting Verhogen organisch stofgehalte bodems (bodemkoolstofvastlegging) Maatregelen KEW, Nitraatrichtlijn, Richtlijn gewasbescherming en VHR
Natuurherstelmaatregelen in én buiten Natura 2000-gebieden
• Inrichting • Gebruik • Beheer
Versterking natuur- en bosareaal
• Afronding/uitbreiding Natuur Netwerk Brabant en Natte Natuurparels • Uitbreiding van bos binnen en buiten NNB • Ruimte voor groen-blauwe dooradering
Figuur 4.1 Categorieën van maatregelen voor het BPLG.
Figuur 4.1 Categorieën van maatregelen voor het BPLG.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
35
Uitwerking in generieke en gebiedsgerichte maatregelen Bij de uitwerking van de zes categorieën van maatregelen worden in het BPLG drie typen maatregelen onderscheiden. Bij elke type maatregel verschilt de wijze waarop de provincie haar rol in de samenwerking met partners wil invullen. We onderscheiden: 1. Generieke maatregelen: doelen, uitwerking én maatregelen worden nationaal en/ of provinciaal bepaald en zijn gelijk voor hele provincie. Een voorbeeld hiervan is de stallenmaatregel uit de IOV; 2. Generiek – Gebiedsgerichte maatregelen: doelen en uitwerking worden generiek bepaald, met ruimte voor een gebiedsspecifieke invulling en inpassing van maatregelen. Een voorbeeld is de toepassing van KRW-maatregelen bij beekinrichting; 3. Gebiedsgerichte maatregelen: doelen/randvoorwaarden worden generiek bepaald, met ruimte voor een gebiedsgerichte uitwerking van doelen en invulling maatregelen. Een voorbeeld is de bossenstrategie.
Doel / Randvoorwaarden
Uitwerking
Maatregel
Generiek
Nationaal en/of provinciaal bepaald
Nationaal en/of provinciaal bepaald
Nationaal en/of provinciaal bepaald
Generiek Gebiedsgericht
Nationaal en/of provinciaal bepaald
Nationaal en/of provinciaal bepaald
In gebieden bepaald
Gebiedsgericht
In gebieden bepaald
In gebieden bepaald
In gebieden bepaald
Samen onder provinciale regie
Samen onder gebiedsgerichte regie
Figuur 4.2. Onderscheid in typen maatregelen in relatie met de samenwerkingsfilosofie van de provincie. Figuur 4.2. Onderscheid in typen maatregelen in relatie met de samenwerkingsfilosofie van de provincie.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
We ontwikkelen in het BPLG een mix van generieke en gebiedsgerichte maatregelen. Generieke maatregelen kunnen we relatief snel Brabantbreed invoeren. In het eerste gebiedsprogramma nemen we ook de resultaten mee uit al lopende 17 GGAgebiedsprocessen. Aanvullende gebiedsgerichte maatregelen worden globaal beschreven zodat er ruimte is voor nadere uitwerking in gebieden en flexibiliteit in de uitvoering. Op deze wijze is er de benodigde tijd en ruimte voor een zorgvuldig gebiedsproces samen met (agrarische) bedrijven, grondbezitters, bewoners en maatschappelijke organisaties. Bij de uitwerking in gebieden zullen ook samenhangende kansen voor versterking van leefbaarheid van het landelijk gebied zoveel mogelijk in beeld worden gebracht en benut.
Verschuivende verhoudingen tussen generiek en gebiedsgericht in de tijd De verhouding tussen generieke, provinciebreed ingevoerde maatregelen en gebiedsgerichte maatregelen kan verschuiven in de tijd. Naarmate de tijd vordert zal het aandeel gebiedsgerichte maatregelen kunnen toenemen, omdat meer kennis en inzichten uit de gebiedsprocessen kan worden benut (zie figuur 4.3). De combinatie van generieke en gebiedsgerichte maatregelen zal uiteindelijk moeten zorgen voor het bereiken van de doelen. Afhankelijk van de uitkomsten van de monitoring op de effecten van de genomen maatregelen zal het maatregelenpakket zich verder ontwikkelen.
14 MAART 2023
BPLG 1 - 2023 Adaptief programmeren: monitoring doelbereik en aanpassing pakket BPLG DOELEN
BPLG 2 - 2025 1e ijkmoment Remkes
36
BPLG 3 - 2028 2e ijkmoment Remkes
Gebiedsgerichte maatregelen Globaal, te verkennen
Gebiedsgerichte maatregelen Huidige inzet in GGA
Gebiedsgerichte maatregelen Aanvullende inzet in GGA en/of in gebieden buiten GGA
Wisselende verhoudingen in de tijd
Generieke maatregelen Brabant-breed ingezet
Figuur 4.3. Ontwikkelpad van maatregelen in de tijd met verschuivingen in opeenvolgende versies van het BPLG Figuur 4.3. Ontwikkelpad van maatregelen in de tijd met verschuivingen in opeenvolgende versies van het BPLG
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
4.2 Eerste uitwerking van het maatregelenpakket Emissiereductie (agrarische) bedrijven Het maatregelenpakket voor emissiereductie wordt mede gebaseerd op de uitkomsten van de natuurdoelanalyses en bevat maatregelen ter reductie van stikstof in de stikstofgevoelige gebieden. Deze maatregelen hebben betrekking op o.a. piekbelasters in alle sectoren. Voor de andere sectoren, zoals de industrie, verloopt dit (behalve voor Piekbelasters) vooral via het klimaatbeleid. Voor de agrarische bedrijven gaan de maatregelen gericht op stikstofreductie hand in hand met een transitie die toekomstperspectief aan agrarische ondernemers biedt. Doel is een maatregelenpakket op te nemen in het BPLG waarmee wordt aangetoond met welke maatregelen binnen welke termijn en met welke middelen de beoogde resultaten worden bereikt. In het Addendum 7e NAP en de Startnotitie NPLG geeft het Rijk aan hoe ze een duurzame landbouw wil realiseren. Het Rijk richt zich op een emissiereductie van stikstofverbindingen uit de landbouw. Dit leidt landelijk tot 20-30% minder vee en een versnelde afname van het aantal veehouderijen. Daarnaast zet het Rijk in op het extensiveren en afwaarderen van gronden in en rond Natura 2000- en KRW-gebieden (in Brabant zijn dat de Natte Natuurparels) en in beekdalen.
