CConstaterende datwoensdrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-07-04 Toelichting Raadhuisstraat 126-130 Hoogerheide t_NL.IMRO.0873.HOWOxBP217xHERZx44-ON01

Raadsvergadering 4 juli 2024, gemeente woensdrechtBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Raadhuisstraat 126-130 Hoogerheide19.566 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Huijbergs

11 t/m 20

2

4 6

8 10

2

12

12

22

16

st

17 19

lbe

29

r

Mg

21 23

eg

ew

eg

Le o

at

st ra

Po els

ew

Pa us

6

Mg r

25

ts

12

ts

Pu

at

21

25

27

14

Pu

XII Ies tr a

25

4

23

Du

16

Aalbersestraat

23

10 t/m 40

11

Ar

41

39

37

t

aa

35

es tr

rs

33

31

Aa 2a

2 t/m 8

25

at

2

Ossen

16

18

27

16

20

4

6

8

10 12

14

22

15

ra

24

st

int

1

en

23

Mo

jes

len

ple

in

3

ck

18

21

22a

14

13

en

16

23

11

Fr

18

r

20

Mg

22

21

2

26

19

24

12

9

19

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023 26

21

4

28

30

17

26

2

Aalbersestraat

20

19

45

t

e

7

17

24

43

at

a ra

espadj

15

8

17

ra

13

41

ns

10

15

6

20

14

7 5

at

rie

st

13

5

5

3

2 4

2

4

6

8

10

14

14 18

24

1

18

39

rA

6

ien ss tr a

37

Mg

3

len

11

8

18

8 10

35

1

Mo

9

4

2

4

32

6

31

11

7

10

30

16

14

29

20

16

36 35

34 33

27 28

2

26

25

9

Jannek

5

12

10

11

15

7

lein

van der Dilftstraat

10a

13

np

Figuur 5.2: Uitsnede Archeologische waardenkaart gemeente Woensdrecht, locatie zwart omcirkeld

Zouteweg

3

G ebieden met middelhoge trefkans

11

ule

13

1

9

22

37

7

35

33

14

1 t/m 10

4

33

aat Molenstr

6

5

31

16

8

29

18

11

9

17

15

13

20

12

22

12

3

27

31

9

seweg

24 25

29 22

40

42

44

46

48

Me

50

Me

k

loc ulenb

52

eg

54

r

38

de

ew

25

23

21

19

Gebieden met hoge trefkans

1

23

27

6

136A 136

26

21

punt

Tref

eg 7

5

14

28

30 19

5

3

n

aat

17

3

1

ew

ts

va

Molenstr

5

3

ts

Pu

van der Dilftstraat

11

1B

Pu

7

1

15

24

1

van der Meulenplein

9

Meulenblock

7

lein

23

lenp

eweg

1

Meu

Puts

22

der

21

van

34

139

eweg

Huijbergs

bos

drecht

42

1F

1E

1D

1 1b

7

135A 135

134

5

kerk

46

26a

12

5

3

8

28

29

78

14

20

32

40

31 27

73B

at

ne

Bin

23

Binnenweg

t/m

tra

iss

73 71D

dhu

t/m

9

7

5

3

1a

nweg

18

40

1

71

Raa

m5

str

1 t/

jden

Hei

7

39 t/m

16

69b

der lein

ysp

thu

aed

eR

Ouw

12

3

10

8 24

4

21

18

26

69a

t/m

69c

van

14

45

46

86

t/m

69

Jan

32

st

ra

at

Beleid gemeente Woensdrecht De gemeente Woensdrecht heeft een eigen archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld. Op deze kaart is te zien dat aan het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting is toegekend. Voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat op basis van geologische en bodemkundige opbouw, historische informatie, en archeologische gegevens, een hoge kans bestaat op het aantreffen van archeologische vondsten of sporen. Om het archeologisch bodemarchief van deze gebieden gedegen te beheren is vanaf een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 50 m² én een diepte van 50 cm een archeologisch onderzoek vereist. Een uitzondering hierop vormt het oude stroomdal van de Schelde. In dit gebied bestaat weliswaar een hoge archeologische trefkans, maar de archeologische resten bevinden zich op grotere diepte en zijn meer verspreid. Om het archeologisch bodemarchief van dit gebied gedegen te beheren is vanaf een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m² én een diepte van 150 cm een archeologisch onderzoek vereist. Onderzoek Door Transect Advies b.v. is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport ‘Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend veldonderzoek (IVO), Hoogerheide, Raadhuisstraat 126 e.o.

Gemeente Woensdrecht (NB), projectnummer 20100046, versie 1.2, 8 juli 2020’. Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen bestemmingsplanwijziging in het gebied die de realisatie van drie appartementengebouwen, met in totaal 28 appartementen, in het plangebied mogelijk moeten maken. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Volgens de archeologische verwachtingskaart en archeologienota van de gemeente Woensdrecht geldt voor het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Dit betekent dat voor ingrepen in de ondergrond groter dan 100 m2 en die dieper reiken dan 30 cm onder maaiveld een archeologische onderzoeksplicht geldt. Aangezien de voorgenomen bodemingrepen in het plangebied de planregels overschrijden, is in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek nodig. Conclusie In het bureauonderzoek is een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vastgesteld, gebaseerd op de ligging van het plangebied op een terrasafzettingswelving. Op de terrasafzettingen is waarschijnlijk een dunne laag dekzand aanwezig. Op basis hiervan heeft het plangebied vermoedelijk gunstige omstandigheden voor bewoning geboden vanaf het Laat- Paleolithicum B.

