CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-07-05 A VG - BP Bijlage 6 - Archeologisch bureauonderzoek

Raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 't Marktje Woensdrecht16.048 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARTEFACT! RAPPORT 592

Woensdrecht ’t Marktje Archeologisch Bureauonderzoek

F.M.J. Delporte

Colofon Titel

Woensdrecht ‘t Marktje. Archeologisch Bureauonderzoek

Auteur(s)

drs. F.M.J. Delporte

Artefact rapport

592

Status rapport

Concept

Datum

14 januari 2021

Projectcode

2020ART48

Projectmedewerker(s)

-

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2021 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5

1

Inleiding ............................................................................................................................................ 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen............................................................................................. 8 1.3 Wettelijk kader en beleid ............................................................................................................................. 8 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming .......................................................................................... 9

2

Archeologisch bureauonderzoek .................................................................................................... 11 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 11 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 12 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 12

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................................. 17

2.3 Historie...................................................................................................................................................... 22 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling .......................................................................................... 22

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 32

2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 32 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 37 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 38

3

Conclusie en Advies ........................................................................................................................ 42

Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 43 Bronnen.................................................................................................................................................................... 44 Bijlage 1

AMZ-cyclus .......................................................................................................................................... 47

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen............................................................................................. 48

Bijlage 3

Tijdstabel ............................................................................................................................................ 49

Bijlage 4

Toekomstige eigendomsstructuur........................................................................................................ 50

3

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Samenvatting De initiatiefnemer AVV Beheer B.V. heeft het voornemen om het bedrijfsgebied, gelegen achter ’t Marktje te Woensdrecht, te herontwikkelen waarbij in het gebied onder andere nieuwe bouwkavels worden gecreëerd. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 3,39 ha en zal in twee fasen ontwikkelt worden. De voorgenomen herontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan, concrete plannen van de toekomstige situatie zijn nog niet beschikbaar. Om de herontwikkeling op termijn mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. In het kader hiervan heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd die geleid hebben tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het gehele plangebied. Op basis van de resultaten dit onderzoek kan gesteld worden dat er binnen beide delen van het plangebied op één of meerdere niveaus (zijnde de Formatie van Waalre en/of Boxtel, Formatie van Nieuwkoop en het Laagpakket van Walcheren) een lage tot middelhoge verwachting geldt voor resten uit het paleolithicum tot bronstijd, een hoge verwachting voor resten uit de ijzertijd tot middeleeuwen en een lage verwachting voor de nieuwe tijd.

Deze verwachting wordt ingegeven door de verwachte geologische gesteldheid (deels dagzomende pleistocene afzettingen en deels een door jonge getijdenafzettingen afgedekt veenpakket), de bodemgegevens (voorkomen van een esdek) en het ontbreken van aanwijzingen voor grootschalige en diepreikende bodemverstoringen Om die reden wordt geadviseerd om de vigerende dubbelbestemming waarde archeologie met de daarbij horende vrijstellingsgrenzen (50 m2 en 0,5 m -mv) te behouden/over te nemen in het nieuwe bestemmingsplan. Om de voorgenomen planvorming te kunnen realiseren (dubbelbestemming verwijderen of aanvraag omgevingsvergunning) zal nader archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Dergelijk vervolgonderzoek dient in eerste instantie te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Het doel van dit verkennend onderzoek is het aanvullen en het toetsen van het archeologisch verwachtingsmodel door aan de hand van boringen inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (alsook bodemverstoringen). Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor een eventueel volgende onderzoeksfase. Dit advies geldt voor beide fases van het inrichtingsplan. Voorliggend rapport dient ter beoordeling en goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid.

4

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Administratieve Gegevens Projectnaam

Woensdrecht ‘t Marktje

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek

LOCATIE Provincie

Noord-Brabant

Gemeente

Woensdrecht

Plaats

Woensdrecht

Adres / Locatie Hoekpunten coördinaten RD

‘t Marktje ZW 80.133 / 382.193 NW 79.998 / 382.545 NO 80.054 / 382.554 ZO 80.188 / 382.209

Centrum coördinaat RD

80.066 / 382.376

Kaartblad

49D

Kadastraal perceel

Gemeente Woensdrecht, Sectie D, Perceel 3, 3115, 3116, 3117, 3340, 3341, 3342, Sectie G, Perceel 2589, 2972, 2974, 2975, 4018, 4021, 4022, 5306 (deels).

Oppervlakte plangebied

Circa 3,39 ha

Vigerende bestemmingsplan

Actualisatie bestemmingsplan Buitengebied (2019), enkelbestemmingen Bedrijf en Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden, Bestemmingsplan Buitengebied partiële herziening (2020), dubbelbestemming waarde archeologie 1 (50 m2/0,5 m -mv).

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

OPDRACHTGEVER Naam

KAAder stadsadvies

Contactpersoon

Dhr. A. Kaashoek

Adres

Zomerhofstraat 86, 3032 CM Rotterdam

Telefoon

06 24491848

Email

info@kaader.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Woensdrecht

Adres

Postbus 24, 4630 AA Hogerheide

Telefoon

14 0164

5

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeentearcheoloog Bergen op Zoom en Woensdrecht

Contactpersoon

Dhr. M.J.A. Vermunt

Adres

Postbus 35, 4600 AA Bergen op Zoom

Telefoon

0164 277 525

Email

m.j.a.vermunt@bergenopzoom.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant

Contactpersoon

dhr. M. Meffert

Adres

Brabantlaan 1, 5216 TV ‘s Hertogenbosch

Telefoon

073 6808020

Email

mmeffert@brabant.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Projectnummer Artefact

2020ART48

Archis onderzoeksmelding

4937642100

6

ARTEFACT RAPPORT 592

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

In opdracht van de KAAder stadsadvies heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd binnen een plangebied in het buurtschap ’t Marktje in de gemeente Woensdrecht. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer AVV Beheer B.V. om het bedrijfsgebied, gelegen achter ’t Marktje te Woensdrecht, te herontwikkelen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 3,39 ha. (Figuur 1 en 2).

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Actualisatie Bestemmingsplan Buitengebied (2019) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Bedrijf, Agrarisch- met natuur- en landschapswaarden. In 2020 is het ontwerp Bestemmingsplan Buitengebied partiële herziening 2019 vastgesteld waarin mogelijke archeologische waarden planologisch worden wel beschermd door een dubbelbestemming. Binnen het plangebied geldt een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen het gebied met waarde archeologie 1 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 50 vierkante meter én dieper reiken dan 0,50 m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.

