CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

A natuurdoelanalyse brabantse wal 128 2023.pdf

Themabijeenkomst 30 maart 2023, gemeente woensdrechtBij agendapunt: 20.30-21.00 uur: Inzoomen op gebied: stikstof op de Brabantse Wal en Markiezaat30.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128]

projectnummer 476383.100 Definitief 27 februari 2023

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128]

projectnummer 476383.100 Definitief 27 februari 2023

Opdrachtgever Provincie Noord-Brabant Brabantlaan 1 5216 TV 's-Hertogenbosch

datum 27 februari 2023

beschrijving Definitief

vrijgave Akkoord

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Doelstelling Leeswijzer

1 2 3

2

Natura 2000-doelen

4

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Inleiding Kernopgaven Doelen habitattypen Doelen Habitatrichtlijnsoorten Doelen Vogelrichtlijnsoorten

4 6 7 9 11

3

LESA

15

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.10.1 3.10.2 3.10.3 3.10.4 3.10.5 3.10.6 3.10.7 3.10.8 3.10.9 3.10.10 3.11

Inleiding Ontstaansgeschiedenis Klimaat Geologie Morfologie Hydrologie Bodem Vegetatie Fauna De mens Natuurbeheer Recreatie Jacht, beheer en schadebestrijding Infrastructuur Agrarisch gebruik Menselijke ingrepen in waterhuishouding Defensie en politie Diverse bebouwing Industrie en energie Begraafplaatsen en crematorium Landschapsecologische samenvatting; ecologische sleutelfactoren

15 16 17 18 21 22 34 36 36 37 37 40 42 42 43 44 50 51 51 54 54

4

Visie/ecologische potentie

59

4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3

Inleiding Visie systeemniveau Visie op realisatie instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen Habitatrichtlijnsoorten Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels)

59 59 60 60 65 65

5

Huidige staat van instandhouding en trends

68

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7 5.2.8 5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4 5.4.5 5.4.6 5.5 5.6 5.7

Inleiding en methodiek Habitattypen H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwakgebufferde vennen H3160 Zure vennen H4010A Vochtige heiden H4030 Droge heiden H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen – Doel uit Wijzigingsbesluit aanwezige waarden H9120 Beuken- eikenbossen met hulst – Doel uit wijzigingsbesluit aanwezige waarden Habitatrichtlijnsoorten H1166 Kamsalamander H1831 Drijvende waterweegbree Vogelrichtlijnsoorten A004 Dodaars A008 Geoorde fuut A072 Wespendief A224 Nachtzwaluw A236 Zwarte specht A246 Boomleeuwerik Overzicht huidige knelpunten Leemten in kennis Synthese ecologische analyse

68 68 70 76 81 87 91 97 102 106 110 110 116 118 120 124 127 132 135 139 143 148 152

6

Conclusie

160

6.1 6.2

Overzicht uitgevoerde maatregelen en effecten ervan Conclusie

162 170

7

Nieuwe maatregelen voor doelbereik

172

7.1 7.1.1 7.1.2 7.1.3 7.1.4 7.1.5 7.1.6 7.1.7 7.1.8 7.2 7.3 7.4

Mogelijke maatregelen voor doelbereik Maatregelen optimalisatie hydrologisch systeem Maatregelen vergroten areaal en connectiviteit Maatregelen vergroten dynamiek en diversiteit Maatregelen verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade Maatregelen herstel biotische kwaliteit Maatregelen aanpak exoten Algemene maatregelen los van de aangrijpingspunten Onderzoeksmaatregelen Maatregelen noodzakelijk om (verdere) verslechtering te voorkomen Maatregelen voor uitbreiding en verbetering conform aanwijzingsbesluit Overige maatregelen voor optimaal systeemherstel

172 172 175 179 183 183 184 185 185 191 194 194

8

Gebruikte bronnen

196

Bijlage 1: Methodiek beschrijving habitattypen en soorten Bijlage 2: Analyse typische soorten Bijlage 3 Kaarten

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De directe aanleiding voor de uitvoering van natuurdoelanalyses is het opstellen van de gebiedsplannen van het Nationaal Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN). In de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (2021) was opgenomen dat de minister een Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN) vast zou stellen: 1.

2.

Voor het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan de omgevingswaarden volgens en in overeenstemming met de WSN. Voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in deze wet bedoelde habitats.

Daartoe zouden in het PSN tussentijdse doelstellingen worden opgenomen met het oog op: 1. 2.

Het tijdig voldoen aan de omgevingswaarden; en De in het programma opgenomen maatregelen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen

De minister maakte op 24 mei 2022 het Ontwerpprogramma Stikstofreductie en Natuurverbetering bekend. Voor elk in het PSN opgenomen Natura 2000-gebied zal een natuurdoelanalyse worden opgesteld. Dit gebeurt door de voortouwnemers van de Natura 2000-gebieden, waaronder de provincies. In de natuurdoelanalyse wordt, op basis van beschikbare informatie, ecologisch (ex ante) beoordeeld of de te verwachten stikstofreductie voor dat gebied in samenhang met de natuurherstelmaatregelen leidt tot bereik van de instandhoudingsdoelstellingen. Deze natuurdoelanalyses resulteren in een overzicht van resterende drukfactoren op het N2000gebied en geven mede richting aan verdere uitwerking van aanvullende (natuurherstel)maatregelen in gebiedsplannen. De natuurdoelanalyses zijn inhoudelijke ecologische analyses en rapportages, geen beleidsstukken. Pas wanneer maatregelen worden opgenomen in het (provinciale) gebiedsplan of in een N2000-beheerplan krijgen ze een beleidsstatus. In het gebiedsplan moet worden beschreven wat het verwachte effect is van het totale pakket voorziene maatregelen op het realiseren van de omgevingscondities die nodig zijn voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Dat vraagt een samenhangende omvattende beoordeling van de effecten van alle stikstofbronmaatregelen en natuurmaatregelen op gebiedsniveau.

De gezamenlijke natuurdoelanalyses vormen hiervoor de basis. Deze analyses maken uiteindelijk inzichtelijk of het geheel aan geplande en reeds in uitvoering zijnde maatregelen naar verwachting leiden tot realisatie van condities voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Op 10 juni 2022 heeft de minister in de Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) een verdere invulling gegeven aan de in de wet opgenomen doelstellingen. Volgend uit de afspraken in het PSN worden de stikstof- en natuurdoelen uiterlijk in juli 2023 verplicht en onontkoombaar ruimtelijk uitgewerkt en vastgelegd in een gebiedsplan. Vanuit de NPLG-ambitie wordt dit samen met de andere uitgewerkte doelen voor natuur, water en klimaat, en de wisselwerking met de verduurzaming van de landbouw en de sociaaleconomische ontwikkelingen, opgenomen in de eerste versie van de brede gebiedsprogramma’s. In het

Blad 1 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

coalitieakkoord heeft het kabinet aangekondigd de huidige wettelijke omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2035 uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering naar voren te halen. Dit betekent dat in 2030 74% van het stikstofgevoelig Natura 2000-areaal onder de kritische depositiewaarde moet zijn gebracht. In 2025 is dit conform de wettelijke verplichting 40% van dat areaal. Met de natuurdoelanalyses, die worden getoetst door een onafhankelijke ecologische autoriteit, wordt breed gekeken naar wat er nodig is voor een goede staat van instandhouding. De provincie Noord-Brabant stelt natuurdoelanalyses op voor de volgende gebieden: • Biesbosch • Brabantse Wal • Deurnsche Peel & Mariapeel • Groote Peel • Kampina & Oisterwijkse Vennen • Kempenland-West • Langstraat • Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux • Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen • Markiezaat1 • Oeffelter Meent • Regte Heide & Riels Laag • Strabrechtse Heide & Beuven • Ulvenhoutse Bos • Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

1.2

Doelstelling Middels voorliggende natuurdoelanalyse wil de provincie Noord-Brabant antwoord krijgen op de volgende vragen: 1. 2. 3.