Vanaf de 14e eeuw na Chr. is het gebied actief in ontginning gebracht vanuit de huidige Raadhuisstraat, waaraan het plangebied ligt. Hierdoor is waarschijnlijk een oud bouwlanddek ontstaan in het plangebied (bovenop het dekzand). Uit alle periodes worden sporen van landgebruik en sporen van terreininrichting verwacht, uit de periodes Laat-Paleolithicum B tot en met de LateMiddeleeuwen kunnen ook nederzettingsterreinen of erven voorkomen. Op basis van historische kaarten worden uit de Nieuwe tijd sporen van bebouwing verwacht in het plangebied. Mogelijk heeft deze bebouwing ook voorgangers gehad in de Late-Middeleeuwen. Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat het plangebied op een terrasafzettingswelving ligt. Dekzand van deze heuvel is aangetroffen tussen de 130 en 160 cm-Mv (19,65 – 19,4 m +NAP). Slechts in één boring is een restant van bodemvorming waargenomen in de vorm van een Cg-horizont op 135 cm-Mv (19,45 m +NAP). Om deze reden is het waarschijnlijk dat een eventueel aanwezige podzolbodem in het bouwlanddek is opgenomen. Aangezien de Cghorizont op een vergelijkbare hoogte ten opzichte van de NAP is aangetroffen als de rest van het dekzand, is het nog wel mogelijk dat diepere sporen uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen bewaard gebleven zijn in het plangebied. Om deze reden geld hier een middelhoge archeologische verwachting.

Aangezien er geen intacte top van een podzolbodem in het plangebied is aangetroffen, is er een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum. In dit bouwlanddek zijn in het noorden van het plangebied tussen 70 en 100 cm -Mv (20 – 20,3 m +NAP) archeologische indicatoren uit de Nieuwe Tijd tot 1850 na Chr. aangetroffen die verband houden historische bewoning aan de Raadhuisstraat. Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het bestaande winkelpand en de woningen te slopen, om vervolgens een nieuw appartementengebouw en een kelder te realiseren over een oppervlakte van circa 1600 m², waarvoor

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

27

de ondergrond ter plekke van de kelder (circa 400 m2) tot een diepte van circa 2 tot 2.5-Mv geroerd zal worden. Voor de overige delen van het gebouw (circa 1200 m2) zal de bodem tot maximaal 75 cm worden ontgraven. Bij deze ingrepen zal het archeologisch relevante niveau verstoord raken. Daarom adviseren wij tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek voorafgaand aan de realisatie de bebouwing. Een dergelijk onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). De kaders en regelgeving waarbinnen een dergelijk onderzoek moet worden uitgevoerd, evenals de omgang met eventuele archeologische waarden, dienen vooraf te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE) dat moet zijn goedgekeurd door de bevoegde overheid (de Gemeente Woensdrecht). Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt de bevoegde overheid (de gemeente Woensdrecht) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied. De uitkomsten van het archeologisch vervolgonderzoek zullen te zijne tijd hier worden vermeld. Voorlopig zal de archeologische dubbelbestemming worden gehandhaafd op de verbeelding van het bestemmingsplan. 5.2 Bodem Door Wematech Bodem Adviseurs B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

De resultaten van dit onderzoek zijn vervat in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek "Raadhuisstraat 126-130" Hoogerheide, Projectnummer VBB-50210330, versie definitief, 16 juni 2021’. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouwplannen ter plaatse. Onderzoek De gegevens uit het vooronderzoek geven geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten op het onderzoeksterrein. De onderzoekslocatie wordt aangemerkt als een, voor bodemverontreiniging, onverdachte locatie. Zintuiglijke waarnemingen Ter plaatse van boringen 01, 07, 09, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 is een tegel- of klinkerverharding aanwezig. Boringen 03, 04 en 08 zijn inpandig uitgevoerd onder een betonvloer. Ter plaatse van de boringen 02, 05 en 06 is een tuin aanwezig. Ter plaatse van boringen 14 en 15 is onder de klinkerverharding een sterk grindhoudende, matig baksteenhoudende en sterk puinhoudende bijmenging (puinverharding) aanwezig. Uit vooronderzoek is gebleken dat deze aangetroffen puinverharding tijdens de ontwikkeling van het parkeerterrein op het noordwestelijk deel van het terrein in 2017/2018 is aangebracht. De puinverharding wordt derhalve niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht.

Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling, verspreid over de locatie, op een diepte variërend van 0 tot maximaal 170 cm-mv sporen tot matig baksteenhoudende bijmengingen aangetroffen. Ter plaatse van boring 07 en boring 09 is op een diepte van 50 tot 70 cm-mv en respectievelijk 70 tot 80 cm-mv een uiterst baksteenhoudende bijmenging aangetroffen. Boring 01 en boring 07 zijn op een diepte van 65 cm-mv en respectievelijk 70 cm-mv gestaakt op vermoedelijk baksteen. Ter plaatse van boring 05 is op een diepte van 0 tot 30 cm-mv een zwak baksteenhoudende, zwak puinhoudende en zwak grindhoudende bijmenging aangetroffen. In verband met de aangetroffen afwijkende bijmenging ter plaatse van boring 05 is besloten het ter plaatse samengestelde monster (0-30 cm-mv) individueel te laten analyseren in het laboratorium. De aangetroffen bijmengingen met baksteen en grind worden zoals gesteld onder Bijlage A. van de NEN5725:2017, en Bijlage E 2.6. van de NEN5707:2015, niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht. Voor het overige zijn geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. G rond In de bovengrond van mengmonster MM02 en het individueel geanalyseerde monster 05 is een licht verhoogd gehalte lood aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde.