Generiek zet het Rijk in op het extensiveren van bouwplannen door meer rustgewassen en vermindering van uit- en afspoeling door bemestings- en spuitvrije zones langs waterlopen. Voor de blijvers richt het Rijk zich op het ontwikkelen van innovatieve huisvestingssystemen en voer- en managementmaatregelen en natuurinclusieve landbouw. Daarnaast wil de rijksoverheid in 2032 een geheel grondgebonden melkveehouderij. Voor Noord-Brabant komt de emissiereductie voor 2030 neer op 42% ten opzichte van het totaal in 2018 (zie verder hoofdstuk 2). De beoogde stikstofemissiereductie (in aantallen kiloton) wordt op twee manieren gerealiseerd. Ten eerste door - in aanvulling op landelijke bronmaatregelen - provinciaal generieke reductiemaatregelen met een reductie-effect op Brabant als geheel. Te denken valt aan het effect van maatregelen als aanpassing van stallen, aanpassing bedrijfsvoering en/of reductie van het aantal gehouden dieren (eventueel via (partiële) bedrijfsbeëindiging). Ook is emissiereductie mogelijk door (extensivering naar) volledige grondgebondenheid gecombineerd met een
14 MAART 2023
37
natuurinclusieve bedrijfsvoering. Waarbij het uitgangspunt is dat het zoveel mogelijk de keuze aan de ondernemer is voor de wijze waarop de doelen behaald worden. Dezelfde type maatregelen zullen nodig zijn voor het behalen van de klimaatdoelen voor de landbouwopgave: het verminderen van CO2- en methaanemissies uit de veehouderij. Het gaat dan om het - in synergie met de emissiereductie van stikstofverbindingen - verminderen van emissies uit mest(opslag) en/of afname van het aantal gehouden dieren. Ten tweede kan de stikstofreductie worden gerealiseerd door aanvullende gebiedsspecifieke maatregelen rondom stikstofgevoelige N2000-gebieden. De combinatie van generieke en gebiedsgerichte maatregelen zijn erop gericht om in samenhang via de kritische depositiewaarde (KDW) stappen te zetten richting de gunstige staat van instandhouding conform de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). De bijdrage van beide typen maatregelen aan de vereiste stikstofreductieopgave is nu nog niet scherp te stellen, onder andere omdat de diverse monitoringssystematieken beter op elkaar moeten worden aangesloten. De gebiedsspecifieke uitwerking van de stikstofreductieopgave wordt in de gebiedsprocessen geagendeerd. Volledige grondgebondheid melkveehouderij provinciebreed Het Rijk heeft de ambitie om binnen 10 jaar te komen tot een volledig grondgebonden melkveehouderij.
Een grondgebonden melkveehouderij betekent in grote lijnen dat er een goede balans is tussen het bedrijfsareaal, de voederproductie en de mestafzet. Hierdoor zal de uitstoot van ammoniak (opgave natuur), nitraat, fosfaat (opgave waterkwaliteit) en methaan (klimaatopgave) omlaag gaan. Op dit moment is er nog geen duidelijkheid over op welke manier grondgebondenheid binnen de melkveehouderij ingericht mag worden. Het Rijk wil hierover afspraken maken in het Landbouwakkoord. Een volledige grondgebondenheid betekent dat een aanzienlijk deel van de Brabantse melkveebedrijven moet extensiveren (bij een norm van bijvoorbeeld 2 gve/ha zal het gaan om ruim helft van de Brabantse melkveebedrijven). Komende periode willen we de consequenties hiervan in beeld brengen en verkennen op welke wijze gronden van stoppende veehouderijbedrijven beschikbaar kunnen blijven voor extensivering van de blijvende melkveehouderijbedrijven. We sluiten hierbij aan op de opkoop- en beëindigingsregelingen van het Rijk.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
Extensivering in overgangsgebieden In de overgangsgebieden rond Natura 2000, Natte Natuurparels en beekdalen is het behoud van extensieve graasdierhouderij van belang voor het behalen van de beleidsdoelen voor natuur, water en klimaat. Deze gebieden zijn dan hoofdzakelijk geschikt voor grasland en andere extensieve teelten. Daarom concentreren wij de ondersteuning van graasdierhouders bij extensivering in deze gebieden. Het Rijk heeft aangekondigd een fors deel van het Transitiefonds binnen het NPLG in te willen zetten voor extensivering in kwetsbare gebieden, mogelijk via het concept van ‘landschapsgrond’. Als provincie Noord-Brabant willen we die mogelijkheid volledig inzetten om bij te dragen aan een sterke graasdierhouderij in de overgangsgebieden. We bieden verder ondersteuning door het beschikbaar houden van gronden voor de graasdierhouderij financieel te ondersteunen (compenseren waardedaling) en door een uitbreiding van de Brabantse Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij.
14 MAART 2023
38
Ondersteuning van extensivering en verduurzaming landbouw We werken toe naar een volhoudbare landbouw die in balans is met de natuurlijke omgeving. Oftewel grondgebruik passend bij de draagkracht van natuur, water en bodem. Elk gebied en elke ondernemer vraagt daarbij om maatwerk afhankelijk van concrete opgaven, condities en draagvlak. Het is aan de ondernemers zelf om - binnen de condities van een robuust bodem- en watersysteem en de omgevingswaarden - keuzes te maken in relatie tot de bedrijfsvoering. Wij zien het als een verantwoordelijkheid van overheden om hen gedurende de transitieperiode te ondersteunen. In de brief Toekomst Landbouw (25 november 2022) schets de minister drie perspectieven voor agrarische ondernemers (zie figuur 4.4).