4.

5.

Wat is de huidige situatie van alle voor dit gebied aangewezen habitats en soorten? Inclusief Wijzigingsbesluit Aanwezige waarden. Wat is de trend? In geval van een (mogelijk verdere) verslechtering: welke maatregelen moeten, in aanvulling op de huidige maatregelen, genomen worden om achteruitgang te stoppen? Welke ecologische potenties zijn er in het gebied aanwezig, op basis van reeds bestaande potentie-inschattingen (in de beheerplannen2)? Welke maatregelen zijn, in aanvulling op de huidige maatregelen, in ieder geval nodig om voor de in de aanwijzingsbesluiten opgenomen doelstellingen uitbreiding en verbetering mogelijk te maken. Welke maatregelen zijn nog meer mogelijk om het systeem en de daarbij behorende natuurwaarden verder te verbeteren?

1

Enige voortouwgebied van Noord-Brabant dat niet als stikstofgevoelig wordt aangemerkt en daarom niet in PSN opgenomen. 2 Natura 2000-gebieden - Provincie Noord-Brabant

Blad 2 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

1.3

Leeswijzer •

• • •

•

•

Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de Natura 2000-doelen van het Natura 2000gebied; voor Brabantse Wal betreft dat doelen voor habitattypen, Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten; In Hoofdstuk 3 is een landschapsecologische analyse (LESA) opgesteld; In Hoofdstuk 4 zijn de visie op systeemniveau en de visie op realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen beschreven; In Hoofdstuk 5 volgt de analyse van de huidige staat van instandhouding en trend van de habitattypen, Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten. In dit hoofdstuk zijn per instandhoudingsdoel knelpunten beschreven en voor het gebied als geheel. De knelpunten zijn gekoppeld aan de OBN-aangrijpingspunten; In Hoofdstuk 6 wordt eerst een overzicht gegeven van reeds uitgevoerde maatregelen. Vervolgens wordt per instandhoudingsdoel geconcludeerd of op basis van het huidige maatregelenpakket verslechtering wordt voorkomen en of het instandhoudingsdoel binnen bereik is. Op basis daarvan wordt een eindoordeel gevormd. Daarna wordt aangegeven of sprake is van een restprobleem en zo ja, of stikstof een beperkende factor vormt. In Hoofdstuk 7 worden, in aanvulling op de reeds uitgevoerde maatregelen, maatregelen voorgesteld voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.

Blad 3 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

2

Natura 2000-doelen

2.1

Inleiding De Brabantse Wal is het Nederlands deel van de hoge zandrug die de overgang vormt tussen het zandlandschap (het West Brabants plateau of Kempisch hoog) en de zeeklei. Deze zandrug strekt zich in het geheel uit van Steenbergen tot aan Antwerpen. Door de eroderende werking van de Schelde is een voor Nederlandse begrippen spectaculaire overgang ontstaan van het zandlandschap naar het Zeeuwse kleilandschap: de 'wal'. Het meest westelijke deel van het Kempense Plateau eindigt hier in een hoge steilwand. Loodrecht op deze steilwand bevinden zich enkele beekdalen. Op de Brabantse wal komen meerdere stuifzandgebieden voor, behalve relatief recente stuifduinen betreft het hier ook veel oudere rivierduinen, die zijn ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd. De Mattemburgh is een oud landgoed op de overgang van de Brabantse Wal naar de jonge zeeklei van de Oosterschelde. Door de gradiëntrijke ligging is er een grote biologische rijkdom. Op de Woensdrechtse Heide wordt stuifzand, naaldbos en gemengd bos aangetroffen. De Wouwse Plantage is een oud landgoed met gemengde bossen, landbouwgronden, een relict van een zandverstuiving en lange beukenlanen in de vorm van een ster. Zoomland is ontstaan uit vier zeventiende-eeuwse landgoederen. Het landgoed is opgebouwd uit gevarieerde gemengde bossen, wei- en bouwland, heide met eikenstrubben dichtgegroeid stuifzand en moeras.

Kortenhoef bestaat uit natuurlijk bos en heidelandschap op voormalig landgoed. Het noordelijke deel van het landgoed Grote Meer bestaat uit licht geaccidenteerde zandgronden met daarop plantages van voornamelijk naaldhout met hier en daar stukjes landbouwgrond en enkele natuurlijke vennen: het Groote Meer, Kleine Meer en het Zwaluwmoer. De zuidelijke helft bestaat uit dennenbos, heide en zandverstuivingen (www.natura2000.nl). Het grootste aaneengesloten heidegebied op deze wal is de Belgische Kalmthoutse Heide; ook aangewezen als Natura 2000-gebied (BE2100015 - Kalmthoutse Heide). Het Nederlandse en Belgische deel vormen samen een grensoverschrijdend natuurpark.

Blad 4 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 2-1: Belangrijke toponiemen Natura 2000-gebied Brabantse Wal (bron: Provincie NoordBrabant, 2018).

Blad 5 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (4.874 ha) is grotendeels aangewezen als Vogelrichtlijngebied (4.824 ha) en deels aangewezen als Habitatrichtlijn (1.775 ha) (zie figuur 2-1; bron: www.natura2000.nl). Het aanwijzingsbesluit is genomen op 07-05-2013. Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State is het aanwijzingsbesluit Brabantse Wal in oktober 2014 zodanig gewijzigd dat het gebied ‘Jagersrust’ aan weerszijden van de Putse Weg aan het Habitatrichtlijngebied is toegevoegd. Voor het Natura 2000-gebied Brabantse Wal gelden de doelen (paragraaf 2.2, 2.3, 2.4 en 2.5), zoals opgenomen in het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (Ministerie van LNV, 2022).

Figuur 2-2: Ligging van Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Het gebied is zowel Habitatrichtlijn- als Vogelrichtlijngebied (bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

Het gebied heeft veel verschillende eigenaren, te weten Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Brabants Landschap, Defensie, drinkwaterbedrijf Evides, gemeente Woensdrecht, gemeente Bergen op Zoom en veel particuliere eigenaren.

2.2

Kernopgaven Natura 2000-gebied Brabantse Wal is onderdeel van het Natura 2000-landschap Hogere zandgronden zoals vastgesteld in het doelendocument van het ministerie van LNV (2006). Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid landschap Hogere zandgronden (Natura 2000 doelendocument, Ministerie LNV, 2006): Vergroten van interne samenhang van gebieden door herstel van evenwichtige verdeling van open en gesloten met meer geleidelijke overgangen van zandverstuivingen, heide, vennen, graslanden en bos. Versterken van het ruimtelijk netwerk van bos, heide- of stuifzandgebieden, waarbij tussenliggende gebieden gebruikt kunnen worden als stapstenen, met name voor soorten als reptielen en vlinders.

Blad 6 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

-

Versterken van overgangen van droge naar natte gebieden, zoals beekdalen en herstel van vennen op landschapsschaal.