Na uitsplitsing van mengmonster MM01 is ter plaatse van boring 09 (10 tot 60 cm-mv) een matig verhoogd gehalte koper aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de overige individueel geanalyseerde monsters werden geen verhoogde gehaltes koper aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. Er is geen bron van verontreiniging aan te wijzen voor de aangetroffen verhoogde gehaltes met koper en lood in de bovengrond. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte lood aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde. Er is geen bron van verontreiniging aan te wijzen voor het aangetroffen verhoogde gehalte lood in de ondergrond. 28

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

Het bevoegd stelt wel om een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden op te nemen in de omgevingsvergunning om voor start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop, aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond. Dat kan middels: • het uitvoeren van bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 naar de bovengrond (tot 1,0 m-mv); • of door het aantonen dat de sloop plaatsvindt door een gecertificeerd bedrijf en het nemen van foto’s van het maaiveld tijdens en na de sloop. Wanneer na sloop blijkt dat de bodem onder het gebouw verdacht is op bodemverontreiniging moet alsnog een bodemonderzoek worden uitgevoerd. De verdachtmaking kan bijvoorbeeld zijn het aantreffen van ongedefinieerd puin of andere zintuiglijke afwijkingen zoals kooldeeltjes, brandstofplekken e.d. G rondwater In het grondwatermonster van peilbuis 06 is een licht verhoogd gehalte naftaleen aangetroffen ten opzichte van de streefwaarde. Aangenomen mag worden dat het aangetroffen licht verhoogde gehalte naftaleen in het grondwater geen risico oplevert voor de volksgezondheid en/of het milieu. Er is geen bron van verontreiniging aan te wijzen voor dit verhoogde gehalte. Conclusie Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat het mengmonster van de bovengrond MM02 en de bovengrond ter plaatse van ‘worst-case’ boring 05 licht verontreinigd is met lood.

Ter plaatse van boring 09 is de bovengrond matig verontreinigd met koper. De ondergrond is licht verontreinigd met lood. Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond ter plaatse van boring 05 en MM01, met uitzondering van de ter plaatse van boring 09 aangetroffen matige verontreiniging met lood en met acceptatie dat voor het overige geen verhoogde gehaltes zijn aangetroffen, voldoet aan de eisen voor achtergrondwaarde grond. De bovengrond ter plaatse van MM02 voldoet aan klasse wonen. De ondergrond voldoet aan klasse industrie. Wel geldt op basis van de gemeten PFAS gehalten een beperking ten aanzien van het toepassen van de grond in grondwaterbeschermingsgebieden (gebiedstoets). De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden.

T oetsing hy pothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" verworpen te worden. De onderzoekslocatie is verdacht op het voorkomen van lood en/of koper in de grond. A lgemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Advies De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Wel dient na de sloop aangetoond te worden dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond.

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

29

5.3

Milieu

5.3.1 Flora en Fauna In het kader van de natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Het plangebied ligt buiten de invloedsfeer van beschermde (natuur)gebieden zoals het NNB (Natuur Netwerk Noord-Brabant, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) of een Natura-2000 gebied. Maasarend Advies b.v. heeft voor het terrein een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport ‘Ecologische quickscan Raadhuisstraat 126 te Hoogerheide', Maasarend Advies, documentnr. 2021-071-1, 1 april 2022’. Het doel van een ecologische quickscan is om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde gebieden, beschermde soorten flora en fauna en beschermde houtopstanden. Tevens dient dit onderzoek om te toetsen of er bij een ruimtelijke ontwikkeling kans is op overtreding van de Wet Natuurbescherming (Rijksoverheid, 2017).

Figuur 5.3: Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden (locatie zwart omcirkeld)

Onderzoek Beschermde gebieden Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) of een Natura 2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreft het gebied Brabantse Wal op 800 meter afstand. Binnen Natura 2000 gebied Brabantse Wal komen de volgende stikstofgevoelige habitattypen voor: • H2310 Stuifzandheiden met struikhei; • H2330 Zandverstuivingen; • H3110 en H3130 (Zeer) Zwakgebufferde vennen; • H3160 Zure vennen; • H4010A Vochtige heiden; • H4030 Droge heide. Op enkele meters, aan de overzijde van de Scheldeweg, liggen gronden die tot het NNB behoren. Dit betreffen nog naar natuur om te vormen landbouwgebieden (beheertype N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur), enkele stroken N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en enkele stroken N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Met de in 2019 nieuw gelanceerde rekentool van Aerius is te berekenen of een project zorgt voor stikstofdepositie (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019). Indien de depositie van stikstof op een stikstofgevoelig habitattype binnen een nabijgelegen natuurgebied boven 0,00 mol/ha/jaar is dan is het project vergunningsplichtig.

Door de nabijheid van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, valt op voorhand niet uit te sluiten dat er negatieve effecten ontstaan door de geplande werkzaamheden op stikstofgevoelige habitattypen. Nader onderzoek naar de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen, door middel van een Aerius berekening, moet hier meer inzicht in verschaffen. 30

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

Gebieden die behoren tot het NNB of de groenblauwe mantel zijn beschermd via provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als er geen sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke waarden van het gebied. Doordat het projectgebied gelegen is buiten de NNB of groenblauwe mantel is geen sprake van effecten op de wezenlijke kenmerken of waarden hiervan. Het aspect stikstof wordt verder toegelicht in de volgende paragraaf. Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. V aatplanten Binnen ca. 1,5 kilometer van het projectgebied ís de afgelopen 10 jaar de beschermde soort Kleine wolfsmelk aangetroffen (NDFF Verspreidingsatlas, z.d.). Deze soort is voor het laatst waargenomen in 2011 op 1,5 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied.