7

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

De voorgenomen uitbreiding past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. In het kader hiervan dient een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Algemeen Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten:  Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek  Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het specifieke doel van het voorliggend onderzoek is om te onderzoeken of, en zo jaar waar, de vigerende dubbelbestemming uit het nieuwe bestemmingplan kan worden verwijderd en waar deze (mogelijk met grotere dieptevrijstelling) dient te worden gehandhaafd. Het onderzoeksrapport zal in eerste plaats aangeven of, binnen welk deel van het plangebied, en op welke diepte archeologische vindplaatsen aanwezig (kunnen) zijn.

De resultaten van het onderzoek worden verwerkt in een rapportage met een inhoudelijk advies aan de hand waarvan een beleidsbeslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus: vrijstelling, planaanpassing, behoud in situ of eventueel nader archeologisch onderzoek.

1.3

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Noord-Brabant heeft tot hoofddoel het duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed in situ door gebiedsbescherming, het duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ (als behoud in situ onmogelijk blijkt) en het vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie.

Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening. As gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning.

1

SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4

8

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Het gemeentelijke beleid van Woensdrecht is vastgelegd in de Erfgoedverordening gemeente Woensdrecht 2018. 2 Met erfgoedverordening kan de gemeente in het belang van het gemeentelijk erfgoed bijvoorbeeld:  een erfgoedcommissie inschakelen.  gemeentelijke (archeologische) monumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten aanwijzen.  voorschriften verbinden aan de verstrekking van een omgevingsvergunning zoals archeologisch of bouwhistorisch onderzoek.  een subsidieregeling in het leven roepen voor de restauratie en het onderhoud van gemeentelijke monumenten. Met de erfgoedverordening zijn tevens de Archeologische Waardenkaart gemeente Woensdrecht 2018 en de Cultuurhistorische Waardenkaart vastgesteld. Op de Archeologische Waardenkaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge verwachting op sporen uit de Romeinse tijd tot de nieuwe tijd en in mindere mate op sporen uit het neolithicum tot ijzertijd.

1.4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied is gelegen ten oosten van ’t Marktje, gemeente Woensdrecht. Het plangebied strek zich uit achter de woningen Marktje 7 tot en met 57. In het zuiden grenst het plangebied aan het Kerkepadje, in het oosten aan de hier gelegen watergang. Het beoogde plangebied omvat 15 percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Woensdrecht, Sectie D, Perceel 3, 3115, 3116, 3117, 3340, 3341, 3342, Sectie G, Perceel 2589, 2972, 2974, 2975, 4018, 4021, 4022, 5306 (deels). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3,39 ha. De in het noorden van en centraal in het plangebied gelegen bebouwing zal gesloopt worden. Langs de noordelijke en westelijke zijde van het gebied worden vervolgens 14 bouwkavels gerealiseerd. Deze bouwkavels worden ontsloten door een ten oosten van deze kavels aan te leggen toegang. Concrete plannen van de toekomstige situatie zijn nog niet beschikbaar in bijlage 4 wordt het ontwerp van de toekomstige eigendomsstructuur weergegeven. De ontwikkeling van dit project is vooralsnog voorzien in 2 fasen. Voor de eerste (grootste) fase is reeds een overeenkomst bereikt met de huidige grondeigenaren. Voor dit deel van het plangebied is het ontwikkelingstraject opgestart. Voor fase 2, gelegen in het noorden van het plangebied, is nog geen overeenkomst afgesloten met de huidige eigenaren en is het ontwikkelingstraject dan ook nog niet opgestart.

In voorliggend bureauonderzoek worden zowel fase 1 als fase2 onderzocht. Het onderzoeksgebied is dan ook gelijk aan het plangebied.

2 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Woensdrecht/613167/CVDR613167_1.html.

9

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.

10

ARTEFACT RAPPORT 592

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1. Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.  (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten  Paleogeografische kaarten  Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)  (Specialistische) literatuur  Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek  Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven  Lucht- en satellietfoto’s  Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten  Gemeentelijk en/of provinciaal archief  Archeologische Monumenten Kaart (AMK)  Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis)  Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis  Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)  Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)  Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten  Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn  Amateurarcheologen, AWN

en/of heemkundevereniging.

11

ARTEFACT RAPPORT 592

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

De gemeente Woensdrecht is gelegen op de overgang van het (Zeeuwse) zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen), naar het ten oosten hiervan gelegen dagzomende pleistoceen dekzandlandschap. De grens tussen beide gebieden wordt gevormd door de Brabantse Wal die zich uitstrekt van Halsteren in het noorden tot Kalmthout (België) in het zuiden. Het huidige plangebied bevindt zich op de westelijke rand van de Brabantse Wal. Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden zijn op de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het pleistoceen en het holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het gebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd 3. Deze paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 3. De basis van het landschap wordt gevormd door pleistocene afzettingen.

De oudste hiervan betreffen de afzettingen van de Formatie van Waalre. De Formatie van Waalre betreft fluviatiele afzettingen uit het laat-plioceen tot vroegpleistoceen. Deze laatste afzettingen komen voor ter plaatse van de Brabantse Wal op een hoogte van circa 10-15 m +NAP en op een veel grotere diepte ten westen hiervan. De westelijke begrenzing van de hoog gelegen afzettingen van de Formatie van Waalre vertoont een scherpe gradiënt, de steilrand. Aangenomen wordt dat de Formatie van Waalre aanvankelijk ook ten weten van de huidige steilrand hoger gelegen was maar dat deze hier nu deels verdwenen is. De oudere theorie over marine erosie van de oorspronkelijke bovenzijde van de afzettingen van de Formatie van Waalre ten westen van de steilrand lijkt achterhaald. Veelal wordt nu het verdwijnen van de bovenzijde (en plaatselijk ook het gehele pakket) van de Formatie van Waalre ten westen van de steilrand toegeschreven aan erosie door de ten westen hiervan gelegen pleistocene paleo-Schelde. De steilrand zelf vormt hierbij de oostelijke begrenzing van de erosiezone. De vorming van de sterke gradiënt ter plaatse van de steilrand zelf is daarbij mogelijk ook versterkt ten gevolge van erosie door afwatering vanop de wal zelf.