Tabel 2-1: Kernopgaven voor de Brabantse Wal, conform Natura 2000-doelendocument (ministerie van LNV, 2006). Passages die onderdeel zijn van de kernopgaven, maar niet van toepassing zijn voor de Brabantse Wal omdat er geen instandhoudingsdoel geldt voor het betreffende habitattype en in de tabel de omschrijving van de landelijke kernopgaven is overgenomen, zijn in grijs opgenomen. w = wateropgave, Ω = sense of urgency/opgave met betrekking tot watercondities volgens doelendocument, x = opgenomen in het doelendocument. Code 6.01 6.08

6.09

2.3

Kernopgave Zeer zwak gebufferde vennen: Herstel en duurzaam behoud van grote zeer zwak gebufferde vennen H3110 in grote open heidevelden. Structuurrijke droge heiden: Vergroting areaal stuifzandheiden met struikhei H2310, binnenlandse kraaiheibegroeiingen H2320, droge heiden H4030 en zandverstuivingen H2330 én verbeteren van de kwaliteit door vergroting van de variatie in structuur en ontwikkeling van geleidelijke overgangen met bos, mede t.b.v. vogelsoorten als duinpieper A255, korhoen A107, nachtzwaluw A224, draaihals A233 en tapuit A277. Intern verbinden: Verbinden heide- en stuifzandencomplexen met oog op fauna.

Opgave Ω, w x

x

Doelen habitattypen Voor elke habitattype van de Brabantse Wal wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Brabantse Wal afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en het Wijzigingsbesluit (Ministerie van LNV, 2022). De toelichting bij de doelstelling zoals die in dit Aanwijzingsbesluit en het Wijzigingsbesluit wordt gegeven, is in het kader van de leesbaarheid in een separate tabel onder de tabel met instandhoudingsdoelstellingen weergegeven. Echter, het is mogelijk dat deze niet (langer) de huidige situatie beschrijft. De beschrijving in de volgende hoofdstukken geeft de actuele kennis weer. Op basis van het aantal bezette kilometerhokken is de bijdrage van alle habitattypen waarvoor de Brabantse Wal is aangewezen beperkt, maar voor de landelijke spreiding wel van belang. In tabel 2-2 zijn de instandhoudingsdoelen voor de habitattypen van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal weergegeven.

Blad 7 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Tabel 2-2: Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Brabantse Wal voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. Een beknopte toelichting op de instandhoudingsdoelstellingen is aansluitend na onderstaande tabel opgenomen. Bron: Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013) en Wijzigingsbesluit (Ministerie van LNV, 2022). Code

Habitattype

H2310 H2330

Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen

H3130

Zwakgebufferde vennen

B1

H3160

Zure vennen

C

H4010A

Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden

C (G)

Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst

C

H4030 H7150** H9120**

Relatieve Bijdrage B1 (G*) C

C

C

Doelstelling Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Behoud oppervlakte en behoud kwaliteit. Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Jaar van aanwijzing 2013 2013 2013 2013 2013 2013 2022 2022

*De letter “G” in deze kolom geeft aan dat het gebied is geselecteerd op grond van grensoverschrijding: het gebied vormt één geheel met een gebied aan de andere zijde van de rijksgrens dat door België ook voor dit habitattype is aangemeld. ** toegevoegd n.a.v. wijzigingsbesluit Code H2310

H2330

H3130

Toelichting Het habitattype stuifzandheiden met struikhei komt voor in mozaïek met het habitattype zandverstuivingen (H2330) en als kleine, geïsoleerde stukken. Voor duurzame instandhouding en ontwikkeling van een completer ecosysteem is vergroting van kleine stukken tot een meer aaneengesloten, robuustere hoeveelheid open heide noodzakelijk . Het gebied is mede van belang gezien de ligging op de grens met België. De op Belgisch grondgebied gelegen Kalmthoutse Heide is eveneens Natura 2000-gebied (voor meer informatie zie het profielendocument H2310 Stuifzandheiden met struikhei: https://www.natura2000.nl/profielen/h2310-stuifzandheiden-met-struikhei). Het habitattype zandverstuivingen komt momenteel voor op een militair oefenterrein en bestaat vrijwel alleen uit open zand. Voor versterking van de windwerking en daarmee gepaard gaande kwaliteitsverbetering is uitbreiding van de oppervlakte noodzakelijk. De afwisseling van (kleine) zandverstuivingen en habitattype stuifzandheiden met struikhei (H2310) is voor een groot aantal dieren belangrijk. Beide habitattypen komen lokaal in mozaïekvorm voor (voor meer informatie zie het profielendocument H2330 Zandverstuivingen: https://www.natura2000.nl/profielen/h2330-zandverstuivingen). Uit het Ranonkelven (vlakbij Jagersrust) is de medicinale bloedzuiger bekend.

Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit zijn noodzakelijk en zullen tevens leiden tot herstel van het landelijk meer zeldzame en bedreigde habitattype zeer zwakgebufferde vennen (H3110) (voor meer informatie zie het profielendocument H3130 Zwakgebufferde vennen: https://www.natura2000.nl/profielen/h3130-zwakgebufferde-vennen).

Blad 8 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Code H3160

H4010A

H4030

H7150

H9120

2.4

Toelichting Het habitattype zure vennen komt in een aantal vennen in het gebied voor. Deels is de kwaliteit goed, maar merendeels matig door eutrofiëring en verdroging (voor meer informatie zie het profielendocument H3160 Zure vennen). Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) komt over een beperkte oppervlakte in het gebied voor in de nabijheid van vennen, waarbij kwaliteitsverbetering mogelijk is. Uitbreiding van de oppervlakte loopt grotendeels parallel met uitbreiding van het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) (voor meer informatie zie het profielendocument H4010 Vochtige heiden: https://www.natura2000.nl/profielen/h4010-vochtige-heiden). De heide in het gebied behoort deels tot het habitattype stuifzandheiden met struikhei (H2310, op vaaggrond) en deels tot het habitattype droge heiden (H4030, op podzolgrond). Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit wordt mogelijk geacht en sluit aan bij de landelijke doelstelling (voor meer informatie zie het profielendocument H4030 Droge heiden: https://www.natura2000.nl/profielen/h4030-droge-heiden). Het habitattype komt voor op de oever van een ven in deelgebied Kortenhoeff en verder op een aantal afgeplagde terreinen in dat deelgebied en weerszijden van het Kleine Meer.

Behoud is voldoende, omdat er weinig mogelijkheden zijn voor uitbreiding en kwaliteitsverbetering op relatief stabiele (natuurlijke) locaties (voor meer informatie zie het profielendocument H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen: https://www.natura2000.nl/profielen/h7150pioniervegetaties-met-snavelbiezen). Het habitattype komt met een beperkte oppervlakte en matige kwaliteit voor op een oude bosgroeiplaats bij de Bieduinenhof. Er is zijn mogelijkheden voor (enige) kwaliteitsverbetering (voor meer informatie zie het profielendocument H9120 Beuken-eikenbossen met hulst: https://www.natura2000.nl/profielen/h9120-beuken-eikenbossen-met-hulst).