Tijdens het veldbezoek op 23 april 2021 zijn enkel algemeen voorkomende, ruderale soorten aangetroffen, waaronder: Duizendblad, Bijvoet, Kleine veldkers, Stinkende gouwe, Winterpostelein, Vroegeling, Heermoes, Zachte ooievaarsbek, Smalle weegbree, Straatgras, Boerenwormkruid, Paardenbloem, Taxus, Rode klaver en Grote brandnetel. Er is geen geschikt habitat voor beschermde vaatplanten aangetroffen tijdens het veldbezoek. Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde vaatplanten kunnen hiermee worden uitgesloten. Vleermuizen Vanuit de bureaustudie is het aannemelijk dat de volgende soorten gebruik maken van het projectgebied of de directe omgeving: • Baardvleermuis; • Franjestaart; • Gewone dwergvleermuis; • Gewone/Grijze grootoorvleermuis; • Laatvlieger; • Rosse vleermuis; • Ruige dwergvleermuis; • Watervleermuis. In de afgelopen 10 jaar zijn deze soorten vastgesteld binnen 1,5 kilometer van het projectgebied. De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming van keutels van Gewone of Grijze grootoorvleermuis tijdens een monitoring van vleermuizen op zolders. Dit betreft waarschijnlijk een waarneming op de kerkzolders van de O.L.V. Hemelvaartkerk. Het merendeel van de waarnemingen concentreert zich langs de bosranden ten zuiden van het projectgebied.

Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat er in de laagbouw met winkels geen open stootvoegen aanwezig zijn die toegang geven tot een spouw. Onder de boeiboorden is beperkt ruimte aanwezig voor een zomer- of paarverblijfplaats van één of enkele individuen van Gewone of Ruige dwergvleermuis. De aanwezigheid van zomerof paarverblijfplaatsen is hiermee niet volledig uit te sluiten. Massawinterverblijven of kraamkolonies zijn wel uit te sluiten in de laagbouw. Er zijn geen open stootvoegen aanwezig in de twee woningen met huisnummers 126 en 128. De dakpannen sluiten nauw aan op de houtconstructie van het dak op de kopgevels. Dit maakt de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de beide woonhuizen niet waarschijnlijk, maar niet volledig uit te sluiten. De laagbouw en de twee woonhuizen zijn te beperkt van omvang of hoogte om een belangrijke functie te vervullen als vliegroute. De verwilderde tuin is te beperkt van omvang om de functie van essentieel foerageergebied te kunnen vervullen. Er zijn in de directe omgeving van het projectgebied, met name ten zuiden, foerageergebieden aanwezig van een hoge kwaliteit.

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

31

Negatieve effecten op vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn uit te sluiten. Negatieve effecten op boom bewonende vleermuizen zijn uit te sluiten, omdat er geen geschikte bomen binnen het projectgebied of de directe omgeving aanwezig zijn. Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen zijn niet volledig uit te sluiten. Overige zoogdieren Op basis van de bureaustudie is de aanwezigheid van enkele vrijgestelde soorten te verwachten binnen het plangebied, die de afgelopen 10 jaar binnen 1,5 kilometer van het projectgebied zijn vastgesteld: Aardmuis, Bosmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Haas, Huismuis, Huisspitsmuis, Konijn, Mol, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos en Woelrat. In het veld is voor de vastgestelde, niet vrijgestelde soorten, het ecologisch belang van het projectgebied verder bepaald. Dit betreft de soorten Boommarter, Bunzing en Eekhoorn. Er is binnen het projectgebied geen geschikt habitat aanwezig voor deze beschermde soorten. Hoge, dikke bomen ontbreken binnen het projectgebied. De verwilderde tuin ligt geïsoleerd en heeft geen verbinding met potentieel geschikt habitat in de directe omgeving. Negatieve effecten op beschermde overige zoogdieren kunnen op voorhand worden uitgesloten. V ogels Op basis van de bureaustudie is de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten mogelijk.

Dit betreft nesten van de soorten Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Sperwer, Wespendief. Voor de roofvogels betreft het allemaal waarnemingen in bossen ten zuid(west)en van het projectgebied. In alle gevallen gaat het om jagende individuen of individuen ter plaatse. Nestlocaties zijn niet vastgesteld in de directe omgeving van het projectgebied de afgelopen 10 jaar. Binnen het projectgebied zijn geen hoge bomen aanwezig voor nestlocaties van deze soorten. Voor Grote gele kwikstaart gaat het eveneens om waarnemingen die niet duiden op een nestlocatie in de omgeving. Huismus en Gierzwaluw, twee beschermde gebouw bewonende soorten, zijn de afgelopen 10 jaar op diverse locaties rondom het projectgebied waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten waargenomen binnen het projectgebied en de directe omgeving: Heggenmus, Huismus, Kauw, Merel, Pimpelmees, Tjiftjaf, Vink en Zwarte roodstaart. Binnen het projectgebied zijn geen beschermde soorten of soorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen tijdens het veldbezoek op 23 april 2021. De laagbouw met winkelpanden is niet geschikt voor beschermde gebouw bewonende soorten. Voor de twee woonhuizen aan de Raadhuisstraat geldt dat de ruimte onder de eerste rij dakpannen in potentie geschikt is voor nestlocaties van Huismus.

