CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

B08 - Mededeling voornemen H2XP Woensdrecht

Raadsvergadering 7 oktober 2025, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Advies ontwerpvergunning realisatie van een waterstofproductie installatie te Woensdrecht11.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.2.6

Gevaarlijke stoffen

Bij de zuivering van proceswater tot ultrapuur water worden beperkt chemicaliën gebruikt. De technieken gebruiken enkele hulpstoffen zoals natronloog, natriumhypochloriet, zwavelzuur en een vorm van antiscalant in de vorm van polyaluminiumchloride (PAC). De opslag van gevaarlijke stoffen dient te voldoen aan de PGS15. Er worden beperkt chemicaliën opgeslagen. Opslag geschiedt in tanks boven een lekbak met voldoende bergend vermogen. De opslag is gesitueerd boven een vloeistofkerende verharding. Stof

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Verbruik per jaar

Opslag hoeveelheid

Versie: 1.0 27/37

Natronloog

1500 liter per jaar

1000 liter

Natriumhypochloriet

500 kg per jaar

500 kg

Zwavelzuur

750 kg per jaar

750 kg

Antiscalant

pZZS

Verder wordt 6000 liter stikstof opgeslagen in een bovengrondse tank. De bovengrondse tank moet voldoen aan PGS 9. De genoemde stoffen zijn niet opgenomen als zeer zorgwekkende stof. PAC is als CAS-nummer 132741-9 opgenomen in de lijst met pZZS. Het begrip potentieel ZZS (pZZS) komt zelf niet in de regelgeving (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) voor. Door het RIVM wordt een overzicht van pZZS bijgehouden. Het gebruik van PAC in de waterbehandeling is gebruikelijk. Als alternatief kan bijvoorbeeld ook aluminiumsulfaat toegepast worden, maar dit heeft als nadeel dat hiermee aluminiumionen achterblijven in het water. Deze zullen moeten worden verwijderd en dat resulteert in behoorlijke hoeveelheden waterbehandelingsresidu dat moet worden afgevoerd. Het gebruik en de opslag van deze stoffen natronloog, natriumhypochloriet en zwavelzuur leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. PAC kan veilig worden opgeslagen in tanks, drums of in een IBC. De waterbehandelingsector onderzoekt de mogelijkheden om PAC te vervangen voor een minder milieubelastende variant. Deze is echter nog niet beschikbaar.

4.2.7

Externe veiligheid

In de leidingstraat nabij het perceel liggen gasleidingen (NL.IMEV.GASU.BuisleidingStelsel-A-671 en NL.IMEV.GASU.BuisleidingStelsel-A-667). Hiervoor zijn risico-contouren vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de atlas voor de leefomgeving.

De bestaande bedrijfswoning is niet als kwetsbaar object gedefinieerd, maar wel als zodanig beschouwd. Voor het initiatief is een kwalitatieve risicoanalyse uitgevoerd [rapport Aviv, Risicoanalyse Waterstofproductie-installatie H2XP Woensdrecht van 5 september 2024]. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 1.0 10-6 /jr ligt deels buiten de inrichting. Er liggen geen (geprojecteerde) kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen of locatie binnen deze risicocontour. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 28/37

Binnen de aandachtsgebieden bevinden zich geen (geprojecteerde) zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen of locaties van derden.

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 29/37

4.2.8

Energie

Gedurende de realisatiefase wordt energie gebruikt in de vorm van brandstof voor materieel en in de vorm van elektriciteit. Het materieel kan ter plaatse worden afgetankt als de tankplaats maar voldoet aan PGS31 en Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen voor een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Gedurende de exploitatiefase wordt groene waterstof gemaakt. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de groene energie die in de nabijheid wordt opgewekt met behulp van zonneparken. Mocht er onvoldoende groene stroom beschikbaar zijn wordt de productie afgeschaald. Ter voorkoming van afschaling en om gebruik te kunnen maken van overtollige opgewekte energie kunnen elektrolysers worden toegepast met ingebouwde batterijsystemen. In de productie ontstaan reststromen energie, vooral in de vorm van warmte.