4 De Formatie van Waalre duikt ter plaatse van de steilrand sterk naar beneden om vervolgens ten westen hiervan een golvend onderlaag te vormen op ruime diepte (10 tot 25 m -NAP). Meer naar het zuiden toe (nabij de Belgische grens) verdwijnt de Formatie van Waalre ten westen van de steilrand zelf volledige uit het bodemprofiel. De bedding van de ten westen van de Brabantse Wal gelegen paleo-Schelde bestaat uit een breed stroomgebied tussen de Brabantse Wal en de ten westen hiervan gelegen Rillandrug waarbinnen de rivier zich verspreidt in een meanderend loop. In dit stroomgebied wordt door de paleo-Schelde in het midden tot laatpleistoceen niet enkel geërodeerd maar worden ook nieuwe afzettingen gevormd, deze worden tot de Formatie van Koewacht gerekend. De afzettingen van de Formatie van Koewacht strekken zich hier uit tot op de flanken van de steilrand. Gedurende het dryas-stadiaal (een van de koude fasen uit het laat-glaciaal van het weichselien) ontstaat er een geheel nieuwe reeks aan afzettingen die deel uitmaken van de Formatie van Boxtel. Dit betreft eolische afzettingen met (hoofdzakelijk) zanden afkomstig uit het paleo-Scheldedal en Noordzeebekken. Deze afzettingen verspreiden zich zowel over het laaggelegen gebied ten westen van de wal als op de Brabantse Wal en het gebied ten oosten daarvan.

Mogelijk heeft er zich ook tegelijk verstuiving van zand van bovenop de wal zelf voorgedaan en is dit zand meer naar het oosten verplaatst. De verstuiving van de aanwezige zanden in oostelijke richting en de vorming van nieuwe eolische afzettingen (vanuit het westen) zorgt dus enerzijds voor erosie van de Formatie van Koewacht en Formatie van Waalre en anderzijds voor de vorming van een nieuwe zandafdekking met deze verstoven zanden. Op de steilrand en

3 Vos en de Vries, 2013. 4 Zie o.a. Westerhoff en Dobma, 1995 en Kasse, 2003.

12

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Brabantse Wal vormt zich zo naar het einde van de laatste ijstijd toe 5 bovenop de Formatie van Waalre een relatief dun afdekkende laag afzettingen van de Formatie van Boxtel die hier de vorm aannemen van een rivierduin (Laagpakket van Delwijnen) met rivierzand uit het paleo-Scheldedal. In het paleo-Scheldedal zelf vormt zich een pakket dekzandafzettingen. Waar zich in en langs het paleo-Scheldedal nog resten van de Formatie van Koewacht in de ondergrond bevinden is de overgang van de Formatie van Koewacht naar de Formatie van Boxtel zeer geleidelijk en niet of nauwelijks in boormonsters te onderscheiden. 6 Dit zorgt er voor dat de aanwezigheid en overgang van deze formatie naar de Formatie van Boxtel op basis van boordata veelal niet of nauwelijks te achterhalen is. Het is dan ook niet mogelijk vast te stellen in welke mater er sprake is van een dik pakket Koewachtafzettingen afgedekt met dekzand van de Formatie van Boxtel dan wel van een dunne restant van de Formatie van Koewacht met een dik pakket van de Formatie van Boxtel. Ten gevolge van de afnemende waterafvoer en het dalende waterpeil in het rivierdal van de paleo-Schelde aan het begin van het holoceen vormen zich plaatselijk in de bedding van de paleo-Schelde gyttja en veen.

In deze periode ontstaan ook meer noordwaarts in de voormalige loop van de Kreekrak (een zijloop van de paleo-Schelde) een meertje waarin zich eveneens gyttja en later veen zal vormen en waarvan de afzettingen tot een afzonderlijke afzetting worden gerekend, de Kreekrak Formatie. 7 Waar de afzettingen onder het Laagpakket van Wormer (zie verder) aangetroffen worden, worden de Kreekrak afzettingen door Vos en Van Heeringen omschreven als Lower Schelde deposits. Deze worden veelal aangetroffen in de diepere delen van het pleistocene landschap op een diepte beneden 8 m -NAP. 8 Ook in het paleo-Scheldedal aan de voet van de Brabantse Wal hebben zich wellicht dergelijke afzettingen ontwikkeld, deze zijn hier mogelijk (deels) geërodeerd door de latere marine afzettingen. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) stijgt de zeespiegel en gaat hierdoor het pleistocene dekzandlandschap ten westen van de wal langzaam vernatten. Plantaardig materiaal wordt als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken. Eerst op de lager gelegen delen (ook in gebieden met de Lower Schelde deposits), maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop).

Deze veengroei doet zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. In en langs het rivierdal van de paleo-Schelde vormt zich hierbij ook plaatselijk Basisveen, al neemt Kiden aan dat het Basisveen zich in deze regio enkel ontwikkelt in die zones die zich beneden of op het toenmalig zeeniveau bevinden. 9 Ook door Vos en de Vries wordt in het gebied onmiddellijk ten westen van de Brabantse Wal de ontwikkeling van veen uitsluitend aangegeven op de randen van het Scheldedal. Aan het veenvormingsproces komt een einde in het midden tot laat-atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 10 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking wordt de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en (waar aanwezig) Basisveen worden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden.

11 Dit getijdengebied spreiden zich, onder andere via het voormalige paleo-Scheldedal, geleidelijk uit tot tegen de Brabantse Wal, die hier een barrière vormt voor de verdere uitbreiding naar het oosten toe. In deze periode wordt het laagste deel van de Rillandrug (gelegen ten westen van de paleo-Schelde) geërodeerd en vervolgens door een getijdengeul doorbroken waarna deze een verbinding vormt met de paleo-Schelde die vanaf dan via deze kortere weg naar de zee zal stromen. Deze nieuwe verbinding met de zee zal zich door ontwikkelen tot de huidige Oosterschelde. 12

5 Kasse, 2003. 6 Kiden, 2006. 7 Kiden, 2006, Bos et.al., 2005. 8 Kiden en Gouw, 2010. 9 Kiden, 2006. 10 Van Rummelen, 1978, 62-64. 11 Van Rummelen, 1978, 53. 12 Kiden, 2006.

13

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

14

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Figuur 3 Paleogeografische ontwikkeling. Zwarte stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos en de Vries 2013.