Het ontbreekt echter aan de combinatie van elementen voor een geschikt leefgebied van Huismus. De mogelijkheden om te drinken, mogelijkheden voor nestgelegenheid, mogelijkheden om een zandbad te nemen, voldoende opgaande vegetatie voor dekking, foerageermogelijkheden en sociale interactie liggen te versnipperd en ver van elkaar verwijderd om geschikt leefgebied voor Huismus te zijn (BIJ12, 2017). Enkele van deze elementen zijn wel aanwezig binnen het projectgebied of de directe omgeving. Een continu aanbod aan open water ontbreekt echter binnen een straal van 200 meter van het projectgebied. Al deze elementen zijn benodigd in de directe omgeving van een nestlocatie. Als één van deze elementen ontbreekt, is de betreffende locatie niet geschikt voor broedende Huismussen. De dichtstbijzijnde populatie van Huismus is tijdens het veldbezoek aangetroffen langs de Putseweg, ten zuidoosten van het projectgebied. Dit komt overeen met de resultaten van de bureaustudie. Gierzwaluw is niet waargenomen tijdens het veldbezoek, maar het veldbezoek is uitgevoerd in de periode dat de meeste Gierzwaluwen nog terug moeten komen uit hun overwinteringsgebieden. De kopgevels van de woningen aan de Raadhuisstraat 126 en 128 zijn in potentie geschikt voor nestgelegenheid van Gierzwaluw.

De kopgevel van huisnummer 126 staat echter te dicht tegen de bebouwing van Raadhuisstraat 124, waardoor niet voldoende vrije onbelemmerde uitvliegruimte beschikbaar is. De dakpannen sluiten netjes en nauw aan op de dakconstructie, maar de nokpannen bieden wel voldoende ruimte voor een potentiële nestlocatie. Negatieve effecten op beschermde vogels of jaarrond beschermde nesten kunnen hiermee niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar Gierzwaluw dient inzicht te verschaffen in de aanwezigheid van nestlocaties van deze soort. 32

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

Reptielen en Amfibieën Uit de bureaustudie komt naar voren dat de volgende beschermde soorten reptielen en amfibieën in de afgelopen 10 jaar zijn vastgesteld binnen 1,5 kilometer van het projectgebied: Poelkikker, Rugstreeppad, Alpenwatersalamander en Levendbarende hagedis. Al deze waarnemingen zijn gedaan op enige afstand van het projectgebied. Er is binnen het projectgebied geen geschikt habitat aangetroffen voor deze soorten. Er zijn geen voortplantingswateren of geschikt landhabitat aanwezig. Het projectgebied heeft een te versnipperde ligging ten opzichte van de gebieden waar deze soorten zijn waargenomen. Ook voor algemene, vrijgestelde soorten ontbreekt geschikt habitat. Negatieve effecten op beschermde soorten reptielen en amfibieën kunnen hiermee worden uitgesloten. I nsecten De afgelopen 10 jaar zijn de volgende beschermde insecten vastgesteld binnen 1,5 kilometer van het projectgebied: Teunisbloempijlstaart, Grote vos. Beide soorten zijn waargenomen langs bosranden ten zuiden van het projectgebied. Zowel Teunisbloempijlstaart als Grote vos zijn afhankelijk van een combinatie van hoge opgaande bomen of struwelen en open plekken. Beide soorten voelen zicht thuis in vochtige bossen, langs bosranden en open plekken in bossen.

(De Vlinderstichting, z.d.) Er is door het ontbreken van een diverse, opgaande begroeiing geen geschikt habitat aanwezig voor deze soorten binnen het projectgebied of de directe omgeving. Negatieve effecten op beschermde soorten insecten kunnen hiermee worden uitgesloten. V issen Sinds 2010 zijn geen beschermde vissen binnen het projectgebied of de directe omgeving vastgesteld. Er is geen geschikt habitat aanwezig in het projectgebied of de directe omgeving, door het ontbreken van waterlopen of-partijen. Negatieve effecten op beschermde soorten vissen kunnen worden uitgesloten. Houtopstanden Er is geen sprake van beschermde houtopstanden, omdat er geen bomen aanwezig zijn binnen het projectgebied. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvattend overzicht of er aanvullend onderzoek noodzakelijk is voor de eerder genoemde soortgroepen. Vanuit deze ecologische quickscan komt naar voren dat aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk is. Vanuit de resultaten van dit aanvullend onderzoek kan het nodig zijn om compenserende en/of mitigerende maatregelen te treffen en een ontheffing op de Wet Natuurbescherming aan te vragen. Soort Gebieden Vaatplanten Vleermuizen Overige zoogdieren Vogels Reptielen en amfibieën Insecten Vissen Houtopstanden

Aanvullend onderzoek Onderzoek naar de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen door middel van Aerius berekening Geen Onderzoek naar verblijfplaatsen gedurende kraamperiode en paarperiode van vleermuizen Geen Onderzoek naar Gierzwaluw Geen Geen Geen Geen

Periode/Frequentie Voorafgaand aan start werkzaamheden

N.v.t. Jaarrond onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2021 tussen 15 mei en 1 oktober. N.v.t. 3 bezoeken tussen 1 juni en 15 juli N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.

Figuur 5.4: Benodigd aanvullend onderzoek

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

33

Zorgplicht Onderstaande maatregelen tijdens de werkzaamheden zijn altijd geldend: • Vanuit de Zorgplicht is het een eis om voorzichtig te handelen met alle voorkomende flora en fauna; • Indien, ondanks zorgvuldig handelen, er schade lijkt te ontstaan aan beschermde flora en fauna, wordt er direct contact opgenomen met een ter zake deskundige ecoloog; • Om bodem bewonende dieren de mogelijkheid te geven een nieuw leefgebied te vinden, wordt er gefaseerd gewerkt bij de verwijdering van vegetatie, stobben en bodemmateriaal. Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor vogels, om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten; • Dieren krijgen de rust en kans om zich te verplaatsen, indien zij worden aangetroffen tijdens werkzaamheden; • Werkzaamheden worden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Verlichting dient vleermuisvriendelijk te zijn om verstoring te voorkomen zoals: UV-vrije verlichting, beperkte hoogte lichtmasten, convergerende en naar beneden gerichte verlichting en geen sterk bundellicht.