4.2.9

Natuur

Het natuuraspect wordt onderverdeeld in drie deelonderwerpen: -

Natura2000 Flora- en faunabescherming Vellen van houtopstanden

Natura2000 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura2000-gebieden. Het project is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het Natura2000-gebied ‘Brabantse Wal’ ligt op circa 3 kilometer afstand het meest nabij de voorgenomen ontwikkeling. Op circa 3,3 kilometer afstand ligt Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 30/37

tevens het Natura 2000-gebieden ‘Markiezaat’, op circa 3,5 kilometer afstand ligt het Natura2000gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’, op circa 4,8 kilometer afstand ligt het Natura2000-gebied ‘Oosterschelde’ en op circa 6,2 kilometer afstand ligt het Natura 2000-gebied ‘Zoommeer’. De Belgische Natura2000-gebieden ‘Schorren en Polders van de Beneden-Schelde’ en ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’ liggen op circa 4,5 kilometer afstand en het Belgische Natura 2000gebied ‘Kalmthoutse Heide’ ligt op circa 7,6 kilometer afstand. Door Econsultancy is onderzoek gedaan naar de mogelijke stikstofdepositie door de activiteiten op de Natura2000-gebieden [Rapportage onderzoek stikstofdepositie Leidingstraat 11, Woensdrecht]. Uit oriënterend onderzoek blijkt dat, gezien de schaal en de locatie van de ontwikkeling, het projecteffect van de aanlegfase > 0,00 mol/ha/jaar is. Voor de aanlegfase wordt derhalve aansluiting gezocht bij interne saldering en is een verschilberekening gemaakt. Hierbij is de stikstofdepositie van de aanlegfase vergeleken met de depositie ten gevolge van de referentiesituatie.

De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen en het vervoer van personeel, het stationair draaien van vrachtwagens op het terrein en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar de gerealiseerde ontwikkeling en het stationair draaien van vrachtwagens op het terrein. De (verschil)berekening van het projecteffect van zowel de aanlegfase ten opzichte van de referentiesituatie als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2023.2.1). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanlegfase ten opzichte van de referentiesituatie (verschilberekening) als de gebruiksfase (zonder verschilberekening) is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Voor de Natura 2000-gebieden in België worden tevens geen significant negatieve effecten verwacht.

Flora- en faunabescherming Door Econsultancy is een quickscan uitgevoerd naar (mogelijk) beschermde planten en dieren. Deze quickscan is toegevoegd als bijlage. Concluderend kan worden gesteld. -

-

-

-

Nader onderzoek naar mogelijke overtredingen van de Omgevingswet daar waar het huismussen en kerkuilen betreft, wordt geadviseerd. Onderzoek dient plaats te vinden in het broedseizoen van deze soorten; Voor categorie 5 broedvogelsoorten wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken. Dit is waarschijnlijk in de realisatiefase niet mogelijk. Voor uitvoering van de werkzaamheden zal onderzocht worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn; Voor vleermuizen wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie in de schemer en in het donker vleermuisvriendelijk licht te gebruiken, zo worden vliegroutes en foerageergebieden op of naast de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt; Ten aanzien van mogelijke aanwezigheid van bunzing, wezel en hermelijn dient nader onderzoek uitgevoerd te worden in de periode juni-november; Als gevolg van graafwerkzaamheden kan de onderzoekslocatie geschikt worden voor de rugstreeppad als landhabitat. Om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen, wordt geadviseerd gebruik te maken van een amfibiëenscherm en te werken volgens een ecologisch werkprotocol.

De adviezen worden overgenomen.

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 31/37

Vellen houtopstanden Op basis van artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving gaan de bepalingen over het vellen van houtopstanden, kortweg, over het vellen van houtsopstanden buiten de bebouwde kom. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd dit geregeld door de Boswet. Er is in dit initiatief geen sprake van vellen van houtsopstanden. De bestaande groenelementen blijven gehandhaafd. De regels ter bescherming van deze houtopstanden zijn derhalve niet van toepassing.