Hokdierbedrijven Ook voor hokdierbedrijven is er sprake van een generieke Brabantbrede opgave om stikstofemissies te verminderen. De pluimvee- en varkenshouderij zijn hier al relatief ver mee gevorderd. Generiek wordt de emissiereductie van hokdierbedrijven gerealiseerd door het aanpassen van het huisvestingssysteem eventueel in combinatie met voer- en managementmaatregelen of het houden van minder dieren. Tweede lijn is het verminderen van het aantal dieren via de (landelijke) beëindigingsregelingen, de LBV en LBV+. De LBV+ zet in op beëindiging van veehouderijen rond N2000-gebieden en heeft dus vooral effect op de zuidelijke zandgronden. Daarnaast ondersteunen we beëindiging van veehouderijen via de provinciale beleidsregeling Maatwerk voor omgevingskwaliteit (‘Ruimte voor ruimte’). In bijlage 1 is een volledig overzicht opgenomen van de maatregelen die in het kader van de Brabantse Aanpak Stikstof (BOS) al worden ingezet of nog kunnen worden toegepast om de emissiereductiedoelen voor stikstof te kunnen halen.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
39
Figuur 4.4. Drie perspectieven voor agrarische ondernemers. AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
Innovatie We zetten in Brabant in op de ontwikkeling naar kringlooplandbouw. Een vorm van landbouw, gericht op het optimaal benutten van grondstoffen, in harmonie met de omgeving. Noodzakelijk ook om onze verbeterdoelen op het gebied van klimaat, stikstof, bodem en grond- en oppervlaktewater te kunnen behalen. Daarom is het stimuleren van innovatie in de hele keten een belangrijk onderdeel van ons beleidskader ‘Landbouw en Voedsel 2030’ en bijbehorende uitvoeringsagenda’s. Ontwikkeling en toepassing van innovaties ‘op het boerenerf’ leveren een belangrijke bijdrage aan de doelen voor natuur, water & bodem en het verkleinen van de impact op de omgeving en versterking van het verdienmodel van boeren. Hier ligt een opgave en uitdaging voor zowel hoogwaardige en duurzame hoogproductieve als meer extensieve natuur- en landschapsinclusieve bedrijfsvoeringen. Hierbij dagen wij de ondernemer uit op vakmanschap en ondernemerschap, vanuit het eigen bedrijf en de eigen omgeving. We stimuleren actief de ontwikkeling en toepassing van innovatieve stalsystemen en/ of voer- en managementmaatregelen die emissies integraal en bij de bron verminderen. Het gaat daarbij niet alleen om minder emissie van ammoniak, maar ook om thema’s als energie, broeikasgassen, dierenwelzijn en brandveiligheid.
We werken toe naar een omslag van ons ‘mestsysteem’ naar een kwaliteit gedreven systeem gericht op het aan de bron scheiden van mest, opwaarderen van dierlijke mest en het bewerken ervan, zodat de waardevolle stoffen uit mest benut kunnen worden. Ook biologische en natuurinclusieve landbouw dagen de ondernemer uit en zetten aan tot vernieuwend ondernemerschap en creatieve en innovatieve oplossingen om op een natuurinclusieve manier goede gewasopbrengsten te realiseren.
14 MAART 2023
40
Ondersteuning transitie agrarische ondernemers Uitgaande van het principe van ‘de goede boer op de goede plek in de goede uitgangsituatie om in samenhang met zijn omgeving de toekomst in te gaan’ willen wij de verschillende transitiepaden faciliteren en/of ruimte geven. Op weg naar het eerste gebiedsprogramma werken we in lijn met de Uitvoeringsagenda Landbouw & Voedsel en de Uitvoeringsagenda Mest de langjarige ondersteuning van de transitie van agrarische ondernemers uit. Het zal hierbij onder andere gaan om: • Stimuleren en ondersteunen van verduurzaming en innovatie van hoogproductieve kringlooplandbouw; • Stimuleren en ondersteunen van natuurinclusieve en biologische landbouw; • Inzetten van het instrumentarium van de Wet Inrichting Landelijk Gebied (straks Omgevingswet); • Inzet op mestvergisting en – verwaarding; • Transitiepakketten ten behoeve van nieuwe robuuste verdienmodellen (zoals de biodiversiteitsmonitor, groenblauwe diensten). • Structuurverbetering door middel van een grondbank, kavelruil en langjarige pacht waarbij we in de uitwerking uitgaan van ruime zones; • Stimuleren ontwikkeling ecosysteemdiensten; • Bestaande organisatiestructuren en instrumenten versterkt inzetten om al tijdens de planvorming in gebiedsprocessen transitiepaden te faciliteren.
In het BPLG werken we uit welke transitiepaden passend zijn binnen de verschillende zones van het Ruimtelijk ontwikkelperspectief, bijvoorbeeld op basis van de typering van Kringlooplandbouw van Splendid, en hoe we deze transitiepaden willen faciliteren.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
Natuurherstelmaatregelen in en buiten Natura 2000-gebieden Het uitvoeren van ecologische en hydrologische maatregelen om de Natura 2000-gebieden te behouden en te versterken is een belangrijk doel van het BPLG, naast het tijdig realiseren van de KRW-opgave. De natuurdoelanalyses (NDA’s) geven extra focus aan deze opgave. Het opstellen van de Natuurdoelanalyses (NDA’s) is opgenomen in het (ontwerp) Programma stikstofreductie en natuurverbetering 2022-2035. De NDA’s maken uiteindelijk onderdeel uit van het gebiedsplan. Het gebiedsplan is onderdeel van het gebiedsprogramma. In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is opgenomen dat provincies gebiedsplannen opstellen voor de gebiedsgerichte uitwerking van het landelijke omgevingswaarde en het Programma stikstofreductie en natuurverbetering. De wet stelt dat Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 juli 2023 een gebiedsplan voorleggen aan de Minister voor Natuur en Stikstof (NenS). In de Wet natuurbescherming (Wnb) is beschreven aan welke voorwaarden een gebiedsplan moet voldoen. De NDA’s geven in combinatie met de aanvullende informatie uit een gebiedsplan aan welke aanvullende maatregelen in beeld zijn om behoud van de aangewezen instandhoudingsdoelen te garanderen (verslechtering te voorkomen) en te borgen dat het halen van de doelen binnen bereik blijft.
Zij zijn daarmee een zeer belangrijke onderlegger voor de op te stellen maatregelenpakketten.
14 MAART 2023
41
In de NDA’s voor de 15 Brabantse Natura 2000-gebieden is geconcludeerd dat bij alle gebieden sprake is van een ecologisch oordeel “nee, tenzij”. Bij 13 van de 15 gebieden is stikstof een knelpunt. Dit geldt niet voor de gebieden Markiezaat (gebied is niet stikstofgevoelig) en Biesbosch (stikstofdepositie is geen knelpunt). In de Statenmededeling “Natuurdoelanalyses Brabantse Natura 2000-gebieden” is hier meer informatie over te vinden. De NDA’s geven een brede range aan maatregelen aan, zoals de vermindering van stikstof, de aanpak van verdroging en zwaarder beheer. Daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om de bestrijding van invasieve exoten en ganzenoverlast en het reguleren van recreatiedruk. Niet alleen zijn de natuurgebieden van belang, maar ook de overgangsgebieden om de natuurgebieden, omdat de kwaliteit van water, bodem en lucht buiten de natuurgebieden medebepalend is voor de natuurkwaliteit in de natuurgebieden. Maatregelen richten zich met name op hydrologisch herstel (peilopzet, beekherstel), maatregelen met effecten op korte termijn en in en in beperkte mate ook op beheermaatregelen (plaggen, maaien) in de Natura 2000-gebieden. Voor het snel kunnen uitvoeren van deze maatregelen is het van belang om te analyseren of de maatregelen leiden tot een aanvullende opgave in de GGA-gebieden.