Voorkom ook het direct schijnen op groenelementen, zoals bosschages en ruigtes; • Vestiging van Rugstreeppad voorkomen door puinhopen te verwijderen, rijsporen en plasvorming te voorkomen. Daarnaast is het mogelijk een scherm in te graven rondom het plangebied. Deze dient 10 cm te worden ingegraven en verder bovengronds een hoogte van 50 cm te hebben; • Er wordt rekening gehouden met broedvogels en het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli. Werkzaamheden worden gestart voor of na het broedseizoen. Ook buiten deze datumgrenzen dient men alert te zijn op de aanwezigheid van broedende vogels. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn. Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van de nieuwe woningen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Erfbeplanting Indien er nieuwe erfbeplanting is gepland, wordt geadviseerd deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren.

5.3.2 Aanvullend onderzoek vleermuizen en gierzwaluwen Door Maasarend is een nader onderzoek naar de inventarisatie van vleermuizen en gierzwaluwen uitgevoerd (Vleermuis- en Gierzwaluwinventarisaties, Raadhuisstraat 126 te Hoogerheide, Maasarend, projectnr. 2021-081-1, 27 oktober 2022). Om vast te kunnen stellen of vleermuizen voorkomen in het projectgebied, is nader soortspecifiek onderzoek uitgevoerd. Aan de hand van dat onderzoek kan er bepaald worden of er mitigerende of compenserende maatregelen nodig zijn. Daarmee zijn de volgende onderzoeksvragen beantwoord: Maken vleermuizen en Gierzwaluw gebruik van het projectgebied? Vleermuizen maken geen gebruik van het projectgebied. Er is in 2021 één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats van Gewone dwergvleermuis vastgesteld buiten het projectgebied. In 2022 zijn deze verblijfplaatsen niet bevestigd. Binnen het projectgebied zijn in beide jaren geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Er zijn geen vliegroutes vastgesteld binnen het projectgebied of de directe omgeving. Er wordt beperkt gefoerageerd binnen het projectgebied zelf door één Gewone dwergvleermuis.

Heeft de uitvoering van de gewenste ruimtelijke ingreep een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen en Gierzwaluw? Door de zeer beperkte aanwezigheid van vleermuizen binnen het projectgebied is een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen uit te sluiten. Er zijn geen verblijfplaatsen of vliegroutes aanwezig en er wordt slechts beperkt gefoerageerd door één individu. 34

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

Is de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk vanuit de Wet natuurbescherming (2017)? De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan onverminderd plaatsvinden, zonder kans op overtreding van bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Rijksoverheid, 2017). Conclusie Het is niet noodzakelijk om mitigerende en/of compenserende maatregelen te treffen ten aanzien van vleermuizen en Gierzwaluw. Om deze soorten in de toekomst een plaats te bieden kunnen bijvoorbeeld inbouwkasten in de nieuwbouw worden opgenomen. 5.3.3 Stikstofdepositie Het plangebied ligt niet in een Natura 2000 gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000 gebied is de Brabantse Wal op een afstand van ca. 800 meter. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten. Vanaf 1 juli 2021 zijn alle tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten, voor wat betreft stikstofdepositie, vrijgesteld van de vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb. Voor deze activiteiten hoeft dan ook geen onderzoek naar stikstofdepositie meer te worden uitgevoerd. Dit betekent dat de realisatiefase niet meer hoeft te worden meegenomen in de AERIUS stikstofberekening naar de depositiebijdrage van een project.

De gebruiksfase van je project is níet vrijgesteld en blijft dus wél onderwerp van onderzoek. Ook andere mogelijke verstoringsfactoren zoals licht, geluid, trillingen etc. moeten in het kader van de Wet natuurbescherming getoetst blijven. Voorgaande is een resultaat van de wetswijziging Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming. Artikel 2.9a Wnb en 2.5 Bnb worden toegevoegd/gewijzigd om voorgaande te regelen. Beoordeling planvoornemen In de nabije omgeving van het plangebied zijn Natura 2000-gebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Brabantse Wal op ca. 800 meter ten zuiden van het plangebied. GJM Bouwadvies b.v. heeft voor het terrein een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport ‘Berekening stikstofdepositie, GJM Bouwadvies b.v., projectnr. 24443-R-S1, 30 januari 2023’. Conclusie stikstofdepositie Uit de rekenresultaten blijkt dat er (na intern salderen) geen toename is van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie, waardoor significante effecten bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. 5.3.4

Waterparagraaf

Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.

De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

35

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer-waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid van het Waterschap Brabantse Delta is voor de komende jaren vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022 – 2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’.

In het waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. In het waterbeheeprogramma worden de volgende doelstellingen gehanteerd: 1. Klimaatadaptatie Het beperken van en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Het waterschap werkt samen met alle partners aan een andere inrichting van de openbare ruimte om hier invulling aan te geven. Hierbij komen alle kerntaken samen. Ook stimuleren we burgers en bedrijven om maatregelen te nemen. 2. Waterveiligheid Het waterschap werkt aan dijkonderhoud, en-versterking. Maar ook de ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing zijn belangrijk voor het beperken van overstromingsrisico’s. 3. Gezond water Samen met partners werken aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Gezond water met veel natuur in en om het water en aantrekkelijk voor iedereen. 4 . V oldoende water Het tegengaan van verdroging en het vergroten van de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater vraagt om maatwerk.