4.3 Risico voor de gezondheid In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Veel van de aspecten beschreven onder de milieuaspecten hebben ook een invloed op de gezondheid. Zo draagt een vermindering van de geur bij aan een betere fysieke leefomgevingskwaliteit. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Artikel 5.32 van de Omgevingswet geeft de weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning bij ernstige gezondheidsrisico’s. Artikel 5.42 vierde lid handelt over het kunnen aanpassen van voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning dan wel het kunnen intrekken van een verleende vergunning. In paragraaf 4.2 is bij de milieuaspecten voldoende aangegeven dat de activiteiten binnen de vastgestelde criteria voor een evenwichtige toedeling van deze functie aan deze locatie mogelijk is. Hierbij is acht geslagen op de situatie van de bedrijfswoning. Geconcludeerd wordt dat ook voor de bedrijfswoning wordt voldaan de criteria voor een gezond woonen leefklimaat.

4.4 Risico’s op ongevallen In het proces worden verschillende risico’s geïdentificeerd. Nr.

Omschrijving

1

Ongecontroleerde lozing

2

Brand

3

Lekkage waterstofleiding

4

Lekkage zuurstofleiding

5

Aanrijding op terrein

4.4.1

Ongecontroleerde lozing

De droge koelers zijn voorzien van een 30% propyleenglycolmengsel als koelmiddel. Bij lekkage van de koelers kan dit koelmiddel met hemelwater afstromen naar oppervlaktewater of in de bodem verdwijnen. Er worden verschillende maatregelen genomen om het risico op lekkage te verminderen en de effecten bij een lekkage zo beperkt mogelijk te houden. Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 32/37

Verlaging van de kans op lekkage Het aantal flenzen wordt geminimaliseerd door het gebruik van lange leidingen Periodieke reiniging en controle van de droge koelers brengt mogelijke slijtage of zwakke plekken vroegtijdig aan het licht Eventuele oorzaken van lekkage worden zo veel mogelijk verwijderd

Verlaging van de impact van lekkage De gehele koelinstallatie wordt in verschillende compartimenten opgedeeld. Hierdoor wordt de hoeveelheid vloeistof die potentieel kan ontsnappen beperkt Druksensoren monitoren de druk in het koelsysteem. Indien de verwachte druk afwijkt van de daadwerkelijke druk is dit een indicatie van lekkage De hemelwaterafvoer van de daken waarop de droge koelers geplaatst zijn, en die dus potentieel verontreinigd zijn, worden afzonderlijk aangesloten op de algemene hemelwaterafvoer richting het lozingspunt Het hemelwater afkomstig van potentieel verontreinigde oppervlakken wordt eerst opgevangen in een buffertank, vóórdat het geloosd wordt De leidingen met glycol worden duidelijk gemarkeerd, waardoor snelle opsporing van lekkage vergemakkelijkt wordt Er worden maatregelen getroffen om in geval van lekkage, het verontreinigde ‘hemelwater’ op te slaan en af te voeren

Een tweede vorm van ongecontroleerde lozing kan voorkomen als de waterzuivering faalt. De effecten hiervan zullen niet leiden tot een aanzienlijk milieueffect. De input van de waterzuivering betreft schoon industriewater afkomstig uit de Biesbosch. Een lekkage zal zorgen dat het volume water dat geloosd wordt groter wordt. Milieueffecten zijn hier niet van te verwachten. Wel kan er tijdelijk een verhoogde waterstand optreden in de nabij gelegen watergangen.