15

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Vanaf het subboreaal (circa 3.750 v. Chr.) neemt de snelheid van de zeespiegelstijging dermate af dat er zich een nieuwe kustbarrière van strandwallen kan vormen. De zeegaten in deze barrière waarlangs het zeewater het achterliggende gebied in stroomt sluiten zich vervolgens geleidelijk waardoor de getijdenwerking landinwaarts afneemt. Hierdoor komt het gebied langs de Scheldebedding opnieuw onder zoet fluviatiele invloed. Dit zorgt aanvankelijk voor de vorming van jongere Kreekrak afzettingen, de Upper Schelde deposits. Anders dan bij de Lower Schelde deposits is het voor komen van de Upper Schelde deposits onafhankelijk van de pleistocene morfologie en komt voornamelijk voor tussen ongeveer 4 en 1,5 m -NAP. 13 Gaandeweg houden in het getijdengebied achter de kustbarrière de sedimentatie en stijging ten gevolge van de verminderende marine invloed elkaar in balans. Op de hoger opgelslibde kwelders in het getijdengebied groeit daardoor een dichte rietvegetatie en plaatselijk gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het midden-subboreaal achter de inmiddels quasi gesloten kustbarrière een groot veenlandschap ontstaat dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 14 Ook langs de Schelde vormt zich in deze periode bovenop de Upper Schelde deposits veen.

Geologisch wordt het nieuwe veenpakket tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Dit veen ontwikkelt zich niet allen in het relatief laag gelegen gebied ten westen van de Brabantse Wal maar vormt zich gaandewegook steeds hoger in het landschap en uiteindelijk ook op het hoger gelegen plateau ten oosten van de steilrand en rivierduin op de Brabantse Wal. Langs de riviervlakte van de Schelde zijn deze venen plaatselijk kleiig doordat zich bij overstromingen klei afzet in het veengebied. Omstreeks 500 v. Chr. bereikt het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna treedt een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zoekt zijn weg richting de zee in steeds breder wordende geulen. Hierdoor wordt de mariene invloed op het land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, doorbreekt het water de strandwal en ontstaat er een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten.

15 Waar tot in de late ijzertijd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald wordt door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment zal vanaf grofweg vanaf de Romeinse tijd gaat de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 16 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteren in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee krijgt opnieuw vat op het laag gelegen Zeeuwse veengebied. De eerste tekenen van overstromingen van dit gebied dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf circa 250 n. Chr. kan de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstaat. 17 De Brabantse Wal vormt hierbij opnieuw een scheidingslijn. Het gebied op en ten oosten van de wal zal namelijk niet overstromen, hier blijft het veen dan ook aan het oppervlak liggen. Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap ten westen van de Brabantse Wal resulteert in een systeem van getijdegeulen en kreken waarin het oudere substraat wordt weg geërodeerd en waarin zich hoofdzakelijk zandige afzettingen vormen.

Buiten deze getijdegeulen- en -kreken worden de veengronden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand komen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland en het Brabantse grondgebied ten westen van de Brabantse Wal aan het oppervlak. Ook de omgeving van het plangebied bestaat omstreeks 800 n. Chr. grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied met ten oosten daarvan, op de hoger gelegen delen aan de voet van de wal, mogelijk nog een dagzomende veenstrook. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie biedt nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgenden vindt dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op 13 Kiden en Gouw, 2010. 14 Vos and Van Heeringen, 1997: 28. 15 Vos en van Heeringen, 1997 paleogeografische kaart. 16 Vos and Van Heeringen: 1997. 17 Vos and van Heeringen: 1997.

16

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik beginnen de bewoners zich ook met dijken tegen het water te beschermen en worden naderhand ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuwgewonnen land wordt naast veeteelt en landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kan namelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Deze veenontginning vindt gedurende de middeleeuwen tevens plaats in het gebied ten oosten van de Brabantse Wal, waar het veen nog steeds dagzoomd. Het weggraven van het veen heeft op termijn een grote invloed op het landschap. In het gebied ten westen van de Brabantse Wal zorgt deze voor een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak. De degeneratie van het landschap in de late middeleeuwen wordt bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe zal leiden dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kennen, waarbij veel land opnieuw verloren gaat. Ook de militaire inundaties gedurende de Tachtigjarige Oorlog zullen vervolgens voor ingrijpende overstromingen zorgen. Nieuwe smalle en brede inbraakgeulen snijden zich hierdoor in dit landschap in en ook de lager gelegen delen worden (opnieuw) overspoeld door het water.

Tot ver landinwaarts wordt hierdoor een dik pakket sediment afgezet waardoor grote delen van het oude landschap bedekt geraken en in enkel gevallen definitief verdwijnen. Het oostelijk deel van Zuid-Beveland en meer specifiek het verdronken land van Zuid-Beveland maar ook de op het Brabantse grondgebied gelegen nederzettingen Agger in Hinkelenoord, welke na zware stormen aan het einde van de 16e eeuw onder water komen te staan, zijn hiervan de bekendste exponent. Bovendien heeft dit ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland. De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegt zich zuidwaarts naar de Honte (later Westerschelde). Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water krijgt op de verdronken Bevelanden, kan de Honte de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies als de Westerschelde. In het gebied te oosten van de Brabantse Wal ontwikkelt zich nadat het veen ontgraven is grotendeels een heidegebied. Door overbegrazing van de heide, alsook het steken van plaggen (voor bemesting) raakt het gebied uiteindelijk opnieuw onderhevig aan zandverstuivingen (die tot het Laagpakket van Kootwijk worden gerekend).

Deze verstuiving wordt pas een halt toegeroepen nadat men overgaat op het creërend van nieuwe beplantingen met houtwallen.

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Kaart van Nederland (niet afgebeeld) is het plangebied gesitueerd op de rand tussen een zone met zeeklei (van het Laagpakket van Walcheren) op veen (code Na8, Formatie van Naaldwijk) en het ten westen hiervan gelegen gebied met rivierzand en -klei met een zanddek (code Wa1, Formatie van Waalre). Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Raadpleging van de ondergrondmodellen in het DINO loket 18 bij wijze van de simulatie door middel van Appelboor geeft in het noordelijke deel van het plangebied een profiel aan dat bestaat uit een antropogene ophooglaag of esdek met een dikte van 1 m (tot 1,75 m +NAP). Deze gaat rechtstreeks over op de Formatie Waalre. Een Appelboring in het zuiden van het plangebied geeft dan weer een (verwacht) profiel aan met tussen het antropogeen pakket en de afzettingen van de Formatie van Waalre een 0,5 m dikke laag met afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (tot 1,5 m -mv/ 0,25m +NAP). Bodem Op de Bodemkaart van Nederland (niet afgebeeld) 19 ligt het plangebied in een ruime zone met hoge zwarte enkeerdgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand (code zEz21). Deze bevestigd de aanwezigheid an een antropogeen (es-)dek in het plangebeid, zoals aangegeven door de DINO-appelboringen.