Vasthouden en infiltreren van water staat bovenaan. 5 . V aarwegen We zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van vaarwegen voor vlot en betrouwbaar scheepvaartverkeer en kijken naar het recreatieve belang van vaarwegen. 6. Waterketen Alle zuiveringen, rioolgemalen, afvalwatertransportleidingen en persstations die van belang zijn om afvalwater schoon te maken, onderhouden en vernieuwen we duurzaam en efficiënt. Er is aandacht voor innovaties, verminderen van het gebruik van grondstoffen en het opvoeren van het produceren van grondstoffen uit afvalwater. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/ speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de 36

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.

De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt.

Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Conclusie De locatie Raadhuisstraat 126 is gelegen in het centrum van de kern Hoogerheide. In het plangebied is geen open water aanwezig. Momenteel staan op het terrein 3 woningen woning met een schuur, en een verouderd winkelcomplex. De omgeving kent veel verharding vanwege de inrichting als parkeerterrein. Het huidige bebouwd oppervlak bedraagt circa 1.780 m2 (woningen en schuur en winkelcomplex) en de oppervlakte aan verharding (terras, oprit, parkeerplaatsen) is circa 2.890 m2. Het totaal verhard en bebouwd oppervlak in de huidige situatie bedraagt ca. 4.670 m2. Met de beoogde ontwikkeling worden er nieuwe planologische mogelijkheden geregeld omtrent bebouwing en verharding. De appartementengebouwen hebben gezamenlijk een bebouwde oppervlakte van circa 1.785 m2, daarnaast zullen de parkeerterreinen opnieuw worden ingericht en vergroend waardoor het totale overige verharde oppervlak in de nieuwe situatie circa 2.700 m2 zal bedragen. Het totale verhard en bebouwd oppervlak in de nieuwe situatie bedraag circa 4.485 m2. Type verharding Bebouwing Overige verharding Totaal

Verharding bestaande situatie (m2) ca. 1.780 m2 ca. 2.890 m2 ca. 4.670 m2

Verharding nieuwe situatie (m2) ca. 1.785 m2 ca. 2.700 m2 ca. 4.485 m2

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

37

Geconcludeerd kan worden dat het aandeel verhard en bebouwd oppervlak afneemt met circa 185 m2. Bij een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m2 tot en met 10.000 m2 wordt de rekenregel door het waterschap toegepast en moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. Door de afname aan verhard oppervlak is compensatie niet nodig. Alleen het vuilwater (VWA) mag worden afgevoerd naar het gemengd stelsel. Het hemelwater (HWA) moet op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Dat betekent dat voor de regenwaterafvoer van de nieuwbouw milieuvriendelijke stoffen gebruikt moeten worden en dat uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet mogen worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 5.3.5

Wegverkeerslawaai

Beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wet Geluidhinder (Wgh) worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. Voor woningen binnen een onderzoekszone is een maximaal toelaatbare geluidsbelasting (Lden) op de gevel ten gevolge van verkeerslawaai vastgesteld op 48 dB (voorkeursgrenswaarde) en een maximaal te verlenen ontheffingswaarde van 63 dB voor het binnenstedelijk gebied. Onderzoek Wematech Milieu Adviseurs B.V. heeft voor het plan een akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport ‘akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer Raadhuisstraat 126, 128 & 130 te Hoogerheide, Wematech Milieu Adviseurs B.V., projectnr. AWV-60200376, versie definitief, 9 november 2020’. Het plan is gelegen binnen de zone van de Scheldeweg en de Putseweg, ter plaatse van deze wegen geldt een maximale snelheid van 50 km/h. Beide wegen betreffen drukke doorgaande wegen door de woonkern Hoogerheide.

Daarnaast is nog een aantal wegen met een maximale snelheid van 30 km/h aanwezig nabij het plangebied, te weten de Raadhuisstraat, Huijbergseweg, Ossendrechtseweg en Philomenahof. In de omgeving van het plan bevindt zich voornamelijk (woon) bebouwing. De verkeersgegevens van de diverse wegen zijn aangeleverd door de gemeente Woensdrecht. Deze gegevens zijn in het onderzoek gebruikt voor het berekenen van de geluidbelasting ter plaatse van de appartementen. Conclusie Wet geluidhinder Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer vanwege de Scheldeweg en de Putseweg respectievelijk ten hoogste 42 dB en 38 dB wordt berekend ter plaatse van de appartementen. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee niet overschreden. Het aanvragen van hogere grenswaarden is derhalve niet aan de orde. Bouwbesluit 2012 Op grond van artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 dient een gevel van een nieuwe appartementen een geluidwering van ten minste 20 dB te hebben. Aangezien het vaststellen van hogere grenswaarden niet aan de orde is, worden op grond van het Bouwbesluit, behoudens de minimale isolatie van 20 dB, geen aanvullende eisen gesteld aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. Ruimtelijke ordening Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van de oostgevel van het appartementencomplex de cumulatieve geluidbelasting 62 dB (excl.

aftrek) bedraagt en derhalve is te kwalificeren als een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de achtergevels van de appartementen varieert de geluidbelasting van 31 – 40 dB, wat te kwalificeren is als een goed woon- en leefklimaat. De buitenruimte wordt aan de achterzijde van de 38

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

appartementen gerealiseerd waardoor alle appartementen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte derhalve sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Om ook binnen in de appartementen een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen dient voor de geveldelen waar sprake is van een cumulatieve geluidbelasting van >53 dB een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels te worden uitgevoerd. Geadviseerd wordt om hierbij aansluiting te zoeken bij de normstelling uit het Bouwbesluit 2012. De na te streven geluidsisolatie van de gevel is afhankelijk van de optredende geluidbelasting en kan hierbij oplopen tot een minimum benodigde isolatie van 29 dB (62 dB – 33 dB binnenniveau). Hiermee kan worden gewaarborgd dat ter plaatse van de nieuwe appartementen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 5.3.6