4.4.2

Brand

Het voorkomend gevaar van de waterstoffabriek is het vrijkomen van waterstofgas. Waterstof is een brandbaar en explosief gas met een zeer lage ontstekingsenergie van 0,02 mJ. Naast waterstofgas zijn er enkel chemicaliën en brandstof voor sommige installaties in de plant aanwezig. De brandstoffen zullen hoogstwaarschijnlijk klasse 3 brandstoffen zijn. Klasse 3 vloeistoffen hebben een hoog vlampunt (>55 °C). Dit geeft aan dat de vloeistoffen wel brandbaar zijn, maar niet snel ontsteken. Een brandscenario is niet aannemelijk. Daarom zijn klasse 3 vloeistoffen niet meegenomen in deze scenarioanalyse. De chemicaliën zullen ook niet licht ontvlambaar zijn en worden daarom niet meegenomen in deze scenarioanalyse. Om het risico naar een acceptabel niveau te brengen worden beheersmaatregelen getroffen. De beheersmaatregelen worden zoveel mogelijk genomen conform de volgende strategie:

• bronmaatregelen; • technische maatregelen; • organisatorische maatregelen. Toelichten verschil tussen bron-, preventieve en repressieve maatregel

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 33/37

Een bronmaatregel neemt de oorzaak van een ongeval weg. Hierdoor treedt het ongeval niet meer op. Een preventieve maatregel vermindert de kans op optreden van een ongeval. Een repressieve maatregel vermindert de gevolgen van een ongeval. Bronmaatregelen verdienen de voorkeur. Als bronmaatregel zijn reeds keuzes gemaakt voor milieuvriendelijkere varianten ten opzichte van de slechtere varianten. In het kader van de risico’s op brand en explosies zijn deze risico’s verbonden aan het maken van waterstofgas. De belangrijkste bronmaatregel die ervoor zorgt dat risico’s weggenomen worden is het niet maken van waterstofgas. Dat is niet aan de orde. Preventieve maatregelen genieten over het algemeen de voorkeur boven repressieve maatregelen. Echter, door de aard van het proces zijn niet alle risico’s uit te sluiten door middel van preventieve maatregelen. Daarom is beoordeeld of repressieve (technische) beheersmaatregelen toegepast moeten worden om de restrisico’s van een brand te kunnen aanvaarden. Afhankelijk van deze beoordeling kunnen, indien noodzakelijk, brandbeveiligings- en bestrijdingssystemen ingezet worden. In navolging op het bovenstaande hanteert H2XP de volgende filosofie ter beheersing van onverhoopt optredende incidenten met waterstofgas: 1. Het tijdig detecteren van het ontstaan van een brand of ander incident met waterstofgas; 2.

Het effectief melden van het incident, het alarmeren van de interne noodorganisatie en, indien van toepassing, de externe brandweerorganisatie en overige hulpdiensten; 3. Indien noodzakelijk het ontruimen van de getroffen installatie en het object of terrein, en reddend handelen (indien er mensen op de locatie aanwezig zijn); 4. Het beperken van de uitbreiding en de omvang van het incident door: • Stoppen en/of inblokken van (delen van) de getroffen installatie (handmatig of automatisch door het proces); • Indien aanwezig het activeren van stationaire brandbeheersingsinstallaties (handmatig of automatisch door de installaties); • Indien noodzakelijk, het koelen van aangestraalde installaties, gebouwen en objecten (met stationaire middelen); 5. Het informeren van de externe brandweer en overige overheidshulpdiensten.

4.4.3

Preventieve maatregelen

Het uitgangspunt bij de preventie van brand en incidenten met waterstofgas is dat de technische installaties zijn ontworpen conform de toepasselijke regelgeving, normen en richtlijnen of ten minste gelijkwaardig en gedurende hun levenscyclus hieraan blijven voldoen en als zodanig worden gecontroleerd, beheerd en onderhouden. Dit geldt onder andere voor het ontwerp van de electrolyse, de purifier unit, de compressoren en het ontwerp van leidingen en procesinstallaties. De preventieve maatregelen beogen het vrijkomen van waterstofgas en/of de verdere escalatie door bijvoorbeeld ontsteking ervan te voorkomen. Deze maatregelen kunnen zowel technisch als organisatorisch van aard zijn. De belangrijkste preventieve maatregelen die toegepast zullen worden op het terrein van de H2XP waterstoffabriek zijn hierna op hoofdlijnen beschreven. Uit de veiligheidsstudies zullen de overige (specifieke) preventieve maatregelen in beeld worden gebracht. Technische maatregelen