Het ecologische oordeel in de NDA’s heeft per gebied geleid tot één van de volgende conclusies, waarbij de centrale vraag die wordt beantwoord is: worden met de reeds voorziene maatregelen de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied gerealiseerd?: • Ja: Behoud is geborgd (verslechtering is voorkomen) en de doelstelling kan op termijn worden gehaald; • Ja, mits…: Behoud is geborgd en er zijn aanvullende (natuurherstel)maatregelen mogelijk om op termijn de doelstelling te halen; • Nee, tenzij…: Behoud is niet geborgd en het op termijn behalen van de doelstelling is daarmee ook buiten bereik.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
Versterking natuur- en bosareaal Het volledig realiseren van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een belangrijk middel om een stevige basis te leggen voor een aantrekkelijke, groene leefomgeving en het herstel van de biodiversiteit in Brabant. Om de kwaliteit van de natuur te verbeteren en haar weerbaarder te maken, is het nodig dat het NNB een robuuste omvang heeft. Bij het inrichten, verbinden en beheren van het Natuurnetwerk Brabant gaat het om zowel bestaande en nieuwe natuurgebieden als om het realiseren van de ecologische verbindingszones (EVZ’s). We werken hiervoor samen met onze Brabantse Manifestpartners en het GOB (Groenontwikkelfonds Brabant) in het kader van het Actieplan Bomen. Naast een uitbreidingsdoelstelling (kwantitatief) voor het afronden van het NNB en de aanleg van bos (bossenstrategie) volgt er vanuit de bossenstrategie een kwalitatieve doelstelling voor de bestaande natuur in Brabant. Het revitaliseren van bestaande bossen is een belangrijke pijler van de bossenstrategie. In Brabant ligt 70.000 ha bos. Daarvan heeft maar liefst 60.000 ha bos een kwaliteitsimpuls nodig vanwege de slechte staat waarin het bos en de bosbodem verkeert. Verzwakte bossen leggen bovendien nauwelijks CO2 vast. Bij revitalisatiemaatregelen van de bossen richten we ons op het herstel van de veerkracht van de bosecosystemen.
We zetten daarom in op multifunctionele bossen en natuurbos; deze bossen zijn het meest veerkrachtig en leveren de hoogste bijdrage aan de biodiversiteit.
Watersysteemmaatregelen In heel Brabant moeten we water meer en langer vasthouden en zuiniger omgaan met water. Dit is afgesproken in het Brabantse Grondwaterconvenant en nog eens bekrachtigd door het advies van de Adviescommissie Droogte. Het klimaat verandert en dat merken we ook in Noord-Brabant. Het is essentieel dat het watersysteem wordt ingericht op het vaker voorkomen van lange perioden van droogte en hevige regenbuien. Dat betekent dat het toekomstige watersysteem ‘ruimte’ moet bieden om pieken op te vangen (ruimte in oppervlakte, ruimte in de bodem en ruimte in tijd). Langer water vasthouden en zuiniger omgaan met water. Vasthouden van water betekent dat water niet meer afgevoerd wordt, maar de tijd krijgt om te infiltreren naar het grondwater en de
14 MAART 2023
42
buffers aan te vullen. Daar horen maatregelen bij als het verhogen van (grond)waterpeilen, dempen of verondiepen van sloten en beken, voorkomen van drainage, beperken van grondwateronttrekkingen en het aanpassen van het landgebruik aan de omstandigheden van de locatie. Dat geldt van het primaire watersysteem tot en met de haarvaten in het regionale watersysteem. Klimaatstresstesten op regionale schaal moeten inzicht geven in de mate waarin het watersysteem is berekend op de piekbuien van de toekomst en welke maatregelen waar nodig zijn (zie ook het advies van de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater). (Ruimte voor) waterberging realiseren we door: • Waterbergingsgebieden. We verkennen in welke mate de huidige waterbergingsgebieden en reserveringen voor waterbergingsgebieden op termijn toereikend zijn in het licht van het meest vergaande klimaatscenario.
In de situatie dat meer regionale waterberging (ook rekening houdend met wateroverlast in en vanuit de gebouwde omgeving) noodzakelijk blijkt, kijken we vooral naar de 5-10% diepste delen van Brabant; • Ruimte in het hoofdwatersysteem buitendijks en reservering van ruimte binnendijks (onder andere voor eventuele dijkverleggingen in de toekomst); • Ruimte in het regionale watersysteemsysteem door bufferzones langs de beken (in samenhang met waterkwaliteit) en meandering en infiltratie in de intrekgebieden (ruimte in de tijd door vertraging van de afvoer); • Verbetering van (de structuur) van landbouwbodems door opschaling van het project ‘BodemUp’; • Bij nieuwe functies (onder andere verstedelijking en infrastructuur) sturen op zo weinig mogelijk bodemafdekking en beperken van onnodig landgebruik. We werken de aanpak gezamenlijk uit met alle betrokkenen in het kader van het BPLG. In de gebiedsprocessen worden in het kader van het BPLG alle grondwateronttrekkingen in beeld gebracht via een meet- en registratieplicht van totaal onttrokken volumes. Bevoegde gezagen, provincie en waterschappen, voeren een vergunningenbeleid voor onttrekkingen gebaseerd op de draagkracht van het watersysteem. In tijden van droogte kunnen grondwateronttrekkingsverboden worden afgekondigd in de invloedzones van N2000gebieden.