Doelen Habitatrichtlijnsoorten In tabel 2-3 zijn de doelen voor habitatsoorten samengevat. Voor elke Habitatrichtlijnsoort van de Brabantse Wal wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Brabantse Wal afgezet tegen de betekenis van de andere Habitatrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Afhankelijk van de soort wordt dit afgemeten aan getelde aantallen, aantal bezette plekken of kilometerhokken. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013). De toelichting bij de doelstelling zoals die in dit Aanwijzingsbesluit wordt gegeven, is in het kader van de leesbaarheid in een separate tabel onder de tabel met instandhoudingsdoelstellingen weergegeven. Echter, het is mogelijk dat deze niet (langer) de huidige situatie beschrijft. De beschrijving in de volgende hoofdstukken geeft de actuele kennis weer. Ten tijde van de aanmelding van Habitatrichtlijngebieden (2003) zijn voor de drijvende waterweegbree vijf gebieden geselecteerd, onder andere Brabantse Wal (128). Bij deze soort zijn aantallen moeilijk vast te stellen terwijl deze van jaar tot jaar bovendien sterk kunnen wisselen. Het best beschikbare materiaal om de betekenis van gebieden te vergelijken vormt de verspreiding per kilometerhok.

Op grond van verspreidingsgegevens die in de periode 1994-2008 zijn verzameld, zijn de gebieden met meest bezette kilometerhokken achtereenvolgens: Kempenland-West; Kampina & Oisterwijkse Vennen; Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux; Strabrechtse Heide & Beuven (137) en Veluwe (057). Volgens deze gegevens is de soort in Brabantse Wal op minder plekken aanwezig.

Blad 9 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelen voor de habitatrichtlijnsoorten van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal weergegeven. Tabel 2-3: Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Brabantse Wal voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. Een beknopte toelichting op de instandhoudingsdoelstellingen is aansluitend na onderstaande tabel opgenomen. Bron: Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013). Code

Habitatsoort

Relatieve Bijdrage

Doelstelling

H1166

Kamsalamander

*

H1831

Drijvende waterweegbree

C

Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit biotoop voor uitbreiding populatie.

Code H1166

Habitatsoort Kamsalamander

Jaar van aanwijzing 2013

2013

Toelichting De kamsalamander komt in een aantal relictpopulaties voor op verschillende locaties in het gebied. Het leefgebied van de soort in het gebied is de laatste jaren sterk verdroogd. Gezien de recente achteruitgang van de populatie dient herstel van de populatie nagestreefd te worden (voor meer informatie zie het profielendocument H1166 Kamsalamander) (voor meer informatie zie het profielendocument H1166 Kamsalamander: https://www.natura2000.nl/profielen/h1166-kamsalamander). H1831 Drijvende Dit gebied is één van de weinige gebieden in ons land waar de drijvende waterweegbree waterweegbree sinds langere tijd voorkomt. In de vennen in het noorden van het Habitatrichtlijngebied zijn goede mogelijkheden voor uitbreiding van de omvang van de biotoop. De drijvende waterweegbree zal meeliften met de plannen en maatregelen in het kader van bestrijding van de verdroging in het gebied (voor meer informatie zie het profielendocument H1831 Drijvende waterweegbree: https://www.natura2000.nl/profielen/h1831-drijvende-waterweegbree). * geen vermelding van relatieve bijdrage op website LNV relatieve bijdrage landelijk aandeel van de provincie is ca 20% (schrift. med Provincie Noord-Brabant, 2022).

2.5

Doelen Vogelrichtlijnsoorten Broedvogels In tabel 2-4 zijn de doelen voor broedvogels samengevat. Voor elke broedvogelsoort van de Brabantse Wal wordt de betekenis (relatieve bijdrage) van de Brabantse Wal afgezet tegen de betekenis van de andere Vogelrichtlijngebieden binnen Nederland die aan de selectiecriteria voldoen, gebaseerd op het aandeel van de landelijke populatie dat (geregeld) in het gebied aanwezig is. Deze informatie is afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013).

Blad 10 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

De toelichting bij de doelstelling zoals die in dit Aanwijzingsbesluit wordt gegeven, is in het kader van de leesbaarheid in een separate tabel onder de tabel met instandhoudingsdoelstellingen weergegeven. Echter, het is mogelijk dat deze niet (langer) de huidige situatie beschrijft. De beschrijving in de volgende hoofdstukken geeft de actuele kennis weer. In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelen voor de Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal weergegeven. Tabel 2-4: Instandhoudingsdoelstellingen broedvogelsoorten. Aangegeven is wat de relatieve bijdrage is van de Brabantse Wal voor deze habitattypen binnen Nederland, gebaseerd op het actuele aandeel van de landelijke oppervlakte dat in het gebied aanwezig was ten tijde van de aanwijzing. Hiervoor is de volgende klasseindeling gehanteerd, A1 = 15-30%, A2 = 30-50%, A3 = 50-75% en A4 = >75% B1 = 2-6% en B2 = 6-15% C = <2%. Een beknopte toelichting op de instandhoudingsdoelstellingen is aansluitend na onderstaande tabel opgenomen. Bron: Aanwijzingsbesluit (Ministerie van EZ, 2013). Code

Soort

Relatieve Bijdrage

Doelstelling

Jaar van aanwijzing

A004

Dodaars

C

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

2013

A008

Geoorde fuut

B2

Behoud omvang en verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren. Enige achteruitgang in draagkracht van het leefgebied ten gunste van het habitattype zwakgebufferde vennen (H3130) is toegestaan.

2013

A072

Wespendief

B

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 13 paren.

2013

A224

Nachtzwaluw

B1

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 80 paren.

2013

A236

Zwarte specht

B1

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

2013

A246

Boomleeuwerik

B1

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 100 paren.

2013

Code

Soort

Toelichting

A004

Dodaars

Rond de vennen op de Brabantse Wal broeden jaarlijks enkele tientallen paren van de dodaars. Inventarisatiegegevens ontbreken grotendeels waardoor niets gezegd kan worden over de aantalsontwikkeling. De schatting voor de periode 1999-2003 komt uit op 40 paren. In droge jaren vallen de aantallen lager uit.

Blad 11 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Code

Soort

Toelichting Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud van de populatie voldoende. Wel geldt een verbeteropgave voor de kwaliteit van het leefgebied om het waterhoudend vermogen te vergroten (vennen vallen te vaak en te vroeg in het jaar droog). Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie (voor meer informatie zie het profielendocument A004 Dodaars: https://www.natura2000.nl/profielen/a004-dodaars).

A008

Geoorde fuut

De Brabantse heidevennen leverden als broedgebied vanaf de jaren dertig een relatief grote bijdrage in Nederland. De vennen op de Brabantse Wal (Groote en Kleine Meer) leveren als broedgebied in jaren met een gunstige waterstand de grootste bijdrage in Brabant en de op één na grootste bijdrage van Nederland met maximaal 82 paren in 2003. Gemiddeld bedroeg in de periode 1999-2003 het aantal 46 paren. Doorgaans varieert het aantal tussen de 40 en 65 paren. De vennen zijn zeer gevoelig voor verdroging en in droge voorjaren kunnen geoorde futen echter geheel ontbreken. De populatie sluit aan op die van de Kalmthoutse Heide aan de Belgische kant van de grens. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud van de populatie voldoende. Wel geldt een verbeteropgave voor de kwaliteit van het leefgebied om het waterhoudend vermogen te vergroten (vennen vallen te vroeg in het jaar droog). Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. Op lange termijn bestaat onzekerheid over de ontwikkeling van de huidige populatiegrootte in verband met het herstel van zwakgebufferde vennen (H3130). Dit leidt mogelijk tot afname van de hoeveelheid beschikbaar voedsel en zorgt daarmee voor een kleinere draagkracht.