De Bodemkaart in gedetailleerd overzicht van de Ruilverkaveling Scheldestroom, gepubliceerd door Ovaa in 1966 (figuur 4) laat binnen het 18

www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen: geraadpleegd op 23-12-2020.

19

Digitale bodemkaart: Wageningen Environmental Research (Alterra), beschikbaar via Esri Nederland.

17

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

plangebied meerdere bodemcodes zien. Dit betreft (deels afgegraven) humeuze zwarte enkeerdgronden met een bovenlaag van meer dan 50 cm (zE51) en een bovenlaag tussen 30 en 50 cm (cZ51) en overwegend humeuze en plaatselijk humeusarme zwarte enkeerdgronden met een bovenlaag tussen 30 en 50 cm (cH51). In het zuidoosten bevinden zich op deze kaart tochteerdgronden met half gerijpte tot bijna gerijpte klei beginnend tussen 20 en 80 cm en pleistoceen zand beginnend tussen 80 en 120 cm (pMo). In het zuidoosten heeft volgens deze kaart m.a.w. enige vorming van holocene afzettingen plaatsgevonden (cf. afzettingen van het Laagpakket van Walcheren die volgens het DINO-loket in het zuiden van het plangebied voor kunnen komen).

Figuur 4 Uitsnede van de Bodemkaart in gedetailleerd overzicht van de Ruilverkaveling Scheldestroom. Bron: Ovaa, 1966.

Geomorfologie

Figuur 5 Uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Kleinsman, de Lange en van den Berg, 1984.

18

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Volgens de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 5) 20 ligt het plangebied in een zone met dekzandruggen (al dan niet met een oud-bouwlanddek) (code 3L5). Dit is gelegen in een iets ruimere zone met een vlakte van ten dele verspoeld dekzanden (vervlakt door veen en/of overstromingsmateriaal) (code 2M14). Overige informatie In het kader van de huidige planvorming is reeds in 2017 een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd 21 waarbij met name gekeken is naar de invloed van de geplande nieuwbouw en eventuele demping van de aanwezige watergang op de grondwatertafel. Voor het model van het plangebied en omgeving is hierbij uitgegaan van een gemiddelde grondwatertafel van 0,8 m +NAP langs de oostelijke en zuidelijke rand van het plangebied, 1,6 m centraal en 2,2 m +NAP in het noordwesten. Om de waterdoorlatendheid te testen zijn binnen fase 1 van het plangebied 8 boringen en net buiten het plangebied 1 boring gezet. De boringen zijn slechts beschreven op grondsoort, kleur en andere bodemeigenschappen, er is geen interpretatie van de gegevens (benaming lithostratigrafie en bodemhorizonten) gedaan. Verder zijn ook geen vaststellingen van de homogene c.q. heterogene samenstelling verricht. Hierdoor is de bruikbaarheid van de data voor archeologische doeleinden slechts beperkt.

Desondanks kunnen op basis van de boordata uit het geohydrologisch onderzoek toch met het nodige voorbehoud enkel algemene vaststellingen en interpretaties worden gemaakt (zie hieronder). Op basis van de boordata is niet te bepalen of de natuurlijke ondergrond afzettingen van de Formatie van Waalre betreft dan wel afzettingen van de Formatie van Boxtel die over gaan op de Formatie van Waalre. Hierom worden in het onderstaande overzicht deze afzettingen aangeduid als Bx/Wa.

Figuur 6 Overzicht van de in het kader van het geohydrologisch onderzoek uitgevoerde boringen en de door Artefact (onder voorbehoud) gemaakte interpretatie. Bron data: van Geloven, 2017; Bron ondergrond: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2020.

20 Kleinsman, de Lange en van den Berg, 1984. 21 Van Geloven, 2017.

19

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

-

Langs de oostelijke en zuidelijke zijde van het plangebied (boringen B2, B8 en B9) komen bovenop de Bx/Wa veen en klei voor. Dit betreft kleilagen met een dikte tussen 0,6 en 1,6 m op een veenpakket met een dikte tussen 1 en 1,5 m. de kleilagen worden afgedekt door een 0,5 tot 1 m dikke bouwvoor of esdek. Bij boring B1 is eveneens veen aangetroffen. Dit betreft hier echter slechts een 10 cm dik laagje veen onder een 1,4 m dik zandpakket dat mogelijk een esdek vormt. De Bx/Wa vertoont bovenin mogelijk wat bodemvorming.

-

Bij boringen 6 en 7, centraal in het gebied, is onder het mogelijke esdek of bouwvoor (dat hier slechts 0,3 tot 0,5 m dik is) een zwak humeus roesthoudend donkerbruin zandpakket aangetroffen. Dit is mogelijk de rest van een podzolvorming in de bovenzijde van de Bx/Wa.

-

Bij boring 3 gaat het mogelijke esdek op 1 m -mv over op de Bx/Wa, er lijkt geen mogelijke podzol (meer) aanwezig.

-

Bij boring 4 is tot 1 m -mv een baksteenhoudend pakket aanwezig. Mogelijk betreft het hier een verstoord of opgebracht pakket. Het baksteenhoudend pakket gaat rechtstreeks over op de Bx/Wa.

-

Boring 5 is gelegen buiten het plangebied. Hier bestaat het profiel uit een opgebracht zandpakket (gelet op de ligging langs de weg is dit mogelijk een onderdeel van de wegfundering) tot een diepte van 1 m met daaronder de Bx/Wal.

Actueel Hoogtebestand Nederland

Figuur 7 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Waarden hoger dan 20 m +NAP en lager dan 1 m –NAP zijn uitgefilterd. Bron: www.pdok.nl (AHN3, 0,5 meter raster DTM).

20

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

De geologische situatie wordt tevens geïllustreerd op de bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3). Daarbij wordt duidelijk dat het gebied ten westen van de Brabantse Wal scherp afstekt en vrij egaal gelegen is op een hoogte van circa 0,5 tot 1,5 m +NAP daar waar de maaiveldhoogte vanaf de steilrand die de westelijke begrenzing vormt van de Brabantse Wal oploopt tot ruim 22 m +NAP. Het relatief laag gelegen gebied ten westen van de wal wordt slechts onderbroken door enkele nog lager gelegen brede en smalle kreekbeddingen (donkerblauw op figuur 7) en de verschillende hoger gelegen polderdijken die de voortschrijdende inpolderingen in dit gebied vanaf de 17e eeuw illustreren (lichtblauwe lijnvormige patronen op figuur 7). In figuur 8 wordt een meer gedetailleerd beeld van de zone rondom het plangebied gegeven. Hieruit is eveneens de steilrand die de grens vormt van de Brabantse Wal duidelijk herkenbaar ten noorden en oosten van het plangebied. In het plangebied zelf helt het maaiveld van het westen (max. circa 3,4 m +NAP) naar het oosten af (min. circa 1,5 m +NAP), dit doordat zich langs de oostelijke zijde van het plangebied een depressie (met daarin een watergang) bevindt. In het noorden en westen van het plangebied bevinden zich daarnaast twee zones waar het maaiveld opgehoogd en geëgaliseerd is op circa 4 m +NAP.