• • • • • • •

Procesveilig ontwerp conform de best beschikbare technieken en normen; Hoge betrouwbaarheid voor toegepaste materialen en systemen; Preventief alarm (bijvoorbeeld gasdetecties); Process Control Systemen (bijvoorbeeld: noodstops, drukbeveiligingen, etc.); Electrische en elektronische apparatuur in gebieden met explosiegevaar voldoet aan ATEX; Voldoende gebouwventilatie zodat mogelijke opbouw van brandbare gaswolken wordt voorkomen; Bliksembeveiliging op gebouwen en installaties conform NEN-EN-IEC 62305.

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 34/37

Leidingen Voor het leidingwerk voor waterstof wordt speciaal materiaal gebruikt dat bestand is tegen de eigenschappen van waterstof (bijvoorbeeld verbrossing). Er worden speciale waterstofleidingen conform ASME B31.12 process piping, specifiek voor waterstof, geïnstalleerd. Leidingwerk met meer dan 0,5 bar vallen onder de PED-regelgeving. Deze leidingen dienen hieraan te voldoen. Voordat leidingwerk in gebruik mag worden genomen is eerst goedkeuring nodig van een Notified Body. Voor de zuurstofleiding wordt een afdoende leidingspecificatie toegepast die geschikt is voor pure zuurstof. De uitblaas van de afblaasleiding wordt op voldoende afstand gehouden met de waterstofafblaasleiding en van eventuele brandbare materialen. Deze afstand is onder andere gebaseerd op API 521 fakkelinstallaties en de ATEX-richtlijnen zoals EN-60079 of de NPR 7910-1. Brand- en gasdetectie en alarmsystemen Een branddetectiesysteem wordt toegepast om een brand in een vroeg stadium te ontdekken en te alarmeren, zodat tijdig gepaste maatregelen kunnen worden genomen. Daarnaast zal ook een gasdetectiesysteem worden toegepast om ontsnapping van een brandbaar gas te kunnen ontdekken en tijdig te alarmeren. Op deze alarmen kan het personeel vervolgens tijdig op het proces ingrijpen. Bij het aanspreken van een gas- of branddetectiesysteem treedt de geldende (nood)procedure in werking.

In geval van een brandalarm wordt dit gemeld aan de meldkamer van de brandweer. In overeenstemming met de geldende richtlijnen zal een alarmsysteem worden geïnstalleerd waarmee de op de installatie aanwezige personen gealarmeerd kunnen worden. Ook zal een verzamel- en evacuatiesysteem worden opgezet in overeenstemming met de geldende richtlijnen en in het industriegebied gehanteerde praktijken, zodat personen die tijdens incidenten op de installatie aanwezig zijn op een veilige plaats kunnen verzamelen, eventuele vermissingen geregistreerd kunnen worden en, indien noodzakelijk, personen kunnen worden geëvacueerd. Organisatorische maatregelen

• • • • • •

Goed geschoold en gecertificeerd productie- en onderhoudspersoneel; Adequaat milieuzorgsysteem; Werkvergunningssysteem; Onderhouds- en inspectieplan; Algeheel rookverbod op het terrein; Indeling van het terrein en installaties in gevarenzones conform NPR 7910-1, overeenkomstige toepassing van explosieveilige elektrische apparatuur in deze zones; • Procedures voor het toezicht op en uitvoering van de (onderhouds)werkzaamheden.