Venherstel heeft een “sense of urgency” in dit gebied en daarmee een dusdanig hoge prioriteit dat een mogelijke afname van de draagkracht voor de geoorde fuut niet uitgesloten wordt (voor meer informatie zie het profielendocument A008 Geoorde fuut: https://www.natura2000.nl/profielen/a008-geoorde-fuut).

A072

Wespendief

Nog tot in de jaren zestig was de wespendief een zeer schaarse broedvogel in Noord-Brabant en ontbrak zij vermoedelijk op de Brabantse Wal. Vanaf de jaren zeventig is de soort hier als broedvogel bekend. De populatie heeft zich hier, in navolging van de rest van Noord-Brabant, langzaam uitgebreid. Zo werden in 1996 en 1997 9 paren vastgesteld. Voor de periode 1999- 2003 is een gemiddeld aantal van 13 paren vastgesteld. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. De populatie van de Brabantse Wal is in Nederlands perspectief een relatief geïsoleerde, maar niettemin belangrijke populatie binnen de verspreiding in Nederland; in de aangrenzende streek van België ontbreekt zij grotendeels (voor meer informatie zie het profielendocument A072 Wespendief: https://www.natura2000.nl/profielen/a072-wespendief).

A224

Nachtzwaluw

De nachtzwaluw is van oudsher een broedvogel van de Brabantse heidevelden. De populatie is vermoedelijk toegenomen door de bebossing met naaldhout, waardoor het favoriete biotoop met bosranden en halfopen bossen langs heidevelden sterk toenam. Van de Brabantse Wal stammen de eerste telgegevens uit begin jaren tachtig (circa 65 paren). Begin jaren negentig was

Blad 12 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Code

Soort

Toelichting het aantal toegenomen tot circa 75 paren en het laatste decennium bedraagt het aantal jaarlijks tussen de 75 en 88 paren (het gemiddelde in de periode 1999-2003 was 80 broedparen). Daarmee levert het gebied als broedplaats de grootste bijdrage in Noord-Brabant en ook de grootste bijdrage in Nederland buiten de Veluwe. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding op de aspecten leefgebied en populatie is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie (voor meer informatie zie het profielendocument A224 Nachtzwaluw: https://www.natura2000.nl/profielen/a224-nachtzwaluw).

A236

Zwarte specht

Vermoedelijk vestigde de zwarte specht zich halverwege de vorige eeuw als regelmatige broedvogel in dit gebied. Het aantal paren is lange tijd geleidelijk toegenomen tot een niveau van 70 paren in 1994. De gemiddelde populatie in de periode 1999-2003 is geschat op 50 paren. Door telproblemen is deze schatting mogelijk te hoog, maar het gewenste niveau van een sleutelpopulatie van ten minste 40 paren wordt tegenwoordig vermoedelijk nog wel gehaald. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie (voor meer informatie zie het profielendocument A236 Zwarte specht: https://www.natura2000.nl/profielen/a236-zwarte-specht).

A246

Boomleeuwerik

Van oudsher is de boomleeuwerik een gewone broedvogel van de heidevelden, die kan profiteren van uitbreiding en verbetering van het habitattype H4030 Droge heiden. Over het aantalsverloop op de Brabantse Wal is weinig bekend. Begin jaren zestig was de soort relatief schaars en vermoedelijk is deze, in navolging van de populatie elders in Nederland, in recente jaren sterk toegenomen. In de periode 1989-1996 zijn 102 territoria vastgesteld. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied levert voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie (voor meer informatie zie het profielendocument A246 Boomleeuwerik: https://www.natura2000.nl/profielen/a246-boomleeuwerik).

Niet-broedvogels Het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is niet aangewezen voor Niet-broedvogelsoorten.

Blad 13 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

3

LESA

3.1

Inleiding Centraal in de landschapsecologie staan de verbanden tussen de verschillende landschapscomponenten. De ene component vormt het kader waarbinnen de volgende component variaties kan aanbrengen; elke kleinere schil hangt dus af van de vorige grotere schil maar is daar ook weer op van invloed. De volgorde vormt de basis voor het stappenplan van de landschapsecologische analyse (zie figuur 3-1; Van der Molen e.a., 2010).

Figuur 3-1: De verschillende landschapscomponenten en hun onderlinge relaties vrij vertaald op basis van Van der Molen e.a., 2010.

De landschapscomponenten zoals genoemd in Van der Molen e.a. (2010) vormen de leidraad van de LESA. Elk van de landschapscomponenten is in een separate paragraaf beschreven in de volgorde zoals weergegeven in figuur 3-1. De volgorde helpt te achterhalen hoe het systeem functioneert voor menselijk ingrijpen, aangezien de opeenvolgende schillen van invloed op elkaar zijn. Daarmee zijn de gevolgen van menselijk ingrijpen later beter in te schatten. De beschrijvingen van de landschapscomponenten vertonen raakvlakken met de zes OBNaangrijpingspunten voor ecologisch herstel die door een OBN-deskundigenteam zijn vastgesteld (zie figuur 3-2; Martens & Ten Holt, 2020): 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Optimalisatie van hydrologische systemen; Vergroten areaal en connectiviteit; Vergroten dynamiek en diversiteit; Verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel van schade; Herstel van biotische kwaliteit; Aanpak exoten.

Blad 14 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-2: De zes aangrijpingspunten voor natuurherstel (Martens & Ten Holt, 2020).

In de beschrijvingen van de landschapscomponenten is aangegeven met welk van de zes OBNaangrijpingspunten de beschrijving verband houdt. In de samenvattende paragraaf aan het einde van de LESA is in tabelvorm voor alle zes OBN-aangrijpingspunten aangegeven met welke landschapscomponenten raakvlakken zijn en welke aanknopingspunten er zijn, richting de verdere uitwerking van deze natuurdoelanalyse.

3.2

Ontstaansgeschiedenis Tussen 1250 en 1800 is door explosieve groei van zowel economie als bevolking het Natura 2000gebied getransformeerd tot een omvangrijk, open heide en stuifzand. Toponiemen als Huijbergen en Bergen op Zoom herinneren hier aan. Na 1830 zijn delen weer herbebost. Door bebossing en het stichten van landgoederen is het open landschap omgevormd tot een overwegend gesloten boslandschap. Deze landgoederen hebben namen als De Mattemburgh, Zoomland, De Groote Meer, Kortenhoeff en De Wouwse Plantage. Er zijn nog stuifzandrelicten in de bosgebieden aanwezig. Op de landgoederen bevinden zich cultuurhistorisch belangrijke elementen, zoals lange beukenlanen. De aanwezigheid van vele (oude) landgoederen maakt dat er naast gevarieerde bossen en heide ook wei- en bouwland en eikenstrubben aanwezig zijn. In het gehele gebied zijn vennen te vinden, waaronder enkele zeer waardevolle vennen zoals de Groote Meer, de Kleine Meer, vennen op Kortenhoeff en Zwaluwmoer (Prov. Noord-Brabant, 2018).

Blad 15 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-3: Brabantse Wal 1850 (www.topotijdreis.nl).

Figuur 3-4: Brabantse Wal 1900 (www.topotijdreis.nl).