In figuur 9 zijn de waarden hoger dan 4 m+ NAP en lager dan 1 m +NAP egaal ingekleurd. Deze inzet laat zien dat het plangebied gelegen is op de flank van een opduiking die in het noorden aansluit op de uitlopers van de Brabantse Wal. Ten oosten, zuiden en westen van deze opduiking is het maaiveld lager gelegen.

Figuur 8 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Waarden hoger dan 20 m +NAP en lager dan 1 m –NAP zijn uitgefilterd. Bron: www.pdok.nl (AHN3, 0,5 meter raster DTM).

21

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Figuur 9 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Waarden hoger dan 4 m +NAP en lager dan 1 m –NAP zijn uitgefilterd. Bron: www.pdok.nl (AHN3, 0,5 meter raster DTM).

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling

Bedijkingsgeschiedenis Betrouwbare historische gegevens uit de periode voor de dijkenbouw gedurende de nieuwe tijd zijn uitermate schaars. Terwijl in de strook laaggelegen gronden tussen de Brabantse Wal en de toenmalige Scheldeloop reeds vanaf de 13e eeuw enige polders aangelegd worden is dit vermoedelijk niet het geval ter plaatse van de smalle strook ten westen van Woensdrecht. 22 Het gebied ten noorden van Woensdrecht is in elk geval reeds in het laatste kwart van de 15e eeuw bedijkt en is dan gekend als het Oudland onder Woensdrecht. Na de realisatie van dit Oudland is er op een vooralsnog onbekend tijdstip eveneens een bedijking uitgevoerd waarbij zowel het Noordland als het Zuidland van Woensdrecht zijn ontstaan. Na een stormvloed in 1552 waarbij het gebied tussen Bergen op Zoom en Ossendrecht onder water komt te staan, wordt het Oudland opgenomen in een groter poldergebied, de dijkage van Woensdrecht. Het is onduidelijk of de Zuid- en Noordpolders ook hierbij betrokken worden. 23 Uiteindelijk zal het gebied bij een stormvloed in 1570 opnieuw verloren gaan en voor langere tijd onbedijkt blijven. 24 Een nieuwe bedijking van het laag gelegen gebied rondom Woensdrecht vindt plaats omstreeks 1651, maar zal na een overstroming in 1683 opnieuw verloren gaan.

In 1685 wordt vervolgens het zuidelijk deel samen met een deel van de eveneens overstroomde gebieden van Zuid-Beveland aan de overzijde van de Agger herpolderd als de Hinkelenoordpolder en Zuidpolder van Woensdrecht. Het gebied ten noorden van Woensdrecht wordt pas in 1728 opnieuw ingepolderd als de Prins Karelpolder. Ook na deze hernieuwde inpolderingen komen de polders nog meermaals onder water te staan, de Zuidpolder in 1697 en 1715, de Prins Karelpolder in 1743. Tijdens de stormvloeden in 1825 en 1953 lopen de verschillende polderdijken telkens ernstige schade op en doen er zich ook gedeeltelijk

22 Archeologische Waardenkaart gemeente Woensdrecht 2018. 23 Van der Heijden, 1992. 24 Ibid., Leenders, 2013.

22

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

overstromingen voor. 25 De Hinkelenoordpolder wordt tussen 1810 en 1815 overgeheveld van Zeeland naar Brabant en bij het grondgebied van Woensdrecht gevoegd. In onderstaande deel wordt de situatie vanaf de 16e eeuw geïllustreerd aan de hand van verschillende historische kaarten. Gedetailleerde kaarten van de periode voorafgaand aan de 16e-eeuwse overstromingen zijn niet beschikbaar. Op de kaart van Antwerpen en omstreken ten tijde van de belegering van 1585 (figuur 10) wordt ook het gebied nabij Woensdrecht (hier Woensendrecht) afgebeeld. De kaart is bruikbaar om de situatie in het gebied voorafgaande aan de 17e-eeuwse inpolderingen te illustreren. De zone tussen de Brabantse Wal (onderaan het beeld) en den Agger (een zijgeul van de Honte of Schelde, bovenaan het beeld) bestaat uit schorren met daarin enkele drogere platen. Aan de overzijde van de Agger bevinden zich de eveneens verdronken landen van het Zeeuwse Zuid-Beveland. Woensdrecht is gelegen op de rand van de Brabantse Wal. Deze kaart geeft niet voldoende detail en aanknooppunten met de huidige situatie om een projectie van het plangebied mogelijk te maken.

Figuur 10 Uitsnede van de Kaart van Antwerpen en omstreken ten tijde van de belegering van 1585. Kaart uit de 16e eeuw. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.

De Caarte ende Metinge van het Noort Gors van den noch drijvenden Polder van Woonsdrect Ende sijn al de Cavels en Wegen uit 1737 (figuur 11) geeft een beeld van de situatie na de inpoldering van de Zuidpolder (hier nog aangegeven met de oudere benaming van Zuydlandt) in 1685 en de Prins Karelpolder in 1728. Deze kaart betreft een kopie van een oudere kaart uit 1691 (voor de Zuidpolder) aangevuld in 1737 met de inpoldering van wat de Prins Karelpolder zal worden. Op deze kaart worden de benaming Prins Karelpolder nog niet gebruikt en wordt in dit gebied de oudere benaming Noordland, Oudland ende Moerlanden gebruikt. De Hinkelenoordpolder is op deze kaart niet aangegeven, waarschijnlijk omdat deze op dat tijdstip nog deel uitmaakt van Zuid-Beveland, de dijken die de noordelijke en zuidelijke begrenzing vormen van het Zuydland lopen buiten het kaartbeeld verder door. Op deze kaart wordt ook de oude dijk uit 1651 aangegeven (blauwe lijn op figuur 11), de loopt gelijk met de westelijke begrenzing van het Zuydlandt en bevindt zich ten westen van de nieuwere dijk van het Noordland, Oudland ende Moerlanden. Het plangebied is

25 Van der Heijden, 1992.

23

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

gelegen net ten oosten van het Zuydlandt. Ten westen van het plangebied bevindt zich (onmiddellijk langs de Schenkel Dyck,) een ronde waterpartij, mogelijk betreft dit een wiel, ontstaan bij een dijkdoorbraak.