De borging hiervan wordt in afstemming met betrokken partijen in het Breed Bestuurlijk Grondwateroverleg nader uitgewerkt. AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
43
Bodem- en waterkwaliteitsmaatregelen De kwaliteit van de bodem en het water staat nog steeds onder druk. Daarom werken we aan een vitale bodem en het terugdringen emissies naar grond- en oppervlaktewater. Daar horen maatregelen bij als optimalisatie van de RWZI’s, terugdringen van de nutriënteninvloed uit het buitenland, aanpak van overstorten en gebiedsgerichte handhaving overbenutting mest. Agrariërs gaan we ondersteunen en stimuleren in de omslag naar een duurzaam bodembeheer. Het gaat daarbij concreet om het opheffen en voorkomen van bodemverdichting, het herstellen van de bodembiodiversiteit en het verhogen van het organisch stofgehalte in de bodem (koolstofvastlegging). Dit doen we onder andere via het project ‘BodemUp’ en het opstellen en uitvoeren van Bedrijfs- Bodem- en Waterplannen door agrarische bedrijven. In overeenstemming met de kamerbrief Water en Bodem Sturend van 25 november jl. geven we in samenwerking met waterschappen en andere gebiedspartners in het BPLG ook aan welke maatregelen waar nodig zijn om de doelen vanuit de KRW, de Nitraatrichtlijn, de Richtlijn duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de Vogel- en Habitatrichtlijn te halen, bijvoorbeeld met betrekking tot mest en teelten (in aansluiting bij het addendum 7e NAP en de derogatiebeschikking).
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
4.3 Uitvoeringsstrategie en afwegingskader Uitvoeringsstrategie Naast het bepalen van opgaven is het vooral van belang om te bepalen hoe we de opgaven gaan uitvoeren. Hiervoor zetten we een uitvoerings-, financiële en instrumentele strategie op waarbij we de ervaringen die recent, maar ook in het verleden al zijn opgedaan gebruiken om het BPLG uit te voeren. We brengen in beeld wat goed werkt en wat aanvullend nodig is om de doelen uit het BPLG te halen. Daarbij werken we op onderdelen enkele scenario’s uit. We zetten volop in om door te gaan met waar we al mee bezig zijn en maken zo optimaal mogelijk gebruik van de kennis en kunde die de Brabantse partners hebben. Voor de Groenblauwe Gebiedsgerichte Aanpak (GGA) is al veel uitgewerkt. Dit is een belangrijk vertrekpunt in de uitvoering. Om het bereiken van de doelen te ondersteunen is een instrumentenkoffer in ontwikkeling en wordt gezocht naar een zo’n effectief mogelijke inzet van capaciteit en de financiële mogelijkheden. We ontwikkelen een mix van generieke maatregelen en instrumenten (snel en Brabantbreed ingevoerd onder sterke regie) én gebiedsgerichte maatregelen en instrumenten (met meer ruimte voor gebiedsgerichte invulling) om tijdig de doelen te kunnen halen.
We werken stap voor stap aan een BPLG 1.0 (2023), BPLG 2.0 (2025) en BPLG 3.0 (in 2028) waarbij de verhouding tussen beide typen maatregelen en instrumenten kan verschuiven. Uit de gebieden kunnen vragen ontstaan voor andere en aanvullende instrumenten. Zo kan gedurende de tijd de instrumentenkoffer verder worden aangevuld worden. De inzet van meer dwingende instrumenten kan hiervan onderdeel uitmaken (zie ook hoofdstuk 2 over samenwerkingsprincipes). Voor de uitvoeringsstrategie is de ontwikkelstrategie van het BPLG leidend. Niet alles kan tegelijk. Het is het zoeken naar een goede balans in de tijd tussen het tijdig halen van wettelijke afspraken en de beschikbaarheid van financiële middelen. Voor het BPLG wordt tot 1 juli 2023 een uitvoerings-, financiële en instrumentele strategie ontwikkeld die invulling geeft aan die balans, kan meebewegen (adaptief) met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen en inzicht geeft in de wijze waarop de samenwerking intern en extern wordt georganiseerd (met benodigde capaciteit, financiële middelen, programmering (ook in tijd), risico’s, planning, monitoring en verantwoording). Ook de wijze waarop bij knelpunten
14 MAART 2023
44
afwegingen worden gemaakt om de programmering bij te stellen, maakt hiervan onderdeel uit. Zo nodig passen we afspraken aan en stemmen we de organisatie hierop af. We ontwikkelen deze strategie in afstemming met de partners en ervaringen uit de praktijk.
Afwegingskader Onderdeel van de uitvoeringsstrategie is een afwegingskader op basis waarvan keuzes worden gemaakt over de prioritering en inzet van beschikbare middelen. In het eerste BPLG zal een definitief afwegingskader worden uitgewerkt. Vooruitlopend daarop onderscheiden we drie hoofdcriteria als basis voor het besluitvormingsproces. De hoofdcriteria zijn: • De mate van doelbereik (effectiviteit) in verhouding met de kosten van een maatregel (doelmatigheid); • Positieve en negatieve effecten voor brede welvaart en leefomgeving, waaronder sociaal-economische effecten; • Uitvoerbaarheid en de snelheid van realisatie (technische, financiële en juridische risico’s en doorlooptijd). Bij de uitwerking van het afwegingskader wordt ook het ontwerp Beleidskader Leefomgeving (vaststelling door PS vindt waarschijnlijk uiterlijk in mei 2023 plaats) meegenomen. Bij de uitwerking van het hoofdcriterium ‘mate van doelbereik in verhouding met kosten’ kijken we naar welke maatregelen het grootste effect sorteren tegen relatief lagere kosten en op welke termijn. Dit laatste is van belang in het kader van het zo snel mogelijk weer op gang kunnen brengen van de vergunningverlening. Hiermee proberen we te sturen op een zo doelmatige inzet van middelen en onevenredige investeringen te voorkomen.