Bedrijven en milieuzonering

Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen twee zaken onderzocht te worden binnen het aspect bedrijvigheid, namelijk 1. of omliggende bedrijven niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd worden en 2. of er sprake is van een “aanvaardbaar” woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige objecten, zoals woningen. Inventarisatie omgeving Raadhuisstraat 126 - 130 De locatie is gelegen aan de Raadhuisstraat, een historisch lint en belangrijke verbinding in het centrum van Hoogerheide. In het vigerend bestemmingsplan 'Bebouwde kom Hoogerheide- Woensdrecht' is in de directe omgeving van het plangebied voornamelijk de bestemming 'Centrum-1' opgenomen. Binnen deze bestemming bevinden zich verschillende functies waaronder detailhandel, dienstverlening, horeca en kantoren en wonen. Bovendien komen er naast de bestemming ´Centrum-1' ook andere bestemmingen voor op korte afstand van het plangebied. Het betreft onder andere de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Wonen' en 'Horeca'. De functies die mogelijk zijn binnen de geldende bestemmingen, zijn over het algemeen in de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG opgenomen onder categorie 1. De richtafstanden voor dit type bedrijvigheid bedraagt 10.

Enkel binnen de functie horeca, die is toegestaan binnen de bestemming ‘Centrum-1’, zijn bedrijven in milieucategorie 2 (discotheken, muziekcafés) niet uitgesloten. De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming bevindt zich op ca. 200 meter ten noordwesten van het plangebied. Voor categorie 2 bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter. G emengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

39

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

Raadhuisstraat 111, restaurant Hof van Holland: woningen, detailhandel Raadhuisstraat 124, administratiekantoor

Raadhuisstraat 119, café Raadhuisstraat 132, restaurant

Figuur 5.5: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ' Bebouwde kom Hoogerheide Woensdrecht’, locatie in rood omlijnd

Dit zijn functies uit de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ met onder andere categorie A en maximaal B. Voor categorie A activiteiten geldt dat die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Gelet op het gemengd voorkomen van deze functies in de directe omgeving van het plangebied, kan het gebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden als opgenomen in de VNG-publicatie kunnen hierdoor met één afstandsstap worden teruggebracht. Dit betekent dat de richtafstand tot de mogelijke functies binnen de bestemming 'Centrum-1' (detailhandel, dienstverlening en kantoren en wonen) en horeca en verkleind kan worden naar respectievelijk 0 en 10 meter. Toetsing beoogde ontwikkeling De toekomstige appartementen worden aan de noordzijde direct grenzend aan de centrumfuncties mogelijk gemaakt. Voor de functies detailhandel, dienstverlening, kantoren en wonen geldt dat de richtafstand van 0 meter tot aan de nieuwe woonontwikkeling gewaarborgd is, mits de functies bouwkundig gescheiden zijn. Gezien de realisatie van de appartementen direct grenzend aan de bestemming 'Centrum-1' kan planologisch gezien aan de richtafstand van 10 meter voor horeca-activiteiten niet worden voldaan.

Echter in de feitelijke situatie zijn direct grenzend aan de noordzijde van het plangebied de functies dienstverlening (nr. 124) en detailhandel (Hof van Holland nr. 13) gevestigd, met daarboven wonen. Aan de overzijde van de Raadhuisweg is op nr. 119, op circa 12 meter, een café gevestigd en op nr. 111 een restaurant op circa 28 meter van het plangebied. Aan de zuidzijde van het plangebied, op nr. 132, is op circa 10 meter een restaurant gevestigd. De aanwezige horeca activiteiten zijn dus gelegen op een minimale afstand van 10 meter. Daarmee wordt ook voor de horeca-activiteiten voldaan aan de richtafstanden. Aan de richtafstand tot het dichtsbijzijnde bedrijf, op circa 200 meter, wordt ruimschoots voldaan. Conclusie Gezien het feit dat er direct grenzend aan het plangebied dienstverlening, detailhandel en wonen is gelegen en op een minimale afstand van 10 meter horeca-activiteiten, kan worden voldaan aan de gestelde richtafstanden. De toekomstige appartementen zullen bouwkundig worden gescheiden van de andere centrumfuncties. Daarmee 40

Ontwerp bestemmingsplan “Raadhuisstraat 126 - 130, te Hoogerheide” - 12 december 2023

is er sprake van een aanvaardbaar woon-en leef klimaat. Tevens kan gesteld worden dat reeds gevestigde bedrijven niet in de bedrijfsvoering beperkt worden. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.3.7

Luchtkwaliteit

Wet milieubeheer Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de “Wet luchtkwaliteit”. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer kent een aantal nieuwe begrippen zoals ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor nieuwe plannen betekent dit dat er nagegaan dient te worden of het plan past binnen het Besluit en/of de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’. Conclusie Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat ‘in niet betekenende mate wordt bijgedragen’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met de realisatie van maximaal 28 woningen wordt de grens zoals gesteld in de Regeling- NIMB (gevallen zoals bedoeld in Artikel 4 lid 1 van AMvB-NIBM), de grens van 1500 woningen, niet overschreden. Een nader onderzoek wordt als niet relevant beschouwd. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden. Conclusie Vanuit de NSL monitoring blijken er in de omgeving van Hoogerheide geen overschrijdingen te zijn van de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5, zodat er geen aanleiding is voor een nader onderzoek. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. De luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe appartementen vormt geen belemmering.

5.4 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimumbeschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (het groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in het “Besluit externe veiligheid transportroutes” en het “Besluit externe veiligheid buisleidingen”(Bevb). P laatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=woensdrecht&id=3c7ee9e0-7468-4490-bd1a-f3a9bfea84b0