Figuur 11 Caarte ende Metinge van het Noort Gors van den noch drijvenden Polder van Woonsdrect Ende sijn al de Cavels en Wegen door F. Verstraten in 1737, deels op basis van een kaart door C. de Bije uit 1691 en opmetingen door J. van Dun en C. van Diepenbeek. De kaart is west georiënteerd. De ligging van het huidig plangebied is aangegeven met een rode ellips (een exacte projectie is niet mogelijk)(zie ook figuur 13). Het geschetste traject van de dijk uit 1651 is met en blauwe lijn aangegeven. Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), 343-000105.

Figuur 12 Kaart van de Noord en Zuid polder van Ossendregt, land van Woensdrecht, prins Karelspolder en omstreken, 1811. Het plangebied is aangegeven met een rode polygoon. Bron : BHIC, 343-002464.

24

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Op de 19e-eeuwse Kaart van de Noord en Zuid polder van Ossendregt, land van Woensdrecht, prins Karelspolder en omstreken uit (1811) wordt de Hinkelenoordpolder wel aangegeven. Deze kaart is grover van schaal in detail dan de voorgaande (de percelen worden niet aangegeven) maar laat wel toe een beeld te geven van het polderlandschap vanaf het begin van de 19e eeuw. Ten westen van de Hinkelenoordpolder is de Nieuwe Polder van Hinkelenoord uit 1801 deels ingetekend (deze polder strekt zich verder buiten het kaartbeeld uit). Het huidig plangebied is op deze kaart (ondanks het feit dat de kaart enigszins een vervormd beeld geeft) vrij exact te projecteren. Het is net als dit het geval was op de 18e -eeuwse kaarten) gelegen in een zone die zich net ten oosten van de Zuidpolder (hier Zuyd Land van Woensdregt) bevindt en niet binnen de eigenlijke polder. Bewoningsgeschiedenis Net als dit het geval was voor de bedijkingsgeschiedenis van het gebied zijn ook concrete historische data van en over de bewoning in de omgeving eerder schaars. Op basis van de studie door Leenders, gepubliceerd in 1996, is gebleken dat er gedurende de ijzertijd en Romeinse tijd enige activiteiten in en nabij Woensdrecht moet zijn geweest, dit op basis van verschillenden archeologische vondsten.

Volgens Leenders zijn er ook enkele vondsten verricht die wijzen op een Merovingische aanwezigheid en Karolingische bewoning in de omgeving van Woensdrecht. 26 Leenders gaat in zijn publicatie enkel in op de Karolingische vondsten die bestaan uit twee vondcomplexen. Het eerste complex betreft de vondst van circa 70 fragmenten aardewerk uit de eind 7e tot begin 8e eeuw. Uit een op latere datum door de heemkundekring gepubliceerd profiel van deze locatie blijkt dat de ondergrond er bestaat uit een cultuurlaag met Karolingisch aardewerk op een ‘asachtige grond’. Deze rust op een oud humusopppervlak van het dekzand [vermoedelijk de natuurlijke A-horizont]. In hetzelfde artikel worden tevens de aardewerkvondsten in meer detail opgesomd en wordt de vondstlocatie benoemd als de Rijzendeweg, deze bevindt zich aan de voet van de steilrand/Brabantse Wal. Het aangetroffen aardewerk betreft 1 randfragment en 7 wandfragment handgevormd aardewerk uit de Merovingische tijd, 3 randfragmenten en 25 wandfragmenten gedraaid aardewerk uit de Merovingische tijd (waarvan 1 fragment van een knikpot) en uit de Karolingische tijd (7e tot 9e eeuw, hoofdzakelijk 8e eeuw) 19 randfragmenten van kookpot(ten), 2 randfragmenten van schaal(en), 1 randfragment van een voorraadvat en ongeveer 70 overige randfragmenten.

27 Het tweede vondstcomplex betreft namelijk paalsporen, vroeg-Karolingisch aardewerk en dierlijke botresten 28. Uit een eerste beknopte publicatie door de Heemkundekring Het Zuiderkwartier blijkt dat de Karolingische paalsporen door de heemkundekring aangetroffen zijn bij een kleinschalig proefsleuvenonderzoek aan de Rijzendeweg [huidig locatie huisnummer 7] in 1989 naar aanleiding van de eerdere vondsten op deze locatie (zie voorgaande vondstcomplex) en dat het in de Karolingische vondstlaag aangetroffen botmateriaal resten van maaltijden en slachtafval betreffen. 29 Uit een in 1997 gepubliceerd uitvoeriger verslag 30 blijkt dat de paalsporen onderdeel vormen van bewoningsresten uit de Karolingische periode. Deze bewoningsresten bestaan uit een half ingegraven hutkom (5,3 bij 3,7 m met een 10 tot 32 cm dikke leeflaag met botresten 31, mosselschelpen, houtskool en aardewerk) met daarin drie paalsporen (vermoedelijk twee nokpalen en een wandstijl), een haardplaats (met leemresten en houtskool) en een mogelijke waterton (of -kuil). Het vondstmateriaal bestaat uit een benen naald, twee spinstenen 32, twee barnstenen kraalschijfjes, een wet- of slijpsteen en aardwerk Karolingische tijd. Tijdens dit onderzoek zijn daarnaast ook fragmenten aardewerk uit de ijzertijd, Romeinse tijd en Merovingische tijd en twee Romeinse dakpanfragmenten aangetroffen.

In het verslag wordt ook de melding gemaakt van de vondst van een afvalkuil met botresten, deze wordt in een adem genoemd met de beschrijving van de botresten uit de leeflaag van de hutkom zoals deze beschreven zijn door de Jong 33, zonder dat het geheel duidelijk is dat deze daadwerkelijk in verband te brengen is met de aangetroffen bewoning. In het verslag wordt de vondst namelijk vermeld voordat begonnen is met het ontgraven van het esdek. Het

26 Leenders, 1996, 105-108, 174 en 176-177. 27 Pijnen, 1992. 28 Zie ook Archis vondstlocatie 1057293. 29 Rosskamp, 1990 en de Jong 1990. 30 Jansen, 1997. 31 Welke in 1990 door de Jong zijn gepubliceerd. 32 Die volgens de Archismelding – zie verder- uit de ijzertijd dateren. 33 De Jong, 1990.