Door de effecten van maatregelen op deze hoofdcriteria in beeld te brengen en met elkaar te delen, ontstaat in het besluitvormingsproces ook inzicht in het draagvlak bij onze partners. Daarnaast zal ook de Ecologische autoriteit het BPLG toetsen.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
45
4.4 Financiën Maatregelen en indicatieve raming van kosten Op basis van de NPLG-opgave die zich nu aftekent, heeft de provincie een eerste pakket aan maatregelen samengesteld met een zeer globale berekening van de kosten voor de uitvoering hiervan. Dit pakket aan maatregelen dekt in de breedte de doelen, waarbij diverse maatregelen meerdere doelen raken. In de zeer globale raming komen de kosten van de maatregelen uit op circa 8 miljard euro. Voor de dekking van deze kosten kan gebruik worden gemaakt van verschillende financieringsbronnen, waaronder het Transitiefonds Landelijk Gebied en Natuur, overige rijks- en EU-middelen, provinciale middelen en beschikbare middelen van partners. De voorlopige conclusie is dat er een forse kloof is tussen het geraamde budget en het budget dat naar verwachting beschikbaar komt én de opgaven in het landelijk gebied (= ambitie). Dit betekent dat er straks scherpte en stevige prioritering nodig is om de beperkte middelen zo effectief mogelijk in te zetten. Om het besluitvormingsproces daarover te ondersteunen zullen wij zoals is aangegeven het afwegingskader verder uitwerken. Daarin verwerken we ook de spelregels van het Rijk om zorg te dragen dat de voorgestelde aanpak en maatregelpakketten afdoende zijn onderbouwd zodat deze stevig genoeg zijn om aanspraak te kunnen maken op middelen uit het Transitiefonds.
AGENDA VOOR MAATREGELEN EN UITVOERING
5
OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
5.1 Status en beeld van het BPLG Het BPLG is een programma onder de Omgevingswet, dat wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Dit kerninstrument van de Omgevingswet (inwerkingtreding verwacht op 1 januari 2024) sluit goed aan bij wat nodig is: een thematische en/of gebiedsgerichte uitwerking en uitvoering van het provinciale beleid op hoofdlijnen, zoals dat is vastgelegd in de Omgevingsvisie en de beleidskaders. De keuze voor het BPLG als programma onder de Omgevingswet is ook in overeenstemming met de op 25 november jl. gepubliceerde concept-Handreiking voor de gebiedsprogramma’s van het NPLG. Het BPLG heeft ook de status van het Gebiedsplan op basis van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Dit betekent dat de elementen uit artikel 1.12 fa Wsn, dat gaat over het Gebiedsplan in het kader van de (Wsn), herleidbaar terug moeten komen in het BPLG. De relatie met de Wsn betekent ook dat bij het gebiedsprogramma de sociaaleconomische effecten van te nemen maatregelen in beeld gebracht moeten worden. Of een planMER nodig is voor het BPLG is afhankelijk van de inhoud: is het BPLG kaderstellend voor planMer plichtige vervolgbesluiten en/of hebben de maatregelen die erin worden opgenomen gevolgen voor Natura 2000 gebieden? Op dit moment vindt nog overleg plaats en wordt verder advies ingewonnen over de plan-MER-plicht voor het BPLG.
14 MAART 2023
1. • • •
47
Ambitie, doelen en ontwikkelstrategie Het Brabantse verhaal en de Brabantse aanpak Nationale en provinciale ambities en doelen Ontwikkelstrategie concreter uitgewerkt en afwegingskader
2. Ruimtelijk ontwikkelperspectief • Ruimtelijk ontwikkelperspectief met (globale) structurerende keuzes 3. Maatregelenpakket • Pakket van generieke en gebiedsgerichte maatregelen • Onderbouwing doelbereik (hard vs globaal) Voor monitoring en doorrekening door PBL-RIVM-WUR, als basis voor toekenning middelen uit Transitiefonds 4. Analyses en participatie • Beschrijving resultaten onderzoek (natuurdoelanalyses, soc-econ. etc) • Beschrijving resultaten participatietraject tot 1 juli 2023 en aanpak vervolg 5. • • •
Uitvoeringsstrategie en investeringen Opzet monitoring voortgang en doelbereik Voorstel uitvoeringsstrategie Kostenraming maatregelenpakket en voorstel dekking kosten
Om al een beeld te vormen van de inhoud van het BPLG is in figuur 5.1 een voorlopige inhoudsopgave opgenomen. Deze is mede gebaseerd op de verplichtingen op basis van de Wsn en op de leidraden uit de Handreiking voor de provinciale gebiedsprogramma’s. Figuur 5.1. Voorstel inhoudsopgave 1e BPLG.
OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
5.2 Vooruitblik aanpak, werkzaamheden en mijlpalen BPLG
14 MAART 2023
5.
48
Brabantbrede participatie met een nadere uitwerking van de wijze waarop onze Brabantse partners, op welk moment en in welke vorm worden betrokken bij de (door) ontwikkeling van het BPLG (in aanvulling op de voorstellen in deze Houtskoolschets).
Vijf werksporen
Drie mijlpalen
Om te komen tot een 1e BPLG wordt in de komende maanden gewerkt aan vijf werksporen:
De resultaten van deze werkzaamheden leiden tot de volgende mijlpalen op weg naar 1 juli: • Eind april: een concept BPLG; • Eind mei: een definitief-concept BPLG, gereed voor besluitvorming in GS eind juni; • Eind juni / 1 juli: een toetsbare versie van het BPLG, gereed voor indiening bij het Rijk.
1.
2.
3.
4.
Uitwerken van het ruimtelijk ontwikkelperspectief met een verdere aanscherping en ruimtelijke vertaling van de structurerende, ruimtelijke keuzes op basis van de agenda in deze Houtskoolschets. Priotiteit wordt daarbij gegeven aan de uitwerking van de keuzes ten aanzien van de overgangsgebieden en aan de eventuele ruimtelijke verdeling van de stikstofopgave (inclusief hokdierbedrijven en niet-agrarische activiteiten). De uitwerking van het Ruimtelijk ontwikkelperspectief van het BPLG zal worden afgestemd op het ruimtelijk voorstel dat in het kader van het Programma NOVEX voor de provincie als geheel in voorbereiding is; Uitwerken van een maatregelenpakket, met prioriteit op de korte termijn voor generieke en gebiedsgerichte maatregelen in het kader van de natuurdoelanalyses, stikstofreductie en KRW-maatregelen die direct bijdragen aan natuurherstel (als onderdeel van de ontwikkelstrategie, zie hoofdstuk 2); Daarbij kijken we ook naar de invloed van het buitenland en de mogelijkheden tot het maken van afspraken.