3.3

Klimaat In Nederland heerst een gematigd zeeklimaat. Dit is een klimaat met een langjarig gemiddelde temperatuur van 10 graden. De gemiddelde temperatuur varieert tussen ca. 3,5 graden in januari en ca. 18 graden in juli/augustus. De neerslag ligt gemiddeld op ca. 850 mm per jaar. In iedere maand is er neerslag, het langjarige gemiddelde ligt tussen ca. 40 mm per maand (april) en ca. 80 mm per maand (juli tot december). De verdamping (referentiegewasverdamping) is gemiddeld ca. 580 mm/jaar (KNMI, jaaroverzichten). Er is dus over het jaar heen sprake van een grotere neerslag dan verdamping. Klimaatverandering Klimaatverandering heeft in de 20ste eeuw geleid tot een gemiddelde temperatuurstijging van 1 °C en een veranderend neerslagpatroon. In het Klimaatsignaal ’21 heeft het KNMI de nieuwste

Blad 16 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

inzichten gerapporteerd. Geconstateerd wordt dat het klimaat in Nederland steeds sneller verandert. De toekomstscenario’s laten een grotere zeespiegelstijging zien dan voorheen, een stijging met 1,2 m in 2100 ten opzichte van 2000 wordt als reëel gezien. Zelfs 2 m stijging wordt niet uitgesloten. Winters worden warmer, met minder dagen met vorst of sneeuw, en iets meer neerslag. Daarnaast worden de zwaarste zomerbuien extremer, er valt veel meer neerslag in een korte periode. Over het geheel genomen worden lentes en zomers droger. Langere droge perioden zullen vaker voorkomen. Het klimaat schuift daarmee op naar het klimaat van Zuid-Europa. De KNMI-cijfers van de weerstations Gilze-Rijen en Westdorpe, KNMI neerslagstations Bergen op Zoom en Hoogerheide en de Bosatlas v/h klimaat d.d. 2011 geven andere cijfers te zien dan de landelijke gemiddelden. De normaalwaarde voor neerslag was in de periode 1951-1980 gemiddeld 775 mm/jaar en een referentieverdamping van 575 mm/jaar. In periode 1991-2020 is de normaalwaarde neerslag 833 mm/jaar en referentieverdamping 599 mm/jaar. Het werkelijke neerslagoverschot is afhankelijk van het soort gewas of openwater, want de verdamping varieert nogal. Gemiddeld is het neerslagoverschot nu 234 mm/jaar en was het in 1951-1980 200 mm/jaar (bron KNMI).

Het gemiddelde jaarlijkse neerslagoverschot is op de Brabantse Wal in de afgelopen decennia toegenomen. Echter, in de droge jaren 2018-2020 was de neerslag gemiddeld 748 mm/jaar en de referentieverdamping 672 mm/jaar, en daalde het neerslagoverschot in deze drie jaar dus naar gemiddeld 76 mm/jaar, dat is circa 1/3 deel van de normaalwaarde in overige jaren (KNMI-cijfers stations: Gilze-Rijen, Bergen-op-Zoom en Hoogerheide). Specifiek voor de Brabantse Wal vertoont de referentie-verdamping een stijgende lijn als gevolg van toenemende temperaturen en verandering van luchtstromen (schrift. Med. Evides, 2022). De landelijke trend bij seizoenen geldt ook voor Brabant: De neerslag neemt toe in winter en zomer, en neemt af in lente en herfst. Effect is dat de periode met neerslagtekort of droogte langer wordt. In afgelopen jaren was duidelijk dat de grondwaterstanden in heidegebieden in Midden-Brabant pas in februari enigszins het seizoensmatige waterniveau bereikten. Droogval van (kleinere) vennen was vaak nog zichtbaar in de maanden oktober en november. Ook de afname van vorst- en ijsdagen is relevant voor heide en vennen, want tijdens ijsdagen met “permanente vorst gedurende een dag” staat het water in en nabij een ven stil. Er treedt dan geen wegzijging of zijwaartse stroming op. Ook kan ijs en vorst in de bodem invloed hebben op bodemleven, planten en dieren.

De concurrentieverhouding tussen soorten kan (wellicht) wijzigen door afname van vorst. Wat bij klimaat verder vaak wordt vergeten is de lokale stroming van regenwater over maaiveld in de richting van terreindepressies. Bij vennen is dat wel onderzocht (o.a. Kampina 1979 Dorschkamp) waaruit blijkt dat de opgevangen neerslaghoeveelheid in de terreindepressies een factor 2 à 3 groter kan worden afhankelijk van de omvang van het vangbekken, terreinhelling en bodemeigenschappen. De aanwezigheid van depressies is daardoor van belang voor de robuustheid van het watersysteem, zoals verder toegelicht in par. 3.6.

Blad 17 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

3.4

Geologie De ondergrond van de Brabantse Wal is sterk gelaagd met een afwisseling van zand-, klei, leemen (lokaal) veenlagen en dat is – samen met de relatief hoge ligging – bepalend voor de grondwaterstroming en grondwaterstijghoogten in de zandige ‘watervoerende’ lagen. De basis van het hydrologisch systeem van het gebied wordt gevormd door de Boomse Klei. Boven de Boomse klei ligt een 100-150 m dik pakket van fijne tot grove zanden van de formaties van Breda, Oosterhout, Maassluis, Peize en Waalre (voorheen Formaties Kedichem en Tegelen genoemd). Deze vormen het diepe of tweede watervoerend pakket. Aan de top hiervan ligt een slecht doorlatende laag die bestaat uit een complex van tot enkele meters dikke klei- en leemlagen met fijnzandige tussenlagen van de Waalre-Formatie (voorheen Formatie van Tegelen genoemd). Dit totale pakket is 15-20 m dik en bevindt zich tussen 5 à 10 m – NAP en 5 à 10 m + NAP. In figuur 3-5 is de geohydrologische opbouw vanaf de formatie van Breda en ondieper weergegeven. Door de ruimtelijke heterogeniteit is de weerstand van deze laag variabel. Nabij de steilrand van de Brabantse Wal neemt de weerstand sterk af, doordat een deel van de kleilagen is geërodeerd. In het deel van het Natura 2000-gebied dat richting Ossendrecht ligt, is deze weerstand ook lager. Bovendien zijn tegen de helling dekzanden afgezet.

Kleilagen variëren van enkele cm tot meerdere meter in dikte. De klei en veenlagen zijn soms wel en soms niet aaneengesloten; lokaal in de kommen van de paraboolduinen is het zand weggestuifd en zijn de klei en veenlagen direct onder het oppervlak aanwezig. Door deze opbouw liggen de watervoerende lagen aan de westzijde open en kan het grondwater er ook zijdelings uitstromen (via de zandondergrond) (Prov. Noord-Brabant, 2018).

Figuur 3-5: West-oost doorsnede van de ondergrond (bron: REGIS II v2.2).

Op de Brabantse Wal ligt boven de klei een pakket eolische afzettingen met een totale dikte van 10 tot maximaal 20 m. Het onderste deel bestaat uit fluvioperiglaciale zanden (Damoisseaux, 1982). Hierboven ligt op veel plaatsen een leemlaag, de Laag van Wouw (löss (Damoisseaux, 1982; Van Oosten, 1967)) en daarboven dekzand en stuifzand. Het pakket dekzanden onder de leem en gyttjalagen wordt beschouwd als dun 1e of middeldiep pakket, de afzettingen erboven als topsysteem met freatisch pakket. Plaatselijk komen in het topsysteem overstoven veenlagen

Blad 18 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

voor, zoals onder de Groote Meer. Swierstra & van der Wal (2006) hebben op basis van boorstaten de gezamenlijke weerstand van de slecht doorlatende lagen boven de Waalre-klei berekend. Het hiermee ontstane beeld is dat deze weerstand relatief hoog is onder het Natura 2000-gebied Brabantse Wal en onder het westelijk deel van de Kalmthoutse Heide en dat de weerstand in het gebied oostelijk daarvan veel lager is (Prov. Noord-Brabant, 2018).