25

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

is niet uitgesloten dat deze afvalkuil van recentere datum is. 34 De in Archis opgenomen vondstmelding die de vondsten uit het proefsleuvenonderzoek omvat heeft het over 2 spinklossen en 2 fragmenten handgevormd aardewerk uit de ijzertijd, 1 fragment (?) van een Romeinse dakpan, 1 fragment midden-Romeins aardewerk (geverfd aardewerk, gedraaid - techniek c: dof zwart op rood), 43 fragmenten gedraaid aardewerk uit de vroege middeleeuwen B (525-725, Merovingisch) en 9 fragmenten handgevormd en 83 fragmenten gedraaid aardewerk uit de vroege middeleeuwen C (725-900, Karolingisch). De parochie Woensdrecht zelf wordt voor het eerst vermeld in de 1249 en gaat mogelijk terug tot 1246. 35 In 1358 wordt de schepenbank van Woensdrecht voor het eerst vermeld, wat aangeeft dat deze op dat tijdstip reeds opgericht is. De parochiekerk van Woensdrecht bevindt zich in het vruchtbaar akkergebied bovenop de uitloper van de Brabantse Wal ten noorden van het huidig plangebied, daar waar de eigenlijke nederzetting zich aan de voet van deze wal ontwikkelt. 36 De visvangst (open water is bereikbaar via de Agger) en het teelten van meekrap vormen gedurende late middeleeuwen en vroege nieuwe tijd de hoofdpijlers van de dorpseconomie. In het kader van de visvangst wordt in het laag gelegen gebied tussen ’t Marktje en de steilrand, dit is ten oosten van het plangebied, een (getijden-)haventje vermoed.

37 De ontwikkeling van de nederzetting stokt echter vanaf de 16e eeuw, wanner zich verschillende stormvloeden voordoen waarbij het gebied ten westen van de Brabantse Wal overstromen en ook het gebied ontvolkt raakt ten gevolge van oorlogshandelingen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. 38 Ook de parochiekerk wordt tijdens de Tachtigjarige Oorlog verwoest en wordt in 1618 vervangen door een nieuw protestants kerkje. De toren van de oorspronkelijke kerk blijft hierbij bewaard en is gekend als de Stompe Toren. Op het begin 19e-eeuwse prent van de Ruïne te Woensdrecht door Bagelaar is op de voorgrond de Stompe Toren afgebeeld met op de achtergrond het latere protestants kerkje. Tussen de toren het recentere kerkje is ook nog wat muurwerk van de oorspronkelijk kerk zichtbaar.

Figuur 13 Ruïne te Woensdrecht bij bergen op Zoom door Bagelaar uit 1809. Bron: Beeldbank RCE, TH-005.

34 De resten uit deze afvalkuil zijn daarenboven voor zover achterhaalbaar niet door de Jong meegenomen in de uitwerking van het 26 botmateriaal uit de hutkom. De Jong geeft expliciet aan dat hij de vondsten uit de oudste laag heeft bekeken. Dit wordt deels bevestigd door het gegeven dat Jansen aangeeft in de afvalkuil hoornpitten van een koe aangetroffen te hebben en dat deze niet voor komen in het verslag van het door de Jong onderzocht botmateriaal. 35 Leenders, 1996, 312. 36 Idem, 324-326. 37 Hiervoor zijn vooralsnog geen concrete bewijzen aangetroffen. De vermoedelijke haven is kort besproken in de toelichting bij de Archeologische Waardenkaart van de gemeente en wordt door Keijers (2007) ten oosten van het plangebied aangegeven. 38 West-Brabants Archief – Woensdrecht voor 1-1-1997, geraadpleegd dd. 11-1-2021.

ARTEFACT RAPPORT 592

WOENSDRECHT ‘T MARKTJE

Gedetailleerde kaarten van Woensdrecht voorafgaand aan de 18e eeuw zijn niet beschikbaar. Op de eerder als figuur 10 weergegeven Kaart van Antwerpen en omstreken ten tijde van de belegering uit 1585 wordt Woensdrecht (hier Woensendrecht) slechts schetsmatig aangegeven en bestaat het uit de kerk (met een blauw dak), gelegen op de rand van de wal met op deze rand en langs de wegen ook enkele huisjes. De kaart door C. Sgrooten uit 1570 (figuur 14) geeft een ietwat ander beeld. De uitstulping in de Brabantse Wal waarop en -langs Woensdrecht (hier Woenssdreecht) is hier (ietwat overdreven) ingetekend. Op deze uitstulping bevinden zich de kerk, verschillende woningen en een ten zuiden van de woonkern een verstrekt huis of kasteel. Dit betreft een ‘kasteel’ dat mogelijk reeds uit de 11e eeuw dateert en bestaat uit een huis/hof met berg, gracht, neerhof en dreef omvat. 39 Gelet op de beschrijving betreft het hier naar verwachting een motte-complex. Dit complex verdwijnt in de loop van de 16e eeuw. Het gebied ten oosten van de uitstulping vormt een inham, het is hier dat zich mogelijk de haven bevindt. Het plangebied is gelegen op de zuidelijke uitloper van deze uitstulping

Figuur 14 Detail van de Ostium Scaldis, Kaart van de Zeeuwse Delta uit het midden van de 16e eeuw, door C. Sgrooten, 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.

Op 17e-18e-eeuwse kaarten wordt wel al een meer getailleerd beeld gegeven van Woensdrecht en omgeving. Zo wordt op de kaart van F. Verstraten uit 1737 (deels gebaseerd op een kaart uit 1691) (figuur 15) bebouwing aangegeven langs de voorloper van de huidige Dorpstraat en wordt ter plaatse van de kerk een toren (de Stompe Toren) en een tweede gebouw (de protestantse kerk) aangegeven. Allen gelegen op ’T Hooge landt van Woonsdrecht. Ten zuiden van Woensdrecht wordt in een van de hier gelegen groter perceelsblokken een rechthoekige structuur weergegeven. Mogelijk betreft het hier een ietwat schetsmatige of symbolische weergave van het voormalige kasteelterrein of de aanwezige grachtresten. Voor wat betreft het plangebied zijn de voorlopers van onder andere het huidige ’t Marktje aanwezig, dit loopt verder door in de Schenkel Dyck die de zuidelijke begrenzing van ’T Zuydlandt (polder) vormt. Langs

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=e6083e9a-a67a-40ad-a92e-3c3cb8af854f