Uitwerken van een uitvoerings-, financiële en instrumentele strategie met onder meer een doorvertaling van het maatregelenpakket in instrumenten, een indicatieve kostenraming, een voorstel voor de dekking van de kosten en voorstellen voor de organisatie van de uitvoering; Onderzoeken en analyses ter onderbouwing van het ruimtelijk ontwikkelperspectief en het maatregelenpakket. Hiertoe horen onder meer onderzoeken voor het inschatten van het doelbereik van maatregelen, eventuele uitbreidingen voor de analyses water en bodem sturend, een sociaaleconomische impactanalyse en onderzoek naar de omgevingseffecten van keuzes en maatregelen (mogelijk in de vorm van een planMER). In de sociaaleconomische impactanalyse worden de effecten in brede zin in beeld gebracht; voor de directe en indirecte werkgelegenheid in de agrarische keten, voor het voorzieningenniveau en leefbaarheid, voor het welzijn van mensen;
Reikwijdte Sociaaleconomische impactanalyse voor het BPLG De transitie van het landelijk gebied gaat niet alleen over natuur, water en klimaat, maar ook over de sociaaleconomische ontwikkeling van gebieden en de kwaliteit van de leefomgeving van mensen, zowel huidige als toekomstige generaties. Daarom voeren we een sociaaleconomische impactanalyse uit naar de effecten van de keuzes en maatregelen van het BPLG. Daarbij maken we gebruik van regionale gebiedskennis. Het vertrekpunt voor de impactanalyse is het begrip brede welvaart. Elementen die aan de orde komen zijn onder meer directe en indirecte werkgelegenheidseffecten, de betekenis daarvan voor de economische structuur en het voorzieningenniveau in dorpen en kernen, welzijn, cultuur en gezondheid. Bij de uitwerking van de vijf werksporen gebruiken we de Handreiking voor de provinciale gebiedsprogramma’s als leidraad. Naar verwachting publiceert het Rijk medio maart de definitieve handreiking.
OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
49
Uitwerking Ruimtelijk Ontwikkelperspectief Uitwerking Maatregelenpakket Uitwerking Uitvoerings-, financiële en instrumentele strategie
Onderzoeken en analyses
Brabantbrede participatie
Plan van Aanpak BPLG januari 2023
Houtskoolschets BPLG maart 2023
Concept BPLG eind april 2023
Definitief concept BPLG eind mei 2023
Toetsbare versie BPLG - 1 juli 2023
5.2.enWerksporen ennaar mijlpalen opBPLG. weg naar het eerste BPLG. Figuur 5.2. Figuur Werksporen mijlpalen op weg het eerste OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
5.3 In co-creatie inhoud ontwikkelen voor het BPLG Vier vormen van co-creatie We willen zoveel mogelijk samen met alle partners in Noord-Brabant invulling geven aan het BPLG. Om te komen tot een eerste BPLG is de kennis, ervaring en bijdrage van veel Brabantse partners nodig. We willen de partners de mogelijkheid geven voor advies op en toetsing van het BPLG. Tegelijkertijd is er sprake van een zeer kort proces tot aan 1 juli, waardoor de tijd voor co-creatie en het leveren van een inbreng onder druk staat. Hoe we het samenwerkingsproces het beste kunnen vormgeven blijft onderwerp van overleg. Op dit moment zien we vier vormen waarmee we samen met onze partners de inhoud van het BPLG willen doorontwikkelen op weg naar 1 juli. Gaandeweg kunnen nog vormen worden toegevoegd. • We blijven vol inzetten op de planvorming en –uitvoering in de zeventien bestaande GGA-gebieden. In deze gebieden werkt de provincie samen met de direct betrokken gemeenten, waterschappen en andere organisaties zoals terreinbeherende organisaties en landbouworganisaties. De kennis en ervaring van deze partners worden benut voor het toetsen van structurerende keuzes uit het ruimtelijk ontwikkelperspectief en voor de invulling van maatregelen per gebied; • Voor specifieke thema’s werken we samen met partners in tijdelijke ‘BPLG-Werkgroepen’.
Voor de uitwerking van het thema ‘Water en bodem sturend’ wordt een eerste werkgroep gevormd van de provincie met de vier waterschappen in Noord-Brabant. Ook voor andere thema’s kunnen nog werkgroepen worden gevormd. Een Werkgroep Landbouw zal worden geformuleerd voor de doorvertaling van het Landbouwakkoord in het BPLG. De focus van deze werkgroepen ligt altijd op de uitwisseling van de inhoudelijke kennis en ervaring; ze spelen geen rol in het vertegenwoordigen van specifieke belangen en/of in de voorbereiding van de formele besluitvorming; • Op het schaalniveau van de vier bestaande Brabantse regio’s willen we in overleg over de aanpak en werkwijze van het BPLG én om concrete tussenresultaten te bespreken en samen te verdiepen. We kiezen daarbij voor een bredere samenstelling van partners dan aanwezig zijn tijdens de reguliere Brabantse Ontwikkeldagen. Nadat het ‘Plan van aanpak BPLG’ is besproken tijdens de vier Brabantse Ontwikkeldagen in december en januari heeft daarom op 2 februari een eerste ‘Brabantbrede bijeenkomst’
14 MAART 2023
50
plaatsgevonden in een brede samenstelling van gemeenten, waterschappen, terreinbeherende organisaties, landbouworganisaties en natuur- en milieuorganisaties. In de komende maanden zijn drie nieuwe Brabantbrede bijeenkomsten voorzien; eind maart over deze Houtskoolschets, eind april ter voorbereiding op een concept BPLG en eind mei ter voorbereiding op een definitief-concept BPLG. We stellen voor deze drie bijeenkomsten met een kernteam van gemeenten en waterschappen voor te bereiden. Ook de opbrengst van deze bijeenkomsten kan door dit kernteam worden samengevat en gedeeld met alle deelnemers. In de komende periode gaan we na of de vier Brabantse regio’s het juiste schaalniveau zijn voor de uitwerking van het BPLG ná 1 juli; • Gelijktijdig met het BPLG wordt het Ontwikkelperspectief voor NOVEX-gebied De Peel opgesteld. Beide programma’s worden in nauwe samenhang ontwikkeld. De andere sectoren zoals industrie en mobiliteit zullen worden betrokken via de actualisatie van de BOS en de Brabantbrede Tafel Stikstof.
Betrekken inwoners bij ontwikkeling BPLG Op weg naar 1 juli leggen we het accent vooral op het informeren van inwoners over het BPLG via communicatiemiddelen als bijvoorbeeld de provinciale website Brabant.nl, nieuwsbrieven en een webinar. Na 1 juli verwachten we meer duidelijkheid te kunnen gaan geven over de maatregelen en effecten per regio of deelgebied. Voor deze fase wordt in de komende maanden uitgewerkt hoe inwoners actief worden geïnformeerd en betrokken. Eén van de te verkennen mogelijkheden voor Brabantbrede participatie is bijvoorbeeld het opzetten van een ‘burgerberaad’.
OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
WG WATER EN BODEM STUREND
51
WERKGROEPEN
HART VAN BRABANT Altena Biesbosch
WEST-BRABANT Brabantse Wal
Langstraat
Ulvenhoutse Bos
Omgeving Zundert
Vlijmens Ven, Moerputten, Bossche Broek, Beneden Dommel
Loonse en Drunense Duinen
NOORD-OOST BRABANT
Kampina en Oisterwijkse Vennen
Aa-dal Noord
Regte Heide & Rielslaag Kempenland ZUID-OOST BRABANT West
IN DIALOOG MET ACTOREN OP TWEE SCHAALNIVEAU’S
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
Vitale Peel
Strabrechtse Heide & Beuven
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven
Regio’s: provincie met gemeenten, waterschappen, regionale organisaties, terreinbeherende organisaties, organisaties van landbouw, milieu, natuur en bedrijfsleven, en regionale coördinator RTLG (rijk)
Boschhuizerbergen
NOVEX-Gebied De Peel
GGA-gebieden: provincie met gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, landbouwbedrijven, natuur- en milieuorganisaties, burgers etc. + NOVEX-Gebied De Peel: conform wens NPLG
Figuur 5.3.Figuur Vier vormen co-creatie om van de inhoud van het BPLG te kunnen ontwikkelen. 5.3.van Drie vormen co-creatie om de inhoud van het BPLG te kunnen ontwikkelen. OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
5.4 Besluitvorming BPLG Het BPLG zal worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Provinciale Staten zullen tussentijds worden geïnformeerd via een Statenmededeling en desgewenst een themabijeenkomst. Op weg naar besluitvorming door GS zullen op verschillende manieren bestuurlijke adviezen worden ingewonnen van de Brabantse partners.
Bestaande bestuurlijke overlegstructuren benutten Vanwege het ambitieuze tijdpad tot 1 juli 2023 wordt in deze eerste fase ter voorbereiding van de besluitvorming door GS zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande, bestuurlijke overleggen in Noord-Brabant. Door gebruik te maken van bestaande overleggen behouden we voortgang en slagkracht. De (tussen)resultaten van het BPLG zullen worden geagendeerd in de bestuurlijke overleggen waarin de transitie van het landelijk gebied aan de orde komt. Dit zijn: • • • • • •
14 MAART 2023
52
Extra bestuurlijke afstemming met bevoegde gezagen Op (minimaal) twee momenten in het proces zal extra bestuurlijke afstemming plaatsvinden met de bevoegde gezagen die voor de verankering en/of uitvoering van structurerende keuzes en maatregelen verantwoordelijk zijn. Dit zijn de vier waterschappen en (een vertegenwoordiging van) de gemeenten in de vier Brabantse regio’s. Tijdens deze afstemmingsmomenten worden tussenresultaten besproken, in elk geval het concept BPLG (eind april/ begin mei) en het definitief-concept BPLG (eind mei / begin juni). Doel van deze afstemmingsmomenten is om het BPLG als een gezamenlijk afgestemd programma naar buiten te brengen en aan het Rijk aan te bieden. Zo mogelijk laten we de afstemmingsmomenten samenvallen met de regionale ontwikkeldagen.
Stuurgroep GGA; Brabant Brede Tafel Stikstof; Bestuurlijk Overleg Transitie Landbouw; NBWB-GS (overleg tussen provincie en de waterschappen); Bestuurlijk Overleg Natuur & GGA; Regionale ontwikkeldagen van de vier Brabantse regio’s.
Andere bestuurlijke overleggen zoals het Regionaal Bestuurlijk Overleg Maas, het Breed Bestuurlijk Grondwateroverleg en het Bestuurlijk netwerk Ruimte en Platteland zullen we tussentijds informeren over de voortgang van het BPLG.
OP WEG NAAR HET EERSTE BRABANTS PROGRAMMA LANDELIJK GEBIED
HOUTSKOOLSCHETS BPLG • PROVINCIE NOORD-BRABANT
14 MAART 2023
53
5.5 Monitoring, verantwoording en evaluatie De monitoring van het BPLG zal vanuit het Rijk via meerdere sporen verlopen. In een jaarlijkse cyclus zal LNV op Prinsjesdag aan de 2e kamer over de voortgang van het NPLG rapporteren. Hoe dit proces en de inhoud daarvan vorm krijgt is momenteel nog onderwerp van gesprek. De inzet is om met een consortium van provincies, LNV, RIVM, PBL en WUR een traject in te gaan op weg naar een kwalitatief en kwantitatief inzicht in het doelbereik van de verschillende NPLG doelen (natuur, stikstof, water en klimaat). De provincie Noord-Brabant zal actief participeren in dit initiatief en gebruik maken van de inhoudelijke resultaten. Nadat het BPLG bij het Rijk is ingediend, zal de Ecologische Autoriteit de ecologische onderbouwing van de natuurdoelanalyses en het BPLG toetsen. Het doelbereik van het BPLG zal worden getoetst door de kennisinstellingen PBL-RIVM-WUR. Beide toetsen zullen voor het Rijk als basis dienen voor toekenning van middelen uit het Transitiefonds. De Provincie richt zich bij de monitoring zowel op de voortgang van het BPLG als ook op de uitnutting van de middelen en zal hiervoor de benodigde gegevens bij elkaar brengen. Hierbij zal er zowel aandacht zijn voor de voortgang qua planning als voor de voortgang van de realisatie en het doelbereik van de generieke en gebiedsgerichte maatregelen.
Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van gegevens in bestaande monitoringssystemen zoals de GGA monitor, de KRW-monitor en gegevens uit de financiële administratie. Voor de BOS-monitor zal in de komende periode worden nagegaan in welke mate deze naast kwalitatieve data ook kwantitatieve data kan voortbrengen. Verkend wordt of ook informatie van de Omgevingsdiensten kan worden benut, bijvoorbeeld over vergunningverlening en in- en externe saldering. Ook zal worden verkend in welke mate het mogelijk is om al deze informatiebronnen op elkaar af te stemmen en samen te brengen. Dit om de voortgang van de realisatie, het doelbereik en de uitnutting van de middelen in samenhang te monitoren zodat kosteneffectiviteit en doelbereik inzichtelijk worden.