4.4.4

Repressieve maatregelen

Ondanks de preventieve maatregelen, bestaat er een kans dat er toch een brand kan ontstaan op de locatie. Daarom zullen, waar nodig, repressieve beheersmaatregelen getroffen worden. De repressieve maatregelen kunnen zowel technisch als organisatorisch van aard zijn. Ook hier geldt dat technische maatregelen de voorkeur hebben boven organisatorische maatregelen. Onder technische maatregelen worden onder andere brandbeveiligingssystemen bedoeld. Het belangrijkste doel van deze middelen is om te voorkomen dat een brand escaleert. Voor de technische repressieve maatregelen kan er onderscheid worden gemaakt tussen passieve en actieve brandbeveiligingsmiddelen.

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 35/37

Daarnaast zijn er ook generieke organisatorische maatregelen die ervoor zorgen escalatie van brand te beperken. Deze zijn ook op hoofdlijnen opgenomen in deze paragraaf. Technische maatregelen Passieve brandbeveiliging Onder passieve brandbeveiliging worden middelen verstaan die hun functie uitvoeren zonder daarvoor te moeten worden geactiveerd, bijvoorbeeld brandwerende bekleding van staalconstructies of brandwerende scheidingswanden. Deze middelen worden toegepast op plaatsen waar onmiddellijke brandbeveiliging nodig is en bieden voor een bepaalde tijd bescherming. Een ander middel om passieve brandbeveiliging te verkrijgen is het creëren van afstand tussen installaties of bouwwerken. Waar mogelijk zal dit middel worden toegepast. Actieve brandbeveiliging Onder actieve brandbeveiliging worden vast opgestelde middelen verstaan die geactiveerd moeten worden (automatisch of door menselijk ingrijpen) en middelen die door personeel bediend moeten worden. Vanwege een onbemande plant, zal de actieve brandbeveiliging automatisch starten. Actieve brandbeveiliging wordt toegepast daar waar escalatie (warmtestraling op gebouw of ander deel van de installatie met gevaarlijke stoffen groter dan 10 kW/m2) kan plaatsvinden. Ook kan er gekozen worden om daar waar aanstraling mogelijk is, bluswater in te zetten om de installaties met waterstof te koelen (om escalatie te voorkomen).

Installaties onder druk kunnen bezwijken indien de druk in de installatie een ontoelaatbaar niveau bereikt. Dit kan worden voorkomen door onder andere het aanspreken van de aanwezige drukveiligheden in combinatie met het bij eventuele aanstraling koelen van de installatie . Voor het blussen van beginnende en/of kleine branden zullen op strategische en makkelijk bereikbare locaties, in de gebouwen en op het terrein, draagbare en/of mobiele blusmiddelen worden geplaatst, afgestemd op de voorzienbare scenario’s. Organisatorische maatregelen Noodorganisatie In principe zijn alleen de bewoners van de bedrijfswoning als beheerder aanwezig op de locatie. Zij zijn opgeleid voor een eerste opvang en behandeling van gewonden, voor het begidsen van hulpdiensten en voor het gebruiken van draagbare kleine blusmiddelen ter bestrijding van beginnende branden. Er zal een noodplan opgesteld worden. De rampscenario’s en rampenbestrijding zullen in nauw overleg met de overheidsbrandweer opgesteld worden. Het noodplan zal periodiek conform de normen geoefend worden en de bevindingen worden vastgelegd. Brandbestrijding Voor branden die niet door het personeel onder controle kunnen worden gebracht, zal een beroep worden gedaan op de overheidsbrandweer. De brandweer zal de voor de brandbestrijding noodzakelijke apparatuur zelf meenemen wanneer zij ter bestrijding van een incident uit moeten rukken.

De locatie heeft een eigen bluswatertank. Het bluswaternet dient voldoende capaciteit te hebben om de relevante scenario’s te kunnen beheersen. De bluswatercapaciteit wordt gebaseerd op een compartimentbrand conform de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor compartimentbranden en installaties met gevaarlijke stoffen.

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 36/37

Sweco | H2XP Projects B.V. Projectnummer: 51023289 Datum: 10-07-2025 Document referentie

Versie: 1.0 37/37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=962a625e-dc01-422f-b900-67a1c01922ef