Blad 19 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-6: Geomorfologische kaart van de Brabantse Wal (Ettema et al., 2022).

Blad 20 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

3.5

Morfologie De Brabantse Wal dankt haar naam aan de steile overgang tussen de polders in het Scheldeestuarium en de hoog gelegen zandgronden aan de westrand van Noord-Brabant. Deze steilrand is ontstaan door erosie van deze zandgronden door de Schelde. De N2000-gebieden Brabantse Wal en Kalmthoutse Heide liggen hoog ten opzichte van hun omgeving. De laagste delen bovenop de Brabantse Wal (in de Groote Meer) liggen op zo’n 15 m NAP, terwijl de hogere delen oplopen tot zo’n 25 m NAP. De westelijk gelegen polders in het Schelde-estuarium liggen veel lager met een maaiveld beneden 2,5 m NAP en diepe watergangen. Ook naar de noord(oost)zijde loopt het maaiveld af richting Wouw, Roosendaal en Essen (Prov. Noord-Brabant, 2018). Binnen het gebied is veel reliëf aanwezig, o.a. van (vastgelegde) stuifzandduinen en uitblazingslaagten met vennen (Prov. Noord-Brabant, 2018).

Figuur 3-7: Hoogtekaart Natura 2000-gebied Brabantse Wal (bron: kaartatlas Brabant AHN2).

Blad 21 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

3.6

Hydrologie Een aantal aangrijpingspunten hebben rechtstreeks betrekking op de hydrologische situatie en het actuele knelpunt ‘verdroging’: grond- en oppervlaktewater, waterkwaliteit en - kwantiteit, namelijk ‘optimalisatie hydrologisch systeem’ en verminderen input nutriënten en chemische stoffen en herstel schade’. Grondwatersysteem Regionaal gezien is vrijwel de gehele Brabantse Wal inzijggebied, dat wil zeggen dat al het oppervlaktewater en ondiepe grondwater afkomstig is van regenwater, dat op de Brabantse Wal en aangrenzende delen van de Kalmthoutse Heide gevallen is, naar de ondergrond infiltreert en via de ondergrond en (gegraven) waterlopen afstroomt naar de lagere omgeving. In figuur 3-8 zijn de gebieden met kwel en infiltratie weergegeven. Alleen in het gebied westelijk van Putte (Moretusbosch, Wildernissen, Stoppelbergen) is binnen de Brabantse Wal een kwelsituatie. Verder kwelt in de aan de voet van de Brabantse Wal gelegen (polder)gebieden (polders ten westen van Ossendrecht, Augustapolder en Noordpolder) dit grondwater op, dat vervolgens via greppels en sloten wordt afgevoerd.

Blad 22 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-8: Gebieden met kwel (blauw) en infiltratie (geel-rood), gemiddelde situatie 2019 (bron: grondwatertools).

In een deel van de Brabantse Wal is sprake van een bijzondere situatie, namelijk het optreden van schijngrondwaterspiegels. Hoewel deze term vaak ook wordt gebruikt voor neerslag dat tijdelijk op een lokale leemlaag blijft hangen, is de ‘officiële’ definitie dat er onder de scheidende laag sprake is van een onverzadigde zone. Bij de Brabantse Wal is de relevante scheidende laag de Waalre klei. In figuur 3-9 is met oranje-rode kleuren aangegeven waar de stijghoogte in het watervoerende pakket dieper ligt dan de onderkant van de Waalre klei en er dus sprake is van een onverzadigde zone en ‘echt’ schijngrondwater. In het gebied dat met blauwe kleuren is aangeduid, ligt de stijghoogte boven de onderkant van de Waalre klei. Hier is dus geen ‘echt’ schijngrondwater, hoewel de freatische grondwaterstanden hier wel boven de Waalre klei liggen. In figuur 3-10 is het optreden van een diepe stijghoogte met daarboven een onverzadigde zone en daarboven freatisch schijngrondwater schematisch aangegeven. Verderop is hier nader op ingegaan.

Blad 23 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-9: Diepte van de stijghoogte in het watervoerende pakket ten opzichte van de onderkant van de Waalre klei. Oranje-rood: stijghoogte ligt dieper dan de Waalre klei; blauw: stijghoogte ligt boven de onderkant van de Waalre klei (bron: isohypsen 2019 grondwatertools en Regis II v2.2).

Blad 24 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-10: Dwarsprofiel met geschematiseerde bodemopbouw (bruin: slecht doorlatende bodemlagen, geel: watervoerende pakketten; grijze pijl: stromingsrichting diepe grondwater) (Bron: IGA, 2008) in Prov. Noord-Brabant, 2018).

In de bodem geïnfiltreerde neerslag stagneert op de in de bodem voorkomende slecht doorlatende ondiepe klei-, leem en veenlagen. Zoals hiervoor aangegeven, zijn er in de Brabantse Wal delen met schijngrondwaterspiegels. De diepteligging van de slecht doorlatende lagen varieert sterk, plaatselijk zijn er ook meerdere niveaus waarop infiltrerend water kan stagneren. Bij hogere ruggen bolt het water op, en ontstaat een stroming naar lokale laagten, waar het water als lokale kwel aan het maaiveld komt. De omvang van dergelijke lokale kwelsystemen varieert en is mede afhankelijk van de verbreiding van leemlagen en (begraven) veenlagen. In figuur 3-11 zijn de verschillende hydrologische componenten van een ven met een schijngrondwaterspiegel schematisch samengevat.

Figuur 3-11: Schematisch dwarsprofiel van een ven met een schijngrondwaterspiegel met daarin de invoer en uitvoer van water (KWR en Royal Haskoning, 2017). De grootte van de pijlen heeft géén relatie met hoe groot betreffende bijdrages zijn op de waterbalans. Daarnaast is de ondergrond dusdanig heterogeen dat sommige component volledig afwezig zijn op bepaalde locaties.

Blad 25 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn slechts weinig waterlopen aanwezig die neerslag af kunnen voeren en grondwater draineren (zie ook verderop). Dit houdt in dat de meeste neerslag in de bodem kan infiltreren en het grondwater aanvult (voor zover het niet verdampt).

Figuur 3-12: Isohypsen gemiddelde situatie 2019 in de deklaag in m +NAP, rode cirkels zijn peilbuizen die zijn gebruikt bij de berekening van de isohypsen (bron: www.grondwatertools.nl).

Blad 26 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

De freatische grondwaterstand (gemiddelde 2019) is weergegeven in figuur 3-11. In de hogere delen van de Brabantse Wal ligt de freatische grondwaterstand tussen NAP +15 en +20 m. Verder in noordelijke richting dalen de grondwaterstanden tot ca. NAP +8 à +10 m. In westelijke richting is een sterke daling van de grondwaterstanden zichtbaar tot ongeveer NAP 0 m. Deze sterke daling komt overeen met de daling van het maaiveld. De gemiddelde jaarlijkse dynamiek in grondwaterstanden (verschil tussen de GHG en GLG) ligt op het hoger gelegen deel van de Brabantse Wal overwegend tussen 0,8 en 1,5 m, zoals weergegeven in figuur 3-13. In het laaggelegen poldergebied in het westen is de dynamiek overwegend kleiner dan 0,5 m.

Figuur 3-13: Gemiddelde jaarlijkse dynamiek (verschil GHG en GLG) in peilbuizen (bron: grondwatertools).

Blad 27 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Zoals in het voorgaande ook al kort is aangegeven, is er in de Brabantse Wal overwegend sprake van een infiltratiedruk. In figuur 3-14 is de grootte hiervan weergegeven (gemiddelden 20052020). De grootte van de infiltratie is verder afhankelijk van de weerstand van de slecht doorlatende lagen. Bij een weerstand van ca. 500 dagen (op basis van REGIS II v2.2, weerstand Waalre klei) zou er bij een infiltratiedruk van 2 m een infiltratie van ca 4 mm/dag optreden. Bij de Groote Meer is de infiltratie onderzocht (Van Baar, 2015, genoemd in Artesia en KWR, 2016) en lag de infiltratie tussen 7 mm/d in de oostlob en 3,5 mm/d in de westlob.

Figuur 3-14: Grootte van gemiddelde kweldruk (blauw) en infiltratiedruk (geel-rood) in m (bron: grondwatertools).

Uit de beschikbare gegevens, onder meer Kwaliteitstoets Brabantse Wal (Natuurmonumenten, concept 2021), blijkt dat de Brabantse Wal al een langere tijd onderhevig is aan verdroging. De afstroom van water naar de vennen is in de afgelopen jaren nagenoeg weggevallen. Dit komt enerzijds door de droogte van de afgelopen jaren. Anderzijds zijn in het verleden – voordat verdroging een probleem was ook maatregelen getroffen om water meer af te voeren of naar de ondergrond te laten infiltreren, zoals zakputten, greppels en sloten. Ook het grondgebruik, met

Blad 28 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

veel naaldhout en rododendrons, zorgt voor een relatief hoge verdamping. In het kader antiverdroging zijn naaldbossen deels verder verloofd (niet in beheergebied Natuurmonumenten). Dit zorgt voor een verkoelend effect door de sponswerking en de winddemping van de vegetatie. In de delen waar het ondiepe watersysteem schijngrondwater betreft, is het water dat naar de diepe ondergrond wegzakt, voor het freatische systeem feitelijk verloren. De stijghoogte in het onderliggende watervoerende pakket ligt in het westen van de Brabantse Wal meerdere meters onder de scheidende laag en de freatische (schijn)grondwaterstand. In figuur 3-9 is met een oranjerode kleur aangegeven waar boven de stijghoogte een onverzadigde zone ligt. In dit gebied is er geen hydraulische koppeling tussen het freatische water en de stijghoogte. KWR en Royal Haskoning geven aan dat er mogelijk in een deel van de Brabantse Wal en gedurende een deel van de tijd er wel contact is tussen het freatische water en het water in het watervoerende pakket. In figuur 3-9 is met blauw de ligging van de zone weergegeven waar er wel een relatie is, gebaseerd op de ligging van de Waalre klei zoals opgenomen in REGIS II v2.2 en de gemiddelde isohypsen in 2019 (bron: grondwatertools). Bij een diepere ligging van de stijghoogten is de zone met contact kleiner, bij een hogere ligging is deze zone groter.

Blad 29 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-15: Isohypsen gemiddelde situatie 2019 in het watervoerende pakket in m +NAP, rode cirkels zijn peilbuizen die zijn gebruikt bij de berekening van de isohypsen (bron: www.grondwatertools.nl).

De stijghoogte in het diepere pakket ligt in het grootste deel van de Brabantse Wal tussen NAP +2 en +10 m (figuur 3-11). In het zuidoosten is de stijghoogte het hoogst, ca. NAP +14 m. De stroming van het diepere grondwater is vanuit het zuiden en oosten naar het noorden en westen gericht, naar de polders aan de voet van de Brabantse Wal. Oppervlaktewatersysteem Op de hogere delen van de Brabantse Wal komt weinig oppervlaktewater voor. Het belangrijkste oppervlaktewater hier zijn verschillende grote tot kleine vennen, zowel in het noorden als in het

Blad 30 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

zuiden. Van nature zijn er geen beken op de Brabantse Wal, behalve aan de lagere randen van het gebied. Ten behoeve van de visteelt in vennen, de ontginning tot landbouwgronden, ontwatering ten behoeve van bosaanplant (rabatten) en drooglegging van wegen en paden zijn er in delen van het gebied wel sloten en/of greppels aangelegd. De waterlopen binnen en nabij de Brabantse Wal die worden beheerd door het waterschap Brabantse Delta zijn weergegeven in figuur 3-16. Hierbij zijn de grotere A-waterlopen met blauw aangegeven, en de kleinere B-waterlopen met roze. De beken en hoofdwaterlopen liggen hoofdzakelijk aan de westzijde en wateren af in westelijke richting. In het noordelijke deel liggen de waterlopen overwegend ten oosten van het natura 2000-gebied, de afvoerrichting is hier in noordelijke richting. Deze voeren alleen in (zeer) natte perioden water af en staan een groot deel van het jaar droog. Pas vanaf de voet van de Brabantse Wal worden de waterlopen permanent watervoerend. Juist over de Belgische grens zijn er nauwelijks waterlopen aanwezig (bron: Vlaamse Hydrografische Atlas www.waterinfo.be). De waterlopen zijn overwegend drainerend en verlagen dus de grondwaterstand. In het eerder opgenomen isohypsenpatroon (figuur 3-12) is dit zichtbaar door de lagere grondwaterstanden ter plaatse van waterlopen. Daarnaast zijn er onderbemalingen die de ontwatering versterken.

Deze onderbemalingen dragen lokaal bij aan de verdrogingsproblemen.

Blad 31 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Figuur 3-16: Legger oppervlaktewater (bron: Legger Waterschap Brabantse Delta).

Blad 32 van 193

Natuurdoelanalyse Brabantse Wal [128] projectnummer 476383.100 27 februari 2023 Provincie Noord-Brabant

Er zijn in het gebied maatregelen getroffen om het waterpeil in de vennen te verhogen (Franken, 2020): • Eind 2010 is een waterleiding aangelegd, waarmee het wateroverschot uit het natuurgebied Kortenhoeff van Staatsbosbeheer in de winterperiodes naar de Kleine Meer wordt verpompt. Echter, de Kleine Meer valt nog steeds grotendeels droog gedurende de zomer; ook vallen enkele vennen in Kortenhoeff steeds langer droog. Hier is dus ook verdroging aan het toenemen. Er is dus steeds minder "overtollig" water aanwezig daar. • Om voldoende en kwalitatief goed water in het Groote Meer (en meer bepaald dat deel dat ook Voormeer wordt genoemd) te krijgen is in 2016 een waterleiding tussen het nabijgelegen natuurgebied Nol-Stappersven (B) en het Voormeer aangelegd. • de sloot tussen het noordoosten van Jagersrust en de bosrand is gedempt. Ook dit water stroomde via het Granaatven naar de Kleine Meer en zorgt voor minder wateraanvoer voor de Kleine Meer. • voorjaar van 2020 is ervoor gekozen om een dichtgemaakte verbinding tussen het Beldeven en de Leemputten weer open te maken. Wel zijn er filters in de watergang geplaatst om de verspreiding van watercrassula te voorkomen. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit Van nature is het lokale grondwater ionenarm en ‘zwak tot zeer zwak gebufferd’ doordat de zanden boven de Tegelen-klei uitgeloogd zijn en de verblijftijd relatief kort is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=8d77d152-9f08-4884-a514-cafcb3caca93